|
17 december 1998/nr. SV/WV/98/36309c
Directie Sociale
Verzekeringen
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst;
Gelet op artikel 24, zesde
lid, en artikel 26, derde lid, van de Werkloosheidswet;
Besluit:
Goed te keuren het door het
Landelijk instituut sociale verzekeringen op 12 november 1998 getroffen
besluit tot vaststelling van het besluit
betreffende vrijstelling van verplichtingen gericht op arbeidsinpassing.
Dit besluit wordt, tezamen
met het goedgekeurde besluit en de toelichting daarop, bekendgemaakt in de
Staatscourant.
’s-Gravenhage, 17 december
1998.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst.
BIJLAGE
Besluit tot vaststelling van
het besluit betreffende vrijstelling van verplichtingen gericht op arbeidsinpassing
Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen;
Gelet op de artikelen
24,
zesde lid, en 26, derde lid, van de Werkloosheidswet;
Besluit:
Art. 1.
-1. Van de verplichting zich
als werkzoekende te laten registreren bij de Centrale organisatie werk en
inkomen, bedoeld in artikel 26,
eerste lid, onderdeel d, van de Werkloosheidswet,
en van de verplichtingen
gericht op arbeidsinpassing, bedoeld in artikel
24, eerste lid, onderdeel
b,
onder 1º, 2º en 4º, en artikel 26, eerste
lid, onderdeel f en g, van de Werkloosheidswet, is vrijgesteld de werknemer wiens
werkloosheid uitsluitend een gevolg is
van:
a. vorst, sneeuwval, hoog
water of daarmee gelijk te stellen
buitengewone natuurlijke omstandigheden;
b. verkorting van de
werktijd, waarvoor op grond van het bepaalde in
artikel 8, derde lid, van het
Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen
1945 ontheffing is verleend.
-2. Onverminderd het bepaalde
in het eerste lid is vrijgesteld
van de verplichtingen gericht op arbeidsinpassing, bedoeld in artikel
24,
eerste lid, onderdeel b, onder 1º, en artikel
26, eerste lid, onderdeel
f en g, van
de Werkloosheidswet, de werknemer van 57,5 jaar
of ouder die werkloos is.
-3. De omschreven
vrijstellingen gelden voor de werknemer, bedoeld
in het eerste lid, onderdeel b, wiens
werktijd tot nul uur is verkort, voor de
duur van de eerst afgegeven vergunning.
Art. 2.
Van de verplichtingen
gericht op arbeidsinpassing, bedoeld in
artikel 24, eerste lid, onderdeel b,
onder 1º, 2º en 4º, van de Werkloosheidswet, is vrijgesteld de
werknemer die met het
oog op verbetering van de kansen
op de arbeidsmarkt een naar het
oordeel van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen noodzakelijke opleiding of scholing volgt.
Art. 3.
Het Besluit vrijstelling
verplichtingen wordt ingetrokken.
Art. 4.
Dit besluit treedt in
werking met ingang van de tweede dag van
de eerste kalendermaand na de
dagtekening van de Staatscourant waarin
het wordt geplaatst.
Art. 5.
Dit besluit wordt aangehaald
als: Besluit vrijstelling
verplichtingen WW.
Dit besluit zal met de
toelichting in de Staatscourant worden
gepubliceerd.
Amsterdam, 12 november 1998.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.
Behoort bij mijn besluit van
17 december 1998, Directie Sociale Verzekeringen, nr.
SV/WV/98/36309c.
Mij bekend:
de Staatssecretaris van
Siociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst.
TOELICHTING
[12 november 1998]
Aanleiding tot het
vaststellen van een nieuw besluit inzake de
vrijstelling van verplichtingen is de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997.
Ingevolge artikel 3 van het voorheen
geldende besluit hadden
bedrijfsverenigingen op twee punten een bevoegdheid
om af te wijken van de "hoofdregel"
in het besluit. In de eerste plaats
kon een langere vrijstelling worden verleend
bij de zogenaamde nulurenvergunning (op grond van de hoofdregel gold
de vrijstelling alleen voor de duur van de
eerste nulurenvergunning). Enkele bedrijfsverenigingen hadden
van deze bevoegdheid gebruik gemaakt.
In de tweede plaats konden
verplichtingen alsnog worden opgelegd aan "vrijgestelde" werknemers. In de praktijk
werd van deze bevoegdheid
geen gebruik gemaakt en was ter zake geen specifiek beleid
vastgesteld. Bijgaand besluit is zodanig aangepast
dat beide bevoegdheden zijn vervallen.
Tevens is de bepaling waarin de werknemer van 55 jaar of ouder - in een
aantal overgangssituaties - was vrijgesteld van de arbeidsverplichtingen
vervallen. Deze bepaling is uitgewerkt nu de
groep waarop deze bepaling
betrekking heeft niet meer voorkomt.
Verder zijn geen inhoudelijke
wijzigingen beoogd. Door het vervallen van de
bevoegdheid tot een langere vrijstelling
na de eerste nulurenvergunning
wordt van betrokkene onder meer
verwacht zich in te schrijven bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie [zie
Centrale organisatie werk en inkomen, red.]
en passende arbeid te zoeken bij
verlenging van de nulurenvergunning
tot werktijdverkorting. Bij de beoordeling van de nakoming van de verplichtingen zal
een individuele toets
plaatsvinden, waarbij met alle relevante
aspecten rekening kan worden
gehouden. In dit verband kan gedacht worden
aan bijvoorbeeld de situatie dat duidelijk is dat over twee weken het werk
bij de eigen werkgever weer kan worden hervat. Ook komt het in de
praktijk wel eens voor dat de
werkgever "tussendoor" een beroep moet doen op een werknemer. Deze
mogelijkheid moet behouden blijven. Ook hiermee zal bij de beoordeling van
de sollicitatieplicht rekening moeten worden gehouden, bijvoorbeeld
ingeval de werknemer een concreet
aanbod heeft om opvularbeid te verrichten
en tegelijkertijd bij de eigen werkgever (opvul)arbeid kan
verrichten. Ook overigens zijn bij de beoordeling van
de vraag of aan de
sollicitatieplicht is voldaan de in het Besluit
sollicitatieplicht werknemers WW opgenomen
beoordelingscriteria van toepassing.
Met betrekking tot de
passende arbeid kan voor deze werknemers
worden aangesloten bij de regels
zoals opgenomen in het Besluit
sollicitatieplicht werknemers WW en met name
bij sollicitatieplicht zoals deze is geregeld voor werknemers die een
toezegging hebben of de verwachting
hebben op korte termijn bij dezelfde
of een andere werkgever het werk te kunnen
hervatten. Voor deze werknemers is bepaald dat zij actief op
zoek moeten gaan naar opvularbeid van
allerlei aard. Ook wordt van deze
werknemers verwacht dat zij zich
minstens één maand vóór het intreden van
de werkloosheid inschrijven bij één of
meerdere uitzendbureaus. Van de
werknemers wiens werktijd is verkort
tot nul uur zal inschrijving één maand van
te voren niet verwacht worden.
Daarbij is overwogen dat men al werkloos is en
dat van te voren niet (altijd)
duidelijk zal zijn dat de vergunning tot
werktijdverkorting zal worden verlengd.
Met het vervallen van de
tweede bevoegdheid wordt bereikt
dat de vrijstellingen onverkort blijven gelden, zolang de situatie op grond
waarvan de vrijstelling van toepassing is, niet wijzigt.
Amsterdam, 12 november 1998.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.
|
|