|
BESLUIT van 30 oktober 2006,
houdende regels met betrekking tot de ontheffing van verplichtingen
genoemd in de Werkloosheidswet en de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Besluit ontheffing
verplichtingen WW en Wet WIA) ¹
1. Redactie: Ingevolge artikel IV,
onderdeel F, van het Besluit van 31 oktober 2009, Stb. 2009, 462,
is het Besluit ontheffing verplichtingen WW en Wet
WIA voorzien van een nieuwe citeertitel, luidende: Besluit ontheffing verplichtingen WW, Wet
WIA en IOW. Vervolgens is ingevolge artikel I, onderdeel F, van het
Besluit van 15 december 2009, Stb. 2009, 585, de citeertitel met
ingang van 1 januari 2010 gewijzigd in: Besluit ontheffing
verplichtingen socialezekerheidswetten.
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op
de voordracht van Onze Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid van 9 augustus 2006, nr. SV/WV/2006/56306;
Gelet op de artikelen 24,
negende lid, en 26, zesde lid, van de Werkloosheidswet
en 32, derde lid, van de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen;
De Raad van State
gehoord (advies van 17 augustus 2006, nr. W12.06.0346/IV);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 27 oktober 2006, Directie Sociale
Verzekeringen, nr. SV/WV/2006/88880;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Art.
1. Definities
In dit besluit wordt verstaan onder:
- IOW: Wet
inkomensvoorziening oudere werklozen;
-
IOW-uitkering: een uitkering op grond van de IOW;
- mantelzorg: noodzakelijke zorg voor
een zieke of gehandicapte;
- uitkeringsgerechtigde: de verzekerde, bedoeld in de Wet
WIA,
die zijn resterende verdiencapaciteit als bedoeld in paragraaf
7.2 van die wet niet volledig benut of de
werknemer, bedoeld in hoofdstuk 1, paragraaf 2,
van de WW, die recht heeft op een WGA-uitkering
respectievelijk een WW-uitkering, of de
jonggehandicapte die recht heeft op arbeidsondersteuning, bedoeld in artikel
2:15 en 2:17 van de Wet
Wajong, of de persoon
die recht heeft op een IOW-uitkering;
- vrijwilligerswerk: onbetaalde en onverplichte activiteiten binnen een
organisatie die een ideële doelstelling heeft of een maatschappelijk
nut nastreeft, welke activiteiten doorgaans een aanvullend karakter
hebben op bestaande maatschappelijke voorzieningen;
- Wet Wajong: de Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten;
- Wet WIA: Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;
- WGA-uitkering: een werkhervattingsuitkering gedeeltelijk
arbeidsgeschikten als bedoeld in hoofdstuk 7
van de Wet WIA;
- WW: Werkloosheidswet;
- WW-uitkering: een uitkering op grond van de WW.
Art.
2. Ontheffing in verband met vrijwilligerswerk
-1. Het UWV kan
aan een uitkeringsgerechtigde al dan niet op diens aanvraag voor een
periode van maximaal zes maanden ontheffing verlenen van de
verplichting, bedoeld in artikel 30, eerste
lid, onderdeel b, van de Wet WIA, artikel
2:39, derde lid, onderdeel f, van de Wet
Wajong of in artikel
24, eerste lid, onderdeel b, onder 1º, van de WW
of in artikel 15, onderdeel b, van de IOW,
indien:
a. de uitkeringsgerechtigde een
gebleken grote afstand heeft tot de arbeidsmarkt;
b. het verrichten van vrijwilligerswerk er
tezamen met de ontheffing naar het oordeel van het UWV toe bijdraagt dat
de afstand van de uitkeringsgerechtigde tot de arbeidsmarkt wordt
verkleind; en
c. de uitkeringsgerechtigde
gedurende de duur van die ontheffing gemiddeld ten minste 20 uur per
week vrijwilligerswerk verricht.
-2. Het UWV kan na afloop van de periode,
bedoeld in het eerste lid, de ontheffing al dan niet op aanvraag van de
uitkeringsgerechtigde eenmalig verlengen met een periode van maximaal
zes maanden, indien:
a. de uitkeringsgerechtigde voldoet
aan de in het eerste lid gestelde voorwaarden; en
b. de afstand van de
uitkeringsgerechtigde tot de arbeidsmarkt is verkleind als gevolg van de
ontheffing en een verlenging van de ontheffing er tezamen met het
verrichten van vrijwilligerswerk naar het oordeel van het UWV toe
bijdraagt dat de afstand van de uitkeringsgerechtigde tot de
arbeidsmarkt verder wordt verkleind.
-3. Het UWV kan al dan niet op aanvraag van
de uitkeringsgerechtigde na afloop van de periode waarover op grond van
het eerste en tweede lid ontheffing is verleend, de ontheffing telkens
verlengen met een periode van één maand indien de uitkeringsgerechtigde
gedurende die maand gemiddeld ten minste 20 uur per week
vrijwilligerswerk verricht en het niet verlengen van die ontheffing
gezien de individuele omstandigheden van de uitkeringsgerechtigde zal
leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Art.
3. Ontheffing in verband met mantelzorg
-1. Het UWV kan
aan een uitkeringsgerechtigde op diens aanvraag voor een periode van
maximaal zes maanden ontheffing verlenen van de verplichtingen, bedoeld
in artikel 30, eerste lid, onderdeel a
en b, van de Wet WIA, artikel
2:39, derde lid, onderdeel e en f, van de Wet
Wajong of in artikel
24, eerste lid, onderdeel b, onder 1º en 2º, van de WW
of in artikel 15, onderdeel b, c
en e, van de IOW,
indien:
a. de uitkeringsgerechtigde
mantelzorg verricht; en
b. die mantelzorg zodanig intensief
is dat in redelijkheid niet van hem kan worden gevraagd te voldoen aan
die verplichtingen.
-2. Het UWV kan na afloop van de periode,
bedoeld in het eerste lid, de ontheffing op aanvraag van de
uitkeringsgerechtigde eenmalig verlengen met een periode van maximaal
zes maanden, indien:
a. de uitkeringsgerechtigde voldoet
aan de in het eerste lid gestelde voorwaarden; en
b. de verwachting is dat hij op
korte termijn niet meer aan die voorwaarden zal voldoen.
-3. Het UWV kan al dan niet op aanvraag van
de uitkeringsgerechtigde na afloop van de periode waarover op grond van
het eerste en tweede lid ontheffing is verleend, de ontheffing telkens
verlengen met een periode van één maand indien is voldaan aan de
voorwaarden, bedoeld in het eerste en tweede lid, en het niet verlengen
van die ontheffing gezien de individuele omstandigheden van de
uitkeringsgerechtigde zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende
aard.
Art.
4. Ontheffing in verband met calamiteiten
Het UWV kan aan een uitkeringsgerechtigde al
dan niet op diens aanvraag voor een periode van maximaal vier weken
ontheffing verlenen van de verplichtingen, bedoeld in artikel
30, eerste lid, van de Wet WIA, de artikelen
2:31, eerste lid, en 2:39, derde
lid, onderdeel e, f en g, van de Wet
Wajong of in de artikelen
24, eerste lid, onderdeel b, onder 1º, 2º en 4º, en 26,
eerste lid, onderdeel d, f en g, van de WW
of in de artikelen 12, tweede lid, onderdeel
c, 14, tweede lid, onderdeel b,
en 15, onderdeel a tot en met e,
van de IOW,
indien van die uitkeringsgerechtigde tijdelijk redelijkerwijs niet kan
worden verlangd dat hij aan die verplichtingen voldoet in verband met
een plotselinge, ernstige crisissituatie in de privésfeer.
Art.
5. Eenmalige ontheffing
-1. Een ontheffing als bedoeld in artikel
2 kan aan een uitkeringsgerechtigde gedurende de duur van zijn WW-uitkering, recht
op arbeidsondersteuning, bedoeld in artikel
2:15 van de Wet Wajong,
WGA-uitkering of IOW-uitkering slechts eenmalig worden verleend.
-2. Een ontheffing als bedoeld in artikel
3 of een ontheffing als bedoeld in artikel 4 kan
eenmalig worden verleend per toestand of gebeurtenis.
Art.
6. Nadere regelgeving
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met
betrekking tot de in de artikelen 2 tot en met 4
gestelde voorwaarden en de wijze waarop aangetoond kan worden dat aan
die voorwaarden is voldaan.
Art.
7. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
Art.
8. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit ontheffing verplichtingen
socialezekerheidswetten.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 30 oktober
2006
BEATRIX
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
Uitgegeven de eenendertigste
oktober 2006
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
NOTA
VAN TOELICHTING
[30 oktober 2006]
Algemeen
Een
ieder die een uitkering ontvangt op grond van de Werkloosheidswet
(WW) of een werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA-uitkering)
op grond van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen (Wet WIA) moet in beginsel aan de bijhorende
verplichtingen voldoen. Het betreft onder meer de verplichtingen om
ingeschreven te staan als werkzoekende bij de Centrale organisatie werk
en inkomen (CWI), om in voldoende mate te trachten passende arbeid te
verkrijgen (de sollicitatieplicht) en om passende arbeid te aanvaarden.
De
verplichting voor uitkeringsgerechtigden om zo snel mogelijk weer aan
het werk te komen, vormt een belangrijk fundament voor de activerende
werking van de WW en de Wet
WIA.
De Sociaal-Economische Raad (SER) bepleit in zijn advies van 15 april
2005 ¹ een meer op maat gesneden invulling van onder meer de
sollicitatieplicht. Het UWV heeft deze
aanbeveling ter hand genomen en gaat van een procesgerichte uitvoering
over op een meer op maatwerk gerichte uitvoering van de WW en de Wet
WIA. In
2007 krijgt deze transitie zijn beslag. In bijzondere gevallen kan er
volgens de SER en de regering reden zijn om personen tijdelijk te
ontheffen van hun verplichtingen gericht op werkhervatting, als
sluitstuk van het maatwerk van het UWV.
1. SER-advies
Toekomstbestendigheid Werkloosheidswet, 15 april
2005, publicatienummer 5.
De
Wet wijziging WW-stelsel (Stb. 2006, 303) maakt het verlenen van
ontheffingen mogelijk door aan de WW en de Wet
WIA
drie bepalingen toe te voegen: de artikelen 24,
negende lid, en 26, zesde lid, van de WW
en artikel 32, derde lid, van de Wet
WIA.
Deze drie bepalingen bieden de mogelijkheid om bij algemene maatregel
van bestuur regels te stellen waarmee het UWV
de bevoegdheid wordt gegeven aan WW- en WGA-gerechtigden een tijdelijke
ontheffing te verlenen van uit de WW en de Wet
WIA voortvloeiende
verplichtingen.
Het onderhavige besluit kent het UWV de
bevoegdheid toe om in individuele gevallen een tijdelijke ontheffing te
verlenen en regelt in welke gevallen het UWV van die bevoegdheid gebruik
mag maken. Hierna worden de situaties toegelicht waarin een ontheffing
kan worden verleend.
Vrijwilligerswerkontheffing
Het staat een WW-
of WGA-gerechtigde (hierna: uitkeringsgerechtigde) vrij om
vrijwilligerswerk te verrichten, zolang dit niet van invloed is op zijn
beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt en zijn inspanningen om zo snel
mogelijk weer aan het werk te komen. Vrijwilligerswerk kan in het
algemeen worden gecombineerd met de sollicitatieplicht, net zoals een
werkende dit moet combineren met zijn baan.
Vrijwilligerswerk kan ook een activiteit zijn
die ertoe bijdraagt dat een uitkeringsgerechtigde weer aan het werk
komt. Het UWV kan van een
uitkeringsgerechtigde verlangen dat hij zich op deze manier inzet om
zijn kans op een baan te vergroten. Voor het merendeel van de
uitkeringsgerechtigden geldt dat dit soort reïntegratieactiviteiten
gecombineerd moet worden met de sollicitatieplicht.
In uitzonderlijke situaties kan een ontheffing
worden verleend van de op de uitkeringsgerechtigde rustende
sollicitatieplicht. Het UWV kan een ontheffing van maximaal zes maanden
verlenen wanneer het gedurende enige tijd verrichten van
vrijwilligerswerk, zonder te hoeven solliciteren, er naar het oordeel
van het UWV toe bijdraagt dat de kansen van de uitkeringsgerechtigde op
de arbeidsmarkt verbeteren. Wanneer het vooruitzicht voor de betrokkene
is dat hij na afloop van de tijdelijke ontheffing een grotere
afstand tot de arbeidsmarkt zal hebben dan wanneer de ontheffing niet
zou zijn verleend, dan is een ontheffing niet aan de orde. Een
ontheffing kan voorts alleen worden verleend aan een
uitkeringsgerechtigde met een gebleken grote afstand tot de
arbeidsmarkt. Daarvan is bijvoorbeeld sprake wanneer de betrokkene alle
pogingen heeft gedaan om aan het werk te komen en alle
reïntegratiemogelijkheden heeft uitgeput. Daarnaast is een voorwaarde
dat de uitkeringsgerechtigde gedurende de duur van de ontheffing
gemiddeld minimaal 20 uur per week vrijwilligerswerk verricht.
Eenmaligheid is het uitgangspunt bij de
ontheffing in verband met vrijwilligerswerk. Een ontheffing kan echter
eenmalig met een periode van wederom maximaal zes maanden worden
verlengd. Deze verlenging kan alleen worden toegekend wanneer aan de
hierboven genoemde voorwaarden is voldaan. Daarnaast geldt dat de
afstand tot de arbeidsmarkt van de betrokkene daadwerkelijk kleiner moet
zijn geworden en dat de inschatting van het UWV is dat de verlenging die
afstand nog verder zal verkleinen.
Dit betekent dat het UWV na afloop van de
eerste ontheffingsperiode zal moeten beoordelen wat het effect daarvan
op de afstand tot de arbeidsmarkt van de betrokkene is geweest. Wanneer
de afstand tot de arbeidsmarkt kleiner is geworden, zal het UWV
beoordelen of de kansen op de arbeidsmarkt van de betrokkene weer
zodanig zijn dat deze weer op zoek kan gaan naar werk. Als dat het geval
is, volgt geen verlening van de ontheffing omdat hervatting van
sollicitatieactiviteiten dan in de rede ligt. Wanneer het UWV van
oordeel is dat de kansen op de arbeidsmarkt van de betrokkene gering
zijn en een verlenging van de ontheffing deze kansen zal verbeteren, kan
een verlenging worden toegekend.
In
het besluit is voor zeer bijzondere situaties een zogenoemde
hardheidsclausule opgenomen. Het UWV krijgt
de bevoegdheid om de reeds verlengde ontheffing met telkens één maand te
verlengen wanneer het niet verlengen zou leiden tot een onbillijkheid
van overwegende aard.
Toepassing van de hardheidsclausule kan
bijvoorbeeld aan de orde zijn wanneer de uitkeringsgerechtigde als
vrijwilliger aan een project meewerkt en dat project net iets langer
duurt dan de periode waarvoor de ontheffing is verleend. Wanneer de
uitkeringsgerechtigde een onmisbare rol speelt in een groot evenement
dat het einde van het project vormt en het tot een onbillijkheid van
overwegende aard zou leiden van hem te verlangen dat hij deze rol
combineert met activiteiten om weer een betaalde baan te vinden, dan kan
het UWV de hardheidsclausule toepassen. Het UWV kan daarmee betrokkene
tegemoet komen door de ontheffing met één maand te verlengen om hem de
ruimte te geven het project goed af te ronden. Wanneer tegen het einde
van die maand blijkt dat de afronding van het project toch langer duurt
en van de betrokkene naar het oordeel van het UWV nog steeds in
redelijkheid nog niet kan worden gevraagd aan zijn verplichtingen te
voldoen, kan de ontheffing nogmaals met één maand worden verlengd. Op
deze wijze kan het UWV in hiervoor bedoelde situaties maatwerk leveren
aan de uitkeringsgerechtigde wanneer bijzondere omstandigheden daartoe
aanleiding geven. Het karakter van de hardheidsclausule brengt overigens
met zich dat het UWV terughoudend om zal hebben te gaan met deze
bevoegdheid.
Mantelzorgontheffing
Het UWV
kan voor een periode van maximaal zes maanden een ontheffing
verlenen van de sollicitatieplicht en de verplichting om aangeboden
passende arbeid te aanvaarden wanneer de door de uitkeringsgerechtigde
verleende mantelzorg zodanig intensief is dat van hem in redelijkheid
niet kan worden gevraagd te voldoen aan deze verplichtingen. De
mantelzorgverlener krijgt daarmee de ruimte om maatregelen te treffen en
om alternatieven voor de mantelzorg te regelen.
Eenmaligheid is het uitgangspunt bij de
mantelzorgontheffing. Dit neemt niet weg dat er situaties zijn waarin
een verlenging van de ontheffing in de rede ligt. Een verlenging biedt
een oplossing voor die situaties waarin de mantelzorgsituatie na
ommekomst van de ontheffing nog steeds bestaat en deze op korte termijn
waarschijnlijk zal zijn afgelopen, bijvoorbeeld omdat de zorgvrager
terminaal ziek is of omdat het zeer waarschijnlijk is dat er binnen
afzienbare tijd alsnog een alternatief is geregeld voor de mantelzorg.
Het UWV krijgt daarom de bevoegdheid de mantelzorgontheffing eenmalig
met een periode van maximaal zes maanden te verlengen.
Ook voor de ontheffing in verband met intensieve mantelzorg is in het
besluit voor zeer bijzondere situaties een hardheidsclausule
opgenomen. Het UWV krijgt de bevoegdheid om
de reeds verlengde ontheffing met telkens één maand te verlengen wanneer
het niet verlengen zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende
aard.
Toepassing van de hardheidsclausule kan aan de
orde zijn wanneer na ommekomst van de verlengde ontheffing blijkt dat de
zorgvrager waarschijnlijk op korte termijn zal komen te overlijden. Of
wanneer de zorgvrager zojuist is overleden en de betrokkene daardoor
even niet in staat is te voldoen aan zijn verplichtingen gericht op
werkhervatting. Het UWV kan in dergelijke situaties betrokkene tegemoet
komen door de ontheffing met één maand te verlengen. Wanneer tegen het
einde van die maand blijkt dat de betrokkene naar het oordeel van het
UWV nog steeds niet in staat is te voldoen aan zijn verplichtingen, kan
de ontheffing weer met één maand worden verlengd. Op deze wijze kan het
UWV in hiervoor bedoelde situaties maatwerk leveren aan de
uitkeringsgerechtigde wanneer bijzondere omstandigheden daartoe
aanleiding geven. Het karakter van de hardheidsclausule brengt overigens
met zich dat het UWV terughoudend om zal hebben te gaan met deze
bevoegdheid.
Calamiteitenontheffing
Het UWV
kan een ontheffing van maximaal vier weken verlenen van niet alleen de
sollicitatieplicht, maar ook van andere verplichtingen gericht op
werkhervatting, wanneer van de uitkeringsgerechtigde tijdelijk
redelijkerwijs wegens een plotselinge, ernstige crisissituatie in de
privésfeer niet kan worden verlangd dat hij aan zijn verplichtingen
voldoet.
Bij ernstige crisissituaties in de privésfeer
kan worden gedacht aan een plotseling ernstig ziektegeval of een
sterftegeval in het gezin of aan de situatie waarin de woning van de
betrokkene is afgebrand. De ontheffing ziet dan niet alleen op de
sollicitatieplicht, maar bijvoorbeeld ook op de verplichting
ingeschreven te staan bij de CWI en de verplichting passende arbeid te
accepteren.
De calamiteitenontheffing duurt maximaal vier
weken en kan niet worden verlengd. Na afloop van die periode kan immers
niet meer worden gesteld dat er sprake is van een plotselinge, ernstige
crisissituatie.
Regeling
vrijstelling verplichtingen WW en Wet WIA
Het besluit heeft
een andere strekking dan de Regeling
vrijstelling verplichtingen WW en Wet WIA (de regeling). Op grond van de
regeling zijn, in tegenstelling tot dit besluit, categorieën
uitkeringsgerechtigden vrijgesteld van verplichtingen op grond van de WW
en de Wet WIA. De regeling ziet onder meer op
werknemers die werkloos zijn als gevolg van werktijdverkorting of
vorstwerkloosheid en werknemers die een naar het oordeel van UWV
voor werkhervatting noodzakelijke opleiding volgen. De regeling bevat
ook een vrijstelling van de sollicitatieplicht voor een groep oudere
uitkeringsgerechtigden die vrijwilligerswerk of mantelzorg verrichten (artikel
5 van de regeling).
Daarnaast zijn de voorwaarden waaraan moet zijn
voldaan om op grond van het onderhavige besluit ontheffing te kunnen
krijgen van de sollicitatieplicht vanwege mantelzorg of
vrijwilligerswerk niet dezelfde als de voorwaarden die de regeling
stelt aan de oudere vrijwilligers en mantelzorgers. Dit verschil vloeit
voort uit het verschil tussen een vrijstelling en een ontheffing. Een
vrijstelling ontstaat van rechtswege. Maatwerk is daarom met betrekking
tot de vrijstelling niet mogelijk. Dit vertaalt zich in voorwaarden als
20 uur per week mantelzorg verlenen. Een ontheffing daarentegen wordt op
individuele basis verleend. Dit maakt dat aan het UWV meer ruimte voor
maatwerk kan worden gegeven bij de uitoefening van de
ontheffingsbevoegdheid. Dit heeft geresulteerd in van de regeling
afwijkende voorwaarden voor ontheffing.
De regeling wordt met de introductie van het
onderhavige besluit niet gewijzigd: dit besluit en de regeling zullen
naast elkaar van kracht zijn.
Uitvoerbaarheidstoets
UWV
Het UWV
heeft het onderhavige besluit getoetst en concludeert dat het besluit
uitvoerbaar is. Het UWV heeft afspraken met de CWI gemaakt over de
uitvoering van dit besluit. Uitkeringsgerechtigden die direct
bemiddelbaar zijn op de arbeidsmarkt worden begeleid door het CWI [Centrum
voor werk en inkomen, red.] en
kunnen een aanvraag voor een ontheffing bij het CWI indienen. Het CWI
stuurt de aanvraag door naar het UWV; het UWV beslist op de aanvraag.
Als de aanvrager door het UWV wordt begeleid,
neemt het UWV de aanvraag in ontvangst. De beslissing op de aanvraag
wordt door het UWV genomen.
Wanneer sprake is van een aanvraag voor een
mantelzorgontheffing van een uitkeringsgerechtigde die door het CWI
wordt begeleid, draagt het CWI de betrokkene meteen over aan het UWV.
Iemand die vanwege intensieve mantelzorg niet in staat is om te
solliciteren, is immers niet langer aan te merken als een direct
bemiddelbare uitkeringsgerechtigde.
Financiële
effecten
Het beschreven
ontheffingskader leidt door de introductie van de ontheffing in verband
met vrijwilligerswerk en de mantelzorgontheffing tot extra
uitkeringslasten op grond van de WW en de Wet
WIA
(WGA). De uitkeringslasten stijgen voor beide wetten samen vanaf 2007
met €|11 miljoen op jaarbasis.
Met de calamiteitenontheffing zijn geen extra
uitkeringslasten gemoeid omdat de werkhervattingskans gedurende een
calamiteit gelijk aan nul verondersteld mag worden.
Het ontheffingskader heeft een stijging van de
administratieve lasten voor de burger, de uitkeringsgerechtigde die een
ontheffing aanvraagt, tot gevolg. Deze worden voor de WW- en
WGA-uitkeringsgerechtigden samen geraamd op 7000 uren op jaarbasis.
Evaluatie
Het
ontheffingskader wordt op verzoek van de Vaste Commissie voor Sociale
Zaken en Werkgelegenheid van de Tweede Kamer na twee jaren geëvalueerd.
Artikelsgewijs
Artikel
1. Definities
In artikel
1 zijn enkele begripsomschrijvingen opgenomen. Zo zijn de definities
voor vrijwilligerswerk en mantelzorg opgenomen. Wat betreft die
omschrijvingen is aangesloten bij het begrippenkader van de Regeling
vrijstelling verplichtingen WW en Wet WIA, waarin een vrijstelling van
onder meer de sollicitatieplicht is opgenomen voor een deel van de
oudere uitkeringsgerechtigde vrijwilligers en mantelzorgers.
Onder vrijwilligerswerk wordt verstaan de
onbetaalde en onverplichte activiteiten binnen een organisatie die een
ideële doelstelling heeft of een maatschappelijk nut nastreeft, welke
activiteiten doorgaans een aanvullend karakter hebben op bestaande
voorzieningen. Het gaat bijvoorbeeld om:
- activiteiten voor kerkelijke en levensbeschouwelijke organisaties;
- activiteiten voor niet-commerciële winkels, zoals rechts- en
wetswinkels, onderwijswinkels, en gezondheidswinkels;
- activiteiten in bejaarden- en verpleegcentra, voor wat betreft:
begeleid wandelen, voorlezen/gezelschap houden, begeleiden naar arts of
ziekenhuis, bibliotheek;
- activiteiten in de maatschappelijke dienstverlening en
gezondheidszorg.
Voor de afbakening van het begrip vrijwilligerswerk is van belang dat
het gaat om activiteiten:
- die gebruikelijk onbetaald zijn;
- die geen winstoogmerk hebben; en
- die een algemeen maatschappelijk nut dienen.
Onder mantelzorg wordt in lijn met de Regeling
vrijstelling verplichtingen WW en Wet WIA verstaan de noodzakelijke zorg
voor een zieke of gehandicapte. Bij mantelzorg moet het gaan om zorg die
in duur en in intensiteit een meer gebruikelijke gang van zaken
overstijgt en niet in georganiseerd verband en niet in het kader van een
hulpverlenend beroep wordt verleend.
Met
het woord "noodzakelijke" in de in artikel 1
opgenomen definitie van mantelzorg wordt de kring van personen
afgebakend die in verband met mantelzorg een tijdelijke ontheffing van
hun sollicitatieplicht kunnen krijgen. Dit betekent dat er sprake dient
te zijn van een vóór de aanvang van de mantelzorg reeds bestaande
sociale relatie tussen degene die de zorg nodig heeft en degene die de
zorg verleent. Bij een sociale relatie moet primair gedacht worden aan
gezinsleden en huisgenoten, maar deze is niet noodzakelijk beperkt tot
deze groepen. Voorts dient, gezien de individuele omstandigheden, de
inschatting te zijn dat de WW-gerechtigde de
voor de hand liggende persoon is om mantelzorg te verlenen aan de
zorgvrager. Dan is er sprake van mantelzorg als bedoeld in dit besluit.
Daarnaast is in artikel 1 geregeld dat onder
uitkeringsgerechtigde in de zin van dit besluit moet worden verstaan de
verzekerde, bedoeld in de Wet WIA, die zijn
resterende verdiencapaciteit als bedoeld in paragraaf
7.2 van die wet niet volledig benut of de
werknemer, bedoeld in hoofdstuk 1, paragraaf 2,
van de WW, die recht heeft op WGA-uitkering
respectievelijk een WW-uitkering. Het besluit
ziet dus op een ontheffingsmogelijkheid van de verplichtingen die gelden
voor WW-ers én WGA-ers (hierna: uitkeringsgerechtigden).
Artikel
2. Ontheffing in verband met vrijwilligerswerk
Op
grond van artikel 2, eerste lid, van dit besluit kan
aan een uitkeringsgerechtigde een ontheffing worden verleend van de
sollicitatieplicht (artikel 30, eerste lid,
onderdeel b, van de Wet WIA of artikel
24, eerste lid, onderdeel b, onder 1º, van de WW)
als hij een gebleken grote afstand heeft tot de arbeidsmarkt en het
verrichten van vrijwilligerswerk er tezamen met de ontheffing naar het
oordeel van het UWV toe bijdraagt dat de
afstand van de uitkeringsgerechtigde tot de arbeidsmarkt wordt
verkleind. Daarnaast moet de uitkeringsgerechtigde gedurende de duur van
de ontheffing ook daadwerkelijk gemiddeld gedurende ten minste 20 uur per
week vrijwilligerswerk verrichten. Dit blijkt uit de in artikel
1 opgenomen definitie van vrijwilligerswerk. Voor een toelichting op
die definitie wordt verwezen naar de toelichting op artikel 1.
Op
grond van het tweede lid van artikel 2 is het voorts in
beperkte gevallen mogelijk een verlenging van maximaal zes maanden te
verlenen van de ontheffing van de sollicitatieplicht in verband met het
verrichten van vrijwilligerswerk. Er moet dan wel, naast de op grond van
het eerste lid geldende vereisten, voldaan zijn aan de eis dat niet
alleen de arbeidsmarktpositie is verbeterd als gevolg van de combinatie
van het verrichten van het vrijwilligerswerk met de ontheffing, maar
voorts moet de verlenging van de ontheffing naar het oordeel van het UWV
bijdragen aan het verder verkleinen van de afstand van de
uitkeringsgerechtigde tot de arbeidsmarkt. Overigens zij opgemerkt dat
wanneer bij het beoordelen van de vraag of een verlenging van de
ontheffing moet worden toegekend, blijkt dat de afstand tot de
arbeidsmarkt is verkleind, beoordeeld moet worden of er nog sprake is
van een gebleken grote afstand tot de arbeidsmarkt (eerste lid, onderdeel
a). Als hervatting van de sollicitatieactiviteiten in de rede
ligt gezien de verkleinde afstand tot de arbeidsmarkt, kan geen
verlening worden toegekend. Op grond van artikel 2,
derde lid, krijgt het UWV voorts de bevoegdheid om de reeds verlengde
ontheffing al dan niet op aanvraag van de uitkeringsgerechtigde met
telkens één maand te verlengen wanneer het niet verlengen van de
ontheffing gezien de individuele omstandigheden van de
uitkeringsgerechtigde zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende
aard. Voor een nadere toelichting op deze hardheidsclausule, die het UWV
zeer terughoudend zal toepassen, wordt verwezen naar het algemeen deel
van de toelichting.
De
ontheffing en de eventuele verlenging hiervan kunnen zowel op aanvraag
als ambtshalve worden verleend. Voor het UWV
kan bijvoorbeeld aanleiding zijn om de ontheffing ambtshalve te verlenen
indien het UWV van de uitkeringsgerechtigde in het kader van een
reïntegratietraject vraagt om vrijwilligerswerk te verrichten. Als het
UWV het in dat geval wenselijk acht dat een ontheffing wordt verleend,
ligt het niet voor de hand dat de uitkeringsgerechtigde hiertoe nog een
aanvraag moet indienen. Indien een aanvraag voor ontheffing is ingediend,
moet het UWV binnen een redelijke termijn - in beginsel acht weken - na ontvangst van de aanvraag een beschikking geven (artikelen 127
van de WW en 101
van de Wet WIA).
Artikel
3. Ontheffing in verband met mantelzorg
Aan
de uitkeringsgerechtigde kan voorts een ontheffing van de verplichting
om passende arbeid te verrichten of te aanvaarden en de
sollicitatieplicht (artikel 30, eerste lid,
onderdeel a en b, van de Wet WIA en artikel
24, eerste lid, onderdeel b, onder 1º en 2º, van de WW)
worden verleend in verband met het verrichten van mantelzorg. Het UWV
beoordeelt op basis van de individuele omstandigheden van de uitkeringsgerechtigde of een aanvraag voor een ontheffing kan worden
ingewilligd. Een aanvraag wordt aan twee criteria getoetst: de
noodzakelijkheid en de intensiteit van de verleende mantelzorg.
Ten
eerste moet er sprake zijn van mantelzorg. Het begrip mantelzorg is
gedefinieerd in artikel 1 en toegelicht in de
bijhorende toelichting. Er is een
vóór de aanvang van de mantelzorg reeds bestaande sociale relatie
vereist tussen degene die de zorg nodig heeft en degene die de zorg
verleent. Bij een sociale relatie moet primair gedacht worden aan
gezinsleden en huisgenoten, maar deze is niet noodzakelijk beperkt tot
deze groepen. Wanneer gezien de individuele omstandigheden de
inschatting is dat de uitkeringsgerechtigde de voor de hand liggende
persoon is om mantelzorg te verlenen aan de zorgvrager, is er sprake van
mantelzorg als bedoeld in dit besluit.
Ten
tweede moet het UWV op grond van artikel
3, eerste lid, van dit besluit toetsen of de verleende mantelzorg
zodanig intensief is dat in redelijkheid niet van de
uitkeringsgerechtigde kan worden gevraagd te voldoen aan de verplichting
om passende arbeid te verrichten of te aanvaarden en de
sollicitatieplicht.
Ook
de mantelzorgontheffing kan worden verleend voor maximaal zes maanden (artikel
3, tweede lid). Een verlenging van de mantelzorgontheffing kan
worden verleend voor een periode van ten hoogste zes maanden. Om voor de
verlenging in aanmerking te komen, moet wel aan een tweetal voorwaarden
zijn voldaan. Ten eerste moet er nog altijd sprake zijn van
noodzakelijke, intensieve mantelzorg als bedoeld in het eerste lid.
Daarnaast moet het UWV de verwachting hebben
dat de uitkeringsgerechtigde op korte termijn niet meer aan die
voorwaarden zal voldoen. Dit betekent dat er op korte termijn uitzicht
moet zijn op ofwel beëindiging van de mantelzorgsituatie (bijvoorbeeld
als de zorgvrager terminaal ziek is), ofwel op een (sterke) verlichting
van de mantelzorg doordat er alternatieven voorhanden komen die ertoe
leiden dat de door de mantelzorger verrichte zorgactiviteiten
(grotendeels) kunnen worden overgenomen.
Op
grond van artikel 3, derde lid, krijgt het UWV
voorts de bevoegdheid om de reeds verlengde ontheffing al dan niet op
aanvraag van de uitkeringsgerechtigde met telkens één maand te verlengen
wanneer het niet verlengen van de ontheffing gezien de individuele
omstandigheden van de uitkeringsgerechtigde zal leiden tot een
onbillijkheid van overwegende aard. Voor een nadere toelichting op deze
hardheidsclausule, die het UWV zeer terughoudend zal toepassen, wordt
verwezen naar het algemeen deel van de toelichting.
Om
in aanmerking te komen voor de mantelzorgontheffing of voor een
verlenging hiervan dient de uitkeringsgerechtigde een aanvraag in te
dienen bij het UWV. De verlening van de
verlenging op grond van artikel 3, derde lid, van dit
besluit kan ook ambtshalve gebeuren. Wat betreft de voor het UWV
geldende beslistermijn wordt verwezen naar de toelichting op artikel 2 van dit besluit.
Artikel
4. Ontheffing in verband met calamiteiten
Daarnaast kan gedurende maximaal vier weken een ontheffing worden
verleend van verschillende verplichtingen op grond van de WW
en de Wet WIA als van de uitkeringsgerechtigde
tijdelijk redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat hij aan die
verplichtingen voldoet in verband met een plotselinge, ernstige
crisissituatie in de privésfeer. Dit is de zogenaamde
calamiteitenontheffing. Bij ernstige crisissituaties in de privésfeer
kan worden gedacht aan een plotselinge ernstige ziekte of sterftegeval
in het gezin. Deze ontheffingsbevoegdheid betreft onder meer de
verplichtingen om in voldoende mate te trachten passende arbeid te
verkrijgen (sollicitatieplicht), om aangeboden passende arbeid te
aanvaarden of te verrichten, om geen eisen te stellen die het aanvaarden
van passende arbeid belemmeren en om mee te werken aan een noodzakelijke
scholing of opleiding.
Gezien het karakter van de calamiteitenontheffing (er moet sprake zijn
van een plotselinge, ernstige crisissituatie) is het wenselijk dat het UWV
zeer snel kan optreden indien zich een calamiteit voordoet. Daarom is
het mogelijk dat het UWV de ontheffing ambtshalve verleent.
Een beslissing op aanvraag moet genomen worden
binnen een redelijke termijn op grond van de artikelen 127
van de WW en 101
van de Wet WIA. In het geval van een calamiteit zal
gezien het spoedeisende karakter hiervan een termijn van acht weken niet
redelijk zijn, maar ligt een termijn van bijvoorbeeld één week meer voor
de hand.
De
calamiteitenontheffing duurt maximaal vier weken. Na afloop van die
periode kan niet meer worden gesteld dat er sprake is van een
plotselinge, ernstige crisissituatie. Mocht daar reden toe zijn, dan kan
de uitkeringsgerechtigde in overleg met het UWV
treden om te bezien of er een regeling moet worden getroffen,
bijvoorbeeld door middel van een mantelzorgontheffing.
Artikel
5. Eenmalige ontheffing
Een
ontheffing als bedoeld in dit besluit kan slechts eenmalig worden
verleend. Hierbij moet een onderscheid worden gemaakt tussen de situatie
waarin er sprake is van een ontheffing in verband met het verrichten van
vrijwilligerwerk (artikel 2) enerzijds en een
ontheffing in verband met het verrichten van mantelzorg (artikel
3) of de calamiteitenontheffing (artikel 4)
anderzijds.
Een
ontheffing in combinatie met het verrichten van vrijwilligerswerk wordt
gedurende de duur van de WW-uitkering of
WGA-uitkering slechts eenmaal verleend. Door het verrichten van
vrijwilligerswerk kan de uitkeringsgerechtigde zijn afstand tot de
arbeidsmarkt verkleinen. Indien er een nieuw recht op uitkering
ontstaat, is het wenselijk dat de uitkeringsgerechtigde wederom deze
mogelijkheid kan hebben. Het is evenwel niet wenselijk dat de
uitkeringsgerechtigde gedurende dezelfde uitkeringsduur meerdere malen
voor een dergelijke ontheffing in aanmerking kan komen.
Een
ontheffing op grond van het verrichten van mantelzorg of de
calamiteitenontheffing kan slechts eenmalig worden verleend per toestand
of gebeurtenis. Het is mogelijk dat gedurende de uitkeringsduur zich
tweemaal een calamiteit of een mantelzorgsituatie voordoet. In dat geval
moet met betrekking tot die uitkeringsgerechtigde wel de mogelijkheid
bestaan om ook een tweede keer ontheffing te verlenen.
Het
is mogelijk dat zich een acute situatie voordoet die in eerste instantie
leidt tot een calamiteitenontheffing (bijvoorbeeld in geval van een
ernstig ongeval van een familielid), waarna vervolgens een ontheffing
wordt verleend op grond van artikel 3, omdat de
desbetreffende calamiteit uiteindelijk heeft geleid tot een
mantelzorgsituatie waarvoor ontheffing van enige verplichtingen op grond
van de WW en de Wet WIA
wenselijk is. Het is in dat geval dus mogelijk dat met betrekking tot
een gebeurtenis twee ontheffingen worden verleend: de eerste keer op
grond van artikel 4 en daarna op grond van artikel
3 van dit besluit.
Artikel
6. Nadere regelgeving
Artikel
6 biedt de grondslag voor het bij ministeriële regeling stellen van
nadere regels met betrekking tot de artikelen 2, 3
en 4 van dit besluit. Dit besluit vult de voorwaarden
voor de ontheffing en de wijze waarop aangetoond kan worden dat aan de
voorwaarden is voldaan immers niet (nader) in. Het UWV
kan de nadere invulling vormgeven door middel van beleidsregels. Indien
uit de uitvoeringpraktijk blijkt dat een nadere invulling bij
ministeriële regeling gewenst is, dan biedt artikel 6
daarvoor de grondslag.
Artikel
7. Inwerkingtreding
De
beoogde inwerkingtredingsdatum van dit besluit is 1 november 2006.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
|