|
30 maart 2001/nr. SV/AVF/01/19010
Directie Sociale
Verzekeringen
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst;
Gelet op artikel
130a,
vijfde lid, van de Werkloosheidswet;
Besluit:
Art. 1.
Begripsbepalingen
In deze regeling wordt
verstaan onder:
a. de wet: de Werkloosheidswet;
b. de werkzaamheden: de
werkzaamheden, bedoeld in artikel 130a,
tweede lid, van de wet;
c. aanvangsjaar: het
kalenderjaar dan wel, indien artikel 3.66 van
de Wet
inkomstenbelasting 2001 van
toepassing is, het boekjaar waarin de
werknemer de werkzaamheden, bedoeld in onderdeel b, is gaan
verrichten;
d. de uitkering: de
uitkering, bedoeld in artikel 130a, tweede lid,
van de wet.
Art. 2.
Inkomsten
-1. Onder inkomsten als
bedoeld in artikel 130a, tweede lid,
van de wet wordt verstaan de belastbare
winst uit onderneming, bedoeld in
paragraaf 3.2.1 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, vermeerderd met de
ondernemersaftrek, bedoeld in paragraaf 3.2.4 van die
wet, met dien
verstande dat de bestanddelen van de
winst, bedoeld in artikel 3.78, derde lid, onderdeel a, b en
c, van die
wet, niet
geacht worden te behoren tot die
winst.
-2. Indien de berekening van
de in het eerste lid bedoelde
inkomsten leidt tot een negatief bedrag, worden
die inkomsten op nihil gesteld.
Art. 3.
Berekening van de
inkomsten
De inkomsten, bedoeld in
artikel 2, eerste lid, worden berekend
op basis van de volgende formule:
I = [I1 + (I2*W)] : 52
waarbij:
I = de inkomsten;
I1 = de inkomsten over het
aanvangsjaar;
I2 = de inkomsten over het
jaar gelegen na het aanvangsjaar;
W = het aantal weken gelegen
tussen de eerste dag van het
aanvangsjaar en de dag waarop de werknemer
de werkzaamheden, bedoeld in
artikel 1, onderdeel b, is gaan verrichten.
Art. 4.
Toerekening van
de inkomsten
-1. Indien de uitkering per
maand wordt betaald, worden de
inkomsten per maand vastgesteld op
8,33% van de inkomsten, bedoeld in
artikel 2.
-2. Indien de uitkering per
week of veelvoud daarvan wordt
betaald, worden de inkomsten per week
vastgesteld op 1,91% van de inkomsten, bedoeld in artikel
2.
Art. 5.
Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in
werking op het tijdstip waarop het
Tijdelijk besluit inkomstenkorting startende
zelfstandigen WW in werking treedt en
vervalt vier jaar na dat tijdstip.
Art. 6.
Citeertitel
Deze regeling wordt
aangehaald als: Tijdelijke regeling
vaststelling inkomsten startende zelfstandigen WW.
Deze regeling zal met de
toelichting in de Staatscourant worden
gepubliceerd.
‘s-Gravenhage, 30 maart
2001.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst.
TOELICHTING
[30 maart 2001]
Algemeen
Inleiding
In artikel 130a
van de
Werkloosheidswet (WW) is de
mogelijkheid opgenomen om door middel van een algemene maatregel
van bestuur tijdelijk
experimenten toe te staan om voor bepaalde groepen werkloze werknemers af te
wijken van een aantal artikelen van de WW. Eén van de aldus gecreëerde
experimenteermogelijkheden is dat bepaalde groepen werkloze werknemers
werkzaamheden als zelfstandige gaan
verrichten zonder dat zij - in de
eerste zes maanden na de aanvang
van die werkzaamheden - daardoor
de hoedanigheid van werknemer verliezen. In plaats van de situatie dat
die werkzaamheden leiden tot het verlies van het werknemerschap voor de
betrokken uren en eindiging van het
recht op WW-uitkering voor dat
aantal uren wegens dat verlies van
het werknemerschap of verminderde
beschikbaarheid, worden, over de eerste zes maanden na de aanvang van
die werkzaamheden, 70% van de
inkomsten uit die werkzaamheden op de WW-uitkering in mindering
gebracht. Op grond van artikel 130a,
vijfde lid, van de WW kunnen nadere
regels worden gesteld voor de
vaststelling van de inkomsten en de periode waaraan die worden toegerekend. Deze
regeling strekt daartoe.
Uitgangspunt
In de nota van toelichting
bij het Tijdelijk besluit
inkomstenkorting startende zelfstandigen WW - waarin het voormelde experiment
nader is vormgegeven - is aangekondigd dat bij het vaststellen van de
nadere regels met betrekking tot de inkomsten uitgangspunt zou zijn dat zou worden
aangesloten bij het
inkomensbegrip zoals dit wordt gehanteerd
bij het Besluit bijstandverlening
zelfstandigen (Bbz) voor zover zich dit
verhoudt met de systematiek van de WW. Het inkomensbegrip in
het Bbz - dat verwijst naar
hoofdstuk IV, afdeling 3, paragraaf 2, van
de Algemene bijstandswet - leent zich echter niet voor toepassing
in het kader van artikel 130a van de WW, omdat dat begrip veel meer
bevat dan de inkomensbestanddelen die voortvloeien uit de werkzaamheden als
zelfstandige.
Daarom is ervoor gekozen aan
te sluiten bij het fiscale
inkomensbegrip. Dit heeft als belangrijk
voordeel dat bij de berekening van het bedrag
waarmee de uitkering moet worden
verminderd, kan worden aangesloten bij
de door de fiscus vastgestelde belastbare winst. Dit heeft wel tot gevolg dat
definitieve afrekening pas geruime tijd
kan plaatsvinden na de periode
waarover de inkomsten op de
WW-uitkering in mindering worden gebracht.
In die periode worden evenwel
voorschotten verstrekt op de WW-uitkering, die zijn gebaseerd op een
schatting van de inkomsten. Bovendien sluit deze systematiek aan bij die van de
Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en de Toeslagenwet.
Artikelsgewijs
Artikel
2. Inkomsten
In het eerste lid is bepaald
wat onder inkomsten als bedoeld in
artikel 130a, tweede lid, Werkloosheidswet
moet worden verstaan, namelijk
belastbare winst uit onderneming. Dit
winstbegrip, dat is overgenomen uit de Wet
inkomstenbelasting 2001,
komt overeen met het in die wet
gehanteerde begrip belastbare winst uit
onderneming en dient dan ook
overeenkomstig te worden uitgelegd.
De winst behaald met of bij
het staken van de onderneming of van
een gedeelte van de onderneming,
winst genoten ter vervanging van
door een onteigening gederfde of te derven voordelen uit onderneming en
voorts winst als gevolg van de
overbrenging van vermogensbestanddelen
naar het buitenland of als gevolg van
eindafrekening, bedoeld in artikel 3.60
respectievelijk 3.61 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, vallen niet onder het inkomstenbegrip voor de
toepassing van artikel 130a van de WW.
Waar bij het bepalen van de
belastbare winst uit onderneming in de
fiscale sfeer de ondernemersaftrek,
bedoeld in paragraaf 3.2.4 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, in mindering wordt gebracht op de winst
die de belastingplichtige als
ondernemer geniet, vindt deze
vermindering niet plaats bij de bepaling van
het inkomstenbegrip voor de toepassing van artikel 130a
van de WW.
Artikel
3. Berekening van de
inkomsten
Artikel
4. Toerekening van
de inkomsten
Omdat de verrekening van de
inkomsten slechts gedurende zes maanden plaatsvindt, kan bij de
verrekening niet worden uitgegaan van een
kalenderjaar of, indien van toepassing, boekjaar. Daarom wordt ervoor gekozen
de inkomsten over een
periode van 52 weken vanaf de aanvang van
de werkzaamheden als zelfstandige als
uitgangspunt te nemen, waarvan de helft wordt verrekend met de
uitkering.
De inkomsten over de periode
van 52 weken worden als volgt
berekend. Als uitgangspunt wordt de
belastbare winst uit onderneming over
het boekjaar waarin de werkloze werknemer de werkzaamheden als
zelfstandige is gaan verrichten (het aanvangsjaar) genomen, vermeerderd met de
ondernemersaftrek over dat boekjaar en verminderd met de
bestanddelen van die winst, bedoeld in
artikel 3.78, derde lid, onderdeel a, b
en c, van de Wet
inkomstenbelasting 2001.
Daarbij wordt opgeteld een deel van
de belastbare winst uit onderneming over
het jaar na het aanvangsjaar, vermeerderd met de ondernemersaftrek
over dat jaar en verminderd met de bestanddelen van die winst, bedoeld in
artikel 3.78, derde lid, onderdeel a, b en c, van de
Wet
inkomstenbelasting 2001. Dat deel wordt bepaald door
het aldus over het jaar na het
aanvangsjaar berekende bedrag te
vermenigvuldigen met een 52e deel van het aantal weken gelegen tussen de
eerste dag van het aanvangsjaar en de
dag van de aanvang van de
werkzaamheden. In veel gevallen zal het
boekjaar samenvallen met het kalenderjaar. Dat hoeft evenwel niet het
geval te zijn. Indien de aard van de onderneming dit rechtvaardigt, mag de
winst worden bepaald over een niet
met het kalenderjaar samenvallend
boekjaar. De winst van een niet met
het kalenderjaar samenvallend boekjaar wordt beschouwd als winst van het
kalenderjaar waarin het boekjaar is
geëindigd (zie artikel 3.66 van de Wet
inkomstenbelasting 2001).
Indien dus bijvoorbeeld de
werkzaamheden als zelfstandige aanvangen
op maandag 3 september 2001 en
het boekjaar samenvalt met het
kalenderjaar, zullen de inkomsten als volgt worden berekend:
I1 = de belastbare winst uit
onderneming over 2001, vermeerderd met
de ondernemersaftrek over dat
jaar en verminderd met de
bestanddelen van die winst, bedoeld in
artikel 3.78, derde lid, onderdeel a, b
en c, van de Wet
inkomstenbelasting 2001.
Daarbij wordt opgeteld 35/52 maal I2
(= de belastbare winst uit
onderneming over 2002, vermeerderd met de
ondernemersaftrek over dat jaar en verminderd met de bestanddelen van die
winst, bedoeld in artikel
3.78, derde lid, onderdeel a, b en c,
van de Wet
inkomstenbelasting 2001).
Van de op grond van artikel
3 berekende inkomsten wordt, indien de WW-uitkering per maand aan
de betrokkene is betaald, 8,33%
per maand als inkomsten
vastgesteld. Is de WW-uitkering per week of
veelvoud daarvan betaald, dan worden
de inkomsten per week
vastgesteld op 1,91% van de op grond van
artikel 3 berekende inkomsten.
Artikel
5. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt
gelijktijdig in werking en vervalt
gelijktijdig met het Tijdelijk besluit inkomstenkorting startende zelfstandigen
WW.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst.
|
|