|
Het
Landelijk instituut
sociale verzekeringen;
Gelet op artikel 16 Werkloosheidswet;
Besluit:
Art. 1.
-1. Het UWV voert ten aanzien van
werknemers als bedoeld in het tweede en
derde lid ter zake van de
vaststelling van het gemiddeld aantal arbeidsuren
als bedoeld in artikel 16,
tweede lid, Werkloosheidswet een beleid als weergegeven in de
bijlage van dit
besluit.
-2. Het beleid als bedoeld in
het eerste lid is van toepassing op
werknemers die als uitzendkracht werkzaam
zijn of zijn geweest.
-3. Dit besluit is eveneens
van toepassing op werknemers die niet als
uitzendkracht worden beschouwd, maar wier opbouw van rechten op vakantie-
en feestdagen op overeenkomstige wijze als voor uitzendkrachten
wordt uitgedrukt in een toeslag op het dagloon.
-4. Dit besluit is niet van
toepassing op werknemers wier opbouw van
rechten op vakantie- en feestdagen
geschiedt door middel van
vakantiewaarden.
Art. 2.
Besluiten van de voormalige
Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging
(BV 26) ter zake van het gemiddeld
aantal arbeidsuren voor
uitzendkrachten worden ingetrokken.
Art. 3.
Dit besluit treedt in
werking met ingang van 4 oktober 1999.
Indien de Staatscourant waarin dit
besluit wordt gepubliceerd, wordt
uitgegeven na 4 oktober 1999, treedt dit besluit in werking met ingang van de
eerstvolgende maandag na de dagtekening
van de Staatscourant waarin dit
besluit wordt gepubliceerd.
Art. 4.
Dit besluit is alleen van
toepassing op aanvragen voor een WW-uitkering waarvan de eerste
werkloosheidsdag op of na de datum van de
inwerkingtreding van dit besluit ligt.
Art. 5.
Dit besluit wordt aangehaald
als: Besluit GAA uitzendkrachten
en gelijkgestelde werknemers.
Dit besluit zal met de
bijlage in de Staatscourant worden
geplaatst.
Amsterdam, 7 juli 1999.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.
BIJLAGE
Het aantal uren waarin een
werknemer in de 26 weken onmiddellijk
voorafgaande aan het intreden van zijn
verlies aan arbeidsuren gemiddeld
per week als werknemer arbeid heeft verricht, hierna: het GAA [gemiddeld aantal
arbeidsuren, red.] (artikel
16,
tweede lid, WW), wordt voor
uitzendkrachten en daarmee voor de toepassing
van dit besluit gelijk te stellen
werknemers als volgt berekend. Allereerst
wordt het totaal aantal gewerkte uren
in de referteperiode van 26 weken vastgesteld. Wanneer zich in de hier
bedoelde referteperiode voor de vaststelling van het GAA één of meer dagen
hebben voorgedaan waarop de werknemer niet in staat was tot werken wegens
ziekte of arbeidsongeschiktheid, wordt
aan elke ziektedag een aantal uren
toegerekend overeenkomstig het bepaalde
in artikel 1, tweede lid, van het Besluit inzake regels om bij de berekening
van het aantal arbeidsuren, uren
waarin geen arbeid is verricht, gelijk
te stellen met arbeidsuren en uren waarin
arbeid is verricht, buiten beschouwing
te laten (Besluit van 18 december
1986, nr. 86/8052, Stcrt. 1986, 248, hierna: het
Gelijkstellingsbesluit). Dit aantal aan ziektedagen toe
te rekenen uren wordt opgeteld bij het
daadwerkelijk aantal gewerkte uren, hierna
te noemen: het voorlopig GAA.
Dit voorlopig GAA wordt
vermenigvuldigd met het percentage dat in de toepasselijke CAO is
vastgelegd voor de reservering van
vakantiedagen. Dit voorlopig GAA wordt tevens vermenigvuldigd met het percentage dat in de
toepasselijke CAO is
vastgelegd voor de reservering van
feestdagen. Door beide uitkomsten op te
tellen bij het voorlopig GAA en te delen
door 26 weken wordt het GAA voor de betreffende werknemer
vastgesteld.
TOELICHTING
[7 juli 1999]
Algemeen
Een werknemer is werkloos in
de zin van de Werkloosheidswet als
de werknemer ten minste vijf of ten minste
de helft van zijn arbeidsuren
per kalenderweek verloren heeft alsmede het
recht op onverminderde
loondoorbetaling over die uren en voorts beschikbaar is voor arbeid (artikel
16,
eerste lid, WW). Onder arbeidsuren per kalenderweek wordt verstaan het aantal
uren dat de werknemer in de 26 weken onmiddellijk voorafgaand aan het intreden
van het verlies van arbeidsuren
gemiddeld per week arbeid heeft verricht,
het zogenaamde GAA (artikel 16, tweede lid, WW).
Omdat de berekening van het
GAA op de hier geschetste wijze een
vertekend beeld kan geven van het
arbeidspatroon, is in de WW de mogelijkheid opgenomen uren waarin geen
arbeid is verricht, gelijk te stellen
met arbeidsuren en arbeidsuren waarin wel is gewerkt buiten beschouwing
te laten (artikel 16, zevende lid, WW). In het Gelijkstellingsbesluit is
hieraan uitvoering gegeven. Op grond van dit
besluit kunnen met arbeidsuren
gelijkgesteld worden uren waarin de
werknemer niet heeft gewerkt maar wel loon
of een schadeloosstelling over die
uren heeft ontvangen. Daarbij moet in
de eerste plaats gedacht worden aan
vakantiedagen en feestdagen.
Waar het uitzendkrachten
betreft, brengt de aard van de
arbeidsverhouding met zich mee dat de
arbeidsvoorwaarden op onderdelen (noodzakelijk) afwijken van die van andere
werknemers. Dit heeft in de praktijk ook gevolgen voor de wijze
waarop het GAA wordt vastgesteld. Het
onderhavige besluit geeft regels voor de
vaststelling van het GAA bij
uitzendkrachten, waarbij tegemoet wordt
gekomen aan de bijzondere kenmerken
van de arbeidsverhouding. Daarbij
is rekening gehouden met een uitspraak
van de Centrale Raad van Beroep van 13 november 1997 (RSV 1998,
54). De Centrale Raad verwierp de door de uitvoeringsinstelling gehanteerde toerekening
van uren aan ziektedagen en feestdagen. De uitgangspunten van het oordeel van de Raad liggen
ten grondslag aan dit besluit.
Ziektedagen
De aan ziektedagen toe te
rekenen uren worden bij het aantal
gewerkte uren opgeteld. Pas dan kan met
behulp van de toeslag voor vakantie- en
feestdagen de gelijk te stellen uren
voor vakantie- en feestdagen worden
bepaald. Deze berekeningswijze wijkt iets
af van de huidige uitvoering, waarbij
de toeslag voor vakantie- en feestdagen
niet over ziektedagen wordt toegepast.
Vakantiedagen
Het flexibele karakter van
de arbeidsverhouding komt onder andere tot
uitdrukking in de opbouw van
vakantierechten. De opbouw van vakantiedagen geschiedt door een toeslag op het loon,
de zogenaamde reservering
voor vakantiedagen. Over één jaar genomen komt de aldus verkregen
vergoeding ten minste overeen met het in het Burgerlijk
Wetboek voorgeschreven
minimum aantal vakantiedagen voor de
betrokkene.
Voor uitzendkrachten kan met
behulp van de toeslag voor
vakantiedagen het aantal (opgebouwde vakantie)uren in de referteperiode worden
vastgesteld. Door het percentage van de
toeslag voor vakantiedagen te
vermenigvuldigen met het aantal gewerkte uren wordt duidelijk hoeveel uren
de uitzendkracht zou hebben kunnen genieten.
Op grond van het
Gelijkstellingsbesluit worden voor de vaststelling
van het GAA vakantiedagen waarvoor
schadevergoeding is ontvangen, gelijkgesteld met arbeidsuren. Door de
gevonden uitkomst (het aantal met
arbeidsuren gelijk te stellen opgebouwde vakantierechten) op te tellen bij het aantal
gewerkte uren, kan het GAA
worden vastgesteld.
Feestdagen
Bovenstaande geldt mutatis
mutandis voor feestdagen.
Uitzendkrachten ontvangen op het loon een toeslag voor feestdagen. Over
één jaar
genomen komt de aldus verkregen vergoeding overeen met het aantal
nationale feestdagen dat als vrije dag geldt.
Voor uitzendkrachten kan met
behulp van de toeslag voor
feestdagen het aantal (opgebouwde feestdagen)uren in de referteperiode worden
vastgesteld. Door het percentage van de
toeslag voor feestdagen te
vermenigvuldigen met het aantal gewerkte uren wordt duidelijk hoeveel uren de
uitzendkracht zou hebben kunnen genieten.
Op grond van het
Gelijkstellingsbesluit worden voor de vaststelling
van het GAA feestdagen waarvoor
schadevergoeding is ontvangen, gelijkgesteld
met arbeidsuren. Door de
gevonden uitkomst (het aantal met arbeidsuren gelijk te stellen opgebouwde
uren voor feestdagen) op te tellen bij
het aantal gewerkte uren kan het GAA
worden vastgesteld.
Vakantiedagen en feestdagen
voor uitzendkrachten worden beide direct afgeleid van het aantal gewerkte
uren. Dat betekent dat voor de
berekening van de vakantiedagen de gelijkgestelde feestdagen buiten beschouwing worden
gelaten en dat voor de berekening van de feestdagen de gelijkgestelde
vakantiedagen buiten beschouwing worden
gelaten.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel
1, tweede lid
Dit besluit is van
toepassing op alle uitzendkrachten, ongeacht in welke sectoren de uitzendkrachten werkzaam
zijn.
Artikel
1, derde lid
De opbouw van vakantiedagen
en feestdagen middels een
toeslag op het loon komt weliswaar
voornamelijk, doch niet uitsluitend voor
bij uitzendkrachten. Met name de detailhandel en de gezondheidszorg kennen
zogenaamde flexwerkers wier tegoed aan vakantiedagen en feestdagen
op een zelfde manier als bij
uitzendkrachten worden beloond. Er is geen
reden het GAA voor deze werknemers
niet op dezelfde wijze als voor uitzendkrachten vast te stellen. Het derde
lid van artikel 1 voorziet hierin.
In de sectoren waar dit
voorkomt, is een bepaling in de CAO
inzake een toeslag voor vakantie- en feestdagen
opgenomen. Waar in de CAO of in de
individuele arbeidsovereenkomst niets is geregeld, mag ervan worden
uitgegaan dat de opbouw van vakantierechten geschiedt overeenkomstig het
bepaalde in het Burgerlijk
Wetboek.
Voor de vaststelling van het GAA is
in die gevallen het onderhavige
besluit niet van toepassing.
Artikel
1, vierde lid
In een beperkt aantal
sectoren verwant aan de bouwnijverheid wordt
nog gewerkt met vakantiewaarden.
Een vakantiewaarde is een
betaling die een werkgever ten behoeve van een werknemer aan een vakantiefonds
verricht en op grond waarvan deze
werknemer jegens dit fonds een recht
verkrijgt. Hoewel het hier dikwijls ook
gaat om met uitzendkrachten te
vergelijken werknemers, is de opbouw van
vakantierechten wezenlijk anders. Zij vallen om die reden buiten het
bereik van het in dit besluit geformuleerde beleid.
Artikel 2
Bij de inventarisatie van
het beleid van de voormalige
bedrijfsverenigingen is specifiek beleid van de BV
26 gevonden ten aanzien van de
vaststelling van het GAA bij uitzendkrachten. Dit
beleid wijkt feitelijk niet af van
het algemene beleid en behoeft om die reden niet gehandhaafd te worden.
Artikel 3
Voor de toepassing van de
WW geldt de maandag als eerste dag
van de kalenderweek (artikel 16,
elfde lid, WW). Invoering van een
besluit als het onderhavige op een andere dag dan maandag (1 oktober is een
vrijdag) stuit op
uitvoeringstechnische bezwaren. Gekozen is daarom voor een maandag.
|