|
Het
Landelijk instituut
sociale verzekeringen;
Gelet op de artikelen
36 van
de Werkloosheidswet, 33 van de Ziektewet,
57
van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
63 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, 55 van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten en 20 van de Toeslagenwet;
Besluit:
Art. 1.
Het Landelijk instituut
sociale verzekeringen voert ter zake van terug- en invordering een beleid zoals
weergegeven in de bijlage bij dit
besluit.
Art. 2.
De beleidsregel terug- en
invordering van 22 april 1998 (Stcrt. 1998, 90) wordt ingetrokken.
Art. 3.
Dit besluit treedt in
werking op 1 juli 1999.
Art. 4.
Dit besluit wordt aangehaald
als: Beleidsregel terug- en
invordering.
Dit besluit zal (met de bijlage) in de Staatscourant worden
geplaatst.
Amsterdam, 31 maart 1999.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.
BIJLAGE
1. Inleiding
Met de Wet boeten,
maatregelen en terug- en invordering
sociale zekerheid (Wet BMT) werden onder andere de terugvorderingsbepalingen in
de WW, ZW, WAO en
TW ingrijpend
gewijzigd. De WAZ en de Wajong bevatten gelijksoortige bepalingen.
De hoofdlijnen van de nieuwe
terugvorderingsbepalingen zijn de volgende:
• Er bestaat voor het Lisv [Landelijk instituut sociale verzekeringen,
zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.] een verplichting tot terugvordering van de onverschuldigde betalingen, in plaats van
- zoals voorheen - een bevoegdheid.
• De terugvorderingsgronden
(toedoen, redelijkerwijs duidelijk)
zijn vervallen; dit impliceert dat in
principe in alle gevallen wordt teruggevorderd.
• De bijzondere termijnen
voor terugvordering zijn vervallen.
• De
terugvorderingsbeslissing levert een executoriale titel op in de zin van het
Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering.
• Bij gebreke van tijdige
terugbetaling wordt het bedrag van de terugvordering verhoogd met de wettelijke
rente en invorderingskosten. In een
apart artikel is de tenuitvoerlegging van de terugvordering geregeld, te weten de
verrekening met andere, namens het Lisv
verstrekte uitkeringen, de verrekening
met andere socialezekerheidsuitkeringen zoals AOW en
bijstand en het executoriaal (derden)beslag.
Het Lisv heeft de wettelijke
taak regels te stellen met betrekking
tot de terugvordering en de tenuitvoerlegging van besluiten tot terugvordering. Deze
regels zijn gesteld bij het Besluit Tica inzake betaling,
terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigd betaalde uitkering
(gewijzigd bij Besluit van het Lisv van
10 december 1997, Stcrt. 1997, 247, M
97.142 van 30 december 1997 en bij
besluit van gelijke datum als dit
besluit) en hebben onder andere betrekking op
de termijnen van terugbetaling, de toerekening van kosten en de berekening
van wettelijke rente en invorderingskosten.
Het Lisv stelt met dit
besluit beleidsregels vast ten aanzien van terug-
en invordering die niet in het
Besluit Tica inzake betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigd
betaalde uitkering aan de orde komen.
Met betrekking tot de
voorheen geldende terugvorderingsbepalingen en
het daarbij te voeren terugvorderingsbeleid had de Federatie van
Bedrijfsverenigingen (FBV) aanbevelingen gedaan
bij Circulaire C 820 van
september 1992. Deze FBV-circulaire vervalt
niet, maar blijft gelden voor die gevallen waarin de terugvorderingsbepalingen
die golden vóór invoering van de Wet BMT nog van toepassing zijn. De Beleidsregel terug- en invordering van
april 1998 vervalt en wordt vervangen door dit besluit, naar aanleiding van
de invoering met ingang van 1 januari 1999
van de Wet terugvordering en
verhaal in verband met herziening van
het debiteurenbeleid (Stb. 1998, 278) en de Wet
Schuldsanering Natuurlijke Personen (titel III Faillissementswet) met ingang van 1 december 1998. In dit besluit is hoofdstuk 4
geheel nieuw.
2. Verplichte terugvordering
Met de Wet BMT is de
bevoegdheid om onverschuldigd betaalde uitkering terug te vorderen, gewijzigd
in een verplichting. Uitgangspunt is dus dat elke onverschuldigde betaling
wordt teruggevorderd.
In het Besluit herziening en
intrekking uitkeringen (Stcrt. 1997, 245, M 97.126 van 15 december 1997) is
aangegeven in welke situaties wordt
overgegaan tot herziening of intrekking van
de uitkering en of dit met terugwerkende kracht dient te gebeuren.
Dit besluit vermeldt ten
aanzien van terugvordering het volgende.
"Indien aan de belanghebbende over een periode waarover ten onrechte of tot een te hoog bedrag
uitkering is verstrekt een andere uitkering wordt
verstrekt, terwijl het belanghebbende
niet redelijkerwijs duidelijk was
of kon zijn dat de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag werd
verstrekt, wordt de beslissing over eerstbedoelde uitkering ingetrokken of
herzien met ingang van de datum waarop
de andere uitkering wordt verstrekt.
De ten onrechte of tot een te hoog
bedrag verstrekte uitkering wordt met de
andere uitkering verrekend; voor zover een hoger bedrag is verstrekt
dan het bedrag van de andere
uitkering, wordt het meerdere niet teruggevorderd". Gevolg van de invoering van
de verplichte terugvordering is dat de in
de jurisprudentie ontwikkelde
zesmaandentermijn vervalt. Deze jurisprudentie hield in dat tot maximaal
zes maanden na het eerste door de
uitvoeringsinstelling ontvangen signaal dat
onverschuldigd wordt betaald, kan worden
teruggevorderd. Dit betekent dat het gehele onverschuldigd betaalde
bedrag wordt teruggevorderd, ook als dit
een periode van meer dan zes maanden
betreft.
De matiging van het terug te
vorderen bedrag tot het netto uitkeringsbedrag in het geval onverschuldigd is
betaald door toedoen van de
uitvoeringsinstelling, vervalt eveneens. Zie verder hoofdstuk
5.
3. Dringende redenen
De terugvorderingsartikelen
bepalen alle dat het Lisv kan
besluiten geheel of gedeeltelijk van
terugvordering af te zien indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn.
De memorie van toelichting (Kamerstukken II
1994-1995, 23 909, nr. 3, blz. 68)
vermeldt het volgende:
"Deze regel moet toegepast
worden indien door de
terugvordering voor de betrokkene onaanvaardbare
consequenties zouden optreden. Uit het
woord "dringend" blijkt dat er wel iets bijzonders en uitzonderlijks aan de
hand moet zijn, wil een afwijking
van het algemene principe
gerechtvaardigd zijn. Daarbij dient het uiteraard
om incidentele gevallen te gaan, gebaseerd
op een individuele afweging van
alle relevante omstandigheden; van algemene
of categorale afwijkingen kan geen sprake zijn. De dringende redenen
kunnen overigens in hun algemeenheid moeilijk nader worden aangeduid: er
is niet primair of uitsluitend aan
financiële redenen gedacht; ook immateriële
omstandigheden kunnen een rol spelen. (....) De toepassing van de
dringende redenen dient overigens te
geschieden met inachtneming van de
algemene beginselen van behoorlijk bestuur". Uit deze overwegingen kan
worden afgeleid dat bij de
toepassing van de dringende reden van algemene
of categorale afwijkingen geen sprake kan zijn. De dringende redenen
kunnen slechts aan de orde komen
indien als gevolg van bijzondere
aspecten van het individuele geval
onaanvaardbare gevolgen optreden.
Het Lisv ziet geen ruimte om
een nadere beleidsregel vast te
stellen over de invulling van de
bevoegdheid om van terugvordering geheel of
gedeeltelijk af te zien als zich een dringende reden voordoet.
Wel dienen de
uitvoeringsinstellingen zich ervan bewust te zijn
dat de bevoegdheid bestaat en dat
zij dus in voorkomende gevallen zich
moeten afvragen of zich dringende redenen voordoen, en zo ja, of en in
hoeverre zij dan gebruik willen maken van
deze bevoegdheid.
4. Afzien van verdere
terugvordering
Sinds de inwerkingtreding
van de Wet boeten,
maatregelen en terug- en invordering
sociale zekerheid geldt dat
het Lisv altijd het volledige
bedrag aan onverschuldigd betaalde
uitkering moet terugvorderen tenzij sprake
is van een dringende reden om niet tot
terugvordering over te gaan.
Met ingang van 1 januari
1999 is dit uitgangspunt genuanceerd.
Deze wijziging geldt echter niet voor de
terug- en invordering van de boete.
Door de invoering van de Wet terugvordering en verhaal in verband met
herziening van het debiteurenbeleid (Stb.
1998, 278) kan het Lisv in bepaalde
situaties van verdere terugvordering
afzien.
Het Lisv kan besluiten van
terugvordering of van verdere
terugvordering af te zien indien de schuldenaar:
a. gedurende vijf jaar
volledig aan zijn betalingsverplichtingen
heeft voldaan;
b. gedurende vijf jaar niet
volledig aan zijn betalingsverplichtingen
heeft voldaan, maar het achterstallige
bedrag over die periode,
vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering
betrekking hebbende kosten, alsnog
heeft betaald;
c. gedurende vijf jaar geen
betalingen heeft verricht en niet
aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal
gaan verrichten; of
d. een bedrag, overeenkomend
met ten minste 50% van de restsom in
één keer aflost.
De onder a en b genoemde
termijn van vijf jaar wordt verkort tot drie jaar, als:
a. het gemiddeld inkomen van
de schuldenaar in die drie jaar gemiddeld
niet hoger is dan de beslagvrije
voet; én
b. de vordering niet het
gevolg is van overtreding van de
inlichtingenplicht. Dit volgt uit bijvoorbeeld artikel
36, tweede en derde lid, van de WW.
In dit hoofdstuk formuleert
het Lisv zijn beleid over de
hantering van zijn bevoegdheid om af te zien
van verdere terugvordering. In hoofdstuk 4.1 tot en met 4.4 worden de vorenstaande onderdelen a tot en met d
afzonderlijk besproken. Daarnaast wordt
met een wijzigingsbesluit van
gelijke datum als dit besluit het Besluit Tica
inzake betaling, terugvordering en
tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigd betaalde uitkering aangepast.
4.1. Afzien van verdere
terugvordering nadat drie/vijf jaar aan
betalingsverplichting is voldaan
Het Lisv
sluit aan bij het
uitgangspunt van de Wet
Schuldsanering Natuurlijke Personen (titel III Faillissementswet) (zie 4.5) dat het
onwenselijk is om debiteuren langer dan
drie jaar terug te werpen op een
(gezins)inkomen op of net boven het
bestaansminimum. Van een dergelijk laag inkomen is echter geen sprake als de
schuldenaar samenleeft of gedurende de
afgelopen drie of vijf jaar heeft
samengeleefd met een partner of echtgenoot
wiens inkomen niet bij de vaststelling van
de aflossingscapaciteit is
betrokken (ongeregistreerd partnerschap of geregistreerd partnerschap of huwelijk
buiten gemeenschap van goederen).
In dat geval wordt geen gebruik
gemaakt van de bevoegdheid om af te zien
van verdere terugvordering.
4.1.1. Geen overtreding
inlichtingenplicht
Bij vorderingen die niet het
gevolg zijn van overtreding van de
inlichtingenplicht beoordeelt het Lisv ambtshalve of van verdere
terugvordering wordt afgezien, nadat de schuldenaar:
a. drie jaar volledig aan
zijn betalingsverplichting heeft voldaan en het
termijnbedrag gedurende deze periode was gebaseerd op de volledige
aflossingscapaciteit;
b. vijf jaar volledig aan
zijn betalingsverplichting heeft voldaan en het
termijnbedrag was gebaseerd op een lager bedrag conform artikel
5,
zesde lid, van het Besluit Tica inzake betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van
boeten en onverschuldigd betaalde uitkering. Dit betekent een
vermindering van de volledige
aflossingscapaciteit met 5% van de bijstandnorm.
4.1.2. Overtreding
inlichtingenplicht
Bij vorderingen die het
gevolg zijn van overtreding van de
inlichtingenplicht beoordeelt het Lisv ambtshalve of van verdere terugvordering wordt
afgezien, nadat de schuldenaar:
a. gedurende vijf jaar
volledig aan zijn betalingsverplichting heeft
voldaan; en
b. ten minste de helft van de
vordering is voldaan.
Indien na vijf jaar nog niet
de helft van de vordering is voldaan,
beoordeelt het Lisv ambtshalve of van
verdere terugvordering wordt afgezien op het latere tijdstip dat de schuldenaar
de helft van de vordering heeft voldaan
mits hij tot dat moment tevens volledig
aan zijn betalingsverplichting heeft
voldaan.
4.1.3. Termijnregeling
Voor de
onder
4.1.1 (geen
overtreding inlichtingenplicht) en 4.1.2 (wel overtreding inlichtingenplicht)
beschreven situatie geldt tevens het
volgende:
1. De schuldenaar heeft
volledig aan zijn betalingsverplichting
voldaan als de vordering is betaald of
verrekend conform de vastgestelde
termijnregeling of vermogen is aangewend.
2. Als de schuldenaar niet
aan de termijnregeling voldoet, wordt de vordering geheel opeisbaar. Eventuele
daarna volgende inning door
bijvoorbeeld beslaglegging gedurende drie
of vijf jaar maken niet dat de
schuldenaar drie of vijf jaar aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan.
3. Het Lisv neemt aan dat de
schuldenaar aan zijn
betalingsverplichting heeft voldaan als in het kader van
een vrijwillige schuldsaneringsregeling (zie 4.5) een nieuwe termijnregeling
is afgesproken waaraan de schuldenaar zich
drie of vijf jaar heeft gehouden.
4.2. Afzien van verdere
terugvordering als niet gedurende drie/vijf
jaar aan betalingsverplichting is
voldaan, maar de achterstand wordt
aangezuiverd
Door niet, conform hoofdstuk
4.1 vastgestelde termijnen, te
betalen, verspeelt de schuldenaar de
mogelijkheid dat het Lisv afziet van
verdere terugvordering. Als de schuldenaar het
achterstallige bedrag over die periode,
vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke
rente en de op de invordering betrekking
hebbende kosten, alsnog heeft betaald,
kan het Lisv besluiten toch af te
zien van verdere terugvordering.
Het Lisv maakt eenmalig van
deze bevoegdheid gebruik, als:
a. de achterstand niet meer
dan zes maanden bedraagt; én
b. het verzoek is gedaan
binnen zes maanden nadat de schuldenaar
voor het eerst niet meer aan zijn
betalingsverplichting heeft voldaan; én
c. de achterstand met rente
en kosten wordt betaald binnen drie
maanden nadat de uitvoeringsinstelling aan de schuldenaar heeft opgegeven
hoeveel hij moet betalen.
Bij een grotere achterstand
of aanzuivering na langere tijd is niet
zozeer sprake van aanzuivering van
de achterstand, maar eerder van afkoop van de vordering. Bovendien kan
dan niet meer gezegd worden dat de
schuldenaar gedurende drie of vijf jaar
heeft geleefd van een inkomen rond het
bestaansminimum.
4.3. Gedurende ten minste
vijf jaar geen betalingen
In de vervallen Beleidsregel
terug- en invordering van 22 april
1998 was aangegeven in welke gevallen wordt
overgegaan tot afboeking van oninbare
vorderingen als de schuldenaar spoorloos is of gedurende een aantal
jaren niets heeft kunnen betalen.
De wettelijke bepaling in
onderdeel c [van het tweede lid van de in het opschrift van deze
beleidsregel genoemde artikelen, red.] geeft aan dat van
terugvordering kan worden afgezien als de
schuldenaar gedurende vijf jaar geen
betalingen heeft verricht en niet aannemelijk
is dat hij deze op enig moment zal gaan
verrichten. Het eerdere beleid wordt enigszins gewijzigd en wordt nu gezien
als een toepassing van de wettelijke
bepaling onder c.
Een vordering kan als
oninbare vordering worden afgeboekt, indien:
• de schuldenaar is overleden, de boedel
niets oplevert en er geen
erfgenamen zijn;
• de schuldenaar is
overleden, de boedel niets oplevert en de
erfgenamen geen verhaal bieden;
• de schuldenaar spoorloos is
en blijft gedurende een aantal jaren
na de laatste betaling. Afhankelijk van de
hoogte van de resterende vordering
kan de vordering na vijf of tien jaar worden afgeboekt:
<€|2269,- vijf jaar;
>€|2269,- tien jaar;
• de schuldenaar niets heeft
kunnen terugbetalen gedurende een
aantal jaren na de laatste betaling.
Afhankelijk van de hoogte van de resterende
vordering kan de vordering na vijf of tien jaar worden afgeboekt:
<€|2269,- vijf jaar;
>€|2269,- tien jaar.
Uiteraard dient in de loop
van de termijn regelmatig te worden
gecontroleerd of in daar genoemde
situaties enige verandering is
opgetreden.
4.4. Aflossing in één keer
van ten minste de helft van de restsom
De wettelijke bepaling onder
d [van het tweede lid van de in het opschrift van deze beleidsregel
genoemde artikelen, red.] bepaalt dat het Lisv
van verdere
terugvordering kan afzien als de
schuldenaar een bedrag, overeenkomend met
ten minste 50% van de restsom in één
keer aflost. Het Lisv zal hiertoe alleen
overgaan indien het aangeboden bedrag ten minste gelijk is aan het bedrag dat
gedurende drie of vijf jaar zou worden betaald volgens de vast te
stellen of reeds vastgestelde
(eventueel wegens gewijzigde omstandigheden
herziene) termijnregeling. Hiermee
wordt voorkomen dat een betaling in één
keer voordeliger is dan een regeling met
termijnbetalingen. Als sprake is van een reële verwachting bij de
uitvoeringsinstelling dat de gebruikelijke
incassoprocedure meer oplevert dan aflossing
in één keer, wordt het laatste niet
toegestaan. Hiervan is bijvoorbeeld sprake bij
een werkloze die een WW-uitkering
ontvangt maar die perspectief heeft
op betaald werk waardoor zijn
inkomenspositie verbetert.
4.5. Schuldsanering
Per 1 december 1998 is de
Wet Schuldsanering
Natuurlijke Personen (titel III Faillissementswet) in
werking getreden. Een belangrijke
nevendoelstelling van deze wet is het bevorderen van de bereidheid
van schuldeisers tot het treffen
van een vrijwillige regeling met de schuldenaar waardoor het uitspreken door
de rechter van een wettelijke
schuldsaneringsregeling achterwege kan blijven.
In de door de gemeenten
uitgevoerde wetten (Abw, Ioaw en
Ioaz)
was reeds een afzonderlijke
mogelijkheid opgenomen om van (verdere)
terugvordering af te zien in het kader van
vrijwillige schuldsanering. In de door
het Lisv uitgevoerde wetten is een dergelijke bevoegdheid niet opgenomen.
Het Lisv is derhalve slechts bevoegd
om mee te werken aan een vrijwillige
schuldsanering binnen de met de Wet
terugvordering en verhaal geïntroduceerde bevoegdheid om af te zien
van verdere terugvordering.
Dit betekent dat het Lisv
slechts medewerking kan verlenen aan een schuldsaneringsregeling indien de schuldenaar:
a. gedurende ten minste vijf
jaar volledig voldoet aan de in het kader
van de schuldsanering
overeengekomen betalingsverplichting;
b. niet gedurende vijf jaar
volledig heeft voldaan aan deze
betalingsverplichting maar de schuldenaar het
achterstallige bedrag over die periode,
vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de
invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald; het
achterstallige bedrag wordt vastgesteld conform
hoofdstuk 4.2;
c. een bedrag, overeenkomend
met ten minste 50% van de restsom in één
keer aflost.
De onder a en b genoemde
termijn van vijf jaar kan worden verkort
tot drie jaar indien de vordering
niet het gevolg is van een overtreding van
de inlichtingenplicht en het gemiddelde resterende inkomen van de schuldenaar
in die periode niet hoger is
geweest dan de beslagvrije voet (zie bijvoorbeeld
artikel 36, derde lid, van de WW). De
wetgeving geeft dus geen ruimte om
medewerking te verlenen aan
schuldsaneringen met een looptijd van minder dan
vijf jaar indien de vordering niet het
gevolg is van overtreding van de inlichtingenplicht en waarbij de schuldenaar
blijft beschikken over een inkomen
dat hoger is dan de beslagvrije voet.
Ook geldt dat een boete altijd
volledig moet worden voldaan, aangezien het Lisv
niet bevoegd is tot
kwijtschelding van een boete.
Een verzoek tot
schuldsanering zal in het algemeen worden gedaan
nadat de schuldenaar zich niet aan de
vastgestelde termijnregeling heeft
gehouden en de schuld geheel
opeisbaar is geworden. Het Lisv kan dan instemmen
met kwijtschelding na aanzuivering van de achterstand onder de in
hoofdstuk 4.2 beschreven voorwaarden.
Indien aanzuivering niet
meer mogelijk is, schort het Lisv de
executie van de vordering slechts op, en
wordt met de debiteur een in het kader
van een vrijwillige schuldsaneringsregeling
nieuwe termijnregeling afgesproken,
indien dit verzoek wordt gedaan door
tussenkomst van een kredietbank als
bedoeld in de Wet
op het consumentenkrediet of een krachtens artikel 48,
eerste lid onderdeel d, van de Wet
op het consumentenkrediet aangewezen natuurlijke
of rechtspersoon. Bovendien
wordt alleen medewerking verleend
indien voldoende vertrouwen bestaat dat de schuldenaar zich aan de
regeling zal houden en redelijkerwijs mag
worden aangenomen dat de schuldenaar in aanmerking zou komen voor de toepassing
van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen.
De nieuwe termijnregeling
wordt vastgesteld met inachtneming van het Besluit Tica inzake
betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van
boeten en onverschuldigd betaalde uitkering. Afwijking van dit besluit,
bijvoorbeeld ten aanzien van de hoogte
van het vrij te laten inkomen, is niet
toegestaan. Bij vordering als gevolg van
overtreding van de inlichtingenplicht
zal dus altijd de eerste vijf jaar de
volledige aflossingscapaciteit moeten worden aangewend. Bij andere vorderingen kan
dit bedrag worden verminderd met
5% van de bijstandsnorm conform
artikel 5, zesde lid, van het besluit.
Het is mogelijk om in het
kader van een schuldsanering in te
stemmen met een andere verdeling tussen
de schuldeisers onderling mits:
a. de vordering van het Lisv ten minste zal worden voldaan naar
evenredigheid met vorderingen van
schuldeisers met gelijke rang en het te
ontvangen deel van de vordering van het
Lisv van ten minste dezelfde omvang is als kan
worden verkregen indien een saneringsplan zou worden vastgesteld; én
b. het Lisv noch in
uitkeringspercentage noch in tempo van betaling
wordt achtergesteld bij
gelijkbevoorrechte schuldeisers.
Dit is geregeld in artikel
7, derde lid, van het Besluit Tica inzake
betaling, terugvordering en
tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigd
betaalde uitkering.
Het Lisv zal gebruik maken
van zijn bevoegdheid om van verdere
terugvordering af te zien nadat de
schuldenaar gedurende de in hoofdstuk 4.1 genoemde termijnen van drie of vijf jaar en volgens de overige
in hoofdstuk 4.1 genoemde voorwaarden
aan zijn betalingsverplichting heeft
voldaan. Dit betreft onder meer het
voldoen van ten minste de helft van de vordering
indien de vordering is ontstaan
door overtreding van de inlichtingenplicht.
Eenmalige aanzuivering van een
opgetreden achterstand is alleen mogelijk onder de in hoofdstuk 4.2 genoemde
voorwaarden.
Bij schuldsanering door
middel van aflossing van een bedrag in
één keer gelden de in hoofdstuk 4.4
genoemde voorwaarden.
4.6. Overgangsrecht
Naar aanleiding van de
Wet
terugvordering en verhaal en de Wet
Schuldsanering Natuurlijke Personen (titel III Faillissementswet) is deze beleidsregel
gewijzigd. De gewijzigde beleidsregel
treedt in werking op 1 juli 1999. Dit betekent dat vanaf 1 juli 1999 een
beslissing kan worden genomen om af te zien
van verdere terugvordering. Deze
beslissing kan betrekking hebben op vorderingen waarover vóór 1 juli 1999
reeds een beslissing tot
terugvordering was genomen, maar op die datum
niet (volledig) zijn voldaan.
5. Bruto of netto
terugvordering
Volgens de wet is voor
terugvordering vatbaar de onverschuldigd
betaalde uitkering alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald.
Wat uitkeringen betreft is
het uitgangspunt voor terugvordering de
bruto-uitkering plus de
overhevelingstoeslag. De werknemersdelen van de
premies WW en Zfw alsmede de vereveningsbijdrage kunnen door de
uitvoeringsinstellingen intern worden verrekend en behoeven niet te worden terugbetaald.
Vindt de terugbetaling
plaats binnen hetzelfde lopende
belastingboekjaar als waarin de onverschuldigde
betaling plaatsvond, dan behoeven ook
de loonbelasting en de premies volksverzekeringen niet te worden terugbetaald
en kan met terugbetaling van
het nettobedrag volstaan worden. De
uitvoeringsinstellingen kunnen namelijk te hoge afdrachten aan
loonbelasting en premies volksverzekeringen,
bezien over het geheel van uitkeringen,
binnen hetzelfde belastingboekjaar verrekenen
met de nog aan de fiscus af te dragen heffingen. De fiscus
aanvaardt deze handelwijze, indien althans
aan het einde van het
belastingboekjaar de bedragen op de individuele
jaaropgaven correct weergeven wat voor
de uitkeringsgerechtigde had moeten worden afgedragen. De fiscus staat
een dergelijke verrekening niet toe ingeval het belastingboekjaar is
afgesloten.
De nieuwe
terugvorderingsbepalingen maken, gelet op de zinsnede "hetgeen anderszins onverschuldigd is
betaald", ook terugvordering mogelijk
van bijvoorbeeld voorzieningen, van de
werkgeversdelen premies sv [sv: sociale verzekeringen, red.] die per abuis aan de uitkeringsgerechtigde
worden betaald, of van per abuis
niet op de uitkering ingehouden loonbelasting of (werknemersdelen van)
premies.
In situaties waarin
onverschuldigd uitkeringen aan verzekerden, werkloze werknemers, etc. worden
betaald via de werkgever en terugvordering
van de werkgever in de rede ligt,
zal dit laatste niet kunnen gebeuren op grond van de terugvorderingsbepalingen in
de socialeverzekeringswetten, maar gebaseerd moeten worden
op het Burgerlijk
Wetboek.
6.
Beslaglegging/derdenbeslag
Indien invordering niet kan
plaatsvinden door middel van verrekening
met een uitkering en evenmin
door middel van een
terugbetalingsregeling, dan wordt het terugbetalingsbesluit ten uitvoer gelegd met toepassing van
het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering: er kan dan bijvoorbeeld
executoriaal beslag worden gelegd op roerende of onroerende zaken van
degene van wie wordt teruggevorderd of
op het loon of de uitkering die
derden aan hem verschuldigd zijn.
Met invoering van de Wet BMT
komt aan het Lisv het
vereenvoudigde derdenbeslag toe waarover ook, op grond van artikel 479b tot en met
479g van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, de alimentatiegerechtigde en de Raad voor de Kinderbescherming
beschikken.
7. De beslagvrije voet
De vanaf de invoering van de
Wet BMT geldende invorderingsartikelen (artikel 27g
WW e.d.) bepalen dat de
tenuitvoerlegging van een
terugvorderingsbesluit zodanig geschiedt dat de
schuldenaar blijft beschikken over een
inkomen gelijk aan de beslagvrije
voet zoals bedoeld in de artikelen 475c
en 475d van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering.
Uitgangspunt voor de hoogte
van de beslagvrije voet is de grens
van 90% van de voor de schuldenaar
geldende bijstandsnorm inclusief de
vakantieaanspraken. Afhankelijk van de specifieke sociaal-financiële situatie
van de schuldenaar dient deze grens op grond
van de toepasselijke bepalingen
van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering verhoogd of verlaagd te
worden. Voor de vaststelling van de
juiste beslagvrije voet zal
onderzoek moeten worden verricht naar ten minste de volgende aspecten:
- de leefvorm
(echtpaar/samenwonenden, eenoudergezin,
alleenstaande) van de schuldenaar;
- het eventuele inkomen
van de partner van de schuldenaar;
- de totale bijdrage van
de schuldenaar aan
ziektekostenverzekeringen (hieronder wordt ook verstaan de
vrijwillige aanvullende Zfw-premie en de
nominale Zfw/AWBZ-premie);
- de maandelijkse huur-
dan wel hypotheeklast van de schuldenaar en de eventueel ontvangen
huursubsidie dan wel woonkostentoeslag;
- eventuele andere
periodieke inkomsten van de schuldenaar.
Dit onderzoek kan, uit een
oogpunt van tijds- en
kostenbesparing, achterwege worden gelaten indien met de schuldenaar een regeling kan
worden getroffen, via verrekening
of terugbetaling, die ertoe leidt dat de
gehele schuld binnen één jaar is
terug- of afbetaald. Artikel 4, tweede lid, van
het Besluit Tica inzake
betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van
boeten en onverschuldigd betaalde
uitkering geeft deze mogelijkheid.
8. De
terugvorderingstermijnen
Op grond van de tot de
invoering van de Wet BMT geldende
terugvorderingsartikelen kon terugvordering slechts binnen een bepaalde termijn
van twee dan wel vijf jaren na de dag
van betaalbaarstelling plaatsvinden.
In de vanaf de invoering van
de Wet BMT geldende
terugvorderingsartikelen ontbreken terugvorderingstermijnen. Derhalve gelden de
bepalingen van het Burgerlijk
Wetboek, met name
artikel 3:309 BW: een
rechtsvordering uit onverschuldigde betaling
verjaart door verloop van vijf jaren na de
aanvang van de dag, volgend op die
waarop de schuldeiser zowel met het
bestaan van de vordering als met de
persoon van de ontvanger bekend is geworden
en in ieder geval twintig jaren
nadat de vordering is ontstaan.
Een lopende verjaring wordt
afgebroken (gestuit) door een daad van
rechtsvervolging (bijvoorbeeld een
dagvaarding), door een schriftelijke
aanmaning, door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich
ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt - het
terugvorderingsbesluit is als zo’n
stuitingshandeling te beschouwen - of door erkenning van de
vordering door de schuldenaar.
Vrijwillige betaling is te beschouwen
als erkenning van de vordering. Nadat de
verjaring is gestuit, begint een nieuwe
verjaringstermijn te lopen (gelijk aan de
oorspronkelijke maar niet langer dan vijf jaren) die vervolgens wederom kan
worden gestuit. Verjaring staat
echter niet in de weg aan de bevoegdheid tot
verrekening mits tijdig is
teruggevorderd. Concreet betekent het bovenstaande dat een
uitvoeringsinstelling een besluit tot terugvordering ter
kennis van de schuldenaar dient te brengen
binnen vijf jaren nadat is
geconstateerd dat onverschuldigd is betaald en
binnen twintig jaren nadat de
onverschuldigde betaling heeft
plaatsgevonden. Vervolgens dient de verjaring elke vijf
jaren te worden gestuit: de uitvoeringsinstelling dient de belanghebbende elke
vijf jaren aan te manen tot betaling of ondubbelzinnig mede te delen dat zij haar
recht op nakoming voorbehoudt. Die aanmaning of mededeling kan achterwege
blijven gedurende vijf jaren nadat
de belanghebbende, bijvoorbeeld
door vrijwillige betaling, de vordering heeft erkend.
9. Overgangsrecht
Artikel XVI van de Wet BMT
bepaalt over terug- en invordering
het volgende:
Eerste lid: In de bevoegdheid van
de bedrijfsvereniging tot
terugvordering en verrekening van hetgeen vóór
de datum van inwerkingtreding van
deze wet onverschuldigd is betaald, wordt geen wijziging gebracht.
Tweede lid: Ten aanzien van
besluiten tot terugvordering of
verrekening die vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet zijn bekendgemaakt,
blijft het recht zoals dat vóór die datum gold van toepassing.
Dit artikel wordt als volgt
geïnterpreteerd.
Ten aanzien van hetgeen vóór
de invoeringsdatum van de wet ten onrechte of te veel betaald is blijft het
oude recht van toepassing, voor zover
het gaat om de vraag of er een bevoegdheid tot terugvordering of
verrekening bestaat. De nieuwe terugvorderingsbepalingen zijn van toepassing op
onverschuldigde betalingen die op of na die
datum zijn gedaan. In
terugvorderingsgevallen waarin sprake is van zowel vóór als op of na de invoeringsdatum van
de wet gedane betalingen zijn twee
wettelijke regimes van toepassing.
Uit artikel XVI, tweede lid,
van de Wet BMT volgt allereerst dat ten
aanzien van besluiten tot
terugvordering of verrekening die vóór de invoeringsdatum zijn bekendgemaakt, de
nieuwe wettelijke bepalingen niet van
toepassing zijn. Concreet betekent dit
bijvoorbeeld dat dergelijke besluiten tot
terugvordering geen executoriale titel
opleveren, dat voor de tenuitvoerlegging van die terugvorderingsbesluiten de
artikelen 27g WW e.d. niet gelden en
dat het Besluit Tica inzake
betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging
van boeten en onverschuldigd betaalde
uitkering op die besluiten niet van
toepassing is. A contrario valt uit het
tweede lid van artikel XVI
af te leiden dat
ten aanzien van besluiten tot terugvordering of verrekening die op of na de
invoeringsdatum zijn bekendgemaakt, het nieuwe recht van toepassing is, ook
als het gaat om voor de
invoeringsdatum gedane onverschuldigde
betalingen. Door de wetgever wordt het
beginsel van onmiddellijke werking
gehanteerd. Op dergelijke besluiten is
bijvoorbeeld dan ook het nieuwe recht met betrekking tot de tenuitvoerlegging van
het terugvorderingsbesluit
volledig van toepassing (het besluit levert een
executoriale titel op, bij gebreke van
tijdige terugbetaling wordt het
bedrag van de terugvordering verhoogd met
rente en incassokosten, etc). Alleen
de vraag of terugvordering wel mogelijk
is, zal ten aanzien van vóór de
invoeringsdatum gedane betalingen beoordeeld
moeten worden aan de hand van de
voorheen geldende wettelijke
bepalingen. Indien een terugvorderingsbesluit dat vóór de inwerkingtreding van
de Wet BMT is genomen, wordt
herzien ná inwerkingtreding van de Wet BMT, voor wat betreft de effectuering van het
terugvorderingsbesluit,
wordt het Besluit Tica inzake
betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van
boeten en onverschuldigd betaalde
uitkering en deze beleidsregel toegepast.
De wettelijke bepalingen die golden tot de invoering van de Wet BMT
blijven wel gelden gezien artikel XVI
van de Wet BMT aangezien het oorspronkelijke terugvorderingsbesluit
immers is genomen vóór inwerkingtreding van Wet BMT.
Amsterdam, 31 maart 1999.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.
|
|