St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Werkloosheidswet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt naar laatste editie Staatsblad/Staatscourant

 

BESLUIT  GAA  UITZENDKRACHTEN  EN  GELIJKGESTELDE  WERKNEMERS
 
 

7 juli 1999, Stcrt. 1999, 135
Inwerkingtreding: 4 oktober 1999
(T.a.v. art. 16 WW)

 

  
 

 

 
     Het Landelijk instituut sociale verzekeringen;
     Gelet op artikel 16 Werkloosheidswet;

     Besluit:

 

 

Art. 1.
-1. Het UWV voert ten aanzien van werknemers als bedoeld in het tweede en derde lid ter zake van de vaststelling van het gemiddeld aantal arbeidsuren als bedoeld in artikel 16, tweede lid, Werkloosheidswet een beleid als weergegeven in de bijlage van dit besluit.
-2. Het beleid als bedoeld in het eerste lid is van toepassing op werknemers die als uitzendkracht werkzaam zijn of zijn geweest.
-3. Dit besluit is eveneens van toepassing op werknemers die niet als uitzendkracht worden beschouwd, maar wier opbouw van rechten op vakantie- en feestdagen op overeenkomstige wijze als voor uitzendkrachten wordt uitgedrukt in een toeslag op het dagloon.
-4. Dit besluit is niet van toepassing op werknemers wier opbouw van rechten op vakantie- en feestdagen geschiedt door middel van vakantiewaarden.

 

Art. 2.
Besluiten van de voormalige Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging (BV 26) ter zake van het gemiddeld aantal arbeidsuren voor uitzendkrachten worden ingetrokken.

 

Art. 3.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 4 oktober 1999. Indien de Staatscourant waarin dit besluit wordt gepubliceerd, wordt uitgegeven na 4 oktober 1999, treedt dit besluit in werking met ingang van de eerstvolgende maandag na de dagtekening van de Staatscourant waarin dit besluit wordt gepubliceerd.

 

Art. 4.
Dit besluit is alleen van toepassing op aanvragen voor een WW-uitkering waarvan de eerste werkloosheidsdag op of na de datum van de inwerkingtreding van dit besluit ligt.

 

Art. 5.
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit GAA uitzendkrachten en gelijkgestelde werknemers.

 

 

     Dit besluit zal met de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.

 

Amsterdam, 7 juli 1999.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.

 

 

 

BIJLAGE

 

     Het aantal uren waarin een werknemer in de 26 weken onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn verlies aan arbeidsuren gemiddeld per week als werknemer arbeid heeft verricht, hierna: het GAA [gemiddeld aantal arbeidsuren, red.] (artikel 16, tweede lid, WW), wordt voor uitzendkrachten en daarmee voor de toepassing van dit besluit gelijk te stellen werknemers als volgt berekend. Allereerst wordt het totaal aantal gewerkte uren in de referteperiode van 26 weken vastgesteld. Wanneer zich in de hier bedoelde referteperiode voor de vaststelling van het GAA één of meer dagen hebben voorgedaan waarop de werknemer niet in staat was tot werken wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid, wordt aan elke ziektedag een aantal uren toegerekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 1, tweede lid, van het Besluit inzake regels om bij de berekening van het aantal arbeidsuren, uren waarin geen arbeid is verricht, gelijk te stellen met arbeidsuren en uren waarin arbeid is verricht, buiten beschouwing te laten (Besluit van 18 december 1986, nr. 86/8052, Stcrt. 1986, 248, hierna: het Gelijkstellingsbesluit). Dit aantal aan ziektedagen toe te rekenen uren wordt opgeteld bij het daadwerkelijk aantal gewerkte uren, hierna te noemen: het voorlopig GAA.
     Dit voorlopig GAA wordt vermenigvuldigd met het percentage dat in de toepasselijke CAO is vastgelegd voor de reservering van vakantiedagen. Dit voorlopig GAA wordt tevens vermenigvuldigd met het percentage dat in de toepasselijke CAO is vastgelegd voor de reservering van feestdagen. Door beide uitkomsten op te tellen bij het voorlopig GAA en te delen door 26 weken wordt het GAA voor de betreffende werknemer vastgesteld.

 

 

 

TOELICHTING
[7 juli 1999]

 

Algemeen

 

     Een werknemer is werkloos in de zin van de Werkloosheidswet als de werknemer ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per kalenderweek verloren heeft alsmede het recht op onverminderde loondoorbetaling over die uren en voorts beschikbaar is voor arbeid (artikel 16, eerste lid, WW). Onder arbeidsuren per kalenderweek wordt verstaan het aantal uren dat de werknemer in de 26 weken onmiddellijk voorafgaand aan het intreden van het verlies van arbeidsuren gemiddeld per week arbeid heeft verricht, het zogenaamde GAA (artikel 16, tweede lid, WW).
     Omdat de berekening van het GAA op de hier geschetste wijze een vertekend beeld kan geven van het arbeidspatroon, is in de WW de mogelijkheid opgenomen uren waarin geen arbeid is verricht, gelijk te stellen met arbeidsuren en arbeidsuren waarin wel is gewerkt buiten beschouwing te laten (artikel 16, zevende lid, WW). In het Gelijkstellingsbesluit is hieraan uitvoering gegeven. Op grond van dit besluit kunnen met arbeidsuren gelijkgesteld worden uren waarin de werknemer niet heeft gewerkt maar wel loon of een schadeloosstelling over die uren heeft ontvangen. Daarbij moet in de eerste plaats gedacht worden aan vakantiedagen en feestdagen.
     Waar het uitzendkrachten betreft, brengt de aard van de arbeidsverhouding met zich mee dat de arbeidsvoorwaarden op onderdelen (noodzakelijk) afwijken van die van andere werknemers. Dit heeft in de praktijk ook gevolgen voor de wijze waarop het GAA wordt vastgesteld. Het onderhavige besluit geeft regels voor de vaststelling van het GAA bij uitzendkrachten, waarbij tegemoet wordt gekomen aan de bijzondere kenmerken van de arbeidsverhouding. Daarbij is rekening gehouden met een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 november 1997 (RSV 1998, 54). De Centrale Raad verwierp de door de uitvoeringsinstelling gehanteerde toerekening van uren aan ziektedagen en feestdagen. De uitgangspunten van het oordeel van de Raad liggen ten grondslag aan dit besluit.


Ziektedagen

     De aan ziektedagen toe te rekenen uren worden bij het aantal gewerkte uren opgeteld. Pas dan kan met behulp van de toeslag voor vakantie- en feestdagen de gelijk te stellen uren voor vakantie- en feestdagen worden bepaald. Deze berekeningswijze wijkt iets af van de huidige uitvoering, waarbij de toeslag voor vakantie- en feestdagen niet over ziektedagen wordt toegepast.


Vakantiedagen

     Het flexibele karakter van de arbeidsverhouding komt onder andere tot uitdrukking in de opbouw van vakantierechten. De opbouw van vakantiedagen geschiedt door een toeslag op het loon, de zogenaamde reservering voor vakantiedagen. Over één jaar genomen komt de aldus verkregen vergoeding ten minste overeen met het in het Burgerlijk Wetboek voorgeschreven minimum aantal vakantiedagen voor de betrokkene.
     Voor uitzendkrachten kan met behulp van de toeslag voor vakantiedagen het aantal (opgebouwde vakantie)uren in de referteperiode worden vastgesteld. Door het percentage van de toeslag voor vakantiedagen te vermenigvuldigen met het aantal gewerkte uren wordt duidelijk hoeveel uren de uitzendkracht zou hebben kunnen genieten.
     Op grond van het Gelijkstellingsbesluit worden voor de vaststelling van het GAA vakantiedagen waarvoor schadevergoeding is ontvangen, gelijkgesteld met arbeidsuren. Door de gevonden uitkomst (het aantal met arbeidsuren gelijk te stellen opgebouwde vakantierechten) op te tellen bij het aantal gewerkte uren, kan het GAA worden vastgesteld.


Feestdagen

     Bovenstaande geldt mutatis mutandis voor feestdagen. Uitzendkrachten ontvangen op het loon een toeslag voor feestdagen. Over één jaar genomen komt de aldus verkregen vergoeding overeen met het aantal nationale feestdagen dat als vrije dag geldt.
     Voor uitzendkrachten kan met behulp van de toeslag voor feestdagen het aantal (opgebouwde feestdagen)uren in de referteperiode worden vastgesteld. Door het percentage van de toeslag voor feestdagen te vermenigvuldigen met het aantal gewerkte uren wordt duidelijk hoeveel uren de uitzendkracht zou hebben kunnen genieten.
     Op grond van het Gelijkstellingsbesluit worden voor de vaststelling van het GAA feestdagen waarvoor schadevergoeding is ontvangen, gelijkgesteld met arbeidsuren. Door de gevonden uitkomst (het aantal met arbeidsuren gelijk te stellen opgebouwde uren voor feestdagen) op te tellen bij het aantal gewerkte uren kan het GAA worden vastgesteld.
     Vakantiedagen en feestdagen voor uitzendkrachten worden beide direct afgeleid van het aantal gewerkte uren. Dat betekent dat voor de berekening van de vakantiedagen de gelijkgestelde feestdagen buiten beschouwing worden gelaten en dat voor de berekening van de feestdagen de gelijkgestelde vakantiedagen buiten beschouwing worden gelaten.

 

 

Artikelsgewijze  toelichting

 

Artikel 1, tweede lid

     Dit besluit is van toepassing op alle uitzendkrachten, ongeacht in welke sectoren de uitzendkrachten werkzaam zijn.

 

Artikel 1, derde lid

     De opbouw van vakantiedagen en feestdagen middels een toeslag op het loon komt weliswaar voornamelijk, doch niet uitsluitend voor bij uitzendkrachten. Met name de detailhandel en de gezondheidszorg kennen zogenaamde flexwerkers wier tegoed aan vakantiedagen en feestdagen op een zelfde manier als bij uitzendkrachten worden beloond. Er is geen reden het GAA voor deze werknemers niet op dezelfde wijze als voor uitzendkrachten vast te stellen. Het derde lid van artikel 1 voorziet hierin.
     In de sectoren waar dit voorkomt, is een bepaling in de CAO inzake een toeslag voor vakantie- en feestdagen opgenomen. Waar in de CAO of in de individuele arbeidsovereenkomst niets is geregeld, mag ervan worden uitgegaan dat de opbouw van vakantierechten geschiedt overeenkomstig het bepaalde in het Burgerlijk Wetboek. Voor de vaststelling van het GAA is in die gevallen het onderhavige besluit niet van toepassing.

 

Artikel 1, vierde lid

     In een beperkt aantal sectoren verwant aan de bouwnijverheid wordt nog gewerkt met vakantiewaarden. Een vakantiewaarde is een betaling die een werkgever ten behoeve van een werknemer aan een vakantiefonds verricht en op grond waarvan deze werknemer jegens dit fonds een recht verkrijgt. Hoewel het hier dikwijls ook gaat om met uitzendkrachten te vergelijken werknemers, is de opbouw van vakantierechten wezenlijk anders. Zij vallen om die reden buiten het bereik van het in dit besluit geformuleerde beleid.

 

Artikel 2

     Bij de inventarisatie van het beleid van de voormalige bedrijfsverenigingen is specifiek beleid van de BV 26 gevonden ten aanzien van de vaststelling van het GAA bij uitzendkrachten. Dit beleid wijkt feitelijk niet af van het algemene beleid en behoeft om die reden niet gehandhaafd te worden.

 

Artikel 3

     Voor de toepassing van de WW geldt de maandag als eerste dag van de kalenderweek (artikel 16, elfde lid, WW). Invoering van een besluit als het onderhavige op een andere dag dan maandag (1 oktober is een vrijdag) stuit op uitvoeringstechnische bezwaren. Gekozen is daarom voor een maandag.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x