|
18 januari 2011
Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Besluit:
Art.
1.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
hanteert bij het
beoordelen van cliënten op het zeer moeilijk plaatsbaar zijn het
protocol als weergegeven in de bijlage bij dit besluit.
Art.
2.
Het Besluit Beleidsregels Protocol Zeer moeilijk plaatsbaar wordt
ingetrokken.
1. Volgens de redactie
dient "Het Besluit Beleidsregels Protocol Zeer moeilijk plaatsbaar
wordt ingetrokken" te worden vervangen door: De Beleidsregels
Protocol zeer moeilijk plaatsbaar worden ingetrokken.
Art.
3.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en
werkt terug tot en met 1 januari 2011.
Art.
4.
Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels Protocol zeer moeilijk
plaatsbaar 2011.
Dit
besluit wordt met de toelichting en de bijlage in
de Staatscourant geplaatst.
Amsterdam, 18 januari
2011.
J.M. Linthorst,
voorzitter Raad van bestuur UWV.
TOELICHTING
[18 januari 2011]
Voor de beoordeling van cliënten op het zeer moeilijk plaatsbaar (ZMP)
zijn, heeft UWV
in 2005 een protocol ontwikkeld. Dit protocol is onder andere als gevolg
van verouderde terminologie aan actualisatie toe. In het protocol staan
vanaf 2011 uitsluitend nog de criteria op grond waarvan UWV beoordeelt
of een cliënt als zeer moeilijk plaatsbaar moet worden aangemerkt. In
de handleiding bij het protocol is elk van de indicatoren nader
uitgewerkt. Inhoudelijk is het protocol ten opzichte van de situatie
2005 niet veranderd en bevat dezelfde indicatoren. Er zijn drie sets van
indicatoren die ingaan op: de direct toepasbare vaardigheden en kennis
van de cliënt, de eventuele belemmeringen in de persoonlijke situatie
en de vraagzijde van de arbeidsmarkt.
Onder zeer moeilijk plaatsbaar verstaat UWV
dat voor een werkzoekende door een (re-integratie)bedrijf of werkgever
evident meer inspanningen geleverd moet worden om hem (weer) aan het
werk te krijgen of te houden. Dit in vergelijking tot andere
werkzoekenden met een afstand tot de arbeidsmarkt voor wie begeleiding
in aanloop naar of tijdens het werk noodzakelijk is. De indicatie ZMP is
dus bedoeld om de extra inspanningen en het eventuele financiële risico
dat door bedrijven of de werkgever wordt gelopen te compenseren. Zo kan
aan de werkzoekende die ZMP is toch die dienstverlening en dat maatwerk
worden geboden dat nodig is om de werkzoekende te plaatsen in arbeid.
J.M. Linthorst,
voorzitter Raad van bestuur UWV.
BIJLAGE
Protocol zeer
moeilijk plaatsbaar 2011
1. De
intentie van het Protocol ZMP
Het Protocol zeer moeilijk
plaatsbaar bevat een aantal indicatoren om te kunnen beoordelen of een
werkzoekende zeer moeilijk plaatsbaar is. Onder zeer moeilijk plaatsbaar
verstaan we dat voor een werkzoekende door een (re-integratie)bedrijf of
werkgever evident meer inspanningen geleverd moet worden om hem (weer)
aan het werk te krijgen of te houden in vergelijking tot andere
werkzoekenden met een afstand tot de arbeidsmarkt voor wie begeleiding
in aanloop naar of tijdens het werk noodzakelijk is. In de handleiding
die bij dit protocol hoort, wordt dit aspect nader uitgewerkt.
Dit protocol kan op elke werkzoekende worden
toegepast. Is een werkzoekende op basis van het protocol als zeer
moeilijk plaatsbaar geïndiceerd, dan kan zijn status als ZMP
consequenties hebben voor:
• het re-integratie-instrumentarium dat voor de werkzoekende ingezet
kan worden en/of
• de mate van de resultaatsfinanciering van de
re-integratiedienstverlening die UWV
voor de werkzoekende bij private partners inkoopt.
Deze maatregelen zijn bedoeld om de extra inspanningen en het eventuele
financiële risico die de private partners hierdoor lopen te
compenseren. Door het afdekken van deze risico’s kan aan de
werkzoekende die ZMP is toch die dienstverlening en dat maatwerk worden
geboden dat nodig is om de werkzoekende te plaatsen in arbeid. Op deze
manier krijgt de werkzoekende met een ZMP-indicatie een meer
gelijkwaardige uitgangspositie ten opzichte van de werkzoekende die deze
indicatie niet heeft.
Welke functionaris het protocol kan toepassen,
staat beschreven in wetten, beleidsregels en/of het inkoopkader van UWV
[zie Besluit inkoopkader
re-integratiedienstverlening UWV 2009, red.].
Het protocol is daarmee niet uitsluitend toepasbaar door functionarissen
van UWV. Wel ligt het finale oordeel of een werkzoekende ZMP is bij UWV.
De ZMP-status dient altijd vooraf - dat wil zeggen vóór de start van
de dienstverlening - door UWV te worden vastgesteld.
2.
Beoordeling op indicatoren
Het protocol
bestaat uit een beoordeling van de situatie van de werkzoekende op drie
indicatoren. Alle indicatoren geven inzicht in eventuele extra
belemmeringen die een werkzoekende kan ervaren bij het weer aan het werk
komen. De functionaris die het protocol toepast, beoordeelt per
indicator of de werkzoekende - in vergelijking met overige werkzoekenden
met vergelijkbare arbeidsbeperkingen - zeer moeilijk plaatsbaar is. Dit
doet hij door het standaardformulier waarin de indicatoren zijn
opgenomen in te vullen. De uitkomst na toepassing van het protocol kan
zijn
- de werkzoekende is op basis van één indicator ZMP;
- de werkzoekende is op basis van een combinatie van twee of drie indicatoren
ZMP;
- de werkzoekende is op basis van geen van de indicatoren als ZMP aan te
merken.
Op
het standaardformulier dient per indicator beargumenteerd te worden of
er sprake is van dusdanige belemmeringen dat de werkzoekende als ZMP
valt aan te merken.
Uitzondering ZMP op basis van geen van de
indicatoren
Uitsluitend in uitzonderingsgevallen bestaat er ruimte om op basis van
andere indicatoren dan die in het protocol zijn genoemd een
werkzoekende als ZMP te indiceren. Voor deze gevallen dient een second-opinionprocedure
te worden opgesteld. Pas nadat deze procedure is afgerond en tot
hetzelfde oordeel wordt gekomen, kan de werkzoekende als ZMP worden
geïndiceerd.
3. De
indicatoren
In deze paragraaf
zijn de indicatoren opgenomen op basis waarvan de toetsing ZMP
plaatsvindt. Wat onder elk van de indicatoren wordt verstaan dan wel op
welke wijze deze dienen te worden toegepast, is te vinden in de handleiding die bij dit protocol hoort.
Indicator 1: niet aanwezig zijn van direct
in een beroep toepasbare vaardigheden en kennis
Bij
deze indicator gaat het om de arbeidsmarktrelevantie van de
vaardigheden, competenties en kennis van de werkzoekende in relatie tot
de arbeidsmarkt.
Het niet aanwezig zijn van direct in een beroep
of functie toepasbare competenties, vaardigheden en/of kennis kan een
gevolg zijn van het feit dat:
- een werkzoekende langdurig buiten het arbeidsproces heeft gestaan;
- dat het laatste beroep waarin de werkzoekende werkzaam was niet of
nauwelijks meer voorkomt op de arbeidsmarkt;
- dat een werkzoekende als gevolg van medische belemmeringen zijn
vaardigheden niet meer kan inzetten.
"Direct in een beroep of functie toepasbare vaardigheden en kennis"
zijn als volgt geoperationaliseerd:
• taalvaardigheid;
• administratieve vaardigheid;
• computervaardigheid;
• handvaardigheid;
• verzorgende, servicegerichte vaardigheid;
• sociale vaardigheden (= vermogen tot samenwerking).
Indicator 2: aanwezigheid van belemmeringen
in de persoonlijke situatie
Het
gaat hier om belemmeringen die ontstaan door de aanwezigheid van
problemen in de persoonlijke situatie van de werkzoekende én/of door de
beleving van de werkzoekende van deze problemen.
De belemmeringen in de persoonlijke situatie
zijn als volgt geoperationaliseerd:
• medische beperkingen;
• rolidentificatie in uitkeringssituatie;
• schuldenproblematiek;
• problemen in de sociale situatie en de beleving daarvan door de
werkzoekende;
• problemen die zich voordoen in relatie tot de werkzoekende en het
werken;
• (beleving van) psychologische belemmeringen door de werkzoekende.
Indicator 3: vraagzijde van de arbeidsmarkt
Bij
deze indicator wordt gekeken naar persoons- en achtergrondkenmerken die
ertoe leiden dat de werkzoekende een moeilijke positie op de
arbeidsmarkt heeft vanwege vooroordelen van werkgevers over bepaalde
groepen werkzoekenden, dan wel ten aanzien van bepaalde "probleemsituaties"
of belemmeringen. Het gaat om de volgende kenmerken:
• oudere werknemers;
• werknemers met een psychiatrische/psychische problematiek;
• werknemers met een bepaalde culturele achtergrond;
• zichtbaar fysiek gehandicapte werknemers, afhankelijk van de sector
en/of het beroep;
• ex-gedetineerden.
|