|
REGELING van de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 4 december 2003, Directie
Sociale Verzekeringen, nr. SV/F&W/2003/90418A, houdende vaststelling van
het begrip vakantie en de perioden van vakantie met behoud van recht op
uitkering op grond van de
Werkloosheidswet (Vakantieregeling WW) ¹
1. Redactie:
Ingevolge artikel VII, onderdeel E, van de Aanpassingsregeling IOW (Stcrt.
2009, 18184) is de Vakantieregeling WW voorzien van een nieuwe
citeertitel, luidende: Vakantieregeling WW en IOW.
De Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op artikel 19, vijfde
lid, van de
Werkloosheidswet;
Besluit:
Art. 1.
Begripsbepalingen
-1. Van vakantie genieten als
bedoeld in artikel 19, eerste lid,
onderdeel j, van de Werkloosheidswet en artikel
6, eerste lid, onderdeel d, van de Wet
inkomensvoorziening oudere werklozen is sprake
gedurende de periode waarover de werknemer of de uitkeringsgerechtigde:
a. verklaart vakantie te
genieten;
b. niet verklaart vakantie te
genieten, maar daarvan, gelet op de
feitelijke omstandigheden, kennelijk
sprake is.
-2. In deze regeling wordt
verstaan onder dagen: maandag tot en met
vrijdag dan wel dinsdag tot en met zaterdag.
Art.
1a.
Deze regeling berust mede op artikel 6, zesde
lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere
werklozen.
Art. 2.
Vakantie met
behoud van uitkering
-1. De werknemer kan per
kalenderjaar gedurende 20 dagen vakantie genieten met behoud van zijn recht op
uitkering op grond van de Werkloosheidswet.
-2. De uitkeringsgerechtigde kan per
kalenderjaar gedurende 20 dagen vakantie genieten met behoud van zijn
recht op uitkering op grond van de Wet
inkomensvoorziening oudere werklozen.
-3. In afwijking van het eerste
lid geldt een termijn van 65 dagen
voor de
werknemer, bedoeld in de artikelen 5,
eerste en tweede lid, 7 en 8,
eerste lid, van
de Regeling vrijstelling verplichtingen socialezekerheidswetten.
-4. In afwijking van het tweede lid geldt
een termijn van 65 dagen voor de IOW-gerechtigde,
bedoeld in de artikelen 5, tweede lid,
en 7 van de Regeling vrijstelling verplichtingen
socialezekerheidswetten.
Art. 3.
In mindering
brengen
Op het aantal dagen, bedoeld
in artikel 2, eerste en derde lid, wordt in mindering gebracht:
a. vijfmaal het aantal hele
weken voor de eerste werkloosheidsdag
in het desbetreffende kalenderjaar, gedeeld door
13;
b. het aantal dagen waarop de
werknemer in het desbetreffende
kalenderjaar vakantie heeft genoten met behoud van zijn recht op uitkering op
grond van de Werkloosheidswet, met
uitzondering van vakantiedagen die tevens
nationale of christelijke feestdagen
zijn.
-2. Op het aantal dagen, bedoeld in artikel 2,
tweede en vierde lid, wordt in mindering gebracht:
a. vijfmaal het aantal hele weken
voor de eerste dag waarop recht op een uitkering op grond van de Wet
inkomensvoorziening oudere werklozen bestond in het desbetreffende
kalenderjaar, gedeeld door 13;
b. het aantal dagen waarop de
werknemer in het desbetreffende kalenderjaar vakantie heeft genoten met
behoud van zijn recht op uitkering op grond van de Wet
inkomensvoorziening oudere werklozen, met uitzondering van vakantiedagen
die tevens nationale of christelijke feestdagen zijn.
Art. 4.
Afronding
Het aantal dagen berekend
volgens de voorgaande artikelen wordt
rekenkundig op hele dagen afgerond.
Art. 5.
Overgangsbepaling
De werknemer die op 31
december 2003 op grond van artikel 2,
tweede lid, van de Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van
23 januari 1992, nr. 92342 (Stcrt. 1992, 19), per kalenderjaar gedurende
dertien weken vakantie kon genieten met behoud van
zijn recht op uitkering op grond
van de Werkloosheidswet kan, in
afwijking van artikel 2, eerste lid, in
2004 gedurende maximaal 65 dagen vakantie
genieten met behoud van zijn recht op
uitkering op grond van de
Werkloosheidswet, voor zover hij vóór de datum
van inwerkingtreding van deze regeling
verplichtingen daartoe is aangegaan.
Art. 6.
Intrekking
De Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
van
23 januari 1992, nr. 92342 (Stcrt. 1992, 19), wordt ingetrokken.
Art. 7.
Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in
werking met ingang van 1 januari 2004.
Art. 8.
Citeertitel
Deze regeling wordt
aangehaald als: Vakantieregeling WW en IOW.
Deze regeling zal met de
toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
Den Haag, 4 december 2003.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus.
TOELICHTING
[4 december 2003]
Algemeen
Op grond van artikel
19,
vijfde lid, onderdeel a en b, van de Werkloosheidswet
(WW) kunnen bij ministeriële regeling regels worden
gesteld met betrekking tot het begrip
vakantie genieten en met betrekking tot de
vaststelling van de periode gedurende
welke de werknemer met behoud van
zijn uitkering vakantie kan genieten. Met
de onderhavige regeling wordt
van deze bevoegdheid gebruik gemaakt.
De met de onderhavige
regeling ingetrokken ministeriële regeling
betrof tot 1 januari 2002 een besluit
van achtereenvolgens de Sociale Verzekeringsraad, het Tijdelijk instituut voor
coördinatie en afstemming en het Landelijk
instituut sociale verzekeringen. Met
de intrekking van die regeling en het
vaststellen van de onderhavige regeling is
thans volledig duidelijk - zonder dat een
aantal overgangsrechtelijke regelingen hoeven te worden geraadpleegd - dat
er een ministeriële regeling is met betrekking
tot de vaststelling van het begrip
vakantie en de perioden van vakantie met
behoud van recht op uitkering op grond
van de WW en wat die regeling inhoudt.
Op grond van deze regeling
hebben uitkeringsgerechtigden in
het kader van de WW recht op 20 dagen
(vier weken) per kalenderjaar waarin zij
met behoud van uitkering met vakantie
mogen gaan. De oudere werknemer die op
grond van de Regeling vrijstelling
verplichtingen WW blijvend is vrijgesteld
van de verplichtingen gericht op arbeidsinpassing heeft recht op 65 dagen
(dertien
weken) per kalenderjaar vakantie met behoud van uitkering.
Indien een
uitkeringsgerechtigde met vakantie gaat en in deze
vakantieperiode een nationale of algemeen erkende christelijke feestdag
voorkomt die niet
op een zaterdag of zondag valt
maar op een werkdag, dan wordt deze
feestdag niet in mindering gebracht op het
aantal vakantiedagen waarop een betrokkene aanspraak kan maken. Bij werknemers in
het bedrijfsleven en
ambtenaren worden dergelijke feestdagen die op
een werkdag vallen ook niet in
mindering gebracht op het tegoed aan
vakantiedagen.
Artikelsgewijs
Artikel 1
In het eerste lid van dit
artikel wordt aangegeven wat wordt
verstaan onder het genieten van vakantie
als bedoeld in artikel 19, eerste lid,
onderdeel k, van de WW. Met betrekking tot
onderdeel a van dit artikel wordt opgemerkt
dat de eventuele bereidheid van de werknemer
om zich tijdens de
vakantieperiode te houden aan de wettelijke
voorschriften niet van belang is. Deze
bereidheid neemt niet weg dat in die periode
sprake is van genieten van vakantie.
Onderdeel b van dit artikel
is van belang in de situatie waarin
de werknemer niet verklaart of zelfs
ontkent vakantie te genieten, maar
hiervan gelet op de feitelijke
omstandigheden kennelijk wel sprake is.
Op grond van het tweede lid
van dit artikel wordt in deze
regeling onder "dag" verstaan maandag
tot en met vrijdag of dinsdag tot en met
zaterdag. Dit zijn de dagen waarover
uitkering wordt verstrekt. In beginsel wordt uitgegaan van maandag tot en met
vrijdag. In het geval dat in het
uitkeringssysteem wordt uitgegaan van een week
die loopt van dinsdag tot en met
zaterdag, wordt onder dag verstaan dinsdag
tot en met zaterdag.
Artikel 2
In artikel 2 van deze
regeling is aangegeven gedurende welke periode de werknemer met behoud van
recht op uitkering vakantie kan
genieten. Uitkeringsgerechtigden in het kader van de WW hebben recht om
met behoud van uitkering 20 dagen (vier
weken) per kalenderjaar op vakantie te
gaan. Voor oudere werknemers die op
grond van de Regeling vrijstelling
verplichtingen WW onder andere zijn
vrijgesteld van de verplichtingen gericht op arbeidsinpassing geldt een termijn van 65
dagen (dertien weken). Dit betreft ten
eerste de werknemers die 64 jaar of ouder zijn op
de eerste dag van werkloosheid.
Voorts betreft het de werknemers
die op 31 mei 1999 ouder zijn dan 57,5
jaar en van wie de eerste werkloosheidsdag
gelegen is vóór 1 januari 2004 en de
werknemers die op 31 december 2003 57,5
jaar of ouder zijn en bij wie de
eerste werkloosheidsdag gelegen is op of vóór 1
januari 2003.
Artikel 3
In artikel 3 van deze
regeling wordt bepaald dat bij de
vaststelling van het aantal dagen dat de
werknemer vakantie kan genieten met behoud van WW-uitkering
een aantal dagen in
mindering wordt gebracht op het in artikel 2 genoemde aantal. In de
eerste plaats dient rekening gehouden te
worden met het aantal dagen voorafgaand
aan de eerste werkloosheidsdag
waarover de betreffende werknemer geacht
wordt vakantierechten te hebben
opgebouwd. Op het aantal dagen, genoemd
in artikel 2, wordt daarom in mindering gebracht vijfmaal het aantal hele
weken voor de eerste werkloosheidsdag,
gedeeld door dertien. Voorts dient het
aantal dagen in mindering te worden gebracht
waarop de werknemer in het
desbetreffende kalenderjaar vakantie heeft genoten met behoud van zijn recht op
uitkering op grond van de WW, met
uitzondering van de vakantiedagen die tevens
nationale of christelijke feestdagen
zijn.
Artikel 5
Op grond van artikel 2,
tweede lid, van de Regeling van de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van
23 januari 1992, nr. 92342 (Stcrt. 1992, 19),
kon de werknemer die 57,5 jaar of
ouder en werkloos is gedurende dertien weken vakantie genieten met behoud van zijn
recht op uitkering ingevolge de WW.
Op grond van artikel 2, tweede lid,
van de onderhavige regeling bestaat slechts
voor een beperkte groep werknemers
van 57,5 jaar of ouder die werkloos zijn
de mogelijkheid om gedurende 65 dagen
vakantie te genieten met behoud van uitkering. Werknemers van 57,5 jaar of
ouder die op 31 december 2003
gedurende dertien weken vakantie konden genieten met behoud van uitkering, maar
die op grond van de onderhavige regeling
slechts recht hebben op 20 dagen
vakantie met behoud van recht op
uitkering zijn er wellicht van uitgegaan dat
zij in 2004 eveneens recht zouden hebben
op dertien weken. Het is mogelijk dat
zij op grond van deze overtuiging reeds
verplichtingen zijn aangegaan met
betrekking tot 2004 voor het houden van
vakantie die de periode van 20 dagen overschrijdt.
Het wordt niet redelijk
geacht dat deze werknemers over het aantal
dagen dat die vakantie(s) de 20 dagen overschrijdt het recht op WW-uitkering
zouden verliezen of dat zij (een deel van)
hun vakantie zouden moeten annuleren. Om deze reden is bepaald dat de
betreffende werknemers in afwijking van
artikel 2, eerste lid, in 2004
gedurende maximaal 65 dagen vakantie kunnen
genieten met behoud van het recht op
uitkering, uitsluitend voor zover de betreffende
werknemer vóór 1 januari 2004
daadwerkelijk verplichtingen daartoe is aangegaan. Indien een werknemer
verplichtingen is aangegaan vóór 1 januari
2004 die ertoe strekken dat hij 30 dagen
vakantie zal genieten in 2004, zou hij
dus recht hebben op 30 dagen vakantie met
behoud van zijn recht op uitkering.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus.
|
|