|
Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Besluit:
Art.
1.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
hanteert bij het
beoordelen van cliënten op het zeer moeilijk plaatsbaar zijn het
protocol als weergegeven in de bijlage bij dit besluit.
Art.
2.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 mei 2005.
Art.
3.
Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels Protocol zeer moeilijk
plaatsbaar.
Dit
besluit wordt met de toelichting en de bijlage in
de Staatscourant geplaatst.
Amsterdam, 13 april 2005.
De voorzitter Raad van bestuur UWV,
J.M. Linthorst.
TOELICHTING
[13 april 2005]
Voor de beoordeling van cliënten op het zeer moeilijk plaatsbaar (ZMP)
zijn, heeft UWV in overleg met Borea en de Landelijke Cliëntenraad een
protocol ontwikkeld. Borea is een brancheorganisatie van
reïntegratiebedrijven.
In het protocol staan de criteria op grond
waarvan UWV beoordeeld of een cliënt als zeer moeilijk plaatsbaar moet
worden aangemerkt. Het protocol wordt niet voor elke cliënt toegepast.
Er zijn criteria vastgesteld om te beoordelen of een cliënt tot de
doelgroep voor het protocol behoort. Als vastgesteld is dat een cliënt
tot de doelgroep behoort, wordt op basis van een aantal indicatoren
vastgesteld of een cliënt als zeer moeilijk plaatsbaar moet worden
aangemerkt. Er zijn drie sets van indicatoren die ingaan op: de direct
toepasbare vaardigheden en kennis van de cliënt, de eventuele
belemmeringen in de persoonlijke situatie en de vraagzijde van de
arbeidsmarkt.
Amsterdam, 13 april 2005.
De voorzitter Raad van bestuur
UWV,
J.M. Linthorst.
BIJLAGE
Protocol zeer
moeilijk plaatsbaar (ZMP)
1. Doelgroep van het
protocol
Het protocol wordt
niet bij elke cliënt toegepast. Voor de verschillende
uitkeringspopulaties zijn een aantal preselecties gemaakt.
WW-populatie
Een
preselectie bij de WW-populatie vindt plaats op basis van de
fase-indeling door CWI [Centrale organisatie werk en
inkomen, red.]. Van fase-1-¹ en fase-2-cliënten kan in principe
worden uitgegaan dat zij niet zeer moeilijk plaatsbaar zijn. Het
protocol wordt bij hen niet toegepast. Hieruit volgt dat fase-3- en -4-cliënten mogelijk wel zeer moeilijk plaatsbaar zijn. Bij hen wordt het
protocol wel toegepast. De fase-indeling wordt door het CWI [Centrum
voor werk en inkomen, red.] in de
toekomst vervangen door de indeling A (fase 1) en B (fase 2, 3, 4). Uit
de B-groep dient te zijner tijd te worden onderzocht in hoeverre daar
een nadere selectie op dient plaats te vinden. De uitkeringsduur kan
daarbij een indicator zijn.
1. Voor zover zij bij UWV
terechtkomen.
WAO/WAZ-populatie
Een
preselectie bij de WAO/WAZ-populatie vindt plaats op basis van de
uitkeringsduur (minimaal één jaar) in combinatie met een periode
waarin niet gewerkt is. WAO-ers die (parttime) werken of recente
werkervaring hebben (minder dan één jaar geleden), worden geacht niet
ZMP te zijn. Deze werkervaring moet ten minste zes maanden hebben
geduurd, aansluitend bij de definitie van duurzame plaatsing. Het werken
op arbeidstherapeutische basis wordt bij het vaststellen van de
werkervaring buiten beschouwing gelaten.
Bij WAO-ers ouder dan 55 jaar [van 55 jaar of
ouder, red.] wordt het
protocol altijd toegepast.
Wajong-populatie
Bij
de Wajong-populatie wordt het protocol standaard bij iedere cliënt
toegepast.
Uitzonderingen
De
reïntegratiecoach heeft de mogelijkheid om, beargumenteerd, in
uitzonderingsgevallen cliënten die als gevolg van deze preselectie niet
op ZMP beoordeeld hoeven te worden toch te beoordelen op ZMP.
2. Beoordeling op
indicatoren
Het protocol
bestaat uit een beoordeling van de situatie van de cliënt en de in te
zetten reïntegratiemiddelen op drie indicatoren. De reïntegratiecoach/arbeidsdeskundige beoordeelt per indicator of de cliënt zeer moeilijk
plaatsbaar is. Hij komt tot dit oordeel indien er belemmeringen aanwezig
zijn die niet met reguliere reïntegratie-instrumenten binnen een
regulier gefinancierd reïntegratietraject (50-50) verholpen kunnen
worden. Het gaat dus om de relatie tussen de benodigde in te zetten
instrumenten en de risico’s die daarmee samenhangen: instrumenten die
niet in een regulier gefinancierd traject worden ingezet.
De uitkomst kan zijn:
- de cliënt is op basis van één
indicator ZMP;
- de cliënt is niet op basis van één indicator ZMP, maar op basis van
een combinatie van verschillende indicatoren zeer moeilijk plaatsbaar;
- de cliënt is niet ZMP op basis van de indicatoren.
De
toepassing van het protocol mondt uit in een verslag waarin per
indicator beargumenteerd wordt aangegeven of er belemmeringen zijn die
leiden tot de beoordeling ZMP. Ook voor cliënten die als (voorlopig)
niet plaatsbaar worden beoordeeld, moet op deze manier verslag worden
gedaan.
Uitzonderingen
In
uitzonderingsgevallen is er ruimte om te besluiten op basis van andere
indicatoren dan in het protocol genoemd dat iemand als ZMP wordt
beoordeeld. Voor deze gevallen dient een second-opinionprocedure te
worden opgesteld. Pas indien ook na een second opinion tot hetzelfde
oordeel wordt gekomen, wordt de cliënt als ZMP beoordeeld.
3. De indicatoren
1. Aanwezigheid van direct in een beroep
toepasbare vaardigheden en kennis
Indien blijkt dat een cliënt geen direct in een beroep toepasbare
vaardigheden en/of kennis heeft, is dat op zichzelf onvoldoende reden
om de betrokkene ZMP te achten. Indien dit in een regulier gefinancierd
(50-50) traject dan wel in een traject dat naar verwachting duurder
zal zijn dan de gemiddelde trajectprijs (€|5000,-) niet verholpen
kan worden, is er sprake van een zeer moeilijk plaatsbare cliënt.
Afwezigheid van direct in een beroep toepasbare vaardigheden en/of
kennis kan een gevolg zijn van het feit dat:
- iemand langdurig buiten het arbeidsproces heeft gestaan;
- dat het vorige beroep inmiddels op de relevante arbeidsmarkt is
uitgestorven (bijvoorbeeld uitkeringsgerechtigden die voorheen in de
grafische industrie werkzaam waren waar oude technieken inmiddels geheel
zijn vervangen of in de textielindustrie die inmiddels grotendeels is
verplaatst naar het buitenland;
- dat iemand vanwege medische belemmeringen zijn oude vaardigheden niet
meer kan inzetten.
Deze indicator, de afwezigheid van direct in een beroep toepasbare
vaardigheden en kennis, zal voor slechts een kleine groep cliënten
opgaan, omdat de meeste cliënten wel over enige vaardigheden beschikken
of met een regulier traject voldoende vaardigheden bijgebracht kunnen
worden.
Direct in een beroep toepasbare vaardigheden en
kennis zijn als volgt geoperationaliseerd:
- taalvaardigheid;
- administratieve vaardigheid;
- computervaardigheid;
- handvaardigheid;
- verzorgende, servicegerichte vaardigheid;
- sociale vaardigheden (= vermogen tot samenwerking).
Een
voorbeeld hiervan is een langdurige werkloze productiemedewerker die
niet of nauwelijks beschikt over administratieve, computer- of
handvaardigheden, die wel in staat is tot samenwerking, maar verder geen
ervaring met verzorgende, servicegerichte werkzaamheden heeft.
Het zeer moeilijk plaatsbaar zijn draait dus om
de noodzaak van het oplossen van één of van een combinatie van
deficiënties op deze vaardigheden, waarbij deze oplossingen binnen een
regulier gefinancierd traject niet mogelijk zijn. De extra investering
in het oplossen van de deficiëntie(s) maakt betrokkene wel plaatsbaar.
In de praktijk zal het vaak gaan om cliënten
die door een combinatie aan factoren (vaak leeftijd, opleidingsniveau en
werkervaring) zeer veel moeite zullen hebben met het zich eigen maken
van bepaalde vaardigheden. Dat wil zeggen dat de cliënt zich de nieuwe
vaardigheden niet eigen kan maken binnen het kader van een regulier
gefinancierd traject.
2. Aanwezigheid van belemmeringen in de
persoonlijke situatie
Het
gaat hier om belemmeringen die ontstaan door de aanwezigheid van
problemen in de persoonlijke situatie van de cliënt én/of door de
beleving van de cliënt van deze problemen.
Een cliënt is ZMP als gevolg van:
- verschillende beperkingen en/of de
beleving daarvan; én
- het feit dat naar het oordeel van de
arbeidsdeskundige/reïntegratiecoach de desbetreffende
beperking niet in een regulier (50-50) gefinancierd traject zodanig
kan worden weggenomen dat betrokkene geplaatst kan worden in een baan.
Essentie moet zijn dat het gaat om een complexe problematiek, die in
principe wel oplosbaar is met behulp van reïntegratie-instrumentarium
of flankerende (vaak door de gemeente geboden) maatregelen, maar dat de
inzet van dergelijk instrumentarium onwaarschijnlijk is (gezien de
kosten en de financiële risico’s voor het RIB [reïntegratiebedrijf, red.]) binnen reguliere
trajecten.
Het gaat hier niet om crisissituaties die zich
voor kunnen doen bij bijvoorbeeld acute huisvestingsproblematiek,
waarbij de cliënt in feite niet plaatsbaar is op de arbeidsmarkt. Er
zijn ook andere, acute, omstandigheden waarom een cliënt op een bepaald
moment niet plaatsbaar is. In het gesprek moet nagegaan worden of er
sprake is van dergelijke acute crisissituaties, waarbij inzet van
andersoortige interventies (door andere instanties) aan de orde is of
dat het gaat om situaties die door bijvoorbeeld voorschakelmodules of
flankerende maatregelen oplosbaar zijn.
De belemmeringen in de persoonlijke situatie
zijn als volgt geoperationaliseerd:
a. Medische beperkingen (fysiek en/of psychisch) en de beleving daarvan
door de cliënt.
- Aanwezigheid van objectief vaststelbare medische beperkingen die
werken moeilijk maken (bijvoorbeeld verstandelijke of auditief/visuele
beperkingen).
- Aanwezigheid van medische beperkingen die in de beleving van de
cliënt werken moeilijk maken. Het gaat hierbij vooral om cliënten die
zich door de jaren heen zo vereenzelvigd hebben met hun (op enig moment
wel aanwezige) belemmeringen/beperkingen dat zij het in de huidige
situatie heel moeilijk vinden om zich te focussen op de dingen die ze
nog wél kunnen, of juist om cliënten die recent arbeidsongeschikt zijn
geworden en nog in een rouwproces zitten vanwege het verlies van
mogelijkheden/beroep en daarom geen oog hebben voor wat zij nog wel
kunnen.
- Aanwezigheid van een negatieve prognose voor de ontwikkeling van de
medische aandoening, waarmee in het traject rekening dient te worden
gehouden.
- Aanwezigheid van een verslavingsproblematiek die zo ernstig is dat
deze niet in een regulier gefinancierd traject in voldoende mate kan
worden verholpen.
b. Rolidentificatie in uitkeringssituatie.
Binnen de uitkeringssituatie heeft cliënt zijn eigen zinvolle
bezigheden/daginvulling opgebouwd:
- zorg voor gezinshuishouden;
- mantelzorg;
- vrijwilligerswerk.
De cliënt ervaart een zeer grote belemmering in het loslaten van
deze rol in een stabiele uitkeringssituatie en een overstap te maken
naar een onzekere werksituatie.
c. Schuldenproblematiek.
Het gaat hier om de cliënten die te maken hebben met een
schuldenproblematiek die zo ernstig is dat deze niet in een regulier
gefinancierd traject in voldoende mate kan worden verholpen.
d. Problemen in de sociale situatie en de beleving daarvan door de
cliënt.
- Sociaal isolement tengevolge van bijvoorbeeld een
verslavingsproblematiek.
- Sociale druk vanuit de omgeving van de cliënt om niet te gaan werken.
De omgeving kan betrekking hebben op de familie- en vriendenkring, maar
ook op de directe buurt waarin iemand woont.
e. Problemen die zich voordoen in relatie cliënt en werk.
- Problemen met sociale vaardigheden in werksituaties
(gezagsverhoudingen, zelfstandig werken).
- Realiteitsprobleem in verwachtingenpatroon van eigen functioneren op
het werk (te hoge of juist te lage ambities en verwachtingen).
f. (Beleving van) psychologische belemmeringen door de cliënt,
bijvoorbeeld een niet-realistisch zelfbeeld gelegen in een persoonlijke
problematiek.
3. Vraagzijde van de arbeidsmarkt
Hier wordt gekeken naar persoons- en achtergrondkenmerken die ertoe
leiden dat de cliënt een moeilijke positie op de arbeidsmarkt heeft
vanwege vooroordelen van werkgevers over bepaalde groepen, dan wel ten
aanzien van bepaalde "probleemsituaties" of belemmeringen. Het mag
echter geen automatisme zijn om cliënten uit bepaalde groepen om deze
reden als ZMP te indiceren. Het zijn uitzonderingen waarbij individueel
beoordeeld moet worden of een cliënt ZMP is. Hierbij moet gekeken
worden naar enerzijds de mate waarin de cliënt voor plaatsing
afhankelijk is van één sector of beroep, anderzijds naar de cultuur
van een sector of beroepsgroep en de krapte op het arbeidsmarktsegment
waarop de cliënt is aangewezen.
Gevolg voor het traject kan bijvoorbeeld zijn
dat hier een zeer intensieve bemiddelingsfase moet worden ingezet die
niet binnen een regulier gefinancierd traject kan plaatsvinden.
a. Oudere werknemers. Er wordt geen standaardleeftijdsgrens gehanteerd:
ook hier volgt weer een individuele beoordeling. Een oudere werknemer
met veelzijdige werkervaring of een uitgebreid netwerk met een korte
uitkeringsduur hoeft niet ZMP te zijn. De leeftijdsgrens zal per
sector/beroep verschillen.
b. Werknemers met een psychiatrische/psychische problematiek.
c. Werknemers met een bepaalde culturele achtergrond.
d. Zichtbaar fysiek gehandicapte werknemers, afhankelijk van de sector
en/of het beroep.
e. Ex-gedetineerden.
|