St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 
•
•
•
•

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 
•
•
•
•

 

             

 
vorige

Werkloosheidswet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt naar laatste editie Staatsblad/Staatscourant

 

BESLUIT  VOORSCHOTVERSTREKKING  WW  1999
 
 

25 november 1998, Stcrt. 1998, 236
Inwerkingtreding: 1 februari 1999
(T.a.v. art. 31 WW)

 

  
•
•
•
•
 

 

 
     Het Landelijk instituut sociale verzekeringen;
     Gelet op artikel 31 van de Werkloosheidswet;

     Besluit:

 

 

Art. 1.
Het Landelijk instituut sociale verzekeringen voert ter zake van de betaling en terugvordering van voorschotten een beleid als weergegeven in de bijlage bij dit besluit.

 

Art. 2.
Dit besluit is van toepassing op voorschotbeslissingen die zijn afgegeven op of na de inwerkingtreding van dit besluit.

 

Art. 3.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 februari 1999.
Het Besluit voorschotverstrekking WW wordt per deze datum ingetrokken.

 

Art. 4.
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit voorschotverstrekking WW 1999.

 

 

     Dit besluit zal met de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.

 

Amsterdam, 25 november 1998.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.

 

 

 

BIJLAGE

 

     Op grond van artikel 31 van de Werkloosheidswet kan uitkering krachtens de Werkloosheidswet bij wege van voorschot verstrekt worden indien onzekerheid bestaat over het recht op of de hoogte van de uitkering of de hoogte van het te betalen bedrag aan uitkering of over het nakomen van een verplichting genoemd in de Werkloosheidswet. Ook wordt in artikel 31 van de Werkloosheidswet bepaald dat voorschotverstrekking plaatsvindt indien er onzekerheid bestaat omtrent het recht op onverminderde loondoorbetaling ingeval niet vaststaat dat de dienstbetrekking rechtsgeldig is geλindigd of dat recht vaststaat doch de werkgever het loon niet voldoet. Geen voorschot wordt verstrekt over tijdvakken waarin het loon niet wordt doorbetaald in verband met een geschil tussen de werknemer en zijn werkgever over het bestaan van ziekte van de werknemer.
     De hiernavolgende procedure is van toepassing bij voorschotverstrekking.
1. Een voorschot als bedoeld in artikel 31 van de Werkloosheidswet wordt spontaan verstrekt door de uitvoeringsinstellingen. Hierdoor wordt zoveel mogelijk voorkomen dat betrokkene een beroep moet doen op de Algemene bijstandswet.
2. Indien na een aanvraag om uitkering ingevolge de Werkloosheidswet niet verwacht wordt dat binnen vier weken na de ontvangst van de aanvraag om uitkering, of eerste werkloosheidsdag indien deze later ligt, een definitieve beslissing kan worden afgegeven, wordt een voorschot verstrekt. Het voorschot wordt verstrekt vanaf de - vermoedelijke - eerste werkloosheidsdag.
3. Onder aanvraag wordt verstaan een aanvraag om uitkering ingevolge de Werkloosheidswet waarbij een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier voorligt.
     Bij voorkomende verdragsgevallen geldt dat de aanvraag vergezeld moet gaan van het EG-formulier E 301 of van gelijkwaardige bescheiden.
4. Het voorschot wordt vastgesteld op de te verwachten hoogte van de uitkering. Dit betekent dat rekening gehouden moet worden met een eventuele boete, maatregel, anticumulatie, evenredige vermindering of met andere factoren waardoor het - mogelijke - recht op uitkering geheel of gedeeltelijk niet geldend gemaakt zou kunnen worden. Het is mogelijk hierbij een voorschot te verstrekken waarvan de hoogte nihil is. Mocht volstrekt onduidelijk zijn hoe hoog het dagloon of de grondslag is, wordt dit gerelateerd aan het geldend minimumloon.
     Ten aanzien van artikel 31, tweede lid, van de Werkloosheidswet:
- Staat vrijwel vast dat er geheel geen recht op uitkering is, wordt niet tot voorschotverstrekking overgegaan, dan wel wordt een verzoek om voorschot (indien dat er ligt) afgewezen. Betrokkene wordt verwezen naar de gemeente voor mogelijke uitkering op grond van de Algemene bijstandswet. Een schriftelijke berichtgeving volgt met daarin de overwegingen om geen voorschotten of uitkering te verstrekken.
- Voordat tot voorschotverstrekking wordt overgegaan, dient de uitvoeringsinstelling zich ervan te vergewissen dat de betrokkene een voorschot wenst.
5. Mocht op het moment van voorschotverstrekking nog twijfel bestaan welke maatregel zou moeten worden opgelegd, wordt bij de voorschotverstrekking uitgegaan van de zwaarste te verwachten maatregel.
6. Een beslissing over de voorschotverstrekking wordt binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag om een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (of eerste werkloosheidsdag indien deze later is) aan betrokkene verstrekt. Indien tijdens de uitkering voorschotten worden verstrekt, wordt betrokkene daarover en over de daaraan voorafgaande schorsing van de uitkering onverwijld door middel van een beslissing ingelicht.
7. Indien er een voorschot wordt verstrekt, wordt betrokkene er uitdrukkelijk op gewezen dat het recht op of de hoogte van de aangevraagde uitkering nog niet vaststaat en dat het ten onrechte of te veel verstrekte voorschot teruggevorderd zal worden indien blijkt dat geen recht op de uitkering bestaat of dat recht bestaat op een lager bedrag dan aan voorschot is betaald.
8. De betaling van het voorschot vindt plaats binnen een week na ontvangst van het werkbriefje. Is het eerste werkbriefje binnen de vierwekentermijn als bedoeld in punt 6 ontvangen, vindt de betaling onverwijld na afgifte van de beslissing plaats.
9. Zodra definitieve vaststelling van de uitkering ingevolge de Werkloosheidswet heeft plaatsgevonden, wordt de voorschotverstrekking gestaakt.
10. Het voorschot wordt vervolgens ingetrokken met ingang van de dag waarop het is toegekend en wordt teruggevorderd. Wordt over dezelfde periode als waarin het voorschot is verstrekt een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet of een andere uitkering toegekend, wordt eerst verrekend met die toegekende uitkering. Dit geldt ook ten aanzien van de gelden als bedoeld in artikel 8, derde lid, van het Uitkeringsreglement WW 1997 [zie Uitkeringsreglement WW 2002, red.]. Een eventueel resterend deel van het voorschot wordt teruggevorderd.
11. Vindt voorschotverstrekking plaats op grond van artikel 31, derde lid, van de Werkloosheidswet, dan is artikel 8, van het Uitkeringsreglement WW 1997 van toepassing.
12. Bij het verstrekken van voorschotten vindt dezelfde voorlichting plaats als bij een reguliere uitkering. Dat wil zeggen dat ook bij voorschotverlening betrokkene gewezen dient te worden op de verplichtingen en de consequenties bij overtreding daarvan.
13. Voor zover in het hiernavolgende niet anders is bepaald, is het bovenstaande eveneens van toepassing op de aangevraagde uitkering op grond van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet.
• Ten aanzien van de termijn van de voorschotverstrekking gelden de termijnen als bedoeld in artikel 64 van de Werkloosheidswet.
• Een voorschot op de uitkering over de termijn als bedoeld in artikel 64, onderdeel c, van de Werkloosheidswet wordt slechts verstrekt indien zekerheid bestaat omtrent het recht op uitkering of op verzoek van de belanghebbende.
• Indien geen werkbriefje is benodigd, vindt, in afwijking van het gestelde in punt 8, de betaling van het voorschot onverwijld na afgifte van de voorschotbeslissing plaats.

 

Nadere inlichtingen kunnen worden verkregen bij het Landelijk instituut sociale verzekeringen, postbus 74765, 1070 BT Amsterdam [zie Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), red.].

 

Amsterdam, 25 november 1998.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x