|
26 september 2006
Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Gelet op artikel 16,
derde lid, en artikel 24, vijfde lid, van de Werkloosheidswet
(WW);
Besluit:
Art.
1.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
voert bij de toepassing van artikel 16, derde
lid, en artikel 24, vijfde lid, WW
een beleid als weergegeven in de bijlage bij dit besluit.
Art.
2.
Dit besluit treedt in werking op 1 oktober 2006.
Art.
3.
Het Besluit vaststelling fictieve
opzeggingstermijn Werkloosheidswet, het Besluit
Wet flexibiliteit en zekerheid en recht op WW, en de Mededelingen M
98.06, M 98.119 en M 01.026, van het Landelijk instituut sociale verzekeringen, worden ingetrokken.
Art.
4.
Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels toepassing artikel 16,
derde lid, en artikel 24, vijfde lid, WW 2006.
Dit
besluit wordt met de toelichting en de bijlage in de Staatscourant
geplaatst.
Amsterdam, 26 september
2006.
De voorzitter Raad van bestuur UWV,
J.M. Linthorst.
BIJLAGE
Met
ingang van 1 oktober 2006 hanteert UWV de
volgende uitgangspunten met betrekking tot de toepassing van artikel
16, derde lid, en artikel 24, vijfde lid, WW.
Paragraaf 1.
Loon over de fictieve opzegtermijn is loon per dag
Voor de toepassing
van artikel 16, derde lid, WW
wordt onder het daarin genoemde begrip "loon dat de werknemer zou
hebben ontvangen indien de dienstbetrekking door opzegging met
inachtneming van de voor de werkgever geldende termijn zou zijn
geëindigd" verstaan: het bedrag dat de werknemer per dag aan loon
zou hebben ontvangen als de dienstbetrekking nog zou hebben voortgeduurd.
Dit bedrag wordt door UWV vastgesteld
over de voor de werkgever geldende termijn van opzegging die niet in
acht is genomen. Het totaal aan loon dat de werknemer over deze termijn
zou hebben ontvangen indien de dienstbetrekking had voortgeduurd, wordt
door UWV in overleg met de werkgever vastgesteld en gedeeld door het
daarin (theoretisch) gelegen aantal uitkeringsdagen. Per kalenderweek
geldt een aantal van vijf uitkeringsdagen.
Paragraaf 2.
Vaststelling fictieve opzegtermijn
Voor de
vaststelling van de termijn waarover de inkomsten waarop de werknemer
recht heeft in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking gelijkgesteld worden met het recht op onverminderde doorbetaling van
het loon, gaat UWV uit van de volgende
berekeningsmethode:
a. allereerst wordt de fictieve dan wel de nog in acht te nemen
opzegtermijn vastgesteld;
b. het bedrag aan inkomsten in verband met de eindiging van de
dienstbetrekking wordt gedeeld door het loon per dag dat de werknemer
zou hebben ontvangen als de dienstbetrekking nog zou hebben
voortgeduurd;
c. de uitkomst onder b is het maximale aantal uitkeringsdagen
waarop de vergoeding betrekking heeft.
Indien het aantal uitkeringsdagen kleiner is dan het aantal
uitkeringsdagen dat ligt in de fictieve dan wel nog in acht te nemen
opzegtermijn, gaat UWV uit van dit lagere
aantal uitkeringsdagen.
Indien het aantal uitkeringsdagen groter is dan
of gelijk is aan het aantal uitkeringsdagen dat ligt in de fictieve dan
wel nog in acht te nemen opzegtermijn, dan gaat UWV uit van het aantal
uitkeringsdagen dat ligt in de fictieve dan wel nog in acht te nemen
opzegtermijn.
Paragraaf 3.
Benadelingshandeling
In artikel
16, derde lid, WW is bepaald dat: "met het
recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon, bedoeld in het eerste
lid, worden gelijkgesteld inkomsten waarop de werknemer recht heeft in
verband met de beëindiging van de dienstbetrekking tot aan het bedrag
aan loon dat de werknemer zou hebben ontvangen indien de
dienstbetrekking door opzegging met inachtneming van de geldende termijn
zou zijn geëindigd".
In
het geval de dienstbetrekking door opzegging is geëindigd, wordt het
bedrag aan inkomsten dat de werknemer ontvangt in verband met de
eindiging van de dienstbetrekking toegerekend aan de periode
onmiddellijk volgend op de datum waarop de dienstbetrekking is opgezegd.
Deze bepaling kan ertoe leiden dat niet over
de gehele voor de werkgever geldende termijn van opzegging toepassing
kan worden gegeven aan artikel 16, derde lid, WW.
In deze situatie, waarin de vergoeding dermate gering is dat de voor de
werkgever geldende termijn van opzegging niet volledig kan worden
toegerekend aan de fictieve opzegtermijn, wordt door UWV
beoordeeld of het voor de werknemer haalbaar zou zijn geweest om, gelet
op de arbeidsrechtelijke jurisprudentie, een vergoeding in verband met
de beëindiging van de dienstbetrekking te vorderen. Als dat het geval
blijkt te zijn, wordt de WW-uitkering tijdelijk
geheel geweigerd vanwege een benadelingshandeling op grond van artikel
24, vijfde lid, WW.
In de situatie dat de dienstbetrekking door
tussenkomst van de kantonrechter wordt beëindigd, wordt in het algemeen
van de werknemer verlangd dat hij de kantonrechter verzoekt om een
schadevergoeding toe te kennen ter hoogte van de zogenoemde
kantonrechtersformule, waarbij C = 1. Heeft de werknemer dit gedaan,
dan gaat UWV ervan uit dat er geen sprake is van een
benadelingshandeling.
Voorts is er geen sprake van een benadelingshandeling
als de werknemer om een ontbindingsvergoeding heeft verzocht met een
factor C die kleiner is dan 1 en:
1. de verkregen vergoeding de fictieve opzegtermijn ex artikel
16, derde lid, WW dekt; of
2. de werknemer niet verwijtbaar werkloos is en er sprake is van één
van de volgende omstandigheden:
a. de werkgever heeft al een vergoeding voor outplacement gegeven of er
is al een outplacementtraject door de werkgever gerealiseerd;
b. de werknemer heeft al een periode op non-actief gestaan;
c. de financiële situatie van het bedrijf is zo slecht dat een hoger
dan de door de kantonrechter toe te wijzen schadevergoeding niet
haalbaar is.
Als
de claims van de werknemer door de kantonrechter
niet of slechts
gedeeltelijk worden gehonoreerd, valt de werknemer
in het kader van artikel 24, vijfde lid, WW
niets te verwijten en wordt er door UWV geen
maatregel opgelegd.
Indien er sprake is van een einde van de
dienstbetrekking met wederzijds goedvinden, dan hanteert UWV daarbij het
hiervoor weergegeven beleid met betrekking tot de beëindiging van de
dienstbetrekking via de kantonrechter. De werknemer zal in dit geval de
schadevergoeding rechtstreeks bij de werkgever moeten vorderen.
Paragraaf 4.
Werkhervatting tijdens een al vastgestelde fictieve opzegtermijn
Toerekening van de
inkomsten in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking ter
vaststelling van de fictieve opzegtermijn op grond van artikel
16, derde lid, WW vindt noodzakelijkerwijs
plaats bij de primaire WW-aanvraag. Dit maakt
dat de berekening in een aantal gevallen een enigszins fictief karakter
heeft. Om die reden zou hervaststelling van een reeds vastgestelde
fictieve opzegtermijn denkbaar zijn in het geval een vergoeding niet
(volledig) tot uitkering komt. De WW biedt hiervoor echter geen ruimte.
Daarnaast zal in voorkomende gevallen na hervatting tijdens de fictieve
opzegtermijn opnieuw werkloosheid ontstaan, bijvoorbeeld in geval van
oproep- of uitzendarbeid en tijdelijk werk, of bij ontslag tijdens de
proeftijd. Bij secundaire (en tertiaire, enz.) werkloosheid zou dan
telkens opnieuw de eerder vastgestelde fictieve opzegtermijn, en daarmee
het eerder vastgestelde recht op uitkering, herzien moeten worden. Los
van de wettelijke beperking zouden de uitvoeringstechnische
consequenties ingrijpend zijn.
De wetgever is er in dit verband expliciet van
uitgegaan dat de werknemer rekening zal houden met de consequenties van artikel
16, derde lid, WW, zodat bij de beëindiging van
de dienstbetrekking te allen tijde vergoeding van de (nog) niet in acht
genomen opzegtermijn wordt bedongen.
Slechts indien een werknemer geen
schadevergoeding over de niet in acht genomen opzegtermijn claimt dan
wel ontvangt, zal een eventueel toegekende aanvulling op de uitkering
(bijvoorbeeld op grond van een sociaal plan) worden aangesproken voor de
vaststelling van de periode van artikel 16,
derde lid, WW.
Dit betekent dat in het geval er tijdens de
fictieve opzegtermijn sprake is van een werkhervatting die tijdens de
fictieve opzegtermijn eindigt, de oorspronkelijke vastgestelde fictieve
opzegtermijn, en dus de eerder vastgestelde eerste WW-dag, niet wijzigt.
Toelichting
op de Beleidsregels toepassing artikel 16, derde lid, en artikel 24, vijfde
lid, WW 2006
Paragraaf 1.
Loon over de fictieve opzegtermijn is loon per dag
In paragraaf 1 is
geregeld wat naar het oordeel van UWV moet
worden verstaan onder het begrip "loon dat de werknemer zou hebben
ontvangen indien de dienstbetrekking door opzegging met inachtneming van
de voor de werkgever geldende termijn zou zijn geëindigd". Daarbij
wordt door UWV uitgegaan van het civielrechtelijke loonbegrip. Daarbij
is overwogen dat de werknemer als het ware geacht wordt in dienst te
zijn van de werkgever tijdens de fictieve opzegtermijn. De vergoeding
die hij krijgt moet dan ook behandeld worden alsof het loon is geweest.
UWV moet vaststellen wat het bedrag is dat de werknemer zou hebben
ontvangen als de dienstbetrekking zou hebben voortgeduurd. Daarvoor
wordt informatie ingewonnen bij de werkgever. Indien het niet mogelijk is
het bedrag precies vast te stellen, zal UWV dat zo goed mogelijk
schatten en beredeneren. Het aldus vastgestelde loon dient als
basiselement voor de berekening van de periode waarover op grond van artikel
16, derde lid, WW gelijkstelling bestaat met
het recht op onverminderde doorbetaling van het loon.
Paragraaf 2.
Vaststelling fictieve opzegtermijn
Paragraaf 2 geeft
aan op welke wijze de periode waarover de inkomsten waarop de werknemer
recht heeft in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking
gelijkgesteld moet worden met het recht op onverminderde doorbetaling
van zijn loon, berekend moet worden.
Allereerst dient de niet in acht genomen
fictieve opzegtermijn te worden vastgesteld. Vervolgens wordt het bedrag
aan inkomsten in verband met de eindiging van de dienstbetrekking
gedeeld door het loon per dag, zoals omschreven in paragraaf 1. Het
verkregen cijfer wordt door UWV naar beneden
afgerond op een heel geheel getal (bijvoorbeeld 26,9 wordt 26). Deze
uitkomst is het maximale aantal uitkeringsdagen waarop de vergoeding
betrekking heeft.
Indien dit maximale aantal uitkeringsdagen
kleiner is dan het aantal uitkeringsdagen die liggen in de fictieve dan
wel nog in acht te nemen opzegtermijn, wordt door UWV uitgegaan van het
lagere aantal uitkeringsdagen. Als het maximale aantal uitkeringsdagen
echter groter is dan het aantal uitkeringdagen die liggen in de fictieve
dan wel nog in acht te nemen opzegtermijn, gaat UWV uit van het aantal
uitkeringsdagen die liggen in de fictieve dan wel de nog in acht te
nemen opzegtermijn.
Paragraaf 3.
Benadelingshandeling
In paragraaf 3
wordt ingegaan op de benadelingshandeling. Toegelicht wordt in welke
gevallen het instemmen met het einde van de dienstbetrekking tot een
benadelingshandeling kan leiden.
In het UWV-besluit Besluit
Wet flexibiliteit en zekerheid en recht op WW (Stcrt. 1998,
223) was bepaald dat van de werknemer als zijn dienstbetrekking door de
kantonrechter wordt ontbonden, verwacht mag worden dat hij de
kantonrechter verzoekt om:
- bij de vaststelling van de datum van ontbinding van de
dienstbetrekking rekening te houden met de voor de werkgever geldende
opzegtermijn; en/of
- hem een schadevergoeding toe te kennen die (minimaal) gelijk is aan
het loon over de voor de werkgever geldende opzegtermijn.
In
een vijftal uitspraken (o.a. CRvB 11 juni 2003, RSV 2003/230, en CRvB 11
juni 2003, USZ 2003/244) heeft de Centrale Raad van Beroep het beleid in
dit UWV-besluit niet volledig onderschreven.
Met dit besluit houdt UWV
rekening met deze jurisprudentie.
Paragraaf 4.
Werkhervatting tijdens een al vastgestelde fictieve opzegtermijn
Paragraaf 4 handelt
over de toepassing van artikel 16, derde lid, WW
in relatie met werkhervatting. Omdat de toerekening van inkomsten voor
de vaststelling van de fictieve opzegtermijn noodzakelijkerwijs
plaatsvindt bij de primaire WW-aanvraag, heeft
de berekening in een aangevallen een enigszins fictief karakter.
Denkbaar is dat een eerder toegekende vergoeding, bijvoorbeeld vanwege
werkhervatting tijdens de fictieve opzegtermijn, niet (volledig) tot
uitbetaling komt. Hervaststelling van de fictieve opzegtermijn zou in
dat geval denkbaar zijn. De WW biedt hiervoor echter geen ruimte. Ook
zouden de uitvoeringstechnische consequenties voor UWV
aanzienlijk zijn. Derhalve zal bij secundaire (en tertiaire, enz.)
werkloosheid de eerder vastgestelde fictieve opzegtermijn, en daarmee
het eerder vastgestelde recht op uitkering, niet worden herberekend. Ook
in het geval er tijdens de fictieve opzegtermijn sprake is van een
werkhervatting waarbij de werkhervatting tijdens de fictieve
opzegtermijn eindigt en de eerder toegekende vergoeding niet (volledig)
tot uitkering komt, wijzigt de oorspronkelijke vastgestelde fictieve
opzegtermijn, en dus de eerder vastgestelde eerste WW-dag, dus niet.
TOELICHTING
[26 september 2006]
Met
ingang van 1 januari 1999 is de Wet van 14 mei 1998, houdende
wijziging van het Burgerlijk
Wetboek, het Buitengewoon Besluit
Arbeidsverhoudingen 1945 en van enige andere wetten
(flexibiliteit
en zekerheid)" (Stb. 1998, 300) verder te noemen: de Wet F en
Z [de gebruikelijke afkorting luidt: Flexwet, red.], in
werking getreden. Deze wet had ook gevolgen voor het recht op WW-uitkering.
Naar aanleiding van de inwerkingtreding van de
Wet F en Z, met name het in werking getreden artikel
16, derde lid, WW, werd door UWV
een beleid gevoerd dat was neergelegd in het Besluit
vaststelling fictieve opzeggingstermijn Werkloosheidswet (Stcrt.
1998, 11) en het Besluit Wet flexibiliteit
en zekerheid en recht op WW (Stcrt. 1998, 223) en diverse
mededelingen van het voormalige Landelijk instituut sociale verzekeringen.
Met ingang van 1 oktober 2006 is de WW ingrijpend gewijzigd door de Wet wijziging
WW-stelsel (Wet van 28 juni 2006, Stb. 2006, 303). Ook heeft de
Centrale Raad van Beroep in 2003 een aantal uitspraken gedaan omtrent
het door UWV gevoerde beleid ter zake artikel
16, derde lid, WW in combinatie met de
benadelingshandeling. Daarin kwam de Raad tot het oordeel dat het beleid
van UWV zoals neergelegd in het Besluit
vaststelling fictieve opzeggingstermijn Werkloosheidswet (Stcrt.
1998, 11) een veel te rigide invulling was van de beleidsvrijheid die UWV is toegekend. Met dit besluit houdt UWV rekening met de
jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep.
De Beleidsregels toepassing artikel 16, derde
lid, en artikel 24, vijfde lid, WW 2006 gaan nader in op:
- Loon over de fictieve opzegtermijn.
- Vaststelling fictieve opzegtermijn.
- Benadelingshandeling.
- Werkhervatting tijdens een al vastgestelde fictieve opzegtermijn.
De voorzitter Raad van
bestuur UWV,
J.M. Linthorst.
|
|