St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 
•
•
•
•

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 
•
•
•
•

 

             

 
vorige

Werkloosheidswet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt naar laatste editie Staatsblad/Staatscourant

 

BESLUIT  INZAKE  BELEID  OPLEIDING  EN  SCHOLING  WW
 
 
12 november 1998, Stcrt. 1998, 228
Inwerkingtreding: 1 januari 1999
(T.a.v. art. 76:1 WW)

 

  
•
•
•
•
 

 

 
     Het Landelijk instituut sociale verzekeringen;
     Gelet op artikel 76, eerste lid, van de Werkloosheidswet;

     Besluit:

 

 

Art. 1.
Het Landelijk instituut sociale verzekeringen voert ter zake van artikel 76 WW een beleid als weergegeven in de bijlage van dit besluit.

 

Art. 2.
De besluiten van de bedrijfsverenigingen ter zake van opleidingen en scholingen WW, die sinds 1 maart 1997 gelden als besluiten van het Lisv, worden ingetrokken.

 

Art. 3.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1999. Indien de Staatscourant waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 30 december 1998, treedt dit besluit in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij werd geplaatst.

 

Art. 4.
Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit inzake beleid opleiding en scholing WW.

 

 

     Dit besluit zal met de bijlage worden gepubliceerd in de Staatscourant.

 

Amsterdam, 12 november 1998.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.

 

 

 

BIJLAGE

 

I. Algemeen kader


     Artikel 76 WW maakt het mogelijk de werkloze werknemer die deelneemt of gaat deelnemen aan een opleiding of scholing, in de gelegenheid te stellen deze opleiding of scholing te volgen met behoud van het recht op WW-uitkering. Dit artikel kan worden toegepast wanneer is voldaan aan een aantal objectieve eisen die aan de aard, omvang en duur van de opleiding worden gesteld (de zogenaamde objecttoets) en wanneer de opleiding of scholing noodzakelijk is te achten voor de betreffende werknemer (de zogenaamde subjecttoets).


Objecttoets

     De objecttoetsing geschiedt aan de hand van de criteria, neergelegd in het Besluit van 21 december 1990 (Stcrt. 1990, 252) [Besluit van 20 december 1990, Stcrt. 1990, 252, red.], zoals laatstelijk gewijzigd bij Besluit van 20 december 1995 (Stcrt. 1996, 27) en zoals hier kort weergegeven:
• de scholing of opleiding moet arbeidsmarktrelevant zijn. Gekeken wordt of voor het beroep waarvoor moet worden opgeleid voldoende vraag is op de arbeidsmarkt, of met de scholing een achterstandspositie wordt opgeheven en of sollicitatievaardigheden of de kennis van de arbeidsmarkt kunnen worden verbeterd. Arbeidsmarktrelevantie zal doorgaans blijken uit een positieve advisering door een RBA [Regionaal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening, zie Centrale organisatie werk en inkomen (CWI), red.] over een opleiding;
• de scholing of opleiding mag geen regulier onderwijs betreffen (waaronder ook het leerlingwezen begrepen wordt);
• de scholing op opleiding mag niet het karakter hebben van een reguliere bedrijfsopleiding;
• de scholing of opleiding mag niet langer dan ้้n jaar duren. Voor werknemers met een als uitzonderlijk aan te merken arbeidshandicap kan scholing of opleiding worden toegestaan die langer duurt dan ้้n jaar, doch niet meer dan twee jaar;
• tijdens de scholing of opleiding mag geen sprake zijn van productieve werkzaamheden.


Subjecttoets

     De scholing of opleiding moet noodzakelijk zijn voor de betreffende werknemer. Dat betekent dat er sprake moet zijn van een in de praktijk gebleken onmogelijkheid voor de werknemer zich zonder de scholing of opleiding in voor hem passende arbeid op de arbeidsmarkt te handhaven en dat de voorgestelde opleiding of scholing daartoe het meest adequate middel is. Factoren als leeftijd, arbeidsverleden, uitkeringsverleden, vooropleidingen, ontplooide sollicitatieactiviteiten en sociale achtergrond van de betreffende werknemer dienen in de afwegingen betrokken te worden.

 

II. Toetsing


     De werkloze werknemer is op grond van artikel 25 WW verplicht aan de uitvoeringsinstelling alle feiten en omstandigheden mee te delen waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering. Waar het opleiding of scholing betreft, betekent dit dat de werknemer de uitvoeringsinstelling op de hoogte dient te stellen wanneer deze een opleiding of scholing volgt of voornemens is te volgen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk is dat het volgen van die opleiding of scholing de nakoming van zijn wettelijke verplichtingen verhindert of belemmert.
     De uitvoeringsinstelling toetst deze informatie aan het wettelijk kader. Voor het volgen van een opleiding of scholing betekent dit dat allereerst getoetst dient te worden of de opleiding of scholing en de activiteiten die de werknemer in dat kader ontplooit of wil ontplooien voldoen aan de criteria van de objecttoets en vervolgens of de opleiding of scholing noodzakelijk dan wel niet noodzakelijk voor de betreffende werknemer is. Voor de beantwoording van deze vraag is het niet relevant of de opleidings- of scholingsactiviteiten plaatsvinden op uren waarop de werknemer gewoon was arbeid te verrichten, dan wel op uren die voorheen voor de betrokken werknemer als vrije tijd golden.
     Wordt de (al dan niet voor het ontstaan van de werkloosheid aangevangen) opleiding of scholing als noodzakelijk beoordeeld (zowel waar het de objecttoets als waar het de subjecttoets betreft), dan zal voor de uren per week en de periode dat de opleiding duurt de betrokkene worden vrijgesteld van de wettelijke verplichtingen en wordt zo nodig de duur van de uitkering verlengd totdat de opleiding of scholing is be๋indigd.
     Wordt de (al dan niet v๓๓r het ontstaan van de werkloosheid aangevangen) opleiding of scholing als niet noodzakelijk beoordeeld, dan krijgt de werknemer geen vrijstellingen van de wettelijke verplichtingen. Door de uitvoeringsinstelling zal dan vervolgens getoetst dienen te worden of het (toch) volgen van een opleiding (die naar het oordeel van de uitvoeringsinstelling dus niet noodzakelijk is) op enigerlei wijze de nakoming door de betreffende werknemer van de wettelijke verplichtingen belemmert. Wanneer het (toch) volgen van een niet door de uitvoeringsinstelling als noodzakelijk aangemerkte opleiding of scholing er bijvoorbeeld toe leidt dat de betrokkene onvoldoende tracht passende arbeid te verkrijgen of nalaat aangeboden passende arbeid te aanvaarden, zal de uitvoeringsinstelling een maatregel moeten opleggen. Opleidingen of cursussen die het karakter hebben van vrijetijdsbesteding en niet in de weg staan aan het zoeken naar betaalde arbeid of de nakoming van andere wettelijke verplichtingen, behoeven vanzelfsprekend niet gemeld te worden.

 

III. Overgangsbeleid


     Na het inwerking-treden van het besluit worden alleen nieuwe aanvragen om een opleiding of scholing te volgen overeenkomstig de nieuwe beleidslijn beoordeeld. Het nieuwe beleid brengt geen verandering in de positie van hen die reeds met behoud van uitkering een opleiding volgen.
     Voor hen die in het verleden geen toestemming verkregen een opleiding of scholing met behoud van uitkering te volgen, kan op verzoek van betrokkene dan wel door de uitvoeringsinstelling ambtshalve een nieuwe beoordeling plaatsvinden als nieuwe feiten of omstandigheden daartoe aanleiding geven. Onder het oude BV-specifieke [BV: bedrijfsvereniging, red.] beleid kwam het voor dat opleidingen die in de als vrije tijd geldende uren werden gevolgd, om die enkele reden werden aangemerkt als niet noodzakelijk. Een afwijzing op die grond is een omstandigheid die aanleiding tot herbeoordeling kan zijn.

 

Nadere informatie kan worden ingewonnen bij het Landelijk instituut sociale verzekeringen: postbus 74765, 1070 BT Amsterdam [zie Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), red.].

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x