|
REGELING van de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 25 augustus 2004, Directie
Sociale Verzekeringen, nr. 04/57292, houdende vaststelling van regels
over de noodzakelijke opleiding of scholing, bedoeld in artikel
76 van de Werkloosheidswet
(Scholingsregeling WW)
De Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op artikel 76
van de Werkloosheidswet;
Besluit:
Art.
1. Noodzakelijke opleiding of scholing
-1. Het recht op uitkering tijdens
noodzakelijke opleiding of scholing als bedoeld in artikel 76
van de
Werkloosheidswet blijft bestaan indien de opleiding of scholing bestaat
uit het systematisch verwerven van kennis dan wel vaardigheden volgens
een vooraf vastgesteld programma, waarbij de verworven kennis en
vaardigheden worden getoetst.
-2. De opleiding of scholing is
noodzakelijk indien aannemelijk is:
a. dat de werknemer niet zonder
opleiding of scholing een voor hem passend beroep of functie kan
uitoefenen op de arbeidsmarkt en dat de voorgestelde opleiding of
scholing daartoe een adequaat middel is; en
b. dat de opleiding of scholing
relevant is voor de arbeidsmarkt.
-3. De noodzakelijke opleiding of scholing
bestaat in overwegende mate uit het verrichten van activiteiten die niet
productie als doel hebben.
Art.
2. Duur
Opleiding of scholing als bedoeld in artikel 76
van de
Werkloosheidswet
duurt maximaal één jaar. Het UWV kan in individuele gevallen een opleiding of
scholing van een langere duur toestaan, doch niet meer dan twee jaar.
Art.
3. Uitzondering recht op uitkering
Geen recht op uitkering als bedoeld in artikel 1 en 2 blijft
bestaan
indien tijdens de opleiding of scholing recht bestaat op een voorziening
in de derving van inkomen.
Art.
4. Overgangsrecht
Deze regeling is van toepassing op de werkloze werknemer die op of na de
dag van inwerkingtreding van deze regeling een aanvraag heeft ingediend
tot deelname aan opleiding of scholing.
Art.
5. Intrekking
De Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20
december 1990, houdende vaststelling van regels als bedoeld in artikel 76, eerste en tweede lid, van de
Werkloosheidswet wordt ingetrokken.
Art.
6. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt
terug tot en met 1 augustus 2004.
Art.
7. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Scholingsregeling WW.
Deze regeling zal met de
toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Den Haag, 25 augustus
2004.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus.
TOELICHTING
[25 augustus 2004]
Algemeen
Artikel 76
van de
Werkloosheidswet (hierna: WW) bepaalt dat de werkloze werknemer bij het
volgen van een noodzakelijke opleiding of scholing het recht op
uitkering behoudt. Op grond van artikel 76 van de
WW worden voorwaarden
gesteld aan de opleiding of scholing die kan worden gevolgd met behoud
van werkloosheidsuitkering. De regels hebben betrekking op onder meer de
aard, de omvang en de duur van de opleiding of scholing. Hierna worden
opleiding en scholing naast elkaar gebruikt.
Met deze regeling worden de
voorheen bestaande regels ingetrokken. Directe aanleiding tot deze
regeling is de afloop van de scholingsexperimenten in de
WW. De experimenten boden meer ruimte om scholing te
volgen met behoud van uitkering. De ervaringen die zijn opgedaan in de
experimenten zijn meegenomen in deze regeling. Met de experimenten
werden specifieke regels gegeven waarmee de mogelijkheden tot deelname
aan scholing werden verruimd met betrekking tot bedrijfsopleidingen,
productieve arbeid tijdens scholing en de duur van scholing. Met deze
regeling worden de mogelijkheden behouden, maar wordt van de gelegenheid
gebruik gemaakt om de regeling te vereenvoudigen en specifieke regels te
laten vervallen. Hierdoor bieden de regels het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV) meer flexibiliteit en kan meer maatwerk in
scholing worden geboden.
De voortzetting van de
werkloosheidsuitkering tijdens scholing is een faciliteit die is gericht
op reïntegratie van de werkloze op de arbeidsmarkt. Tijdens de
noodzakelijke scholing wordt de uitkeringsgerechtigde geacht werkloos te
zijn en wordt hij tevens op grond van de Regeling vrijstelling
verplichtingen WW (Stcrt. 2003, 241) gedurende de duur van de scholing
minus de laatste twee maanden vrijgesteld van de verplichting te
trachten passende arbeid te verkrijgen. Onderhavige regeling beoogt
daarom voorwaarden te stellen waardoor scholing ook inderdaad een
bijdrage is tot vergroting van de kansen op het duurzaam verkrijgen van
arbeid.
Artikelsgewijs
Artikel
1. Noodzakelijke
opleiding of scholing
Eerste lid
In dit lid wordt aangegeven
wat onder opleiding of scholing in het kader van artikel 76
WW
wordt
verstaan. Dit betreft het systematisch verwerven van
arbeidsmarktrelevante kennis en/of vaardigheden voor de uitoefening van
een taak, functie of (zelfstandig) beroep. Er moet dus sprake zijn van
een vooraf vastgesteld programma waarin is vastgelegd wat wordt geleerd
en op welke wijze dit wordt getoetst. Het afgegeven diploma of
certificaat dan wel ander document over de gevolgde scholing moet de
toekomstige werkgever de garantie bieden dat de afgestudeerde
daadwerkelijk aan de eisen van de kwalificatiestructuur voldoet. Bij een
scholingsprogramma kan de cursist doorgaans ook een beroep doen op
begeleiding van daartoe aangestelde docenten.
Tweede lid, onderdeel a
Deelnemen aan scholing met
behoud van werkloosheidsuitkering is alleen toegestaan indien de
scholing voor deze persoon noodzakelijk is, gezien zijn positie op de
arbeidsmarkt. Het is aan het UWV om te beoordelen of dit aannemelijk is.
Scholing zal praktisch alleen tijdens een reïntegratietraject aan de
orde komen, omdat het dan gaat om een persoon met een afstand tot de
arbeidsmarkt. Bij de intake van de aanvraag om werkloosheidsuitkering
wordt door het CWI al vastgesteld of
er een grote afstand is tot de arbeidsmarkt. Daarbij kan aan de orde
komen dat er een scholingsbehoefte is.
Ook in het kader van een
reïntegratietraject kan in samenspraak tussen reïntegratiebedrijf en
de werkloze worden geoordeeld dat scholing gewenst of noodzakelijk is.
Het UWV kan bij de beoordeling van de vraag of scholing noodzakelijk is,
gebruik maken van deze inzichten en wensen die hiervoor zijn gebleken.
Daarbij zullen in de persoon gelegen factoren een rol kunnen spelen,
zoals vooropleidingen, arbeidsverleden, de duur van de werkloosheid,
eerdere perioden van werkloosheid, leeftijd, sociale achtergrond en de
noodzaak van verandering van beroep in verband met handicap of
intellectuele capaciteiten.
Tweede lid, onderdeel b
Scholingen worden als
relevant voor de arbeidsmarkt aangemerkt als er op de arbeidsmarkt vraag
is naar werknemers met de scholing. Het is daarbij in het algemeen niet
voldoende dat er bij slechts één werkgever vraag is naar werknemers
met de bewuste opleiding. Een opleiding zal in een zekere kring van
werkgevers als waardevol en noodzakelijk herkend moeten worden. Daarmee
moeten de opleidingen hun waarde bewezen hebben en dus in het algemeen
al enige tijd bestaan. Hieruit vloeit ook een strakke toepassing voort.
Bij twijfel of een scholing door werkgevers als arbeidsmarktrelevant
herkend wordt, valt deze niet onder de scholingsregeling in de WW. In de
regel zullen opleidingen die vanuit een sector of branche worden opgezet
als arbeidsmarktrelevant worden aangemerkt. Er wordt geen lijst
bijgehouden van opleidingen die als arbeidsmarktrelevant worden
beschouwd. De markt van opleidingen is namelijk voortdurend in beweging.
Het bijhouden van een lijst en toetsing van opleidingen aan die lijst
zal meer vertragend werken dan duidelijkheid bieden over de opleidingen
die als arbeidsmarktrelevant worden beschouwd.
Gelet op het feit dat
scholing is gericht op het verkrijgen van de kennis of vaardigheden die
ook daadwerkelijk in een taak of functie uitgeoefend kunnen worden bij
een potentiële werkgever of ingezet kunnen worden bij de uitoefening
van een beroep, wordt tevens duidelijk dat activiteiten zoals trainingen
gericht op het opdoen van vaardigheid in het solliciteren niet worden
gezien als scholing in de zin van artikel 76
van de WW. Ook een algemeen
vormende opleiding die niet gericht is op de uitoefening van een taak of
beroep wordt niet als een zodanige scholing aangemerkt.
Derde lid
Bij de scholing moet het
verwerven van kennis en vaardigheden vooropstaan. Deze kunnen ook
verworven worden door praktische arbeid. Als onderdeel van de scholing
kan praktische arbeid worden verricht. Deze praktische arbeid kan
productieve arbeid omvatten, maar dit praktische deel van de scholing
zal ten dienste moeten staan van de scholing en dus het verwerven van
kennis en vaardigheden dan wel het praktisch leren toepassen daarvan tot
doel hebben. Tijdens de scholing mag dus niet in overwegende mate het
doel zijn het verrichten van productieve arbeid. Er zijn geen regels
gesteld over de onderlinge verhouding tussen het praktische deel en het
theoretische deel van de scholing. De behoefte aan praktische arbeid kan
immers per opleiding verschillen.
Artikel
2. Duur
Doel van de scholing is dat
de uitkeringsgerechtigde zo snel mogelijk duurzaam geplaatst kan worden
in arbeid. De scholing mag dus niet leiden tot verlenging van de
werkloosheid en zal niet langer mogen duren dan noodzakelijk is om
toegang tot de arbeidsmarkt te krijgen. In het algemeen moet worden
aangenomen dat met een scholing die niet langer duurt dan een jaar
toegang tot de arbeidsmarkt mogelijk is. Het gaat immers om personen die
al een arbeidsverleden hebben en kennis en ervaring hebben opgedaan. De
scholing tijdens de uitkeringsperiode zal dus in het algemeen een
aanvulling zijn op hetgeen al is verworven. Bij de afweging van de duur
van de scholing wordt ook rekening gehouden met de wachttijd die er kan
zijn voordat met de scholing gestart kan worden. Het is gewenst dat
zoveel mogelijk die opleiding wordt gezocht die het eerst afgerond kan
zijn.
Het UWV is bevoegd om,
indien individuele omstandigheden daartoe noodzaken, scholing voor een
langere duur met behoud van uitkering toe te staan indien dit
noodzakelijk wordt geacht. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als
aannemelijk is dat de voorgestelde scholing de kortste weg is naar werk
en er geen andere scholingsmogelijkheid voorhanden is die korter duurt.
Daarnaast kan bij de afweging van de duur van de scholing ook rekening
worden gehouden met de relevantie voor de arbeidsmarkt. Als er keuze is
tussen verschillende noodzakelijke opleidingen of cursussen, kan de
arbeidsmarktrelevantie de doorslaggevende factor zijn boven de duur van
de scholing.
Artikel
3. Uitzondering
recht op uitkering
Evenals in de bestaande
regeling wordt een uitzondering op het recht op behoud van uitkering
gemaakt indien in verband met het volgen van de opleiding of scholing
aanspraak bestaat op een uitkering in verband met inkomensderving
(wegens het volgen van de opleiding). Daarbij gaat het vooral om een
toekenning van studiefinanciering op grond van de
Wet
studiefinanciering 2000.
Een WW-gerechtigde kan
indien hij aan gestelde voorwaarden voldoet in aanmerking komen voor
studiefinanciering. Aanspraak op studiefinanciering bestaat indien een
erkende en een erkend type (beroeps)opleiding wordt gevolgd van een duur
van ten minste één jaar en met een bepaalde studiebelasting. Er bestaat
om in aanmerking te kunnen komen voor studiefinanciering een
leeftijdgrens. Bij de vaststelling van de studiefinanciering wordt onder
meer rekening gehouden met inkomen en de kosten van
levensonderhoud. In de situatie dat een WW-gerechtigde een volledige
opleiding volgt waarvoor hij studiefinanciering krijgt toegekend, zal
dit ook gevolgen hebben voor het recht op de WW-uitkering. Dit wordt
beoordeeld door het UWV met toepassing van de relevante wettelijke
bepalingen. Dit artikel bewerkstelligt dat het UWV in geval van een
opleiding waarbij studiefinanciering aan de orde is deze regeling (het
toestaan van scholing met behoud van uitkering) niet hoeft toe te
passen.
Artikel
4. Overgangsrecht
Het verzoek van de werkloze
werknemer die vóór de dag van inwerkingtreding van deze regeling de
aanvraag tot deelname aan een noodzakelijke opleiding of scholing heeft
ingediend, wordt beoordeeld op grond van de regeling die op grond van
artikel 5 wordt ingetrokken.
Artikel
5. Intrekking
De Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20
december 1990, houdende vaststelling van regels als bedoeld in artikel 76, eerste en tweede lid, van de
Werkloosheidswet (Stcrt. 1990, 252), wordt ingetrokken. Deze
regeling werd op grond van artikel 76 WW
vastgesteld door de Sociale
Verzekeringsraad, die de bevoegdheid had regels te stellen omtrent de
werknemer die een noodzakelijke opleiding of scholing gaat volgen. Deze
bevoegdheid berustte vanaf de invoering van de Organisatiewet Sociale
Verzekeringen op 1 januari 1995 bij het Tijdelijk instituut voor
coördinatie en afstemming. Bij de invoering van de Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 is de regeling een regeling geworden van de
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, die geacht wordt op grond
van het tweede lid van artikel 76 WW
te zijn genomen.
Artikel
6. Inwerkingtreding
De scholingsexperimenten
hebben geleerd dat er behoefte bestaat aan meer ruimte voor het UWV
voor
het leveren van maatwerk in verband met scholing. Het is wenselijk deze
ruimte aansluitend op het aflopen van de experimenten te bieden.
De experimenten lopen af op 1 augustus 2004. De regeling treedt daarom -
met terugwerkende kracht - op 1 augustus 2004 in werking, volgend op
het van rechtswege vervallen van de experimenten.
In het voorstel van wet
tot wijziging van enkele socialeverzekeringswetten en enige andere
wetten in verband met het aanbrengen van enige vereenvoudigingen
(Kamerstukken II 2003-2004, 29 513) wordt artikel 76
WW
aangepast in die
zin dat de werkloosheidsuitkering niet meer verlengd wordt voor de duur
van de scholing terwijl de vastgestelde duur van de WW-uitkering is
verstreken. De onderhavige regeling stelt echter eisen aan de noodzaak
van de scholing en geldt zowel voor de situatie vóór inwerkingtreding
van dit wetsvoorstel als voor de situatie na de inwerkingtreding.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus.
|