|
Het
Landelijk instituut
sociale verzekeringen;
Gelet op artikel
27b van de Werkloosheidswet, 45b
van de
Ziektewet,
29b van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, 49
van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen,
41 van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten en 14b
van
de Toeslagenwet;
Besluit:
Art. 1.
Het Landelijk instituut
sociale verzekeringen voert ter zake van het
zwijgrecht een beleid als weergegeven
in de bijlage bij dit besluit.
Art. 2.
De circulaire van het Tica C
96.01 van 21 februari 1996 inzake zwijgrecht wordt ingetrokken.
Art. 3.
Dit besluit treedt in
werking met ingang van 1 augustus 1998.
Art. 4.
Dit besluit wordt aangehaald
als: Beleidsregel zwijgrecht.
Dit besluit zal (met de
bijlage) in de Staatscourant worden geplaatst.
Amsterdam, 22 april 1998.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.
BIJLAGE
1. Inleiding
Met de Wet
boeten,
maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid werd een administratieve
boete ingevoerd. Eén van de waarborgen die
bij de boeteoplegging worden gehanteerd is het zwijgrecht. Het Lisv [Landelijk
instituut sociale verzekeringen, zie Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(UWV), red.] stelt met deze beleidsregel vast op
welke wijze het zwijgrecht wordt gehanteerd.
Deze beleidsregel treedt in
werking met ingang van 1 augustus 1998
en vervangt de circulaire van het Tica C
96.01 inzake zwijgrecht van 21
februari 1996, welke per gelijke datum
wordt ingetrokken.
2. Waarborgen
De boete heeft een punitief
karakter ofwel is aan te merken als een "criminal charge". Het opleggen van
een boete dient dus met een aantal
waarborgen te zijn omkleed. Deze
waarborgen liggen in de sfeer van de rechtsbescherming van de belanghebbende aan
wie het Lisv voornemens is een boete
op te leggen. Te noemen zijn: de taalhulp,
de hoorplicht en het zwijgrecht. De waarborgen zijn expliciet
opgesomd in de artikelen 27b tot en met 27f
van de WW,
45b tot en met 45f van de ZW, 29b tot en met
29f van de WAO, 49
tot en met 53 van de WAZ, 41 tot en
met 45 van de Wajong en 14b tot en
met 14f van de TW.
3. Zwijgrecht
De ratio van het zwijgrecht
in voornoemde artikelen is, evenals in het
strafprocesrecht, dat niet van de
belanghebbende is te vergen dat hij
zichzelf incrimineert. Aan de belanghebbende komt een zwijgrecht toe
zodra er door het bestuursorgaan een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid
de gevolgtrekking kan verbinden
dat hem een boete zal worden
opgelegd.
Het zwijgrecht ziet
uitsluitend op feiten en omstandigheden die
bepalend kunnen zijn voor het opleggen van
de boete dan wel voor de hoogte
daarvan en laat onverlet de verplichting van
de belanghebbende om informatie te verschaffen die verband houdt met het
recht op uitkering.
4. Cautie
In situaties van een
mondelinge confrontatie tussen de belanghebbende
(of, indien van toepassing, zijn
wettelijk vertegenwoordiger of
echtgenoot) en een vertegenwoordiger van de uitvoeringsinstelling dient deze vertegenwoordiger het
moment waarop het
zwijgrecht ingaat voor de
belanghebbende te markeren door het geven
van een cautie.
Met de cautie wordt
voorkomen dat de belanghebbende zich onder de
druk van de situatie wellicht
verplicht voelt om de hem gestelde vragen direct te beantwoorden terwijl hij tot antwoorden
niet verplicht is.
5. Mogelijke frictie tussen
inlichtingenplicht en zwijgrecht
Niet denkbeeldig is dat de
uitvoeringsinstelling zich voor het dilemma ziet geplaatst. Er lijkt frictie
te kunnen ontstaan tussen enerzijds de
inachtneming van het zwijgrecht en anderzijds de noodzaak voldoende
informatie te verzamelen voor de vaststelling van het recht op uitkering. Hierna
wordt uiteengezet hoe in de
uitvoeringspraktijk aan het zwijgrecht vorm kan
worden gegeven.
6. De wettekst
De wettelijke regeling is
neergelegd in artikel 27b van de WW. De ZW,
WAO, WAZ, Wajong
en de TW bevatten overeenkomstige bepalingen.
Artikel 27b WW luidt:
"-1. Indien het Landelijk instituut
sociale verzekeringen jegens de
werknemer een handeling verricht waaraan
deze in redelijkheid de
gevolgtrekking kan verbinden dat aan hem wegens een bepaalde gedraging een boete
zal worden opgelegd, is de werknemer
niet langer verplicht ter zake van die
gedraging enige verklaring af te
leggen, voor zover het betreft de
boeteoplegging. De werknemer wordt hiervan in
kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt gevraagd.
-2. Indien het Landelijk
instituut sociale verzekeringen voornemens is
om aan de werknemer een boete op te
leggen, wordt hiervan kennis gegeven
aan de werknemer onder vermelding
van de gronden waarop het voornemen
berust. De kennisgeving is een handeling als bedoeld in het eerste lid."
De uitvoering van deze
bepalingen is gemandateerd aan de
uitvoeringsinstellingen, zodat in deze beleidsregel wordt gesproken over
uitvoeringsinstellingen. Deze uitvoering vindt plaats namens het Landelijk
instituut sociale verzekeringen.
7. Het begrip handeling van
de uitvoeringsinstelling
Het moment waarop de
belanghebbende zich kan beroepen op het
zwijgrecht is dus ingeluid zodra de
uitvoeringsinstelling jegens hem een handeling verricht waaraan deze in
redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden
dat aan hem wegens een bepaalde gedraging een boete zal worden opgelegd.
Uit de wettekst en
jurisprudentie van de HR [Hoge Raad, red.]
in fiscale zaken (NJ
1995, 239 en 240) kan worden opgemaakt
dat het begrip handeling zich
kenmerkt doordat uit de verzamelde
bevindingen de conclusie is getrokken dat hem
waarschijnlijk een boete wordt opgelegd.
De belanghebbende wordt met
deze conclusie geconfronteerd.
Daaruit kan hij afleiden dat de
uitvoeringsinstelling voornemens is hem een boete
op te leggen. Op dat moment gaat dus zijn zwijgrecht in. Wordt de
betrokkene daarna mondeling om informatie gevraagd met betrekking tot
de mogelijke boeteoplegging, dan zal hij
gewezen moeten worden op zijn
zwijgrecht, door hem de cautie te geven.
De cautie houdt niet meer in dan het
formeel wijzen van de belanghebbende op
diens recht om "niet meer te
behoeven antwoorden". Wordt hem schriftelijk om informatie gevraagd dan is
een cautie niet nodig.
8. Het zwijgrecht in de
uitvoering
Er doen zich tussen
uitvoeringsinstelling en belanghebbenden vele
contacten voor die het karakter hebben
van een mondelinge confrontatie.
Voorbeelden:
- een huisbezoek door buitendienstfunctionarissen, lekecontroleurs,
correspondenten WW, contactbeambten WAO;
- controles op de
werkplek;
- contacten met werknemers
aan het loket;
- contacten tussen de
werknemer en de verzekeringsarts in de
spreekkamer;
- telefonisch contact
tussen vertegenwoordigers van de uitvoeringsinstelling en werknemers.
Tijdens al deze contacten
kan, terstond of in de loop van een
gesprek, aan het licht komen dat de
belanghebbende eerder informatie heeft verzwegen
dan wel onjuist heeft verstrekt terwijl
deze verzwijging grond kan vormen voor het
opleggen van een boete.
Zijn er voor zo’n
vermoeden concrete aanwijzingen, dan rijst de
vraag of het op dat moment reeds
aangewezen is om de belanghebbende in kwestie
de cautie te geven.
Hiervoor is echter al
aangegeven dat zolang door de
uitvoeringsinstelling nog geen handeling is verricht
waaraan de belanghebbende
redelijkerwijs de consequentie mag verbinden dat hem een boete wordt opgelegd, het
zwijgrecht en het geven van een cautie niet aan de orde zijn.
Het is dus niet noodzakelijk
om tijdens het contact waarin het
vermoeden ontstaat dat betrokkene de
inlichtingenplicht heeft overtreden, de cautie
te geven. Daarbij is wel van belang dat de vertegenwoordiger van de
uitvoeringsinstelling zich er uitdrukkelijk toe beperkt de vragen te
(blijven) stellen die in de controlefase
thuishoren c.q. gericht zijn op het
vaststellen van het recht. Aan de beantwoording
van deze vragen mag een belanghebbende zich nimmer onttrekken. Als
globale leidraad kan dienen dat in de controlefase slechts wordt geďnformeerd
naar het "of, en zo ja, wanneer en hoelang"
(van bijvoorbeeld gewerkte dagen), het "hoeveel" (van bijvoorbeeld genoten
inkomsten) en het "waar" (de
werkgever bij wie is gewerkt).
Echter de grenzen van de
controlefase worden overschreden zodra er
tevens wordt doorgevraagd naar
bijvoorbeeld het "waarom" (het motief
achter de verzwegen informatie) of naar "wie
nog meer" (andere "verdachten").
Door deze overschrijding treedt men de
onderzoeksfase binnen tijdens een
rechtstreekse confrontatie met de belanghebbende en zou de cautie
gegeven moeten worden.
In dit stadium is het echter
niet gewenst deze fase van het onderzoek
al in te gaan en zullen de vragen
beperkt moeten blijven tot de controle.
Daarna kan eventueel een
nader onderzoek worden ingesteld.
In alle gevallen waarin het
vermoeden ontstaat dat de
inlichtingenplicht is geschonden, of dat nu
tijdens contact met de betrokkene is of op
een ander moment, zal eerst zoveel mogelijk onderzocht worden buiten de
betrokkene om. Dit betekent dat in de
praktijk de inlichtingen in eerste
instantie via andere kanalen worden
verzameld. Pas wanneer voldoende
informatie is vergaard, kan de
uitvoeringsinstelling daaraan de consequentie verbinden dat mogelijk een boete wordt
opgelegd en wordt de belanghebbende
daarmee geconfronteerd. Op het
moment dat de belanghebbende zelf wordt
verhoord, wordt de cautie gegeven. Dan
gaat de fase in waarin ook gevraagd
kan worden waarom de belanghebbende de inlichtingenplicht heeft
overtreden.
Amsterdam, 22 april 1998.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.
|