|
14 januari 2000/nr. SV/AVF/99/64976a
Directie Sociale Verzekeringen
De
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst;
Gelet op artikel 54, derde lid, van de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997;
Besluit:
Goed te keuren het Besluit
van het Landelijk instituut sociale verzekeringen van 17 november 1999
inzake de vaststelling van de regels voor vermogensoverdracht na
wijziging sectoraansluiting werkgevers.
Dit besluit wordt, tezamen met
de bijlage, geplaatst in de Staatscourant.
‘s-Gravenhage, 14
januari 2000.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst.
BIJLAGE
Regels
voor vermogensoverdracht na wijziging sectoraansluiting van werkgevers
Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen;
Gelet op artikel 54, tweede lid, Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997;
Besluit:
Art. 1.
Definities
In dit besluit wordt
verstaan onder:
a. Osv 1997: Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997;
b. sector: een deel van het bedrijfs- en beroepsleven als bedoeld in
artikel 51, eerste lid, van de Osv 1997;
c. het premieplichtig
loonbedrag: het deel van het loon waarover
de premies, bedoeld in artikel 80 WW,
verschuldigd zijn;
d. de loonsomverhouding: het
gemiddelde premieplichtige loonbedrag
van de overgaande werkgever of
groep van werkgevers over de drie
kalenderjaren onmiddellijk voorafgaand aan de datum van overgang ten
opzichte van het gemiddelde premieplichtig loonbedrag over die periode
van de gehele sector waarbij de
overgaande werkgever of groep van
werkgevers was aangesloten;
e. het Lisv: het Landelijk
instituut sociale verzekeringen,
genoemd in hoofdstuk 4 van de Osv 1997.
Art. 2.
Overdracht van vermogen als bedoeld in artikel
54,
eerste lid, van de Osv 1997 kan slechts
plaatsvinden indien - gemeten over de
drie volle kalenderjaren onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip van
overgang van de werkgever of groep
van werkgevers naar een andere sector - het gemiddelde van de
premieplichtig loonbedragen zoals die door
de werkgever of groep van werkgevers voor de werkloosheidsverzekering
zijn verantwoord, ten minste 1% bedraagt van het laagste van de over
diezelfde drie volle kalenderjaren gemeten
gemiddelde premieplichtige loonbedragen van de bij de overdracht
betrokken sectoren.
Art. 3.
-1. Een overdracht van
vermogen heeft betrekking op de
volgende vermogenscomponenten afzonderlijk:
a. het vermogen van het
wachtgeldfonds, onderscheiden in wettelijk
verplichte minimumreserve en eventuele extra reserve; en
b. de eventueel aanwezige
overige reserves van het
wachtgeldfonds, beide volgens de in de
laatste jaarrekening van de wachtgeldfondsen opgenomen balansgegevens van
de sector waarbij de werkgever
of groep van werkgevers was aangesloten onmiddellijk voorafgaand aan
de datum van overgang.
-2. Onder vermogen als
bedoeld in het eerste lid wordt niet
verstaan dat deel van het vermogen van het
wachtgeldfonds dat als beklemde reserve is bestemd ter dekking van een Voorziening verlengd
ziekengeld.
-3. De bij de vaststelling
van het over te dragen vermogen in
aanmerking te nemen staartverplichtingen
ten laste van het wachtgeldfonds
worden bepaald op:
de uitkeringslasten van de
sector waarbij de werkgever of
groep van werkgevers was aangesloten
over de maanden oktober, november en december onmiddellijk voorafgaand aan de datum van overgang.
Art. 4.
Het over te dragen vermogen
wordt per onderscheiden component
als bedoeld in artikel 3, eerste
lid, als volgt bepaald:
a. op het vermogen worden de
conform artikel 3, derde lid,
bepaalde staartverplichtingen in
mindering gebracht;
b. het voor
staartverplichtingen gecorrigeerde vermogen wordt
naar rato van de loonsomverhouding toegerekend aan de overgaande werkgever
of groep van werkgevers.
Art. 5.
-1. Indien het resultaat,
bedoeld in artikel 4, onderdeel b, positief is,
vindt overdracht ervan plaats
vanuit het wachtgeldfonds van de
voormalige sector van de (groep van) werkgever(s) naar het wachtgeldfonds
van de nieuwe sector.
-2. Indien het resultaat,
bedoeld in artikel 4, onderdeel b, negatief is,
vindt overdracht van het
verabsoluteerde bedrag plaats vanuit het
wachtgeldfonds van de nieuwe sector van de (groep van) werkgever(s)
naar het wachtgeldfonds van de
voormalige sector.
-3. Geen overdracht vindt
plaats als met de overdracht een bedrag
van minder dan €|4538,00
is gemoeid.
Art. 6.
-1. Het Lisv zal bij de
toerekening aan de wachtgeldfondsen van de
rente die door het ministerie van
Financiën ten gunste van de aldaar door
het Lisv gehouden rekening-courant
wordt geboekt, uitgaan van de
aanname dat de overdracht van vermogen
gelijktijdig heeft plaatsgevonden met de
overgang van de (groep van) werkgever(s) naar de nieuwe sector.
-2. Indien noodzakelijk zal
een reeds aan de bij de
vermogensoverdracht betrokken wachtgeldfondsen
toegekende rentevergoeding worden
herzien.
Art. 7.
In het geval waarin
toepassing van het voorgaande tot
onbillijke resultaten leidt, kan het Lisv, indien
naar zijn oordeel sprake is van
een uitzonderlijke situatie, gehoord de betrokken sectorraden, voor dat
specifieke geval een van de
voorafgaande regels afwijkende beslissing nemen
met betrekking tot de omvang van
het over te dragen vermogen.
Art. 8.
Circulaire 979 van 25 juni
1992 van de voormalige Sociale Verzekeringsraad, zoals overgenomen door respectievelijk het
voormalige Tijdelijk instituut voor
coördinatie en afstemming en het Lisv,
wordt ingetrokken.
Art. 9.
Dit besluit wordt aangehaald
als: Regels voor vermogensoverdracht na wijziging sectoraansluiting van
werkgevers.
Art. 10.
Dit besluit treedt, onder
voorbehoud van goedkeuring door de
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, in werking met ingang van 1 januari 2000. Indien de
Staatscourant
waarin het besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven
na 31 december 1999, treedt het
in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant
waarin het wordt geplaatst en werkt het terug tot en
met 1 januari 2000.
Dit besluit zal met de
toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
Amsterdam, 17 november 1999.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.
TOELICHTING
[17 november 1999]
Algemeen
Ingevolge
artikel 54, eerste
lid, Organisatiewet sociale
verzekeringen 1997 (Osv 1997) [zie artikel 97n, tweede lid, WW
jo. artikel 25, eerste lid, Invoeringswet
SUWI,
red.] kan het Landelijk
instituut sociale verzekeringen (Lisv) [zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.] besluiten dat met een
werkgever of groep van werkgevers die
overgaat naar een andere sector
eveneens vermogen overgaat. Op grond van
artikel 54, tweede lid, Osv 1997
stelt het Lisv regels omtrent de vermogensoverdracht als bedoeld in artikel
54,
eerste lid, Osv 1997.
In het onderhavige besluit
wordt de procedure uitgewerkt die het
Lisv in voorkomende gevallen bij de
besluitvorming over vermogensoverdrachten na een overgang van de werkgever of
groep van werkgevers zal
volgen.
Dit besluit vervangt de Circulaire 979 "vermogensoverdrachten na
overgang van een werkgever of groep
van werkgevers naar een andere
bedrijfsvereniging", vastgesteld op 25 juni 1992 door de Sociale Verzekeringsraad en nadien
overgenomen door achtereenvolgens het Tijdelijk instituut voor
coördinatie en afstemming (Tica) en het Lisv.
Naast de op sommige plaatsen
noodzakelijke actualisering van de oude circulaire kent het nieuwe
besluit in vergelijking met Circulaire
979 een viertal extra wijzigingen:
1. de toets van de
premieloonsom van de overgaande werkgevers aan
(0,01% van) de premieloonsom voor
het AWf [Algemeen Werkloosheidsfonds, red.] is vervangen door een toets
aan (1% van) het premieplichtige
loonbedrag van de kleinste sector (de
sector met het laagste gemiddelde premieplichtige loonbedrag over de drie
voorgaande kalenderjaren) die bij de
overdracht betrokken is. De reden hiervoor ligt in het feit
dat de oude toets te grof was en
feitelijk geen recht deed aan de nieuwe
positie die de sectoren innemen in de
gewijzigde uitvoering (oude artikel 1).
De nieuwe toets komt aan beide
bezwaren tegemoet;
2. de bepaling dat binnen negen maanden na overgang van de werkgever(s) naar de nieuwe sector een
verzoek tot vermogensoverdracht moet zijn ingediend (oude artikel 2), komt
te
vervallen. Nu het Lisv de bevoegdheden - en daarmede ook de
signaalfunctie - van de (opgeheven)
bedrijfsverenigingen heeft overgenomen, is het de instantie die een eventuele
vermogensoverdracht zowel moet signaleren als moet effectueren. Het Lisv
zal daarvoor een procedure ontwikkelen;
3. in aanvulling op de onder 1 genoemde relatieve toets
wordt een drempelbedrag van ƒ10 000,-
ingevoerd (artikel 5). Hiermee wordt voorkomen dat in absolute
zin te lage bedragen worden
overgedragen;
4. de rentevergoeding over
het over te dragen vermogen wordt op een
andere en feitelijk juistere wijze
berekend (artikel 6).
Artikelgewijs
Artikel 1
In dit artikel wordt een
aantal in het besluit gehanteerde
begrippen gedefinieerd.
Artikel 2
Artikel
54, eerste lid, van
de Osv 1997 geeft het Lisv de
bevoegdheid tot vermogensoverdracht te
besluiten; er is geen sprake van een
verplichting. Naar het oordeel van het
Lisv dient vermogensoverdracht
achterwege te blijven als het daarmee te
dienen belang te gering moet worden geacht. In het oude besluit werd
daartoe het premieplichtige loonsom van
de werkgever(s) getoetst aan het
premieplichtige loonbedrag voor het AWf. In
het nieuwe besluit wordt niet
langer gekeken naar het belang in algemene
zin, maar naar het belang van de
kleinste bij de overdracht betrokken
sector. Dat belang wordt in principe
voldoende geacht als het gemiddeld premieplichtige loon van de werkgever of
groep van werkgevers die
overgaat over de drie voorafgaande
jaren ten minste 1% bedraagt van het
gemiddeld premieplichtige loon van
deze kleinste sector over
dezelfde periode. Overigens betekent dit niet
in alle gevallen dat er ook
daadwerkelijk sprake zal zijn van
vermogensoverdracht. Overdracht vindt alleen
plaats indien het over te dragen
vermogen ten minste ƒ10 000,- bedraagt (artikel 5, derde lid).
Artikel
3, eerste lid
In artikel
54, eerste lid,
van de Osv 1997 wordt gesproken over
het overgaan van een deel van het
vermogen van het Lisv dat betrekking
heeft op het door dit instituut voor die sector afzonderlijk beheerde en
geadministreerde wachtgeldfonds. Aangezien alle reserves van een
wachtgeldfonds zijn gevormd op basis van premie-inkomsten, worden deze alle in de overdracht betrokken.
Derhalve heeft een overdracht in ieder
geval betrekking op de volgende op de balans vermelde reserves (Regeling
reservevorming wachtgeldfondsen, Stcrt. 1997, 249 [zie Regeling
reservevorming wachtgeldfondsen 2002, red.]):
• de reserve voor de
vangnetvoorziening Ziektewet;
• de risico- en
egalisatiedekking;
• het dekkingssaldo;
• de overige reserves (voor zover aanwezig), zoals:
- dekking vaste activa;
- overige reserves.
Bepaalde
vermogenscomponenten komen niet voor overdracht
in aanmerking, zoals vermogenscomponenten die het karakter van een
voorziening hebben. Het gaat daarbij niet uitsluitend om een
voorziening dubieuze debiteuren of een verlies op
vorderingen. Ook andere passiefposten kunnen het karakter hebben
van een voorziening. Wil van een
voorziening sprake zijn, dan zal aan een
aantal voorwaarden voldaan moeten
zijn, zoals:
• het gaat niet om verkapt "eigen vermogen";
• de voorziening is
gevormd in verband met een concreet en
kwantificeerbaar risico;
• de omvang van dat risico
is niet afhankelijk van het aantal
aangesloten leden, de verzekerde
loonsom, het aantal verzekerden of de
uitkeringslasten.
Artikel
3, tweede lid
Een in het besluit specifiek
genoemde voorziening die niet voor
overdracht in aanmerking komt, is de Voorziening verlengd
ziekengeld. Zij is feitelijk een (beklemde) reserve die zonder nadere bepaling wel
tot het vermogen zou worden
gerekend. Gelet echter op het feit dat
het niet de bedoeling is dat deze
reserve (die als doel heeft de uitkeringen aan arbeidsongeschikte
ex-werknemers van werkgevers uit de sector
veilig te stellen) deels wordt
overgeheveld naar een andere sector, terwijl
het wachtgeldfonds van de voormalige sector de lasten blijft dragen, is
zij van overdracht uitgezonderd.
In het oude besluit werd
bepaald dat bij de bepaling van de over
te dragen vermogensbestanddelen
eveneens het niet-gerealiseerde
koersresultaat per de datum van overgang in
aanmerking moest worden genomen. Deze bepaling komt in het nieuwe besluit
niet terug. De reden
hiervoor ligt in het gegeven dat de middelen
van de wachtgeldfondsen waarop niet-gerealiseerd koersresultaat aanwezig zou kunnen zijn, in
rekening-courant gebracht zijn bij het ministerie van
Financiën, op grond van de
Wet geïntegreerd middelenbeheer. De genoemde bepaling is daarmee
een dode letter geworden en is
om die reden geschrapt.
Artikel
3, derde lid
Bij de vaststelling van de
over te dragen vermogensbestanddelen wordt rekening gehouden met de
staartverplichtingen ten laste van het
wachtgeldfonds. Onder staartverplichtingen wordt verstaan de
uitkeringslasten van de gehele sector waar wordt uitgetreden en die samenhangen met
uitkeringsgevallen die reeds lopen per de datum van overgang van de
werkgever of groep van werkgevers. Hieronder zijn mede begrepen
alle met de uitkeringen
respectievelijk het doen van uitkeringen samenhangende lasten, zoals weergegeven in
artikel 90, eerste lid, WW.
In plaats van een (meer)
nacalculatorische bepaling van de
gedefinieerde staartverplichtingen is ervoor gekozen in de regels een maatstaf op
te nemen die voor deze
staartverplichtingen leidt tot een forfaitair
bedrag. De staartverplichtingen ten
laste van het wachtgeldfonds omvatten
alle per de datum van overgang van de
werkgevers of groep van werkgevers ten laste van het wachtgeldfonds
bestaande uitkeringsverplichtingen.
Het daarvoor bij de bepaling van het over
te dragen vermogen in acht te
nemen bedrag wordt gebaseerd op
het totaal van de uitkeringslasten over
de maanden oktober, november en
december van het laatstverstreken
boekjaar, uitgaande van de datum van overgang van de betrokken werkgever
of groep van werkgevers. In vergelijking met het oude besluit wordt de
staartverplichting thans op drie maanden (in plaats van op twee maanden)
gebaseerd; dit houdt verband met de
verlenging van de wachtgeldperiode tot een halfjaar.
Artikel 4
Het vermogen van het
wachtgeldfonds van de sector waarbij de
overgaande werkgever of groep van
werkgevers was aangesloten, wordt ontleend aan de laatste
jaarrekening Wachtgeldfondsen
onmiddellijk voorafgaand aan de datum van overgang. Het vermogen bestaat in
ieder geval uit de in artikel 3 van deze toelichting opgesomde componenten
en
wordt gecorrigeerd voor
staartverplichtingen per de datum van overgang
van de betrokken werkgever of groep
van werkgevers. Hierdoor blijven
de per de datum van de overgang
lopende gevallen voor rekening komen
van de sector waarbij de overgaande werkgever of groep van werkgevers was
ingedeeld op het moment dat
de werkloosheid van de
verzekerden intrad. Het wachtgeldrisico komt
hiermee ten laste van de oorspronkelijke sector.
Het over te dragen vermogen
wordt berekend door het voor
overdracht in aanmerking komende vermogen
te vermenigvuldigen met de
gemiddelde verhouding tussen het met het betreffende
vermogensbestanddeel samenhangende
premieplichtige loonbedrag van de overgaande werkgever of groep van werkgevers en
het totale premieplichtige loonbedrag
bij de desbetreffende sector. De premieplichtige loonbedragen worden berekend
over de aan de datum van overgang
van de werkgevers voorafgaande
drie volle kalenderjaren.
Artikel 5
Vermogensoverdracht vindt
alleen plaats als het over te
dragen ten minste ƒ10 000,- bedraagt. Dit
drempelbedrag is geïntroduceerd om te
waarborgen dat het relatieve belang van een vermogensoverdracht voor
de kleinste bij de overgang
betrokken sector voldoende opweegt
tegen de daarmee gepaard gaande
kosten.
Het kan voorkomen dat het
berekende bedrag voor de
vermogensoverdracht negatief is. In die situatie wordt het negatieve bedrag
absoluut gemaakt en als positief
bedrag overgeheveld van het wachtgeldfonds van de nieuwe sector naar dat
van de voormalige sector. Ook in
deze situatie geldt overigens de
voorwaarde dat het (positief gemaakte) bedrag ten minste ƒ10 000,- bedraagt.
Artikel 6
De vermogens van de
wachtgeldfondsen van alle sectoren worden
gezamenlijk beheerd op een door het Lisv geopende rekening-courant
bij het ministerie van Financiën.
De rente die over dat tegoed wordt
bijgeschreven door het ministerie wordt
door het Lisv aan de
wachtgeldfondsen toegerekend naar rato van hun gemiddelde vermogen in het
jaar waarover de rente wordt
geboekt. Daarbij zijn 1 januari en 31
december meetpunten.
Het gemiddeld vermogen
bepaalt derhalve de hoogte van het bedrag dat een wachtgeldfonds aan rente
krijgt bijgeschreven. Een
vermogensoverdracht verlaagt het vermogen van de ene sector en verhoogt dat
van een andere sector. Een nog niet overgedragen vermogen na een reeds
wel voltooide overgang van werkgevers verlaagt in feite de
(gemiddelde) vermogenspositie van de sector waarnaar het vermogen dient over te
gaan en daarmede ook de meedeling in
de rente die van het ministerie
van Financiën is ontvangen.
Het Lisv rectificeert die
situatie door een herberekening te plegen
van de rentetoedeling. Voor de
betrokken wachtgeldfondsen worden de
nieuwe gemiddelde vermogens berekend en de te veel toegedeelde rente
aan de één wordt daar afgeschreven en bijgeschreven bij de ander.
Bovenstaande verrekening
geldt uiteraard alleen voor situaties dat
tussen de overgang van werkgevers
en de overdracht van rente al een
rentetoedeling heeft plaatsgevonden. In
situaties dat dat nog niet het geval
is geweest, zal bij de
eerstvolgende renteverdeling rekening worden gehouden met een veranderd vermogen
van wachtgeldfondsen die bij een
overdracht van vermogen betrokken zijn geweest. Dat vermogen zal
voor de meetpunten 1 januari en 31
december worden herberekend als had
de vermogensoverdracht plaatsgevonden gelijktijdig met de overgang
van de werkgevers.
Artikel 7
In gevallen waarin de
toepassing van de regels tot onbillijke
resultaten leidt, kunnen de over te
dragen vermogensbestanddelen - als het Lisv oordeelt dat er sprake is
van een uitzonderlijke situatie - op een
afwijkende wijze worden bepaald. De bij
een dergelijke beslissing
betrokken sectorraden zullen daarbij worden
gehoord.
Amsterdam, 17 november 1999.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.
|