|
REGELING van de Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid van 31
maart 2009, nr. IVV/I/2009/7428, tot buitentoepassingverklaring van artikel
1, onderdeel f, van de Regeling
gelijkstelling niet-gewerkte uren met gewerkte uren bij deeltijd WW
tot behoud van vakkrachten
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op artikel 16,
zevende lid, van de
Werkloosheidswet;
Besluit:
Art. 1.
Artikel 1, onderdeel f, van de
Regeling gelijkstelling niet-gewerkte uren
met gewerkte uren is niet van toepassing met betrekking tot uren
waarin de werknemer niet heeft gewerkt als gevolg van verkorting van
zijn werktijd met toepassing van het Besluit
deeltijd WW tot behoud van vakkrachten.
Art. 2.
Deze regeling treedt in
werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant
waarin zij wordt geplaatst, werkt terug tot en met 1 april 2009 en
vervalt met ingang van 1 juli 2013.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
Den Haag, 31 maart 2009.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.P.H. Donner.
TOELICHTING
[31 maart 2009]
Deze regeling vloeit voort uit het Besluit
deeltijd WW tot behoud van vakkrachten.
Bij vermindering van het
aantal te werken uren met toepassing van het Besluit deeltijd WW tot
behoud van vakkrachten kan door de
betrokken werknemer een beroep op de Werkloosheidwet (WW) worden
gedaan. De werknemer
ontvangt in dat geval tijdens het dienstverband met zijn werkgever een WW-uitkering voor dat deel
van zijn werktijd dat het aantal te werken uren is verminderd.
Het is van belang dat van
het Besluit deeltijd WW tot behoud van vakkrachten alleen gebruik wordt gemaakt wanneer de werkgever
en werknemer verwachten dat er in de toekomst binnen het bedrijf voldoende werk is. Vermeden
moet worden dat deze vorm van deeltijd-WW een weg van minste weerstand wordt en een
alternatief voor de situatie van werkelijke werkloosheid. Dit is niet in
het belang van de betrokken
werknemers die uiteindelijk toch om zullen moeten zien naar een andere baan, maar bij het zoeken
daarnaar een achterstand oplopen omdat zij te lang zijn blijven hangen
in hun oude baan. Het is ook
niet in het belang van de werkgever die daardoor middelen moet inzetten die anders beschikbaar
zouden kunnen zijn voor investeringen. Het is uiteindelijk ook niet in
het algemeen belang omdat
noodzakelijke aanpassingen daardoor vertraagd worden en meer middelen vergen.
Indien het vooruitzicht op
werk op langere termijn onzeker is, is het in het belang van zowel
werknemer als werkgever dat de
werkgelegenheid wordt afgebouwd. Van Werk Naar Werk staat dan voorop. In de brief van het
kabinet
zijn onder andere de maatregelen gepresenteerd die dit mogelijk maken. Daarbij
is aangegeven dat in deze
situatie het normale instrumentarium in het kader van de WW beschikbaar
is met de gebruikelijke
voorwaarden die aan de WW zijn gekoppeld. Indien werkgever en werknemer
ook gegeven de huidige
economische situatie voldoende vertrouwen hebben dat op langere termijn
de werkgelegenheid bestaat, is
behoud van vakkrachten aangewezen. Teneinde te voorkomen dat deze afweging lichtvaardig wordt
gemaakt, dienen de normale regels van de WW te gelden. Om die reden wordt
artikel 1, onderdeel f,
van de Regeling gelijkstelling niet-gewerkte uren
met gewerkte uren buiten toepassing gelaten en
dit zorgt ervoor dat bij toepassing van het Besluit deeltijd WW tot behoud van
vakkrachten deze
normale WW-regels gelden. Daarmee wordt bij het Besluit deeltijd WW tot behoud van vakkrachten
het gebruik van de WW gereserveerd voor die gevallen waarin het behoud van vakkrachten
aangewezen is en wordt oneigenlijk gebruik zoveel mogelijk voorkomen.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
J.P.H. Donner.
|