|
Het
Landelijk instituut
sociale verzekeringen;
Gelet op artikel 16 van de Werkloosheidswet;
Besluit:
Art. 1.
Het Landelijk instituut
sociale verzekeringen voert ter zake de uitvoering
van de WW in relatie tot de Wet flexibiliteit en zekerheid een beleid als
weergegeven in de bijlage bij dit
besluit.
Art. 2.
Dit besluit treedt in
werking op 1 januari 1999. Indien de Staatscourant waarin dit besluit wordt
geplaatst, wordt uitgegeven na 31
december 1998, treedt het in werking met ingang van de tweede dag na de
dagtekening van de Staatscourant waarin het
wordt geplaatst.
Art. 3.
Dit besluit wordt aangehaald
als: Besluit Wet flexibiliteit en zekerheid en recht op WW.
Dit besluit zal met de
bijlage in de Staatscourant worden gepubliceerd.
Amsterdam, 4 november 1998
J.F. Buurmeijer, voorzitter
BIJLAGE
Met ingang van 1 januari
1999 treedt in werking de Wet van 14 mei 1998, houdende wijziging van het
Burgerlijk
Wetboek, het Buitengewoon
Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 en
van enige andere wetten (flexibiliteit
en zekerheid) (Stb. 1998, 300), verder te
noemen: de Flexwet.
De wet heeft onder andere
gevolgen voor de beoordeling van het
recht op WW-uitkering.
In het Besluit
vaststelling fictieve opzeggingstermijn Werkloosheidswet (Stcrt. 1998, 11) is eerder
ingegaan op het in de Flexwet
heringevoerde artikel 16, derde lid, van de WW, op grond waarvan een fictieve
opzeggingstermijn berekend dient te worden.
Naar aanleiding van de
inwerkingtreding van de Flexwet wordt voor
degenen die aanspraak maken op een WW-uitkering - in aanvulling op
voornoemd besluit - het volgende
beleid gevoerd.
Vaststelling gemiddeld
aantal arbeidsuren en hoogte WW-uitkering in
relatie tot artikel 7:628a BW
In artikel 7:628a BW
[Burgerlijk
Wetboek, red.] is
geregeld dat de werknemer in bepaalde situaties voor iedere periode van minder
dan drie uur waarin hij arbeid heeft
verricht, recht heeft op het loon waarop hij aanspraak zou hebben indien hij drie
uur arbeid zou hebben verricht.
Met dit artikel heeft de
wetgever de arbeidsrechtelijke positie van de oproepkracht verbeterd. Het
Lisv [Landelijk instituut sociale verzekeringen, zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, red.] is van mening dat deze verbeterde arbeidsrechtelijke positie
dient door te werken ten aanzien van de
vaststelling van het WW-recht en de
hoogte daarvan.
Niet-gewerkte uren, waarover
op grond van artikel 7:628a BW
wel
recht bestaat op loon, dienen derhalve te
worden beschouwd als arbeidsuren
als bedoeld in artikel 16 WW.
Bij de vaststelling van het
gemiddeld aantal arbeidsuren dient derhalve met deze uren rekening te worden
gehouden.
Overigens wordt met dit
beleid voldaan aan het beginsel dat het WW-dagloon en het gemiddeld aantal
arbeidsuren op elkaar aansluiten.
Indien het recht op
WW-uitkering eenmaal is komen vast te staan, dient bij de vaststelling van de
hoogte van de WW-uitkering eveneens
rekening gehouden te worden met de gelijkgestelde arbeidsuren en het loon
waarop recht bestaat op grond van
artikel 7:628a. Dit is relevant voor
de toepassing van de artikelen 20 en 35
van de WW, waar het gaat om de (gedeeltelijke) beëindiging van het recht
op uitkering en het (voor 70%) in
mindering brengen van inkomsten op de
uitkering.
Artikel 16,
derde lid, WW en het Besluit
vaststelling fictieve opzeggingstermijn Werkloosheidswet
Het in het Besluit vaststelling fictieve
opzeggingstermijn Werkloosheidswet genoemde "bedrag aan loon
per dag dat de werknemer zou hebben
ontvangen als de dienstbetrekking nog zou hebben voortgeduurd"
dient te worden vastgesteld over de voor de
werkgever geldende termijn van opzegging die niet in acht is genomen. Het
totaal aan loon dat de werknemer over deze termijn zou hebben ontvangen indien
de dienstbetrekking had
voortgeduurd, wordt in overleg met de
werkgever vastgesteld en gedeeld door
het daarin (theoretisch) gelegen aantal
uitkeringsdagen (per kalenderweek geldt een
aantal van vijf uitkeringsdagen).
Deze berekeningswijze bevordert
de uniformiteit binnen de uitvoering.
Toepassing artikel 16,
derde lid, WW in combinatie met benadelingshandeling
In artikel
16, derde lid,
van de WW is bepaald dat: "met het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon,
bedoeld in het eerste lid,
worden gelijkgesteld de inkomsten waarop de werknemer recht heeft in verband met
de beëindiging van de dienstbetrekking, tot aan het bedrag aan loon
dat de werknemer zou hebben
ontvangen indien de dienstbetrekking
door opzegging met inachtneming van de
geldende termijn zou zijn geëindigd".
In het geval de
dienstbetrekking door opzegging is geëindigd, wordt het bedrag aan
inkomsten dat de
werknemer ontvangt in verband met de
eindiging van de dienstbetrekking
toegerekend aan de periode onmiddellijk volgend op de datum waarop
de dienstbetrekking is opgezegd.
Deze bepaling kan ertoe
leiden dat niet over de gehele voor de werkgever geldende termijn van
opzegging
toepassing kan worden gegeven aan artikel 16, derde lid.
In deze situatie, waarin de
vergoeding dermate gering is dat de voor de werkgever geldende termijn van
opzegging niet volledig kan worden
uitgesloten middels artikel 16, derde
lid, dient de uitkering over de restantopzegtermijn ná toepassing van artikel
16, derde lid, geweigerd te
worden vanwege benadelingshandeling op
grond van artikel 24, vijfde lid, WW. In het algemeen mag immers van de
werknemer verlangd worden dat hij zijn
werkgever bij de beëindiging zijn dienstbetrekking houdt aan de voor
hem geldende opzegtermijn. Laat de werknemer dit (verwijtbaar) na, dan is
er sprake van een benadelingshandeling.
In de situatie dat de
dienstbetrekking door tussenkomst van de
kantonrechter (KR) wordt ontbonden, mag
van de werknemer vanuit het oogpunt
van de WW
verlangd worden dat hij
de KR verzoekt om:
- bij de vaststelling van de
datum van ontbinding van de dienstbetrekking rekening te houden met de
voor de werkgever geldende
opzegtermijn; én (indien hij dit doet,
subsidiair) of (indien hij dit niet doet, primair)
- hem een schadevergoeding toe
te kennen die (minimaal) gelijk is aan
het loon over de voor de
werkgever geldende opzegtermijn.
Heeft de werknemer dit
verwijtbaar nagelaten, dan is er eveneens sprake van een
benadelingshandeling,
zodat de van toepassing zijnde
maatregel moet worden opgelegd.
Indien de claim(s) van
werknemer door de KR echter niet of slechts
gedeeltelijk wordt gehonoreerd, dan valt
de werknemer in het kader van artikel 24, vijfde lid,
WW
niets te verwijten en wordt geen (aanvullende)
maatregel opgelegd.
Toepassing artikel 16,
derde lid, WW in relatie tot werkhervatting
De wetgever heeft aan het
begrip "inkomsten" als bedoeld
in artikel 16, derde lid, WW
een ruime invulling
gegeven. In combinatie met het feit dat
toerekening van inkomsten
noodzakelijkerwijs plaatsvindt bij de primaire WW-aanvraag, maakt dat de berekening in
een aantal gevallen een
enigszins fictief karakter heeft.
Om die reden zou een
herrekening denkbaar zijn in het geval
dat een vergoeding niet (volledig) tot
uitkering zou komen. De wet biedt hiervoor
geen ruimte. Daarnaast zal in
voorkomende gevallen na hervatting
opnieuw werkloosheid ontstaan, bijvoorbeeld in geval van oproep- of uitzendarbeid
en tijdelijk werk, of bij ontslag tijdens
de proeftijd.
Bij secundaire (en tertiaire, enz.) werkloosheid zou telkens opnieuw de
eerder vastgestelde fictieve opzegtermijn en daarmee het eerder
vastgestelde recht op uitkering herrekend moeten worden. Los van de wettelijke
beperking zouden de uitvoeringstechnische
consequenties ingrijpend zijn.
De wetgever gaat er in dit
verband expliciet van uit dat de praktijk (lees: de werknemer) rekening zal
houden met de consequenties van het
nieuwe artikel 16, derde lid, WW, zodat bij
de beëindiging van de dienstbetrekking te
allen tijde vergoeding van de
(nog) niet in acht genomen opzegtermijn wordt bedongen.
Slechts indien een werknemer
geen schadevergoeding over de niet in acht genomen opzegtermijn claimt
dan wel ontvangt, zal een toegekende
aanvulling op de uitkering worden aangesproken voor de vaststelling van de
periode van artikel 16, derde lid, WW.
Op grond hiervan dient
vastgehouden te worden aan de oorspronkelijk vastgestelde fictieve opzegtermijn.
Ook in het geval er tijdens
de fictieve opzegtermijn sprake is van werkhervatting waarbij de werkhervatting
tijdens de fictieve opzegtermijn
eindigt, wijzigt de oorspronkelijk
vastgestelde fictieve opzegtermijn, en dus de
eerder vastgestelde eerste WW-dag, niet.
|
|