|
18 maart 2008
Het bestuur van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Gelet op de artikelen 27, zevende lid, van de
Werkloosheidswet, 45, derde lid, van de
Ziektewet, 29, tweede lid, van
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
88, vierde lid, van de
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, 47, tweede lid, van de
Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, 39, tweede lid, van de
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, en 14, tweede
lid,¹ van de Toeslagenwet, en op het Maatregelenbesluit
socialezekerheidswetten;
1. Volgens de redactie
dient "tweede lid" te worden vervangen door: derde lid.
Besluit:
Art. 1.
Begripsomschrijvingen
In dit besluit wordt
verstaan onder:
a. betrokkene:
1º. de werknemer, bedoeld in de
artikelen 3 tot en met 8 en 53 van de Werkloosheidswet;
2º. de persoon, bedoeld in de
artikelen 3 tot en met 8c en 64 van de
Ziektewet, 3 tot en met
7b juncto 23,
eerste lid, en 81 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering,
7, 10 en 18 van de
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen,
3 van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
en 2:68 en 3:39 van de
Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten;
3º. degene die aanspraak maakt
op een toeslag op grond van de Toeslagenwet, zijn echtgenoot of zijn
wettelijk vertegenwoordiger; en
4º. de werknemer, de
gelijkgestelde en de beroepsbeoefenaar op
arbeidsovereenkomst, bedoeld in de artikelen 3:6
en 3:17 van de Wet arbeid en
zorg;
5º. de aanvrager en de
uitkeringsgerechtigde als bedoeld in artikel 1
van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen;
b. niet naleven van een
verplichting: het niet, niet tijdig of niet
behoorlijk nakomen van een verplichting op
grond van een van de wetten, genoemd
in artikel 1 van het Maatregelenbesluit
socialezekerheidswetten;
c. termijngebonden
verplichting: een verplichting waaraan de
betrokkene binnen een bij of krachtens de wet
vastgestelde termijn moet hebben voldaan;
d. eerste, tweede, derde en
vierde categorie: de categorieën, genoemd in
de artikelen 3 tot en met 7 van
het Maatregelenbesluit
socialezekerheidswetten;
e. re-integratie: het
verkrijgen en vergroten van mogelijkheden tot het
verrichten van arbeid en de
inschakeling in arbeid;
f. scholing: een scholing of
opleiding die naar het oordeel van het
UWV noodzakelijk wordt geacht voor
de inschakeling in arbeid.
Art. 2.
Hoogte en duur
van een maatregel
-1. Voor zover in dit besluit
niet anders is bepaald, stelt het
UWV de
hoogte en de duur van een op te leggen
maatregel vast op:
a. 5 procent van het
uitkeringsbedrag gedurende één maand bij het
niet naleven van een verplichting uit de
eerste categorie;
b. 10 procent van het
uitkeringsbedrag gedurende twee maanden bij
het niet naleven van een verplichting
uit de tweede categorie;
c. 25 procent van het
uitkeringsbedrag gedurende vier maanden bij
het niet naleven van een verplichting
uit de derde categorie;
d. blijvende gehele weigering
van de uitkering bij het niet
naleven van een verplichting uit de vierde
categorie.
-2. Een maatregel waarvan de
hoogte, berekend over de duur
waarvoor die maatregel wordt opgelegd,
minder zou bedragen dan €|25,00, wordt
vastgesteld op €|25,00.
-3. Een maatregel die wegens
recidive wordt verhoogd en waarvan
de hoogte, berekend over de duur
waarvoor die maatregel wordt opgelegd,
minder zou bedragen dan €|37,50,
wordt vastgesteld op €|37,50.
Art. 3.
Afstemming op
ernst en verwijtbaarheid
-1. Het percentage van de
maatregel wordt verlaagd of verhoogd
indien de verminderde of verhoogde
ernst of verwijtbaarheid van het niet naleven van de verplichting daartoe
aanleiding geven.
-2. Van verminderde ernst of
verwijtbaarheid, die aanleiding is voor
toepassing van een verlaagd percentage,
is sprake, indien:
a. het niet naleven van een niet-termijngebonden verplichting niet heeft
geleid tot het ten onrechte of tot
een te hoog bedrag verlenen van de uitkering en evenmin heeft kunnen leiden
tot nadelige gevolgen voor de
re-integratie van de betrokkene;
b. het niet naleven van de
verplichting, gelet op de persoonlijke
omstandigheden van de betrokkene of de
omstandigheden waaronder het niet naleven
van de verplichting heeft
plaatsgevonden, hem slechts in beperkte mate
kan worden aangerekend; of
c. de betrokkene uit eigen
beweging de nadelige gevolgen van het
niet naleven van de verplichting ongedaan
heeft gemaakt voordat het
UWV die
gedraging had geconstateerd.
-3. Van verhoogde ernst of
verwijtbaarheid, die aanleiding is voor
toepassing van een verhoogd percentage,
is sprake, indien:
a. het niet naleven van de
verplichting buitengewoon nadelige
gevolgen heeft gehad voor de werkzaamheden
van het UWV of voor de re-integratie van de betrokkene; of
b. het niet naleven van de
verplichting, gelet op de omstandigheden
waaronder dit heeft plaatsgevonden,
moet worden aangemerkt als buitengewoon
laakbaar.
-4. Indien de betrokkene, nadat
toepassing is gegeven aan artikel 8 van
het Maatregelenbesluit
socialezekerheidswetten, blijft volharden in het niet naleven van dezelfde niet
termijngebonden verplichting, wordt het
percentage van de maatregel verhoogd
tot het maximum, genoemd in artikel
2, eerste lid van dat besluit.
Art. 4.
Waarschuwing in
plaats van maatregel
-1. Het
UWV ziet af van het
opleggen van een maatregel en
volstaat met het geven van een schriftelijke
waarschuwing indien wordt voldaan aan
alle bij of krachtens de wet daaraan
gestelde voorwaarden.
-2. In afwijking van het eerste
lid wordt bij het niet naleven van een
termijngebonden verplichting een maatregel opgelegd indien de
termijnoverschrijding groter is dan veertien
kalenderdagen. Indien in de periode van
veertien kalenderdagen één of meer
werkdagen voorkomen waarop de kantoren
van het UWV gesloten zijn,
wordt die periode met evenzoveel
werkdagen verlengd.
Art. 5.
Bijzonderheden
eerste categorie
-1. Bij het niet naleven van een
termijngebonden verplichting uit de eerste categorie wordt de hoogte
van de maatregel vastgesteld op 10 procent
indien de termijnoverschrijding
groter is dan 30 kalenderdagen maar niet
groter dan 60 kalenderdagen en op 20
procent indien de
termijnoverschrijding groter is dan 60 kalenderdagen.
Bovendien wordt de duur van de maatregel
vastgesteld op twee maanden indien de
termijnoverschrijding groter is dan 90
kalenderdagen maar niet groter dan 180 kalenderdagen en op drie maanden indien de termijnoverschrijding groter
is dan 180 kalenderdagen.
-2. Indien bij het niet naleven
van een termijngebonden verplichting
uit de eerste categorie sprake is van
verminderde verwijtbaarheid, wordt de
hoogte van de maatregel vastgesteld op 2
procent in plaats van 5 procent, op 5
procent in plaats van 10 procent en op
10 procent in plaats van 20 procent.
-3. Bij het niet naleven van een niet-termijngebonden verplichting uit de eerste categorie wordt de hoogte
van de maatregel vastgesteld op 2 procent
indien er sprake is van verminderde
ernst of verwijtbaarheid en op 10 procent indien er sprake is van verhoogde
ernst of verwijtbaarheid.
Art. 6.
Bijzonderheden
tweede categorie
-1. Bij het niet naleven van een
termijngebonden verplichting uit de tweede categorie wordt de hoogte
van de maatregel vastgesteld op 20 procent
indien de termijnoverschrijding
groter is dan 60 kalenderdagen maar niet
groter dan 90 kalenderdagen en op 30
procent indien de
termijnoverschrijding groter is dan 90 kalenderdagen.
Bovendien wordt de duur van de maatregel
vastgesteld op drie maanden indien de
termijnoverschrijding groter is dan 120
kalenderdagen maar niet groter dan 180 kalenderdagen en op vier maanden indien de termijnoverschrijding groter
is dan 180 kalenderdagen.
-2. Indien bij het niet naleven
van een termijngebonden verplichting
uit de tweede categorie sprake is
van verminderde verwijtbaarheid, wordt de
hoogte van de maatregel vastgesteld
op 5 procent in plaats van 10 procent, op
10 procent in plaats van 20 procent en op 20 procent in plaats van 30
procent.
-3. Bij het niet naleven van een niet-termijngebonden verplichting uit de tweede categorie wordt de hoogte
van de maatregel vastgesteld op 5
procent indien er sprake is van
verminderde ernst of verwijtbaarheid en
op 20 procent indien er sprake is van
verhoogde ernst of verwijtbaarheid.
Art. 7.
Bijzonderheden
derde categorie
-1. Bij het niet naleven van een
verplichting uit de derde categorie wordt
de hoogte van de maatregel
vastgesteld op 15 procent indien er sprake
is van verminderde ernst of verwijtbaarheid en
op 50 procent indien er sprake
is van verhoogde ernst of verwijtbaarheid.
-2. Van verminderde ernst of
verwijtbaarheid is in elk geval sprake
indien het niet naleven van de
verplichting bestaat uit het onvoldoende
meewerken aan een gunstig resultaat van een scholing en dit niet heeft geleid tot het
voortijdig beëindigen van die
scholing.
-3. Van verhoogde ernst of
verwijtbaarheid is in elk geval sprake
indien het niet naleven van de
verplichting bestaat uit het niet aanvangen of
voortijdig beëindigen van een scholing
met baangarantie.
-4. In afwijking van het eerste
lid wordt bij het niet naleven van de
verplichting, bedoeld in artikel 30,
eerste lid, onderdeel a, van de Wet WIA, de uitkering
geweigerd voor dat deel dat niet zou
zijn uitbetaald indien die verplichting wel
zou zijn nageleefd.
-5. Indien het vierde lid wordt
toegepast op de loongerelateerde
uitkering, bedoeld in artikel 59 van de
Wet WIA, wordt de duur van de
maatregel vastgesteld op de nog resterende duur
van die uitkering.
Art. 8.
Bijzonderheden
vierde categorie
-1. Bij het niet naleven van een
verplichting uit de vierde categorie
wordt de hoogte van de maatregel
vastgesteld op 50 procent indien er sprake
is van verminderde verwijtbaarheid.
-2. Bij het niet naleven van de
verplichting, genoemd in artikel 88,
eerste lid, onderdeel d, van de Wet WIA,
wordt de uitkering geweigerd voor de duur van
het verlengde tijdvak, bedoeld
in artikel 25, negende lid, van die
wet.
-3. Onverminderd artikel
2,
zevende lid, van het Maatregelenbesluit
socialezekerheidswetten wordt bij het niet naleven van de verplichting, bedoeld
in artikel 30, derde lid, van de Wet
WIA en artikel 2:32, tweede lid, van de
Wet Wajong, de uitkering geweigerd voor dat deel dat
niet zou zijn uitbetaald indien
die verplichting wel zou zijn nageleefd en
wordt de duur van de maatregel
vastgesteld op de nog resterende duur van de
loongerelateerde uitkering, de inkomensondersteuning werkregeling,
respectievelijk de voortgezette inkomensondersteuning werkregeling.
-4. Geen maatregel wordt
opgelegd indien wegens het niet
naleven van de verplichting toepassing
wordt gegeven aan artikel 6, vijfde lid,
van het Inkomensbesluit Wet WIA.
Art. 9.
Ingangsdatum van
de maatregel
-1. De maatregel gaat in op de
begindatum van de periode waarop de
eerstvolgende betaling van de uitkering betrekking heeft, doch niet
eerder dan op de datum met ingang
waarvan de verplichting niet is
nageleefd.
-2. In afwijking van het eerste
lid gaat de maatregel in op de datum met
ingang waarvan de verplichting niet
is nageleefd, indien:
a. het niet naleven van de
verplichting niet eerder is onderkend als
gevolg van het niet naleven door de
betrokkene van de verplichting tot het
verstrekken van inlichtingen;
b. het niet naleven een
termijngebonden verplichting betreft en de
termijnoverschrijding (mede) betrekking heeft op een periode waarover wel
recht op uitkering bestaat, maar dit recht niet
geldend wordt gemaakt wegens verjaring;
c. het niet naleven de verplichting
betreft om mee te werken aan het opstellen van het participatieplan,
bedoeld in artikel 2:8, tweede lid,
onderdeel b, van de Wet
Wajong.
-3. Indien de duur van de
maatregel langer is dan de periode tussen de
datum waarop de maatregel op grond
van het eerste lid zou ingaan en de
datum waarop het recht op uitkering zal
eindigen wegens het verstrijken van
de daarvoor geldende maximumtermijn,
gaat de maatregel, in afwijking van
het eerste lid, in op een zodanige
datum dat de maatregel tegelijk met het
uitkeringsrecht zal eindigen, doch niet
eerder dan op de datum met ingang
waarvan de verplichting niet is nageleefd.
Art. 10.
Intrekking
Besluit waarschuwing
Het Besluit waarschuwing wordt ingetrokken.
Art. 11.
Overgangsrecht
Dit besluit is niet van
toepassing op beslissingen over maatregelen genomen op grond van het Maatregelenbesluit
UWV.
Art. 12.
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in
werking met ingang van 1 mei 2008.
Art. 13.
Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald
als: Beleidsregel maatregelen
UWV.
Dit besluit zal met de
toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
Amsterdam, 18 maart 2008.
Voorzitter Raad van bestuur,
J.M. Linthorst.
TOELICHTING
[18 maart 2008]
Artikel 1.
Begripsomschrijvingen
Omdat het Maatregelenbesluit
socialezekerheidswetten is gebaseerd op
uiteenlopende uitkeringswetten, die elk
hun eigen systematiek en
terminologie kennen, is het van belang dat in
deze beleidsregel enkele
begrippen uniform worden gedefinieerd. De
verplichtingen die aan een termijn zijn
gebonden, zoals het tijdig melden van ziekte
of werkloosheid, het tijdig aanvragen van de uitkering of het tijdig
verstrekken van inlichtingen, worden als
afzonderlijke groep aangeduid, omdat
daarvoor deels afwijkende regels gelden.
Artikel 2.
Hoogte en duur van
een maatregel
Het Maatregelenbesluit
socialezekerheidswetten deelt de verplichtingen in vier categorieën
in en
bepaalt voor elke categorie een
standaardpercentage voor de maatregel die wordt
opgelegd bij het niet naleven van die
verplichtingen, alsmede een minimumduur. Binnen een bepaalde bandbreedte kan het
UWV het percentage verhogen of verlagen en de duur verlengen.
Het
UWV gaat ervan uit dat
de bandbreedte voor de hoogte van de
maatregelen voldoende ruimte biedt om
adequaat te kunnen reageren op
uiteenlopende sanctiewaardige gedragingen
en dat het daarom in het algemeen niet
nodig is om ook de duur van de maatregel
te variëren. In bepaalde
situaties kan het wel aangewezen zijn om een
langere sanctieduur te hanteren, met
name wanneer de uitkeringsfondsen over
een langere periode zijn
benadeeld. In die gevallen zal er doorgaans
ook reden zijn om het maximale
kortingspercentage toe te passen. Een langere duur
van de maatregel wordt ook toegepast bij zeer
grote termijnoverschrijdingen.
Het minimumbedrag van €|25,- geldt voor elke maatregel
afzonderlijk en wordt berekend over de
periode waarover de maatregel wordt opgelegd,
dus ten minste over één maand.
Het moment van het opleggen van de
maatregel is hierbij bepalend. Indien het
minimumbedrag niet geheel wordt
gerealiseerd, bijvoorbeeld doordat de
betrokkene kort na het opleggen van de
maatregel uitstroomt uit de uitkering, vindt er
geen herberekening plaats. Worden
er meer maatregelen tegelijk opgelegd, bijvoorbeeld op grond van verschillende
wetten, dan wordt het minimumbedrag
bij elke maatregel afzonderlijk
gehanteerd. Bij recidive wordt het minimumbedrag met de helft verhoogd.
Artikel 3.
Afstemming op
ernst en verwijtbaarheid
De keuze voor het percentage
van de maatregel is afhankelijk van
de ernst van het niet naleven van de
verplichting (objectief) en van de mate
van verwijtbaarheid (subjectief). Uitgangspunt
is dat gedragingen waarvan de
ernst en de verwijtbaarheid voor de
betreffende categorie moeten worden
aangemerkt als "gemiddeld", leiden
tot een maatregel ter hoogte van het
standaardpercentage. In het gros van de gevallen
zal de standaardmaatregel als
passend kunnen worden aangemerkt. Alleen
indien daarvoor een specifieke reden is,
wordt een verlaagd of een verhoogd
percentage toegepast.
Het percentage wordt
verlaagd indien er sprake is van verminderde
ernst of verwijtbaarheid. Verminderde
verwijtbaarheid kan zijn gelegen in de
persoon of de persoonlijke
omstandigheden van de cliënt, of in de
intentie waarmee of de omstandigheden waaronder
het niet naleven van de verplichting
heeft plaatsgevonden. De beoordeling van de mate van verwijtbaarheid kan
medische elementen bevatten, maar is zeker niet uitsluitend medisch van
aard. Heeft de cliënt uit eigen beweging
zijn verzuim gerepareerd, dan kan ook dat
reden zijn om uit te gaan van
verminderde verwijtbaarheid. De maatregel moet daarnaast in een redelijke
verhouding
staan tot de objectieve ernst van de
gedraging. Heeft het niet naleven van de
verplichting niet geleid tot een onterechte of
te hoge uitkering, dan is er sprake van
verminderde ernst. Het niet naleven van
een verplichting in het kader van de
re-integratie zal vrijwel altijd leiden tot
enige vermindering van kansen of tot een zekere
mate van vertraging. Een
dergelijke gedraging wordt alleen als verminderd
ernstig aangemerkt indien komt vast
te staan dat het gedrag onmogelijk
had kunnen leiden tot feitelijke
nadelige gevolgen voor de re-integratie.
Indien de gevolgen van het
niet naleven van de verplichting naar
verhouding veel ernstiger zijn geweest
dan gemiddeld, er is bijvoorbeeld
aanzienlijke vertraging opgetreden bij de reintegratie, kan er reden zijn voor
toepassing van een verhoogd
maatregelpercentage. Ook de intentie waarmee of
de omstandigheden waaronder het
niet naleven van de verplichting
heeft plaatsgevonden, of het vervolggedrag van de betrokkene, kunnen reden
zijn tot verhoging.
Recidive binnen twee jaar
leidt op grond van artikel 9 van het
Maatregelenbesluit
socialezekerheidswetten tot
een verhoogde maatregel. Blijft
de betrokkene ook daarna nog volharden in
het niet naleven van dezelfde
verplichting, dan wordt het maximale
percentage van de betreffende categorie
toegepast. Deze laatste regel blijft beperkt
tot de niet-termijngebonden
verplichtingen.
Artikel 4.
Waarschuwing in
plaats van maatregel
Voor een beperkt aantal
verplichtingen bestaat de mogelijkheid dat
bij het niet nakomen daarvan geen
maatregel wordt opgelegd, maar in plaats
daarvan wordt volstaan met het geven van
een schriftelijke waarschuwing. In de
verschillende uitkeringswetten is hieraan
de voorwaarde gesteld dat er geen sprake
mag zijn van recidive en dat het
niet naleven van de verplichting er niet toe
heeft geleid dat er ten onrechte of tot
een te hoog bedrag uitkering is
verleend. Is aan deze voorwaarden voldaan, dan
wordt in het algemeen met een
waarschuwing volstaan. Betreft het een
termijngebonden verplichting, dan stelt het
UWV de aanvullende voorwaarde dat de
overschrijding niet groter mag zijn geweest
dan veertien dagen. De termijn
van veertien dagen wordt verlengd indien
er binnen die periode werkdagen zijn
geweest waarop de kantoren van het
UWV of de CWI gesloten waren.
Artikelen 5 en
6.
Bijzonderheden eerste en tweede categorie
Bij het niet naleven van een
termijngebonden verplichting is de duur van
de termijnoverschrijding de
meest bepalende factor voor de ernst van het
niet naleven van de verplichting.
Naarmate het verzuim langer heeft
voortgeduurd, is het voor het
UWV en de CWI meer belastend om alsnog de
nodige onderzoeken, controles en beoordelingen
uit te voeren en bestaat er een
groter risico dat het verzuim heeft kunnen
leiden tot schade aan of vertraging van
de re-integratie. Om die reden wordt bij
grotere termijnoverschrijdingen een
hoger kortingspercentage gehanteerd en wordt bij zeer aanzienlijke
termijnoverschrijdingen bovendien de duur van de maatregel verlengd. Doordat bij
voortduring van het verzuim ook de
zwaarte van de maatregel toeneemt, blijft
er een prikkel bestaan om de verplichting
alsnog na te leven.
Andere factoren dan de duur
van de overschrijding zijn voor de
ernst van het niet naleven van een
termijngebonden verplichting van
ondergeschikt belang. Zij wegen daarom niet mee
bij het vaststellen van de zwaarte van de
maatregel. Ook eventuele verhoogde
verwijtbaarheid heeft geen invloed op het
percentage en de duur van de maatregel.
Bij verminderde verwijtbaarheid
wordt wel een lager percentage
toegepast, maar wordt de duur niet verkort.
Op deze wijze blijft er ook in deze gevallen sprake van evenredigheid tussen de
duur van de overschrijding en de zwaarte
van de maatregel.
Voor de niet-termijngebonden
verplichtingen uit de eerste en de tweede categorie wordt de hoogte
van de maatregel vastgesteld op een lager
percentage indien er sprake is van
verminderde ernst of verwijtbaarheid en
op een hoger percentage indien er
sprake is van verhoogde ernst of
verwijtbaarheid. Het verlaagde percentage is
gelijk aan het minimumpercentage binnen de
bandbreedte, het verhoogde percentage bedraagt tweemaal het
standaardpercentage. De duur van de maatregel blijft in deze gevallen gelijk.
Artikelen 7 en
8.
Bijzonderheden derde en vierde categorie
In de derde en de vierde
categorie komen geen termijngebonden
verplichtingen voor. Bij het niet naleven
van een verplichting uit de derde
categorie kan het percentage van de
maatregel worden verlaagd of verhoogd bij
verminderde of verhoogde ernst of
verwijtbaarheid. In de beleidsregel worden
enkele situaties benoemd waarin hiervan
sprake is. Bij het niet naleven van een
verplichting uit de vierde categorie wordt de
hoogte van de maatregel vastgesteld op
50 procent indien er sprake is van
verminderde verwijtbaarheid.
Gedeeltelijk
arbeidsgeschikten, die op grond van de Wet WIA recht
hebben op een WGA-uitkering [WGA: werkhervatting gedeeltelijk
arbeidsgeschikten, op grond van hoofdstuk 7
van de Wet WIA, red.], zijn
verplicht om aangeboden passende arbeid
te aanvaarden. Doen zij dit niet, dan wordt
de uitkering, conform artikel 2, vierde lid, van het
Maatregelenbesluit
socialezekerheidswetten, verminderd met het
uitkeringsbedrag dat niet zou zijn uitbetaald indien het aangeboden werk
wel was geaccepteerd. Gaat het
daarbij om een loonaanvullingsuitkering of
een vervolguitkering, dan is duur van de maatregel vier maanden. Betreft het
echter een loongerelateerde uitkering,
dan wordt de maatregel opgelegd voor de
gehele resterende duur van die loongerelateerde uitkering. Op dit punt
gelden dezelfde regels als voor de WW-uitkering.
Indien het
UWV naar
aanleiding van een WIA-aanvraag de
loondoorbetalingsverplichting van de werkgever heeft verlengd, mag de
werknemer in die periode niet instemmen
met een beëindiging van de
dienstbetrekking. Doet hij dit toch, dan wordt
de uitkering geweigerd voor de duur van
de aan de werkgever opgelegde loonsanctie.
De WGA-gerechtigde die een
loongerelateerde uitkering ontvangt, is
verplicht om de passende arbeid die
hij heeft, niet verwijtbaar te
verliezen. Bij het niet naleven van deze
verplichting wordt de uitkering, conform
artikel 2, vierde lid, van het Maatregelenbesluit
socialezekerheidswetten,
verminderd met het uitkeringsbedrag dat niet zou zijn uitbetaald indien de
betrokkene de arbeid zou hebben behouden.
De maatregel wordt opgelegd voor de
gehele resterende duur van de loongerelateerde uitkering. Is er sprake van
verminderde verwijtbaarheid, dan wordt
niet alleen de hoogte tot 50% beperkt,
maar ook de duur tot maximaal 26 weken.
Indien de verloren inkomsten blijvend
worden gekort, op grond van het Inkomensbesluit
Wet WIA, is een maatregel op
deze grond overbodig en blijft
deze dus achterwege.
Artikel 9.
Ingangsdatum van
de maatregel
Indien een maatregel wordt
opgelegd naar aanleiding van een
gedraging die in het verleden heeft
plaatsgevonden, kan deze worden toegepast op
toekomstige betalingen van de nog
lopende uitkering of op uitkeringstijdvakken
in het verleden waarover reeds
betalingen zijn verricht. In het laatste
geval leidt dit tot verrekeningen en
terugvorderingen, hetgeen in administratief opzicht
meer belastend is. Het
UWV kiest
daarom in beginsel voor de beleidslijn
dat maatregelen worden toegepast op
toekomstige betalingen. In een beperkt
aantal gevallen wordt hierop een
uitzondering gemaakt. Het betreft hier de
situatie waarin de betrokkene zijn
inlichtingenplicht niet is nagekomen en
daardoor de maatregel zelf naar de
toekomst heeft verschoven, en daarnaast de
situatie waarin de maatregel (deels)
betrekking heeft op een periode waarin
het recht op uitkering niet geldend is
gemaakt wegens verjaring. In deze
situaties zou de maatregel, indien deze
zou worden toegepast op periodes in de
toekomst, onevenredig licht,
respectievelijk onevenredig zwaar uitvallen.
Verder wordt een vroegere ingangsdatum voor de maatregel gekozen indien
toepassing van de hoofdregel ertoe zou
leiden dat de maatregel niet volledig
kan worden gerealiseerd omdat het uitkeringrecht de maximumtermijn zal bereiken
voordat de maatregel eindigt. De
maatregel mag in geen enkel geval eerder
ingaan dan de datum waarop de betrokkene
de verplichting niet is nagekomen.
Artikel 10.
Intrekking
Besluit waarschuwing
Het bestaande
UWV-beleid ten
aanzien van het volstaan met een
schriftelijke waarschuwing in plaats van
het opleggen van een maatregel is nu nog
neergelegd in het Besluit waarschuwing (Lisv-besluit van 21 maart 1999,
Stcrt.
1999, 76). Aangezien het
bestaande beleid in deze nieuwe beleidsregel
wordt overgenomen, kan het Besluit waarschuwing worden ingetrokken.
Voor de volledigheid moet
worden opgemerkt dat het Maatregelenbesluit UWV
niet wordt ingetrokken.
Dit besluit vervalt van
rechtswege, als gevolg van het feit dat de
regelgevende bevoegdheid van het UWV op
het terrein van maatregelen met ingang
van 1 mei 2008 komt te vervallen (Koninklijk besluit van 23 augustus 2007,
Stb. 2007, 305).
Artikel 11.
Overgangsrecht
Het Maatregelenbesluit
socialezekerheidswetten heeft, voor wat betreft het overgangsrecht, zogenaamde
"eerbiedigende werking". Dit betekent dat
het niet van toepassing is op
gedragingen die vóór de datum van
inwerkingtreding, 1 mei 2008, hebben
plaatsgevonden. Voor die gedragingen worden
nog de regels van het (vervallen) Maatregelenbesluit
UWV toegepast, evenals het
op dat besluit gebaseerde
beleid. Deze nieuwe beleidsregel geldt
daarom uitsluitend voor beslissingen die worden genomen op grond van het
Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten.
Artikel 12.
Inwerkingtreding
De beleidsregel treedt in
werking met ingang van dezelfde datum
als het Maatregelenbesluit
socialezekerheidswetten.
Voorzitter Raad van bestuur,
J.M. Linthorst.
|
|