|
Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Besluit:
Art.
1.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
hanteert bij het beoordelen van cliënten voor het volgen van een
scholing het protocol als weergegeven in de bijlage bij dit besluit.
Art.
2.
Het Besluit Protocol Scholing 2005,¹ gepubliceerd in de Staatscourant van 1 februari 2005, nummer 125,¹ met
datum inwerkingtreding 6 juli 2005, wordt ingetrokken.
1. Volgens de redactie
dient "Besluit Protocol Scholing 2005" te worden vervangen
door "Beleidsregels Protocol Scholing"
en "nummer 125" door: nummer 126.
Art.
3.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 augustus 2008. Indien de Staatscourant
waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 juli 2008,
treedt het besluit in werking met ingang van de tweede dag na
dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt
terug tot en met 1 augustus 2008.
Art.
4.
Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels Protocol Scholing 2008.
Dit besluit wordt met de
toelichting en de bijlage in de Staatscourant geplaatst
Amsterdam, 1 juli 2008.
Voorzitter Raad van bestuur UWV,
J.M. Linthorst.
BIJLAGE
Protocol
Scholing 2008
1.
Definitie van scholing
Voor het protocol
[lees: Voor het Protocol Scholing 2008, verder te noemen Protocol
Scholing of protocol, red.] wordt de volgende definitie van
scholing gehanteerd: opleiding of scholing is het systematisch verwerven
van arbeidsmarktrelevante kennis en/of vaardigheden voor de uitoefening,
het behoud of het verkrijgen van een taak, functie of (zelfstandig)
beroep onder begeleiding van daartoe aangestelde docenten. Het dient
zowel voor het uitoefenen als het verkrijgen van één of meerdere
(deel)kwalificatie(s) voor een taak, functie of beroep.
In
dit protocol worden onder het begrip scholing alle kwalificerende
instrumenten begrepen die een cliënt dient te volgen om zijn
(toekomstige) functie uit te kunnen oefenen.
2.
Toepassing protocol
Het Protocol
Scholing is van toepassing op alle WW-, Wajong-,
WIA- en WAO-cliënten.
Voordat het Protocol Scholing wordt toegepast, heeft de re-integratiecoach
Werk of de arbeidsdeskundige vastgesteld dat re-integratie mogelijk is
én dat de cliënt gemotiveerd is. Toepassing van het Protocol Scholing
gebeurt altijd in relatie met de vraag van een concrete werkgever dan
wel met het oog op beschikbare vacatures op de lokale/regionale
arbeidsmarkt.
3.
Beoordeling op indicatoren
Het Protocol
Scholing bestaat uit drie onderdelen:
A. Het bepalen van de noodzaak van scholing.
B. Het toetsen van de scholing op basis van de regelgeving.
C. Het beoordelen van de schoolbaarheid van de cliënt.
In
onderdeel A wordt bepaald of scholing noodzakelijk is. De stappen die
hierbij doorlopen worden, zijn opgenomen in paragraaf 4.
Uitgangspunt is de vraaggerichte benadering op
de regionale arbeidsmarkt. Daarvan is in eerste instantie sprake indien
er een concrete vacature bij een werkgever in zicht is ten aanzien van
de functie waarvoor geschoold wordt. Is dit laatste niet het geval, dan
dient er in ieder geval sprake te zijn van aanwezigheid van vacatures op
de regionale arbeidsmarkt met betrekking tot de functie. De relatie
tussen de inzet van scholing én het beschikbaar zijn van concrete
vacatures op de arbeidsmarkt wordt hierdoor verstevigd.
Na
toepassing van onderdeel A van het protocol zijn de volgende uitkomsten
mogelijk:
- scholing is niet noodzakelijk;
- scholing is noodzakelijk;
- UWV heeft extern advies nodig om de
beroepskeuze van de cliënt te bepalen.
Wanneer wordt vastgesteld dat scholing noodzakelijk is en welke scholing
dat dan is, wordt onderdeel B van het protocol gevolgd. De te volgen
stappen zijn beschreven in paragraaf 5. Hierin wordt
getoetst of de benodigde scholing voldoet aan het wettelijk kader.¹
Wanneer deze vraag negatief wordt beantwoord, is een andere functie de
meest voor de hand liggende keuze. Onderdeel A vanaf stap 3 of 4 moet
weer worden doorlopen. Wanneer de vraag met ja wordt beantwoord, is
onderdeel C van het protocol aan de orde.
1. Het betreft de Regeling
van het Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid van 25 augustus 2004, Directie Sociale
Verzekeringen, nr. 04/57292, houdende vaststelling van regels over de
noodzakelijke opleiding of scholing als bedoeld in artikel
76 Werkloosheidswet (Scholingsregeling
WW).
In
onderdeel C van het protocol wordt bepaald of de benodigde scholing
haalbaar is voor de cliënt. De stappen die daarbij aan de orde zijn,
zijn uitgewerkt in paragraaf 6. Dit onderdeel van het
protocol resulteert in een vaststelling van de mate van schoolbaarheid
van de cliënt en welke gevolgen dat heeft voor de mogelijke inzet van
scholing:
- scholing is mogelijk;
- scholingen met aanpassingen is mogelijk;
- alleen scholing door bijzondere scholingsinstellingen is mogelijk; of
- er is geen scholing mogelijk.
Uitzonderingen
In
uitzonderingsgevallen kan worden afgeweken van het protocol. Dit moet
wel gemotiveerd worden. Voor deze gevallen dient een secondopinionprocedure
te worden opgesteld. Pas indien ook na een second opinion tot hetzelfde
oordeel wordt gekomen, kan worden afgeweken van het protocol.
4.
Onderdeel A: de beoordeling van noodzaak van scholing
Aan de hand van de
stappen 1 tot en met 5 kan worden vastgesteld of een cliënt scholing
nodig heeft om via de kortste weg terug te kunnen keren op de
arbeidsmarkt. Hieronder worden de stappen toegelicht.
Stap 1
Uitgangspunt is de kortste weg naar werk. Daarbij is het principe van lerend
werken van evident belang.
Als
de cliënt echter in de oude functie kan worden herplaatst zonder
scholing, is dat de aangewezen weg. In het geval van een WIA-,
WAO-, of Wajong-cliënt
zal aan de orde komen of hij herplaatst kan worden bij de oude werkgever
in een andere functie indien hij niet meer geschikt is voor de oude
functie.
Stap 2
Mogelijk heeft de cliënt met het oog op herplaatsing in de oude functie
behoefte aan ondersteuning in de vorm van een kwalificerende
interventie. Het kan immers zijn dat hij op grond van zijn
oorspronkelijke opleiding wel over een principiële geschiktheid
beschikt, maar bijvoorbeeld al enige tijd afwezig is uit het
arbeidsproces en/of niet beschikt over nadien vereiste kwalificaties
voor het uitoefenen van die functie. Uiteraard moet er dan wel sprake
zijn van een vacature. Voor cliënten met structurele functionele
beperkingen zijn eventueel aanpassingen aan de eigen werkplek nodig.
Stap 3
Indien alleen andere functies passend zijn, kan een meer intensieve
kwalificerende interventie nodig zijn in de vorm van scholing. Deze
wordt alleen ingezet indien er een concrete vacature in zicht is bij een
werkgever, maar de cliënt met het oog op de aangewezen functie
geschoold moet worden.
Stap 4
Indien er geen concrete vacature bij een werkgever in zicht is, kan
scholing aan de orde komen bij aanwezigheid van vacatures op de
regionale arbeidsmarkt in de beoogde functie. Indien er twijfel bestaat
over passende functies op de regionale arbeidsmarkt en heroriëntatie
noodzakelijk is, kan het voorkomen dat UWV
daarbij extern advies nodig heeft.
Stap 5
Alleen indien er scholing conform de voorgaande stappen noodzakelijk is,
volgt onderdeel B van het protocol: de toets van de scholing.
5.
Onderdeel B: toets scholing
In dit onderdeel
van het protocol wordt vastgesteld of de noodzakelijke scholing voldoet
aan de regelgeving (stap 6).
Stap 6
De
scholing die UWV
inzet ten behoeve van haar cliënten moet aan de onderstaande
voorwaarden voldoen: ¹
- de scholing moet noodzakelijk zijn en moet bestaan uit het
systematisch verwerven van kennis dan wel vaardigheden volgens een
vooraf vastgesteld programma waarbij de verworven kennis en vaardigheden
worden getoetst;
- scholing moet gericht zijn op functies in de regio waarvoor vacatures
bestaan;
- een opleiding of scholing als bedoeld in artikel
76 WW duurt maximaal één jaar voor de
cliëntgroep ontslagwerklozen. UWV kan in individuele gevallen een
opleiding of scholing van een langere duur toestaan, doch niet meer dan
twee jaar;
- de opleiding of scholing bestaat in overwegende mate uit het
verrichten van activiteiten die niet productie als doel hebben.
1. Zie Scholingsregeling
WW (artikel 76).
6.
Onderdeel C: de beoordeling van de schoolbaarheid
Indien is
vastgesteld dat de noodzakelijke scholing voldoet aan het wettelijk
kader, moet vervolgens worden beoordeeld of deze scholing ook haalbaar
is voor de cliënt.
De
beoordeling van de schoolbaarheid leidt tot de volgende mogelijke
uitkomsten:
- De cliënt is schoolbaar; er kan scholing worden ingezet.
- De cliënt is alleen schoolbaar met de inzet van een aangepaste
scholing.
- De cliënt is alleen met de inzet van een bijzondere
scholingsinstelling schoolbaar.
- De cliënt is niet schoolbaar voor de specifieke scholing die op basis
van het Protocol Scholing noodzakelijk wordt geacht. Dan moet gekeken
worden of er andere beroepen mogelijk zijn waarvoor geen scholing nodig
is of scholing nodig is die wel haalbaar is voor de betreffende cliënt.
- De cliënt is in het geheel niet schoolbaar. Scholing is voor de
betreffende cliënt niet mogelijk.
- UWV heeft extern advies nodig bij het
vaststellen van de schoolbaarheid van de cliënt, wat vervolgens weer
kan leiden tot de hierboven genoemde uitkomsten.
Bij
het vaststellen van de schoolbaarheid worden drie indicatoren
onderscheiden: de motivatie voor de scholing, de cognitieve vaardigheden
van de cliënt en persoonlijke belemmeringen. Hieronder worden deze
indicatoren nader besproken.
Stap 7, indicator 1: motivatie
Motivatie is erg belangrijk voor het welslagen van een scholing. Indien
de cliënt niet gemotiveerd is voor het volgen van scholing, heeft
scholing geen zin. Er zal dan eerst aandacht moeten zijn voor de
motivatie. Overigens speelt dit aspect natuurlijk ook al aan het begin
van de re-integratiefase.
Stap 7, indicator 2: cognitieve vaardigheden
Vastgesteld moet worden of de opleiding aansluit bij de cognitieve
vaardigheden van de cliënt. Hierbij moet ook gecheckt worden of voldaan
wordt aan de formele instroomeisen van de opleiding. Op basis van de
capaciteiten van de cliënt kan gekozen worden voor theoretisch of meer
praktijkgericht onderwijs. Indien er onzekerheid bestaat over de
cognitieve vaardigheden, kan hiervoor extern advies worden ingezet.
Bij
het vaststellen van de cognitieve vaardigheden wordt ook gekeken naar de opleidingen die de cliënt in het recente verleden heeft
gevolgd. Het niet afronden van opleidingen is mogelijk een signaal voor
belemmeringen in de persoonlijke situatie die het risico op uitval
vergroten. Deze belemmeringen zijn nader uitgewerkt onder indicator.¹
1. Sommige cliënten hebben
een medische duurbeperking ten aanzien van arbeid. Dit hoeft echter niet
te betekenen dat ook slechts voor een aantal dagen per week scholing
gevolgd kan worden. In overleg tussen de arbeidsdeskundige, de
verzekeringsarts en de cliënt kan een oplossing worden gezocht.
Stap 7, indicator 3: belemmeringen in de
persoonlijke situatie
De
persoonlijke belemmeringen, die hieronder worden onderscheiden, zijn
ontleend aan het Protocol ZMP [Beleidsregels
Protocol zeer moeilijk plaatsbaar, red.]. De belemmeringen
die gelden voor ZMP, waardoor de cliënten moeilijk plaatsbaar zijn op
de arbeidsmarkt, vormen vaak ook belemmeringen om succesvol een scholing
te volgen. Het benoemen van de belemmeringen in het kader van
schoolbaarheid heeft echter een andere functie: wanneer een belemmering
wordt geconstateerd, moet bekeken worden of door middel van aanpassingen
in de inrichting van de opleiding scholing toch tot de mogelijkheden
behoort. Het gaat hierbij onder meer om de volgende mogelijke
aanpassingen:
- Aanpassingen in het aantal dagdelen of duur van het traject.¹
- Aanpassingen in de wijze waarop onderwijs wordt gegeven.
- Extra begeleiding gedurende de scholing.
- Psychische begeleiding.
1. Sommige cliënten hebben
een medische duurbeperking ten aanzien van arbeid. Dit hoeft echter niet
te betekenen dat ook slechts voor een aantal dagen per week scholing
gevolgd kan worden. In overleg tussen de arbeidsdeskundige, de
verzekeringsarts en de cliënt kan een oplossing worden gezocht.
In
complexe gevallen heeft UWV de optie om
extern advies in te zetten om de schoolbaarheid vast te stellen.
a. Medische beperkingen (fysiek en/of
psychisch) en de beleving daarvan door de cliënt
- Aanwezigheid van objectief
vaststelbare medische beperkingen waardoor het volgen van een
onderwijstraject lastig is (bijvoorbeeld auditief/visuele beperkingen).
Bekeken moet worden of met aanpassingen tijdens de scholing
(bijvoorbeeld een doventolk, aantal dagdelen) wel onderwijs gevolgd kan
worden.
- Aanwezigheid van medische beperkingen die in de beleving van de
cliënt onderwijs volgen moeilijk maakt. Het gaat hierbij vooral om
cliënten die zich door de jaren heen zo vereenzelvigd hebben met hun
(op enig moment wel aanwezige) belemmeringen/beperkingen dat zij het in
de huidige situatie heel moeilijk vinden om oog te hebben voor wat zij
nog wel kunnen.
- Aanwezigheid van een negatieve prognose voor de ontwikkeling van de
medische aandoening waarmee rekening dient te worden gehouden.
- Aanwezigheid van een ernstige verslavingsproblematiek. Met deze
problematiek moet mogelijk voorafgaand of tijdens de scholing rekening
worden gehouden.
b. Rolidentificatie in uitkeringssituatie
Binnen de uitkeringssituatie heeft de cliënt zijn eigen zinvolle
bezigheden/daginvulling opgebouwd:
- zorg voor gezinshuishouden;
- mantelzorg;
- vrijwilligerswerk.
Om
succesvol deel te kunnen nemen aan scholing zal de cliënt bereid moeten
zijn om tijd vrij te maken, zodat de scholing gevolgd kan worden en
huiswerk gemaakt kan worden. Eventueel kan extra begeleiding worden
ingezet.
c. Schuldenproblematiek
Het
gaat hier om cliënten die te maken hebben met een dusdanige
schuldenproblematiek dat zij moeilijkheden ondervinden om zich te
concentreren op en/of te motiveren voor het volgen van een scholing. De
cliënt zal eerst of gelijktijdig een schuldsaneringstraject moeten
volgen, wil scholing succesvol kunnen zijn.
d. Problemen in de sociale situatie en de
beleving daarvan door de cliënt
- Sociale druk vanuit de
omgeving van de cliënt om geen activiteiten te ontplooien die kunnen
leiden tot werk. De omgeving kan betrekking hebben op de familie- en
vriendenkring, maar ook op de directe buurt waarin iemand woont.
- Een thuissituatie die het succesvol volgen van een opleiding
belemmert. Bijvoorbeeld de aanwezigheid van kleine kinderen of inwonende
familieleden.
De
belemmeringen kunnen mogelijk verholpen worden door extra begeleiding
tijdens de scholing.
e. Problemen in de relatie cliënt en
scholing/gedragsfactoren
- Problemen met sociale
vaardigheden in werk- en scholingssituaties (gezagsverhoudingen,
zelfstandig werken).
- Realiteitsprobleem in verwachtingenpatroon van eigen functioneren op
het werk (te hoge of juist te lage ambities en verwachtingen).
Door het inzetten van kwalificerende interventies kunnen deze
belemmeringen mogelijk worden opgeheven.


TOELICHTING
[1 juli 2008]
Voor de beoordeling van cliënten voor het volgen van een scholing heeft
UWV - in 2005
- in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid in nauwe samenwerking met Boaborea (Brancheorganisatie
Reintegratiebedrijven), de Landelijke Cliëntenraad en de
Rea-scholingsinstituten [zie Overgangsregeling
Rea-scholingsinstituten, red.] het Protocol Scholing ontwikkeld.
Het Protocol Scholing bestaat uit drie
onderdelen:
A. Het bepalen van de noodzakelijkheid van scholing.
B. Het toetsen van de scholing op basis van de regelgeving.
C. Het beoordelen van de schoolbaarheid van de uitkeringsgerechtigde
cliënt WW, WAO/Wet
WIA/Wajong.
UWV
voert per 1 januari 2008 het beleid dat inzet van re-integratiemiddelen
vraaggericht - met zicht op een vacature - wordt ingezet. Dit
uitgangspunt geldt ook voor de inzet van scholingen. Daarnaast heeft
evaluatie op het Protocol Scholing 2005 eveneens uitgewezen dat het
vraaggericht inzetten van scholing vaker leidt tot werkhervatting van de
cliënt. Hierbij geniet duaal leren en werken de voorkeur. Het Protocol
Scholing is aangepast naar aanleiding van de aangescherpte eisen.
Amsterdam, 1 juli 2008.
Voorzitter Raad van bestuur UWV,
J.M. Linthorst.
|