|
Het
Landelijk instituut
sociale verzekeringen;
Gelet op artikel 31 van de Werkloosheidswet;
Besluit:
Art. 1.
Het Landelijk instituut
sociale verzekeringen voert ter zake van de betaling en terugvordering van
voorschotten een beleid als weergegeven in de
bijlage bij dit besluit.
Art. 2.
Dit besluit is van
toepassing op voorschotbeslissingen die zijn afgegeven op of na de inwerkingtreding
van dit besluit.
Art. 3.
Dit besluit treedt in
werking met ingang van 1 februari 1999.
Het Besluit
voorschotverstrekking WW wordt per deze datum ingetrokken.
Art. 4.
Dit besluit wordt aangehaald
als: Besluit
voorschotverstrekking WW 1999.
Dit besluit zal met de
bijlage in de Staatscourant worden
geplaatst.
Amsterdam, 25 november 1998.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.
BIJLAGE
Op grond van
artikel
31 van
de Werkloosheidswet kan uitkering krachtens de Werkloosheidswet
bij wege
van voorschot verstrekt worden
indien onzekerheid bestaat over het
recht op of de hoogte van de
uitkering of de hoogte van het te betalen
bedrag aan uitkering of over het
nakomen van een verplichting genoemd in de Werkloosheidswet. Ook wordt in
artikel
31 van
de Werkloosheidswet bepaald
dat voorschotverstrekking plaatsvindt indien er onzekerheid bestaat omtrent
het recht op onverminderde
loondoorbetaling ingeval niet vaststaat dat
de dienstbetrekking rechtsgeldig is geλindigd
of dat recht vaststaat doch de
werkgever het loon niet voldoet. Geen
voorschot wordt verstrekt over
tijdvakken waarin het loon niet wordt
doorbetaald in verband met een geschil tussen de
werknemer en zijn werkgever over het
bestaan van ziekte van de werknemer.
De hiernavolgende procedure
is van toepassing bij
voorschotverstrekking.
1. Een voorschot als bedoeld
in artikel 31 van de Werkloosheidswet wordt spontaan verstrekt door de
uitvoeringsinstellingen. Hierdoor wordt zoveel mogelijk voorkomen dat betrokkene
een beroep moet doen op de
Algemene bijstandswet.
2. Indien na een aanvraag om
uitkering ingevolge de
Werkloosheidswet niet verwacht wordt dat binnen
vier weken na de ontvangst van de
aanvraag om uitkering, of eerste werkloosheidsdag indien deze later ligt, een
definitieve beslissing kan worden
afgegeven, wordt een voorschot verstrekt. Het
voorschot wordt verstrekt vanaf de - vermoedelijke - eerste werkloosheidsdag.
3. Onder aanvraag wordt
verstaan een aanvraag om uitkering
ingevolge de Werkloosheidswet waarbij een
volledig ingevuld en ondertekend
aanvraagformulier voorligt.
Bij voorkomende
verdragsgevallen geldt dat de aanvraag vergezeld
moet gaan van het EG-formulier E 301
of van gelijkwaardige bescheiden.
4. Het voorschot wordt
vastgesteld op de te verwachten hoogte van
de uitkering. Dit betekent dat rekening
gehouden moet worden met een
eventuele boete, maatregel, anticumulatie, evenredige vermindering of met andere
factoren waardoor het - mogelijke - recht op uitkering geheel of
gedeeltelijk niet geldend gemaakt zou kunnen worden. Het is mogelijk hierbij een
voorschot te verstrekken waarvan de
hoogte nihil is. Mocht volstrekt onduidelijk
zijn hoe hoog het dagloon of de
grondslag is, wordt dit gerelateerd aan
het geldend minimumloon.
Ten aanzien van artikel
31,
tweede lid, van de Werkloosheidswet:
- Staat vrijwel vast dat
er geheel geen recht op uitkering is, wordt
niet tot voorschotverstrekking
overgegaan, dan wel wordt een verzoek om
voorschot (indien dat er ligt)
afgewezen. Betrokkene wordt verwezen naar de
gemeente voor mogelijke uitkering op
grond van de Algemene bijstandswet.
Een schriftelijke berichtgeving volgt met
daarin de overwegingen om geen
voorschotten of uitkering te verstrekken.
- Voordat tot
voorschotverstrekking wordt overgegaan, dient de
uitvoeringsinstelling zich ervan te vergewissen
dat de betrokkene een voorschot
wenst.
5. Mocht op het moment van
voorschotverstrekking nog twijfel bestaan welke maatregel zou moeten
worden opgelegd, wordt bij de
voorschotverstrekking uitgegaan van de zwaarste te verwachten maatregel.
6. Een beslissing over de
voorschotverstrekking wordt binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag om
een uitkering ingevolge de
Werkloosheidswet (of eerste werkloosheidsdag
indien deze later is) aan betrokkene
verstrekt. Indien tijdens de uitkering
voorschotten worden verstrekt, wordt
betrokkene daarover en over de daaraan voorafgaande schorsing van de uitkering
onverwijld door middel van
een beslissing ingelicht.
7. Indien er een voorschot
wordt verstrekt, wordt betrokkene er
uitdrukkelijk op gewezen dat het recht op
of de hoogte van de aangevraagde
uitkering nog niet vaststaat en dat het ten onrechte of te veel
verstrekte voorschot teruggevorderd zal worden
indien blijkt dat geen recht op de
uitkering bestaat of dat recht bestaat op een
lager bedrag dan aan voorschot is
betaald.
8. De betaling van het
voorschot vindt plaats binnen een week na
ontvangst van het werkbriefje. Is het
eerste werkbriefje binnen de vierwekentermijn als bedoeld in punt 6 ontvangen,
vindt de betaling onverwijld na
afgifte van de beslissing plaats.
9. Zodra definitieve
vaststelling van de uitkering ingevolge de
Werkloosheidswet heeft plaatsgevonden, wordt
de voorschotverstrekking
gestaakt.
10. Het voorschot wordt
vervolgens ingetrokken met ingang van
de dag waarop het is toegekend en
wordt teruggevorderd. Wordt over
dezelfde periode als waarin het voorschot is verstrekt een uitkering ingevolge de
Werkloosheidswet of een andere uitkering toegekend, wordt eerst
verrekend met die toegekende uitkering.
Dit geldt ook ten aanzien van de gelden
als bedoeld in artikel 8, derde lid, van
het Uitkeringsreglement WW 1997 [zie Uitkeringsreglement
WW 2002, red.]. Een eventueel resterend deel van het voorschot wordt
teruggevorderd.
11. Vindt
voorschotverstrekking plaats op grond van artikel
31,
derde lid, van de Werkloosheidswet, dan is artikel
8, van het Uitkeringsreglement
WW 1997 van toepassing.
12. Bij het verstrekken van
voorschotten vindt dezelfde voorlichting
plaats als bij een reguliere
uitkering. Dat wil zeggen dat ook bij
voorschotverlening betrokkene gewezen dient te
worden op de verplichtingen en de
consequenties bij overtreding daarvan.
13. Voor zover in het
hiernavolgende niet anders is bepaald, is
het bovenstaande eveneens van toepassing op
de aangevraagde uitkering op
grond van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet.
Ten aanzien van de termijn
van de voorschotverstrekking gelden
de termijnen als bedoeld in artikel 64
van de Werkloosheidswet.
Een voorschot op de
uitkering over de termijn als bedoeld in
artikel 64, onderdeel c, van de Werkloosheidswet
wordt slechts verstrekt
indien zekerheid bestaat omtrent het recht op
uitkering of op verzoek van de
belanghebbende.
Indien geen werkbriefje is
benodigd, vindt, in afwijking van het
gestelde in punt 8, de betaling van het
voorschot onverwijld na afgifte van de
voorschotbeslissing plaats.
Nadere inlichtingen kunnen
worden verkregen bij het Landelijk
instituut sociale verzekeringen,
postbus 74765, 1070 BT Amsterdam [zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.].
Amsterdam, 25 november 1998.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.
|
|