|
Het
Landelijk instituut
sociale verzekeringen;
Gelet op artikel 76 van de Werkloosheidswet
en
het Tijdelijk besluit proefplaatsing WW, het
Tijdelijk besluit
loonsuppletie WW en het Tijdelijk besluit
preventieve inzet wachtgeldfondsen;
Besluit:
Art. 1.
Het Landelijk instituut sociale verzekeringen voert ter zake van de uitvoering van de experimenten
scholing, proefplaatsing, loonsuppletie en
preventie WW een beleid als
weergegeven in de bijlage bij dit besluit.
Art. 2.
-1. Dit besluit treedt ten
aanzien van het onderdeel scholing in werking op 1 augustus 2000.
-2. Dit besluit treedt ten
aanzien van de onderdelen
proefplaatsing, loonsuppletie en preventie in werking
op 11 augustus 2000.
-3. Indien de
Staatscourant waarin dit besluit wordt geplaatst,
wordt uitgegeven na 1 augustus 2000,
treedt het in werking met ingang van
de tweede dag na de dagtekening van
de Staatscourant waarin het
wordt geplaatst en werkt voor
het onderdeel, genoemd in het eerste lid, terug tot en met 1 augustus
2000.
-4. Indien de
Staatscourant waarin dit besluit wordt geplaatst,
wordt uitgegeven na 11 augustus 2000,
treedt het in werking met ingang van
de tweede dag na de dagtekening van
de Staatscourant waarin het
wordt geplaatst en werkt het
voor het onderdeel, genoemd in het
eerste lid, terug tot en met 1
augustus 2000 en voor de onderdelen,
genoemd in het tweede lid, terug tot en
met 11 augustus 2000.
Art. 3.
Dit besluit wordt
aangehaald als: Besluit nadere criteria experimenten WW.
Dit besluit zal met de
bijlage in de Staatscourant worden gepubliceerd.
Amsterdam, 28 juni 2000.
J.F. Buurmeijer,
voorzitter.
BIJLAGE
bij Besluit
experimenten scholing, proefplaatsing, loonsuppletie en preventie WW
Algemeen
Met de Wet experimenten
WW (Stb. 307, 1999) is een aantal
nieuwe bepalingen in de WW geïntroduceerd. Deze maken het mogelijk
om bij algemene maatregel van bestuur - al dan niet in afwijking van bestaande
wet- en regelgeving - te
experimenteren, met als doel de inschakeling in het arbeidsproces voor
bepaalde groepen werkloze werknemers te
bevorderen en daarnaast te
bevorderen dat bepaalde groepen
werknemers ingeschakeld blijven in arbeid.
Zo biedt artikel 130a
van
de WW en het Tijdelijk besluit proefplaatsing WW de mogelijkheid om bij
wijze van experiment af te
wijken van een aantal artikelen in de
WW. Hierdoor kunnen bepaalde groepen
werknemers tijdelijk, met behoud van WW-uitkering, op proef onbeloonde
werkzaamheden verrichten voor een
werkgever, met als oogmerk na afloop
daarvan bij die werkgever tegen
beloning werkzaamheden in
dienstbetrekking te kunnen gaan
verrichten.
Op grond van artikel 130b
van de WW en het Tijdelijk
besluit loonsuppletie WW heeft het Lisv [Landelijk instituut sociale
verzekeringen, zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.] de
bevoegdheid om bij wijze van experiment loonsuppletie toe te
kennen aan bepaalde groepen werkloze
werknemers die werk aanvaarden tegen
een lager loon dan (het deel
van) de WW-uitkering die wordt beëindigd
vanwege de werkaanvaarding.
Met artikel 130c
van de WW
en het Tijdelijk besluit
preventieve inzet wachtgeldfondsen is het
Lisv opgedragen om ten behoeve van een experiment voor bepaalde groepen
werknemers die binnen een termijn
van vier maanden werkloos
dreigen te worden, werkzaamheden in
te kopen die erop gericht zijn die
werkloosheid te voorkomen.
Al deze experimenten
kennen een maximale tijdsduur van
vier jaar en zullen ingaande 11
augustus 2000 door de uitvoeringsinstellingen worden uitgevoerd. Per doelgroep
geldt een maximum van 1000
deelnemers. Indien dit maximum in
enig kwartaal is bereikt, dan eindigt
de toepassing van het experiment met
ingang van het volgende kwartaal.
Naast de hiervoor
genoemde experimenten is er een tijdelijke wijziging op komst van de
ministeriële regeling op grond van artikel 76
van de WW [Besluit van 20
december 1990, Stcrt. 1990, 252, red.]. Deze tijdelijke wijziging
[zie Stcrt. 2000, 107, red.] houdt een verruiming in van de
bestaande scholingsregels, waardoor werkloze
werknemers met enige afstand tot de arbeidsmarkt in ruimere
mate met behoud van uitkering een
scholing of opleiding kunnen volgen.
Deze gewijzigde
ministeriële regeling treedt per 1 augustus
2000 in werking en kent eveneens
een maximale looptijd van vier jaar.
Ook geldt per doelgroep een maximum
van 1000 deelnemers. De toepassing van het experiment eindigt
met ingang van het kwartaal volgend
op het kwartaal waarin het
maximum aantal deelnemers is bereikt.
Om te bewerkstelligen dat
de uitvoeringsinstellingen de experimenten proefplaatsing,
loonsuppletie, preventie en scholing op eenduidige
en eenvoudige wijze uitvoeren, wordt
het volgende beleid gevoerd.
Uitvoeringsbeleid
experiment proefplaatsing
Toets: reëel uitzicht op
een op de onbeloonde werkzaamheden aansluitende dienstbetrekking
Beleid
Van een
aspirant-werkgever die een WW-uitkeringsgerechtigde
in de gelegenheid stelt om onbeloonde
werkzaamheden in het kader van een proefplaats te verrichten,
wordt verlangd dat hij schriftelijk - bijvoorbeeld door ondertekening van
een ter zake te ontwikkelen aanvraagformulier - bevestigt dat hij de uitkeringsgerechtigde (voor minimaal dezelfde omvang) in
dienst zal nemen voor ten minste zes maanden, indien deze gedurende de
proefplaatsing heeft aangetoond te
kunnen voldoen aan de functie-eisen.
Toelichting
Om met behoud van
uitkering gedurende drie maanden onbeloonde werkzaamheden op een
proefplaats te kunnen verrichten, is in artikel
4, eerste lid, onderdeel
c, van het
Tijdelijk besluit proefplaatsing WW, onder andere als voorwaarde
opgenomen dat "er naar het oordeel van het Lisv een reëel uitzicht is op
een op de onbeloonde werkzaamheden
aansluitende dienstbetrekking van
dezelfde of grotere omvang voor
ten minste zes maanden".
Om te bewerkstelligen dat
de uitvoeringsinstellingen deze voorwaarde op eenzelfde wijze
toepassen, is bepaald dat van de werkgever wordt verlangd dat hij
schriftelijk bevestigt dat hij de uitkeringsgerechtigde voor minimaal dezelfde omvang
gedurende ten minste zes maanden in
dienst zal nemen, als de werknemer tijdens het verrichten van de
onbeloonde werkzaamheden heeft aangetoond aan de functie-eisen te kunnen
voldoen.
Uitvoeringsbeleid
experiment loonsuppletie
Toepassingbereik
experiment
Beleid
Tot het experiment worden
alleen die uitkeringsgerechtigden toegelaten die naast de werkzaamheden
welke zij tegen een lager loon dan
de uitkering verrichten en waarvoor
zij loonsuppletie aanvragen, geen andere
werkzaamheden (in dienstbetrekking of
als zelfstandige) verrichten.
Toelichting
Het experiment
loonsuppletie geeft het Lisv de
(discretionaire) bevoegdheid om uitkeringsgerechtigden die het werk in dienstbetrekking voor minimaal 12 uur per week
hervatten tegen een loon lager dan
hun uitkering, loonsuppletie te
verstrekken.
Niet ondenkbaar is dat
een uitkeringsgerechtigde deze lager betaalde werkzaamheden naast een
reeds bestaande parttimedienstbetrekking of naast werkzaamheden
als zelfstandige gaat verrichten. Indien
dergelijke uitkeringsgerechtigden
tot het experiment zouden worden toegelaten,
dan betekent dat een verzwaring voor de uitvoering.
Deze verzwaring ziet op
de berekening van de hoogte van de loonsuppletie daar waar op grond van
artikel 5 van het Tijdelijk besluit loonsuppletie WW ook met
de verrekening van inkomsten uit die
andere werkzaamheden (op grond
waarvan dus geen loonsuppletie
wordt toegekend) rekening gehouden dient
te worden. De uitvoering van
het experiment wordt in deze gevallen complex en bewerkelijk, hetgeen
een eenvoudige uitvoering van het experiment in de weg
staat.
Gelet hierop wordt het
niet opportuun geacht om uitkeringsgerechtigden tot het experiment toe te
laten die naast de werkzaamheden welke zij tegen een lager loon dan
de uitkering verrichten, ook nog
andere werkzaamheden (in dienstbetrekking of als zelfstandige) verrichten.
Overigens zal daar in het
gros van de gevallen reeds sprake
van zijn nu het hier gaat om
uitkeringsgerechtigden die een behoorlijke afstand tot de arbeidsmarkt hebben en
dus moeite hebben om (op eigen
niveau) weer terug te kunnen keren op
de arbeidsmarkt.
Uitvoeringsbeleid
experiment preventie
Toets: dat bij het
achterwege laten van de inzet van een
preventief instrument redelijkerwijs valt aan
te nemen dat (meermaals) recht op
uitkering zal ontstaan
Beleid
• Voor
de inschatting of een werknemer bij het achterwege
blijven van de toepassing van het
besluit recht op WW-uitkering zal krijgen,
wordt volstaan met een globale toets of
voldaan wordt aan de wekeneis met
als toetsmoment: de
vermoedelijke eerste WW-dag.
• Voor de inschatting
of een werknemer bij het achterwege
blijven van de toepassing van het
besluit in de eerstvolgende jaren per kalenderjaar meermaals recht op
WW-uitkering zal krijgen, wordt bezien of
de werknemer in het jaar voorafgaand
aan de aanvraag om de
preventieve inzet van een instrument:
- minimaal twee
kortdurende dienstverbanden heeft gehad; én
- in dat jaar minimaal eenmaal eerder WW-uitkering heeft ontvangen; én
- per de vermoedelijke
eerste WW-dag opnieuw in aanmerking zou kunnen komen voor een
(herleefde) WW-uitkering (globale toets).
Toelichting
Om een beroep op de
Werkloosheidswet te
voorkomen is het Lisv bij het
Tijdelijk besluit preventieve inzet wachtgeldfondsen de taak opgedragen te
bevorderen dat bepaalde groepen
werknemers ingeschakeld blijven in arbeid.
Het besluit is van
toepassing op een tweetal doelgroepen:
1. werknemers waarvan
redelijkerwijs valt aan te nemen dat hun dienstbetrekking binnen vier maanden zal
eindigen ter uitvoering van een
voornemen als bedoeld in artikel 3,
eerste lid, van de Wet
melding collectief ontslag en waarvan
redelijkerwijs vaststaat dat zij, indien
toepassing van het besluit
achterwege blijft, als gevolg van de
beëindiging van de dienstbetrekking recht op WW-uitkering zullen krijgen;
2. werknemers waarvan
redelijkerwijs valt aan te nemen dat hun dienstbetrekking binnen vier maanden zal
eindigen en waarvan redelijkerwijs
valt aan te nemen dat zij,
indien toepassing van het besluit
achterwege blijft, de eerstvolgende jaren
per kalenderjaar meermaals recht op
WW-uitkering zullen krijgen.
Ter voorkoming van
ongelijke uitvoering tussen de verschillende uitvoeringsinstellingen, maar ook ter
vereenvoudiging van de uitvoering, zijn voornoemde richtlijnen
ontwikkeld op grond waarvan
beoordeeld kan worden of:
- redelijkerwijs valt
aan te nemen dat de werknemer bij het achterwege blijven van de toepassing van het
besluit recht op WW-uitkering zal
krijgen (zie onder 1); en
- redelijkerwijs valt
aan te nemen dat de werknemer bij het achterwege blijven van de toepassing van het
besluit de eerstkomende jaren
meermaals per kalenderjaar recht op WW-uitkering zal krijgen (zie onder
2).
Het vastgestelde beleid
is tot stand gekomen in de wetenschap
dat het gaat om werknemers die
nog niet in aanmerking komen voor een WW-uitkering en waarvan dus nog geen WW-aanvraaggegevens bij
de uitvoeringsinstellingen bekend zijn. Tevens is rekening gehouden met
het feit dat snelheid van handelen bij
het nemen van de beslissing om een
preventief instrument in te kunnen
zetten geboden is. Immers, de periode
gedurende welke een instrument kan
worden ingezet bedraagt maximaal
vier maanden en kan in ieder
geval niet langer duren dan de vermoedelijke eerste WW-dag.
Een uitgebreide toets of
de werknemer bij het achterwege
blijven van de toepassing van het
besluit (meermaals per kalenderjaar) recht
op WW-uitkering zal krijgen is in dit
opzicht niet voor de hand liggend. Dit
vereist namelijk (uitgebreide) gegevensverzameling en wellicht nader
onderzoek, waarmee tijd en kosten
gemoeid zijn.
Derhalve kan worden
volstaan met een globale toets of een
recht op WW-uitkering zou kunnen
ontstaan dan wel zou kunnen herleven gelet op het arbeids- en
uitkeringsverleden van de werknemer (wordt
vermoedelijk voldaan aan de
wekeneis?). Een dergelijke toets kan geschieden op
basis van een beoordeling van de VZA [Verzekerdenadministratie, red.]
(heeft de werknemer
voldoende arbeidsverleden opgebouwd
om aan de wekeneis te kunnen
voldoen?) en - indien noodzakelijk - op basis van de GVI
[Gemeenschappelijke Verwijsindex, red.] en de eigen uitkeringsadministratie van de
uitvoeringsinstelling (heeft de werknemer
eerder WW-uitkering ontvangen?).
Gelet op de tekst van het
besluit is het aangewezen om voor de (globale) vaststelling of een
werknemer bij het achterwege blijven van de
toepassing van het besluit recht op
WW-uitkering zal krijgen als
toetsingsdatum de vermoedelijke eerste
WW-dag aan te merken.
Opgemerkt wordt nog dat
ten behoeve van werknemers
die dreigen werkloos te worden
slechts instrumenten met een duur korter dan vier maanden kunnen worden
ingezet tot uiterlijk de
vermoedelijke eerste WW-dag. De doelgroepomschrijving
van artikel 130c en de tekst
van artikel 2 van het bijbehorende
besluit laten een ruimere uitleg namelijk
niet toe.
Uitvoeringsbeleid
experiment scholing
Toets: reëel uitzicht op
een op de scholing aansluitend dienstverband
Beleid
Van een
aspirant-werkgever die een WW-uitkeringsgerechtigde
in de gelegenheid stelt om een
bedrijfsgerichte opleiding te volgen, wordt
verlangd dat hij schriftelijk
bevestigt dat hij de uitkeringsgerechtigde
aansluitend een dienstbetrekking aanbiedt van ten minste zes maanden,
indien de uitkeringsgerechtigde de opleiding met succes heeft afgerond.
Toelichting
Om met behoud van
uitkering gedurende drie maanden een bedrijfsgerichte opleiding of scholing te
kunnen volgen, is in artikel 2b,
tweede lid, van de Regeling houdende een
tijdelijke wijziging van de
ministeriële regels op grond van artikel 76 van
de WW onder andere als
voorwaarde opgenomen dat "er een reëel
uitzicht is op een op de opleiding of
scholing aansluitende dienstbetrekking voor ten minste zes maanden".
Om te bewerkstelligen dat
de uitvoeringsinstellingen deze voorwaarde op eenzelfde wijze
toepassen, is bepaald dat van de werkgever wordt verlangd dat hij
schriftelijk bevestigt dat hij de uitkeringsgerechtigde gedurende ten minste zes maanden in
dienst zal nemen, als de
uitkeringsgerechtigde de opleiding met succes heeft afgerond.
|