|
BESLUIT van 29 december 1986, houdende
vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel
16,
derde lid, van de Werkloosheidswet (Besluit nadere regeling verlies van arbeidsuren)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
van 1 december 1986, Directoraat-Generaal Sociale Zekerheid, Directie Sociale
Verzekeringen, Hoofdafdeling Werknemersverzekeringen, Afdeling
Werkloosheidsregelingen, nr. SZ/SV/SVW/86/10095;
Gelet op artikel 16, vijfde lid, van de Werkloosheidswet;
De Raad
van State gehoord (advies van 18 december 1986, nr. W12.86.0635);
Gezien het
nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van
23 december 1986, Directoraat-Generaal Sociale Zekerheid, Directie Sociale
Verzekeringen, Hoofdafdeling Werknemersverzekeringen, Afdeling
Werkloosheidsregelingen, nr. SVW/86/10942;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Art. 1.
-1. Als opeenvolgend verlies van arbeidsuren als bedoeld in
artikel 16, vijfde lid, van de Werkloosheidswet wordt beschouwd:
a. een eerste verlies van minder dan vijf of minder dan de helft van het
aantal arbeidsuren per kalenderweek, waarna in een andere kalenderweek één
of meer volgende verliezen van arbeidsuren zich voordoen in een periode van
één jaar na de dag waarop zich het eerste verlies van minder dan vijf of
minder dan de helft van het aantal arbeidsuren voordoet;
b. een eerste verlies van ten minste vijf of ten minste de helft van het
aantal arbeidsuren per kalenderweek, waarna in een andere kalenderweek één
of meer volgende verliezen van arbeidsuren zich voordoen van ten minste vijf
of de helft van het aantal arbeidsuren in een periode van 26 kalenderweken
na de eerste dag van werkloosheid.
-2. Een eerste verlies als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a, wordt alleen in aanmerking genomen indien dit verlies
uitsluitend wegens zijn omvang niet leidt tot een recht op uitkering, terwijl
overigens aan alle voorwaarden voor het ontstaan van een recht op uitkering is
voldaan.
-3. Een eerste verlies als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel b, wordt alleen in aanmerking genomen indien ter zake van dit
verlies een recht op uitkering is ontstaan.
Art. 2. Opeenvolgend verlies van arbeidsuren
als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, wordt op verzoek van de werknemer
opgeteld tot één verlies van arbeidsuren tot en met het moment dat het
opeenvolgend verlies van arbeidsuren totaal ten minste vijf of ten minste de
helft van het aantal arbeidsuren per kalenderweek voorafgaande aan het eerste
verlies van arbeidsuren bedraagt en wordt vanaf dat moment beschouwd als een
verlies van ten minste vijf of ten minste de helft van het aantal
arbeidsuren.
Art. 3.
-1. Het UWV telt,
met inachtneming van artikel 2, opeenvolgend verlies van arbeidsuren als bedoeld
in artikel 1, onderdeel b, voor zover dit betrekking heeft op een
dienstbetrekking of op één of meer dienstbetrekkingen waarvoor eerstgenoemde
dienstbetrekking in de plaats is gekomen, samen tot één verlies van arbeidsuren.
-2. Toepassing van het eerste lid brengt geen wijziging in
de dag waarop recht op uitkering ontstaat.
Art. 4.
-1. Het verlies van arbeidsuren, bedoeld in
artikel 1, dat
zich voordoet in een kalenderweek gelegen na de dag waarop zich een eerder
verlies van arbeidsuren voordoet, wordt berekend door het aantal arbeidsuren in
die kalenderweek in mindering te brengen op het gemiddeld aantal arbeidsuren in
de kalenderweken van het voorgaande verlies tot en met de kalenderweek
voorafgaande aan die waarin het volgend verlies plaatsvindt.
-2. Indien een opgeteld verlies van arbeidsuren,
vermeerderd met het resterend aantal arbeidsuren, groter is dan het aantal
arbeidsuren voorafgaand aan een eerder verlies van arbeidsuren, wordt de omvang
van het laatste verlies zodanig vastgesteld dat het opgetelde verlies,
vermeerderd met het resterend aantal arbeidsuren, gelijk is aan het aantal
arbeidsuren voorafgaande aan het eerdere verlies van arbeidsuren.
-3. Indien toepassing van dit artikel tot een kennelijk
onredelijk resultaat leidt, is het UWV
bevoegd bij de berekening één of meer kalenderweken en de in die weken gewerkte
uren buiten aanmerking te laten.
Art. 5. Voor de werknemer, bedoeld in
artikel 18 van de Werkloosheidswet, wordt als periode voor de
berekening van het aantal gewerkte arbeidsuren in aanmerking genomen het aantal
kalenderweken waarin hij arbeid heeft verricht in de dienstbetrekking waaruit
hij arbeidsuren heeft verloren, met een maximum van 26 kalenderweken.
Art. 5a.
Vervallen.
Art. 6. Dit besluit treedt in werking met
ingang van 1 januari 1987. Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt
geplaatst, wordt uitgegeven na 30 december 1986, treedt het besluit in werking
met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad
waarin het wordt geplaatst en werkt het besluit terug tot en met 1 januari
1987.
Art. 7. Dit besluit kan worden aangehaald
onder de titel "Besluit nadere regeling verlies van arbeidsuren".
Lasten en
bevelen dat
dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden
gezonden aan de Raad van State.
's-Gravenhage, 29 december 1986
BEATRIX
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J. de Koning
Uitgegeven de dertigste december 1986
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
|