|
2 maart 2000/nr. SV/UB/00/06122
Directie Sociale Verzekeringen
De
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst;
Gelet op artikel 52, derde lid, van de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997;
Besluit:
Goed te keuren het door het
Landelijk instituut sociale verzekeringen op 6 oktober 1999 getroffen
Besluit indeling uitzendbedrijven.
Dit
besluit wordt, tezamen met het goedgekeurde besluit, bekendgemaakt in de
Staatscourant.
‘s-Gravenhage, 2 maart
2000.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst.
Besluit
indeling uitzendbedrijven
Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen;
Gelet op artikel 52, derde lid, van de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997;
Besluit:
Art. 1.
-1. De werkgever die zich in het kader van de uitoefening van zijn
bedrijf of beroep bezighoudt met het ter beschikking stellen van
arbeidskrachten aan een derde om krachtens een door deze aan de
werkgever verstrekte opdracht arbeid te
verrichten onder leiding en toezicht van de
derde, waarbij die arbeidskrachten werkzaam zijn op basis van een
uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 690 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek, waarin tevens een
beding als bedoeld in artikel 691,
tweede lid, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek is opgenomen, wordt
ingedeeld in sector 52
Uitzendbedrijven, mits met dit ter beschikking
stellen van arbeidskrachten meer dan 50%
van het totale premieplichtig
loon op jaarbasis is gemoeid.
-2. Met de arbeidskrachten in
het eerste lid worden voor de
toepassing daarvan gelijkgesteld arbeidskrachten ten aanzien van wie het
beding als bedoeld in artikel 691,
tweede lid, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek ingevolge het bepaalde in
het derde lid van dat artikel, al dan
niet met toepassing van het zevende
lid van dat artikel, (inmiddels) is
beëindigd.
Art. 2.
De werkgever die zich bezighoudt met het ter beschikking
stellen van arbeidskrachten als bedoeld
in artikel 1 wordt, wanneer met dat
ter beschikking stellen meer dan
15, doch niet meer dan 50% van het
totale premieplichtig loon op jaarbasis is gemoeid, voor zover het die
werkzaamheden betreft, ingedeeld in sector 52 Uitzendbedrijven.
Art. 3.
Met de werkgever in de
vorige artikelen wordt gelijkgesteld de werkgever die op basis van een uitzendovereenkomst als bedoeld in
artikel 690 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek arbeidskrachten ter
beschikking stelt, niet zijnde arbeidskrachten als bedoeld in artikel
1, eerste
en tweede lid, mits door die
arbeidskrachten geen werkzaamheden worden verricht die sec functioneel bezien
voor meer dan 50% van het totale
premieplichtig loon op jaarbasis aan één
sector kunnen worden toegerekend.
Art. 4.
Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen ¹ kan beslissen dat een
werkgever als bedoeld in de vorige artikelen, met afwijking van het
bepaalde in die artikelen, wordt
ingedeeld bij een andere sector dan sector 52 Uitzendbedrijven.
1. Volgens der redactie
dient "Landelijk instituut sociale verzekeringen"
te worden vervangen door: Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
Art. 5.
Dit besluit treedt in
werking met ingang van 1 januari 2001,
onder gelijktijdige intrekking van
het Besluit van 30 mei 1958, nr. 50996, Stcrt. 1958, 119, en van de
daarbij behorende Circulaire nr. 968 van 20 december 1990.
Art. 6.
Dit besluit wordt aangehaald
als: Besluit indeling
uitzendbedrijven.
Dit
besluit zal, na goedkeuring door de Minister c.q. Staatssecretaris van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid. met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
Amsterdam, 6 oktober
1999.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.
TOELICHTING
[6 oktober 1999]
[Algemeen,
red.]
Voorgeschiedenis
Dit besluit houdt
in een ingrijpende aanpassing van de systematiek van indelen, in zoverre
het gaat om werkgevers die zich geheel of ten dele bezighouden met het
ter beschikking stellen van arbeidskrachten aan derden.
Het indelen van dergelijke
werkgevers was geregeld in het zogenaamde
Uitleenbesluit van 30 mei 1958, nr. 50996. Ingevolge dit besluit werden
werkgevers, ongeacht of zij naast
uitleenactiviteiten ook nog andere werkzaamheden verrichtten, vanwege dat
uitlenen in beginsel, ongeacht de
omvang van dat uitlenen, voor hun
gehele onderneming aangesloten bij de
voormalige sector 52 Uitleenbedrijven.
Van uitlenen in de hier
bedoelde zin was sprake indien de
werkzaamheden van de ter beschikking
gestelde arbeidskracht werden
verricht onder leiding en toezicht van de
inlenende opdrachtgever. Wel bestonden daarnaast onder bepaalde voorwaarden
mogelijkheden tot
vrijstelling van aansluiting bij de sector Uitleenbedrijven.
In de Circulaire van 20
december 1990, nr. 968, heeft de
toenmalige SVr [Sociale Verzekeringsraad, red.] een uiteenzetting
gegeven over de achtergronden van het
Uitleenbesluit en de wijze waarop
invulling aan dat besluit werd gegeven. Deze toelichtende circulaire is met het oude
Uitleenbesluit per 1 januari
2001 ingetrokken.
Aanleiding tot het nemen van
het nieuwe Besluit indeling
uitzendbedrijven waren de navolgende ontwikkelingen:
- de ratio van het
Uitleenbesluit zoals deze er was ten tijde van de
totstandkoming van dit besluit in 1958, namelijk dat het "ronselen" van
arbeidskrachten de uitvoeringsorganen voor grote problemen stelde op
het gebied van de premie-inning, is
komen te vervallen; binnen het
hedendaagse maatschappelijke veld is uitlenen van personeel, al dan niet door
specifieke uitzendorganisaties, een
algemeen (aanvaard) verschijnsel
geworden. Uitlenen van personeel is
geleidelijk aan een aparte functionele
activiteit geworden, die inmiddels ook
indelingstechnisch al een eigen plaats heeft gekregen in de vorm
van een aparte sector Uitleenbedrijven;
- het verlenen van
vrijstelling van aansluiting bij de sector
Uitleenbedrijven aan ondernemingen die ten dele uitlenen, was door de
jaren heen eerder regel dan
uitzondering geworden;
- nieuwe wetgeving: Op 1
juli 1998 is in werking getreden de Wet
allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi), waarin onder
meer de
afschaffing van het het
(uitleen)vergunningensysteem is geregeld. Daarnaast is op 1 januari
1999 ingegaan de wetgeving inzake flexibiliteit en zekerheid (Flexwet), waarin
de rechtspositie van de "uitzendkracht" door wijzigingen van het BW
[Burgerlijk
Wetboek, red.] is verbeterd.
Gelet op deze ontwikkelingen
was er geen aanleiding meer een
zodanig strikte en tegelijkertijd
ruim geformuleerde regelgeving als opgenomen in het oude Uitleenbesluit te
handhaven.
Het oude Uitleenbesluit
bracht met zich mee dat ook werkgevers die personeel in vaste dienst
hebben en dat personeel in de
bedrijven van derden inzetten, toch onder het Uitleenbesluit vielen zodra
een zekere mate van leiding en toezicht
aan de zijde van de
opdrachtgever kon worden vastgesteld. Dit gold ook indien die uitlenende
werkgevers contractueel geheel verantwoordelijk waren voor de door dat
personeel verrichte activiteiten en
vaak een geheel eigen expertise
inbrachten. In de praktijk speelde dit bij bijvoorbeeld automatiseringsbedrijven, engineeringsbedrijven en in algemene zin bij
bedrijven met een consultancyfunctie, waarbij vaak onontkoombaar is dat ter plekke bij de
opdrachtgever werkzaamheden worden verricht.
Gelet op de hiervoor
gememoreerde ratio van het Uitleenbesluit
kon in redelijkheid niet (meer)
worden volgehouden dat voor deze situaties dit besluit was bedoeld.
Al met al was er aanleiding
te zoeken naar een zodanige
scheidslijn tussen "uitzenden" en niet uitzenden dat op evenwichtige wijze recht
wordt gedaan aan de belangen van
enerzijds de echte uitzendbranche en anderzijds werkgevers die geheel dan
wel ten dele uitlenen zonder (mede)
gericht te zijn op (risicodragende)
kortlopende uitzendsituaties. De sector 52 Uitleenbedrijven zou dan
specifiek gevuld moeten gaan worden
met echte uitzendbedrijven en
als zodanig omgevormd moeten worden tot
een sector 52 Uitzendbedrijven. Overigens had dit tot gevolg dat bij het vullen van een sector
Uitzendbedrijven met "echte"
uitzendbedrijven, daarin dan ook zoveel als
mogelijk alle uitzendsituaties
moesten worden ondergebracht en niet alleen werkgevers die zich volgens de
gebruikelijke hoofdregel voor meer dan 50% met uitzenden bezighouden.
Als apart aspect speelde nog
een rol het gegeven dat
dikwijls zeer moeilijk en na tijdrovende
en dus kostbare onderzoeken kon
worden vastgesteld of leiding en
toezicht door de uitlener dan wel
door de inlener werden uitgeoefend. Indien
mogelijk zou het goed zijn te komen
tot een zodanige scheidslijn
tussen wel en niet uitzenden, c.q. tot een
zodanige definitie van het begrip
uitzendbedrijf, dat dergelijke onderzoeken
in de toekomst niet meer nodig
zouden zijn.
Inhoudelijke uitgangspunten
bij nadere definiëring
Voor de hand liggend was bij
het zoeken naar een nadere
definiëring van het begrip "uitzenden",
zoals dit indelingstechnisch
gehanteerd zou moeten gaan worden ter
onderscheiding van enerzijds
uitzendactiviteiten en voorts alle overige
activiteiten, aansluiting te zoeken bij de
sedert 1 januari 1999 geldende nieuwe Flexwet.
In die Flexwet is de
uitzendovereenkomst immers expliciet als speciës van de
arbeidsovereenkomst opgenomen.
Wat het echte uitzenden in
de dagelijkse praktijk
onderscheidt van andere arbeidsrelaties is de
mogelijkheid een uitzendovereenkomst
direct te laten eindigen zodra de
inlener de opdracht staakt
(uitzendbeding). In die gevallen behoeft
bovendien verder geen loon te worden
doorbetaald en komt eventueel ziekengeld
direct voor rekening van de uitvoeringsinstelling.
Indelingstechnisch zou "uitzenden" toegespitst kunnen gaan
worden op die situaties waar sprake
is van een uitzendovereenkomst mét
daarin opgenomen (als
onderscheidend criterium) het uitzendbeding. Met andere woorden, het ter beschikking stellen van
arbeidskrachten op de wijze als bedoeld in artikel 7:690 BW, waarbij
gebruik is gemaakt van de mogelijkheid
een beding op te nemen als
bedoeld in artikel 7:691, tweede lid, BW.
Na verloop van tijd kunnen
de hier bedoelde
uitzendovereenkomsten overgaan in contracten (voor
bepaalde dan wel onbepaalde tijd)
zonder uitzendbeding.
Om een zekere continuïteit
bij de indeling van
uitzendbedrijven te waarborgen c.q. een
duiventileffect (herindeling wanneer de
loonsomverhouding binnen uitzendbedrijven
verandert) tegen te gaan, is voorstelbaar om ook die
uitzendovereenkomsten die voortvloeien uit
uitzendovereenkomsten met uitzendbeding binnen de uitzendkolom te laten
blijven en indelingstechnisch als uitzenden te bestempelen.
Onder het begrip uitzenden
zouden ook nog gebracht kunnen
worden werkgevers die zich
weliswaar niet met het "echte"
uitzenden als hier bedoeld bezighouden, maar
die materieel wel met echte
uitzenders op één lijn gesteld kunnen worden. Gedoeld wordt hier op
werkgevers die in meerdere sectoren
personeel ter beschikking stellen en
waarbij geen specifieke sector valt aan
te wijzen waaronder overwegend (dus
voor meer dan 50%) personeel ter
beschikking wordt gesteld.
Samenvattend: voor
definiëring van het begrip uitzenden in
indelingstechnische zin kan dan de grens getrokken worden langs:
1. alle
uitzendovereenkomsten mét uitzendbeding;
2. alle
uitzendovereenkomsten zónder uitzendbeding (dus voor
bepaalde dan wel onbepaalde tijd)
die uit de uitzendovereenkomsten mét uitzendbeding (uiteraard met
dezelfde werkgever/uitlener) zijn voortgekomen;
3. alle overige, niet onder
1 en 2 genoemde, uitzendovereenkomsten wanneer via de werkgever met
wie die overeenkomsten zijn
aangegaan niet voor meer dan 50% binnen
één sector wordt gewerkt.
Mutatis mutandis geldt één en ander ook buiten het bekende
uitzendcircuit voor alle situaties in het bedrijfs- en beroepsleven waarin de
genoemde uitzendovereenkomsten worden gebruikt.
Alle overige arbeids-/uitzendovereenkomsten (bepaalde dan wel onbepaalde
tijd) vallen niet onder het begrip "uitzenden" als
hier bedoeld.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel
1
Bij meer dan 50%
uitzenden vindt indeling van de gehele
onderneming plaats in de sector Uitzendbedrijven. Het betreft i.c. de gewone
indelingshoofdregel, waarbij
hier het in overwegende mate uitzenden - grootste loonsomcriterium - leidt tot indeling van de gehele
onderneming bij de sector Uitzendbedrijven.
Artikel
2
Bij uitzenden tot en
met 15% volgt geen indeling in de
sector Uitzendbedrijven; bij
uitzenden voor meer dan 15% en vervolgens tot en met 50% volgt verplichte gesplitste
indeling bij enerzijds sector
Uitzendbedrijven en anderzijds de "vaksector".
Dit is een uitzondering op het grootste
loonsomcriterium in de vorm van een verplichte gesplitste indeling. Een
vrije marge tot en met 15% wordt
toegestaan. Los hiervan heeft een werkgever
bij meer dan 50% uitzenden de
reguliere mogelijkheid om bij het Lisv [Landelijk
instituut sociale verzekeringen, red.] zelf een gesplitste aansluiting te
vragen conform het bepaalde in artikel 53,
vierde lid, Osv 1997. De verplichte
gesplitste indeling daarentegen kan op grond van de tekst van dit besluit
direct door de uitvoeringsinstellingen
worden gerealiseerd, zonder tussenkomst van het Lisv.
Artikel
3
Werkgevers die zich
weliswaar bezighouden met het ter
beschikking stellen van personeel, doch
niet vallen onder de definitie van
uitzenden als bedoeld in artikel 1, worden
ingedeeld in die sector waaronder functioneel bezien (aard van de
werkzaamheden) de door de ter beschikking
gestelde medewerkers verrichte activiteiten vallen waarvoor het meest
wordt verloond. Bijvoorbeeld:
automatiseringswerkzaamheden worden ondergebracht in de voor die werkzaamheden
geldende sector; hierbij is niet van
belang of het bedrijf waarvoor (en
waarbinnen) die werkzaamheden worden
verricht mogelijk tot een andere
sector behoort.
Wel moeten de werkzaamheden
die worden uitgeoefend voor meer
dan 50% onder eenzelfde sector
vallen. Is dat niet het geval, dan
wordt een dergelijke onderneming voor de indeling gelijkgesteld met een uitzendbedrijf.
Artikel
4
Dispensatie van
aansluiting bij sector Uitzendbedrijven is
denkbaar in bijzondere omstandigheden. Ter zake te vormen beleid en
te nemen beslissingen zijn wel
voorbehouden aan het Lisv zelf en worden
niet gemandateerd aan een uitvoeringsinstelling.
Bij zaken die zich mogelijk
lenen voor vorming van
dispensatiebeleid valt te denken aan arbeidspools/deconfiture. Voorts is
voorstelbaar dat vanuit bepaalde
sectoren/branches dispensatieverzoeken worden ingediend wanneer sprake is van
(groepen) werkgevers die nagenoeg
uitsluitend onder één vaksector uitzenden. Wellicht kan ook daarvoor
dispensatiebeleid ontwikkeld worden.
Artikelen
5 en 6
Deze artikelen behoeven geen
nadere toelichting.
Bijzondere gevallen
- Werkgevers die zich
zonder vergunning (particuliere
arbeidsbemiddeling) sec bezig houden met arbeidsbemiddeling (het bij elkaar brengen van
partijen) en om die reden
wel onder het oude Uitleenbesluit (artikel
2, tweede lid) vielen, komen niet meer
te ressorteren onder de werking van het
nieuwe uitzendbesluit.
- Bijzondere situaties
(kraamverzorgsters, uitlenen binnen
concernverband e.d.) die als uitzonderingen
buiten de werking van het
Uitleenbesluit waren gesteld (zulks blijkens de
toelichtende circulaire bij dat besluit), kunnen als uitzonderingen komen te
vervallen. Die werkgevers gaan op eigen
titel behoren tot de vaksectoren
waaronder hun werkzaamheden
ressorteren. Is er sprake van echt
uitzenden, dan vallen zij nu wel gewoon
onder de werking van het nieuwe uitzendbesluit; voor het in deze situaties opnieuw maken van een
uitzondering bestaat dan geen aanleiding
meer.
- Om wetstechnische
redenen waren onder het oude
Uitleenbesluit concernaansluitingen (aansluiting van "vakwerkgevers" bij de
sector Uitleenbedrijven dan wel
omgekeerd van uitleenbedrijven bij
vaksectoren) niet mogelijk. Onder het
nieuwe uitzendbesluit zal
concernaansluiting bij de sector
Uitzendbedrijven wél kunnen; het omgekeerde
(uitzendbedrijven via concernaansluiting naar een vaksector) blijft niet
toegestaan. Zou dit wel mogelijk zijn,
dan zou dat haaks komen te staan op
de ratio van het nieuwe uitzendbesluit, waarbinnen zelfs bij uitzenden voor
minder dan 50% voorzien wordt in
een verplichte gesplitste
aansluiting. Ontduiking daarvan door
opsplitsing in meerdere vennootschappen
gevolgd door een verzoek om
concernaansluiting bij een vaksector is niet
aangewezen.
|