|
Het
Landelijk instituut
sociale verzekeringen;
Gelet op artikel 76,
eerste lid, van de Werkloosheidswet;
Besluit:
Art. 1.
Het Landelijk instituut
sociale verzekeringen voert ter zake van artikel
76 WW een beleid als
weergegeven in de bijlage van dit besluit.
Art. 2.
De besluiten van de
bedrijfsverenigingen ter zake van opleidingen en scholingen WW, die sinds 1 maart
1997 gelden als besluiten van het Lisv,
worden ingetrokken.
Art. 3.
Dit besluit treedt in
werking met ingang van 1 januari 1999.
Indien de Staatscourant waarin dit besluit
wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 30 december 1998, treedt
dit besluit in werking met ingang van de
tweede dag na de dagtekening van de
Staatscourant waarin zij werd
geplaatst.
Art. 4.
Dit besluit kan worden
aangehaald als: Besluit inzake beleid opleiding en scholing WW.
Dit besluit zal met de
bijlage worden gepubliceerd in de Staatscourant.
Amsterdam, 12 november
1998.
J.F. Buurmeijer,
voorzitter.
BIJLAGE
I. Algemeen kader
Artikel 76 WW
maakt het
mogelijk de werkloze werknemer die deelneemt of gaat deelnemen aan een
opleiding of scholing, in de gelegenheid te stellen deze opleiding of
scholing te volgen met behoud van het recht op WW-uitkering. Dit artikel kan worden toegepast wanneer is voldaan aan een aantal
objectieve eisen die aan de aard,
omvang en duur van de opleiding
worden gesteld (de zogenaamde
objecttoets) en wanneer de opleiding of scholing noodzakelijk is te achten voor de
betreffende werknemer (de zogenaamde
subjecttoets).
Objecttoets
De objecttoetsing
geschiedt aan de hand van de criteria, neergelegd in het Besluit van 21 december 1990
(Stcrt. 1990, 252) [Besluit van 20 december 1990,
Stcrt. 1990, 252, red.], zoals laatstelijk
gewijzigd bij Besluit van 20 december 1995 (Stcrt. 1996, 27) en zoals hier kort
weergegeven:
de scholing of
opleiding moet arbeidsmarktrelevant zijn. Gekeken wordt of voor het beroep waarvoor
moet worden opgeleid voldoende vraag
is op de arbeidsmarkt, of met de
scholing een achterstandspositie wordt
opgeheven en of sollicitatievaardigheden of de kennis van de arbeidsmarkt
kunnen worden verbeterd.
Arbeidsmarktrelevantie zal doorgaans blijken uit een
positieve advisering door een RBA [Regionaal Bestuur voor de
Arbeidsvoorziening, zie Centrale
organisatie werk en inkomen (CWI), red.] over een
opleiding;
de scholing of
opleiding mag geen regulier onderwijs
betreffen (waaronder ook het leerlingwezen
begrepen wordt);
de scholing op
opleiding mag niet het karakter hebben van een reguliere bedrijfsopleiding;
de scholing of
opleiding mag niet langer dan ้้n jaar duren. Voor werknemers met een als uitzonderlijk
aan te merken arbeidshandicap
kan scholing of opleiding worden
toegestaan die langer duurt dan ้้n jaar, doch
niet meer dan twee jaar;
tijdens de scholing of
opleiding mag geen sprake zijn van productieve werkzaamheden.
Subjecttoets
De scholing of opleiding
moet noodzakelijk zijn voor de betreffende werknemer. Dat betekent dat er
sprake moet zijn van een in de praktijk gebleken onmogelijkheid voor de
werknemer zich zonder de scholing of
opleiding in voor hem passende arbeid op de arbeidsmarkt te handhaven en dat de
voorgestelde opleiding of scholing
daartoe het meest adequate middel is.
Factoren als leeftijd,
arbeidsverleden, uitkeringsverleden, vooropleidingen, ontplooide sollicitatieactiviteiten
en sociale achtergrond van de betreffende
werknemer dienen in de afwegingen betrokken
te worden.
II. Toetsing
De werkloze werknemer is
op grond van artikel 25 WW
verplicht aan de uitvoeringsinstelling alle feiten en
omstandigheden mee te delen waarvan hem redelijkerwijs duidelijk
moet zijn dat deze van invloed kunnen
zijn op het recht op uitkering. Waar
het opleiding of scholing betreft,
betekent dit dat de werknemer de uitvoeringsinstelling op de hoogte dient te
stellen wanneer deze een opleiding of scholing
volgt of voornemens is te volgen, waarvan hem
redelijkerwijs duidelijk is dat het
volgen van die opleiding of
scholing de nakoming van zijn wettelijke
verplichtingen verhindert of belemmert.
De uitvoeringsinstelling
toetst deze informatie aan het
wettelijk kader. Voor het volgen van een
opleiding of scholing betekent dit dat
allereerst getoetst dient te worden of de opleiding
of scholing en de activiteiten die de
werknemer in dat kader ontplooit of wil ontplooien voldoen aan de criteria van de
objecttoets en vervolgens of de
opleiding of scholing noodzakelijk dan wel niet noodzakelijk voor de betreffende
werknemer is. Voor de beantwoording van deze vraag is het niet
relevant of de opleidings- of scholingsactiviteiten
plaatsvinden op uren waarop de werknemer gewoon was arbeid te
verrichten, dan wel op uren die voorheen
voor de betrokken werknemer als
vrije tijd golden.
Wordt de (al dan niet
voor het ontstaan van de werkloosheid aangevangen) opleiding of scholing als
noodzakelijk beoordeeld (zowel waar
het de objecttoets als waar het de
subjecttoets betreft), dan zal voor de
uren per week en de periode dat de opleiding duurt de betrokkene worden
vrijgesteld van de wettelijke verplichtingen
en wordt zo nodig de duur van de
uitkering verlengd totdat de opleiding of
scholing is be๋indigd.
Wordt de (al dan niet v๓๓r het ontstaan van de werkloosheid aangevangen) opleiding of scholing als
niet noodzakelijk beoordeeld, dan krijgt de
werknemer geen vrijstellingen van
de wettelijke verplichtingen. Door de
uitvoeringsinstelling zal dan vervolgens
getoetst dienen te worden of het (toch)
volgen van een opleiding (die naar
het oordeel van de uitvoeringsinstelling
dus niet noodzakelijk is) op enigerlei wijze de
nakoming door de betreffende
werknemer van de wettelijke verplichtingen
belemmert. Wanneer het (toch) volgen
van een niet door de uitvoeringsinstelling als noodzakelijk aangemerkte
opleiding of scholing er bijvoorbeeld toe leidt
dat de betrokkene onvoldoende tracht passende arbeid te verkrijgen of
nalaat aangeboden passende
arbeid te aanvaarden, zal de
uitvoeringsinstelling een maatregel moeten
opleggen. Opleidingen of cursussen
die het karakter hebben van vrijetijdsbesteding en niet in de weg staan aan
het zoeken naar betaalde arbeid of
de nakoming van andere wettelijke verplichtingen, behoeven vanzelfsprekend
niet gemeld te worden.
III. Overgangsbeleid
Na het inwerking-treden
van het besluit worden alleen nieuwe aanvragen om een opleiding of scholing
te volgen overeenkomstig de nieuwe
beleidslijn beoordeeld. Het nieuwe
beleid brengt geen verandering in de
positie van hen die reeds met behoud van uitkering een opleiding volgen.
Voor hen die in het
verleden geen toestemming verkregen een opleiding
of scholing met behoud van
uitkering te volgen, kan op verzoek
van betrokkene dan wel door de
uitvoeringsinstelling ambtshalve een nieuwe
beoordeling plaatsvinden als nieuwe
feiten of omstandigheden daartoe
aanleiding geven. Onder het oude BV-specifieke [BV: bedrijfsvereniging, red.]
beleid kwam het voor dat
opleidingen die in de als vrije tijd
geldende uren werden gevolgd, om die
enkele reden werden aangemerkt als
niet noodzakelijk. Een afwijzing op die grond is een omstandigheid die
aanleiding tot herbeoordeling kan zijn.
Nadere informatie kan
worden ingewonnen bij het Landelijk instituut sociale verzekeringen: postbus 74765, 1070 BT
Amsterdam [zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.].
|