|
2 april 2007
Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Gelet op artikel 29,
eerste lid, van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, artikel 27a
Werkloosheidswet,
artikel 45a van de Ziektewet, artikel 29a
van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 48 van de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen,
artikel 40
van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten, artikel
91 van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen, de artikelen 3:16 en 3:27
van de Wet arbeid en zorg, artikel 14a van de Toeslagenwet
en het Boetebesluit socialezekerheidswetten;
Besluit:
Art.
1. Definities
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. WW: Werkloosheidswet;
b. ZW: Ziektewet;
c. WAO: Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
d. WAZ: Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;
e. Wajong: Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;
f. Wet WIA: Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen;
g. Wazo: Wet
arbeid en zorg;
h. TW: Toeslagenwet;
i. Wet SUWI: Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
j. UWV: Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
k.
basisboetebedrag: het
boetebedrag vastgesteld volgens artikel
2 van het Boetebesluit
socialezekerheidswetten;
l. afstemming: de verplichting om in
elk individueel geval het boetebedrag vast te stellen in evenredigheid
tot de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert, bedoeld in artikel
3, eerste lid, van het Boetebesluit
socialezekerheidswetten;
m. inlichtingenverplichting: de
verplichting, bedoeld in artikel 29, eerste
lid, van de Wet SUWI, artikel 25 van de WW,
de artikelen 31, eerste lid, en 49
van de ZW, artikel 80
van de WAO, artikel 70
van de WAZ, artikel
62 van de Wajong, artikel
27, eerste lid, van de Wet WIA en artikel
12 van de TW;
n. boete: de boete, bedoeld in artikel
27a, eerste lid, van de WW, artikel
45a, eerste lid, van de ZW, artikel
29a, eerste lid, van de WAO, artikel
48, eerste lid, van de WAZ, artikel
40, eerste lid, van de Wajong, artikel
91, eerste lid, van de Wet WIA en artikel
14a, eerste lid, van de TW;
o. waarschuwing: de waarschuwing,
bedoeld in artikel 27a, derde lid,
van de WW, artikel 45a,
derde lid, van de ZW, artikel
29a, derde lid, van de WAO, artikel
48, derde lid, van de WAZ, artikel
40, derde lid, van de Wajong, artikel
91, derde lid, van de Wet WIA en artikel
14a, derde lid, van de TW.
Art.
2. Afstemming
Bij de verhoging of verlaging van de boete als bedoeld in artikel
3, eerste lid, van het Boetebesluit
socialezekerheidswetten hanteert het UWV
dit besluit.
Art.
3. Samenloop
Indien de inlichtingenverplichting gelijktijdig met betrekking tot de WW,
de ZW, de WAO, de WAZ,
de Wajong, de Wet WIA,
de Wazo of de TW is
overtreden, worden de benadelingsbedragen samengeteld en het basisboetebedrag vastgesteld op 10% van dit bedrag.
Art.
4. Recidive
Indien aan de belanghebbende schriftelijk is bekendgemaakt dat een
boete wordt opgelegd of een strafrechtelijke sanctie is opgelegd en
dezelfde persoon binnen vijf jaren na de dag van bekendmaking opnieuw de
inlichtingenverplichting overtreedt, wordt het basisboetebedrag met 50%
verhoogd.
Art.
5. Verhoogde verwijtbaarheid
-1. Het basisboetebedrag wordt met 50%
verhoogd indien sprake is van verhoogde verwijtbaarheid.
-2. Van verhoogde verwijtbaarheid is in
ieder geval sprake, indien:
a. de belanghebbende, zonder daarvan
mededeling te doen, ten minste nagenoeg twee jaar onafgebroken inkomsten
uit arbeid heeft genoten en in de betreffende periode ten minste tweemaal door het UWV is gevraagd om de juiste
en volledige informatie te verstrekken;
b. de overtreding heeft
plaatsgevonden in een zogenaamde fraudeconstructie, waarin de
belanghebbende gezamenlijk met anderen geen, onvolledige of onjuiste
informatie heeft verstrekt met de bedoeling het UWV te benadelen.
Art.
6. Verminderde verwijtbaarheid
-1. Het basisboetebedrag wordt met 50%
verlaagd indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid.
-2. Van verminderde verwijtbaarheid is in
ieder geval sprake, indien:
a. de overtreding, gelet op de
geestelijke toestand van de belanghebbende, hem niet volledig valt aan
te rekenen;
b. de belanghebbende de
inlichtingenverplichting heeft overtreden, maar uit eigen beweging
alsnog de juiste informatie verstrekt, voordat het UWV
de overtreding constateert.
Art.
7. Verlaging wegens financiële omstandigheden
-1. De boete, die met inachtneming van de
voorgaande artikelen is vastgesteld, wordt verlaagd indien de
belanghebbende voldoende aannemelijk maakt dat, gelet op de financiële
omstandigheden waarin hij verkeert, de boete niet binnen twaalf maanden
na oplegging kan zijn voldaan, rekening houdend met het eventuele
vermogen en de aflossingscapaciteit van de belanghebbende.
-2. In afwijking van het eerste lid geldt
een termijn van achttien maanden indien artikel 4 of 5
van toepassing is.
Art.
8. Spontane inlichtingenverplichting
-1. De termijn voor het nakomen van de
spontane inlichtingenverplichting, genoemd in artikel
29, eerste lid, van de Wet SUWI, artikel
25 van de WW, artikel
49 van de ZW, artikel
80 van de WAO, artikel
70, eerste lid, van de WAZ, artikel
62, eerste lid, van de Wajong, artikel
27, eerste lid, van de Wet WIA en artikel
12 van de TW, is één week.
-2. De in het eerste lid bedoelde termijn
vangt aan op het moment dat het te melden feit of omstandigheid zich
voordoet of bekend is geworden of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn
aan de belanghebbende.
-3. Indien de belanghebbende de feiten en
omstandigheden, bedoeld in artikel 25 van de WW
of artikel 12 van de TW,
juist vermeldt op het werkbriefje WW, wordt geen
boete opgelegd.
Art.
9. Minimale boete
De boete bedraagt minimaal de helft van het basisbedrag dat genoemd is
in het Boetebesluit
socialezekerheidswetten.
Art.
10. Waarschuwing
Indien de inlichtingenverplichting opzettelijk is overtreden, wordt niet
volstaan met het geven van een waarschuwing.
Art.
11. Intrekking besluiten
Het Besluit afstemming boete werknemers, de
Beleidsregel afbakening maatregel en boete
en de Beleidsregel zwijgrecht worden ingetrokken.
Art.
12. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na
dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
Art.
13. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregel boete werknemer.
Dit
besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
Amsterdam, 2 april 2007.
Voorzitter Raad van bestuur UWV,
J.M. Linthorst.
TOELICHTING
[2 april 2007]
[Algemeen,
red.]
Aanleiding
Met
de inwerkingtreding van het Boetebesluit
socialezekerheidswetten op 1 februari 2001 (AMvB van 14 oktober
2000, Stb. 2000, 462) verviel de opdracht aan het Landelijk instituut
sociale verzekeringen (Lisv) om nadere regels te stellen met betrekking
tot de hoogte en de afstemming van de boete. Het Lisv heeft, in
aanvulling op het Boetebesluit socialezekerheidswetten, met ingang van 1
februari 2001 het Besluit afstemming boete
werknemers vastgesteld
(beleidsregel van 13 december 2000, Stcrt. 2001, 2). Bij de vorming van
het UWV op 1 januari 2002 is deze
beleidsregel overgegaan naar het UWV. De beleidsregel van 13 december
2000 wordt met dit besluit ingetrokken en opnieuw geactualiseerd
vastgesteld naar aanleiding van de invoering van de Wet
WIA. Deze beleidsregel stelt het beleid vast bij de oplegging van
een boete als bedoeld in artikel 1,
onderdeel m. De werkgeversboete ZW/WAO, genoemd in artikel
1, onderdeel q, van het Boetebesluit
socialezekerheidswetten, blijft buiten beschouwing.
Afzien van boete
In
de materiewetten is opgenomen dat, indien elke vorm van verwijtbaarheid
ontbreekt, geen boete wordt opgelegd. Wegens een dringende reden kan van
het opleggen van een boete worden afgezien.
Strafrechtelijke afdoening
Als
van de overtreding van de inlichtingenverplichting aangifte wordt gedaan
bij de officier van justitie en over strafrechtelijke vervolging moet
worden beslist, is deze beleidsregel niet van toepassing. De criteria
voor een strafrechtelijke afdoening zijn neergelegd in de Aanwijzing
socialezekerheidsfraude (Stcrt. 6 september 2004, nr. 170). Als
uitgangspunt geldt daarbij dat wanneer het benadelingsbedrag meer
bedraagt dan €|6000,-, aangifte wordt gedaan bij de
officier van justitie. De aangiftegrens van €|6000,- geldt niet indien sprake is
van recidive. In de Aanwijzing socialezekerheidsfraude is hieromtrent
opgenomen: "Wanneer een bepaalde persoon zich binnen een periode van
vijf jaar voor de tweede maal heeft schuldig gemaakt aan
socialezekerheidsfraude, kan een strafrechtelijk onderzoek worden ingesteld,
proces-verbaal worden opgemaakt en strafrechtelijk vervolgd worden. In
deze gevallen is de datum van de eerste sanctionering startpunt voor de
termijn van vijf jaren (...) en dienen beide nadeelbedragen ten minste €|3000,- te
bedragen."
Benadelingsbedrag
Het
basisboetebedrag wordt in artikel 2
van het Boetebesluit socialezekerheidswetten
vastgesteld op 10% van het benadelingsbedrag. Het benadelingsbedrag als
bedoeld in artikel 1, onderdeel s,
van het Boetebesluit
socialezekerheidswetten is het bedrag dat tengevolge van het niet
voldoen aan de inlichtingenverplichting aan de belanghebbende ten
onrechte werd betaald. Wanneer de belanghebbende heeft voldaan aan de
inlichtingenverplichting en daarna het UWV
de betalingen ongewijzigd voortzet, bestaat niet langer een causaal
verband tussen de schending van de inlichtingenverplichting en de
onverschuldigde betaling, zodat de onverschuldigde betaling vanaf dat
moment niet meer wordt geteld in het benadelingsbedrag. De
onverschuldigde betaling wordt wel teruggevorderd.
Op grond van paragraaf
4.2 van de Wet WIA, hoofdstuk
IIb van de WAO, artikel
52d van de ZW en hoofdstuk
2a van de Wajong kan aan de
belanghebbende een re-integratie-instrument worden toegekend. Artikel
1, onderdeel s, van het Boetebesluit
socialezekerheidswetten bepaalt dat een re-integratie-instrument ook
onder de definitie van het benadelingsbedrag valt.
Artikelsgewijs
Artikel
2
Artikel
3 van het Boetebesluit
socialezekerheidswetten stelt een open norm bij de afstemming van de
boete op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
persoonlijke omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert. Met deze
beleidsregel wordt aangegeven welk beleid het UWV
toepast bij de afweging van feiten en omstandigheden bij het vaststellen
van de hoogte van de boete, met als doel rechtsgelijkheid,
rechtszekerheid en bestendigheid van de uitvoeringspraktijk.
Artikel
3
In
de uitvoeringspraktijk kan het voorkomen dat de belanghebbende
verschillende uitkeringen naast elkaar ontvangt en de
inlichtingenverplichting van meerdere wetten overtreedt. In dit artikel
wordt de wijze van de vaststelling van het basisboetebedrag geregeld.
Hiermee wordt voorkomen dat in totaal een hogere boete zou worden
opgelegd bij samenloop van meerdere uitkeringen.
Artikel
4
Bij
de parlementaire behandeling van het Boetebesluit
socialezekerheidswetten is aan de orde geweest dat een
recidivebepaling in de tekst ontbreekt. Bij die gelegenheid heeft de staatssecretaris medegedeeld dat de uitvoeringsorganen zelf voor de
recidiveregeling kunnen zorgdragen.
In dit artikel is omwille van de afstemming met
de Aanwijzing socialezekerheidsfraude de recidivetermijn gesteld op
vijf jaar. Aanvang van de termijn is de datum van de beslissing tot
oplegging van een eerdere boete of strafrechtelijke afdoening. Het einde
van de termijn is de datum van de tweede overtreding of de aanvang van
een doorlopende gedraging. Als de aanvang van een doorlopende gedraging
binnen de vijfjarentermijn valt, is immers binnen vijf jaar een nieuwe
overtreding begaan.
Er is slechts sprake van recidive als dezelfde
inlichtingenverplichting opnieuw wordt geschonden. De
inlichtingenverplichting wordt hierbij gezien als één verplichting:
bij alle vormen van het geven van te late, onjuiste of het verzwijgen
van informatie is sprake van recidive. Als bijvoorbeeld de eerste keer
onjuiste informatie en de tweede keer te late informatie wordt gegeven,
is dus wél sprake van recidive. Er moet sprake zijn van een overtreding
van dezelfde wet. Een overtreding van de inlichtingenverplichting van
bijvoorbeeld de WAO die binnen een periode van
vijf jaar wordt gevolgd door een overtreding van de
inlichtingenverplichting van de WW levert geen
recidive op, aangezien niet dezelfde inlichtingenverplichting opnieuw is
geschonden.
Artikel
5
In
het Boetebesluit socialezekerheidswetten
is in artikel 3 opgenomen dat het
boetebedrag kan worden verhoogd bij verhoogde verwijtbaarheid. Bij de
parlementaire behandeling is aangegeven dat dit in ernstige
fraudesituaties aan de orde kan zijn. In artikel 5 zijn
twee situaties beschreven waarbij van verhoogde verwijtbaarheid sprake
is. De mogelijkheid bestaat om, als zich andere omstandigheden voordoen,
ook verhoogde verwijtbaarheid aan te nemen.
Het kan voorkomen dat zowel een verhoging
wegens recidive als een verhoging wegens verhoogde verwijtbaarheid aan
de orde is. Het boetebedrag wordt in die situatie vastgesteld op tweemaal een verhoging van 50% van het basisboetebedrag.
Artikel
6
Ofschoon gradaties in verwijtbaarheid zijn te onderscheiden, is gekozen
voor één categorie verminderd verwijtbaar: een verlaging van het basisboetebedrag
met 50%. Een nader onderscheid zou moeilijk uitvoerbaar zijn
en kunnen leiden tot rechtsongelijkheid. In geval van de navolgende
situaties is sprake van verminderde verwijtbaarheid. Indien de
overtreding, gelet op de geestelijke toestand van de belanghebbende, hem
niet volledig valt aan te rekenen. Daarbij kan gedacht worden aan
problemen in de situatie thuis waardoor de belanghebbende onder ernstige
psychische druk staat, zoals een ernstige ziekte of het overlijden van
de partner of kinderen of de dreiging om het huis te worden uitgezet.
Eveneens kan de geestelijke toestand van de belanghebbende zelf zodanig
zijn dat de gedraging niet volledig kan worden toegerekend. In dit geval
kan overleg met een verzekeringsarts aangewezen zijn.
Het tweede lid, onderdeel b, bepaalt dat als de belanghebbende uit eigen beweging alsnog de juiste
informatie verstrekt voordat het UWV de
overtreding constateert, sprake is van verminderde verwijtbaarheid.
Hiermee wordt beoogd het alsnog normconforme gedrag te stimuleren en te
belonen.
Artikel
7
Aangezien de bestuurlijke boete een financiële sanctie is, zullen de
omstandigheden als bedoeld in artikel 3
van het Boetebesluit
socialezekerheidswetten die tot verlaging nopen, de financiële
situatie van de cliënt betreffen. Bij toepassing van artikel
7 wordt gedeeltelijk afgezien van oplegging van een boete. Bij de
toepassing van dit artikel rust de verplichting op de belanghebbende om
inzicht te geven in zijn financiële situatie.
De wettelijke bepalingen geven tevens de
mogelijkheid om op grond van een dringende reden geheel af te zien van
een boete indien oplegging van een boete tot voor de verzekerde
onaanvaardbare sociale en financiële gevolgen zou leiden.
Artikel
8
Artikel
25 van de WW e.a. bepalen dat "onverwijld
uit eigen beweging" aan de inlichtingenverplichting wordt voldaan. Met
artikel 8 wordt de termijn voor de spontane
inlichtingenverplichting geconcretiseerd. Er geldt een termijn van één
week.
Het tweede lid bepaalt dat de termijn gaat
lopen op het moment dat het te melden feit zich voordoet of bekend is
geworden of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn aan de belanghebbende.
Dit kan zijn de dag dat werkzaamheden worden aangevangen, gewijzigd of
beëindigd. Bij een wijziging van het inkomen vangt de termijn aan op
het moment dat deze wijziging bekend is geworden of redelijkerwijs
bekend had kunnen zijn, bijvoorbeeld het moment dat de loonstrook wordt ontvangen
bij een geringe wijziging. Als er een wijziging optreedt met betrekking
tot een andere uitkering, vangt de termijn aan op het moment dat dit
bekend wordt gemaakt. Een verandering in de gezondheidstoestand wordt
gemeld als het de belanghebbende redelijkerwijs duidelijk is dat de
wijziging van invloed kan zijn op het recht op uitkering.
De spontane inlichtingenverplichting en de
termijnen gelden tevens, voor zover van toepassing, voor de partner, de
wettelijke vertegenwoordiger en de instelling aan welke de uitkering
wordt betaald.
Het derde lid bepaalt dat geen boete wordt
opgelegd als de informatie juist is vermeld op het werkbriefje WW
aangezien dan iedere verwijtbaarheid ontbreekt. Het is immers de
bedoeling dat een WW-gerechtigde de informatie op het werkbriefje
vermeldt en niet spontaan meldt. Als een TW-uitkering
in combinatie met een WW-uitkering wordt betaald, geldt dit ook voor de
toeslag. Als geen werkbriefje is verstrekt, geldt de spontane
inlichtingenverplichting onverkort.
Artikel
9
Artikel
2 van het Boetebesluit
socialezekerheidswetten stelt het basisboetebedrag op ten minste €|45,-. Dit bedrag kan verlaagd worden op basis van deze beleidsregel tot
minimaal €|23,- zodat een boete van enige omvang wordt opgelegd.
Toepassing van dit besluit kan niet leiden tot het volledig afzien van
een boete. Dat is alleen mogelijk bij het geheel ontbreken van de
verwijtbaarheid of bij een dringende reden.
Artikel
10
Uit
de wettelijke bepalingen (zie artikel 1, onderdeel n)
volgt in welke situatie het UWV kan afzien
van het opleggen van een boete en volstaan met het geven van een
schriftelijke waarschuwing. Als een overtreding van de
inlichtingenverplichting heeft plaatsgevonden, maar geen
benadelingsbedrag is veroorzaakt, kan het UWV volstaan met een
schriftelijke waarschuwing als bedoeld in artikel
27a, derde lid, van de WW en
vergelijkbare bepalingen, tenzij in de afgelopen twee jaar een waarschuwing
of boete is opgelegd. Als aan deze voorwaarden is voldaan, maar de
inlichtingenverplichting is opzettelijk overtreden, wordt echter niet
volstaan met een waarschuwing, maar wordt een boete opgelegd.
Artikel
11
Het
Besluit afstemming boete werknemers (Stcrt. 2001,
2) wordt vervangen
door dit besluit. De Beleidsregel afbakening
maatregel en boete (Stcrt.
1998, 90) is opgenomen in dit besluit met artikel 8.
De Beleidsregel zwijgrecht (Stcrt. 1998,
64) wordt ingetrokken en
opgenomen in de handboeken van het UWV
aangezien deze beleidsregel geen uitleg van een wettelijke bepaling
bevat.
Artikel
13
Het
beleid met betrekking tot de oplegging van een boete als bedoeld in artikel
1, onderdeel m, is door de intrekking van de in artikel
11 genoemde beleidsregels samengevoegd in deze beleidsregel. Het
onderwerp van deze beleidsregel is dus breder dan de afstemming van de
boete, zodat deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel boete
werknemer.
Voorzitter Raad van bestuur
UWV,
J.M. Linthorst.
|
|