St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Werkloosheidswet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt naar laatste editie Staatsblad/Staatscourant

 

VAKANTIEREGELING  WW  EN  IOW ¹
 
 

4 december 2003, Stcrt. 2003, 242
Inwerkingtreding: 1 januari 2004
(T.a.v. artt. 19:5 WW en 6:6 IOW)

 

  
 

 

 
REGELING van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 4 december 2003, Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/F&W/2003/90418A, houdende vaststelling van het begrip vakantie en de perioden van vakantie met behoud van recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet (Vakantieregeling WW)
¹

1. Redactie: Ingevolge artikel VII, onderdeel E, van de Aanpassingsregeling IOW (Stcrt. 2009, 18184) is de Vakantieregeling WW voorzien van een nieuwe citeertitel, luidende: Vakantieregeling WW en IOW.

     De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
     Gelet op artikel 19, vijfde lid, van de Werkloosheidswet;

     Besluit:

 

 

Art. 1. Begripsbepalingen
-1. Van vakantie genieten als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel j, van de Werkloosheidswet en artikel 6, eerste lid, onderdeel d, van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen is sprake gedurende de periode waarover de werknemer of de uitkeringsgerechtigde:
a. verklaart vakantie te genieten;
b. niet verklaart vakantie te genieten, maar daarvan, gelet op de feitelijke omstandigheden, kennelijk sprake is.
-2. In deze regeling wordt verstaan onder dagen: maandag tot en met vrijdag dan wel dinsdag tot en met zaterdag.

 

Art. 1a.
Deze regeling berust mede op artikel 6, zesde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen.

 

Art. 2. Vakantie met behoud van uitkering
-1. De werknemer kan per kalenderjaar gedurende 20 dagen vakantie genieten met behoud van zijn recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet.
-2. De uitkeringsgerechtigde kan per kalenderjaar gedurende 20 dagen vakantie genieten met behoud van zijn recht op uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen.
-3. In afwijking van het eerste lid geldt een termijn van 65 dagen voor de werknemer, bedoeld in de artikelen 5, eerste en tweede lid, 7 en 8, eerste lid, van de Regeling vrijstelling verplichtingen socialezekerheidswetten.
-4. In afwijking van het tweede lid geldt een termijn van 65 dagen voor de IOW-gerechtigde, bedoeld in de artikelen 5, tweede lid, en 7 van de Regeling vrijstelling verplichtingen socialezekerheidswetten.

 

Art. 3. In mindering brengen
Op het aantal dagen, bedoeld in artikel 2, eerste en derde lid, wordt in mindering gebracht:
a. vijfmaal het aantal hele weken voor de eerste werkloosheidsdag in het desbetreffende kalenderjaar, gedeeld door 13;
b. het aantal dagen waarop de werknemer in het desbetreffende kalenderjaar vakantie heeft genoten met behoud van zijn recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet, met uitzondering van vakantiedagen die tevens nationale of christelijke feestdagen zijn.
-2. Op het aantal dagen, bedoeld in artikel 2, tweede en vierde lid, wordt in mindering gebracht:
a. vijfmaal het aantal hele weken voor de eerste dag waarop recht op een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen bestond in het desbetreffende kalenderjaar, gedeeld door 13;
b. het aantal dagen waarop de werknemer in het desbetreffende kalenderjaar vakantie heeft genoten met behoud van zijn recht op uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, met uitzondering van vakantiedagen die tevens nationale of christelijke feestdagen zijn.

 

Art. 4. Afronding
Het aantal dagen berekend volgens de voorgaande artikelen wordt rekenkundig op hele dagen afgerond.

 

Art. 5. Overgangsbepaling
De werknemer die op 31 december 2003 op grond van artikel 2, tweede lid, van de Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 januari 1992, nr. 92342 (Stcrt. 1992, 19), per kalenderjaar gedurende dertien weken vakantie kon genieten met behoud van zijn recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet kan, in afwijking van artikel 2, eerste lid, in 2004 gedurende maximaal 65 dagen vakantie genieten met behoud van zijn recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet, voor zover hij vóór de datum van inwerkingtreding van deze regeling verplichtingen daartoe is aangegaan.

 

Art. 6. Intrekking
De Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 januari 1992, nr. 92342 (Stcrt. 1992, 19), wordt ingetrokken.

 

Art. 7. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2004.

 

Art. 8. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Vakantieregeling WW en IOW.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

 

Den Haag, 4 december 2003.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
.

 

 

 

TOELICHTING
[4 december 2003]

 

Algemeen


     Op grond van artikel 19, vijfde lid, onderdeel a en b, van de Werkloosheidswet (WW) kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld met betrekking tot het begrip vakantie genieten en met betrekking tot de vaststelling van de periode gedurende welke de werknemer met behoud van zijn uitkering vakantie kan genieten. Met de onderhavige regeling wordt van deze bevoegdheid gebruik gemaakt.
     De met de onderhavige regeling ingetrokken ministeriële regeling betrof tot 1 januari 2002 een besluit van achtereenvolgens de Sociale Verzekeringsraad, het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming en het Landelijk instituut sociale verzekeringen. Met de intrekking van die regeling en het vaststellen van de onderhavige regeling is thans volledig duidelijk - zonder dat een aantal overgangsrechtelijke regelingen hoeven te worden geraadpleegd - dat er een ministeriële regeling is met betrekking tot de vaststelling van het begrip vakantie en de perioden van vakantie met behoud van recht op uitkering op grond van de WW en wat die regeling inhoudt.
     Op grond van deze regeling hebben uitkeringsgerechtigden in het kader van de WW recht op 20 dagen (vier weken) per kalenderjaar waarin zij met behoud van uitkering met vakantie mogen gaan. De oudere werknemer die op grond van de Regeling vrijstelling verplichtingen WW blijvend is vrijgesteld van de verplichtingen gericht op arbeidsinpassing heeft recht op 65 dagen (dertien weken) per kalenderjaar vakantie met behoud van uitkering.
     Indien een uitkeringsgerechtigde met vakantie gaat en in deze vakantieperiode een nationale of algemeen erkende christelijke feestdag voorkomt die niet op een zaterdag of zondag valt maar op een werkdag, dan wordt deze feestdag niet in mindering gebracht op het aantal vakantiedagen waarop een betrokkene aanspraak kan maken. Bij werknemers in het bedrijfsleven en ambtenaren worden dergelijke feestdagen die op een werkdag vallen ook niet in mindering gebracht op het tegoed aan vakantiedagen.

 

 

Artikelsgewijs

 

Artikel 1

     In het eerste lid van dit artikel wordt aangegeven wat wordt verstaan onder het genieten van vakantie als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel k, van de WW. Met betrekking tot onderdeel a van dit artikel wordt opgemerkt dat de eventuele bereidheid van de werknemer om zich tijdens de vakantieperiode te houden aan de wettelijke voorschriften niet van belang is. Deze bereidheid neemt niet weg dat in die periode sprake is van genieten van vakantie.
     Onderdeel b van dit artikel is van belang in de situatie waarin de werknemer niet verklaart of zelfs ontkent vakantie te genieten, maar hiervan gelet op de feitelijke omstandigheden kennelijk wel sprake is.
     Op grond van het tweede lid van dit artikel wordt in deze regeling onder "dag" verstaan maandag tot en met vrijdag of dinsdag tot en met zaterdag. Dit zijn de dagen waarover uitkering wordt verstrekt. In beginsel wordt uitgegaan van maandag tot en met vrijdag. In het geval dat in het uitkeringssysteem wordt uitgegaan van een week die loopt van dinsdag tot en met zaterdag, wordt onder dag verstaan dinsdag tot en met zaterdag.

 

Artikel 2

     In artikel 2 van deze regeling is aangegeven gedurende welke periode de werknemer met behoud van recht op uitkering vakantie kan genieten. Uitkeringsgerechtigden in het kader van de WW hebben recht om met behoud van uitkering 20 dagen (vier weken) per kalenderjaar op vakantie te gaan. Voor oudere werknemers die op grond van de Regeling vrijstelling verplichtingen WW onder andere zijn vrijgesteld van de verplichtingen gericht op arbeidsinpassing geldt een termijn van 65 dagen (dertien weken). Dit betreft ten eerste de werknemers die 64 jaar of ouder zijn op de eerste dag van werkloosheid. Voorts betreft het de werknemers die op 31 mei 1999 ouder zijn dan 57,5 jaar en van wie de eerste werkloosheidsdag gelegen is vóór 1 januari 2004 en de werknemers die op 31 december 2003 57,5 jaar of ouder zijn en bij wie de eerste werkloosheidsdag gelegen is op of vóór 1 januari 2003.

 

Artikel 3

     In artikel 3 van deze regeling wordt bepaald dat bij de vaststelling van het aantal dagen dat de werknemer vakantie kan genieten met behoud van WW-uitkering een aantal dagen in mindering wordt gebracht op het in artikel 2 genoemde aantal. In de eerste plaats dient rekening gehouden te worden met het aantal dagen voorafgaand aan de eerste werkloosheidsdag waarover de betreffende werknemer geacht wordt vakantierechten te hebben opgebouwd. Op het aantal dagen, genoemd in artikel 2, wordt daarom in mindering gebracht vijfmaal het aantal hele weken voor de eerste werkloosheidsdag, gedeeld door dertien. Voorts dient het aantal dagen in mindering te worden gebracht waarop de werknemer in het desbetreffende kalenderjaar vakantie heeft genoten met behoud van zijn recht op uitkering op grond van de WW, met uitzondering van de vakantiedagen die tevens nationale of christelijke feestdagen zijn.

 

Artikel 5

     Op grond van artikel 2, tweede lid, van de Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 januari 1992, nr. 92342 (Stcrt. 1992, 19), kon de werknemer die 57,5 jaar of ouder en werkloos is gedurende dertien weken vakantie genieten met behoud van zijn recht op uitkering ingevolge de WW. Op grond van artikel 2, tweede lid, van de onderhavige regeling bestaat slechts voor een beperkte groep werknemers van 57,5 jaar of ouder die werkloos zijn de mogelijkheid om gedurende 65 dagen vakantie te genieten met behoud van uitkering. Werknemers van 57,5 jaar of ouder die op 31 december 2003 gedurende dertien weken vakantie konden genieten met behoud van uitkering, maar die op grond van de onderhavige regeling slechts recht hebben op 20 dagen vakantie met behoud van recht op uitkering zijn er wellicht van uitgegaan dat zij in 2004 eveneens recht zouden hebben op dertien weken. Het is mogelijk dat zij op grond van deze overtuiging reeds verplichtingen zijn aangegaan met betrekking tot 2004 voor het houden van vakantie die de periode van 20 dagen overschrijdt.
     Het wordt niet redelijk geacht dat deze werknemers over het aantal dagen dat die vakantie(s) de 20 dagen overschrijdt het recht op WW-uitkering zouden verliezen of dat zij (een deel van) hun vakantie zouden moeten annuleren. Om deze reden is bepaald dat de betreffende werknemers in afwijking van artikel 2, eerste lid, in 2004 gedurende maximaal 65 dagen vakantie kunnen genieten met behoud van het recht op uitkering, uitsluitend voor zover de betreffende werknemer vóór 1 januari 2004 daadwerkelijk verplichtingen daartoe is aangegaan. Indien een werknemer verplichtingen is aangegaan vóór 1 januari 2004 die ertoe strekken dat hij 30 dagen vakantie zal genieten in 2004, zou hij dus recht hebben op 30 dagen vakantie met behoud van zijn recht op uitkering.

 

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x