|
Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen;
Gelet op de artikelen 52
en
53 van de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997;
Besluit:
Art.
1.
Het Lisv hanteert bij het nemen van
beslissingen inzake de indeling van werkgevers bij sectoren het in de bijlage
weergegeven beleid.
Art.
2.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 1998.
Art.
3.
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit datumbeleid indelingen.
Amsterdam, 4 maart 1998.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.
BIJLAGE
Zakelijke weergave besluit
Ingevolge de
artikelen 52 en
53 van de Organisatiewet sociale
verzekeringen 1997 [zie de artikelen 97l
en 97m WW
jo. artikel 25 Invoeringswet
SUWI, red.]
is het Landelijk
instituut sociale verzekeringen [zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.] verantwoordelijk voor het indelen dan wel herindelen van werkgevers bij
sectoren [zie Regeling indeling van het
bedrijfs- en beroepsleven in sectoren, red.].
Inzake de te hanteren
criteria met betrekking tot de data per
wanneer (her)indeling plaatsvindt,
gelden de volgende beleidsregels:
a. Wanneer overgang van een
werkgever naar een andere sector dan
de sector waarbij die werkgever is
aangesloten is aangewezen, vindt deze
overgang zo spoedig mogelijk plaats
per 1 januari of 1 juli van enig jaar,
mits vóór de betreffende datum een schriftelijke indelingsbeslissing aan de betrokken werkgever
is gezonden.
b. Wanneer een werkgever
zelf verzoekt om de juistheid van de op
dat moment voor hem geldende indeling
te bezien dan wel gericht verzoekt om
herindeling naar een andere sector,
gelden eveneens de data 1 januari
of 1 juli direct volgend op de datum waarop werkgever zijn verzoek heeft
gedaan.
c. Voor overgang naar een
andere sector tegen de zin van een
werkgever per de data vermeld onder a en b
gelden uiterste termijnen van
schriftelijke aanzegging van overdracht. Onder deze omstandigheden moet de
beslissing tot herindeling zijn verzonden:
- bij herindeling per 1
januari: vóór 15 november van het voorgaande
jaar;
- bij herindeling per 1
juli: vóór 15 mei van hetzelfde jaar.
d. Indelen van een werkgever
met terugwerkende kracht tot een
datum gelegen vóór de onder a en
b en de daaraan onder c gekoppelde
data kan plaatsvinden zowel ten voor- als ten nadele van de betrokken
werkgever. Ten voordele: dit kan zich voordoen bijvoorbeeld als in het verleden is
nagelaten na een daartoe strekkend
verzoek van een werkgever of na melding van
een wijziging in de bedrijfsuitoefening
een indelingsonderzoek in te stellen en achteraf komt vast te staan dat
reeds toen herindeling aangewezen zou zijn geweest. Ten nadele: dit kan zich
voordoen bijvoorbeeld als een werkgever zich
duidelijk willens en wetens in eerste
instantie voor inschrijving bij de
verkeerde sector heeft gemeld of wijzigingen
in de bedrijfsuitoefening heeft
verzwegen.
e. Indeling van een
werkgever in een sector met terugwerkende
kracht kan niet verder strekken dan de
premieverjaringstermijn van vijf jaren, neergelegd in artikel
13, derde lid,
van
de Coördinatiewet Sociale Verzekering.
f. Herindeling van een
werkgever per een andere datum dan 1
januari of 1 juli van enig jaar is
mogelijk bij plotseling optredende structurele
wijzigingen in de bedrijfsuitoefening.
Ook de betrokken werkgever kan
hierop een beroep doen, mits hij die
wijzigingen, zoals voorgeschreven, tijdig
binnen veertien dagen na het optreden van
die wijzigingen heeft gemeld.
g. Het bepaalde onder a tot en met d en onder f laat onverlet de
mogelijkheid om op grond van bijzondere
omstandigheden (met name overwegingen van
redelijkheid en zorgvuldigheid) daarvan
af te wijken. Dit kan zich voordoen wanneer een werkgever door
overlegging van contracten e.d.
voldoende aannemelijk kan maken dat hij zich reeds voor langere termijn heeft
gebonden op basis van de (substantieel
lagere) socialeverzekeringspremies die hij bij de sector waar
hij oorspronkelijk was
aangesloten, betaalt; in dat geval kan de
datum van herindeling met een halfjaar worden opgeschoven.
TOELICHTING
[4 maart 1998]
Het datumbeleid indelingen
is reeds bij brief van de voormalige
Sociale Verzekeringsraad d.d. 24 maart 1993 ter
kennis gebracht van de toenmalige
bedrijfsverenigingen in de vorm van richtlijnen. Bij dit datumbeleid wordt
uitgegaan van - in beginsel - overgang van een werkgever naar een andere
sector per 1 januari of 1 juli van enig
jaar.
In de praktijk is gebleken
dat een aantal uitvoeringsinstellingen
hiervan afwijken in die zin dat alleen de
datum 1 januari als overgangsdatum
wordt gehanteerd.
Nu het Landelijk instituut
sociale verzekeringen per 1 maart 1997
verantwoordelijk is geworden voor het gehele indelingstraject is het
aangewezen ter zake van het datumbeleid een
uniform, voor een ieder geldend,
besluit vast te stellen. Dit te meer nu in de wetgeving wordt uitgegaan van een
systematiek van gedwongen indeling; een werkgever hoort vanaf aanvang
werkgeverschap onmiddellijk van rechtswege
thuis bij een bepaalde sector en het
is de taak van het Landelijk instituut
sociale verzekeringen (met onder diens
verantwoordelijkheid de uitvoeringsinstellingen) ervoor zorg te dragen dat
bij discrepanties de feitelijke
aansluiting bij een sector zo snel mogelijk
in overeenstemming wordt gebracht met de
indeling van rechtswege.
Het in dit besluit
vastgestelde datumbeleid is gelijkluidend aan het datumbeleid zoals dit tot dusverre van kracht was, echter met één
uitzondering.
De zorgvuldigheid gebiedt
dat bij overgang naar een andere sector de
werkgever een redelijke
voorbereidingstijd wordt gegund om op de nieuwe
feitelijke situatie te kunnen inspelen. Daarom is in dit beleid
onder punt c een minimumtermijn van aanzegging van herindeling opgenomen
wanneer een werkgever tegen zijn zin naar een andere
sector moet worden overgeschreven; deze
termijn bedraagt zes weken
voorafgaande aan 1 januari dan wel 1 juli. In
de praktijk werd deze termijn door het
Landelijk instituut sociale verzekeringen en zijn rechtsvoorganger reeds
gehanteerd, doch deze termijn was nog niet geformaliseerd.
Overigens sluit deze termijn
direct aan bij de zeswekentermijn als
bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht,
zijnde de termijn waarbinnen een
werkgever tegen een niet-gewenste
(her)indeling in bezwaar kan gaan; gaat een
werkgever binnen die termijn in bezwaar, dan heeft hij bovendien de
mogelijkheid en voldoende tijd om bij de Centrale Raad van Beroep om een voorlopige
voorziening strekkende tot schorsing van
de bestreden beslissing te
vragen.
De datum 1 juli kan
uiteraard niet als datum van herindeling worden gehanteerd wanneer in specifieke
besluiten expliciet alleen de datum 1
januari als mogelijke datum van
herindeling vermeld staat. Hierbij gaat het tot
dusver uitsluitend om het
Lisv-besluit ex artikel 53, eerste lid, Osv 1997 van
12 december 1985, nr. 85/8805; dit
besluit regelt de herindeling per 1 januari
van enig jaar inzake werkgevers uit
de metaalsector bij één der betrokken
sectoren en waarbij het zgn.
1200-arbeidsurencriterium van toepassing is.
Nadere inlichtingen over dit
besluit zij nte verkrijgen bij het Lisv,
afdeling Indelingszaken, postbus 74765, 1070 BT Amsterdam [zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.].
Amsterdam, 4 maart 1998.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.
|