|
BESLUIT van 10 december 1987, houdende
vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen
17, vierde lid, en 42, negende lid, van de Werkloosheidswet (Besluit verlaagde wekeneis Werkloosheidswet)
¹
1. Redactie:
ingevolge artikel X, onderdeel B, van het Besluit van 2 december 2005, Stb.
2005, 620, is de citeertitel van het onderhavige besluit vervangen door:
Besluit verlaagde wekeneis Werkloosheidswet en Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen.
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
van 17 september 1987, Directoraat-Generaal Sociale Zekerheid, Directie Sociale
Verzekeringen, Hoofdafdeling Werknemersverzekeringen, Afdeling
Werkloosheidsregelingen, nr. SVW/87/07458;
Gelet op artikel 17a, derde lid, van de Werkloosheidswet;
De Raad
van State gehoord (advies van 20 november 1987, nr. W12.87.0480);
Gezien het
nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van
30 november 1987, Directoraat-Generaal Sociale Zekerheid, Directie Sociale
Verzekeringen, Hoofdafdeling Werknemersverzekeringen, Afdeling
Werkloosheidsregelingen, nr. SVW/87/9118;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Art. 1.
-1. Het aantal weken, bedoeld in artikel
17, onderdeel
a, van de Werkloosheidswet en artikel
58, eerste lid, onderdeel a, van de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarin
ten minste als werknemer arbeid moet zijn verricht, wordt gesteld op 16 ten
aanzien van de werknemer die in de periode van 39 weken onmiddellijk
voorafgaande aan het intreden van zijn werkloosheid in een onregelmatig
arbeidspatroon uitsluitend of vrijwel uitsluitend als musicus of anderszins als
artiest, dan wel als filmmedewerker arbeid in dienstbetrekking heeft
verricht.
-2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de
werknemer die de in het eerste lid bedoelde artiest of musicus in hetzelfde of
nagenoeg hetzelfde arbeidspatroon in zijn optreden technisch heeft
ondersteund.
Art. 2.
-1. Het aantal weken, bedoeld in artikel
17, onderdeel
a, van de Werkloosheidswet, waarin
ten minste als werknemer arbeid moet zijn verricht, wordt ten aanzien van een
werknemer als bedoeld in het tweede, derde of vierde lid, die in de periode van
39 weken onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn werkloosheid
grotendeels arbeid in dienstbetrekking heeft verricht als omschreven in die
leden, voor zover die arbeid naar zijn aard slechts beschikbaar is gedurende
één
of meer jaarlijks terugkerende perioden, gesteld op het bij die arbeid
omschreven aantal.
-2. Het aantal weken wordt gesteld op 13 ten aanzien van
een werknemer die arbeid heeft verricht in de beetwortelindustrie.
-3. Het aantal weken wordt gesteld op 16 ten aanzien van
een werknemer die:
a. agrarische arbeid in het algemeen heeft verricht;
b. arbeid heeft verricht in de aardappelmeelindustrie;
c. arbeid heeft verricht bij transportbedrijven ten behoeve van vervoer
van aardappels en suikerbieten;
d. arbeid heeft verricht in de groente- en fruitverwerkende
industrie;
e. arbeid heeft verricht in de visconservenindustrie; of
f. arbeid heeft verricht als kermismusicus.
-4. Het aantal weken wordt gesteld op 20 ten aanzien van
een werknemer die:
a. arbeid heeft verricht in de hotel-, restaurant-, café-, pension-
en aanverwante bedrijven;
b. arbeid heeft verricht in bakkersbedrijven, mits de aard van die
arbeid overeenkomt met de in onderdeel a. genoemde arbeid;
c. arbeid heeft verricht als aardappelkarteerder en controleur;
d. arbeid heeft verricht bij reisbureaus, toerwagenondernemingen,
verenigingen voor vreemdelingenverkeer, jeugdherbergen, vakantieverblijven,
kampeercentra, strandexploitanten, speeltuinen, speelterreinen, instellingen
en inrichtingen voor lichamelijke opvoeding en sportbeoefening, bad- en
zweminrichtingen, tentoonstellingen of musea;
e. arbeid heeft verricht in bedrijven die rondvaarten en toerwagenreizen
organiseren;
f. arbeid heeft verricht als expeditie- of pakhuispersoneel, in dienst
van groothandelaren of commissionairs in land- en tuinbouwproducten;
g. sorteer- en dergelijke arbeid heeft verricht bij tuinbouwveilingen,
tuinbouwverenigingen en bij de detailhandel in bloembollen;
h. arbeid heeft verricht in het winkelbedrijf;
i. arbeid heeft verricht in het veenbedrijf;
j. arbeid heeft verricht in het bontbedrijf, de bontverwerkende en
garnerende bedrijven;
k. arbeid heeft verricht in de spoelderij en pakkerij van het
witlofbedrijf; of
l. arbeid heeft verricht in
luchtvaartbedrijven.
-5. Indien een werknemer in de periode van 39 weken,
bedoeld in het eerste lid, arbeid als genoemd in het tweede, derde of vierde lid heeft verricht die onder meer leden of onderdelen is gerangschikt, wordt
het aantal weken gesteld op het aantal weken behorende bij de arbeid die in het
grootste aantal weken is verricht.
-6. Indien een werknemer in de periode van 39 weken, bedoeld in het
eerste lid, in een gelijk aantal weken arbeid als genoemd in het tweede,
derde of vierde lid heeft verricht die onder meer leden of onderdelen
is gerangschikt, wordt het aantal weken gesteld op het aantal behorende
bij de arbeid waarbij het kleinste aantal weken staat vermeld.
Art. 3. Vervallen.
Art. 4. Dit besluit kan worden aangehaald
onder de titel "Besluit verlaagde wekeneis Werkloosheidswet en Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen".
Art. 5. Dit besluit treedt in werking met
ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad
waarin het is geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 1987.
Lasten en bevelen dat
dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden
gezonden aan de Raad van State.
's-Gravenhage, 10 december 1987
BEATRIX
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
L. de Graaf
Uitgegeven de zevende januari 1988
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
|
|