|
BESLUIT van 8 oktober 2005, houdende regels in verband met het
vaststellen van het dagloon op grond van de Ziektewet,
de Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering, Wet werk
en inkomen naar arbeidsvermogen en de Werkloosheidswet
(Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op
de voordracht van Onze Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid van 1 juni 2005, Directie Sociale
Verzekeringen, nr. SV/F&W/05/38929;
Gelet op de artikelen 15,
tweede lid, van de Ziektewet, 14,
tweede lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, 13,
derde lid, van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen en 45, tweede lid, van
de Werkloosheidswet;
De Raad van State
gehoord (advies van 7 juli 2005, nr. W12.05.0218/IV);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 5 oktober 2005, Directie Sociale
Verzekeringen, nr. SV/F&W/05/76328;
Hebben goedgevonden en verstaan:
HOOFDSTUK
1
Algemene
bepalingen
Art.
1.
Definities
-1. In dit besluit wordt verstaan onder:
a. ZW: Ziektewet;
b. WAO: Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
c. WW: Werkloosheidswet;
d. Wet WIA: Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen;
e. WML: Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag;
f. ZW-dagloon: het dagloon, bedoeld in artikel
15, eerste lid, van de ZW;
g. WAO-dagloon: het dagloon,
bedoeld in
artikel 14, eerste lid, van de WAO;
h. WIA-dagloon: het dagloon, bedoeld in artikel
13, eerste lid, van de Wet WIA;
i. WW-dagloon: het dagloon,
bedoeld in
artikel 45, eerste lid, van de WW;
j. loon: het loon, bedoeld in hoofdstuk 3, afdeling 1, paragraaf
1, van de Wet financiering sociale verzekeringen,
met uitzondering van het
eindheffingsbestanddeel, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel a,
van de Wet
op de loonbelasting 1964, ten aanzien waarvan de werkgever met
toestemming van de inspecteur van de rijksbelastingdienst
geen correctiebericht als bedoeld in artikel 28a van die
wet heeft ingediend en met uitzondering van een uitkering die
de werknemer heeft genoten op grond van de aanspraak, bedoeld in artikel
39d, tweede lid of derde lid, van de Wet
op de loonbelasting 1964,
zonder dat er sprake is van onbetaald extra verlof;
k. dagloondagen: maandag tot en
met vrijdag;
l. aanvullingen: de aanvullingen, bedoeld in artikel
16, tweede lid, onderdeel a, onder 1º, van de Wet financiering sociale
verzekeringen;
m. arbeidsongeschikt(heid):
ongeschikt(heid) tot het verrichten van zijn of haar arbeid, bedoeld in artikel 19,
eerste en tweede lid, van de
ZW, arbeidsongeschikt(heid), bedoeld in artikel 18,
eerste lid, van de
WAO, of volledige en gedeeltelijke
arbeidsgeschikt(heid), bedoeld in
artikel
46 van de Wet WIA;
n. arbeidsurenverlies: het arbeidsurenverlies, bedoeld in artikel
16, eerste lid, van de WW;
o. aangiftetijdvak: het tijdvak van vier weken dan wel
één maand waarop de aangifte waarop de ingehouden loonbelasting wordt
afgedragen betrekking heeft;
p. gebroken aangiftetijdvak: een aangiftetijdvak dat deels
binnen en deels buiten het refertejaar valt;
q. refertejaar: de periode van
één jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak
voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid dan
wel het arbeidsurenverlies is ingetreden, of die eindigt ingeval de
arbeidsongeschiktheid als bedoeld in de WAO of de Wet WIA is ingetreden
in gelijktijdige dienstbetrekkingen, op de laatste dag van het
aangiftetijdvak dat het eerst vóór het intreden van de
arbeidsongeschiktheid is geëindigd;
r. minimumloon: het minimumloon
per maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de WML,
gedeeld door 21,75;
s. minimumjeugdloonpercentage: een
percentage als bedoeld in artikel 8, derde lid, van de WML;
t. verlof: een tussen de werkgever en werknemer voor een
gedeelte of het geheel van de arbeidstijd overeengekomen periode van
verlof, waarin de werknemer geen arbeid jegens de werkgever verricht;
u. WAO-vervolgdagloon: het vervolgdagloon, bedoeld in artikel
21b van de WAO.
-2. In dit besluit wordt onder
vakantiebijslag niet verstaan vakantiebijslag voldaan overeenkomstig
artikel 18, eerste lid, van de WML.
-3.
Artikel 40, tweede lid, van de WAO
is voor de bepaling van het refertejaar, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel q, van overeenkomstige toepassing.
-4. Indien op de dag, bedoeld in artikel
54, tweede lid, van de Wet WIA, geen recht
op een werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten als
bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet WIA,
is ontstaan omdat de werknemer op die dag niet gedeeltelijk
arbeidsgeschikt is en op die dag, of op een eerdere dag als gevolg van
het eindigen van de dienstbetrekking, een arbeidsurenverlies is
ingetreden, wordt voor de bepaling van het refertejaar in aanmerking
genomen: de periode van één jaar die eindigt op de laatste dag van het
aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de
arbeidsongeschiktheid is ingetreden. De in de eerste zin bedoelde
periode van één jaar eindigt, ingeval de arbeidsongeschiktheid als
bedoeld in de WAO of de Wet WIA is ingetreden in gelijktijdige
dienstbetrekkingen, op de laatste dag van het aangiftetijdvak dat het
eerst vóór het intreden van de arbeidsongeschiktheid is geëindigd.
Art.
2.
Bijzondere
bepalingen met betrekking tot het loon
-1. Voor de toepassing van dit besluit
wordt de werknemer geacht zijn loon te hebben genoten in het
aangiftetijdvak waarover de werkgever van dat loon opgave heeft gedaan.
-2. Voor zover het loon bestaat uit een
uitkering op grond van de ZW, de
WW, de
WAO, de Wet WIA of
hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en
zorg, wordt bij de berekening van het dagloon in de plaats van die
uitkering als loon in aanmerking genomen:
((100 x A) / B) - (C + D)
waarbij:
A staat voor de uitkering op grond van de ZW, de WW, de WAO, de Wet WIA
of hoofdstuk 3,
afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en
zorg;
B staat voor:
a. 70; dan wel
b. indien het uitkeringspercentage van de uitkeringen op grond van de
ZW, de WAO, hoofdstuk
6 van de Wet WIA,
hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van
de Wet arbeid en
zorg of hoofdstuk
IV van de WW hoger is dan 70%, het
uitkeringspercentage waarnaar de uitkering is berekend; of
c. 100, indien de
artikelen 53 of 63 van de Wet
WIA van toepassing zijn; dan wel
d. indien de teller van de factor, bedoeld in artikel 53
of 63 van de Wet WIA,
lager is, de waarde van die teller;
C staat voor toeslagen op de uitkering op grond van de Toeslagenwet;
en
D staat voor aanvullingen op de uitkering.
-3. Voor zover het tweede lid van
toepassing is, wordt, bij de toepassing van artikel
3, als genoten respectievelijk opgebouwde vakantiebijslag in
aanmerking genomen:
(100 x A) / B
waarbij:
A staat voor de in het in aanmerking te nemen tijdvak daadwerkelijk
genoten respectievelijk opgebouwde vakantiebijslag;
B gelijk is aan de factor B, bedoeld in het tweede lid.
-4. Onder loon wordt mede begrepen het
loon waarvan de werknemer aantoont dat dit in het refertejaar vorderbaar
maar niet tevens inbaar is geworden. Voor de toepassing van dit besluit
wordt de werknemer geacht dit loon te hebben genoten in het
aangiftetijdvak waarin het vorderbaar is geworden. Indien in het
refertejaar een uitkering als bedoeld in het tweede lid is genoten,
waarbij in het dagloon loon als bedoeld in de eerste zin is meegerekend,
wordt, indien dat loon in het refertejaar inbaar is geworden, dat loon
bij de dagloonberekening buiten beschouwing gelaten.
-5. Onder loon worden mede begrepen de
inkomsten, bedoeld in artikel 16, derde lid,
van de WW, waarop de werknemer recht heeft in
verband met de beëindiging van de dienstbetrekking, voor zover die
inkomsten worden toegerekend aan perioden die in het refertejaar vallen.
-6. Het loon dat in een gebroken
aangiftetijdvak in aanmerking wordt genomen bij de dagloonvaststelling
is de uitkomst van de volgende berekening:
((A - B - C) x Y) / Z
waarbij:
A staat voor het totale loon dat de werknemer in dat gebroken
aangiftetijdvak heeft genoten;
B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die de werknemer onder die
titel in dat gebroken aangiftetijdvak heeft genoten;
C staat voor de bedragen die de werknemer in dat gebroken
aangiftetijdvak onder die titel heeft genoten aan uitkeringen die het
karakter hebben van een extra periodiek salaris;
Y staat voor het totale aantal dagloondagen binnen het refertejaar in
dat gebroken aangiftetijdvak waarop de werknemer bij de werkgever in
dienst was;
Z staat voor het totale aantal dagloondagen in dat gebroken
aangiftetijdvak waarop de werknemer bij de werkgever in dienst was.
-7. Indien Z nul is, wordt de uitkomst
van de berekening van het zesde lid op nihil gesteld.
HOOFDSTUK
2
Vaststellen
en herzien van het dagloon
§
1. Algemene bepalingen in verband met het vaststellen van het
dagloon
Art.
3.
Het dagloon
-1. Het dagloon is de uitkomst van de
volgende berekening:
((A - B - C) + D + E) / 261
waarbij:
A staat voor het loon dat de werknemer in het refertejaar heeft genoten;
B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die de werknemer onder die
titel in de volledige aangiftetijdvakken in het refertejaar heeft
genoten;
C staat voor de bedragen die de werknemer in de volledige
aangiftetijdvakken in het refertejaar onder die titel heeft genoten aan
uitkeringen die het karakter hebben van een extra periodiek salaris;
D staat voor het bedrag dat de werknemer in het refertejaar heeft
opgebouwd aan vakantiebijslag;
E staat voor het bedrag dat de werknemer in het refertejaar heeft
opgebouwd aan uitkeringen als bedoeld onder C.
-2. Indien het minimumloon
is herzien tussen het einde van het refertejaar en de eerste dag waarop
recht bestaat op een uitkering op grond van de ZW,
de
WW, de WAO, de
Wet WIA of de Wet arbeid en
zorg, wordt de uitkomst van het eerste lid herzien in de mate waarin
het minimumloon is herzien.
§
2. Bijzondere bepaling in verband met loon tijdens ziekte of
verlof in het refertejaar
Art.
4.
Loon in geval
van ziekte of verlof
-1. Indien in het refertejaar door de
werknemer in een aangiftetijdvak geen loon of minder loon is genoten in
verband met verlof of omdat hij de bedongen arbeid niet heeft verricht
wegens arbeidsongeschiktheid, zwangerschap of bevalling, wordt bij het
vaststellen van het loon in dat aangiftetijdvak in aanmerking genomen
het loon genoten bij dezelfde werkgever in het laatste aan dat verlof of
die arbeidsongeschiktheid voorafgaande en in het refertejaar gelegen
aangiftetijdvak waarin die situatie zich niet heeft voorgedaan. De
eerste zin geldt voor zover artikel 2, tweede lid,
niet van toepassing is.
-2. Indien geen voorafgaand
aangiftetijdvak als bedoeld in het eerste lid wordt gevonden, wordt in
aanmerking genomen het loon bij dezelfde werkgever over het in het
refertejaar gelegen aangiftetijdvak gelegen direct na afloop van dat
verlof dan wel die arbeidsongeschiktheid.
-3. Indien noch een laatste aan het
verlof of aan de arbeidsongeschiktheid voorafgaand aangiftetijdvak als
bedoeld in het eerste lid, noch een direct na afloop van dat verlof of
die arbeidsongeschiktheid gelegen aangiftetijdvak als bedoeld in het
tweede lid wordt gevonden, wordt voor ieder in het refertejaar gelegen
aangiftetijdvak waarin door de werknemer geen of minder loon is genoten
in verband met de in het eerste lid genoemde omstandigheden, het voor
dat aangiftetijdvak geldende overeengekomen loon in aanmerking genomen.
-4. Dit artikel blijft buiten toepassing
indien de vaststelling van het loon met toepassing van dit artikel leidt
tot een lager loon dan de vaststelling van het loon zonder toepassing
van dit artikel.
§
3. Bijzondere bepalingen bij het vaststellen van het dagloon van
bepaalde categorieën werknemers
Art.
5.
Bijzondere verhoging van het dagloon indien de werknemer bij aanvang
van het refertejaar jonger is dan 23 jaar
-1. Indien de werknemer bij aanvang van
het refertejaar jonger is dan 23 jaar en het op grond van hoofdstuk 2
van dit besluit berekende dagloon minder bedraagt dan het
minimumloon dat behoort bij de leeftijd van
de werknemer op de eerste dag waarop recht bestaat op uitkering,
vermeerderd met de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15 van de WML,
wordt dat dagloon verhoogd door het te vermenigvuldigen met:
A / B
waarbij:
A staat voor het minimumjeugdloonpercentage dat verbonden is aan de
leeftijd van de werknemer op de eerste dag waarop recht bestaat op
uitkering of indien de werknemer op die dag de leeftijd van 23 jaar
heeft bereikt, voor 100;
B staat voor het minimumjeugdloonpercentage dat verbonden is aan de
leeftijd van de werknemer bij aanvang van het refertejaar.
-2. Het verhoogde dagloon bedraagt niet
meer dan het minimumloon dat behoort bij de leeftijd van de werknemer op
de eerste dag waarop recht bestaat op uitkering, vermeerderd met de
vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15 van de
WML.
-3. Indien bij de vaststelling van het
dagloon artikel 6, 11 of
16 van toepassing is, wordt bij de toepassing het
eerste lid voor "bij aanvang van het refertejaar" gelezen: bij
aanvang van het tijdvak waarover het loon in aanmerking wordt genomen.
Art.
6.
Het dagloon
van de starter/herintreder
-1. Het dagloon van de werknemer die
vanaf de aanvang van het refertejaar tot en met de laatste dag van de
eerste volledige maand van dat jaar geen loon als bedoeld in artikel 2
ontving, wordt vastgesteld door bij de toepassing van
artikel 3 "261" te vervangen door: het aantal
dagloondagen vanaf en met inbegrip van de dag waarop de werkzaamheden
als werknemer zijn gestart tot het einde van het refertejaar. Daarbij
wordt rekening gehouden met het loon dat de werknemer vanaf de start van
de werkzaamheden in het refertejaar heeft ontvangen en met de bedragen
die de werknemer vanaf dat moment in het refertejaar heeft opgebouwd aan
vakantiebijslag en aan uitkeringen die het karakter hebben van een extra
periodiek salaris.
-2. Het dagloon van de werknemer, bedoeld
in het eerste lid, die in het refertejaar geen loon heeft genoten, is in
afwijking van het eerste lid de uitkomst van de volgende berekening:
((A - B - C ) + D + E) / F
waarbij:
A staat voor het loon dat de werknemer in het aangiftetijdvak waarin de
arbeidsongeschiktheid of het arbeidsurenverlies is ingetreden vóór dat
intreden heeft genoten;
B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die de werknemer onder die
titel in het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid of het
arbeidsurenverlies is ingetreden vóór dat intreden heeft genoten;
C staat voor de bedragen die de werknemer in het aangiftetijdvak waarin
de arbeidsongeschiktheid of het arbeidsurenverlies is ingetreden vóór
dat intreden onder die titel heeft genoten aan uitkeringen die het
karakter hebben van een extra periodiek salaris;
D staat voor het bedrag dat de werknemer in het aangiftetijdvak waarin
de arbeidsongeschiktheid of het arbeidsurenverlies is ingetreden vóór
dat intreden heeft opgebouwd aan vakantiebijslag;
E staat voor het bedrag dat de werknemer in het aangiftetijdvak waarin
de arbeidsongeschiktheid of het arbeidsurenverlies is ingetreden vóór
dat intreden heeft opgebouwd aan uitkeringen als bedoeld onder C;
F staat voor het in dat aangiftetijdvak gelegen aantal dagloondagen
waarover de werknemer loon heeft genoten voordat de
arbeidsongeschiktheid of het arbeidsurenverlies is ingetreden.
-3. Indien F nul is, wordt de uitkomst
van de berekening van het tweede lid op nihil gesteld.
-4. Dit artikel is niet van toepassing
indien de werknemer in verband met verlof geen loon heeft ontvangen.
§
4. Het vaststellen van het dagloon in specifieke situaties
Art.
7.
WW-, WIA- en WAO-dagloon na overeengekomen vermindering van loon
-1. Het WW-, WIA-
of WAO-dagloon van de werknemer die aantoont
dat zijn per tijdseenheid overeengekomen loon is verlaagd op of nadat
hij de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt, wordt vastgesteld door bij de
toepassing van artikel 3 het loon dat de werknemer
in het refertejaar heeft genoten te vervangen door: het loon dat deze
werknemer zou hebben genoten indien deze verlaging niet zou hebben
plaatsgevonden, tot ten hoogste 9/7 deel van dat lagere loon.
-2. Het eerste lid is slechts van
toepassing op de werknemer die onmiddellijk voordat zijn
arbeidsurenverlies of arbeidsongeschiktheid is ingetreden in
dienstbetrekking stond tot dezelfde werkgever of diens rechtsopvolger
als waarmee de vermindering van loon is overeengekomen.
Art.
8.
WIA-dagloongarantie voor oudere arbeidsongeschikten
Indien een werknemer die recht heeft op een uitkering op grond van de WAO
of de Wet WIA op of na de dag waarop hij de
leeftijd van 45 jaar heeft bereikt met arbeid inkomen is gaan verwerven
in verband waarmee zijn uitkering op grond van de WAO of de Wet WIA
wordt beëindigd, binnen vijf jaar na de datum waarop die uitkering is
beëindigd opnieuw recht heeft op een uitkering op grond van de Wet WIA,
wordt het WIA-dagloon niet lager vastgesteld dan het WAO- of WIA-dagloon
dat voor de berekening van de laatstelijk ontvangen uitkering op grond
van de WAO of de Wet WIA in aanmerking werd genomen, zoals dat vanaf de
datum van beëindiging van die laatste uitkering tot aan de datum van
het nieuwe recht op uitkering op grond van artikel 15,
eerste lid, van de
WAO dan wel artikel
14, eerste lid, van de Wet WIA zou zijn
herzien indien de uitkering op grond van de WAO of de Wet WIA niet zou
zijn beëindigd.
Art.
9.
ZW- en WW-dagloon bij meer dienstbetrekkingen, dan wel het genot van
uitkering tijdens het refertejaar
-1. Bij het vaststellen van het ZW-
of WW-dagloon van de werknemer die tijdens het
refertejaar in twee of meer dienstbetrekkingen stond, wordt slechts in
aanmerking genomen het loon uit de dienstbetrekking uit hoofde waarvan
de werknemer arbeidsongeschikt of werkloos is geworden, alsmede uit de
overige dienstbetrekkingen naar de mate waarin die dienstbetrekking
daarvoor in de plaats is gekomen.
-2. Bij het vaststellen van het ZW- of
WW-dagloon van de werknemer die tijdens het refertejaar een uitkering op
grond van de ZW, de WW, de WAO, de
Wet WIA of de Wet arbeid en
zorg genoot, worden het op grond van artikel 2,
tweede en derde lid, vastgestelde loon en de vakantiebijslag in
aanmerking genomen naar de mate waarin de uitkering, waarvoor het
dagloon wordt vastgesteld, in de plaats is gekomen van de in het in
aanmerking te nemen tijdvak genoten uitkering.
Art.
10.
ZW-, Wet arbeid en zorg-, WIA- en WAO-dagloon bij nawerking van de
verzekering
-1. Bij het vaststellen van het ZW-, WIA-
of WAO-dagloon van de persoon wiens aanspraak
op ziekengeld onderscheidenlijk arbeidsongeschiktheidsuitkering berust
op
artikel 46 van de ZW, artikel 10
van de
Wet WIA of artikel 17
van de WAO eindigt het refertejaar op de
laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaand aan het aangiftetijdvak
waarin de verzekering is geëindigd.
-2. Het ZW-dagloon van de persoon,
bedoeld in het eerste lid, die laatstelijk verzekerd was op grond van artikel 7
van de ZW
wegens het ontvangen van een uitkering op grond van de WW
wordt vastgesteld overeenkomstig
artikel 12.
-3. Het dagloon van de persoon wiens aanspraak op uitkering
berust op artikel
3:10, eerste en tweede lid, van de Wet arbeid en zorg
wordt bepaald overeenkomstig
artikel 11, met dien verstande dat waar in artikel 11
wordt uitgegaan van hetgeen uit de dienstbetrekking waarin de
arbeidsongeschiktheid is ingetreden, is genoten in een bepaald
aangiftetijdvak, bij de vaststelling van dit dagloon wordt uitgegaan van
hetgeen de persoon als werknemer of gelijkgestelde als bedoeld in artikel 3:6,
eerste lid, van
die wet
heeft genoten in het aangiftetijdvak voorafgaande aan het tijdstip dat
hij niet langer werknemer of die gelijkgestelde was.
§
5. Het vaststellen van het ZW-dagloon in specifieke situaties
Art.
11.
ZW-dagloon werknemer met beperkingen
-1. Het ZW-dagloon
van de werknemer, bedoeld in de artikelen 29b
en 29d van de
ZW, is, in afwijking van
artikel 3, eerste lid, de uitkomst van de volgende berekening:
((A - B - C) + D + E) / F
waarbij:
A staat voor het loon dat de werknemer, uit de dienstbetrekking waarin
hij wegens ziekte arbeidsongeschikt is geworden, heeft genoten in het
laatste aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin die
arbeidsongeschiktheid is ingetreden;
B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die de werknemer, uit de
dienstbetrekking waarin hij wegens ziekte arbeidsongeschikt is geworden,
onder die titel in dat laatste aangiftetijdvak heeft genoten;
C staat voor de bedragen die de werknemer, uit de dienstbetrekking
waarin hij wegens ziekte arbeidsongeschikt is geworden, in dat laatste
aangiftetijdvak onder die titel heeft genoten aan uitkeringen die het
karakter hebben van een extra periodiek salaris;
D staat voor het bedrag dat de werknemer, uit de dienstbetrekking waarin
hij wegens ziekte arbeidsongeschikt is geworden, in dat laatste
aangiftetijdvak heeft opgebouwd aan vakantiebijslag;
E staat voor het bedrag dat de werknemer, uit de dienstbetrekking waarin
hij wegens ziekte arbeidsongeschikt is geworden, in dat laatste
aangiftetijdvak heeft opgebouwd aan uitkeringen als bedoeld onder C;
F staat voor het aantal dagloondagen in dat laatste aangiftetijdvak
binnen de dienstbetrekking waarin hij wegens ziekte arbeidsongeschikt is
geworden, dan wel indien het een aangiftetijdvak van één maand betreft
en de betreffende dienstbetrekking dat gehele tijdvak heeft geduurd,
voor 21,75.
-2. Het dagloon van de werknemer, bedoeld
in het eerste lid, die in het laatste aangiftetijdvak voorafgaande aan
het aangiftetijdvak waarin hij wegens ziekte arbeidsongeschikt is
geworden niet in de dienstbetrekking stond waaruit hij arbeidsongeschikt
is geworden, is, in afwijking van artikel
3, eerste lid, de uitkomst van de volgende berekening:
((A - B - C) + D + E) / F
waarbij:
A staat voor het loon dat de werknemer, uit de dienstbetrekking waarin
hij wegens ziekte arbeidsongeschikt is geworden, voorafgaande aan het
intreden van die arbeidsongeschiktheid heeft genoten in het
aangiftetijdvak waarin die arbeidsongeschiktheid is ingetreden;
B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die de werknemer, uit de
dienstbetrekking waarin hij wegens ziekte arbeidsongeschikt is geworden,
voorafgaande aan het intreden van die arbeidsongeschiktheid, onder die
titel in dat aangiftetijdvak heeft genoten;
C staat voor de bedragen die de werknemer, uit de dienstbetrekking
waarin hij wegens ziekte arbeidsongeschikt is geworden, voorafgaande aan
het intreden van die arbeidsongeschiktheid, in dat aangiftetijdvak heeft
genoten aan uitkeringen die het karakter hebben van een extra periodiek
salaris;
D staat voor het bedrag dat de werknemer, uit de dienstbetrekking waarin
hij wegens ziekte arbeidsongeschikt is geworden, voorafgaande aan het
intreden van die arbeidsongeschiktheid, in dat aangiftetijdvak heeft
opgebouwd aan vakantiebijslag;
E staat voor het bedrag dat de werknemer, uit de dienstbetrekking waarin
hij wegens ziekte arbeidsongeschikt is geworden, voorafgaande aan het
intreden van die arbeidsongeschiktheid, in dat aangiftetijdvak heeft
opgebouwd aan uitkeringen als bedoeld onder C;
F staat voor het aantal dagloondagen in dat aangiftetijdvak in de
dienstbetrekking waarin hij wegens ziekte arbeidsongeschikt is geworden,
voorafgaande aan het intreden van die arbeidsongeschiktheid wegens
ziekte.
-3. Indien bij de toepassing van het
tweede lid F nul is, is het dagloon, in afwijking van het tweede lid, de
uitkomst van de volgende berekening:
A / B
waarbij:
A staat voor het overeengekomen loon van de werknemer in de
dienstbetrekking waarin hij wegens ziekte arbeidsongeschikt tot het
verrichten van werkzaamheden is geworden over het aangiftetijdvak waarin
die arbeidsongeschiktheid is ingetreden;
B staat voor het aantal dagloondagen in het aangiftetijdvak waarin de
arbeidsongeschiktheid is ingetreden, dan wel indien het een
aangiftetijdvak van één maand betreft, voor 21,75.
Art.
12.
ZW-dagloon zieke werkloze
-1. Het ZW-dagloon
van de persoon die op de dag van het ontstaan van zijn ongeschiktheid
tot werken op grond van artikel 7 van de ZW
als werknemer wordt aangemerkt, wordt vastgesteld op het WW-dagloon.
-2. Indien de uitkering op grond van de
WW in verband met niet-volledig arbeidsurenverlies is vastgesteld of op
die uitkering inkomsten uit arbeid worden verrekend met toepassing van artikel
35aa van de WW,
wordt
het ZW-dagloon, bedoeld in het eerste lid, vastgesteld op 100/70 van het
bedrag van de WW-uitkering per dag over de vier kalenderweken
voorafgaande aan de dag van het ontstaan van de arbeidsongeschiktheid.
-3. Voor de toepassing van dit besluit is
de maandag de eerste dag van de kalenderweek.
§
6. Het vaststellen en herzien van het WW-dagloon in specifieke
situaties
Art.
13.
WW-dagloon van gewezen arbeidsongeschikte en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werknemer
-1. Het WW-dagloon
van de werknemer die op de dag voorafgaande aan de eerste
werkloosheidsdag een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO
heeft ontvangen, is, indien die
uitkering met ingang van de eerste werkloosheidsdag wordt ingetrokken op
grond van artikel
43, eerste lid, van de WAO,
gelijk aan het laatstelijk geldende WAO-dagloon. Het WAO-dagloon van de
werknemer die een uitkering op grond van de WAO naar een
arbeidsongeschiktheid van minder dan 80% heeft ontvangen, wordt in
aanmerking genomen naar de mate waarin de uitkering waarvoor het dagloon
wordt vastgesteld in de plaats is gekomen voor de uitkering op grond van
de WAO.
-2. Het WW-dagloon van de werknemer die
op de eerste werkloosheidsdag, of op de eerste dag van herleving van het
recht op werkloosheidsuitkering, een uitkering op grond van de WAO naar
een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80% ontvangt, wordt vastgesteld
door evenredige verlaging van het laatstelijk geldende WAO-dagloon. Dit
WAO-dagloon wordt in aanmerking genomen naar de mate waarin de uitkering
waarvoor het dagloon wordt vastgesteld in de plaats is gekomen voor de
uitkering op grond van de WAO.
-3. Indien op een tijdstip na de in het
tweede lid bedoelde dagloonvaststelling:
a. de werknemer wordt ingedeeld in een andere
arbeidsongeschiktheidsklasse; of
b. diens
arbeidsongeschiktheidsuitkering niet meer volledig wordt uitbetaald op
grond van
artikel 44, eerste lid, onderdeel b, van de WAO;
wordt het WW-dagloon opnieuw vastgesteld. Het WAO-dagloon wordt in
aanmerking genomen naar de mate waarin de uitkering waarvoor het dagloon
wordt vastgesteld in de plaats is gekomen voor de uitkering op grond van
de WAO.
-4. De vaststelling, bedoeld in het
tweede lid, en de hernieuwde vaststelling, bedoeld in het derde lid,
geschieden volgens de volgende berekening:
A x (100 - B) / 100
waarin:
A staat voor het WAO-dagloon, bedoeld in het tweede lid; en
B staat voor het midden van de arbeidsongeschiktheidsklasse die bij de
vaststelling of hernieuwde vaststelling in acht wordt genomen.
-5. Voor de werknemer, bedoeld in het
tweede lid, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering op een tijdstip na de
in dat lid bedoelde dagloonberekening wordt ingetrokken op grond van artikel
43, eerste lid, van de WAO, is het
WW-dagloon het in de eerste zin van het tweede lid bedoelde WAO-dagloon
respectievelijk het zesde lid bedoelde WAO-vervolgdagloon.
-6. Indien de
arbeidsongeschiktheidsuitkering laatstelijk was gebaseerd op een
WAO-vervolgdagloon, wordt bij de toepassing van het eerste, tweede,
vierde en vijfde lid voor "WAO-dagloon" gelezen:
WAO-vervolgdagloon.
-7. Voor de toepassing van het eerste en
tweede lid wordt met het ontvangen van een WAO-uitkering gelijkgesteld:
het zouden hebben ontvangen van een dergelijke uitkering indien de artikelen 25,
28, 30 of 33
van
die wet niet van toepassing zouden zijn
geweest.
-8. Dit artikel is niet van toepassing
zolang bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid
rekening wordt gehouden met de arbeid die de werknemer na het intreden
van zijn arbeidsongeschiktheid heeft verricht in de dienstbetrekking
waaruit hij werkloos is geworden.
-9. Dit artikel is evenmin van toepassing
indien de werknemer, bedoeld in het tweede lid, een wachtgeld als
bedoeld in artikel 1, onderdeel r,
van de
Wet overheidspersoneel
onder de werknemersverzekeringen ontleent of mede ontleent aan de
dienstbetrekking waaraan hij zijn uitkering op grond van de WAO ontleent
of mede ontleent, tenzij hij aan die dienstbetrekking tevens een recht
op uitkering op grond van de WW ontleent.
-10. De dagloonvaststelling op grond van
het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor de werknemer die
voorafgaande aan de eerste werkloosheidsdag een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet
WIA
ontvangt.
Art.
14. WW-dagloon bij niet-toekenning of intrekking
invaliditeitsuitkering lidstaat EG
-1. In afwijking van
artikel 13, tweede tot en met vierde lid, vindt de evenredige
verlaging respectievelijk herziening plaats overeenkomstig het tweede
lid van dit artikel, indien:
a. de werknemer zijn recht op uitkering op grond van de WW
ontleent aan artikel 71, eerste lid, onderdeel a, onder ii, of b,
onder ii, van Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de
socialezekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen die zich
binnen de gemeenschap verplaatsen (PbEG L 149);
b. aan de werknemer op grond van
die verordening overeenkomstig de bepalingen van de WAO
een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, waarvan het bedrag is
bepaald naar de verhouding tussen enerzijds de duur van de Nederlandse
verzekering en anderzijds de totale duur van:
1º. de tijdvakken van Nederlandse
verzekering; en
2º. de tijdvakken van verzekering of
arbeid vervuld ingevolge de sociale wetgeving van een andere lidstaat of
van andere lidstaten; en
c. de werknemer geen recht heeft op toekenning van een
invaliditeitsuitkering van één of meer lidstaten, dan wel dergelijke
invaliditeitsuitkeringen alle zijn ingetrokken, omdat niet of niet meer
wordt voldaan aan de openingsvoorwaarden voor het recht op
invaliditeitsuitkering.
-2. De evenredige verlaging of herziening
vindt plaats door het WAO-dagloon of WAO-vervolgdagloon te
vermenigvuldigen met de breuk:
(100 - (A x B)) / 100
waarbij:
A staat voor het midden van de arbeidsongeschiktheidsklasse die bij de
vaststelling of hernieuwde vaststelling in acht wordt genomen;
B staat voor de verhouding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.
Art.
15.
WW-dagloon bij opeenvolgende arbeidsurenverliezen binnen het
refertejaar uit dezelfde dienstbetrekking
-1. Bij het vaststellen van het WW-dagloon
van de werknemer op wie in verband met opeenvolgende verliezen van
arbeidsuren artikel 2 van het
Besluit nadere regeling verlies van
arbeidsuren van toepassing is, eindigt bij toepassing van
artikel 3, eerste lid, het refertejaar op de laatste dag van het
aangiftetijdvak voorafgaand aan het aangiftetijdvak waarin het eerste
verlies van arbeidsuren is ingetreden.
-2. Het WW-dagloon van de werknemer op
wie in verband met opeenvolgende verliezen van arbeidsuren artikel 3
van het Besluit
nadere regeling verlies van arbeidsuren van toepassing is, wordt
vastgesteld door de berekening op grond van artikel 3,
eerste lid, te vervangen door:
(A + B) x C / D
waarbij:
A staat voor het dagloon dat ten grondslag ligt aan de uitkering ter
zake van zijn arbeidsurenverlies waarbij op grond van artikel 3
van het
Besluit nadere regeling verlies
van arbeidsuren een daaropvolgend arbeidsurenverlies wordt
samengeteld;
B staat voor de evenredige verhoging van het dagloon, in de mate waarin
het minimumloon
in de periode, bedoeld in C, is herzien;
C staat voor het gemiddelde aantal gewerkte arbeidsuren in de
kalenderweek van het voorgaande arbeidsurenverlies tot en met de
kalenderweek voorafgaande aan die waarin het volgende arbeidsurenverlies
plaatsvindt;
D staat voor het gemiddelde aantal gewerkte arbeidsuren voorafgaande aan
het voorgaande arbeidsurenverlies.
Art.
16.
WW-dagloon bij werkloosheid wegens buitengewone natuurlijke
omstandigheden of werktijdverkorting
Het WW-dagloon van de werknemer die in
privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking staat en die
recht heeft op uitkering:
a. op grond van artikel
18 van de WW; of
b. op grond van werkloosheid die verband houdt met een
verleende ontheffing krachtens
artikel 8, derde lid, van het Buitengewoon
Besluit Arbeidsverhoudingen 1945;
wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 11, waarbij
het arbeidsongeschikt worden of het intreden van arbeidsongeschiktheid
wordt aangemerkt als het intreden van arbeidsurenverlies.
Art.
17.
Algemene
dagloongarantie WW
-1. Het WW-dagloon
van de werknemer die binnen 24 maanden na de dag van
beëindiging van een eerdere dienstbetrekking een andere
dienstbetrekking is aangegaan, wordt, bij beëindiging van deze nieuwe
dienstbetrekking binnen 36 maanden na die eerdere beëindiging, niet
lager vastgesteld dan op het WW-dagloon dat gold of zou hebben gegolden
vanwege die eerdere dienstbetrekking. Het dagloon wordt in aanmerking
genomen naar de mate waarin de nieuwe dienstbetrekking in de plaats is
gekomen van de eerdere dienstbetrekking.
-2. De in het eerste lid genoemde termijn
van 24 maanden wordt verlengd met in deze periode gelegen perioden
van arbeidsongeschiktheid.
-3. Het eerste lid is van overeenkomstige
toepassing op het vast te stellen WW-dagloon vanwege alle doch binnen de
termijn van 36 maanden na de dag van beëindiging van de in het eerste
lid bedoelde eerdere dienstbetrekking aangegane en beëindigde nieuwe
dienstbetrekkingen.
-4. Indien de werknemer op de dag van
het beëindigen van de eerste dienstbetrekking de leeftijd van 55 jaar
had bereikt, is de in het eerste en derde lid genoemde termijn van 36
maanden niet van toepassing.
-5. Het eerste lid is niet van toepassing
op het vaststellen van het WW-dagloon indien de eerste dienstbetrekking
is beëindigd:
a. als gevolg van verwijtbare werkloosheid van de
werknemer;
b. als gevolg van het bereiken van
de leeftijd waarop het uit deze dienstbetrekking voortvloeiende
ouderdomspensioen aanvangt.
Art.
18.
Dagloonbepaling ten aanzien van ambulante musici en artiesten
-1. Bij de vaststelling van het WW-dagloon
van de werknemer die in het refertejaar, anders dan in een vaste
dienstbetrekking, uitsluitend of vrijwel uitsluitend op basis van losse
optredens als musicus of artiest werkzaam is geweest, wordt, bij de
toepassing van artikel 3, eerste lid, voor zover het
betreft het loon dat met die optredens is verworven, rekening gehouden
met 100/70 van dat loon.
-2. Indien het eerste lid van toepassing
is, is artikel 6 niet van toepassing.
§
7. Het vaststellen van het WIA-dagloon in specifieke situaties
Art.
19.
Het WIA-dagloon bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid bij aanvang
van de verzekering
Het WIA-dagloon van de werknemer die
gedeeltelijk arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel
46, derde lid, van de Wet WIA bedraagt
ten hoogste het maatmaninkomen dat op grond van
artikel 46, derde lid, wordt vastgesteld
vermenigvuldigd met het aantal uren van de urenomvang, bedoeld in
artikel 9, onderdeel b, van het Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten, gedeeld door vijf.
Art.
20.
Het WIA-dagloon bij toepassing van artikel 48 en artikel 55 van de
Wet WIA
In de gevallen waarin de
artikelen 48, eerste lid, onderdeel b en c, en 55,
eerste lid, onderdeel b en c, van de Wet WIA
van toepassing zijn, wordt het
WIA-dagloon niet lager vastgesteld dan het
dagloon dat op grond van de Wet WIA in aanmerking zou zijn genomen als
de uitkering zou zijn ingetreden op de in artikel 47,
tweede lid, en 54, tweede lid, van de
Wet WIA bedoelde dag, zoals dat dagloon vanaf
die dag tot aan de datum van het recht op uitkering op grond van artikel 14,
eerste lid, van de
Wet WIA zou zijn herzien, indien het recht op
uitkering op grond van de Wet WIA op die dag zou zijn ontstaan.
§
8. Algemene bepaling in verband met het herzien van het dagloon
Art.
21.
Herziening van het dagloon indien de werknemer op de eerste dag
waarop recht bestaat op uitkering jonger is dan 23 jaar
-1. Indien de werknemer op de eerste dag
waarop recht bestaat op uitkering op grond van de ZW,
de
Wet WIA, de
WAO, de Wet arbeid en zorg
of de WW jonger is dan 23 jaar en het op grond
van paragraaf 1 tot en met 6 berekende dagloon
bij verjaring minder bedraagt dan het minimumloon
dat behoort bij de leeftijd van de werknemer bij zijn verjaring,
vermeerderd met de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15 van de WML,
wordt dat dagloon bij zijn verjaring verhoogd door het te
vermenigvuldigen met een breuk waarvan de teller wordt gevormd door het
minimumjeugdloonpercentage dat verbonden is aan de leeftijd van de
werknemer of door 100 indien de werknemer de leeftijd van 23 jaar heeft
bereikt, en de noemer door het minimumjeugdloonpercentage dat verbonden
is aan de leeftijd van de werknemer op de laatste dag vóór zijn
verjaring.
-2. Het verhoogde dagloon bedraagt niet
meer dan het minimumloon dat behoort bij de leeftijd van de werknemer na
verjaring, vermeerderd met de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15 van
de WML.
§
9. Algemene bepaling in verband met maximering van het dagloon
Art.
22.
Maximering
van het dagloon
-1. Het dagloon bedraagt ten hoogste het
op grond van artikel 17, eerste lid, van
de
Wet financiering sociale verzekeringen
geldende bedrag met betrekking tot een loontijdvak van een dag.
-2. Indien een werknemer gelijktijdig
aanspraak heeft op meerdere uitkeringen op grond van de ZW,
de WW, de Wet arbeid en
zorg, de WAO
of de Wet WIA en de som van de uitkeringen op
grond van die wetten per dag meer bedraagt dan 70% van het bedrag,
bedoeld in het eerste lid, worden de aan die uitkeringen ten grondslag
liggende daglonen zodanig evenredig verminderd dat de som van de
uitkeringen per dag niet langer meer bedraagt dan 70% van het bedrag,
bedoeld in het eerste lid.
-3. Indien van een uitkering als bedoeld
in het tweede lid het uitkeringspercentage hoger is dan 70 %, wordt 70%
van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, verhoogd met:
((A - 70) / 100) x B
waarbij:
A staat voor het hogere uitkeringspercentage;
B staat voor het dagloon van de uitkering waarvoor het
uitkeringspercentage A geldt.
HOOFDSTUK
3
Slotbepalingen
Art.
23.
Wijziging in
het loon door fiscale regelgeving
Indien aan een wijziging van de Wet
op de loonbelasting 1964 of een daarop gebaseerde regeling
terugwerkende kracht is verleend, wordt bij de vaststelling van het
dagloon met betrekking tot een recht op uitkering dat is ontstaan vóór
de datum van de inwerkingtreding van die wijziging, in afwijking van artikel
2, eerste lid, onder loon verstaan het loon dat op grond van hoofdstuk 3,
afdeling 1, paragraaf 1, van de Wet financiering sociale
verzekeringen zou hebben gegolden zonder die wijziging.
Art.
24.
Overgangsbepaling
-1. Op het loon dat is genoten in
aangiftetijdvakken voorafgaand aan de dag waarop dit besluit in werking
treedt en voorafgaande aan de dag waarop artikel
48, derde lid, van de Invoeringswet Wet financiering sociale verzekeringen
in werking treedt, blijven de bepalingen van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering zoals die luidde op de dag voorafgaande aan de dag van
inwerkingtreding van artikel 48, derde
lid, van de
Invoeringswet Wet
financiering sociale verzekeringen van toepassing.
-2. Indien de werknemer in de
aangiftetijdvakken in refertejaren gelegen vóór 1 januari 2007 loon
heeft genoten waarin bedragen aan vakantiebijslag en van extra periodiek
salaris zijn opgenomen, blijft artikel 3, eerste lid,
voor de dagloonberekening buiten aanmerking en wordt het dagloon
berekend door het loon dat de werknemer heeft genoten in het refertejaar
te delen door 261.
-3. Het tweede lid is van overeenkomstige
toepassing voor de dagloonberekening, bedoeld in artikel
2, zesde lid, 6, tweede lid, en 11,
eerste en tweede lid, met dien verstande dat daarbij alleen het loon dat
de werknemer heeft genoten in aanmerking wordt genomen.
-4.
Artikel 12 zoals dat luidde op de dag vóór
inwerkingtreding van artikel I, onderdeel B, onder 1, 2, 3 of 4, van het
Besluit van 28 september 2006 tot wijziging van enige algemene
maatregelen van bestuur in verband met de inwerkingtreding van de Wet
wijziging WW-stelsel en in verband met enige technische
verbeteringen (Stb. 2006, 435) blijft van toepassing met
betrekking tot een recht op uitkering waarvan de eerste werkloosheidsdag
is gelegen vóór de dag van inwerkingtreding van het desbetreffende
subonderdeel alsmede op een recht op vervolguitkering dat is ontstaan op
grond van artikel 130h, eerste lid,
aanhef en onder b en c, of tweede lid, van de WW.
Art.
25.
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van 29 december 2005.
Art.
26. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit dagloonregels
werknemersverzekeringen.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het
Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 8 oktober
2005
BEATRIX
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
Uitgegeven de derde
november 2005
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
NOTA
VAN TOELICHTING
[8 oktober 2005]
Algemeen
1.
Inleiding
Bij de
inwerkingtreding van artikel IV, onderdeel A, artikel V, onderdeel
A, en artikel VI,
onderdeel B, van de Wet administratieve
lastenverlichting en vereenvoudiging in socialeverzekeringswetten
(Walvis) ¹ vervallen de ministeriële regels voor het uitkeringsdagloon
krachtens de Ziektewet (ZW), de
Werkloosheidswet
(WW) en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Dit besluit komt in de
plaats voor alle vervallen regelingen. De genoemde wettelijke
werknemersverzekeringen en de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen (Wet WIA) verzekeren werknemers tegen het risico
van loonderving als gevolg van arbeidsongeschiktheid of werkloosheid. De
uitkeringen op grond van deze wetten zijn gebaseerd op het in verzekerde
arbeidsverhoudingen genoten loon.² Dit loon wordt omgezet naar een
uitkeringsgrondslag: het dagloon. De hoogte van de uitkering wordt
afgeleid van dit dagloon. Het besluit bevat een zoveel mogelijk
vereenvoudigde en uniforme regeling voor de berekening van het dagloon
voor de genoemde wettelijke verzekeringen.
1. Wet van 24 juni 2004, Stb.
2004, 311.
2. De kortdurende uitkering en de vervolguitkering op grond van de WW
zijn gemaximeerd op 70% van het wettelijk minimumloon.
Vóór de inwerkingtreding van dit besluit verschilden de regels voor de
vaststelling van het dagloon voor de ZW, de WAO
en de
WW onderling aanzienlijk. Daarnaast bestonden
er voor verschillende loonbestanddelen bijzondere dagloonbesluiten met
een uiteenlopende reikwijdte en strekking. Voorts golden er aparte
regelingen voor bepaalde sectoren of beroepsgroepen. Deze fijnmazige en
complexe regelingen bleken in de praktijk bijzonder foutgevoelig. Het
totaal aan regelingen was daarnaast onvoldoende inzichtelijk voor
werkgevers en werknemers en leverde veel administratieve lasten op. Voor
de vaststelling van de hoogte van het dagloon dienden werkgevers en
werknemers de uitvoeringsorganisatie veel gegevens te verstrekken. Deze
gegevens hadden niet alleen betrekking op de hoogte van het genoten loon
en andere relevante inkomensbestanddelen, maar in voorkomende gevallen
ook op eventuele toekomstige loonontwikkelingen en op het gewoonlijk
door de werknemer uitgeoefende beroep. De uitvraag van deze gegevens
stond bovendien grotendeels los van de informatie die de werkgever al
periodiek moest verschaffen ten behoeve van de premieheffing.
Al
geruime tijd leefde het besef dat een vereenvoudiging van de
dagloonregels noodzakelijk was. Dit besef heeft vaste vorm gekregen in
de Walvis. Het doel van dit besluit sluit
aan bij de hoofddoelen van die wet,
namelijk:
1. beperking van de administratieve lasten van de socialeverzekeringswetgeving;
2. vereenvoudiging van de regelgeving; en
3. verlaging van de uitvoeringskosten voor de werknemersverzekeringen.
Om
deze doelen te kunnen realiseren, liggen aan de nieuwe dagloonregeling
de volgende uitgangspunten ten grondslag:
• de loonelementen voor het dagloon zijn gelijk aan het loon waarover
de premies worden geheven;
• het dagloon wordt gebaseerd op het in een referteperiode genoten
loon (historisch dagloon);
• voor de verschillende
wetten gelden zo uniform mogelijke regels; en
• de daglonen worden vastgesteld aan de hand van feitelijk vast te
stellen, objectieve gegevens.
Deze uitgangspunten maken het mogelijk de daglonen vast te stellen aan
de hand van gegevens die binnen de uitvoering al beschikbaar zijn voor
de vaststelling van de premies. Voor de vaststelling van een dagloon is
daarom slechts bij uitzondering een extra uitvraag van gegevens bij de
werkgever nodig. Een uitwerking van de dagloonregeling aan de hand van
bovengenoemde uitgangspunten leidt bovendien tot eenvoud en
uniformiteit.
Het besluit levert een bijdrage aan de
verlaging van de administratieve lasten en van de uitvoeringskosten voor
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(UWV) die beoogd is met de Walvis. De
vereenvoudiging van de dagloonregels heeft verder tot doel de
inzichtelijkheid voor werknemers en werkgevers te vergroten en de
rechtmatigheid van de uitvoering van de werknemersverzekeringen te
verbeteren. Voor de omvang van de administratieve lastenverlichting voor
de werkgevers en van de besparingen op de uitvoeringskosten wordt
gewezen naar hetgeen daarover in de kamerstukken over de Walvis
¹ en over de Wet financiering sociale
verzekeringen (Wfsv) ² is meegedeeld.
Dit besluit treedt in werking op het moment dat
het wetsvoorstel WIA
³ in werking treedt, te weten 29 december 2005.
1. Zie de brief van 28
april 2004, Kamerstuken II 2003-2004, 28 219 (en
28 371), nr. 24.
2. Kamerstukken II 2003-2004, 29 529, nrs. 3 en 7.
3. Kamerstukken II 2004-2005, 30 034.
Met
de Walvis is in de artikelen 15
van de ZW,
45 van de WW, 13,
eerste lid, van de
Wet WIA en
artikel
14 van de WAO een uniforme wettelijke
grondslag voor de berekening van het dagloon opgenomen. Met dit besluit
worden de nadere regels voor de vaststelling en de herziening van het
dagloon vastgesteld. De hoofdregels van dit besluit worden in hoofdstuk 2
toegelicht. De technische invulling van de dagloonsystematiek wordt
toegelicht in het
artikelsgewijze deel van deze nota.
2.
De hoofdregels voor de berekening van het dagloon
Historisch dagloon
Het
dagloon is de vertaling van het in het refertejaar genoten loon in een
uitkeringsloon per dag. Het in het refertejaar genoten loon wordt
vastgesteld aan de hand van de loonopgaven van de werkgever. Voor de
premieheffing doet de werkgever per maand of per vier weken aan het UWV
opgave van het in dat tijdvak door de werknemer genoten loon. Het
refertejaar voor de dagloonberekening wordt bepaald op de periode van
het jaar dat eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak
voorafgaand aan het tijdvak waarin de werknemer arbeidsongeschikt of
werkloos is geworden. Het loon dat de werknemer in het refertejaar heeft
genoten, wordt omgerekend tot een dagloon door dit te delen door 261.
Toerekening van loon aan de
aangiftetijdvakken
Het
loon wordt geacht te zijn genoten in het tijdvak waaraan het - volgens
opgave van de werkgever - moet worden toegerekend. De keuze om bij de
dagloonvaststelling uit te gaan van het genoten loon voorkomt dat bij de
dagloonberekening uitgevraagd en geverifieerd moet worden op welke
tijdvakken dit loon betrekking heeft. Het dagloon kan aldus immers
worden berekend aan de hand van bij het UWV
al beschikbare loongegevens.
De verwerking van vakantiebijslag en extra
periodiek loon
Indien het intreden van het verzekerde risico samenvalt met het einde
van de dienstbetrekking, kan in het refertejaar een hoger bedrag aan
vakantiebijslag zijn betaald dan waar de werknemer op jaarbasis
aanspraak op heeft. Naast de jaarlijkse uitbetaling van de
vakantiebijslag vindt er bij het einde van de dienstbetrekking in het
algemeen nog een afrekening plaats van de na de laatste uitbetaling
opgebouwde bijslag. Hetzelfde kan zich voordoen met een extra periodiek
salaris, zoals een dertiendemaandloon. Om dit te corrigeren, is in de
hoofdregel bepaald dat de in het refertejaar feitelijk uitbetaalde
vakantiebijslag, respectievelijk het extra periodieke salaris, buiten de
berekening van het dagloon wordt gehouden. In de plaats daarvan wordt
het aldus geschoonde loon van werknemers die naast hun loon recht hebben
op vakantiebijslag verhoogd met het bedrag dat zij gedurende de
referteperiode hebben opgebouwd aan vakantiebijslag. Bij werknemers die
recht hebben op een extra periodiek salaris bedraagt deze verhoging het
bedrag dat zij gedurende de referteperiode hebben opgebouwd aan extra
periodiek salaris.
Bij de loonopgave dient de werkgever kenbaar te
maken welk bedrag in het betreffende aangiftetijdvak de werknemer aan
deze loonelementen heeft opgebouwd.
Het gebroken aangiftetijdvak
Het
begin van het refertejaar valt niet altijd samen met een nieuw
aangiftetijdvak. In dat geval begint het refertejaar met een tijdvak dat
deels in en deels vóór het refertejaar valt (een gebroken
aangiftetijdvak). Om vast te kunnen houden aan de hoofdregel, op grond
waarvan het in het refertejaar genoten loon wordt gedeeld door 261,
wordt via een vaste formule bepaald welk deel van het loon over dat
gebroken tijdvak wordt meegenomen bij de berekening van het dagloon.
Wanneer de werknemer tegelijkertijd in meer dan één dienstbetrekking
werkzaam was, kan zich ook aan het eind van het refertejaar een gebroken
aangiftetijdvak voordoen. Voor de vaststelling van het loon over dat
tijdvak wordt dezelfde herleidingsformule gehanteerd.
Aanpassing aan de ontwikkeling van het
minimumloon in de periode tussen het einde van het refertejaar en de
eerste uitkeringsdag
Tussen het einde van het refertejaar en de eerste dag waarop recht
bestaat op een uitkering kan een aanmerkelijke periode zitten. Dit doet
zich met name voor bij uitkeringen in het kader van de Wet WIA
en de WAO. Die worden immers gebaseerd op het
loon dat is genoten in het refertejaar. De eerste uitkeringsdag ligt in
het algemeen 104 weken na het intreden van de arbeidsongeschiktheid.
Zonder nadere maatregel zou geen rekening worden gehouden met de
ontwikkeling van dat loon in de periode tussen het einde van het
refertejaar en de eerste uitkeringsdag. Het in het refertejaar per dag
genoten loon wordt daarom (ook als het gaat om een dagloonberekening
voor de ZW en de WW)
herzien overeenkomstig de tussen het einde van het refertejaar en de
eerste uitkeringsdag gelegen aanpassingen van het wettelijk minimumloon.
Onderscheid tussen de dagloonberekening voor
de ZW en de WW enerzijds en de Wet WIA en de WAO anderzijds
De
uitkeringen op grond van de WW en de ZW
worden gebaseerd op de dienstbetrekking waaruit de werkloosheid of de
ziekte is ontstaan. Voor de ZW en de WW wordt daarom bij de
dagloonberekening uitsluitend rekening gehouden met het loon uit die
dienstbetrekking en uit de overige dienstbetrekkingen in het refertejaar
naar de mate waarin de laatste dienstbetrekking daarvoor in de plaats is
gekomen.
Het
arbeidsongeschiktheidsbegrip in de Wet WIA en
de WAO
is gericht op de algemene ongeschiktheid voor werk. Bij de berekening
van het WIA- en het WAO-dagloon wordt daarom het loon uit alle
dienstbetrekkingen in het refertejaar in aanmerking genomen.
Dit onderscheid tussen de dagloonvaststelling
voor de ZW en de WW
enerzijds en voor de Wet WIA en de WAO anderzijds is van belang als de
werknemer vóór het intreden van het verzekerde risico tegelijkertijd
in meerdere dienstbetrekkingen stond en het verzekerde risico in één
daarvan optreedt. Gaat het om werkloosheid, dan wordt gerekend met het
loon uit de verloren gegane arbeidsverhouding. Gaat het om
arbeidsongeschiktheid die in één van die dienstbetrekkingen optreedt,
dan zal bij een latere WIA-uitkering het dagloon worden gebaseerd op het
loon uit alle tegelijkertijd uitgeoefende dienstbetrekkingen.
3.
Bijzondere bepalingen voor de berekening van het dagloon
In de regel vormt
de uitkomst van de hoofdregel voor de dagloonberekening een goede
maatstaf voor het als gevolg van het sociale risico gederfde loon. Voor
een aantal specifieke gevallen, waarin de hoofdregel tot onwenselijke
resultaten kan leiden, bevat het besluit bijzondere bepalingen. Bij het
treffen van deze bepalingen is getracht deze zo eenvoudig mogelijk te
houden en de behandeling van gelijksoortige situaties waar mogelijk op
dezelfde leest te schoeien. Zowel de inzichtelijkheid als de
uitvoerbaarheid van het besluit zijn daarmee gediend. Ook is
vastgehouden aan het uitgangspunt om zoveel mogelijk uit te gaan van
feitelijke gegevens, die bij de uitvoering beschikbaar zijn.
Waar het gaat om speciale beroepsgroepen is
overigens slechts ten aanzien van ambulante artiesten in een speciale
regeling voorzien.
De
bijzondere bepalingen worden onderscheiden in algemene bijzondere
bepalingen, die gelden voor de dagloonvaststelling op grond van zowel de ZW,
de
Wet WIA, de WAO als
de WW, en wetspecifieke bijzondere bepalingen.
De eerstbedoelde bepalingen worden toegelicht in paragraaf
3.1, terwijl de laatstbedoelde in paragraaf 3.2
aan de orde komen.
3.1.
Algemene bijzondere bepalingen
In deze paragraaf
gaat het om de volgende situaties:
• de werknemer genoot aan het begin van het refertejaar geen loon
(starters en herintreders);
• de werknemer heeft als gevolg van arbeidsongeschiktheid of
werkloosheid niet gedurende het volledige refertejaar loon uit arbeid
ontvangen, maar wel een ZW-,
WW-, WAO-, een
WIA-uitkering of een uitkering op grond van
hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en
zorg (Wazo) genoten;
• de werknemer heeft wegens ziekte tijdens het refertejaar minder loon
ontvangen;
• de werknemer heeft tijdens het refertejaar wegens verlof minder loon
ontvangen;
• de werknemer was bij aanvang van het refertejaar jonger dan 23 jaar.
Starters en herintreders
Als
starter/herintreder wordt beschouwd degene die tot het einde van de
eerste volledige maand van het refertejaar, anders dan wegens onbetaald
verlof, geen loon genoot.
Indien een starter/herintreder binnen één
jaar na de aanvang van de werkzaamheden arbeidsongeschikt of werkloos
wordt, leidt de toepassing van de hoofdregel tot een dagloon dat niet in
een juiste verhouding staat tot het gederfde loon. Om dit te voorkomen,
wordt het in het refertejaar vanaf de aanvang van de werkzaamheden
genoten loon gedeeld door het aantal doordeweekse dagen vanaf dat moment
tot en met de laatste dag van het refertejaar.
Het genot van een ZW-, WIA-, WAO-,
WW-uitkering of een zwangerschaps- en bevallingsuitkering of een
adoptie-uitkering of uitkering in verband met pleegzorg tijdens het
refertejaar
In
het refertejaar kunnen perioden liggen waarin betrokkene in plaats van
loon uit arbeid een ZW-,
WW-, WIA- of WAO-uitkering
genoot. Ook kan de werknemer tijdens een periode van niet werken een
zwangerschaps- en bevallingsuitkering of een adoptie-uitkering op grond
van hoofdstuk 3, afdeling
2, paragraaf 1, van de Wazo hebben
ontvangen.
Toepassing van de hoofdregel beïnvloedt het
dagloon dan negatief als gedurende die perioden sprake is van (uitkerings)loon
dat minder bedraagt dan betrokkene met arbeid zou hebben verdiend. De
noemer van de berekening blijft immers 261.
Aldus zou het inkomensnadeel dat met een
eerdere uitkering is geleden, doorwerken in een latere uitkering. De
hoofdregel leidt aldus tot een onjuiste en onredelijke uitkomst. Bij de
berekening van het dagloon wordt daarom rekening gehouden met de
genoemde uitkeringen door het daaraan ontvangen bedrag in opwaartse zin
te corrigeren en het resultaat daarvan mee te tellen als loon in het
refertejaar. Het aldus vastgestelde loon wordt, volgens de hoofdregel,
gedeeld door 261. In de artikelsgewijze toelichting bij artikel
2, derde lid, wordt nader op deze correctie ingegaan.
Aparte aandacht verdient de situatie waarin een betrokkene tijdens een
refertejaar van zijn werkgever een aanvulling op een ZW-,
een WIA-, een
WAO- of een WW-uitkering
dan wel op een
Wazo-uitkering als hier bedoeld heeft ontvangen
of op grond van de Toeslagenwet een toeslag op
één van de genoemde werknemersverzekeringsuitkeringen ontving. Deze
aanvullingen en toeslagen behoren op grond van artikel 16
tweede lid, onderdeel a, onder 1º, van de Wfsv
tot het loon.
Met deze aanvullingen en toeslagen wordt echter
bij de dagloonvaststelling geen rekening gehouden. De reden hiervoor is
dat de tijdens het refertejaar ontvangen uitkering volgens de
bovenstaande systematiek al wordt verhoogd. Als rekening zou worden
gehouden met de aanvulling of toeslag, zou sprake zijn van
overcompensatie.
Onvolledige loondoorbetaling tijdens ziekte
of verlof
Als
tijdens een in het refertejaar gelegen periode van ziekte of verlof niet
het volledige loon wordt betaald, zou, zonder nadere maatregel, slechts
dat lagere loon (en over een periode van onbetaald voltijdverlof zelfs
helemaal geen loon) worden meegenomen in de dagloonberekening. Dit zou
een negatief effect hebben op de hoogte van een latere uitkering. Om dit
te voorkomen, is voor deze situatie voor een afwijkende benadering
gekozen. Gedurende de periode van ziekte of verlof wordt rekening
gehouden met het loon dat bij dezelfde werkgever is genoten in het
daaraan voorafgaande aangiftetijdvak, dan wel (als van zo’n
voorafgaand tijdvak geen sprake is) het direct daaropvolgende
aangiftetijdvak. Indien in het refertejaar geen aangiftetijdvak bij
dezelfde werkgever ligt waarin het volledige loon is genoten, wordt het
dagloon gebaseerd op het tussen werkgever en werknemer overeengekomen
loon zoals dat tijdens de periode van ziekte of verlof gold. Op het
resultaat hiervan wordt de hoofdregel onverkort toegepast. Bij de
loonopgave dient de werkgever kenbaar te maken dat hij wegens ziekte of
wegens verlof het loon niet volledig heeft doorbetaald.
De dagloonbepaling/-herziening ten behoeve
van beneden-23-jarigen
Voor werknemers die tijdens het refertejaar jonger zijn dan 23 jaar kan
de toepassing van de hoofdregel ertoe leiden dat het dagloon minder
bedraagt dan het minimumloon behorend bij hun
leeftijd op de eerste uitkeringsdag. Het volgens de hoofdregel
vastgestelde dagloon wordt daarom vermenigvuldigd met een breuk waarvan
de teller gelijk is aan het percentage van het wettelijke minimumloon
dat behoort bij de leeftijd van de werknemer op de eerste dag waarop
recht op uitkering bestaat. De noemer is gelijk aan het percentage van
het minimumloon dat behoort bij de leeftijd van de werknemer bij aanvang
van het refertejaar. De uitkomst van deze berekening wordt gemaximeerd
op het voor de betrokkene op de eerste uitkeringsdag geldende
minimumloon. Deze berekening kan worden uitgevoerd aan de hand van de
gegevens waarover het UWV al beschikt. Er
hoeft geen uitvraag bij de werkgever(s) te geschieden over de omvang van
de dienstbetrekking(en) tijdens het refertejaar.
Tijdens de looptijd van de uitkering wordt het dagloon van de werknemer
die op de eerste dag waarop recht op uitkering bestaat nog geen 23 jaar
is, bij verjaring aangepast overeenkomstig de minimumjeugdloonstaffel.
Het aangepaste dagloon wordt gemaximeerd op het wettelijk minimumloon
dat behoort bij de leeftijd na de verjaring.
3.2.
Wetspecifieke bijzondere bepalingen
Het besluit bevat
eveneens bijzondere dagloonbepalingen die niet voor alle wetten
gelden. Ten dele betreft dit bepalingen die om doelmatigheidsredenen
zijn overgenomen uit de ministeriële dagloonregels waarvoor dit besluit
in de plaats is gekomen. Daarnaast gaat het om situaties waarvoor om
beleidsmatige redenen een begunstigende regeling is getroffen. Een
aantal van deze bepalingen gold eveneens reeds vóór dit besluit. Het
betreft bepalingen over:
• het dagloon van de zieke WW-gerechtigde (ZW);
• werkloosheid na gehele of gedeeltelijke beëindiging van de WAO-uitkering
of na eindigen van de WIA-uitkering (WW);
• het dagloon bij opeenvolgende arbeidsurenverliezen binnen het
refertejaar uit dezelfde dienstbetrekking (WW);
• de dagloonberekening bij nawerking van de verzekering (ZW, Wet WIA
en WAO);
• volledige arbeidsongeschiktheid, dan wel onvolledige
arbeidsgeschiktheid, bij de aanvang van de verzekering (Wet WIA);
• de loongarantieregeling voor de werkgever van de werknemer met
beperkingen (ZW);
• dagloongarantie bij werkhervatting tegen een lager loon (WW);
• de dagloongarantie voor werknemers vanaf 55 jaar bij
loopbaanombuiging (WW, Wet WIA en WAO);
• de dagloongarantie indien het recht op een uitkering niet
aansluitend op de afloop van de wachttijd ontstaat (Wet WIA);
• de dagloongarantie bij herhaald recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering voor arbeidsongeschikten vanaf 45 jaar
(Wet WIA);
• de dagloongarantie bij hernieuwde uitval uit arbeid tijdens een
lopende WGA-uitkering (Wet WIA);
• het dagloon bij werkloosheid als gevolg van werktijdverkorting, dan
wel van vorst, sneeuwval, hoog water of andere buitengewone natuurlijke
omstandigheden (WW); en
• de WW-dagloonberekening voor ambulante artiesten.
Het ZW-dagloon van de zieke WW-gerechtigde
Voor deze situatie was in de voorheen geldende dagloonregels voor de ZW
[zie Algemene dagloonregelen Ziektewet, red.]
al een uitgewerkte regeling getroffen. Deze regeling is, in aangepaste
vorm, gehandhaafd. De getroffen regeling komt erop neer dat geen nieuw
ZW-dagloon wordt vastgesteld, maar dat het WW-dagloon
als ZW-dagloon wordt aangehouden. Om uitvoeringstechnische redenen is
ten opzichte van de vroegere regeling wel een aanpassing gepleegd voor
de situatie van samenloop van een WW-uitkering met een dienstbetrekking.
De regeling vereist geen uitvraag van gegevens bij de voormalige
werkgever.
Het dagloon bij werkloosheid in combinatie
met een (gedeeltelijk) beëindigde WIA- of WAO-uitkering
Als
gevolg van de herziening of de intrekking van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering kan in een aantal gevallen een WW-recht
ontstaan. Dit is mogelijk na de intrekking of verlaging van een WAO-uitkering
berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%. Voor wat
betreft de Wet
WIA
geldt dat een WW-recht alleen kan ontstaan indien een
arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens volledig herstel wordt
beëindigd. Het WW-dagloon wordt dan gesteld op het WAO-
onderscheidenlijk het WIA-dagloon. Indien recht blijft bestaan op een
gedeeltelijke WAO-uitkering, wordt het dagloon vastgesteld op een naar
rato van de arbeidsongeschiktheidsklasse evenredig verlaagd WAO-dagloon.
Indien als gevolg van het intrekken van een
WAO-uitkering een WW-uitkering herleeft, geldt voor deze uitkering het
oude WW-dagloon, eventueel geïndexeerd aan de hand van de herziening
van het wettelijk minimumloon.
Deze regeling gold, voor zover het de overgang
van de WAO naar de WW betreft, al vóór de totstandkoming van dit
besluit en wordt om doelmatigheidsredenen gehandhaafd.
Het dagloon bij opeenvolgende
arbeidsurenverliezen binnen het refertejaar uit dezelfde
dienstbetrekking (WW)
Indien binnen het refertejaar sprake is van opeenvolgende
arbeidsurenverliezen die alle leiden tot een
WW-recht, kan de toepassing van de hoofdregel
tot gevolg hebben dat de WW-uitkeringen gezamenlijk meer bedragen dan de
WW-uitkering waarop recht zou bestaan bij een verlies van al die
arbeidsuren op het moment van het eerste verlies. Om dit te voorkomen,
is een van de hoofdregel afwijkende regeling opgenomen.
Ook voor het geval opeenvolgende verliezen
samengeteld tot een WW-recht leiden, is een speciale regeling opgenomen.
Deze regeling bestond reeds in de voorheen
geldende dagloonregels voor de WW [zie Dagloonregels
Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid, red.].
Het ZW-, WIA- en WAO-dagloon bij nawerking
van de verzekering
Op
grond van de artikelen
46 van de ZW, 10
van de
Wet WIA, 17 van
de
WAO en 3:10 van
de
Wazo
is het mogelijk dat bij arbeidsongeschiktheid ontstaan binnen een korte
periode na het einde van de verplichte verzekering toch recht op
uitkering ontstaat. Voor de berekening van het dagloon wordt het
refertejaar gesitueerd aansluitend vóór het aangiftetijdvak waarin de
verzekeringsplicht is geëindigd.
Het WIA-dagloon bij volledige
arbeidsongeschiktheid, dan wel onvolledige arbeidsgeschiktheid, bij de
aanvang van de verzekering
Bij
de aanvang van de verzekering reeds aanwezige arbeidsongeschiktheid
dient, net als binnen een halfjaar kennelijk te verwachten
arbeidsongeschiktheid, buiten beschouwing te blijven bij de bepaling van
de uitkeringshoogte in het kader van de Wet WIA.
In die wet is daarom bepaald dat die
arbeidsongeschiktheid buiten beschouwing blijft bij het bepalen van het
maatmanloon. Tegen deze achtergrond is in dit besluit bepaald dat het
dagloon maximaal het bijgestelde maatmanloon kan bedragen.
Het dagloon voor de ZW-uitkering van de
werknemer met beperkingen (artikel 29b ZW)
Artikel
29b van de ZW geeft werkgevers die
een werknemer in dienst nemen met een arbeidshandicap blijkend uit een
eerdere arbeidsongeschiktheidsuitkering de garantie dat zij worden
gecompenseerd voor de civielrechtelijke verplichting om bij ziekte het
loon door te betalen. Deze garantie is een belangrijk
reïntegratie-instrument. De hoofdregel voor de dagloonberekening maakt
de betekenis van deze garantie voor de werkgever onzeker. Immers, als
deze werknemer tijdens het refertejaar bij de werkgever in dienst trad,
hangt het dagloon mede af van wat betrokkene vóór die indiensttreding
in het refertejaar aan loon heeft genoten. De hoogte van het dagloon is
in dat geval onzeker. Dit tast het garantiekarakter van het instrument
te zeer aan.
In het besluit is daarom bepaald dat het
dagloon voor de uitkering op grond van artikel
29b ZW in beginsel wordt vastgesteld
aan de hand van het loon over het tijdvak aansluitend vóór het tijdvak
waarin de ziekte optrad. Dit loon wordt gedeeld door het in dat tijdvak
gelegen aantal dagloondagen waarop van de betreffende dienstbetrekking
sprake was.
In
artikel 3:13 van de
Wazo is bepaald dat voor de werknemers in de zin van die wet
en de daarmee gelijkgestelden de dagloonberekening in het kader van de
zwangerschaps- en bevallingsuitkering, de adoptie-uitkering en de
uitkering in verband met pleegzorg geschiedt overeenkomstig de
dagloonberekening ten aanzien van de werknemer in de zin van artikel
29b van de ZW.
De dagloongarantie bij werkhervatting tegen
een lager loon (WW)
Deze regeling heeft tot doel belemmeringen voor het aanvaarden van lager
betaalde arbeid tijdens de WW-uitkering weg te
nemen. Zij bepaalt dat, indien aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan,
bij hernieuwde werkloosheid na werkhervatting tegen een lager loon, het
WW-dagloon niet lager wordt vastgesteld dan het dagloon behorende bij
het eerdere, hogere loon. De regeling is overgenomen uit de
ministeriële dagloonregels voor de WW.
De dagloongaranties voor werknemers vanaf 55
jaar bij loopbaanombuiging (WW, Wet WIA en WAO)
Deze regeling neemt belemmeringen weg om de loopbaan bij dezelfde
werkgever voort te zetten in een lager betaalde functie of tegen een
lager loon. Zij biedt bescherming tegen de gevolgen van een neerwaartse
loonaanpassing voor een eventuele latere uitkering op grond van de WW,
de
Wet WIA of de WAO.
Als de werknemer bij de verlaging van het overeengekomen loon al 55 jaar
of ouder was, wordt bij de dagloonberekening uitgegaan van het loon
voorafgaand aan de verlaging. Ook deze regeling is overgenomen van de
ministeriële dagloonregels voor de WW en de WAO [zie Dagloonregelen Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, red.].
De dagloongarantie indien het recht op een
uitkering niet aansluitend op de afloop van de wachttijd ontstaat (Wet
WIA)
Deze garantieregeling bepaalt dat voor werknemers die aan het einde van
de wachttijd niet arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsgeschikt
waren, maar die binnen een bepaalde periode na die wachttijd alsnog
arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsongeschikt in de zin van de Wet
WIA
worden, een dagloon geldt dat ten minste gelijk is aan het dagloon dat
zou zijn vastgesteld als bij het einde van de wachttijd wel een recht op
een WIA-uitkering zou zijn toegekend. De bedoelde periode verschilt
naargelang de bedoelde arbeidsongeschiktheid al dan niet voortkomt uit
dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid tijdens de wachttijd.
De dagloongarantie bij herhaald recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering voor arbeidsongeschikten vanaf 45 jaar
(Wet WIA)
Voor
WIA-gerechtigden die op of na hun 45-ste
verjaardag het werk hervatten en daardoor meteen of, als gevolg van
toename van de arbeidsomvang, op termijn hun recht op uitkering
verliezen, geldt een aparte - termijngebonden - garantiebepaling. Deze
bepaling voorkomt dat bij een hernieuwde uitval door toegenomen
arbeidsongeschiktheid een lager dagloon wordt vastgesteld. Hiermee wordt
voor ouderen een drempel weggenomen om te hervatten in betaalde arbeid
dan wel, na gedeeltelijke hervatting, de arbeidsomvang uit te breiden.
In
de WAO komt een soortgelijke bepaling voor (artikel 61)
met dit verschil dat volgens die bepaling de garantie alleen geldt als
in verband met werkaanvaarding de uitkering wordt beëindigd.
Bijvoorbeeld bij aanvaarding van deeltijdwerk is deze garantieregeling,
ook al wordt de arbeidsomvang in de loop van de tijd tot voltijdwerk
uitgebreid, naar de letter van die regeling niet aan de orde. Het doel
van de regeling - stimulering van werkaanvaarding - geldt echter ook
voor uitbreidingssituaties. De nieuwe regeling komt hieraan tegemoet,
door de termijn van vijf jaar niet te rekenen vanaf de datum van aanvang
van de arbeid, maar vanaf het moment dat de uitkering daadwerkelijk
wordt beëindigd.
De regeling is niet, zoals de regeling in de
WAO, beperkt tot aanvaarding van arbeid in dienstbetrekking. Ook als
werk wordt aangevangen als zelfstandige, zal bij een toekomstig beroep
op de Wet
WIA binnen de gestelde termijn, deze regeling van toepassing zijn.
Dit past binnen het beleid om bij reïntegratie niet alleen de focus te
richten op arbeid in een dienstbetrekking in de zin van de
werknemersverzekeringen.
De dagloongarantie bij hernieuwde uitval uit
arbeid tijdens een lopende WGA-uitkering (Wet WIA)
Als
de WGA-gerechtigde tijdens de duur van dat recht werkt en daaruit
arbeidsongeschikt wordt, ontstaat aan het einde van de wachttijd geen
tweede (WGA-)recht.
Zonder nadere maatregelen kan het voorkomen dat
betrokkene aan het einde van die wachttijd, of daarna, terugvalt naar
een WIA-vervolguitkering, terwijl, als dat
tweede recht wél had kunnen ontstaan, de daarmee samenhangende
loongerelateerde uitkering hoger zou hebben gelegen. In verband hiermee
is een garantieregeling opgenomen. Deze houdt in dat gedurende de tijd
dat een tweede recht op een loongerelateerde uitkering zou hebben kunnen
bestaan, de WGA-vervolguitkering niet lager kan liggen dan die
loongerelateerde uitkering.
Het dagloon bij werkloosheid als gevolg van
werktijdverkorting, dan wel als gevolg van vorst, sneeuwval, hoog water
of andere buitengewone natuurlijke omstandigheden (WW)
In
deze omstandigheden komt een WW-uitkering tot
stand zonder dat de dienstbetrekking is verbroken. De werkgever wordt
verondersteld niet tot loondoorbetaling verplicht te zijn. De
betreffende uitkeringen worden in nagenoeg alle gevallen via de
werkgever betaalbaar gesteld.
Toepassing van de hoofdregel kan in voorkomende
gevallen afbreuk doen aan het karakter van deze uitkeringen. In het
besluit is daarom bepaald dat het dagloon in beginsel wordt bepaald door
het loon over het aangiftetijdvak aansluitend vóór het tijdvak waarin
de werkloosheid is ontstaan te delen door het daarin gelegen aantal
dagloondagen.
De dagloonberekening WW ten aanzien van
ambulante artiesten
De
onverkorte toepassing van de hoofdregel zou voor de bepaling van het WW-dagloon
van musici en andere artiesten die (vrijwel) uitsluitend afhankelijk
zijn van losse optredens tot verhoudingsgewijs lage uitkomsten leiden.
Hun arbeidspatroon zorgt ervoor dat zij in het refertejaar over perioden
tussen optredens slechts zelden aanspraak kunnen maken op een
WW-uitkering. Artikel 2, tweede en derde lid, op grond
waarvan in het refertejaar genoten uitkeringen worden meegeteld als
loon, biedt deze groep artiesten en musici geen soelaas. Vooral in het
kader van de WW doet zich dit gevoelen, omdat deze personen veelal
jaarlijks te maken hebben met een periode waarin geen of weinig werk
voorhanden is. Voor deze groep is daarom - net als in de voorheen
geldende Dagloonregels
Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid - een specifieke
regeling opgenomen voor de bepaling van het WW-dagloon.
4.
Overgangsrecht
Zonder specifiek
overgangsrecht is het besluit onmiddellijk van toepassing op alle
dagloonvaststellingen vanaf 2006. Dit is echter te belastend voor het UWV
en voor de betrokken werkgevers. Het besluit is afgestemd op de gegevens
die werkgevers vanaf 2006 bij de belastingdienst
aanleveren in de loonaangifte. Het dagloon bedraagt het gemiddelde loon
dat de werknemer in het jaar vóór de arbeidsongeschiktheid of
werkloosheid per dag heeft genoten. In 2006 en ook later zal het dagloon
nog gebaseerd zijn op loon dat is genoten over perioden vóór 2006.
Zonder nadere regeling zou het uitgevraagde loon ten behoeve van de
dagloonberekening nog moet worden bewerkt. Om dit te voorkomen, is
geregeld dat het UWV voor het loon dat is genoten in aangiftetijdvakken
vóór 2006 mag uitgaan van de loongegevens zoals deze ten tijde van het
betreffende, vóór 2006 gelegen aangiftetijdvak bij de werkgever
aanwezig waren.
Artikelsgewijs
Artikel
1. Definities
Eerste lid
Loon (onderdeel j)
Bij
de berekening van het dagloon vormt het loon in de zin van hoofdstuk 3, afdeling 1,
paragraaf 1, van de Wfsv het
uitgangspunt. Waar sprake is van "loon" of "genoten
loon" wordt dus steeds op het Wfsv-loon
gedoeld. Dit neemt overigens niet weg dat voor sommige situaties (zie artikel
2, vierde en vijfde lid) het loonbegrip wordt uitgebreid.
Dagloondagen (onderdeel k)
ZW-,
WW-, WIA- en
WAO-uitkeringen worden in alle gevallen
verstrekt over vijf doordeweekse dagen, ongeacht het aantal dagen waarop
feitelijk per kalenderweek is gewerkt. Het aantal dagen waarover in
één jaar uitkering wordt verstrekt, is - afhankelijk van het jaar -
260, 261 of 262 dagen. Bij de berekening van het dagloon wordt het in
het refertejaar (zie hieronder) genoten loon omgerekend naar een
uitkeringsloon per doordeweekse dag. Hierbij wordt ook uitgegaan van
vijf dagen per kalenderweek. Voor de dagloonberekening is dit
gestandaardiseerd op 261 dagen per jaar. Deze dagen worden in dit
besluit aangeduid als dagloondagen
Arbeidsongeschikt(heid) (onderdeel m)
In
dit besluit wordt onder arbeidsongeschiktheid verstaan zowel het wegens
ziekte niet in staat (ongeschikt zijn) tot het verrichten van de eigen
arbeid als arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO
of de
Wet WIA. Ook wordt eronder verstaan de
gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid in de zin van de Wet WIA op grond
waarvan de werknemer niet of gedeeltelijk in staat is arbeid te
verrichten.
De invulling van het
arbeidsongeschiktheidsbegrip hangt dus af van in het kader van welke wet
dit begrip wordt gebruikt.
Aangiftetijdvak (onderdeel o)
De
berekening van het dagloon vindt plaats aan de hand van het loon dat,
volgens opgave van de werkgever, in het refertejaar is genoten. De
werkgever dient het loon op te geven over tijdvakken van één maand dan
wel vier weken.
Refertejaar (onderdeel q)
In
tegenstelling tot de
ZW en de WW kennen de Wet
WIA
en de WAO
geen systeem van meervoudige rechten. Alle inkomsten in het refertejaar
worden bij de dagloonberekening betrokken. Als de arbeidsongeschiktheid
in meerdere dienstbetrekkingen intreedt, is sprake van meerdere laatst
voorafgaande aangiftetijdvakken. Het refertejaar eindigt in dit geval op
de laatste dag van dát laatst voorafgaande tijdvak dat het eerst vóór
het intreden van de arbeidsongeschiktheid is geëindigd.
Tweede lid
Vakantiebijslag
Tot
de vakantiebijslag wordt niet gerekend de vakantiebijslag die wordt
voldaan door verstrekking van vakantiebonnen of door betaling daarvan
aan een vakantiefonds om de werknemer een aanspraak te verschaffen
jegens dat fonds (zie ook de toelichting op artikel 3, eerste lid).
Artikel
2. Het loon
Eerste lid
Het
dagloon wordt gebaseerd op het loon dat de werknemer heeft genoten in de
aangiftetijdvakken gelegen binnen de referteperiode. De opgave van de
werkgever is bepalend voor de toerekening van loon aan
aangiftetijdvakken. In dit lid is dit tot uiting gebracht.
In verband hiermee zij opgemerkt dat, op grond
van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen, werkgevers tot één maand na afloop
van een aangiftetijdvak de loonaangifte over dat tijdvak kunnen doen.
Tweede lid
Voor een algemene toelichting op het tweede en het derde lid wordt
verwezen naar paragraaf
3.1.
Ter medeberekening van tijdens het refertejaar
genoten ZW-, WIA-, WAO-,
WW- of Wazo-uitkeringen
wordt de in dat tijdvak genoten bruto-uitkering herleid naar een mee te
berekenen loonbedrag. Het gaat hierbij om de uitkering inclusief de in
dat kader in het refertejaar uitbetaalde vakantiebijslag. Dit gebeurt
door de uitkering te vermenigvuldigen met een breuk waarvan de teller
100 bedraagt en waarvan de noemer wordt bepaald op een factor van
minimaal 70. Voor de ZW, de WW en de voor de
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet WIA gaat het om het
uitkeringspercentage. Voor de WAO-uitkering en voor de
WGA-vervolguitkering in het kader van de Wet WIA gaat het niet altijd om
het uitkeringspercentage omdat betrokkene een uitkering kan ontvangen
naar gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. Door echter die uitkering te
vermenigvuldigen met 100/70 wordt er rekening mee gehouden dat het naast
de gedeeltelijke uitkering verdiende loon in de dagloonberekening wordt
betrokken.
Voor wat betreft de loongerelateerde
WGA-uitkering en de WGA-loonaanvullingsuitkering vertegenwoordigt de
noemer van 70 de vaste factor (0,7) die wordt gehanteerd bij de
berekening van de uitkeringshoogte.
Met dit tweede lid wordt voorkomen dat
hantering van de factor 100/70 zou leiden tot een hoger mee te nemen
loon dan het (vervolg)dagloon waarop de uitkering is gebaseerd.
In sommige situaties bedraagt het
uitkeringspercentage meer dan 70. Te denken valt aan de WAO-uitkering en
aan de WIA-uitkering in situaties van hulpbehoevendheid. In de artikelen 6.2.3
en 7.2.5 van de
Wet WIA is geregeld dat in dat geval de
arbeidsongeschiktheidsuitkering en de WGA-uitkering met een factor van
ten hoogste 100/70 wordt verhoogd. Ingeval de factor 100/70 is, is de
factor B in het tweede lid gelijk aan 100. Hetgeen betekent dat dan het
bedrag van het dagloon wordt meegenomen. Is met toepassing van de Wet
WIA een andere factor genomen, dan wordt ervan uitgegaan dat dit afwijkt
in de teller. Het bedrag van de teller, dat dan lager is dan 100, wordt
dan genomen.
De betreffende gegevens zijn bij het UWV
bekend. Eventuele uitkeringsaanvullingen evenals eventuele toeslagen op
grond van de Toeslagenwet worden daarbuiten
gelaten. Aldus wordt vermeden dat door én vermenigvuldiging van de
betrokken uitkering met de toepasselijke verhogingsfactor in factor A
én medeberekening van de betreffende uitkeringsaanvulling of -toeslag
in die factor, overcompensatie plaatsvindt. Eén en ander geldt zowel
voor de situatie waarin de genoten uitkering gerelateerd is aan een
(vervolg)dagloon als voor de situatie waarin de uitkering gerelateerd is
aan het minimumloon.
Deze herleiding van de bruto-uitkering brengt
met zich mee dat als betrokkene een uitkeringssanctie onderging, deze
sanctie kan doorwerken in latere uitkeringen.
Derde lid
Het
tweede lid leidt ertoe dat, volgens dezelfde breuk die in het kader van
het tweede lid moet worden gehanteerd, de over een tijdens het
refertejaar genoten uitkering betaalde vakantiebijslag als loon wordt
meegerekend bij de dagloonberekening. De hoofdregel van deze berekening
is neergelegd in het eerste lid van artikel 3. Om
overcompensatie te voorkomen, dient de aldus opwaarts gecorrigeerde
vakantiebijslag over de uitkering, gezien de systematiek van de
hoofdregel, door middel van factor B in artikel 3
weer in mindering te worden gebracht. Vervolgens moet, in de factor D,
rekening worden gehouden met de volgens dezelfde breuk opgewaardeerde,
tijdens het refertejaar over de uitkering opgebouwde vakantiebijslag.
Waar immers het inkomensnadeel van het ontvangen van een uitkering
tijdens een dagloonrefertejaar moet worden beperkt, geldt dit ook voor
de over die uitkering opgebouwde vakantiebijslag. Dit alles wordt met
het derde lid bereikt. Het gezamenlijke resultaat van het tweede en het
derde lid is dat bij de dagloonberekening rekening wordt gehouden met
de, van feitelijke vakantiebijslagbetalingen geschoonde maar met de
opgebouwde bijslag vermeerderde en vervolgens volgens de betreffende
breuk opgewaardeerde, uitkeringen tijdens het refertejaar.
Vierde lid
Het
komt voor dat in het refertejaar recht op loon bestaat, doch dat loon
(nog) niet inbaar is. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om een situatie
waarbij de werkgever niet meer aanwezig is. Om te voorkomen dat loon
waar de werknemer wel recht op heeft, maar dat niet wordt uitbetaald,
bijvoorbeeld in de situatie dat de werkgever met de noorderzon is
vertrokken, het dagloon van de werknemer negatief wordt beïnvloed, is
in het dit vierde lid bepaald dat onder loon mede wordt begrepen het
loon waarvan de werknemer aantoont dat dit in het refertejaar vorderbaar
maar niet tevens inbaar is geworden. Zulk loon wordt dus in het dagloon
meegerekend. Omdat tijdens een refertejaar genoten uitkeringen een later
ander dagloon beïnvloeden (zie het derde lid), kan het voorkomen dat
oninbaar loon dat in de eerdere uitkering is verwerkt, bij de latere
dagloonberekening nog eens moet worden meegerekend wegens uitbetaling in
het refertejaar. Om deze dubbeltelling te voorkomen, is in dit lid
bepaald dat oninbaar loon dat is verwerkt in een tijdens het refertejaar
genoten uitkering en tijdens dat jaar inbaar wordt, bij de latere
dagloonberekening buiten beschouwing blijft.
Vijfde lid
De
inkomsten waarop een werknemer recht heeft in verband met de
beëindiging van zijn dienstverband zijn geen loon in de zin van de Wfsv.
Zonder nadere maatregel zou artikel 3 ertoe leiden
dat als iemand in het refertejaar voor - bijvoorbeeld - een WAO-dagloonberekening
enige tijd geen
WW-uitkering genoot in verband met het recht op
die inkomsten, dat dagloon negatief wordt beïnvloed. Daarom worden in
dit lid die inkomsten, voor zover die worden toegerekend aan perioden
vallend in het refertejaar, met loon gelijkgesteld. Hierdoor worden deze
inkomsten meegenomen bij de berekening van het dagloon.
Wanneer een werknemer deze inkomsten reeds
feitelijk ontvangt voordat het arbeidsurenverlies intreedt, gaat het in
verband met de berekening van het betreffende WW-dagloon overigens om
inkomsten die niet worden toegerekend aan het daarvoor van belang zijnde
refertejaar. Zij worden in het kader van dié dagloonberekening dus niet
met loon gelijkgesteld.
Zesde lid
De
in dit lid gegeven herleidingsformule houdt in dat van het premieloon
over het gebroken tijdvak een bedrag wordt afgesplitst naar de
verhouding tussen het aantal in het refertejaar gelegen dagloondagen in
dat tijdvak waarop betrokkene bij de werkgever in dienst was en het
totale aantal dagloondagen in dat tijdvak waarop betrokkene bij die
werkgever in dienst was. Voordat deze opsplitsing plaatsvindt, wordt het
betreffende bedrag echter verminderd met eventuele in dat
aangiftetijdvak uitbetaalde vakantiebijslag of periodiek extra salaris.
Ter berekening van het dagloon - zie verder de toelichting op artikel 3
- worden immers de feitelijk ontvangen vakantiebijslag en het feitelijk
ontvangen extra periodiek salaris vervangen door de opgebouwde rechten
daarop. Dat bedrag wordt opgenomen in de in artikel 3,
eerste lid, gegeven formule voor de dagloonberekening, en wel in de
daarin opgenomen factor A.
Als
iemand op de aanvangsdatum van het refertejaar tegelijkertijd in twee
dienstverbanden werkzaam was, kan het voorkomen dat tegelijkertijd
sprake is van meerdere gebroken aangiftetijdvakken. Dan moet de in dit
lid opgenomen berekening voor ieder van die gebroken tijdvakken apart
worden uitgevoerd.
Artikel
3. Het dagloon
Eerste lid
In
dit lid is de hoofdregel voor de dagloonberekening neergelegd. In deze
hoofdregel is een technische correctie opgenomen met betrekking tot
vakantiebijslag en uitkeringen die het karakter van een extra periodiek
salaris (bijvoorbeeld een dertiendemaanduitkering) hebben. Deze
loonelementen kunnen in een refertejaar meermalen worden genoten. Dit
zal zich in het bijzonder voordoen bij werkloosheid, indien de
eindafrekening van de opgebouwde bedragen aan vakantiebijslag en extra
periodiek salaris plaatsvindt binnen het refertejaar. Een werknemer die
per 1 september werkloos wordt, kan in het refertejaar zowel de
vakantiebijslag over een vol jaar hebben ontvangen en bij het einde van
de dienstbetrekking nogmaals over bijvoorbeeld drie maanden. In totaal
is in het refertejaar dan over vijftien maanden vakantiebijslag
ontvangen. Dit wordt gecorrigeerd door de feitelijk genoten
vakantiebijslag en het feitelijk genoten extra periodiek salaris buiten
beschouwing te laten (factor B en factor C). Het gaat hierbij om
vakantiebijslag en extra periodiek salaris die genoten zijn in de
volledige aangiftetijdvakken die in het refertejaar zijn gelegen. Voor
zover deze loonelementen zijn genoten in een gebroken aangiftetijdvak
(dit kan alleen aan het begin van het refertejaar liggen) vindt
correctie daarmee immers al plaats door middel van artikel 2,
zesde lid.
In plaats van deze feitelijk genoten bedragen
wordt bij de dagloonberekening rekening gehouden met het bedrag dat de
werknemer heeft opgebouwd aan vakantiebijslag en aan uitkeringen in de
vorm van een extra periodiek salaris. Dit wordt gerealiseerd door factor
D en factor E. Hierbij wordt opgemerkt dat als in het refertejaar een
gebroken aangiftetijdvak is gelegen, de opgebouwde vakantiebijslag en
het opgebouwde extra periodiek salaris over dat aangiftetijdvak in
aanmerking worden genomen naar rato van het aantal dagloondagen binnen
de referteperiode in dat gebroken loonaangiftetijdvak waarover de
werknemer bij de werkgever in dienst was.
Voor zowel de factor B (vakantiebijslag) als de
factor C (extra periodiek salaris) gaat het om bedragen die expliciet
onder die titel zijn uitbetaald. Indien hiervan geen sprake is, komen
zowel de factoren B en D en/of de factoren C en E op €|0,-
uit. Dit geldt bijvoorbeeld ten aanzien van de ZW-uitkering.
Deze kent immers geen uitbetaling van vakantiebijslag.
Met betrekking tot vakantiebonnen zij het
volgende opgemerkt. Vakantiebonnen en daarmee overeenkomende aanspraken
behoren tot het loon. De waarde van deze aanspraak maakt daarom deel uit
van de factor A. Omdat ook hier de vakantiebijslag niet apart wordt
uitbetaald, bedraagt de factor B €|0,-.
Om te voorkomen dat in dergelijke gevallen het dagloon te hoog uitvalt,
vindt geen extra bijtelling van de opgebouwde vakantiebijslag door
middel van de factor D plaats.
Tweede lid
De
berekening van het dagloon op basis van het in het refertejaar genoten
loon vereist een correctie voor de loonontwikkelingen in de periode
tussen het einde van dit refertejaar en het moment waarop de uitkering
ingaat. Bij de WIA- en de WAO-uitkering
bedraagt deze periode (ten minste) 104 weken. Zonder deze correctie zou
het historische dagloon geen afdoende maatstaf vormen voor het als
gevolg van het sociale risico gederfde loon.
Om dit te corrigeren, wordt het in het
refertejaar genoten loon (na de eerstgenoemde correctie) aangepast
overeenkomstig de ontwikkelingen van het wettelijk
minimumloon die zich hebben voorgedaan tussen het einde van het
refertejaar en de eerste dag waarop recht op uitkering bestaat. Is de
uitkering ingegaan, dan vinden de aanpassingen plaats op grond van de ZW
(artikel
16), de Wet WIA (artikel
1.5.3), de WAO (artikel
15) en de WW (artikel
46) zelf.
Artikel
4. Het loon in
geval van verlof of ziekte tijdens het refertejaar
Eerste lid
In
dit lid is geregeld met welke bedragen bij de dagloonvaststelling in
beginsel rekening wordt gehouden ten aanzien van in het refertejaar
gelegen perioden van verminderde loondoorbetaling wegens ziekte in de
zin van de ZW, arbeidsongeschiktheid in de zin
van de
WAO, dan wel de Wet WIA,
of verlof. Dan wordt voor elk aangiftetijdvak waarin daarvan sprake is,
gerekend met het loon over het laatste daaraan voorafgaande, in het
refertejaar gelegen aangiftetijdvak bij dezelfde werkgever, in welk geen
sprake is geweest van een lager of geen loon in verband met ziekte of
verlof. Deze regeling geldt echter alleen als geen uitkering op grond
van de ZW, WW, Wet WIA, WAO of Wazo
in de plaats is gekomen van dat loon.
Tweede lid
Het
kan voorkomen dat zich in het refertejaar geen direct voorafgaand
aangiftetijdvak bij dezelfde werkgever bevindt. Te denken valt aan het
geval waarin men bijvoorbeeld pas in de derde maand van het refertejaar
na een periode van ziekte of verlof waarin men minder dan normaal kreeg
uitbetaald weer aan het werk gaat. Ook kan men in het refertejaar na een
baanwisseling in het eerste aangiftetijdvak ziek worden en in verband
daarmee minder dan normaal uitbetaald krijgen. In dat geval wordt als
uitgangspunt genomen het loon over het binnen het refertejaar gelegen
aangiftetijdvak bij dezelfde werkgever dat aansluit op de periode van
verlof of arbeidsongeschiktheid.
Derde lid
Ten
slotte kan het zich voordoen dat zich in het refertejaar geen
aangiftetijdvak bevindt waarin de werknemer bij dezelfde werkgever een
volledig loon heeft ontvangen. In dat geval wordt uitgegaan van het
overeengekomen premieloon over de aangiftetijdvakken waarin het loon
niet volledig werd doorbetaald.
Artikel
5. De berekening
van het dagloon ten aanzien van <23-jarigen
Op
werknemers onder de 23 jaar is in veel gevallen een aan hun leeftijd
gerelateerd loon van toepassing. Dit kan ertoe leiden dat bij
arbeidsongeschiktheid of werkloosheid het uitkeringsdagloon minder
bedraagt dan het voor hen geldende minimumloon
op de eerste dag waarop recht op uitkering bestaat. Met dit artikel
wordt dit gecorrigeerd.
Eerste lid
Dit
lid bevat de eerste stap van de correctieberekening.
Het volgens de overige regels berekende dagloon
wordt vergeleken met het op de eerste uitkeringsdag voor betrokkene
geldende dagbedrag van het minimumjeugdloon (of, als betrokkene
inmiddels 23 jaar is geworden, het minimumloon
per dag). Als het berekende dagloon gelijk is aan of hoger is dan het
minimumjeugdloon per dag, blijft correctie achterwege. In het andere
geval wordt een correctiefactor berekend. Die correctiefactor wordt
gevonden door het bij de leeftijd op de eerste uitkeringsdag behorende
percentage van het minimumloon te delen door het overeenkomstige
percentage dat hoort bij betrokkenes leeftijd op de eerste dag van het
refertejaar. Die factor is altijd groter dan 1. Het berekende dagloon
wordt met die factor vermenigvuldigd.
Tweede lid
Volgens dit lid wordt de uitkomst van de berekening volgens het eerste
lid gemaximeerd op het hierboven bedoelde dagbedrag dat op de eerste
uitkeringsdag geldt. Hiermee wordt voorkomen dat een te hoog dagloon
resulteert.
Derde lid
Dit
lid regelt dat de toepassing van het eerste lid wordt aangepast als bij
de vaststelling van het dagloon artikel 6, 11
of
16 van toepassing is. In die situaties is betrokkene
bij aanvang van het refertejaar immers hetzij niet werkzaam als
werknemer, dan wel wordt het dagloon niet vastgesteld aan de hand van
het loon dat in het refertejaar is genoten, maar aan de hand van het
loon dat in een ander (korter) tijdvak is genoten.
Artikel
6. De berekening
van het dagloon ten aanzien van de starter/herintreder
Eerste lid
In
dit lid zijn de voorwaarden beschreven waaronder de speciale
dagloonberekening van toepassing is.
De voorwaarde dat men tot het einde van de
eerste volledige kalendermaand in het refertejaar geen loon mag hebben
ontvangen, betekent onder meer dat personen die aan het begin van het
refertejaar niet werkten, maar wegens ziekte hun loon kregen doorbetaald
of een ZW-uitkering ontvingen, van deze regeling
geen gebruik kunnen maken.
Omdat in artikel 2, vijfde
lid, de inkomsten in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking
worden gelijkgesteld met loon, genieten degenen die aan het begin van
het refertejaar geen WW-uitkering ontvangen
omdat zulke inkomsten aan die periode worden toegerekend, voor de
toepassing van dit artikel loon. De starter/herintrederregeling is in
dat geval dus niet van toepassing.
De
speciale dagloonberekening houdt in dat de noemer van de hoofdregel voor
de dagloonberekening (261) wordt verminderd tot het aantal dagloondagen
vanaf en met inbegrip van de dag waarop de werkzaamheden in het
refertejaar zijn begonnen tot en met de einddatum van dat jaar.
Tweede lid
In
dit lid wordt een speciale rekenregel gegeven voor het geval waarin de
(her)intreder in het refertejaar geen loon heeft ontvangen en werkloos
of ziek of langdurig arbeidsongeschikt wordt. Dit is het geval indien
hij op het moment van het intreden van het risico nog geen volledig
aangiftetijdvak heeft gewerkt. In dat geval wordt het in dat
aangiftetijdvak verdiende loon voordat de arbeidsongeschiktheid of het
arbeidsurenverlies intrad, gedeeld door het aantal in dat tijdvak
gelegen dagloondagen vóór die intrede.
Vierde lid
Dit
lid leidt ertoe dat als het niet genieten van loon, bedoeld in het
eerste lid, wordt veroorzaakt door onbetaald verlof, de
starter/herintrederregeling niet van toepassing is.
Artikel
7. De berekening
van het dagloon voor de Wet WIA, de WAO en de WW bij loonsverlaging op
of na de 55-jarige leeftijd
In
dit artikel is, voor wat betreft de dagloonberekening voor de Wet
WIA, de WAO en de
WW, een dagloongarantieregeling voor 55-jarigen
en ouderen neergelegd.
Eerste lid
De
in dit lid opgenomen maximering tot 9/7 van het lagere loon dat
betrokkene na de loonsverlaging op of na zijn 55-ste verjaardag is gaan
verdienen, is opgenomen om een aanzuigende werking op de WW,
de
Wet WIA en de WAO te
voorkomen. Met deze maximering wordt bereikt dat de uitkering niet meer
bedraagt dan 90% van het dagloon dat zou hebben geresulteerd indien het
dagloon (mede) zou zijn gebaseerd op het lagere loon.
Artikel
8. WIA-dagloongarantieregeling voor oudere arbeidsongeschikten
Wanneer iemand door werken zijn WIA-uitkering
verliest, kan hernieuwde uitval leiden tot een lagere uitkering. Dit zou
vooral voor ouderen een drempel kunnen vormen om te gaan werken.
Deze regeling biedt daarom zekerheid aan
degenen die op of na hun 45-ste verjaardag gaan werken en in verband
daarmee meteen dan wel (in verband met uitbreiding van de arbeidsomvang)
op termijn hun recht op uitkering verliezen.
De regeling houdt in dat als binnen vijf jaar
na het einde van de uitkering opnieuw een recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering ontstaat, het daaraan ten grondslag te
leggen dagloon niet minder dan het - geïndexeerde - laatstelijk vóór
de beëindiging gehanteerde dagloon bedraagt.
Voor degene wiens WAO-uitkering
binnen vijf jaar vóór de inwerkingtreding van de Wet WIA is
beëindigd, is de garantieregeling ook beschikbaar als binnen vijf jaar
na beëindiging van de WAO-uitkering recht op een WIA-uitkering
ontstaat. Hetzelfde geldt indien na de inwerkingtreding van de Wet WIA
een recht op WAO-uitkering wordt beëindigd en vervolgens binnen vijf
jaar na die beëindiging een recht op een WIA-uitkering ontstaat.
Artikel
9. De berekening
van het ZW- en het WW-dagloon bij meerdere dienstbetrekkingen tijdens
het refertejaar
Eerste lid
In
de op één na laatste alinea van hoofdstuk 2 en
in
paragraaf 3.2 is aangegeven dat bij de
berekening van een ZW- of WW-dagloon
slechts rekening wordt gehouden met het loon uit de dienstbetrekking
waarin zich de ziekte (in de zin van de ZW) of het urenverlies voordeed,
alsook met het loon uit overige dienstbetrekkingen, naar de mate waarin
de laatste dienstbetrekking daarvoor in de plaats is gekomen. Dit is in
het eerste lid neergelegd.
Tweede lid
Met
het onderhavige lid wordt geregeld dat een tijdens het refertejaar
genoten ZW-, WIA-, WAO-,
WW- of Wazo-uitkering
bij de latere vaststelling van een ZW- of WW-dagloon wordt meegerekend
naar de mate waarin de ZW- of WW-uitkering waarvoor het dagloon wordt
berekend in de plaats komt van die eerdere uitkering. Dit doet zich
bijvoorbeeld voor als iemand aan het begin van het refertejaar nog twee
maanden een WIA-uitkering naar volledige arbeidsongeschiktheid ontving,
na zijn herstel twee parttimebanen uitoefende en uit één daarvan
werkloos werd. Zoals in hoofdstuk 2 is aangegeven,
wordt bij werkloosheid (en ziekte) gekeken naar de dienstbetrekking
waarin zich dit voordoet. Als bij de dagloonberekening voor de WW- (of
ZW-)uitkering de volledige WIA-uitkering zou worden meegerekend, zou het
dagloon te hoog uitvallen. Ten slotte zou toepassing van artikel 2,
tweede en derde lid, tot een te hoog dagloon leiden als tijdens het
refertejaar tegelijkertijd meerdere uitkeringen werden genoten die qua
hoogte onderling afhankelijk zijn.
Artikel
10. De berekening
van het ZW-, het WIA-, het WAO- en het Wazo-dagloon bij nawerking van
de verzekering
Artikel 46
van de
ZW, artikel 10 van
de
Wet WIA, artikel 17
van de
WAO en artikel 3:10
van de
Wazo bevatten een zogenaamde "nawerkingsregeling".
Deze regeling houdt in dat als aan de daarin gestelde voorwaarden wordt
voldaan en de verzekering geëindigd is, na die eindiging toch
ziekengeld, arbeidsongeschiktheidsuitkering dan wel Wazo-uitkering
mogelijk is. Er zijn gevallen denkbaar waarin een persoon eerst
verzekerd was op grond van de WAO en
aansluitend verzekerd is op grond van de Wet WIA.
Ook in deze gevallen is het wenselijk dat de nawerking van de
verzekering van kracht is. In die gevallen is er in het overgangsrecht
in artikel 121 van de Wet
WIA
in voorzien dat ook personen die op grond van de WAO verzekerd waren
waarvan de verzekering is geëindigd, mits zij voldoen aan de eisen van artikel 10
van
Wet WIA, in aanmerking kunnen komen voor de
nawerking van de Wet WIA.
Eerste en tweede lid
Indien het gaat om de ZW, de WAO
of de
Wet WIA, wordt het dagloonrefertejaar
gesitueerd aansluitend vóór het aangiftetijdvak waarin de
verzekeringsplicht een einde nam. In het eerste lid is dit gerealiseerd.
Door de overeenkomstige toepasselijkheid van
artikel 12 leidt het tweede lid ertoe dat als betrokkene
laatstelijk voor de eindiging van de ZW-verzekering een uitkering op
grond van de WW
ontving, het ZW-dagloon gelijk is aan de grondslag voor de WW-uitkering.
Een bepaling van gelijke strekking was reeds opgenomen in de voorheen
geldende dagloonregelen voor de ZW.
Derde lid
In
verband met de nawerkingsbepalingen van de Wazo
is een aparte regeling opgenomen. Het dagloon wordt in dat geval
berekend volgens de systematiek van de ZW-dagloonberekening
voor werknemers die op grond van artikel 29b
van de ZW
recht op ziekengeld hebben (artikel 11), met dien
verstande dat het aangiftetijdvak dat daarbij in ogenschouw wordt
genomen, wordt gesitueerd aansluitend vóór het aangiftetijdvak waarin
de verzekering is geëindigd.
Artikel
11. De berekening
van het ZW-dagloon bij toepassing van artikel 29b van de ZW
Als artikel 29b
van de ZW
aan de orde is, worden werkgevers die een werknemer met beperkingen
wegens (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid in dienst nemen,
gecompenseerd voor de civielrechtelijke verplichting om bij ziekte het
loon door te betalen.
Eerste lid
In
dit lid komt tot uiting dat het ZW-dagloon in
beginsel wordt gebaseerd op het loon dat betrokkene in het aan de ziekte
voorafgaande aangiftetijdvak per dagloondag verdiende. Mocht betrokkene
niet gedurende dat gehele tijdvak de dienstbetrekking hebben vervuld
waaruit hij arbeidsongeschikt wegens ziekte is geworden, dan wordt
gedeeld door het aantal doordeweekse dagen binnen dat aangiftetijdvak
waarop van arbeid in die dienstbetrekking wél sprake was. Het gaat
immers ook om de loonelementen die op die dagen betrekking hebben.
Tweede lid
In
dit lid is een rekenregel opgenomen voor het geval waarin betrokkene
niet in het laatste aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak
waarin de ongeschiktheid tot werken is ingetreden, in de desbetreffende
dienstbetrekking werkzaam was. Dan wordt het ZW-dagloon
gebaseerd op het loon dat in het aangiftetijdvak waarin zich de ziekte
voordeed, voorafgaand aan het intreden van dat risico, is verdiend,
gedeeld door het aantal dagloondagen voorafgaand aan het intreden van de
ziekte waarop de betrokkene bij de werkgever in dat aangiftetijdvak in
dienst was.
Derde lid
In
dit lid is geregeld dat als het aantal dagloondagen, bedoeld in het
tweede lid, nul is, het ZW-dagloon wordt
gebaseerd op het overeengekomen premieloonloon over het aangiftetijdvak
waarin zich de ziekte voordeed, gedeeld door het aantal dagloondagen in
dat aangiftetijdvak.
Artikel
12. De berekening
van het ZW-dagloon ten aanzien van zieke werklozen
In
dit artikel is een regeling opgenomen voor de berekening van het ZW-dagloon
van de zieke
WW-gerechtigde. Deze regeling komt erop neer dat
het ZW-dagloon gelijk is aan de grondslag voor de WW-uitkering. De
grondslag voor de WW-uitkering kan zijn het WW-dagloon, het
WW-vervolgdagloon of het minimumloon. Voor
bepaalde speciale situaties zijn specifieke bepalingen getroffen om deze
gelijkschakeling te realiseren.
Eerste lid
In
dit lid is het uitgangspunt ZW-dagloon = WW-dagloon
neergelegd.
Tweede lid
In
dit lid is een afwijkende berekening neergelegd voor het geval het ter
zijde van de WW zou gaan om een kortdurende of
een vervolguitkering. Deze uitkeringen kennen niet het loongerelateerde
dagloon als grondslag, doch - in beginsel - het minimumloon
per dag.
In de aanhef en onder a wordt de in de
bovenbedoelde gelijkheid tussen ZW-dagloon en
WW-grondslag neergelegd.
In de aanhef en onder b
onderscheidenlijk
c is de situatie geregeld dat naast de kortdurende of de
vervolguitkering een gedeeltelijke WAO-uitkering
loopt, dan wel het dagloon van de WW.
Derde lid
Waar in het kader van de WW op meerdere
kortdurende uitkeringen tegelijkertijd recht bestaat, worden op grond
van artikel 35c
van die
wet die uitkeringen zodanig evenredig verminderd dat het totaal
niet meer dan 70% van het minimumloon
bedraagt.
In dat geval wordt het ZW-dagloon
dat uit het tweede lid volgt nader vastgesteld op de mate waarin de vast
te stellen ZW-uitkering in de plaats komt voor het totaal van die
kortdurende uitkeringen.
Vierde lid
De WW
kent het systeem dat bij anticumulatie en als sprake is van
niet-volledig verlies van arbeidsuren, niet het dagloon wordt aangepast,
maar de uitkering (artikel 35, c.q. artikel 46
WW). Een ZW-dagloon
dient dan niet op het WW-dagloon te worden gebaseerd, maar op 100/70 van
de WW-uitkering.
Artikel
13. De berekening
van het WW-dagloon van gedeeltelijk dan wel ex-WAO-gerechtigden en van
ex-gerechtigden op een WIA-arbeidsongeschiktheidsuitkering
In
dit artikel wordt de berekening van het WW-dagloon
geregeld als sprake is van theoretische afschatting in het kader van de WAO.
Onder theoretische afschatting wordt verstaan een afschatting in verband
met aan de betrokkene toegedichte verdiencapaciteit. Deze afschatting
staat los van de vraag of, en zo ja, in hoeverre betrokkene deze
verdiencapaciteit door het verrichten van arbeid ook benut.
Het eerste lid van dit artikel is ook van
toepassing op degenen wier recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
in het kader van de Wet WIA wegens herstel
vervalt. Ook zij kunnen voor een WW-uitkering in aanmerking komen.
Eerste lid
Als
de WAO-uitkering berekend naar volledige
arbeidsongeschiktheid, dan wel de arbeidsdongeschiktheidsuitkering in
het kader van de Wet
WIA, in verband met een theoretische afschatting geheel wordt
beëindigd, doch betrokkene die toegedichte capaciteit niet kan
benutten, komt hij in aanmerking voor een WW-uitkering.
In dit lid is geregeld dat het WW-dagloon dan
gelijk is aan het WAO-dagloon. Het betreft hier een
vereenvoudigingsregel.
Tweede tot en met zevende lid
Deze leden kwamen reeds voor in de voorheen geldende dagloonregels voor
de WW. Zij strekken ertoe om, zolang naast het
recht op WW-uitkering in verband met een theoretische afschatting ook
nog recht op een gedeeltelijke WAO-uitkering
bestaat, het WW-dagloon van het WAO-dagloon af te leiden. Dit geschiedt
op een zodanige wijze dat beide uitkeringen samen niet meer bedragen dan
de WAO-uitkering laatstelijk vóór de afschatting.
Speciale aandacht verdient het zesde lid.
Indien de WAO-uitkering is gebaseerd op het WAO-vervolgdagloon, wordt,
als gevolg van dat lid, het bedrag van dat vervolgdagloon ten aanzien
van de WW-uitkering als dagloon gehanteerd. Hiermee wordt voorkomen dat
de overgang van een WAO-vervolguitkering naar een WW-uitkering leidt tot
een verhoging van het dagloon.
Achtste lid
In
dit lid is bepaald dat de in dit artikel gegeven dagloonberekeningswijze
niet van toepassing is als de afschatting heeft plaatsgehad in verband
met feitelijk door betrokkene verrichte werkzaamheden. In dat geval is
geen sprake van een theoretische afschatting. Als betrokkene uit dat
werk werkloos is geworden, dient bij de toepassing van de hoofdregel
voor de dagloonberekening rekening gehouden te worden met artikel 2,
tweede en derde lid, en
artikel 9, tweede lid. Dat betekent dat met een in het
refertejaar nog genoten WAO-uitkering slechts
rekening gehouden mag worden naar de mate waarin de WW-uitkering
daarvoor in de plaats komt.
Tiende lid
Met
dit lid wordt geregeld dat dit artikel ook van toepassing is als sprake
is van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet
WIA. Het gaat hierbij derhalve om de uitkering op grond van
hoofdstuk 6
van de Wet WIA, dat wil zeggen op de uitkering
wegens volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. Als sprake is van
een WGA-uitkering, kan alleen recht op een WW-uitkering
ontstaan indien ter zake een nieuw recht is opgebouwd. Dan mogen immers
de weken die een rol hebben gespeeld bij de bepaling of aan de
referte-eis voor de WGA wordt voldaan niet meer worden meegeteld bij de
beoordeling of aan de referte-eis voor de WW is voldaan. In die gevallen
wordt het WW-dagloon dus niet gesteld op het WIA-dagloon.
Artikel
14. De berekening
van het WW-dagloon bij niet-toekenning dan wel intrekking van een
invaliditeitspensioen van een andere EG-lidstaat
Met
dit artikel wordt een bijzondere regeling getroffen voor de vaststelling
van het WW-dagloon in de situatie van samenloop
van een pro-rata-WAO-uitkering met een
WW-uitkering voor een laatst buitenlands verzekerde van wie de
buitenlandse pro-rata-invaliditeitsuitkering wordt ingetrokken. In het
geval dat betrokkene WW-uitkering ontvangt op grond van artikel 71,
eerste lid, onderdeel a, onder ii, of b, onder ii, van
EG-verordening 1408/71 zal de intrekking van de buitenlandse
pro-rata-invaliditeitsuitkering niet leiden tot toekenning van een
buitenlandse werkloosheidsuitkering. De inkomensachteruitgang die aldus
ontstaat, wordt gerepareerd door middel van de bijzondere regeling in
dit artikel in het geval de toegekende buitenlandse
invaliditeitsuitkering wordt ingetrokken op de eerste werkloosheidsdag,
dan wel op het moment waarop de betrokkene wordt ingedeeld in een andere
arbeidsongeschiktheidsklasse.
Deze bijzondere regeling geldt ook voor de
situatie dat geen recht op een buitenlandse
pro-rata-invaliditeitsuitkering is ontstaan, omdat niet aan de
voorwaarden voor het ontstaan van dat recht is voldaan, doch wel op een
pro-rata-WAO-uitkering.
Artikel
15. De berekening
van het WW-dagloon bij opeenvolgende arbeidsurenverliezen uit dezelfde
dienstbetrekking
Voor een algemene toelichting op dit artikel wordt verwezen naar
paragraaf 3.2.
Met dit artikel wordt voorkomen dat als binnen
het refertejaar sprake is van opeenvolgende arbeidsurenverliezen die
alle leiden tot een WW-recht, de gezamenlijke
WW-uitkeringen meer bedragen dan de WW-uitkering indien het totale
arbeidsurenverlies in één keer zou zijn geleden.
Eerste lid
Dit
lid leidt ertoe dat indien het eerdere arbeidsurenverlies niet heeft
geleid tot een WW-uitkering en op grond van artikel 2
van het
Besluit nadere regeling verlies van
arbeidsuren samentelling moet plaatsvinden met latere
urenverliezen, bij de dagloonvaststelling voor een daardoor ontstaan
WW-recht uitgegaan wordt van het loon voorafgaand aan het eerdere
arbeidsurenverlies.
Tweede lid
Dit
lid ziet op de situatie waarin een eerder urenverlies heeft geleid tot
een WW-recht, binnen 26 weken wordt gevolgd door
een tweede (in WW-termen) "relevant" urenverlies. Deze
urenverliezen worden op grond van artikel 3
van het Besluit nadere regeling verlies van arbeidsuren
samengeteld tot één verlies van arbeidsuren. Omdat het bij het tweede
verlies gaat om een verlies dat een zelfstandig recht op WW-uitkering
geeft, kan toepassing van de hoofdregel ertoe leiden in gevallen waarin
deze samentelling plaatsvindt in totaal meer aan WW-uitkering wordt
ontvangen dan wanneer zich het totale urenverlies bij het intreden van
de eerste werkloosheid zou hebben voorgedaan. Om dit te voorkomen, wordt
het dagloon van het tweede WW-recht vastgesteld op het dagloon behorende
bij het eerdere recht, vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller
gelijk is aan het gemiddelde aantal arbeidsuren (GAA) behorende bij het
nieuwe WW-recht en de noemer gelijk is aan het GAA van het eerdere
WW-recht. Het GAA van het nieuwe recht wordt vastgesteld overeenkomstig
het Besluit nadere regeling verlies van arbeidsuren.
Met
dit artikel wordt de heersende praktijk bij de dagloonberekening voor de WW
ingeval zich na een eerste relevant urenverlies binnen 26 weken een
tweede relevant verlies voordoet, gecodificeerd.
Artikel
16. De berekening
van het WW-dagloon bij werkloosheid wegens buitengewone natuurlijke
omstandigheden of werktijdverkorting
Door de overeenkomstige toepasselijkheid van artikel 12
geldt volgens dit artikel een van de hoofdregel afwijkende regeling voor
de berekening van het WW-dagloon bij
werkloosheid wegens werktijdverkorting, dan wel wegens bijzondere
natuurlijke omstandigheden. In deze gevallen wordt niet uitgegaan van
het loon in het refertejaar, maar van het loon in het laatste
aangiftetijdvak voorafgaande aan die werkloosheid. Indien de werknemer
niet in dat aangiftetijdvak in de dienstbetrekking stond waaruit hij
werkloos is geworden, geldt, door de overeenkomstige toepassing van artikel 12,
tweede lid, een speciale regeling. Dan wordt het WW-dagloon gebaseerd op
het loon dat is verdiend in het aangiftetijdvak voorafgaand aan dat
waarin de werkloosheid is ingetreden. Dat loon wordt gedeeld door het
aantal dagloondagen in dat tijdvak voorafgaand aan de werkloosheid.
Artikel
17. De algemene
dagloongarantieregeling voor de WW
In
dit artikel is een algemene dagloongarantieregeling voor de WW
opgenomen. Een dergelijke regeling bestond reeds in het kader van de
voorheen geldende dagloonregels voor de WW. De regeling houdt in dat als
men al dan niet aansluitend binnen twaalf maanden na de eindiging van
een dienstbetrekking een nieuwe dienstbetrekking aanvaardt en binnen 36
maanden na dat einde werkloos wordt, aan het WW-dagloon een minimum
wordt verbonden. Dat minimum bedraagt het WW-dagloon dat op basis van de
eerdere werkloosheid gold of zou hebben gegolden als van werkloosheid
sprake zou zijn geweest.
Als de werknemer ten tijde van het eerste
ontslag 55 jaar of ouder was, geldt deze garantieregeling onbeperkt.
De toepasselijkheid van deze regeling is niet
beperkt tot een beëindiging van de dienstbetrekking door opzegging.
Behoudens de beperkingen van het vijfde lid is de garantieregeling van
toepassing bij elke beëindiging van de dienstbetrekking, waaronder ook
bij het einde van de dienstbetrekking wegens het verstrijken van de
daarvoor overeengekomen tijd.
Artikel
18.
Dagloonberekening voor ambulante artiesten
Bij
de berekening van het WW-dagloon telt voor
ambulante artiesten het loon dat met die losse activiteiten werd
verworven voor 100/70 mee bij de dagloonberekening van artikel 3,
eerste lid. Daarnaast tellen ook, volgens het regime van artikel 2,
tweede lid, tijdens het refertejaar genoten uitkeringen mee, nadat deze
met de daar bedoelde breuk zijn opgewaardeerd.
De herintrederbepaling is bij toepasselijkheid
van dit artikel niet van toepassing. Dit is gedaan omdat anders de
dagloonverhogende werking die van de herintrederbepaling uitgaat en de
dagloonverhogende werking die van de onderhavige bepaling uitgaat
doordat met 100/70 van het loon uit arbeid wordt gerekend, elkaar zouden
versterken.
Artikel
19. Het
WIA-dagloon bij volledige arbeidsongeschiktheid, dan wel onvolledige
arbeidsgeschiktheid, bij aanvang van de verzekering
In artikel 46,
derde lid, van de Wet
WIA
is tot uiting gebracht dat een tekort aan arbeidsgeschiktheid dat reeds
bij de aanvang van de verzekering bestond niet tot uitkeringsaanspraken
dient te leiden. Hetzelfde geldt voor arbeidsongeschiktheid die gezien
iemands gezondheidstoestand binnen een halfjaar kennelijk moest worden
verwacht.
In het genoemde artikelonderdeel van de Wet
WIA
is geregeld dat bij de vaststelling van het maatmanloon de reeds
aanwezige of te verwachten arbeidsongeschiktheid buiten beschouwing
blijft. Het dagloon wordt in dat geval gemaximeerd op het bijgestelde
maatmanloon op dagbasis. Het maatmanloon wordt op grond van de Wet WIA
vastgesteld per uur. Bij de schatting wordt uitgegaan van wat met
algemeen geaccepteerde arbeid nog door betrokkene per uur kan worden
verdiend. Die arbeid wordt omschreven door functies. Voor die functies
wordt de urenomvang bepaald. Indien betrokkene voor minder uren
belastbaar is, wordt de urenomvang vastgesteld op het aantal uren
waarvoor betrokkene belastbaar is. Dit blijkt uit artikel 9
van het
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.
Bij de herleiding van het dagloon vanuit het maatmanloon per uur wordt
rekening gehouden met deze urenomvang (per week). Het in dit kader van
belang zijnde bedrag wordt daarom verkregen door het maatmanloon te
vermenigvuldigen met 1/5 van de wekelijkse urenomvang.
Artikel
20. Het WIA-dagloon bij toepassing van artikel 48 en artikel 55 van de
Wet WIA
In artikel 48
en artikel 55 van de
Wet WIA is voor diverse situaties geregeld dat
het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering of op WGA-uitkering later
ontstaat dan aan het einde van de wachttijd. Het gaat hierbij
bijvoorbeeld om personen die aan het einde van de wachttijd niet
arbeidsongeschikt in de zin van de Wet WIA
zijn, maar dat binnen vijf jaar na dat einde uit dezelfde oorzaak wél
zijn.
Met dit artikel wordt bereikt dat als een recht
op uitkering later ontstaat dan aan het einde van de wachttijd, het
dagloon niet minder bedraagt dan het dagloon per einde wachttijd,
verhoogd met de percentages waarmee het wettelijk
minimumloon is verhoogd tussen het einde van de wachttijd en de
eerste uitkeringsdag.
Dit artikel ziet niet op de situaties, bedoeld
in het tweede lid van de artikelen 6.1.2 en 7.1.2 [artikelen 48
en
55 van de Wet
WIA,
red.]. Wanneer immers één van de uitsluitingsgronden van het
niet in Nederland wonen of het rechtens van de vrijheid beroofd zijn
wordt opgeheven, verschuift de dagloonreferteperiode niet. In deze
gevallen is daarom geen garantiebepaling nodig.
Artikel
21. De
dagloonherziening voor degenen die op de eerste dag waarop recht op
uitkering bestaat jonger zijn dan 23 jaar
Dit
artikel regelt voor beneden-23-jarigen de aanpassing van het
vastgestelde dagloon indien dat door verjaring lager komt te liggen dan
het op grond van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag bij de nieuwe leeftijd
behorende bedrag.
Eerste lid
In
dit lid is de eerste stap van de aanpassing neergelegd.
Als de jeugdige één jaar ouder wordt, wordt
het op de verjaardag gehanteerde dagloon vergeleken met het dagbedrag
van het bij de nieuwe leeftijd behorende minimum(jeugd)loon.
Als dat dagloon lager is dan het bedoelde dagbedrag, wordt een
correctiefactor bepaald. Daartoe wordt het voor de verjaring geldende
dagloon vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan
het bij de nieuwe leeftijd behorende percentage van het minimumloon en
de noemer gelijk is aan het overeenkomstige percentage behorende bij de
leeftijd voor de verjaring.
Tweede lid
Volgens dit lid wordt de uitkomst van berekening volgens het eerste lid
gemaximeerd op het hierboven bedoelde dagbedrag dat op de verjaardag
geldt. Hiermee wordt voorkomen dat een te hoog dagloon resulteert.
Artikel
22. Maximering
van het dagloon
Voorheen werd de materie van de maximering van het dagloon geregeld bij
en krachtens de Coördinatiewet Sociale
Verzekering. Die wet is echter per 1 januari 2006 ingetrokken, zodat
regeling van de betreffende materie in dit besluit noodzakelijk was.
Met de onderhavige bepaling wordt dan ook niet
beoogd wijziging te bewerkstelligen in de uitvoeringspraktijk zoals die
zich tot nu toe op basis van de eerdere regeling heeft ontwikkeld.
Eerste lid
Bij
en krachtens de Wfsv is bepaald welk bedrag
geldt als maximumpremieloon voor de ZW, de Wet
WIA, de WAO en de
WW. Tegen de achtergrond van de
equivalentiegedachte wordt dat bedrag tevens aangewezen als
maximumbedrag voor het dagloon.
Tweede lid
Het
ligt voor de hand om indien sprake is van een combinatie van
uitkeringen, ook het totaal van die uitkeringen aan een maximum te
binden dat aan het maximumdagloon is gerelateerd. Het gaat hierbij om
alle mogelijke combinaties van uitkeringen zowel op grond van dezelfde
wet als op grond van verschillende wetten.
Vervolgens is het logisch om, indien dat maximum wordt overschreden, de
betrokken daglonen zodanig evenredig te verminderen dat van
overschrijding niet langer sprake is.
In dit verband zij opgemerkt dat de Wet
WIA
op zichzelf geen uitkeringen per dag kent, maar uitkeringen afgeleid van
het maandloon (waarbij het maandloon 21,75 maal het dagloon bedraagt).
Dit betekent dat de uitkering per dag moet worden afgeleid van de
maanduitkering.
In verband met deze bepaling zij opgemerkt dat
het niet de bedoeling is om eenmaal vastgestelde daglonen, afgezien van
algemene indexeringen, te wijzigen indien in één van de samenstellende
uitkeringen wijziging komt of wegvalt. Zo is voorstelbaar dat wanneer in
een combinatie van een WIA-uitkering met een WW-uitkering
maximering van de daglonen is toegepast, wanneer in het kader van de
WIA-uitkering de overgang wordt gemaakt naar een WGA-vervolguitkering
het eenmaal vastgestelde WW-dagloon niet meer wijzigt.
Wél dient wijziging van al vastgestelde
daglonen plaats te vinden indien de samenloop van uitkeringen ontstaat
of zich uitbreidt.
Derde lid
In
diverse situaties bedraagt het uitkeringspercentage meer dan 70.
Bovendien zijn ook combinaties van zulke uitkeringen mogelijk. Indien
hiervan in een uitkeringscombinatie sprake is, zal, om oneigenlijke
verlagingen van het dagloon te voorkomen, de norm van 70% van het
maximumdagloon moeten worden aangepast. Dit gebeurt door het bedrag
waarmee de betreffende uitkering meer dan 70% van het dagloon bedraagt
toe te voegen aan het normbedrag van 70% van het maximumdagloon.
In dat geval vindt dus evenredige vermindering
van de daglonen eerst plaats indien de gezamenlijke uitkeringen het
verhoogde normbedrag overschrijden.
Artikel
23. Wijziging in
het loon door fiscale regelgeving
Met
dit artikel wordt verhinderd dat wijzigingen in het loon, louter als
gevolg van fiscale regelgeving waaraan terugwerkende kracht is verleend,
doorwerken in de vaststelling van de daglonen die ten grondslag liggen
aan uitkeringen die zijn ontstaan vóór de datum van inwerkingtreding
van die wijziging. Hiermee wordt voorkomen dat eenmaal vastgestelde
daglonen in verband met de terugwerkende kracht die aan de fiscale
regelgeving is gegeven opnieuw zouden moeten worden vastgesteld. Aan
wijzigingen in het fiscale loonbegrip wordt vaak terugwerkende kracht
verleend naar het moment van bekendmaking van het voornemen tot
aanpassing van het loonbegrip om gedragsreacties te voorkomen. Het gaat
hier alleen om wijzigingen in de bestanddelen die al dan niet tot het
loon behoren en met de aansluiting van het dagloonbegrip op het fiscale
loonbegrip ook doorwerken in het dagloon.
Artikel
24.
Overgangsbepaling
Omdat de Wfsv op 1 januari in werking
treedt, zal het daar geldende loonbegrip pas vanaf 1 januari 2006
gelden. Voor zover het refertejaar vóór 1 januari 2006 valt, zal
uitgegaan moeten worden van het in die periode geldende loonbegrip. Dit
is het loon in de zin van (artikel
4) van de Coördinatiewet Sociale Verzekering
(CSV). Aangezien dit besluit in werking treedt met ingang van 29
december 2005 dient ook over de referteperiode voor uitkeringen die
vóór 1 januari 2006 worden toegekend, uitgegaan te worden van het CSV-loon,
vast te stellen op grond van de CSV zoals die luidde in 2005.
Het
tweede lid heeft betrekking op de volgende situatie. In het
overgangsjaar 2006 zal de loonopgave nog niet direct alle relevante
gegevens opleveren. Bijvoorbeeld voor de uitzendbranche bestaat reeds de
mogelijkheid van periodieke loonaanlevering via Reflex. In de
aangeleverde gegevens in deze branche zijn gegevens over extra periodiek
salaris en vakantiebijslag vaak lastig te achterhalen (gezien ook de
inrichting van de huidige salarispakketten). Bij uitzendbureaus die in
de afgelopen jaren reeds periodiek gegevens hebben aangeleverd, kan niet
alsnog separaat de opbouw van de vakantietoeslag (en extra periodiek
salaris) worden opgevraagd. Nu de referteperiode voor ZW
en WW tot één jaar is uitgebreid en zolang de
polisadministratie in 2006 nog niet optimaal gevuld is en ook over
voorgaande jaren geen gegevens bevat, zal ook veel meer een beroep moet
worden gedaan op de loongegevens zoals aanwezig in de administratie van
het UWV.
Totdat alle loongegevens over het refertejaar
uit de polisadministratie kunnen worden gehaald, regelt het tweede lid
dat het SV-loon [socialeverzekeringsloon, red.], zonder correctie
voor vakantietoeslag en extra periodiek loon, als ingang voor de
dagloonberekening kan worden gehanteerd. Dit geldt tot dat het gehele
refertejaar na 1 januari 2006 is gelegen (dus tot 1 januari 2007).
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
|