|
Het
Landelijk instituut
sociale verzekeringen;
Gelet op artikel 35b, vijfde
lid, van de Werkloosheidswet;
Besluit:
Art. 1.
Voor de vaststelling van de
samenhang, bedoeld in artikel 35b,
derde lid, van de WW, wordt:
a. onder dienstbetrekkingen
verstaan: dienstbetrekkingen bij
dezelfde werkgever;
b. onder bedrijfstak
verstaan: de sector als bedoeld in artikel 51
van de Organisatiewet sociale
verzekeringen 1997 ¹, waartoe de werkgevers
van de werknemer behoren.
1. Zie paragraaf 3 van
hoofdstuk VII van de Werkloosheidswet, red.
Art. 2.
Indien het bij koninklijke boodschap van 3 mei 2000 ingediende
voorstel van wet houdende wijziging
van de Wet overheidspersoneel onder
de werknemersverzekeringen in
verband met de wijze van
financiering van de uitkeringen op grond van de
Ziektewet en de Werkloosheidswet voor
overheidswerknemers alsmede enkele andere wijzigingen (Aanpassingswet
OOW; Kamerstukken II 1999-2000, 27 093) tot wet wordt
verheven en in werking treedt, treedt dit
besluit op hetzelfde tijdstip in
werking.
Art. 3.
Dit besluit wordt aangehaald
als: Besluit inkomstenaftrek bij
samenloop WW-rechten overheid en
markt.
Dit besluit zal met de
toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
Amsterdam, 29 november 2000.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.
TOELICHTING
[29 november 2000]
In de
Aanpassingswet OOW
wordt een nieuw artikel 35b in de WW opgenomen dat de volgorde
van anticumulatie regelt indien de werknemer meer dan één recht op
uitkering heeft en ten minste één van die
rechten ontstaan is uit hoofde van een
dienstbetrekking als overheidswerknemer. Het betreft de anticumulatie van
inkomsten zoals bedoeld in artikel 34 WW (o.a. inkomsten wegens
ouderdomspensioen), artikel 35 WW (inkomsten uit werkhervatting voor
minder dan 5 uur) en artikel 35a WW
(inkomsten uit scholing).
In artikel 35b
van de WW
is bepaald dat eerst wordt
nagegaan of er een samenhang is tussen
één van de WW-rechten en de
inkomsten die geanticumuleerd moeten
worden. Is er een samenhang, dan worden
de inkomsten bij voorrang in
mindering gebracht op de uitkering
waarmee zij de meeste samenhang hebben.
Indien geen samenhang kan worden
vastgesteld, worden de inkomsten
gelijkelijk over de verschillende
uitkeringen verdeeld. De samenhang moet ingevolge het derde lid van artikel
35b van de WW worden bepaald aan de
hand van:
• de dienstbetrekkingen
uit hoofde waarvan werknemer recht
heeft op WW en die waaruit of in
verband waarmee de inkomsten worden
ontvangen;
• de bedrijfstak(ken)
waarin werknemer werkzaam was en die waaruit
of in verband waarmee de
inkomsten worden ontvangen.
Bij de invulling van
bovenstaande samenhang is aansluiting
gezocht bij het niveau van toerekening
van de lasten, alsmede een voor de
uitvoering eenvoudig uit te voeren regeling. De uitvoering van deze
regeling noodzaakt tot nader
onderzoek en is voor de uitvoering zeer
arbeidsintensief.
In artikel 1, onderdeel a, is
bepaald dat onder dienstbetrekking
wordt verstaan: dezelfde werkgever. Onder dezelfde werkgever wordt
tevens verstaan de rechtsopvolger van de werkgever indien de werkgever niet
meer bestaat.
Indien er geen sprake is van
dezelfde werkgever, wordt ingevolge
onderdeel b bezien of de inkomsten
voortkomen uit een dienstbetrekking bij een werkgever die is
aangesloten bij dezelfde sector als de
werkgever uit wiens dienstbetrekking het
WW-recht voor de werknemer is
ontstaan. Onder sector wordt verstaan
de sectorindeling zoals deze is geregeld in de Regeling
indeling van het bedrijfs- en beroepsleven in sectoren ex
artikel 51, eerste lid, van de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 [zie artikel 97k
WW
juncto artikel 25, tweede lid, Invoeringswet
SUWI,
red.].
Amsterdam, 29 november 2000.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.
|