|
BESLUIT van 28 april 1999, houdende regels die
het Landelijk instituut sociale verzekeringen in acht moet nemen bij de
verstrekking van subsidies als bedoeld in artikel 69 ¹ van de Werkloosheidswet
(Besluit subsidieverstrekking
WW)
1. Ingevolge artikel 43,
onderdeel X, Invoeringswet SUWI is artikel 69 WW met ingang van 1 januari 2002
komen te vervallen en worden subsidies als de onderhavige met ingang van die datum op grond van
artikel 20, eerste lid, Wet SUWI nader geregeld in de Stimuleringsregeling
vacaturevervulling door werklozen en met werkloosheid bedreigde
werknemers, red.
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst, van 19 februari 1999, nr.
SV/WV/99/1380;
Gelet op artikel 69 van de Werkloosheidswet;
De Raad van State
gehoord (advies van 19 maart 1999, nr. W12.99.0079/IV);
Gezien het nader
rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F.
Hoogervorst, van 23 april 1999, Directie Sociale Verzekeringen, nr.
SV/WV/99/15992;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Art. 1.
Algemene
begrippen In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Lisv: Landelijk instituut sociale
verzekeringen, genoemd in
hoofdstuk 4 van de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997;
b. WW-uitkering: uitkering op grond van de Werkloosheidswet.
Art. 2.
Subsidiedoel
-1. Subsidie voor tijdelijke projecten die ten doel hebben
het beroep op een WW-uitkering terug te dringen, wordt slechts verleend, indien
de subsidieaanvrager:
a. aannemelijk heeft gemaakt dat als gevolg van de voorgenomen
activiteiten het aantal werknemers met recht op WW-uitkering gedurende het
tijdvak waarin die activiteiten worden verricht, vermindert; of
b. heeft aangetoond dat het activiteiten betreft die zijn gericht op de
ontwikkeling van nieuwe methoden om sectorspecifieke problemen ter zake van
het ontstaan van werkloosheid te bestrijden.
-2. Subsidie wordt slechts verleend indien de
subsidieaanvrager heeft aangetoond dat het project vernieuwende elementen bevat
dan wel een feitelijk nieuwe combinatie van bestaande of nieuwe
elementen.
-3. Geen subsidie wordt verleend, indien:
a. het aannemelijk is dat de voorgenomen activiteiten leiden tot
oneerlijke concurrentie; of
b. de voorgenomen activiteiten bestaan uit het geven of doen geven van
voorlichting.
Art. 3.
Subsidieplafond Het Lisv stelt per wachtgeldfonds, alsmede voor het
Uitvoeringsfonds voor de overheid, een subsidieplafond vast, daarbij geadviseerd
door de sectorraden, bedoeld in artikel 56 van de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997.
Art. 4.
Subsidieverlening Subsidie wordt slechts verleend, indien de
subsidieaanvrager:
a. zijn aanvraag heeft onderbouwd met een projectplan en een
begroting;
b. aannemelijk heeft gemaakt dat zijn financiële middelen, met inbegrip
van de subsidie, voldoende zijn om de voorgenomen activiteiten uit te
voeren;
c. een zodanige werkwijze toepast dat redelijkerwijs mag worden
verwacht dat de met de subsidie beoogde doeleinden zullen worden
bereikt;
d. geen reële mogelijkheden heeft om op andere wijze de benodigde gelden
te verkrijgen;
e. aannemelijk heeft gemaakt dat de subsidiabele activiteiten voldoende
kunnen worden beïnvloed in kwalitatieve en kwantitatieve zin;
f. ervan mededeling doet indien hij voor dezelfde subsidiabele
activiteiten tevens subsidie van een ander bestuursorgaan heeft aangevraagd
of ontvangt, dan wel in verband daarmee van anderen inkomsten verwerft, in
welk geval met die andere subsidies of inkomsten rekening wordt gehouden bij
de subsidieverstrekking.
Art. 5.
Wijziging uitgaven of
ontvangsten Blijkt tijdens de uitvoering van de subsidiabele activiteiten
dat de werkelijke daarop betrekking hebbende uitgaven of ontvangsten aanzienlijk
lager blijven dan wel hoger zijn dan de bedragen opgenomen in de begroting die
aan de beschikking tot subsidieverlening ten grondslag ligt, dan deelt de
subsidieontvanger dit zo spoedig mogelijk mee aan het Lisv, onder opgave van de
verschillen en de oorzaken daarvan. Wijzigingen in het projectplan behoeven de
toestemming van het Lisv.
Art. 6.
Verplichtingen
subsidieontvanger
-1. Het Lisv verbindt aan subsidieverlening in ieder geval
de verplichtingen:
a. dat de gesubsidieerde activiteiten worden uitgevoerd conform het
projectplan;
b. dat de subsidieontvanger zo spoedig mogelijk, onder overlegging van
de relevante stukken, schriftelijk mededeling doet aan het Lisv van
omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de beslissing omtrent de
subsidie;
c. dat de subsidieontvanger een administratie voert die voldoet aan de
eisen dat:
1º. de inrichting aansluit bij de ingediende en goedgekeurde
begroting en het projectplan, en de informatie bevat die nodig is voor
een juist inzicht in de realisatie van de subsidiabele activiteiten en
voor een juiste subsidieverstrekking;
2º. de juistheid en volledigheid van de financiële gegevens er op
eenvoudige wijze uit kunnen worden opgemaakt;
d. dat, indien het Lisv tussentijdse rapportages verlangt over de
voortgang van de gesubsidieerde activiteiten of over de besteding van de
subsidie, deze rapportages uiterlijk één maand na het verstrijken van de
periode waarop de rapportage betrekking heeft, dienen te worden verstrekt;
en
e. dat de subsidieontvanger aan het Lisv op verzoek inzage geeft van de
in onderdeel c bedoelde administratie en alle inlichtingen verstrekt die
redelijkerwijs noodzakelijk zijn om een juist inzicht te verkrijgen in de
uitvoering van het projectplan, de besteding van de subsidie en de mate
waarin het project bijdraagt aan terugdringing van het beroep op een WW-uitkering.
-2. Het Lisv kan de subsidieontvanger ook andere
verplichtingen opleggen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de
subsidie.
Art. 7.
Informatieplicht
Lisv Het Lisv rapporteert jaarlijks vóór 1 mei aan
Onze Minister over het
bedrag aan de in het voorafgaande kalenderjaar verstrekte subsidies, de aard van
die subsidies, de effectiviteit daarvan en de mate waarin de in de betrokken
projecten geformuleerde doelstellingen zijn bereikt.
Art. 8.
Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na
de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
Art. 9.
Citeertitel Dit
besluit wordt aangehaald als: Besluit subsidieverstrekking WW.
Lasten en bevelen dat
dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 28 april 1999
BEATRIX
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F.
Hoogervorst
Uitgegeven de elfde mei 1999
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
NOTA
VAN TOELICHTING
[28 april 1999]
Algemeen
In
de Veegwet SZW 1998 is, met de introductie van de
artikelen 69 en 90,
eerste lid, onderdeel j, van de Werkloosheidswet (WW), voorzien in een
financieringsbron voor activiteiten die tot een verlaging van het volume
in de WW kunnen leiden, doch
die binnen de reguliere uitvoering van de WW niet financierbaar zijn.
In artikel 69 van de WW is bepaald dat het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) [zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.], met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels, subsidies kan
verstrekken voor tijdelijke projecten die ten doel hebben het beroep op een uitkering op grond van
de WW terug te dringen. In artikel 90 wordt geregeld dat die subsidies
ten laste komen van de wachtgeldfondsen.
In dit besluit wordt de
algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 69 van de WW,
vastgesteld. In dit besluit worden enkele randvoorwaarden en verplichtingen
omschreven die door het Lisv bij alle subsidieverstrekkingen op grond van
artikel 69 van de
WW in acht moeten
worden genomen. Bovendien is
een aantal bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb)
rechtstreeks van toepassing op de subsidieverhouding; dit betreft o.a. de
rechtsgevolgen van het stellen van een subsidieplafond, algemene
gronden om subsidie te kunnen weigeren en de mogelijkheid tot lagere
vaststelling, wijziging en intrekking van de subsidie (zie de toelichting
bij artikel 5). Daarnaast bevat de Awb nadere keuzemogelijkheden voor het
bestuursorgaan, in casu het Lisv. Op verscheidene andere plaatsen
in de toelichting wordt ingegaan op de relevante Awb-bepalingen.
Artikelsgewijs
Artikel
2. Subsidiedoel
Met het doel van
artikel 69
van de WW, namelijk de terugdringing van de volumeontwikkeling in de
WW, is tegelijkertijd de belangrijkste subsidievoorwaarde gegeven.
In de daartoe op te stellen
subsidieaanvraag dient dit aspect uitvoerig aandacht te krijgen.
Het Lisv kan slechts
subsidie verlenen, indien:
1. aannemelijk wordt gemaakt
dat door de voorgenomen activiteiten het aantal WW-gerechtigden
vermindert doordat, gedurende het tijdvak waarin die activiteiten
worden verricht, de instroom in de WW wordt beperkt dan wel dat de uitstroom uit de WW naar arbeid wordt bevorderd.
Dit is bijvoorbeeld het
geval als aannemelijk kan worden gemaakt dat als gevolg van de activiteiten
die voortvloeien uit het project een versnelde uitstroom naar een andere
sector leidt tot een verlaging van het aantal WW-gerechtigden, of door
gezamenlijke inspanning van meer sectoren, bijvoorbeeld door onderlinge
uitwisseling van personeel, het aantal WW-ers vermindert
(poolconstructies, uit- en inlenen van personeel, etc.). Toetssteen hiervan is met
name de aannemelijkheid dat de baten die aan het project kunnen worden toegerekend (in termen van
verminderde WW-uitgaven) de kosten
daarvan overtreffen; of
2. aangetoond wordt dat het
activiteiten betreft die gericht zijn op de ontwikkeling van
vernieuwende methoden om sectorspecifieke problemen ter zake van het
ontstaan van werkloosheid te bestrijden. Bijvoorbeeld het opzetten
van risicofondsen, het bestrijden van werkloosheid als gevolg van
onwerkbaar weer, etc.
Voorts moet, op grond van
het tweede lid, de subsidieaanvrager aantonen dat het
voorgestelde project feitelijk vernieuwende elementen bevat dan wel leidt tot
feitelijk vernieuwende elementen. Dat wil zeggen, elementen die nog niet eerder zijn
uitgeprobeerd of nog niet in een dergelijke combinatie zijn verkend of
nog niet in een duidelijk afwijkende context van de bedrijfstak zijn
onderzocht.
Het Lisv kan evenwel geen
subsidie verlenen indien aannemelijk is dat de voorgenomen activiteiten
in het kader van het project leiden tot oneerlijke concurrentie of
de activiteiten betrekking hebben op het geven van voorlichting.
Uiteraard kan geen subsidie
worden verleend als de voorgenomen activiteiten leiden tot contra-legemuitvoering van de WW.
Artikel
3. Subsidieplafond
In dit artikel is dwingend
voorgeschreven dat door het Lisv per wachtgeldfonds een
subsidieplafond wordt vastgesteld, daarbij geadviseerd door de sectorraden. De
vaststelling van een subsidieplafond geschiedt bij afzonderlijk
besluit van het Lisv. Gelet op de omschrijving van het begrip "subsidieplafond" in de
Awb, wordt bij de vaststelling daarvan tevens
bepaald voor
welk tijdvak het subsidieplafond geldt. Ingevolge artikel 4:25 van
de Awb wordt een subsidie geweigerd, voor zover door verstrekking
daarvan het subsidieplafond zou worden overschreden.
In artikel 116 van de WW
zal, door middel van wetswijziging, worden bepaald dat de door het Lisv
vastgestelde subsidieplafonds de goedkeuring van de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid behoeven.
Artikel
4. Subsidieverlening
In dit artikel worden enkele
algemene subsidievoorwaarden geformuleerd.
Subsidieverstrekking vindt
op aanvraag plaats. De aanvraag moet worden onderbouwd met een
projectplan en een daarbij behorende begroting. Het projectplan
en de begroting vormen de basis voor de subsidieverlening en (na verantwoording achteraf) voor de subsidievaststelling
(zie artikel 5). Voorts
worden enkele voorwaarden geformuleerd die erop gericht zijn
voldoende zeker te stellen dat de doelstelling van het project wordt
bereikt en dat niet meer subsidie wordt verstrekt dan strikt noodzakelijk is.
Uiteraard vindt, indien niet aan alle voorwaarden is voldaan, weigering van de subsidie niet plaats dan na
overleg met de aanvrager.
Daarbij is van belang dat indien een aanvraag onvolledig is of de
verstrekte gegevens onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag,
de aanvrager in de gelegenheid wordt gesteld binnen een daarbij
bepaalde termijn de aanvraag aan te vullen (artikelen 3:18 en
4:5 van
de Awb). In artikel 4:35 van de
Awb worden enkele andere gronden
genoemd die kunnen leiden tot weigering van de subsidie, namelijk indien er
gegronde verwachting bestaat dat de activiteiten niet zullen
plaatsvinden, dat niet zal worden voldaan aan de subsidieverplichtingen of
dat geen behoorlijke rekening en verantwoording zal worden afgelegd indien
de aanvrager onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt of
indien hij in staat van faillissement of surseance van betaling
verkeert of een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend. De
artikelen 4:46, 4:48,
4:49 en 4:50 van de
Awb regelen voorts dat in een aantal
gevallen de subsidie lager kan worden vastgesteld dan bij de subsidieverlening
is bepaald en de subsidieverlening of de subsidievaststelling kan
worden ingetrokken of ten nadele van de ontvanger kan worden
gewijzigd. Het gaat daarbij o.a. over gevallen waarin de gesubsidieerde
activiteiten niet of niet geheel hebben plaatsgevonden, de subsidieontvanger niet
aan de subsidieverplichtingen voldoet of onjuiste gegevens heeft
verstrekt of waarin de subsidie op andere gronden onjuist was en de
ontvanger dat wist of behoorde te weten. Ook het niet voldoen aan de in
dit besluit of een subsidiebeschikking opgenomen verplichtingen kan derhalve tot een intrekking of wijziging
aanleiding geven.
Voor de vaststelling van de
hoogte van de subsidie is relevant welke inkomsten of subsidies de
subsidieontvanger daarnaast nog ontvangt in verband met de
gesubsidieerde activiteiten of de gesubsidieerde resultaten en producten
daarvan. Daarom moet hij daarin inzicht bieden bij de aanvraag. Aldus kan
het te ontvangen subsidiebedrag worden afgestemd op de overige
relevante financiële middelen van de aanvrager.
Artikel
5. Wijziging
uitgaven of ontvangsten
Een beschikking tot
subsidieverlening bevat ingevolge de artikelen 4:30 en
4:31 van de Awb
een
omschrijving van de activiteiten of output waarvoor subsidie wordt
verleend en het subsidiebedrag. De omschrijving van de
activiteiten kan later worden uitgewerkt indien dat in de beschikking is bepaald
(artikel 4:30, tweede lid, van de Awb). Indien (wat veelal het geval is)
geen vast subsidiebedrag wordt verstrekt, wordt de wijze waarop het
subsidiebedrag wordt vastgesteld vermeld en het maximaal vast te stellen
bedrag (het individuele subsidieplafond; artikel
4:31, tweede lid, van de Awb). In het projectplan worden de
voorgenomen activiteiten of
output en de nagestreefde doelstellingen weergegeven; per activiteit
worden de daarvoor benodigde personele en materiële middelen vermeld.
Om de nodige flexibiliteit in te kunnen bouwen, is bepaald dat het
voornemen tot wijzigingen in het projectplan en aanzienlijke afwijking
van de begroting moeten worden meegedeeld aan het Lisv. Daarna kan in
voorkomende gevallen (indien een begrotingsoverschrijding of een bijstelling van het
projectplan redelijk wordt bevonden en er - in geval
van meeruitgaven of lagere ontvangsten - uiteraard nog geld
beschikbaar is) de beschikking tot subsidieverlening worden aangepast.
Indien de beschikking niet
wordt aangepast, blijft - op grond van artikel 4:46 van de
Awb - de
oorspronkelijke begroting/projectplan basis voor de uiteindelijke vaststelling.
Met betrekking tot outputsubsidiëring wordt de subsidie vooral gerelateerd
aan het projectplan waarin inzicht wordt gegeven over de nagestreefde
output. De begroting is daarbij vooral relevant om inzicht te
kunnen bieden in de subsidie per eenheid output.
Artikel
6. Verplichtingen
subsidieontvanger
Op grond van dit artikel kan
het Lisv de subsidieontvanger verplichtingen opleggen. In ieder geval
dient het Lisv de onder a tot en met e genoemde verplichtingen op
te leggen. Bij de subsidiebeschikking kunnen voorts andere verplichtingen
worden opgelegd, die betrekking hebben op de in artikel 4:37 van de
Awb opgesomde onderwerpen, of anderszins strekken tot verwezenlijking
van het subsidiedoel (artikel 4:38 van de Awb). Zo kunnen bijvoorbeeld verplichtingen worden opgelegd met
betrekking tot de
openbaarmaking van de resultaten van de gesubsidieerde activiteiten. Krachtens
artikel 4:40 van de Awb kunnen de verplichtingen na de subsidieverlening
nader worden uitgewerkt, voor zover de beschikking tot
subsidieverlening dat vermeldt. De belangrijkste verplichting is
uiteraard
dat de gesubsidieerde activiteiten worden uitgevoerd overeenkomstig
hetgeen in de subsidieverlening op basis van het projectplan (en daarbij
behorende begroting) is bepaald en dat de subsidieverplichtingen
worden nageleefd. De subsidie moet voorts op doelmatige wijze worden
gebruikt voor de subsidiedoeleinden.
Artikel
7. Informatieplicht
Lisv
Teneinde de
Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid in staat te stellen kennis te nemen van
de uitkomsten van de gesubsidieerde projecten en daar zo nodig
beleidsmatig op te reageren, is de verplichting opgenomen voor het Lisv
om
deze minister jaarlijks vóór 1 mei te rapporteren over de in het
voorafgaande kalenderjaar gesubsidieerde projecten. Deze datum stemt
overeen met de datum waarvoor het Lisv met betrekking tot - onder
meer - de wachtgeldfondsen jaarlijks de Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid een opgave dient te doen van de gerealiseerde baten
en lasten alsmede de vermogenspositie met betrekking tot het
voorafgaande jaar.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
|