|
Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Besluit:
Art.
1.
Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
hanteert bij het
beoordelen van cliënten voor het volgen van een scholing het protocol
als weergegeven in de bijlage bij dit besluit.
Art.
2.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2005. Indien de
Staatscourant waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 29
juni 2005, treedt het in werking met ingang van de tweede dag na de
dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt het
terug tot en met 1 juli 2005.
Art.
3.
De Mededeling 97.099 "Arbeidsdeskundige standaard scholing"
wordt ingetrokken.
Art.
4.
Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels Protocol Scholing.
Dit
besluit wordt met de toelichting en de bijlage in
de Staatscourant geplaatst.
Amsterdam, 1 februari
2005.
J.M. Linthorst, voorzitter Raad van bestuur UWV.
TOELICHTING
[1 februari 2005]
Voor de beoordeling van cliënten voor het volgen van een scholing
heeft UWV in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid in nauwe samenwerking met Borea [Brancheorganisatie
Reïntegratiebedrijven, red.], Landelijke
Cliëntenraad
en de Rea-scholingsinstituten het protocol scholing ontwikkeld.
Het
protocol scholing bestaat uit drie onderdelen:
A. Het bepalen van de noodzakelijkheid van scholing.
B. Het toetsen van de scholing op basis van de regelgeving en de kosten-batenverhouding.
C. Het beoordelen van de schoolbaarheid van de uitkeringsgerechtigde.
Amsterdam, 1 februari
2005.
J.M. Linthorst, voorzitter Raad van bestuur UWV.
BIJLAGE
Protocol
Scholing
1. Definitie
van scholing
Voor het protocol
wordt de volgende definitie van scholing gehanteerd: opleiding of
scholing is het systematisch verwerven van arbeidsmarktrelevante kennis
en/of vaardigheden voor de uitoefening, het behoud of het verkrijgen van
een taak, functie of (zelfstandig) beroep onder begeleiding van daartoe
aangestelde docenten. Het dient zowel voor het uitoefenen als het
verkrijgen van een (deel)kwalificatie voor taak, functie of beroep.
Het betreft dus kwalificerende scholing.
Vaardigheidstrainingen vallen niet onder scholing.
2. Doelgroep
van het protocol
De doelgroep van
het scholingsprotocol zijn in principe alle WW-,
Wajong- en WAO-uitkeringsgerechtigden
waarvan is vastgesteld dat een reïntegratietraject mogelijk is.
Voordat het scholingsprotocol wordt toegepast,
heeft de casemanager WW of de arbeidsdeskundige dus al vastgesteld of
reïntegratie mogelijk is en of de uitkeringsgerechtigde gemotiveerd is
voor het volgen van een reïntegratietraject. Blijkt de motivatie te
ontbreken, dan moet vastgesteld worden of dit verwijtbaar is, dat wil
zeggen aan de uitkeringsgerechtigde toegerekend kan worden.
3.
Beoordeling op indicatoren
Het protocol
scholing bestaat uit drie onderdelen:
A. Het bepalen van de noodzakelijkheid van scholing.
B. Het toetsen van de scholing op basis van de regelgeving en de kosten-batenverhouding.
C. Het beoordelen van de schoolbaarheid van de uitkeringsgerechtigde.
In
onderdeel A wordt bepaald of scholing noodzakelijk is. De stappen die
hierbij gezet moeten worden, zijn opgenomen in paragraaf
4. Eerst wordt
gekeken of de uitkeringsgerechtigde terug kan naar het oude beroep
zonder dan wel met scholing.
Wanneer dat niet mogelijk is, wordt gekeken
naar andere beroepen en of daarbij scholing noodzakelijk is. Bij de
beroepen wordt telkens gekeken of er voldoende vraag naar is op de
regionale arbeidsmarkt.
Wanneer onderdeel A van het protocol is
toegepast, zijn de volgende uitkomsten mogelijk:
- Er is geen scholing nodig.
- Scholing is noodzakelijk.
- UWV heeft extern advies nodig om de beroepskeuze van de
uitkeringsgerechtigde te bepalen.
Wanneer wordt vastgesteld dat scholing
noodzakelijk is en welke scholing dat dan is, wordt onderdeel B van het
protocol gevolgd. De te ondernemen stappen zijn beschreven in paragraaf
5. Hierin wordt getoetst of de benodigde scholing voldoet aan het
wettelijk kader.¹ Verder wordt bekeken of de kosten van de scholing
opwegen tegen de baten (schadelastbeperking). Wanneer één van deze
twee vragen negatief wordt beantwoord, is een ander beroep de meest voor
de hand liggende keuze; onderdeel A vanaf stap 3 of 4 moet weer worden
doorlopen. Wanneer de twee vragen met ja worden beantwoord, is onderdeel
C van het protocol aan de orde.
In onderdeel C van het protocol wordt bepaald of de benodigde scholing
haalbaar is voor de uitkeringsgerechtigde. De stappen die daarbij
doorlopen moeten worden, zijn uitgewerkt in paragraaf 6. Dit onderdeel
van het protocol resulteert in een vaststelling van de mate van
schoolbaarheid van de uitkeringsgerechtigde en welke gevolgen dat heeft
voor de mogelijke inzet van scholing: scholing is
mogelijk, scholing met aanpassingen is mogelijk, alleen scholing door Rea-instituten is mogelijk of er is geen scholing mogelijk.
1. Het betreft de Regeling
van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 25 augustus
2004, Directie Sociale Verzekeringen, nr. 04/57292, houdende vaststelling
van regels over de noodzakelijke opleiding of scholing als bedoeld in artikel
76 Werkloosheidswet (Scholingsregeling
WW).
Uitzonderingen
In
uitzonderingsgevallen kan worden afgeweken van het protocol. Dit moet
wel gemotiveerd worden. Voor deze gevallen dient een second-opinionprocedure te worden opgesteld. Pas indien ook na een second opinion tot
hetzelfde oordeel wordt gekomen, kan worden afgeweken van het protocol.
4. Onderdeel
A: de beoordeling van noodzakelijkheid van scholing
Aan de hand van de
stappen 1 tot en met 5 kan worden vastgesteld of een
uitkeringsgerechtigde scholing nodig heeft om via de kortste weg terug
te kunnen keren op de arbeidsmarkt. Hieronder worden de stappen
toegelicht.
Stap 1
Uitgangspunt is de kortste weg naar werk. Als de uitkeringsgerechtigde
in het oude beroep kan worden hergeplaatst zonder scholing, is dat de
aangewezen weg. Er kan eventueel wel behoefte zijn aan
sollicitatietraining of andere vaardigheidstrainingen. Voor
arbeidsgehandicapten zijn eventueel aanpassingen aan de eigen werkplek
nodig. In deze stap wordt ook getoetst of er voldoende vraag is naar het
beroep op de regionale arbeidsmarkt. Wanneer dit niet het geval is, moet
er naar alternatieve beroepen worden gekeken en volgt stap 3.
Stap 2
In
sommige gevallen zal de uitkeringsgerechtigde relevante
arbeidsmarktervaring hebben, maar niet de benodigde diploma’s
(bijvoorbeeld veiligheidsdiploma’s, specifieke computerprogramma’s,
heftruckchauffeursdiploma). Scholing is dan aan de orde. Het verdient
dus de voorkeur om iemand met scholing naar het oude beroep terug te
geleiden boven begeleiding naar een ander beroep zonder scholing. Wel
moet de keuze afgezet worden tegen de (on)mogelijkheden van de regionale
arbeidsmarkt.
In het geval van WAO-uitkeringsgerechtigde
zal moeten worden bekeken of hij/zij teruggeplaatst kan worden bij de
oude werkgever in een andere functie indien hij/zij niet meer in het
oude beroep kan functioneren.
Stap 3
Indien de uitkeringsgerechtigde niet terug kan in het oude beroep of
indien er geen vraag meer is op de arbeidsmarkt naar het oude beroep of
de benodigde scholing niet is toegestaan of te duur is, moet gekeken
worden welke andere opties er zijn. Het wensberoep van de
uitkeringsgerechtigde is hierbij uitgangspunt. Dit wensberoep moet
echter wel aansluiten bij de mogelijkheden van de uitkeringsgerechtigde.
Ook in deze stap wordt getoetst of er voldoende vraag is naar het
wensberoep op de regionale arbeidsmarkt. Wanneer dit niet het geval is,
moet er naar alternatieve beroepen worden gekeken en volgt stap 4.
Stap 4
Wanneer het oude beroep of wensberoep (met of zonder scholing) geen
mogelijkheid bieden tot (een snelle) plaatsing op de arbeidsmarkt, moet
gekeken worden naar andere mogelijke beroepen. Er wordt in deze stap ook
getoetst of er voldoende vraag is naar het beroep op de regionale
arbeidsmarkt. Wanneer dit niet het geval is, moet er naar alternatieve
beroepen worden gekeken.
Een deel van de uitkeringsgerechtigden zal niet
goed weten welk beroep ze willen of kunnen uitoefenen. Zij zijn niet
meer in staat om hun oude beroep uit te oefenen en moeten zich
heroriënteren op de arbeidsmarkt. Het kan voorkomen dat UWV
daarbij
extern advies nodig heeft. Wanneer dit alsnog resulteert in de
keuze van een beroep, volgt stap 5. Wanneer ook het externe advies niet
leidt tot een beroepskeuze, eindigt het scholingsprotocol.
Stap 5
Wanneer het beroep is vastgesteld, wordt bekeken of de
uitkeringsgerechtigde scholing nodig heeft om dit beroep te kunnen
uitoefenen. Indien plaatsing in dit beroep mogelijk is zonder scholing,
is scholing niet aan de orde. Wanneer er scholing noodzakelijk is, volgt
onderdeel B van het protocol: de toets van de scholing.
5. Onderdeel
B: toets scholing
In dit onderdeel
van het protocol wordt enerzijds vastgesteld of de noodzakelijke
scholing voldoet aan de regelgeving (stap 6) en anderzijds of de kosten
van de scholing opwegen tegen de baten (stap 7).
Stap 6
De
scholing die UWV inzet ten behoeve van uitkeringsgerechtigden moet aan
de onderstaande voorwaarden voldoen: ¹
- De scholing moet noodzakelijk zijn en moet bestaan uit het
systematisch verwerven van kennis dan wel vaardigheden volgens een
vooraf vastgesteld programma, waarbij de verworven kennis en
vaardigheden worden getoetst.
- Scholing moet arbeidsmarktrelevant zijn.
- Een opleiding of scholing als bedoeld in artikel
76 WW duurt maximaal één jaar. UWV kan in
individuele gevallen een opleiding of scholing van een langere duur
toestaan, doch niet meer dan twee jaar.²
- De opleiding of scholing bestaat in overwegende mate uit het
verrichten van activiteiten die niet productie als doel hebben.
Deze regels zijn van toepassing op de scholing
van WW-, Wajong- en WAO-gerechtigden.
1. Zie scholingsregels WW (artikel
76).
2. De duur van de scholing is volgens de scholingsregels van de WW
in de regel maximaal één jaar met als maximum twee jaar. Dit is van
toepassing op ontslagwerklozen en arbeidsgehandicapten met een
WW-component in hun uitkering. Arbeidsgehandicapten met een Wajong-uitkering
of alleen een WAO-uitkering kunnen in
voorkomende gevallen wel eens aangewezen zijn op een langere
scholingsduur. Ook bij deze scholingen wordt gestreefd naar een zo
effectief mogelijke inzet van het instrument scholing, maar een langere
duur dan twee jaar kan, mits gemotiveerd, aan de orde zijn.
Stap 7
In
de beslissing of een uitkeringsgerechtigde daadwerkelijk een scholing
kan gaan volgen, moeten ook de kosten en de duur in ogenschouw worden
genomen.
- De omstandigheden kunnen aanleiding geven dat het kosten-batenbeginsel
een rol speelt, dat wil zeggen dat de kosten van de scholing niet hoger
mogen zijn dan de verwachte schadelastbeperking in termen van een
kortere dan wel lagere uitkering.¹ Ten aanzien van jonggehandicapten
speelt het kosten-batenbeginsel slechts in uitzonderingsgevallen een
rol.
- Het tweede uitgangspunt is dat de duur van de scholing de
uitkeringsduur niet overstijgt. Er kan besloten worden om een scholing
te volgen die langer duurt dan de uitkeringsduur. Bij de aanwezigheid
van een baangarantie wordt de verwachte schadelastbeperking groter en
kunnen de kosten hoger zijn.
1. In het geval iemand na de
WW onder de Wwb
gaat gevallen, is het in de toekomst misschien mogelijk om in overleg
met de gemeentelijke sociale dienst een scholingstraject af te spreken.
Door beide uitkeringen te koppelen, zal schadelastbeperking eerder aan de
orde zijn.
6. Onderdeel
C: de beoordeling van de schoolbaarheid
Indien is
vastgesteld dat de noodzakelijke scholing voldoet aan het wettelijk
kader en de kosten opwegen tegen de baten, moet vervolgens worden
beoordeeld of deze scholing ook haalbaar is voor de
uitkeringsgerechtigde.
De
beoordeling van de schoolbaarheid leidt tot de volgende mogelijke
uitkomsten:
- De uitkeringsgerechtigde is schoolbaar; er kan scholing worden
ingezet.
- De uitkeringsgerechtigde is alleen schoolbaar met de inzet van een
aangepaste scholing.
- De uitkeringsgerechtigde is alleen met de inzet van een Rea-instituut
schoolbaar.
- De uitkeringsgerechtigde is niet schoolbaar voor de specifieke
scholing die op basis van het scholingsprotocol noodzakelijk wordt
geacht. Dan moet gekeken worden of er andere beroepen mogelijk zijn
waarvoor geen scholing nodig is of scholing nodig is die wel haalbaar is
voor de betreffende uitkeringsgerechtigde.
- De uitkeringsgerechtigde is in het geheel niet schoolbaar. Scholing is
voor de betreffende uitkeringsgerechtigde niet mogelijk.
- UWV heeft extern advies nodig bij het vaststellen van de
schoolbaarheid van de uitkeringsgerechtigde, wat vervolgens weer kan
leiden tot de hierboven genoemde uitkomsten.
Bij
het vaststellen van de schoolbaarheid worden drie indicatoren
onderscheiden: de motivatie voor de scholing, de cognitieve vaardigheden
van de uitkeringsgerechtigde en persoonlijke belemmeringen. Hieronder
worden deze indicatoren nader besproken.
Stap 8, indicator 1: motivatie
Motivatie is erg belangrijk voor het welslagen van een scholingstraject.
Indien de uitkeringsgerechtigde niet gemotiveerd is voor het volgen van
scholing, heeft scholing geen zin. Er zal dan eerst aandacht moeten zijn
voor de motivatie.
Stap 8, indicator 2: cognitieve vaardigheden
Vastgesteld moet worden of de opleiding aansluit bij de cognitieve
vaardigheden van de uitkeringsgerechtigde. Hierbij moet ook gecheckt
worden of de uitkeringsgerechtigde voldoet aan de formele instroomeisen
van de opleiding. Op basis van de capaciteiten van de
uitkeringsgerechtigde kan gekozen worden voor theoretisch of meer
praktijkgericht onderwijs. Wanneer er onzekerheid bestaat over de
cognitieve vaardigheden, kan hiervoor extern advies worden ingezet.
Bij het vaststellen van de cognitieve
vaardigheden wordt ook gekeken worden naar de opleidingen die de
uitkeringsgerechtigde in het recente verleden heeft gevolgd. Het niet
afronden van opleidingen is mogelijk een signaal voor belemmeringen in
de persoonlijke situatie die het risico op uitval vergroten. Deze
belemmeringen zijn nader uitgewerkt onder indicator 3.
Stap 8, indicator 3: belemmeringen in de
persoonlijke situatie
De
persoonlijke belemmeringen die hieronder worden onderscheiden, zijn
ontleend aan het protocol ZMP (indicator
2) [ZMP: zeer moeilijk plaatsbaar, red.]. De belemmeringen die gelden
voor ZMP waardoor zij moeilijk plaatsbaar zijn op de arbeidsmarkt,
vormen vaak ook belemmeringen om succesvol een scholingstraject te
volgen. Het benoemen van de belemmeringen in het kader van
schoolbaarheid heeft echter een andere functie: wanneer een belemmering
wordt geconstateerd, moet bekeken worden of door middel van aanpassingen
in de inrichting van de opleiding scholing toch tot de mogelijkheden
behoort. Het gaat hierbij onder meer om de volgende mogelijke
aanpassingen:
- Aanpassingen in het aantal dagdelen of duur van het traject.¹
- Aanpassingen in de wijze waarop onderwijs wordt gegeven.
- Extra begeleiding gedurende het scholingstraject.
- Psychische begeleiding gedurende het traject.
- Bij de scholing ook inzetten van vaardigheidstrainingen.
In complexe gevallen heeft UWV
de optie om
extern advies in te zetten om de schoolbaarheid vast te stellen.
1. Sommige uitkeringsgerechtigden hebben een medische duurbeperking ten
aanzien van arbeid. Dit hoeft echter niet te betekenen dat ook slechts
voor een aantal dagen per week scholing gevolgd kan worden. In overleg
tussen de arbeidsdeskundige, de verzekeringsarts en de
uitkeringsgerechtigde kan een oplossing worden gezocht.
a. Medische beperkingen (fysiek en/of
psychisch) en de beleving daarvan door de uitkeringsgerechtigde
- Aanwezigheid van objectief
vaststelbare medische beperkingen waardoor het volgen van een
onderwijstraject lastig is (bijvoorbeeld auditief-visuele beperkingen).
Bekeken moet worden of met aanpassingen in het scholingstraject
(bijvoorbeeld een doventolk, aantal dagdelen) wel onderwijs gevolgd kan
worden.
- Aanwezigheid van medische beperkingen die in de beleving van de
uitkeringsgerechtigde onderwijs volgen moeilijk maken. Het gaat hierbij
vooral om uitkeringsgerechtigden die zich door de jaren heen zo
vereenzelvigd hebben met hun (op enig moment wel aanwezige)
belemmeringen/beperkingen dat zij het in de huidige situatie heel
moeilijk vinden om zich te focussen op de dingen die ze nog wél kunnen,
of juist om uitkeringsgerechtigden die recent arbeidsongeschikt zijn
geworden en nog in een rouwproces zitten vanwege het verlies van
mogelijkheden/beroep en daarom geen oog hebben voor wat zij nog wel
kunnen.
- Aanwezigheid van een negatieve prognose voor de ontwikkeling van de
medische aandoening, waarmee in het traject rekening dient te worden
gehouden.
- Aanwezigheid van een ernstige verslavingsproblematiek. Met deze
problematiek moet mogelijk voorafgaand of tijdens het scholingstraject
rekening worden gehouden.
b. Rolidentificatie in uitkeringssituatie
Binnen de uitkeringssituatie heeft de uitkeringsgerechtigde zijn eigen
zinvolle bezigheden/daginvulling opgebouwd:
- zorg voor gezinshuishouden;
- mantelzorg;
- vrijwilligerswerk.
Om succesvol deel te kunnen nemen aan scholing
zal de uitkeringsgerechtigde bereid moeten zijn om tijd vrij te maken,
zodat de scholing gevolgd kan worden en huiswerk gemaakt kan worden.
Eventueel kan gedurende het scholingstraject extra begeleiding worden
ingezet.
c. Schuldenproblematiek
Het
gaat hier om uitkeringsgerechtigden die te maken hebben met een
schuldenproblematiek die zo ernstig is dat zij moeilijkheden ondervinden
om zich te concentreren op en/of te motiveren voor het volgen van een
scholingstraject. De uitkeringsgerechtigde zal eerst of gelijktijdig een
schuldsaneringstraject moeten
volgen, wil scholing succesvol kunnen zijn.
d. Problemen in de sociale situatie en de
beleving daarvan door de uitkeringsgerechtigde
- Sociale druk vanuit de
omgeving van de uitkeringsgerechtigde om geen activiteiten te ontplooien
die kunnen leiden tot werk. De omgeving kan betrekking hebben op de
familie- en vriendenkring, maar ook op de directe buurt waarin iemand
woont.
- Een thuissituatie die het succesvol volgen van een opleiding
belemmert. Bijvoorbeeld de aanwezigheid van kleine kinderen of inwonende
familieleden.
De belemmeringen kunnen mogelijk verholpen
worden door extra begeleiding tijdens het scholingstraject.
e. Problemen die zich voordoen in de relatie
uitkeringsgerechtigde en scholing/gedragsfactoren
- Problemen met sociale
vaardigheden in werk- en scholingssituaties (gezagsverhoudingen,
zelfstandig werken).
- Realiteitsprobleem in verwachtingenpatroon van eigen functioneren op
het werk (te hoge of juist te lage ambities en verwachtingen).
Door het inzetten van vaardigheidstrainingen
naast de scholing kunnen deze belemmeringen mogelijk worden opgeheven.
f. (Beleving van) psychologische
belemmeringen door de uitkeringsgerechtigde, bijvoorbeeld een
niet-realistisch zelfbeeld gelegen in een persoonlijke problematiek
Dit
onderdeel is al verwerkt in de beroepskeuze. Zolang de
uitkeringsgerechtigde geen realistisch zelfbeeld heeft, zal het niet
mogelijk zijn om een reële beroepskeuze en daaraan gekoppeld de
scholingsnoodzaak te bepalen.
BIJLAGE
1
Beslisboom
scholing
A.
Bepaling noodzakelijkheid scholing

B. Toets
scholing

C.
Vaststellen schoolbaarheid uitkeringsgerechtigde

|