|
Het
Landelijk instituut
sociale verzekeringen;
Gelet op artikel 27a
Werkloosheidswet,
artikel 45a van de Ziektewet, artikel 29a
van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 48 van de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen,
artikel 40
van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten, artikel 14a van de Toeslagenwet,
artikel 46
van
de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten
en het bepaalde in het Boetebesluit socialezekerheidswetten
(Stb. 2000, 462);
Besluit:
Art. 1.
Het Landelijk instituut
sociale verzekeringen hanteert ter zake van het afstemmen van het
boetebedrag als bedoeld in artikel 3 van het Boetebesluit
socialezekerheidswetten bij overtreding van de
inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 25
van de Werkloosheidswet, de
artikelen 31, eerste lid, en 49 van de Ziektewet,
artikel 80 van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
artikel 70 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, artikel 62
van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten, artikel 12 van de Toeslagenwet
en artikel 45 van de
Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten het beleid als weergegeven
in de bijlage bij dit besluit.
Art. 2.
Dit besluit is van
toepassing op zaken waarin op grond van het
Boetebesluit socialezekerheidswetten een
boete moet worden opgelegd.
Art. 3.
Dit besluit treedt in
werking met ingang van 1 februari 2001.
Art. 4.
Dit besluit wordt aangehaald
als: Besluit afstemming boete
werknemers.
Dit besluit zal met de
bijlage in de Staatscourant worden
geplaatst.
Amsterdam, 13 december 2000.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.
BIJLAGE
Het Landelijk instituut
sociale verzekeringen [Lisv, zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.] hanteert ter zake van het afstemmen van het
boetebedrag bij overtreding van de
inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 25
van de Werkloosheidswet, de
artikelen 31, eerste lid, en 49 van de Ziektewet,
artikel 80 van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 70 van de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen,
artikel 62 van de
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten,
artikel 12 van de Toeslagenwet
en artikel 45
van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten het navolgende beleid.
Definities
Onder
basisboetebedrag
wordt verstaan het boetebedrag vastgesteld
volgens artikel 2 van het
Boetebesluit socialezekerheidswetten.
Onder afstemming wordt
verstaan de verplichting om in elk
individueel geval het boetebedrag vast
te stellen in evenredigheid tot de
ernst van de gedraging, de mate van
verwijtbaarheid en de omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert, als
bedoeld in artikel 3 van het
Boetebesluit socialezekerheidswetten.
1. Samenloop
Ingevolge het bepaalde in
artikel 2 van het
Boetebesluit socialezekerheidswetten bedraagt het boetebedrag 10% van het
benadelingsbedrag. Indien de inlichtingenplicht
gelijktijdig met betrekking tot de
uitvoering van ten minste twee van navolgende wettelijke regelingen: de WW,
ZW, WAO, WAZ,
Wajong, Wet Rea of TW
is overtreden, worden de
benadelingsbedragen samengeteld en het basisboetebedrag vastgesteld op 10% van dit bedrag.
2. Verhoging wegens recidive
Het basisboetebedrag
wordt met 50% verhoogd indien in de
vijf jaar onmiddellijk voorafgaande
aan het bekendmaken van de boete is
vastgesteld dat bij overtreding van
dezelfde inlichtingenverplichting
door dezelfde persoon destijds een
bestuurlijke boete of een
strafrechtelijke sanctie is opgelegd.
3. Verhoging wegens de ernst
van de overtreding
Het basisboetebedrag kan
tevens met 50% worden verhoogd als
vastgesteld wordt dat de ernst van de overtreding rechtvaardigt
dat het basisboetebedrag wordt verhoogd. Dit doet zich in elk geval
voor wanneer de belanghebbende zonder daarvan mededeling te doen ten
minste
nagenoeg twee jaar
onafgebroken inkomsten uit arbeid heeft
genoten en in betreffende periode ten minste tweemaal door de uitvoeringsinstelling middels een formulier in de
gelegenheid is gesteld om de juiste en
volledige informatie te verstrekken.
Eveneens rechtvaardigt de
ernst van de overtreding een verhoging
van het basisboetebedrag met 50%
indien de overtreding heeft
plaatsgevonden in een zogenaamde
fraudeconstructie, waarin de belanghebbende
gezamenlijk met anderen geen,
onvolledige of onjuiste informatie heeft
verstrekt met de bedoeling de uitvoeringsinstelling te benadelen.
4. Verlaging wegens verminderde
verwijtbaarheid
Het basisboetebedrag
wordt met 50% verlaagd indien sprake
is van verminderde verwijtbaarheid.
Van verminderde
verwijtbaarheid is in ieder geval sprake
indien de belanghebbende onjuiste of
onvolledig informatie heeft vertrekt,
maar uit eigen beweging alsnog de juiste informatie verstrekt, voordat de
uitvoeringsinstelling de gepleegde overtreding constateert.
5. Verlaging wegens financiële
omstandigheden
De boete die met
inachtneming van vorengenoemde regels is
vastgesteld, wordt verlaagd indien de belanghebbende voldoende
aannemelijk maakt dat, gelet op de financiële omstandigheden waarin hij
verkeert, de boete niet binnen twaalf
maanden na oplegging kan zijn
voldaan, rekening houdend met het eventuele
vermogen van de belanghebbende, dan wel de voor de
belanghebbende geldende aflossingscapaciteit. De
boete wordt vastgesteld op het
bedrag dat de belanghebbende kan
betalen. In afwijking van het voorgaande bedraagt de termijn achttien
maanden indien het gestelde onder
artikel 2 of 3 van deze bijlage van
toepassing is.
6. Minimumbedrag
De minimale boete die,
met inachtneming van deze beleidsregels, wordt opgelegd, bedraagt €|23,-.
TOELICHTING
[13 december 2000]
Algemeen
Met de
inwerkingtreding van
het Boetebesluit
socialezekerheidswetten vervalt de opdracht aan het
Lisv om nadere regels te stellen met
betrekking tot de hoogte van de boete
en de afstemming daarvan. Dit
uitgangspunt was reeds neergelegd in de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997.
Wanneer het Boetebesluit
socialezekerheidswetten in werking treedt, is het Boetebesluit Tica niet
meer van toepassing. In het
Boetebesluit socialezekerheidswetten is gekozen voor een open norm
bij de afstemming van de boete op
de ernst van de gedraging, de verwijtbaarheid en de persoonlijke
omstandigheden. Ingevolge de Algemene wet bestuursrecht kan een
bestuursorgaan beleidsregels treffen. In
overleg met de uitvoeringsinstellingen
zijn deze beleidsregels gevormd. De
wetsinterpreterende beleidsregels hebben tot doel aan te geven welke
gedragslijn de uitvoeringsinstelling volgt bij de (af)weging van feiten in
omstandigheden bij het opleggen van een
boete. Op deze wijze wordt de
discretionaire bevoegdheid zoals neergelegd
in artikel 3 van het Boetebesluit
socialezekerheidswetten enigszins
ingeperkt. Beoogd wordt met deze
beleidsregels te komen tot rechtsgelijkheid en rechtszekerheid en
bestendigheid na te streven in de uitvoeringspraktijk. Om deze reden heeft
afstemming van deze beleidsregels met de Sociale Verzekeringsbank
plaatsgevonden. Indien elke vorm van
verwijtbaarheid ontbreekt, wordt geen boete
opgelegd. Een dergelijke bepaling is
in de materiewetten opgenomen.
Eveneens is daar bepaald dat in geval
van een dringende reden van het opleggen van een boete kan worden
afgezien.
Ten slotte geldt dat in
situaties waarin weliswaar een overtreding
van de inlichtingenplicht heeft
plaatsgevonden, maar (nog) geen
benadelingsbedrag is ontstaan, de
uitvoeringsinstelling onder bepaalde
omstandigheden kan volstaan met een
schriftelijke waarschuwing.
Deze beleidsregels gelden
voor die gevallen waarin een
bestuurlijke boete wordt opgelegd. Dit betekent
eveneens dat indien van de
overtreding van de inlichtingenplicht
aangifte wordt gedaan bij de officier
van justitie en over strafrechtelijke vervolging moet worden beslist, deze
regels toepassing missen.
De criteria voor een
strafrechtelijke afdoening zijn neergelegd in
de frauderichtlijn van de procureurs-generaal ¹. Als uitgangspunt
geldt daarbij dat wanneer het benadelingsbedrag meer bedraagt dan ƒ12
000,-,
voor een aangifte bij de officier van justitie dient te worden
gekozen. Dit uitgangspunt, de
aangiftegrens, geldt niet indien sprake is van
recidive. In de (concept-)frauderichtlijn
is hieromtrent opgenomen: "In geval van aantoonbare recidive binnen
vijf jaar na de oplegging van een bestuurlijke boete, dan wel een
transactie of veroordeling voor een soortgelijk feit wordt, indien het nadeel van
de laatste geconstateerde te vervolgen
fraude ten minste ƒ6000,- bedraagt, een strafrechtelijk onderzoek
ingesteld, proces-verbaal opgemaakt en
in beginsel gekozen voor
strafrechtelijke afdoening".
Wanneer de laatst
geconstateerde fraude minder dan ƒ6000,-
bedraagt, is niettemin sprake van
recidive en dient om die reden bij de
afstemming van de boete gekozen worden
voor verhoging van het basisboetebedrag.
1. "Aanwijzing
socialezekerheidsfraude", besluit van het College van
procureurs-generaal van 5 december 2000, Stcrt. 2000, 251, pag.
37. Zie ook "Richtlijn voor strafvordering
socialezekerheidsfraude", besluit van het College van
procureurs-generaal van 5 december 2000, Stcrt. 2000, 251, pag.
40, red.
Benadelingsbedrag
Het basisboetebedrag wordt
vastgesteld op 10% van het benadelingsbedrag. In het Boetebesluit
socialezekerheidswetten wordt in artikel
1, onderdeel q, het
benadelingsbedrag omschreven.
Het benadelingsbedrag is het
bedrag dat tengevolge van het niet
tijdig beschikbaar zijn van de
informatie door de
uitvoeringsinstelling ten onrechte wordt betaald.
Wanneer de
uitvoeringsinstelling beschikt over de juiste
informatie en daarna de betalingen
ongewijzigd voortzet, bestaat niet
langer een causaal verband tussen de schending
van de inlichtingenplicht en de
onverschuldigde betalingen. Onbetwist blijft dat indien ondanks
het ontbreken van causaal verband
betalingen plaatsvinden, deze betalingen de titel van onverschuldigde
betalingen dragen en om die reden moeten worden teruggevorderd.
Ingevolge het Boetebesluit
socialezekerheidswetten kan een boete worden opgelegd bij overtreding van
de inlichtingenverplichting
ingevolge de Wet Rea. Deze wet kent naast
uitkeringen, ook andersoortige prestaties zoals subsidies en
verstrekkingen in natura.
In de definitie van
benadelingsbedrag is opgenomen het bedrag dat
ten onrechte aan uitkering is
verleend. Een aantal verstrekkingen
ingevolge de Wet Rea verzet zich naar
aard tegen deze definitie. In
ieder geval zullen navolgende prestaties
wel onder betreffende definitie
van het benadelingsbedrag kunnen
worden gebracht: de reïntegratie-uitkering als bedoeld de artikelen 23 tot
en met 27 Wet Rea; de toelage als bedoeld
in artikel 28 Wet Rea; de inkomenssuppletie
als bedoeld in artikel 29 Wet Rea en
de loonsuppletie als bedoeld in
artikel 32 Wet Rea.
Artikelsgewijze
toelichting
1. Samenloop
In de uitvoeringspraktijk
zal het voorkomen dat de cliënt
verschillende uitkeringen naast elkaar
ontvangt en in de uitvoering van deze
wetten de inlichtingenplicht overtreedt. In dit artikel wordt de wijze van
de vaststelling van het basisboetebedrag geregeld.
2. Verhoging wegens recidive
Bij de parlementaire
behandeling van het Boetebesluit
socialezekerheidswetten is aan de orde geweest dat
een recidivebepaling in de tekst
ontbreekt. Bij die gelegenheid heeft de staatssecretaris medegedeeld
dat de uitvoeringsorganen zelf voor
de recidiveregeling zouden kunnen zorg dragen.
In deze bepaling is omwille
van de afstemming met de frauderichtlijn van de procureurs-generaal
de recidivetermijn gesteld op vijf jaar.
Er is slechts sprake van
recidive als dezelfde
inlichtingenverplichting opnieuw wordt geschonden.
Een overtreding van de
inlichtingenverplichting ingevolge de WAO die beboet wordt en binnen een
periode van vijf jaar opgevolgd door
een overtreding van de
inlichtingenverplichting ingevolge de WW, is geen recidive, aangezien niet
dezelfde inlichtingenverplichting
opnieuw wordt geschonden.
3. Verhoging wegens de ernst
van de gedraging
In het Boetebesluit Tica
ontbrak de mogelijkheid om de boete te
verhogen anders dan tengevolge van
recidive. In het Boetebesluit
socialezekerheidswetten is in artikel 3 opgenomen
dat het boetebedrag kan worden
verhoogd. Bij de parlementaire behandeling is aangegeven dat dit in
ernstige fraudesituaties aan de orde
kan zijn. Dit betekent dat in de
uitvoeringspraktijk behoefte kan bestaan aan een verhoging van de boete.
Hiertoe is een percentage opgenomen
waarmede het boetebedrag moet worden verhoogd wanneer aan een
aantal criteria is voldaan.
Het kan voorkomen dat zowel
een verhoging wegens recidive
als een verhoging wegens de ernst van de
gedraging toegepast wordt. Het
boetebedrag wordt in die situatie
vastgesteld op tweemaal een verhoging
van 50% van het basisboetebedrag.
4. Verlaging wegens verminderde
verwijtbaarheid
Ofschoon gradaties in
verwijtbaarheid zijn te onderscheiden, is
gekozen voor één categorie verminderd
verwijtbaar. Een nader onderscheid zou
moeilijk uitvoerbaar zijn en kunnen
leiden tot rechtsongelijkheid.
In geval van navolgende
situaties is sprake van verminderde
verwijtbaarheid.
Indien de overtreding, gelet
op de geestelijke toestand van de
belanghebbende, niet volledig valt aan te rekenen. Daarbij kan gedacht
worden aan problemen in de situatie thuis waardoor de belanghebbende
onder ernstige psychische druk
staat, zoals ernstige ziekte of
overlijden van partner of kinderen of de dreiging
om het huis te worden uitgezet.
Eveneens kan de geestelijke toestand
van de belanghebbende zelf zodanig
zijn dat de gedraging niet volledig
kan worden toegerekend. In dit geval
kan overleg met een
verzekeringsarts aangewezen zijn.
Zoals in de
uitvoeringspraktijk al gebruikelijk was, wordt
herstel uit eigen beweging ook hier
gepositioneerd. Hiermede wordt beoogd het alsnog normconforme gedrag
te stimuleren en belonen.
5. Verlaging wegens
persoonlijke omstandigheden
Aangezien de bestuurlijke
boete een financiële sanctie is,
zullen de omstandigheden die tot
verlaging nopen, de financiële
situatie van de cliënt betreffen.
Daarbij wordt opgemerkt dat
indien sprake is van zeer
bijzondere omstandigheden die sociaal of financieel
als ernstig worden gerangschikt,
de uitvoeringsinstelling van de bevoegdheid gebruik kan maken om
tengevolge van een dringende reden af
te zien van het opleggen van een
boete. Dit vloeit voort uit het
bepaalde in de materiewetten.
Bij de toepassing van deze
verlagingsgrond rust de verplichting op de cliënt om inzicht te geven
in zijn financiële situatie.
Volledigheidshalve wordt
opgemerkt dat na afstemming het
boetebedrag ten minste op het
minimumbedrag dient te worden gesteld.
6. Minimumbedrag
In het Boetebesluit
socialezekerheidswetten wordt het minimale
basisboetebedrag gesteld op ƒ100,-. Dit bedrag kan verlaagd worden
vanwege een evenredige afstemming
met inachtneming van deze
beleidsregels. Bestuurlijke handhaving
leidt ertoe dat overtredingen moeten
worden afgestraft, mede ook gelet
op de preventieve werking van een sanctie. Om die reden moet het
minimumbedrag toch ten minste van enige
omvang zijn.
Amsterdam, 13 december 2000.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.
|