|
Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Gelet op artikel 27a
Werkloosheidswet,
artikel 45a van de Ziektewet, artikel 29a
van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 48 van de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen,
artikel 2:69 en 3:40
van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, artikel
91 van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen, de artikelen 3:16 en 3:27
van de Wet arbeid en zorg, artikel 14a van de Toeslagenwet
en het Boetebesluit socialezekerheidswetten;
Besluit:
Art.
1. Definities
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. WW: Werkloosheidswet;
b. ZW: Ziektewet;
c. WAO: Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
d. WAZ: Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;
e. Wet Wajong: Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten;
f. Wet WIA: Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen;
g. Wazo: Wet
arbeid en zorg;
h. TW: Toeslagenwet;
i. IOW: Wet
inkomensvoorziening oudere werklozen;
j. Awb: Algemene wet bestuursrecht;
k. UWV: Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
l.
basisboetebedrag: het
boetebedrag vastgesteld volgens artikel
2 van het Boetebesluit
socialezekerheidswetten;
m. afstemming:
de verplichting om in elk individueel geval het boetebedrag vast te
stellen in evenredigheid tot de ernst van de gedraging, de mate van
verwijtbaarheid en de omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert,
bedoeld in artikel 5:46, tweede lid, van
de Awb;
n. inlichtingenverplichting: de
verplichting, genoemd in artikel 25 van de WW,
de artikelen 31, eerste lid, en 49
van de ZW, artikel 80
van de WAO, artikel 70
van de WAZ, de artikelen
2:7 en 3:74 van de Wet
Wajong, artikel
27, eerste lid, van de Wet WIA, artikel
12 van de IOW en artikel
12 van de TW;
o. boete: de boete,
genoemd in artikel
27a, eerste lid, van de WW, artikel
45a, eerste lid, van de ZW, artikel
29a, eerste lid, van de WAO, artikel
48, eerste lid, van de WAZ, de artikelen
2:69, eerste lid, en 3:40, eerste lid, van de
Wet Wajong, artikel
91, eerste lid, van de Wet WIA, artikel
21, eerste lid, van de IOW en artikel
14a, eerste lid, van de TW;
p. waarschuwing: de waarschuwing,
genoemd in artikel 27a, tweede lid,
van de WW, artikel 45a,
tweede lid, van de ZW, artikel
29a, tweede lid, van de WAO, artikel
48, tweede lid, van de WAZ, de artikelen
2:69, tweede lid, en 3:40, tweede lid, van de
Wet Wajong, artikel
91, tweede lid, van de Wet WIA, artikel
21, tweede lid, van de IOW en artikel
14a, tweede lid, van de TW.
Art.
2. Afstemming
Bij de verhoging of verlaging van de boete als bedoeld in artikel
5:46, tweede en derde lid, Awb hanteert het UWV
dit besluit.
Art.
3. Samenloop
Indien de inlichtingenverplichting gelijktijdig met betrekking tot twee
of meer van de in de aanhef genoemde wetten is overtreden, worden de
benadelingsbedragen samengeteld en het basisboetebedrag
vastgesteld op 10% van dit bedrag.
Art.
4. Recidive
Indien aan de belanghebbende schriftelijk is bekendgemaakt dat een
boete of een strafrechtelijke sanctie is opgelegd en
dezelfde persoon binnen vijf jaren na de dag van bekendmaking opnieuw de
inlichtingenverplichting overtreedt, wordt het basisboetebedrag met 50%
verhoogd.
Art.
5. Verhoogde verwijtbaarheid
-1. Het basisboetebedrag wordt met 50%
verhoogd indien sprake is van verhoogde verwijtbaarheid.
-2. Van verhoogde verwijtbaarheid is in
ieder geval sprake, indien:
a. de belanghebbende, zonder daarvan
mededeling te doen, ten minste nagenoeg twee jaar onafgebroken inkomsten
uit arbeid heeft genoten en in de betreffende periode ten minste tweemaal door het UWV is gevraagd om de juiste
en volledige informatie te verstrekken;
b. de overtreding heeft
plaatsgevonden in een zogenaamde fraudeconstructie, waarin de
belanghebbende gezamenlijk met anderen geen, onvolledige of onjuiste
informatie heeft verstrekt met de bedoeling het UWV te benadelen.
Art.
6. Verminderde verwijtbaarheid
-1. Het basisboetebedrag wordt met 50%
verlaagd indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid.
-2. Van verminderde verwijtbaarheid is in
ieder geval sprake, indien:
a. de overtreding, gelet op de
geestelijke toestand van de belanghebbende, hem niet volledig valt aan
te rekenen;
b. de belanghebbende de
inlichtingenverplichting heeft overtreden, maar uit eigen beweging
alsnog de juiste informatie verstrekt, voordat het UWV
de overtreding constateert.
Art.
7. Geen verwijtbaarheid
Indien loonsverhogingen die een rechtstreeks gevolg zijn van een
collectieve afspraak in het bedrijf of de bedrijfstak niet of niet
tijdig worden doorgegeven, wordt de overtreding van de spontane
inlichtingenverplichting, genoemd in artikel
80 van de WAO, artikel
70 van de WAZ
of artikel 3:74 van de Wet
Wajong, niet verwijtbaar geacht.
Art.
8. Verlaging wegens financiële omstandigheden
-1. De boete, die met inachtneming van de
voorgaande artikelen is vastgesteld, wordt verlaagd indien de
belanghebbende voldoende aannemelijk maakt dat, gelet op de financiële
omstandigheden waarin hij verkeert, de boete niet binnen twaalf maanden
na oplegging kan zijn voldaan, rekening houdend met het eventuele
vermogen en de aflossingscapaciteit van de belanghebbende.
-2. In afwijking van het eerste lid geldt
een termijn van achttien maanden indien artikel 4 of 5
van toepassing is.
Art.
9. Spontane inlichtingenverplichting
De
spontane inlichtingenverplichting, genoemd in artikel
25 van de WW, artikel
49 van de ZW, artikel
80 van de WAO, artikel
70, eerste lid, van de WAZ, de artikelen
2:7, eerste lid, en 3:74 van de Wet
Wajong, artikel
27, eerste lid, van de Wet WIA, artikel
12, eerste lid, van de IOW en artikel
12 van de TW, moet onmiddellijk worden
nagekomen. Onder "onmiddellijk" wordt verstaan: op het moment dat het te
melden feit of omstandigheid zich voordoet of bekend is geworden of
redelijkerwijs bekend had kunnen zijn aan de belanghebbende.
Art.
10. Minimale boete
De boete bedraagt minimaal de helft van het basisbedrag dat genoemd is
in het Boetebesluit
socialezekerheidswetten.
Art.
11. Waarschuwing
Indien de inlichtingenverplichting opzettelijk is overtreden, wordt niet
volstaan met het geven van een waarschuwing.
Art.
12. Intrekking besluit
-1. De Beleidsregel boete werknemer 2010 zoals gepubliceerd in de Staatscourant
van 30 december 2009 (Stcrt. 2009, 20454) wordt ingetrokken.
-2. De Beleidsregel
boete werknemer zoals gepubliceerd in de Staatscourant van 6
november 2007 (Stcrt. 2007, 93) wordt ingetrokken.
Art.
13. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na
dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en
werkt terug tot en met 31 december 2009.
Art.
14. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregel boete werknemer 2010.
Dit
besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
Amsterdam, 19 januari
2010.
Voorzitter Raad van bestuur UWV,
J.M. Linthorst.
TOELICHTING
[19 januari 2010]
Algemeen
Aanleiding
Deze beleidsregel stelt het beleid vast bij de oplegging van een boete
als bedoeld in artikel
1, onderdeel p, van het Boetebesluit
socialezekerheidswetten. De werkgeversboete ZW/WAO,
genoemd in artikel
1, onderdeel q, van het Boetebesluit
socialezekerheidswetten, blijft buiten beschouwing.
Afzien van boete
In
de materiewetten is opgenomen dat, indien elke vorm van verwijtbaarheid
ontbreekt, geen boete wordt opgelegd. Wegens een dringende reden kan van
het opleggen van een boete worden afgezien.
Strafrechtelijke afdoening
Als
van de overtreding van de inlichtingenverplichting aangifte wordt gedaan
bij de officier van justitie en over strafrechtelijke vervolging moet
worden beslist, is deze beleidsregel niet van toepassing. De criteria
voor een strafrechtelijke afdoening zijn neergelegd in de Aanwijzing
socialezekerheidsfraude (Stcrt. 23 december 2008, nr. 249). Als
uitgangspunt geldt daarbij dat wanneer het benadelingsbedrag meer
bedraagt dan €|10 000,-, aangifte wordt gedaan bij de
officier van justitie. Als het benadelingsbedrag tussen €|10
000,- en €|35 000,- ligt en de oorzaak in
witte fraude is gelegen, wordt geen aangifte gedaan, maar volgt
bestuursrechtelijke afdoening. De aangiftegrens van €|10
000,- geldt niet indien sprake is van recidive. In de Aanwijzing socialezekerheidsfraude
is hieromtrent opgenomen: "Wanneer een bepaalde persoon zich binnen
een periode van vijf jaar voor de tweede maal heeft schuldig gemaakt aan
socialezekerheidsfraude, kan een strafrechtelijk onderzoek ingesteld,
proces-verbaal opgemaakt en strafrechtelijk vervolgd worden. In deze
gevallen is de datum van de eerste sanctionering startpunt voor de
termijn van vijf jaren en moet(en) de gepleegde gesanctioneerde
overtreding(en) aantoonbaar zijn en in het proces-verbaal worden
weergegeven en dienen beide nadeelbedragen - bij elkaar opgeteld - ten
minste €|10 000,- te bedragen."
Benadelingsbedrag
Het
basisboetebedrag wordt in artikel 2
van het Boetebesluit socialezekerheidswetten
vastgesteld op 10% van het benadelingsbedrag. Het benadelingsbedrag als
bedoeld in artikel 1, onderdeel s,
van het Boetebesluit
socialezekerheidswetten is het bedrag dat ten gevolge van het niet
voldoen aan de inlichtingenverplichting aan de belanghebbende ten
onrechte werd betaald. Wanneer de belanghebbende heeft voldaan aan de
inlichtingenverplichting en daarna het UWV
de betalingen ongewijzigd voortzet, bestaat niet langer een causaal
verband tussen de schending van de inlichtingenverplichting en de
onverschuldigde betaling, zodat de onverschuldigde betaling vanaf dat
moment niet meer wordt geteld in het benadelingsbedrag. De
onverschuldigde betaling wordt wel teruggevorderd.
Artikel
1, onderdeel s, van het Boetebesluit
socialezekerheidswetten bepaalt dat ook het op grond van paragraaf
4.2 van de Wet WIA, hoofdstuk
IIb van de WAO, hoofdstuk
2, afdeling 5, en hoofdstuk 3, afdeling
5, van de Wet Wajong aan de belanghebbende toegekende re-integratie-instrument dat ten
onrechte is verleend door het niet of niet-behoorlijk nakomen van de
inlichtingenverplichting, onder de definitie van het benadelingsbedrag
valt.
Voorts vallen de kosten verbonden aan het door
de overtreding van de inlichtingenverplichting ten onrechte opgedragen
werk in het kader van een experiment zoals genoemd in artikel
130 van de WW ook onder het
benadelingsbedrag.
Artikelsgewijs
Artikel
2
Artikel
5:46 Awb stelt een open norm bij de afstemming van de
boete op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
persoonlijke omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert. Met deze
beleidsregel wordt aangegeven welk beleid het UWV
toepast bij de afweging van feiten en omstandigheden bij het vaststellen
van de hoogte van de boete, met als doel rechtsgelijkheid,
rechtszekerheid en bestendigheid van de uitvoeringspraktijk.
Artikel
3
In
de uitvoeringspraktijk kan het voorkomen dat de belanghebbende
verschillende uitkeringen naast elkaar ontvangt en de
inlichtingenverplichting van meerdere wetten overtreedt. In dit artikel
wordt de wijze van de vaststelling van het basisboetebedrag geregeld.
Hiermee wordt voorkomen dat in totaal een hogere boete zou worden
opgelegd bij samenloop van meerdere uitkeringen.
Artikel
4
Bij
de parlementaire behandeling van het Boetebesluit
socialezekerheidswetten is aan de orde geweest dat een
recidivebepaling in de tekst ontbreekt. Bij die gelegenheid heeft de staatssecretaris medegedeeld dat de uitvoeringsorganen zelf voor de
recidiveregeling kunnen zorgdragen.
In dit artikel is omwille van de afstemming met
de Aanwijzing socialezekerheidsfraude de recidivetermijn gesteld op
vijf jaar. Aanvang van de termijn is de datum van de beslissing tot
oplegging van een eerdere boete of strafrechtelijke afdoening. Het einde
van de termijn is de datum van de tweede overtreding of de aanvang van
een doorlopende gedraging. Als de aanvang van een doorlopende gedraging
binnen de vijfjarentermijn valt, is immers binnen vijf jaar een nieuwe
overtreding begaan.
Er is sprake van recidive als de
inlichtingenverplichting door dezelfde persoon opnieuw wordt geschonden.
De inlichtingenverplichting wordt hierbij gezien als één verplichting:
bij alle vormen van het geven van te late, onjuiste of het verzwijgen
van informatie is sprake van recidive. Als bijvoorbeeld de eerste keer
onjuiste informatie en de tweede keer te late informatie wordt gegeven,
is dus wél sprake van recidive. Bij bepaling of er sprake is van
recidive maakt het niet uit onder welke wet die door het UWV
wordt uitgevoerd de overtreding van de inlichtingenverplichting
plaatsvond. Een overtreding van de inlichtingenverplichting van
bijvoorbeeld de WAO die binnen een periode van
vijf jaar wordt gevolgd door een overtreding van de
inlichtingenverplichting van de WW levert
derhalve recidive op.
Artikel
5
Ingevolge
dit artikel kan het
boetebedrag worden verhoogd bij verhoogde verwijtbaarheid. Bij de
parlementaire behandeling is aangegeven dat dit in ernstige
fraudesituaties aan de orde kan zijn. In artikel 5 zijn
twee situaties beschreven waarbij van verhoogde verwijtbaarheid sprake
is. De mogelijkheid bestaat om, als zich andere omstandigheden voordoen,
ook verhoogde verwijtbaarheid aan te nemen.
Het kan voorkomen dat zowel een verhoging
wegens recidive als een verhoging wegens verhoogde verwijtbaarheid aan
de orde is. Het boetebedrag wordt in die situatie vastgesteld op tweemaal een verhoging van 50% van het basisboetebedrag.
Artikel
6
Ofschoon gradaties in verwijtbaarheid zijn te onderscheiden, is gekozen
voor één categorie verminderd verwijtbaar: een verlaging van het basisboetebedrag
met 50%. Een nader onderscheid zou moeilijk uitvoerbaar zijn
en kunnen leiden tot rechtsongelijkheid. In geval van de navolgende
situaties is sprake van verminderde verwijtbaarheid. Indien de
overtreding, gelet op de geestelijke toestand van de belanghebbende, hem
niet volledig valt aan te rekenen. Daarbij kan gedacht worden aan
problemen in de situatie thuis waardoor de belanghebbende onder ernstige
psychische druk staat, zoals een ernstige ziekte of het overlijden van
de partner of kinderen of de dreiging om het huis te worden uitgezet.
Eveneens kan de geestelijke toestand van de belanghebbende zelf zodanig
zijn dat de gedraging niet volledig kan worden toegerekend. In dit geval
kan overleg met een verzekeringsarts aangewezen zijn.
Het tweede lid, onderdeel b, bepaalt dat als de belanghebbende uit eigen beweging alsnog de juiste
informatie verstrekt voordat het UWV de
overtreding constateert, sprake is van verminderde verwijtbaarheid.
Hiermee wordt beoogd het alsnog normconforme gedrag te stimuleren en te
belonen.
Artikel
7
Loonsverhogingen die een rechtstreeks gevolg zijn van een collectieve
afspraak in een bedrijf of bedrijfstak hebben bij WAO-,
WAZ- en oude Wajong-uitkeringen
vaak dermate weinig wijziging in het inkomen tot gevolg dat deze lang
niet voor iedereen duidelijk te herkennen zijn als vallend onder de
spontane inlichtingenverplichting. Het zou rechtsongelijkheid
teweegbrengen indien ook in die nauwelijks kenbare gevallen de
overtreding van de inlichtingenverplichting verwijtbaar zou worden
geacht. Om die reden voert het UWV
het beleid geen verwijtbaarheid aan te nemen in slechts die gevallen
waarin het om loonsverhogingen in het kader van een collectieve regeling
betreft. Individuele loonswijzigingen blijven hier dus expliciet buiten.
Overigens wordt in alle gevallen wel beoordeeld óf en in welke mate de
verhoging tot aanpassing van de uitkering moet leiden. Dit wordt in de
weinige gevallen waarin dit aan de orde is, geëffectueerd. Een
mogelijke terugvordering wordt verrekend met later te betalen uitkering.
Artikel
8
Aangezien de bestuurlijke boete een financiële sanctie is, zullen de
omstandigheden als bedoeld in artikel 5:46,
derde lid, Awb die tot verlaging nopen, de financiële
situatie van de belanghebbende betreffen. Bij toepassing van artikel
7 wordt gedeeltelijk afgezien van oplegging van een boete. Bij de
toepassing van dit artikel rust de verplichting op de belanghebbende om
inzicht te geven in zijn financiële situatie. Dit artikel werkt in
samenhang met het Besluit betaling terugvordering en boete [wellicht
wordt hier de Regeling tenuitvoerlegging
bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen
bedoeld, red.].
De wettelijke bepalingen geven tevens de
mogelijkheid om op grond van een dringende reden geheel af te zien van
een boete indien oplegging van een boete tot voor de belanghebbende onaanvaardbare sociale en financiële gevolgen zou leiden.
Artikel
9
De
wettelijke mededelingsverplichting bepaalt dat "onverwijld uit
eigen beweging" aan de inlichtingenverplichting moet worden
voldaan. Met artikel 9 wordt dit geconcretiseerd. Er
dient onmiddellijk - dus meteen en zonder uitstel - aan de
inlichtingenverplichting te worden voldaan.
Om aan deze bepaling te voldoen, moet de
bedoelde informatie binnen een termijn van één week bij het UWV
zijn gemeld. Is dit niet het geval, dan kan een boete worden opgelegd
wegens het overtreden van de mededelingsverplichting.
De tweede volzin van dit artikel bepaalt dat de termijn gaat
lopen op het moment dat het te melden feit zich voordoet of bekend is
geworden of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn aan de belanghebbende.
Dit kan zijn de dag dat werkzaamheden worden aangevangen, gewijzigd of
beëindigd. Bij een wijziging van het inkomen vangt de termijn aan op
het moment dat deze wijziging bekend is geworden of redelijkerwijs
bekend had kunnen zijn. Als er een wijziging optreedt met betrekking
tot het verkrijgen een andere uitkering, vangt de termijn aan op het moment dat dit
bekend wordt gemaakt. Een verandering in de gezondheidstoestand wordt
gemeld als het de belanghebbende redelijkerwijs duidelijk is dat de
wijziging van invloed kan zijn op het recht op uitkering.
De spontane inlichtingenverplichting en de
termijnen gelden tevens, voor zover van toepassing, voor de partner, de
wettelijke vertegenwoordiger en de instelling aan welke de uitkering
wordt betaald.
Artikel
10
Artikel
2 van het Boetebesluit
socialezekerheidswetten stelt het basisboetebedrag op ten minste
€|52,-. Dit bedrag kan verlaagd worden op
basis van deze beleidsregel tot minimaal €|26,-,
zodat nog een boete van enige omvang wordt opgelegd. Toepassing van dit
besluit kan niet leiden tot het volledig afzien van een boete. Dat is
alleen mogelijk bij het geheel ontbreken van de verwijtbaarheid of bij
een dringende reden.
Artikel
11
Uit
de wettelijke bepalingen (zie artikel 1, onderdeel n,
van deze beleidsregel)
volgt in welke situatie het UWV kan afzien
van het opleggen van een boete en volstaan met het geven van een
schriftelijke waarschuwing. Als een overtreding van de
inlichtingenverplichting heeft plaatsgevonden, maar geen
benadelingsbedrag is veroorzaakt, kan het UWV volstaan met een
schriftelijke waarschuwing als bedoeld in artikel
27a, tweede lid, van de WW en
vergelijkbare bepalingen, tenzij in de afgelopen twee jaar een waarschuwing
of boete is opgelegd. Als aan deze voorwaarden is voldaan, maar de
inlichtingenverplichting is opzettelijk overtreden, wordt echter niet
volstaan met een waarschuwing, maar wordt een boete opgelegd.
Voorzitter Raad van bestuur
UWV,
J.M. Linthorst.
|
|