|
Het
Landelijk instituut
sociale verzekeringen;
Gelet op artikel
24, eerste
lid, onderdeel b, ten eerste, van de Werkloosheidswet;
Besluit:
Art. 1.
Het Landelijk instituut
sociale verzekeringen voert ter zake van de oriëntatieperiode een beleid als weergegeven
in de bijlage bij dit besluit.
Art. 2.
De Circulaire C 773 van 13
mei 1986 van de Federatie van Bedrijfsverenigingen en de besluiten van
bedrijfsverenigingen met betrekking tot de
oriëntatieperiode en de WW, welke besluiten krachtens
artikel 7 van de
Invoeringswet Organisatiewet sociale
verzekeringen 1997 gelden als besluiten van het
Landelijk instituut sociale verzekeringen, worden ingetrokken.
Art. 3.
Dit besluit treedt in
werking op 1 augustus 1998. Indien de Staatscourant waarin dit besluit wordt
geplaatst, wordt uitgegeven na 31 juli
1998, treedt het in werking met ingang
van de tweede dag na de dagtekening
van de Staatscourant waarin het
wordt geplaatst.
Art. 4.
Dit besluit wordt aangehaald
als: Besluit oriëntatieperiode
en de WW.
Amsterdam, 22 april 1998.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.
BIJLAGE
In de
WW is bepaald dat de
werknemer voorkomt dat hij werkloos is
of blijft doordat hij in
onvoldoende mate tracht passende arbeid te
verkrijgen. Van de werknemer die op grond van de WW de plicht heeft om te
solliciteren wordt verwacht dat hij er
alles aan doet om de werkloosheid te
voorkomen of op te heffen door het
verrichten van concrete sollicitatieactiviteiten. In het Besluit sollicitatieplicht
werknemers WW is neergelegd wat onder
deze sollicitatieplicht moet worden verstaan.
In aanvulling op dit besluit
wordt voor WW-uitkeringsgerechtigden
die zich oriënteren op de
mogelijkheden van het gaan uitoefenen van een
zelfstandig beroep of bedrijf het volgende beleid gevoerd.
Onder oriëntatiefase wordt
verstaan de periode die voorafgaat aan
de daadwerkelijke start van het
ondernemerschap waarin betrokkene zich
oriënteert op de mogelijkheden van het gaan
uitoefenen van een zelfstandig beroep
of bedrijf (marktmogelijkheden, financieringsmiddelen, vestigingseisen
e.d.). Deze
oriënterende activiteiten kunnen gedurende drie maanden op één lijn
worden gesteld met sollicitatieactiviteiten. De WW-uitkering kan worden
voortgezet onder uitdrukkelijke
aantekening dat de werkloze werknemer zich
beschikbaar blijft stellen voor de
arbeidsmarkt, geen productieve arbeid
verricht (bijvoorbeeld orders verwerven) en blijft
voldoen aan de overige uitkeringsvoorwaarden en controlevoorschriften. Na
een gemotiveerd verzoek kan de termijn van
drie maanden worden verlengd. Op
het moment dat de
oriëntatiefase overgaat in het daadwerkelijk starten
van het eigen bedrijf dient het
uitkeringsrecht te worden beëindigd.
TOELICHTING
[22 april 1998]
Reeds geruime tijd wordt een
beleid inzake de zogenaamde
oriëntatieperiode gevolgd. Met een
oriëntatieperiode wordt betrokkene in staat
gesteld de mogelijkheden tot het uitoefenen van een zelfstandig beroep of
bedrijf te verkennen, zonder dat hij meteen alle WW-rechten verliest. Een
oriëntatieperiode past in het beleid gericht
op het bevorderen van de
reïntegratie.
In 1986 heeft de Federatie
van Bedrijfsverenigingen de Circulaire C 773:
Toepassing WW bij het starten van een bedrijf door werkloze
werknemers, opgesteld. Bij Besluit van 2 april 1997 (Stcrt. 1997, 74) is deze
circulaire aangemerkt als voorschrift van het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) aan de uitvoeringsinstellingen. Ingevolge dit voorschrift
kan de WW-uitkering gedurende de oriëntatiefase worden voortgezet. De uitvoeringsinstellingen
volgen in het algemeen dit voorschrift, behoudens
ingeval bedrijfsverenigingen specifiek beleid hebben vastgesteld. Enkele
bedrijfsverenigingen hebben eigen beleid
vastgesteld. Dit beleid komt in grote lijnen
met het algemene beleid overeen. In
een aantal gevallen is nader invulling
gegeven aan enkele aspecten, bijvoorbeeld aan de termijn die kan gelden als
oriëntatieperiode, de mogelijkheid tot verlenging van de oriëntatieperiode en
de vraag wie (en op welk moment) voor
de oriëntatieperiode in
aanmerking kan komen.
In het door het Lisv
overgenomen beleid van de Federatie van
Bedrijfsverenigingen wordt niet nader ingegaan op de personenkring, de
maximumduur van de oriëntatieperiode en
de mogelijkheid van verlenging
van een oriëntatieperiode. Ook is niet exact aangegeven in hoeverre
oriënterende activiteiten kunnen worden
aangemerkt als sollicitatieactiviteiten. Evenmin is aangegeven wanneer de
oriëntatiefase overgaat in het
daadwerkelijke starten van het eigen bedrijf
(behalve het verrichten van productieve arbeid, bijvoorbeeld orders verwerven).
Op dit moment ontbreken de
kwantitatieve en kwalitatieve gegevens om
te beoordelen of het gewenst
dan wel noodzakelijk is om nadere
criteria op te stellen ter zake van de hiervoor genoemde aspecten.
Om die reden is besloten een
nieuwe richtlijn op te stellen die
overeenkomt met het bestaande
Lisv-voorschrift, met dien verstande dat de
maximale duur van de oriëntatieperiode
wordt gesteld op drie maanden, met de
mogelijkheid tot verlenging na een
gemotiveerd verzoek. De Circulaire C 773 en het bestaande beleid van de bedrijfsverenigingen
worden ingetrokken. Hiermee wordt bereikt dat er één
beleid wordt gevoerd voor alle sectoren.
Tevens is besloten deze richtlijn na
één jaar te evalueren. Deze evaluatie
zal gericht zijn op de uitvoerbaarheid
en de noodzaak/behoefte tot nadere
invulling van de richtlijn.
Nadere inlichtingen over dit
besluit kunnen worden verkregen bij
het Landelijk instituut sociale
verzekeringen, postbus 74765, 1070 BT Amsterdam [zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.].
Amsterdam, 22 april 1998.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.
|