|
REGELING van de Staatssecretaris
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 30 mei 2007, nr. W&B/URP/07/16532,
houdende regels inzake de verstrekking van borgstellingen ter zake van
kredieten aan starters vanuit een uitkering (Tijdelijke
SZW-borgstellingsregeling startende ondernemers vanuit een uitkering)
De Staatssecretaris
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op de artikelen 3 en 9 van de Kaderwet
SZW-subsidies;
Besluit:
§ 1.
Algemene bepalingen
Art. 1.
Definitiebepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. de minister: de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. uitvoeringsinstelling:
het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van
de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, of het college van
burgemeester en wethouders van de
gemeente Leeuwarden, Lelystad of Rotterdam;
c. een kredietinstelling:
een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1:1
van de Wet
op het financieel toezicht;
d. gemeentelijke
kredietbank: een gemeentelijke kredietbank
als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet
op het financieel toezicht;
e. startende ondernemer:
iedere persoon van 18 tot 65 jaar die in
Nederland woont en die:
1º. voornemens is een
bedrijf of zelfstandig beroep te beginnen; en
2º. een uitkering op grond
van de Wet werk en bijstand ontvangt, dan wel een
uitkering uit hoofde van werkloosheid of arbeidsongeschiktheid
ontvangt, dan wel korter dan twee jaar
geleden een uitkering op grond van
werkloosheid of arbeidsongeschiktheid heeft
ontvangen en sindsdien actief is als
ondernemer, dan wel een dienstbetrekking
heeft die dreigt te eindigen;
f. levensvatbaar bedrijf of
zelfstandig beroep: het bedrijf of
zelfstandig beroep waaruit de startende ondernemer een inkomen verwerft dat
toereikend is voor de voortzetting van het
bedrijf of zelfstandig beroep en voor de
voorziening in het bestaan;
g. borgstellingsovereenkomst:
overeenkomst tussen de minister en de
kredietinstelling of de gemeentelijke kredietbank in het kader van deze
regeling.
Art. 2.
Borgstelling
-1. De minister verleent een
kredietinstelling of gemeentelijke kredietbank subsidie
in de vorm van een borgstelling voor een met de startende
ondernemer te sluiten kredietovereenkomst, indien:
a. de startende ondernemer
voor een krediet voor bedrijf of
zelfstandig beroep geen beroep kan doen
op een geldlening bij een
kredietinstelling of gemeentelijke kredietbank
die, gezien haar aard en doel, passend
en toereikend is voor de startende
ondernemer;
b. de startende ondernemer
voornemens is naar het oordeel van de minister een levensvatbaar bedrijf of
zelfstandig beroep te starten;
c. in geval van gehele of
gedeeltelijke voortzetting van de
uitkering de uitvoeringsinstelling goedkeuring geeft aan de startende ondernemer voor
het starten van een bedrijf of
zelfstandig beroep;
d. de aard van de
activiteiten van de startende ondernemer niet indruist
tegen de openbare orde, de goede
zeden of het maatschappelijk belang; en
e. er afspraken zijn gemaakt
over begeleiding van de startende ondernemer
na de start van het levensvatbaar bedrijf of het zelfstandig beroep.
-2. De startende ondernemer
dient binnen 35 kalenderdagen, nadat de minister een aanbod tot een borgstellingsovereenkomst
heeft afgegeven, onder
gebruikmaking hiervan een krediet te
verwerven bij een kredietinstelling of gemeentelijke kredietbank.
-3. De termijn, bedoeld in
het tweede lid, kan door de minister worden verlengd indien het overschrijden van
deze termijn de startende ondernemer
redelijkerwijs niet te verwijten valt.
Art. 3.
Borgstellingsovereenkomst
-1. Als
borgstellingsovereenkomst wordt aangemerkt een overeenkomst
conform de bij deze regeling horende
bijlagen 1 en 2.
-2. De borgstellingsovereenkomst, bedoeld in het eerste lid,
treedt in werking met ingang van de dag dat de minister
deze van de
kredietinstelling of gemeentelijke kredietbank heeft ontvangen,
tegelijk met een afschrift
van de kredietovereenkomst waarop
de borgstelling betrekking heeft.
-3. In afwijking van het
tweede lid treedt een
borgstellingsovereenkomst met de gemeentelijke kredietbank in
werking vanaf het moment dat de minister een afwijzing voor een
geldlening van een kredietinstelling heeft
ontvangen van de startende ondernemer, indien
de ontvangstdatum daarvan gelegen is na de dag, bedoeld in het tweede
lid.
Art. 4.
Kredietovereenkomst
-1. De borgstelling, bedoeld
in artikel 2, eerste lid, wordt verleend
onder de volgende voorwaarden:
a. het bedrag van de
kredietverlening aan een startende ondernemer
bedraagt maximaal €|31 500,00;
b. de startende ondernemer
betaalt de minister via de
kredietinstelling of gemeentelijke kredietbank een
afsluitprovisie van 4 procent van het
kredietbedrag waarop de borgstelling
betrekking heeft; en
c. de borgstellingsovereenkomst, bedoeld in
artikel 3, eerste
lid, heeft een maximale looptijd van zes
jaar.
-2. De minister kan de
periode, bedoeld in het eerste lid, onderdeel
c, ten hoogste driemaal gedurende een
aaneengesloten periode van maximaal vier
kalenderkwartalen opschorten.
§ 2.
Begrenzing
borgstellingsovereenkomsten en looptijd van de regeling
Art. 5.
Maximaal
beschikbare budget
De minister geeft voor niet
meer dan €|6 000 000,00 aan
borgstellingsovereenkomsten af als bedoeld in artikel 2,
tweede lid.
Art. 6.
Maximum aantal
borgstellingsovereenkomsten
Onverminderd het bepaalde in
artikel 5 worden op grond van deze
regeling ten hoogste 300 aanbiedingen tot
een borgstellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 2, tweede lid, door
de minister afgegeven.
Art. 7.
Looptijd regeling
Borgstellingsovereenkomsten
kunnen tot maximaal één jaar na
datum inwerkingtreding van deze regeling worden verleend, tenzij het bedrag,
bedoeld in artikel 5, eerste lid, of
het aantal aanbiedingen voor een borgstellingsovereenkomst, bedoeld in artikel
6, eerste
lid, is bereikt.
§ 3.
Overgangs- en
slotbepalingen
Art. 8.
Algemene Regeling
SZW-subsidies
De artikelen 5 tot en met 16
en 18 van de Algemene
Regeling SZW-subsidies zijn niet van toepassing op deze regeling.
Art. 9.
Inwerkingtreding
-1. Deze regeling treedt in
werking met ingang van de tweede dag na
de dagtekening van de Staatscourant waarin
zij wordt geplaatst.
-2. Deze regeling vervalt
met ingang van 1 juli 2008.
-3. Deze regeling, zoals die
geldt op 30 juni 2008, blijft van
toepassing op afwikkeling van de verplichtingen van de minister
verbonden aan de
subsidieverlening op grond van deze regeling.
Art. 10.
Citeertitel
Deze regeling wordt
aangehaald als: Tijdelijke
SZW-borgstellingsregeling startende ondernemers vanuit een uitkering.
Deze regeling zal met de toelichting en de bijlagen in de Staatscourant
worden geplaatst.
Den Haag, 30 mei 2007.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A. Aboutaleb.
BIJLAGE
1
Banken
De Staat der Nederlanden, waarvan de zetel is gevestigd te Den Haag, te
dezen vertegenwoordigd door de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, hierna te noemen: de Minister
en ……………………, ten deze
vertegenwoordigd door …………………, hierna te noemen: de Bank,
komen overeen als volgt:
Paragraaf 1. Algemene
bepalingen
Artikel 1. Definitiebepalingen
In deze overeenkomst wordt verstaan onder:
a. Bank: de
kredietinstelling, bedoeld in artikel 1, onderdeel b,
van de Tijdelijke SZW-borgstellingsregeling startende ondernemers vanuit een
uitkering;
b. gelieerde Bank: een
rechtspersoon waaraan de Bank direct of
indirect meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft of voor wier
handelen de Bank volledig aansprakelijk
is, en die als gelieerde bank is vermeld in
artikel 20 van deze overeenkomst;
c. kredietovereenkomst: een
overeenkomst uit hoofde waarvan:
1º. de Bank aan een startende
ondernemer geld ter leen verstrekt
of zal verstrekken; of
2º. de startende ondernemer
tot een bepaald bedrag trekt of
zal kunnen trekken op de Bank; of
3º. de Bank tegenover een
derde, niet zijnde een rechtspersoon
waarmee de Bank in een groep verbonden is of een gelieerde bank,
onherroepelijk een verplichting is aangegaan om ten laste
van de startende ondernemer
aan de derde één of meer betalingen te
doen, welke verplichting niet
afhankelijk is van voorwaarden op de
vervulling waarvan het handelen van de Bank
van invloed is;
d. krediet: een bedrag dat
de Bank uit hoofde van een
kredietovereenkomst verstrekt of zal
verstrekken;
e. borgstellingskrediet: een
krediet of een deel van een krediet
dat overeenkomstig artikel 3 is gemeld;
f. uitwinning:
1º. uitwinning door de Bank,
naar normaal bankgebruik, van de door
de startende ondernemer aan
de Bank verstrekte zekerheden;
2º. onderhandse verkoop met
toestemming van de Bank door de
startende ondernemer van de vermogensbestanddelen van de startende
ondernemer, inning van vorderingen
daaronder begrepen;
3º. executoriale verkoop van
de vermogensbestanddelen van de startende ondernemer; en
4º. indien het faillissement
van de startende ondernemer is
uitgesproken of aan hem surseance van betaling is verleend: onderhandse of
executoriale verkoop van de
vermogensbestanddelen van de startende ondernemer door
of met medewerking van de
curator of de bewindvoerder;
g. startende ondernemer: een
ondernemer als bedoeld in artikel 1,
onderdeel d, van het de Tijdelijke SZW-borgstellingsregeling startende ondernemers
vanuit een uitkering;
h. Minister: de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
i. SenterNovem: de door de
Minister gemandateerde uitvoerder
van de Tijdelijke SZW-borgstellingsregeling
startende ondernemers vanuit een
uitkering.
Paragraaf 2. Borgstelling
Artikel 2. Borgstelling
De Staat stelt zich borg
ten behoeve van de Bank voor de
terugbetaling van borgstellingskredieten die met inachtneming van de Tijdelijke
SZW-borgstellingsregeling startende ondernemers vanuit een uitkering en deze
overeenkomst door de Bank
worden verstrekt. Deze
borgstelling wordt aangegaan onder de navolgende
bedingen.
Paragraaf 3.
Kredietmelding
Artikel 3. Kredietmelding
-1. De toepasselijkheid van
deze borgstellingsovereenkomst op een krediet of een deel van een krediet kan
uitsluitend worden ingeroepen:
a. indien het krediet of het
deel ervan binnen 35 dagen na het
sluiten van de kredietovereenkomst aan
de Minister is gemeld met gebruikmaking
van een door de Minister ter
beschikking te stellen formulier;
b. indien binnen 35 dagen na
het sluiten van de
kredietovereenkomst de door de Minister op grond van artikel 4, eerste lid, onderdeel
b, van de
Tijdelijke SZW-borgstellingsregeling
startende ondernemers vanuit een uitkering
vastgestelde afsluitprovisie door de
Bank aan de Staat betaald is;
c. voor zover door de
melding, bedoeld in onderdeel a, de som
van de in een kalenderjaar gemelde kredieten of delen daarvan de door de
Minister op grond van de artikelen 5 en 6
van de Tijdelijke SZW-borgstellingsregeling
startende ondernemers vanuit een
uitkering met betrekking tot dat
kalenderjaar vastgestelde meldingslimiet niet is
overschreden.
-2. De Minister bevestigt de
ontvangst van een meldingsformulier
schriftelijk binnen 35 dagen na
ontvangst.
-3. Voor de toepassing van
het eerste lid, aanhef en onder c, is
de volgorde van ontvangst van de meldingsformulieren door de Minister
bepalend.
-4. De meldingen, bedoeld in
het eerste lid, onderdeel a, worden
gedaan met gebruikmaking en ondertekening van het hiervoor door de
Minister ter beschikking te stellen
formulier.
Paragraaf 4. Omvang van
de borgstelling
Artikel 4. Maximumkredietbedrag
Voor de berekening van de
omvang van de borgstelling wordt een
borgstellingskrediet slechts in aanmerking
genomen voor zover door de
verstrekking van het borgstellingskrediet het
totaal van de borgstellingskredieten,
berekend per startende ondernemer, een
bedrag van €|31 500,- niet
overschrijdt.
Artikel 5. Berekening van
de omvang van de borgstelling
-1. Voor berekening van de
omvang van de borgstelling wordt na
toepassing van artikel 4 in aanmerking
te nemen borgstellingskrediet na verloop van ieder kalenderkwartaal
verminderd met een zodanig vast bedrag dat
het borgstellingskrediet op de laatste datum
waarop het is afgelost, doch
uiterlijk na verloop van zes jaar, nihil
bedraagt.
-2. De Bank kan de
vermindering, bedoeld in het eerste
lid, gedurende een aaneengesloten periode
van maximaal vier kalenderkwartalen
opschorten, indien:
a. de Bank voor ten minste
de duur van de opschorting uitstel
verleent van de verplichting tot
aflossing van het borgstellingskrediet;
b. de Bank uitstel verleent
van de verplichting tot aflossing van alle
bankfaciliteiten gedurende de in onderdeel
a bedoelde periode, dan wel
uitstel verleent van de verplichting tot
aflossing van een gedeelte van de
bankfaciliteiten, waarbij de som van de
aflossingsbedragen ten minste even groot is
als de som van de aflossingsbedragen
waarvoor de Bank uitstel verleent als
bedoeld in onderdeel a; en
c. de Bank de opschorting
meldt binnen 35 dagen na aanvang van
de opschorting met gebruikmaking van het door de Minister ter beschikking te stellen formulier.
-3. De opschorting van de
vermindering vindt ten hoogste driemaal plaats.
-4. Voor de toepassing van
het eerste lid vangt het eerste
kalenderkwartaal uiterlijk aan op de eerste dag van
het tweede kalenderkwartaal dat
volgt op het kalenderkwartaal waarin de
kredietovereenkomst is gesloten.
-5. De Minister bevestigt de
ontvangst van een formulier als
bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, schriftelijk binnen 35 dagen na ontvangst.
Artikel 6. Schorsing van
de borgstelling
-1. De vermindering van de
borgstelling, bedoeld in artikel 5,
wordt geschorst met ingang van de dag waarop het borgstellingskrediet is opgeëist.
-2. In afwijking van het
eerste lid wordt de vermindering van de
borgstelling pas geschorst door de aanvang
van de uitwinning indien met die uitwinning
geen aanvang is gemaakt binnen
twee maanden na de dag waarop het
borgstellingskrediet door de Bank is
opgeëist.
-3. De vermindering van de
borgstelling wordt tevens geschorst
zolang de startende ondernemer in staat van
faillissement verkeert of aan hem
surseance van betaling is verleend.
Artikel 7. Omvang van de
borgstelling
-1. De omvang van de
borgstelling bedraagt per startende
ondernemer 80 procent van hetgeen de startende ondernemer ten tijde van de
overeenkomstig artikel 13 ingediende
aanvraag uit hoofde van kredietverlening op
grond van deze regeling pro resto
verschuldigd is, doch ten hoogste
a. 80 procent van de met
toepassing van de artikelen 4, 5 en 6
berekende omvang van het borgstellingskrediet of de
borgstellingskredieten, en niet meer dan
b. de som van de ten tijde
van de opzegging van de
kredietovereenkomst bestaande en verstrekte bankfaciliteiten van de Bank voor de
startende ondernemer.
-2. Voor de toepassing van
het eerste lid worden als
bankfaciliteiten mede in aanmerking genomen:
a. de bedragen die een
gelieerde bank uit hoofde van een
overeenkomst aan de startende ondernemer ter leen verstrekt of zal
verstrekken; en
b. de verplichtingen die een
gelieerde bank tegenover een derde,
niet zijnde een andere gelieerde bank of een rechtspersoon waarmee de Bank in een
groep verbonden is,
onherroepelijk is aangegaan om ten laste van de
startende ondernemer aan de derde één of meer betalingen te doen als
bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 3º,
indien de zekerheden van de gelieerde bank ter
zake van de hiervoor in
onderdelen a en b bedoelde bedragen en
verplichtingen mede strekken tot
zekerheid van de Bank.
Paragraaf 5. Criteria en
verplichtingen
Artikel 8. Criteria en
verplichtingen
-1. Ten tijde van het sluiten
van een kredietovereenkomst uit hoofde waarvan een borgstellingskrediet
aan een startende ondernemer wordt
verstrekt, moet aan de volgende criteria
zijn voldaan:
a. de startende ondernemer
beschikt over onvoldoende
financiële middelen om zijn onderneming op economisch verantwoorde wijze te
drijven;
b. er is een tekort aan
zekerheden bij de startende ondernemer,
waardoor de Bank naar normaal bankgebruik het krediet niet geheel voor eigen
rekening en risico kan verstrekken;
c. het borgstellingskrediet
bedraagt niet meer dan het tekort aan
zekerheden dat bij de Bank ten tijde van het sluiten van de kredietovereenkomst
bestaat;
d. de kredietovereenkomst is
in schriftelijke vorm aangegaan;
e. de rentabiliteits- en
continuïteitsperspectieven van de onderneming zijn naar het oordeel van de
Minister voldoende;
f. het borgstellingskrediet
is niet bestemd en wordt niet
gebruikt voor de nakoming van
verplichtingen van de startende ondernemer aan
de Bank die het borgstellingskrediet
verstrekt, aan een gelieerde bank of aan
een rechtspersoon waarmee de Bank in een
groep verbonden is;
g. de Bank heeft in de door
haar gesloten borgstellingsovereenkomsten
met betrekking tot de
nakoming door de startende ondernemer van de
verplichtingen voortvloeiende uit de
kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het
borgstellingskrediet is verleend een beding
ten behoeve van de Staat
opgenomen, ertoe strekkende dat de
omslagregeling van artikel 869, Boek 7,
Burgerlijk Wetboek niet geldt ten opzichte van de Staat en de Bank heeft geen bedingen
opgenomen, ertoe leidende dat:
1º. een borg er zich op zou
kunnen beroepen dat de Staat
eerst zou moeten worden aangesproken;
2º. een borg zich zou kunnen
onttrekken aan toepassing door de Staat van de omslagregeling van
artikel 869, Boek 7, Burgerlijk Wetboek;
h. de Bank heeft in de
kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het borgstellingskrediet wordt verstrekt een
verplichting voor de
startende ondernemer opgenomen om alle medewerking te verlenen aan het
uitoefenen door de Staat van de in artikel
9, eerste lid, genoemde bevoegdheden.
Artikel 9. Verplichtingen bank en startende ondernemer
-1. De Bank, de gelieerde bank en de startende ondernemer
voldoen aan hetgeen door de Minister wordt verzocht, voor zover dat
redelijkerwijs noodzakelijk is voor een goede
uitvoering van de Tijdelijke SZW-borgstellingsregeling startende ondernemers
vanuit een uitke ring en deze overeenkomst
en met het oog op de nakoming door
de Staat van op hem rustende
internationaalrechtelijke verplichtingen, en voor zover het betrekking heeft op de
uit het besluit en deze overeenkomst
voortvloeiende zelfstandige verplichtingen van de
Bank of de gelieerde bank, op de
startende ondernemer aan wie het borgstellingskrediet is verstrekt of op de met
deze startende ondernemer
gesloten kredietovereenkomsten omtrent:
a. het toegang verlenen tot
door hen gebruikte plaatsen;
b. het verlenen van inzage
in zakelijke gegevens en bescheiden;
c. het maken van kopieën
van de in onderdeel b bedoelde
gegevens en bescheiden;
d. het verlenen van
medewerking aan het verstrekken van
gegevens door anderen; en
e. het verstrekken van
inlichtingen.
-2. Alleen in daartoe
aanleiding gevende gevallen zal aan de Bank,
de gelieerde bank of aan de startende ondernemer gevraagd worden de in het
eerste lid bedoelde inlichtingen ook
door haar interne accountant te
doen verstrekken.
-3. De Bank stelt, met
gebruikmaking van een door de Minister
ter beschikking te stellen formulier, de Minister binnen 35 dagen na
kennisname op de hoogte van de volgende
feiten:
a. vervroegde volledige
aflossing van het borgstellingskrediet;
b. het door de afdeling
....... van de Bank in beheer nemen van het borgstellingskrediet;
c. de verlening van surseance van betaling aan of de
faillietverklaring van de startende ondernemer;
d. opeising van het borgstellingskrediet.
-4. Na afsluiting van ieder
boekjaar zendt de Bank vóór 1 februari
van het daaropvolgende jaar, met gebruikmaking
van een door de Minister ter
beschikking te stellen formulier aan de
Minister een opgave van de omvang van
de borgstelling aan het einde van het
boekjaar voor alle
borgstellingskredieten tezamen, waarvoor de Bank nog geen
verzoek om betaling als bedoeld in
artikel 13 heeft ingediend. Deze omvang
dient te worden berekend met toepassing
van paragraaf 4.
-5. Tijdens de looptijd van
de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan een borgstellingskrediet
wordt verstrekt en tijdens de uitwinning zal
de Bank waken over de belangen van de Staat als borg.
-6. De Bank zal ervoor
zorgdragen dat het borgstellingskrediet
niet wordt gebruikt voor de nakoming
van verplichtingen van de startende
ondernemer aan de Bank die het
borgstellingskrediet verstrekt, aan een gelieerde bank of aan een rechtspersoon waarmee
de Bank in een groep verbonden is.
-7. De Bank zal tijdens de
looptijd van de kredietovereenkomst uit
hoofde waarvan een borgstellingskrediet is verleend overeenkomsten met allen, niet zijnde de
Staat, die zich borg willen stellen
voor de nakoming door de startende
ondernemer van de verplichtingen
voortvloeiende uit de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het borgstellingskrediet
is verleend een beding ten behoeve
van de Staat opnemen, ertoe strekkende
dat de omslagregeling van
artikel 869, Boek 7, Burgerlijk Wetboek niet
geldt ten opzichte van de Staat en
de Bank zal geen bedingen opnemen,
ertoe leidende dat:
a. een borg er zich op zou
kunnen beroepen dat de Staat eerst zou
moeten worden aangesproken;
b. een borg zich zou kunnen
onttrekken aan toepassing door de Staat van de omslagregeling van
artikel 869, Boek 7, Burgerlijk Wetboek.
Artikel 10. Uitwinning
-1. Indien een aanvraag om
betaling als bedoeld in artikel 13 is
ingediend op een moment waarop de uitwinning nog niet is voltooid en ook niet
aannemelijk is geworden dat geen
opbrengsten meer zijn te verwachten die in
mindering komen op het borgstellingskrediet, brengt de Bank de
Minister ten minste jaarlijks verslag uit
over de voortgang van de uitwinning.
-2. De Minister kan over het
verloop van de uitwinning binnen een
door hem te stellen termijn nadere gegevens van de Bank verlangen.
Artikel 11. Invordering
-1. Gedurende een periode van
vijf jaar na de datum waarop een
verzoek om betaling als bedoeld in artikel 13 is ingediend of, indien een verzoek om
betaling is ingediend op een
moment waarop de uitwinning nog niet is
voltooid en ook niet aannemelijk is
geworden dat geen opbrengsten meer
zijn te verwachten die in mindering komen op
het borgstellingskrediet, na
de datum waarop de Bank de Minister heeft
bericht dat de uitwinning is voltooid
of dat aannemelijk is dat geen opbrengsten
meer zijn te verwachten die in
mindering komen op het
borgstellingskrediet, is de Bank gehouden die pogingen in
het werk te stellen om namens de Staat het door de staat betaalde bedrag in
te vorderen, die de Bank in het werk zou
hebben gesteld indien het krediet voor
eigen rekening en risico door de Bank
zou zijn verstrekt. De Staat machtigt met het
oog hierop de Bank tot
invordering bij de kredietnemer van de door
deze aan de Staat verschuldigde
bedragen.
-2. De Bank zendt binnen drie
maanden na afloop van de in het
eerste lid bedoelde periode de Minister een
overzicht van de door haar
ondernomen activiteiten, met gebruikmaking van een
door de Minister ter beschikking
te stellen formulier.
Artikel 12. Schuldregeling en verboden
-1. De Bank treft geen
schuldregeling die inhoudt of mede inhoudt
een gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van verplichtingen voortvloeiende uit een
kredietovereenkomst, uit
hoofde waarvan een borgstellingskrediet
is verstrekt, zonder voorafgaande
schriftelijke toestemming van de Minister. De Minister kan aan zijn toestemming
voorwaarden verbinden ten aanzien van
de inhoud van een dergelijke regeling.
-2. Een verzoek om
toestemming als bedoeld in het eerste lid
dient door de Bank schriftelijk bij de
Minister te worden ingediend.
-3. De Minister beslist zo
spoedig mogelijk op een verzoek om
toestemming als bedoeld in het eerste
lid.
Paragraaf 6. Vaststelling
betalingsverplichting
Artikel 13. Aanvraag om
betaling
-1. De Bank dient zo spoedig
mogelijk na de voltooiing van de
uitwinning of, indien dit eerder is, zo spoedig mogelijk nadat aannemelijk is
geworden dat geen opbrengsten meer zijn te
verwachten die in mindering komen op het borgstellingskrediet, doch in ieder geval
binnen negen maanden na de datum waarop het borgstellingskrediet is
opgeëist of, indien dit eerder is, na
de datum van het faillissement, een aanvraag in om betaling uit hoofde van de
borgstellingsovereenkomst.
-2. De aanvraag wordt
ingediend met gebruikmaking van een
door de Minister ter beschikking te
stellen formulier.
Artikel 14. Mededeling
Minister
-1. De Minister bevestigt de
ontvangst van een aanvraag om
betaling schriftelijk binnen 35 dagen na de ontvangst.
-2. De Minister deelt zijn
beslissing op de aanvraag binnen negen
maanden na de bevestiging van de ontvangst schriftelijk aan de Bank mede.
Artikel 15. Vaststellen
bedrag
-1. De Minister stelt het uit
hoofde van deze overeenkomst door de Staat verschuldigde bedrag vast overeenkomstig de Tijdelijke
SZW-borgstellingsregeling startende ondernemers
vanuit een uitkering en deze overeenkomst, met
uitzondering van het bepaalde in
artikel 9, derde, vierde en vijfde
lid.
-2. Voor zover de Bank bij
haar aanvraag om betaling aannemelijk
maakt dat er bijzondere omstandigheden
waren die het naar normaal
bankgebruik noodzakelijk maakten de
bankfaciliteiten sterker in omvang terug te
brengen dan de borgstellingskredieten, blijft artikel 7, eerste lid, aanhef en
onder b, buiten toepassing.
-3. De Minister kan in ieder
geval afwijzend beslissen op een
aanvraag:
a. indien niet voldaan is
aan een verzoek als bedoeld in artikel 9,
eerste lid;
b. indien de Bank in het
kader van de aanvraag gegevens heeft verstrekt waarvan zij wist of behoorde te
weten dat deze onjuist of
onvolledig waren en de verstrekking van deze
gegevens tot een onjuiste beslissing op de
aanvraag zou hebben geleid.
Paragraaf 7. Betalingen
Artikel 16. Betalingen
-1. Betalingen door de Staat
aan de Bank en door de Bank aan de Staat geschieden door debitering respectievelijk creditering door de Bank van een
rekening die de Bank zal aanhouden in
het kader van de BBMKB-regeling, ten
name van het Ministerie van
Economische Zaken, met vermelding van "verliesdeclaraties SZW-borgstellingsregeling
startende ondernemers" en het dossiernummer.
-2. In het betalingsverkeer,
bedoeld in het eerste lid, zal over
het debet- of creditsaldo een rente berekend worden gelijk aan de in Het
Financieele Dagblad gepubliceerde basisrente.
Paragraaf 8. Diversen
Artikel 17.
Verplichtingen Staat
-1. De verplichtingen van de Staat uit hoofde van deze
overeenkomst met betrekking tot een borgstellingskrediet vervallen door
schuldvernieuwing, door schuldoverneming en -
voor het gedeelte waarin subrogatie
plaatsvindt - door subrogatie van derden in
de rechten van de Bank met betrekking tot het borgstellingskrediet, al dan niet voorafgegaan
door verpanding van het borgstellingskrediet.
-2. In afwijking van het
eerste lid blijven de verplichtingen van de Staat met betrekking tot een borgstellingskrediet van kracht, indien:
a. de startende ondernemer
aan wie het borgstellingskrediet is
verstrekt de onderneming en alle voor het drijven van de onderneming
bestemde activa en passiva inbrengt of
overdraagt aan een door de startende
ondernemer voor het drijven van die
onderneming opgerichte rechtspersoon;
b. de Bank met de in
onderdeel a bedoelde rechtspersoon
een overeenkomst sluit als gevolg waarvan die rechtspersoon bij de
kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het
borgstellingskrediet is verleend de plaats inneemt van de startende
ondernemer; en
c. de startende ondernemer
zich naast de in onderdeel a bedoelde
rechtspersoon hoofdelijk aansprakelijk
stelt voor de nakoming door die
rechtspersoon van de verplichtingen die
voortvloeien uit de kredietovereenkomst.
-3. Voor de toepassing van
het tweede lid wordt onder rechtspersoon
mede begrepen twee of meer rechtspersonen indien die rechtspersonen
gezamenlijk voldoen aan de in het tweede lid
genoemde voorwaarden en ieder van
die rechtspersonen zich hoofdelijk
aansprakelijk stelt voor de nakoming van de
verplichtingen die voortvloeien uit de
kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het borgstellingskrediet is verstrekt.
Artikel 18. Betaling
-1. De Bank betaalt de vanaf
het moment van de indiening van een
aanvraag als bedoeld in artikel 13 ontvangen opbrengsten die in
mindering komen op het borgstellingskrediet
binnen twee maanden na ontvangst aan
de Staat.
-2. Voor zover de opbrengsten
na de aanvang van de periode, bedoeld
in artikel 11, eerste lid, ontvangen
zijn en niet ontvangen zijn uit hoofde
van de uitwinning van zekerheden, wordt de
in het eerste lid bedoelde
betalingsverplichting beperkt tot 80 procent
van de ontvangen opbrengsten
-3. De Bank zal betalingen,
bedoeld in artikel 16, per de datum
van verzending van de aanvraag, bedoeld
in artikel 13, en binnen twee maanden na
die datum, debiteren voor het bedrag
waarvoor betaling wordt gevraagd,
vermeerderd met een rente als bedoeld in
artikel 16, tweede lid, over de periode die
verstreken is sinds de dag waarop de
vermindering, bedoeld in artikel 5, op
grond van artikel 6 is geschorst.
-4. De Bank zal de
betalingen, bedoeld in artikel 16, per de datum
van de beslissing van de Minister, bedoeld
in artikel 14, tweede lid, en binnen
twee maanden na die datum crediteren
of debiteren voor respectievelijk het
voor de Staat positieve of negatieve
verschil tussen het bedrag waarvoor de rekening ingevolge het derde lid is
gedebiteerd en het bedrag waarop de Minister
de betaling vaststelde, vermeerderd
met een over dat verschil te berekenen
rente als bedoeld in artikel 16,
tweede lid, over de periode die is
verstreken sinds de creditering of debitering,
bedoeld in het derde lid, en de vaststelling van de betaling.
Artikel 19. Uitgekeerde
bedragen
Reeds uitgekeerde
bedragen zijn terstond en zonder enige
ingebrekestelling opeisbaar zodra de Minister blijkt dat de Bank zodanig onjuiste of
onvolledige informatie heeft
verschaft dat hij op een verzoek om betaling een
andere beslissing zou hebben genomen
indien hem de juiste gegevens volledig waren verschaft of dat de Bank de
betalingsverplichting, bedoeld in artikel 18,
eerste lid, niet is nagekomen.
Artikel 20. Gelieerde
banken
Gelieerde bank(en) in de
zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van deze overeenkomst is (zijn)
.................
Artikel 21.
Borgstellingsovereenkomst
-1. De Bank kan deze
overeenkomst met onmiddellijke ingang
opzeggen binnen een termijn van één maand
na publicatie in de Staatscourant van
een wijziging van de Tijdelijke SZW-borgstellingsregeling startende ondernemers vanuit een uitkering.
Deze overeenkomst eindigt van
rechtswege door de intrekking van de
Tijdelijke SZW-borgstellingsregeling
startende ondernemers vanuit een
uitkering.
-2. De Minister kan deze
overeenkomst met onmiddellijke ingang ontbinden indien de Bank heeft gehandeld
in strijd met het
gestelde in de paragrafen 5, 6, 7 of 8.
-3. Opzegging of ontbinding
van deze overeenkomst heeft geen
gevolg ten aanzien van borgstellingskredieten welke ten tijde van de
inwerkingtreding van de opzegging of
ontbinding overeenkomstig artikel 3 zijn gemeld en
ten aanzien van
borgstellingskredieten die zijn of zullen worden
verstrekt uit hoofde van een
kredietovereenkomst die is aangegaan vóór de
inwerkingtreding van de opzegging of
ontbinding.
Getekend te
…………………
op……………………..
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
(naam en functie
vertegenwoordigers Bank)
BIJLAGE
2
Gemeentelijke
kredietbanken
De Staat der Nederlanden, waarvan de zetel is gevestigd te Den Haag, te
dezen vertegenwoordigd door de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, hierna te noemen: de Minister
en ……………………, ten deze
vertegenwoordigd door …………………, hierna te noemen: de Bank,
komen overeen als volgt:
Paragraaf 1. Algemene
bepalingen
Artikel 1. Definitiebepalingen
In deze overeenkomst wordt verstaan onder:
a. Bank: de gemeentelijke
kredietbank, bedoeld in artikel 1,
onderdeel c, van de Tijdelijke SZW-borgstellingsregeling startende ondernemers
vanuit een uitkering;
b. gelieerde bank: een
rechtspersoon waaraan de Bank direct of
indirect meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft of voor wier
handelen de Bank volledig aansprakelijk
is, en die als gelieerde bank is vermeld in
artikel 20 van deze overeenkomst;
c. kredietovereenkomst: een
overeenkomst uit hoofde waarvan:
1º. de Bank aan een startende
ondernemer geld ter leen verstrekt
of zal verstrekken; of
2º. de startende ondernemer
tot een bepaald bedrag trekt of
zal kunnen trekken op de Bank; of
3º. de Bank tegenover een
derde, niet zijnde een rechtspersoon
waarmee de Bank in een groep verbonden is of een gelieerde bank,
onherroepelijk een verplichting is aangegaan om ten laste
van de startende ondernemer
aan de derde één of meer betalingen te
doen, welke verplichting niet
afhankelijk is van voorwaarden op de
vervulling waarvan het handelen van de Bank
van invloed is;
d. krediet: een bedrag dat
de Bank uit hoofde van een
kredietovereenkomst verstrekt of zal
verstrekken;
e. borgstellingskrediet: een
krediet of een deel van een krediet
dat overeenkomstig artikel 3 is gemeld;
f. uitwinning:
1º. uitwinning door de Bank,
naar normaal bankgebruik, van de door
de startende ondernemer aan
de Bank verstrekte zekerheden;
2º. onderhandse verkoop met
toestemming van de Bank door de
startende ondernemer van de vermogensbestanddelen van de startende
ondernemer, inning van vorderingen
daaronder begrepen;
3º. executoriale verkoop van
de vermogensbestanddelen van de startende ondernemer; en
4º. indien het faillissement
van de startende ondernemer is
uitgesproken of aan hem surseance van betaling is verleend: onderhandse of
executoriale verkoop van de
vermogensbestanddelen van de startende ondernemer door
of met medewerking van de
curator of de bewindvoerder;
g. startende ondernemer: een
ondernemer als bedoeld in artikel 1,
onderdeel d, van de Tijdelijke SZW-borgstellingsregeling
startende ondernemers vanuit een uitkering;
h. Minister: de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
i. SenterNovem: de door de
Minister gemandateerde uitvoerder
van de Tijdelijke SZW-borgstellingsregeling
startende ondernemers vanuit een
uitkering.
Paragraaf 2. Borgstelling
Artikel 2. Garantstelling
De Staat stelt zich borg
ten behoeve van de Bank voor de
terugbetaling van borgstellingskredieten die met inachtneming van de Tijdelijke
SZW-borgstellingsregeling startende ondernemers vanuit een uitkering en deze
overeenkomst door de Bank
worden verstrekt. Deze
borgstelling wordt aangegaan onder de navolgende
bedingen.
Paragraaf 3.
Kredietmelding
Artikel 3. Kredietmelding
-1. De toepasselijkheid van
deze borgstellingsovereenkomst op een krediet of een deel van een krediet kan
uitsluitend worden ingeroepen:
a. indien het krediet of het
deel ervan binnen 35 dagen na het
sluiten van de kredietovereenkomst aan
de Minister is gemeld met gebruikmaking
van een door de Minister ter
beschikking te stellen formulier;
b. indien binnen 35 dagen na
het sluiten van de
kredietovereenkomst de door de Minister op grond van artikel 4, eerste lid, onderdeel
b, van de
Tijdelijke SZW-borgstellingsregeling startende ondernemers vanuit een uitkering
vastgestelde afsluitprovisie door de
Bank aan de Staat betaald is;
c. voor zover door de
melding, bedoeld in onderdeel a, de som
van de in een kalenderjaar gemelde kredieten of delen daarvan de door de
Minister op grond van de artikelen 5 en 6
van de Tijdelijke SZW-borgstellingsregeling
startende ondernemers vanuit een
uitkering met betrekking tot dat
kalenderjaar vastgestelde meldingslimiet niet is
overschreden.
-2. De Minister bevestigt de
ontvangst van een meldingsformulier
schriftelijk binnen 35 dagen na
ontvangst.
-3. Voor de toepassing van
het eerste lid, aanhef en onder c, is
de volgorde van ontvangst van de meldingsformulieren door de Minister
bepalend.
-4. De meldingen, bedoeld in
het eerste lid, onderdeel a, worden
gedaan met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend
formulier.
Paragraaf 4. Berekening
van de borgstelling
Artikel 4. Maximumkredietbedrag
Voor de berekening van de
omvang van de borgstelling wordt een
borgstellingskrediet slechts in aanmerking
genomen voor zover door de
verstrekking van het borgstellingskrediet het
totaal van de borgstellingskredieten,
berekend per startende ondernemer, een
bedrag van €|31 500,- niet
overschrijdt.
Artikel 5. Berekening
omvang van de borgstelling
-1. Voor berekening van de
omvang van de borgstelling wordt na
toepassing van artikel 4 in aanmerking
te nemen borgstellingskrediet na verloop van ieder kalenderkwartaal
verminderd met een zodanig vast bedrag dat
het borgstellingskrediet op de laatste datum
waarop het is afgelost, doch
uiterlijk na verloop van zes jaar, nihil
bedraagt.
-2. De Bank kan de
vermindering, bedoeld in het eerste
lid, gedurende een aaneengesloten periode
van maximaal vier kalenderkwartalen
opschorten, indien:
a. de Bank voor ten minste
de duur van de opschorting uitstel
verleent van de verplichting tot
aflossing van het borgstellingskrediet;
b. de Bank uitstel verleent
van de verplichting tot aflossing van alle
bankfaciliteiten gedurende de onder a bedoelde periode, dan wel uitstel
verleent van de verplichting tot
aflossing van een gedeelte van de bankfaciliteiten,
waarbij de som van de
aflossingsbedragen ten minste even groot is als de
som van de aflossingsbedragen
waarvoor de Bank uitstel verleent als
bedoeld in onderdeel a; en
c. de Bank de opschorting
meldt binnen 35 dagen na aanvang van
de opschorting met gebruikmaking van het
door de Minister ter beschikking
te stellen formulier.
-3. De opschorting van de
vermindering vindt ten hoogste driemaal plaats.
-4. Voor de toepassing van
het eerste lid vangt het eerste
kalenderkwartaal uiterlijk aan op de eerste dag van
het tweede kalenderkwartaal dat
volgt op het kalenderkwartaal waarin de
kredietovereenkomst is gesloten.
-5. De Minister bevestigt de
ontvangst van een formulier als
bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, schriftelijk binnen 35 dagen na ontvangst.
Artikel 6. Schorsing van
de borgstelling
-1. De vermindering van de
borgstelling, bedoeld in artikel 5,
wordt geschorst met ingang van de dag waarop het borgstellingskrediet is opgeëist.
-2. In afwijking van het
eerste lid wordt de vermindering van de
borgstelling pas geschorst door de aanvang
van de uitwinning indien met die uitwinning
geen aanvang is gemaakt binnen
twee maanden na de dag waarop het
borgstellingskrediet door de Bank is
opgeëist.
-3. De vermindering van de
borgstelling wordt tevens geschorst
zolang de startende ondernemer in staat van
faillissement verkeert of aan hem
surseance van betaling is verleend.
Artikel 7. Omvang van de
borgstelling
-1. De omvang van de
borgstelling bedraagt per startende
ondernemer 90 procent van hetgeen de startende ondernemer ten tijde van de
overeenkomstig artikel 13 ingediende
aanvraag uit hoofde van kredietverlening op
grond van deze regeling pro resto
verschuldigd is, doch ten hoogste
a. 90 procent van de met
toepassing van de artikelen 4, 5 en 6
berekende omvang van het borgstellingskrediet of de
borgstellingskredieten, en niet meer dan
b. de som van de ten tijde
van de opzegging van de
kredietovereenkomst bestaande en verstrekte bankfaciliteiten van de Bank voor de
startende ondernemer.
-2. Voor de toepassing van
het eerste lid worden als
bankfaciliteiten mede in aanmerking genomen:
a. de bedragen die een
gelieerde bank uit hoofde van een
overeenkomst aan de startende ondernemer ter leen verstrekt of zal
verstrekken; en
b. de verplichtingen die een
gelieerde bank tegenover een derde,
niet zijnde een andere gelieerde bank of een rechtspersoon waarmee de Bank in een
groep verbonden is,
onherroepelijk is aangegaan om ten laste van de
startende ondernemer aan de derde één of meer betalingen te doen als
bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 3º,
indien de zekerheden van de gelieerde bank ter
zake van de hiervoor in
onderdelen a en b bedoelde bedragen en
verplichtingen mede strekken tot
zekerheid van de Bank.
Paragraaf 5. Criteria en
verplichtingen
Artikel 8. Criteria en
verplichtingen
-1. Ten tijde van het sluiten
van een kredietovereenkomst uit hoofde waarvan een borgstellingskrediet
aan een startende ondernemer wordt
verstrekt, moet aan de volgende criteria
zijn voldaan:
a. de startende ondernemer
beschikt over onvoldoende
financiële middelen om zijn onderneming op economisch verantwoorde wijze te
drijven;
b. er is een tekort aan
zekerheden bij de startende ondernemer,
waardoor de Bank naar normaal bankgebruik het krediet niet geheel voor eigen
rekening en risico kan verstrekken;
c. het borgstellingskrediet
bedraagt niet meer dan het tekort aan
zekerheden dat bij de Bank ten tijde van het sluiten van de kredietovereenkomst
bestaat;
d. de kredietovereenkomst is
in schriftelijke vorm aangegaan;
e. de rentabiliteits- en
continuïteitsperspectieven van de onderneming zijn naar het oordeel van de
Minister voldoende;
f. het borgstellingskrediet
is niet bestemd en wordt niet
gebruikt voor de nakoming van
verplichtingen van de startende ondernemer aan
de Bank die het borgstellingskrediet
verstrekt, aan een gelieerde bank of aan
een rechtspersoon waarmee de Bank in een
groep verbonden is;
g. de Bank heeft in de door
haar gesloten borgstellingsovereenkomsten
met betrekking tot de
nakoming door de startende ondernemer van de
verplichtingen voortvloeiende uit de
kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het
borgstellingskrediet is verleend een beding
ten behoeve van de Staat
opgenomen, ertoe strekkende dat de
omslagregeling van artikel 869, Boek 7,
Burgerlijk Wetboek niet geldt ten opzichte van de Staat en de Bank heeft geen bedingen
opgenomen, ertoe leidende dat:
1º. een borg er zich op zou
kunnen beroepen dat de Staat
eerst zou moeten worden aangesproken;
2º. een borg zich zou kunnen
onttrekken aan toepassing door de Staat van de omslagregeling van
artikel 869, Boek 7, Burgerlijk Wetboek;
h. de Bank heeft in de
kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het
borgstellingskrediet wordt verstrekt een verplichting voor de
startende ondernemer opgenomen om alle
medewerking te verlenen aan het uitoefenen door de Staat van de in artikel
9, eerste lid, genoemde bevoegdheden.
Artikel 9. Verplichtingen bank en startende ondernemer
-1. De Bank, de gelieerde bank en de startende ondernemer
voldoen aan hetgeen door de Minister aangewezen wordt verzocht, voor
zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor een
goede uitvoering van de
Tijdelijke SZW-borgstellingsregeling startende ondernemers vanuit een uitkering en
deze overeenkomst en met het
oog op de nakoming door de Staat
van op hem rustende internationaalrechtelijke verplichtingen, en voor zover het
betrekking heeft op de uit het
besluit en deze overeenkomst voortvloeiende
zelfstandige verplichtingen van de
Bank of de gelieerde bank, op de startende
ondernemer aan wie het
borgstellingskrediet is verstrekt of op de met deze
startende ondernemer gesloten kredietovereenkomsten omtrent:
a. het toegang verlenen tot
door hen gebruikte plaatsen;
b. het verlenen van inzage
in zakelijke gegevens en bescheiden;
c. het maken van kopieën
van de onder b bedoelde gegevens en
bescheiden;
d. het verlenen van
medewerking aan het verstrekken van
gegevens door anderen; en
e. het verstrekken van
inlichtingen.
-2. Alleen in daartoe
aanleiding gevende gevallen zal aan de Bank,
de gelieerde bank of aan de startende ondernemer gevraagd worden de in het
eerste lid bedoelde inlichtingen ook
door haar interne accountant te
doen verstrekken.
-3. De Bank stelt, met
gebruikmaking van een door de Minister
ter beschikking te stellen formulier,
waarvan het model door de Minister
wordt vastgesteld, de Minister binnen 35
dagen na kennisname op de hoogte van de volgende feiten:
a. vervroegde volledige
aflossing van het borgstellingskrediet;
b. het door de afdeling
....... van de Bank in beheer nemen van het borgstellingskrediet;
c. de verlening van surseance van betaling aan of de
faillietverklaring van de startende ondernemer;
d. opeising van het borgstellingskrediet.
-4. Na afsluiting van ieder
boekjaar zendt de Bank vóór 1 februari
van het daaropvolgende jaar, met gebruikmaking
van een door de Minister ter
beschikking te stellen formulier, aan de
Minister een opgave van de omvang van
de borgstelling aan het einde van het
boekjaar voor alle
borgstellingskredieten tezamen, waarvoor de Bank nog geen
verzoek om betaling als bedoeld in
artikel 13 heeft ingediend. Deze omvang
dient te worden berekend met toepassing
van paragraaf 4.
-5. Tijdens de looptijd van
de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan een borgstellingskrediet
wordt verstrekt en tijdens de uitwinning zal
de Bank waken over de belangen van de Staat als borg.
-6. De Bank zal ervoor
zorgdragen dat het borgstellingskrediet
niet wordt gebruikt voor de nakoming
van verplichtingen van de startende
ondernemer aan de Bank die het
borgstellingskrediet verstrekt, aan een gelieerde bank of aan een rechtspersoon waarmee
de Bank in een groep verbonden is.
-7. De Bank zal tijdens de
looptijd van de kredietovereenkomst uit
hoofde waarvan een borgstellingskrediet is verleend in de door haar te
sluiten overeenkomsten met allen, niet zijnde de Staat, die zich borg willen stellen
voor de nakoming door de startende
ondernemer van de verplichtingen
voortvloeiende uit de kredietovereenkomst uit
hoofde waarvan het borgstellingskrediet
is verleend een beding ten behoeve
van de Staat opnemen, ertoe strekkende
dat de omslagregeling van
artikel 869, Boek 7, Burgerlijk Wetboek niet geldt ten opzichte van de Staat en
de Bank zal geen bedingen opnemen,
ertoe leidende dat:
a. een borg er zich op zou
kunnen beroepen dat de Staat eerst zou
moeten worden aangesproken;
b. een borg zich zou kunnen
onttrekken aan toepassing door de Staat van de omslagregeling van
artikel 869, Boek 7, Burgerlijk Wetboek.
Artikel 10. Uitwinning
-1. Indien een aanvraag om
betaling als bedoeld in artikel 13 is
ingediend op een moment waarop de uitwinning nog niet is voltooid en ook niet
aannemelijk is geworden dat geen
opbrengsten meer zijn te verwachten die in
mindering komen op het borgstellingskrediet, brengt de Bank de
Minister ten minste jaarlijks verslag uit
over de voortgang van de uitwinning.
-2. De Minister kan over het
verloop van de uitwinning binnen een
door hem te stellen termijn nadere gegevens van de Bank verlangen.
Artikel 11. Invordering
-1. Gedurende een periode van
vijf jaar na de datum waarop een
verzoek om betaling als bedoeld in artikel 13 is ingediend of, indien een verzoek om
betaling is ingediend op een
moment waarop de uitwinning nog niet is
voltooid en ook niet aannemelijk is
geworden dat geen opbrengsten meer
zijn te verwachten die in mindering komen op
het borgstellingskrediet, na
de datum waarop de Bank de Minister heeft
bericht dat de uitwinning is voltooid
of dat aannemelijk is dat geen opbrengsten
meer zijn te verwachten die in
mindering komen op het borgstellingskrediet, is de Bank gehouden die pogingen in
het werk te stellen om namens de Staat het door de Staat betaalde bedrag in
te vorderen, die de Bank in het werk zou
hebben gesteld indien het krediet voor
eigen rekening en risico door de Bank
zou zijn verstrekt. De Staat machtigt met het
oog hierop de Bank tot
invordering bij de kredietnemer van de door
deze aan de Staat verschuldigde
bedragen.
-2. De Bank zendt binnen drie
maanden na afloop van de in het
eerste lid bedoelde periode de Minister een
overzicht van de door haar
ondernomen activiteiten, met gebruikmaking van een
door de Minister ter beschikking
te stellen formulier.
Artikel 12.
Schuldregeling en verboden
-1. De Bank treft geen
schuldregeling die inhoudt of mede inhoudt
een gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van verplichtingen voortvloeiende uit een
kredietovereenkomst, uit
hoofde waarvan een borgstellingskrediet
is verstrekt, zonder voorafgaande
schriftelijke toestemming van de Minister. De Minister kan aan zijn toestemming
voorwaarden verbinden ten aanzien van
de inhoud van een dergelijke regeling.
-2. Een verzoek om
toestemming als bedoeld in het eerste lid
dient door de Bank schriftelijk bij de
Minister te worden ingediend.
-3. De Minister beslist zo
spoedig mogelijk op een verzoek om
toestemming als bedoeld in het eerste
lid.
Paragraaf 6. Vaststelling
betalingsverplichting
Artikel 13. Aanvraag om
betaling
-1. De Bank dient zo spoedig
mogelijk na de voltooiing van de
uitwinning of, indien dit eerder is, zo spoedig mogelijk nadat aannemelijk is
geworden dat geen opbrengsten meer zijn te
verwachten die in mindering komen op het borgstellingskrediet, doch in ieder geval
binnen negen maanden na de datum waarop het borgstellingskrediet is
opgeëist of, indien dit eerder is, na
de datum van het faillissement, een aanvraag in om betaling uit hoofde van de
borgstellingsovereenkomst.
-2. De aanvraag wordt
ingediend met gebruikmaking van een
door de Minister ter beschikking te
stellen formulier.
Artikel 14. Mededeling
Minister
-1. De Minister bevestigt de
ontvangst van een aanvraag om
betaling schriftelijk binnen 35 dagen na de ontvangst.
-2. De Minister deelt zijn
beslissing op de aanvraag binnen negen
maanden na de bevestiging van de ontvangst schriftelijk aan de Bank mede.
Artikel 15. Vaststellen
bedrag
-1. De Minister stelt het uit
hoofde van deze overeenkomst door de Staat verschuldigde bedrag vast overeenkomstig de Tijdelijke
SZW-borgstellingsregeling startende ondernemers
vanuit een uitkering en deze overeenkomst, met
uitzondering van het bepaalde in
artikel 9, derde, vierde en vijfde
lid.
-2. Voor zover de Bank bij
haar aanvraag om betaling aannemelijk
maakt dat er bijzondere omstandigheden
waren die het naar normaal
bankgebruik noodzakelijk maakten de
bankfaciliteiten sterker in omvang terug te
brengen dan de borgstellingskredieten, blijft artikel 7, eerste lid, aanhef en
onder b, buiten toepassing.
-3. De Minister kan in ieder
geval afwijzend beslissen op een
aanvraag:
a. indien niet voldaan is
aan een verzoek als bedoeld in artikel 9,
eerste lid;
b. indien de Bank in het
kader van de aanvraag gegevens heeft verstrekt waarvan zij wist of behoorde te weten dat deze onjuist of
onvolledig waren en de verstrekking van deze
gegevens tot een onjuiste beslissing op de
aanvraag zou hebben geleid.
Paragraaf 7. Betalingen
Artikel 16. Betalingen
-1. Betalingen door Bank aan
de Staat geschieden door
overmaking van de betreffende bedragen naar rekeningnummer 19.23.24.217 bij de
Rabobank te Utrecht, ten name van
SenterNovem, onder vermelding van "SZW-borgstellingsregeling startende ondernemers"
en het dossiernummer.
Betalingen door de Staat aan de Bank
geschieden door SenterNovem van hetzelfde
rekeningnummer.
-2. In het betalingsverkeer,
bedoeld in het eerste lid, zal over
het debet- of creditsaldo een rente berekend worden gelijk aan de in Het
Financieele Dagblad gepubliceerde basisrente.
Paragraaf 8. Diversen
Artikel 17.
Verplichtingen Staat
-1. De verplichtingen van de Staat uit hoofde van deze
overeenkomst met betrekking tot een borgstellingskrediet vervallen door
schuldvernieuwing, door schuldoverneming en -
voor het gedeelte waarin subrogatie
plaatsvindt - door subrogatie van derden in
de rechten van de Bank met betrekking
tot het borgstellingskrediet, al dan niet voorafgegaan door verpanding van het
borgstellingskrediet.
-2. In afwijking van het
eerste lid blijven de verplichtingen van de Staat met betrekking tot een borgstellingskrediet van kracht, indien:
a. de startende ondernemer
aan wie het borgstellingskrediet is
verstrekt de onderneming en alle voor
het drijven van de onderneming
bestemde activa en passiva inbrengt of
overdraagt aan een door de startende ondernemer voor het drijven van die
onderneming opgerichte rechtspersoon;
b. de Bank met de in
onderdeel a bedoelde rechtspersoon
een overeenkomst sluit als gevolg waarvan
die rechtspersoon bij de
kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het
borgstellingskrediet is verleend de plaats inneemt van de startende
ondernemer; en
c. de startende ondernemer
zich naast de in onderdeel a bedoelde
rechtspersoon hoofdelijk aansprakelijk stelt voor de nakoming door die
rechtspersoon van de verplichtingen die
voortvloeien uit de kredietovereenkomst.
-3. Voor de toepassing van
het tweede lid wordt onder rechtspersoon
mede begrepen twee of meer rechtspersonen indien die rechtspersonen
gezamenlijk voldoen aan de in het tweede lid
genoemde voorwaarden en ieder van
die rechtspersonen zich hoofdelijk
aansprakelijk stelt voor de nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit de
kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het
borgstellingskrediet is verstrekt.
Artikel 18. Betaling
-1. De Bank betaalt de vanaf
het moment van de indiening van een
aanvraag als bedoeld in artikel 13 ontvangen opbrengsten die in
mindering komen op het borgstellingskrediet
binnen twee maanden na ontvangst aan
de Staat.
-2. Voor zover de opbrengsten
na de aanvang van de periode, bedoeld
in artikel 11, eerste lid, ontvangen zijn en niet ontvangen zijn uit hoofde
van de uitwinning van zekerheden, wordt de
in het eerste lid bedoelde
betalingsverplichting beperkt tot 90 procent
van de ontvangen opbrengsten
Artikel 19. Uitgekeerde
bedragen
Reeds uitgekeerde
bedragen zijn terstond en zonder enige
ingebrekestelling opeisbaar zodra de
Minister blijkt dat de Bank zodanig onjuiste of
onvolledige informatie heeft
verschaft dat hij op een verzoek om betaling een
andere beslissing zou hebben genomen
indien hem de juiste gegevens
volledig waren verschaft of dat de Bank de
betalingsverplichting, bedoeld in artikel 18,
eerste lid, niet is nagekomen.
Artikel 20. Gelieerde
banken
Gelieerde bank(en) in de
zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van deze overeenkomst is (zijn)
.................
Artikel 21.
Borgstellingsovereenkomst
-1. De Bank kan deze
overeenkomst met onmiddellijke ingang
opzeggen binnen een termijn van één maand
na publicatie in de Staatscourant van
een wijziging van de Tijdelijke SZW-borgstellingsregeling startende ondernemers vanuit een uitkering.
Deze overeenkomst eindigt van
rechtswege door de intrekking van de
Tijdelijke SZW-borgstellingsregeling
startende ondernemers vanuit een
uitkering.
-2. De Minister kan deze
overeenkomst met onmiddellijke ingang ontbinden indien de Bank
heeft gehandeld in strijd met het
gestelde in de paragrafen 5, 6, 7 of 8.
-3. Opzegging of ontbinding
van deze overeenkomst heeft geen
gevolg ten aanzien van borgstellingskredieten welke ten tijde van de
inwerkingtreding van de opzegging of
ontbinding overeenkomstig artikel 3 zijn gemeld en
ten aanzien van
borgstellingskredieten die zijn of zullen worden verstrekt uit hoofde van een
kredietovereenkomst die is aangegaan vóór de
inwerkingtreding van de opzegging of
ontbinding.
Getekend te
…………………
op……………………..
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
(naam en functie
vertegenwoordigers Bank)
TOELICHTING
[30 mei 2007]
Algemeen
Onderhavige regeling wordt
getroffen om het zelfstandig
ondernemerschap en de kredietverlening aan ondernemers die vanuit een
uitkeringssituatie starten te stimuleren.
Uit diverse onderzoeken is
gebleken dat de verkrijgbaarheid van
een startkrediet voor starters vanuit een uitkering verbetering behoeft. Het
Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) en het toenmalige
Besluit starterskrediet arbeidsgehandicapten
(Bsa), thans Reïntegratiebesluit,
bieden voldoende mogelijkheden voor
kredietverlening aan bijstandsgerechtigden en gedeeltelijk arbeidsgeschikten. Personen
die vanuit de
Werkloosheidswet (WW) een zelfstandig bedrijf of
beroep willen starten kunnen echter veelal
geen beroep doen op deze regelingen en
zijn voor kredietverlening aangewezen
op banken of gemeentelijke kredietbanken. In het
algemeen geldt dat alle
startende kleine zelfstandigen, onverschillig
of zij een uitkering ontvangen of niet,
problemen ondervinden bij het via een bank of gemeentelijke kredietbank
financieren van de relatief geringe
behoefte aan startkapitaal. Het kosten-batenaspect speelt hier voor de banken
of gemeentelijke kredietbanken een
belangrijke rol.
Het doel van de onderhavige
regeling is om de banken of
gemeentelijke kredietbanken, meer dan nu het geval is, te betrekken bij
microkredietprogramma’s voor starters vanuit een
uitkering. Bij deze programma’s gaat het
om relatief geringe bedragen om een
zelfstandig bedrijf of beroep te
starten. Het streven is om ervoor te zorgen dat
alle starters vanuit een
uitkeringssituatie met private financiering via een bank of
gemeentelijke kredietbank geholpen kunnen worden bij het starten van
een bedrijf of zelfstandig beroep. Op
termijn kan worden bezien of de huidige regels
op grond waarvan aan starters vanuit
de uitkering startkapitaal kan worden
verstrekt (het Bbz 2004 en het
Reïntegratiebesluit), kunnen komen te vervallen.
Een dergelijke stap kan echter pas genomen
worden als zeker is dat de huidige doelgroep van het Bbz 2004 en het
Reïntegratiebesluit ook onder de nieuwe
regeling een succesvol beroep kan doen op
starterskrediet bij een bank of
gemeentelijke kredietbank, dit uiteraard
onder de conditie dat aan alle overige
voorwaarden, zoals levensvatbaarheid van
het bedrijfsplan, is voldaan.
Om een regeling voor alle
banken of gemeentelijke kredietbanken
zo goed mogelijk voor te bereiden, wordt een regionale pilot gestart met
de (gemeentelijke krediet)banken, gemeenten en Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV)-kantoren uit die regio’s. Hiertoe is
onderhavige Tijdelijke SZW-borgstellingsregeling
startende ondernemers vanuit een
uitkering opgesteld. In deze pilot zal de kredietverlening aan starters vanuit een
uitkeringssituatie die niet via de normale arrangementen voor kredietverlening
aangeboden door een bank of
gemeentelijke kredietbank kunnen worden
geholpen, niet meer vanzelfsprekend
verlopen via Bbz 2004 of
Reïntegratiebesluit, maar via de bij de pilot
betrokken (gemeentelijke krediet)bank.
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid zal als borgsteller voor de
betrokken banken of gemeentelijke kredietbanken functioneren.
De Tijdelijke SZW-borgstellingsregeling startende ondernemers
vanuit een uitkering kan
budgetneutraal worden uitgevoerd via onder andere het inverdieneffect
op het Bbz 2004. De regeling is
gebaseerd op de Kaderwet
SZW-subsidies. De
verlening van borgstellingen in het
kader van deze regeling wordt uitgevoerd door SenterNovem onder
verantwoordelijkheid van de Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid. Deze keuze houdt verband met de kennis en ervaring
van SenterNovem met het uitvoeren van
de zogenaamde BBMKB-regeling van het ministerie van Economische
Zaken. Er is om uitvoeringstechnische redenen voor gekozen de Tijdelijke
SZW-borgstellingsregeling startende ondernemers vanuit een uitkering zoveel
mogelijk in te richten als de BBMKB-regeling, weliswaar in vereenvoudigde
vorm. Hetzelfde geldt voor
de bij deze regeling horende bijlagen
1 en 2.
De opzet van de pilot
De opzet van de pilot zal in
grote lijnen als volgt zijn:
- een aanbod tot een
borgstellingsovereenkomst wordt namens de Minister
van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid door SenterNovem vooraf verstrekt
aan de startende ondernemer,
waarmee betrokkene zelf de (gemeentelijke krediet)bank kan benaderen voor een
starterskrediet;
- de beoordeling van de
aanvraag, inclusief de beoordeling van het
bedrijfsplan, zal namens de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid
plaatsvinden door SenterNovem;
- SenterNovem verleent de
borgstelling. Hieraan voorafgaand wordt
voor de levensvatbaarsheidstoets een beroep gedaan op hierin
gespecialiseerde instanties;
- met bovenstaande werkwijze
wordt bereikt dat de banken of gemeentelijke
kredietbanken een minder intensief beoordelingstraject voor het
verlenen van krediet behoeven te
doorlopen. Tevens is er vooraf duidelijkheid over de zekerstelling. De
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
staat namelijk borg voor het door
de bank of de gemeentelijke kredietbank
verleende krediet. Beide aspecten
hebben een kostenverlagend effect en kunnen de
kredietverlening via banken of gemeentelijke kredietbanken vereenvoudigen;
- de startende ondernemer die
in aanmerking komt voor een borgstelling
op het benodigde krediet komt tevens in aanmerking voor verplichte
begeleiding na de start.
Doel van de pilot is om
proefondervindelijk vast te stellen op welke
wijze een algemene (borgstellings)regeling
het beste vorm kan krijgen en op
welke wijze zo’n regeling
organisatorisch het best kan worden ingebed in de
bestaande structuren. Belangrijke
aandachtspunten hierbij zullen zijn de wijze waarop de levensvatbaarheid van het
bedrijfsplan wordt vastgesteld, de manier
waarop de communicatie tussen de
banken of gemeentelijke kredietbanken en de uitvoering
(gemeenten en UWV) vorm
moet krijgen en de beleving
van de aanvragers. De resultaten van de pilot
zullen input vormen voor een mogelijk algemene regeling voor
microfinanciering.
Artikelsgewijs
Artikel
2. Borgstelling
In artikel
2, eerste lid, is
geregeld dat de minister - wiens rol in de
praktijk via een mandaat wordt uitgevoerd
door SenterNovem - een
borgstellingensovereenkomst met een (gemeentelijke krediet)bank kan
aangaan indien
door de startende ondernemer die
krediet behoeft aan een aantal
voorwaarden is voldaan. Deze voorwaarden
zijn opgenomen in artikel 2, eerste lid, onderdeel a tot en met
e. Hieronder wordt nader ingegaan op deze
voorwaarden. Met voorwaarde a wordt
bedoeld dat een startende ondernemer
alleen van deze regeling gebruik kan
maken indien betrokkene redelijkerwijs op
geen enkele andere wijze krediet voor
bedrijf of zelfstandig beroep kan
verwerven.
Voorwaarde b stelt dat de
startende ondernemer beschikt over een
(op termijn) levensvatbaar bedrijf of zelfstandig beroep. De minister maakt
hierbij gebruik van een
bedrijfseconomisch of bedrijfstechnisch onderzoek
dat wordt uitgevoerd door één van de
door SenterNovem gecertificeerd
bureaus.
Met voorwaarde c behoudt de
uitvoeringsinstelling de mogelijkheid eventuele ondersteuning van de startende
ondernemer via deze regeling
te weigeren indien betrokkene na de
start geheel of gedeeltelijk uitkeringsafhankelijk zou blijven. Een reden hiervoor
zou kunnen zijn dat een traject
richting loondienst sneller zou werken.
Voorwaarde d voorkomt dat
met onderhavige regeling bedrijfs- of beroepsmatige activiteiten
worden ondersteund die zich slecht
kunnen verhouden met de maatschappelijke taak van de overheid in brede zin.
Voorwaarde e regelt dat ten
behoeve van de startende ondernemer
afspraken gelden over begeleiding na de start van het zelfstandig bedrijf of
beroep. Dit ter bevordering van de
slagingskans van de startende ondernemer.
Wat betreft de voorwaarden a
en c zal bij de evaluatie van
onderhavige regeling worden bezien of deze voorwaarden noodzakelijk zijn gebleken.
In artikel 2, tweede lid, is
de termijn geregeld waarbinnen de
startende ondernemer een kredietaanvraag bij een (gemeentelijke krediet)bank
verwerft, waarop de beoogde
borgstelling uiteindelijk moet gaan rusten. De minister kan deze termijn verlengen
indien blijkt dat het de zelfstandige ondernemer niet kan worden verweten dat hij
hiervoor meer tijd nodig heeft,
bijvoorbeeld in geval van ziekte of door
vertraging in de procedurele afwikkeling van de
kredietaanvraag door de bank of gemeentelijke
kredietbank.
Artikel
3.
Borgstellingsovereenkomst
Zoals genoemd in het eerste
lid zijn voor
borgstellingsovereenkomsten op grond van deze regeling twee verschillende
formulieren voorhanden. Deze zijn als
bijlagen 1 en 2 bij
deze regeling opgenomen. Bijlage 1 is
bedoeld voor (handels)banken en bijlage 2
voor gemeentelijke kredietbanken.
Reden hiervoor is dat de minister als borgsteller
in geval van verlening van
krediet door (handels)banken voor
80% borg staat en bij verlening door
gemeentelijke kredietbanken voor 90% borg
staat voor het te verlenen krediet.
Omdat de gemeentelijke kredietbanken
in deze regeling aan de slag gaan
met de "afvallers" van de banken, de startende
ondernemers die op een andere manier
geen krediet kunnen verkrijgen
bij een (handels) bank, geldt een hoger garantstellingspercentage. Dit vanwege de lagere
kansen als startende
ondernemer om een levensvatbaar bedrijf of
beroep op te zetten. Het risico wordt
groter geacht.
Het tweede lid bepaalt dat
de borgstellingsovereenkomst ingaat zodra deze door de minister van de kredietinstelling
of gemeentelijke kredietbank
is terugontvangen, mits hierbij een afschrift van de kredietovereenkomst,
waarop de borgstelling betrekking
heeft, is bijgevoegd. Het derde lid regelt dat
nadat de minister een
borgstellingsovereenkomst van een gemeentelijke
kredietbank terugontvangt, deze pas
inwerking kan treden indien de startende ondernemer een afwijzing tot het
verlenen van een krediet van een
kredietinstelling heeft afgegeven aan de minister.
In voorkomende gevallen zal de minister
zowel de gemeentelijke kredietbank
als de startende ondernemer hierover
informeren.
Artikel
4.
Kredietovereenkomst
De maximale hoogte van een
krediet waarvoor in het kader van
deze regeling subsidie in de vorm van een
borgstelling kan worden aangevraagd, is
gelijk aan het maximale bedrag voor een
starterskrediet op grond van het Bbz 2004.
Het gaat om het bedrag van €|31 500,-. Van starters wordt een eenmalige afsluitprovisie gevraagd van 4 procent van
het kredietbedrag ten gunste van
de minister. De maximale looptijd van een kredietovereenkomst op basis
van de regeling bedraagt zes jaar.
Daarbovenop komen eventuele
opschortingstermijnen bij betalingsachterstanden
die gedurende een aaneengesloten periode van maximaal vier kalenderkwartalen per
opschorting maximaal drie
keer in het kader van deze regeling kunnen voorkomen. De voorwaarden voor
opschorting zijn opgenomen in de borgstellingsovereenkomsten,
bijlagen 1 en 2, horende
bij deze regeling.
Artikel
5. Maximaal
beschikbare budget
Het plafond voor aan te
bieden borgstellingen in het kader van deze
regeling bedraagt €|6 000 000,-. Indien dit bedrag aan aanbiedingen
uitstaat, is het de minister niet langer
toegestaan nog meer aanbiedingen voor
borgstellingen te doen in het kader van
deze regeling. Indien het plafond niet
wordt bereikt, is de looptijd van één jaar
bepalend voor het einde van verlening van
borgstellingen op grond van de regeling of
het maximaal aantal aanbiedingen tot borgstellingsovereenkomsten, bedoeld in
artikel 6.
Artikel
6. Maximum aantal
borgstellingsovereenkomsten
Onverminderd het plafond,
genoemd in artikel 5, eerste lid,
kunnen op grond van deze regeling maximaal 300 aanbiedingen tot een
borgstellingsovereenkomst worden afgegeven.
Artikel
8. Algemene Regeling SZW-subsidies
In artikel 8 wordt afgeweken
van de artikelen 5 tot en met 16 en
18 van de Algemene
Regeling SZW-subsidies. Dit vanwege het feit dat de aan
de subsidieverlening verbonden verplichtingen
zijn opgenomen in de bij deze
regeling horende
bijlagen 1 en 2.
Artikel
9. Inwerkingtreding
Onderhavige regeling treedt
in werking met ingang van de tweede dag
na dagtekening van de Staatscourant waarin
zij wordt geplaatst. Deze
regeling zal automatisch vervallen met ingang van 1
juli 2008. Verder blijft de
regeling, zoals die geldt op 30 juni 2008, van
toepassing op de subsidie verleend door de minister
aan de subsidieontvanger op
grond van onderhavige regeling.
Hierbij gaat het om afwikkeling van de
financiële gevolgen van eerdere
subsidieverlening. Hierbij moet vooral worden
gedacht aan uitwinning van
borgstellingsovereenkomsten door kredietinstellingen of
de gemeentelijke kredietbank na afloop van de eenjarige pilotperiode
waarin deze regeling van kracht is.
Hierna volgen betalingen van kredietinstellingen of de gemeentelijke kredietbank
aan de minister indien er bij de
kredietinstelling of de gemeentelijke kredietbank
alsnog terugbetalingen van het
krediet door de kredietontvanger volgt.
|