|
BESLUIT van 26 juni 2009 tot vaststelling van regels met betrekking
tot de inkomsten uit arbeid, bedoeld in artikel
35aa, eerste lid, van de Werkloosheidswet,
de berekening daarvan en de periode waaraan deze worden toegerekend (Inkomstenbesluit
Werkloosheidswet)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op
de voordracht van Onze Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid van 16 maart 2009, Directie
Inkomensverzekeringen en -voorzieningen, nr. IVV/I/2009/5640;
Gelet op artikel 35aa,
tweede lid, van de Werkloosheidswet;
De Raad van State
gehoord (advies van 22 april 2009, nr. W12.09.0080/III);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 24 juni 2009, Directie
Inkomensverzekeringen en -voorzieningen, nr. IVV/I/2009/9844;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Art. 1.
Begripsbepalingen
In dit besluit wordt
verstaan onder:
a. aangiftetijdvak: het
tijdvak van vier weken dan wel één maand waarop de aangifte waarop de
ingehouden loonbelasting wordt afgedragen betrekking
heeft;
b. verlof: een tussen de
werkgever en werknemer voor een gedeelte of het geheel van de
arbeidstijd overeengekomen tijdvak waarin de werknemer geen arbeid jegens
de werkgever verricht;
c. werknemersverzekering: de
werknemersverzekeringen, bedoeld in artikel 2, onderdeel
c, van
de Wet financiering sociale verzekeringen en
de vrijwillige werknemersverzekeringen, bedoeld in artikel 2,
onderdeel d, van de Wet financiering sociale verzekeringen;
d. aanvangsjaar: het
kalenderjaar dan wel, indien artikel 3.66 van de Wet
inkomstenbelasting 2001 van
toepassing is, het boekjaar waarin de werknemer de werkzaamheden,
bedoeld in artikel 77a, eerste lid, van de
Werkloosheidswet, is gaan
verrichten.
Art. 2.
Omschrijving
inkomsten uit arbeid
-1. Onder inkomsten uit
arbeid als bedoeld in artikel 35aa, eerste lid, van
de Werkloosheidswet wordt
verstaan:
a. hetgeen onder loon wordt
verstaan in artikel 16, eerste en tweede lid,
van de Wet financiering
sociale verzekeringen voor de werknemer, bedoeld in artikel
1,
onderdeel o, van die wet, met dien verstande dat niet
tot de inkomsten uit arbeid
worden gerekend:
1º. uitkeringen op grond
van een werknemersverzekering, al dan niet vermeerderd met een toeslag
op grond van de Toeslagenwet en de aanvullingen daarop van
degene tot wie de werknemer in dienstbetrekking staat;
2º. hetgeen wordt genoten
op grond van artikel 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede
hetgeen door de werknemer met een publiekrechtelijke
dienstbetrekking wordt genoten op grond van naar aard en strekking overeenkomstige
regelingen, al dan niet vermeerderd met een toeslag op grond van de
Toeslagenwet en de aanvullingen daarop van degene tot wie de werknemer
in dienstbetrekking staat;
b. het belastbaar loon of
het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, bedoeld in paragraaf 3.3.1
onderscheidenlijk paragraaf 3.4.1 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, behoudens voor zover het een werkzaamheid betreft als
bedoeld in de artikelen 3.91, eerste lid, onderdeel a en b, en 3.92 van
die wet,
voor zover de werknemer geen werknemer is als bedoeld in
onderdeel a;
c. de belastbare winst uit
onderneming, bedoeld in paragraaf 3.2.1 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, vermeerderd met de ondernemersaftrek,
bedoeld in artikel 3.74 van die wet,
en de MKB-winstvrijstelling, bedoeld in paragraaf 3.2.5 van die wet,
met dien verstande dat de bestanddelen van de winst, bedoeld in artikel
3.78, derde lid, van die wet,
niet geacht worden te behoren tot die winst;
d. een uitkering op grond
van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 2 van
de Wet arbeid en zorg aan de
zelfstandige of de beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst, bedoeld
in artikel 3:17, eerste lid, onderdeel a en
b, van die wet.
-2. Indien de berekening van
de inkomsten uit arbeid, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b en
c, leidt tot een negatief bedrag, worden die inkomsten op nihil gesteld.
Art. 3.
Uitbreiding
omschrijving inkomsten uit arbeid
-1. Gedurende de periode dat
de werknemer recht heeft op:
a. een uitkering op grond
van een werknemersverzekering, met uitzondering van een
uitkering op grond van de Werkloosheidswet, anders
dan bedoeld onder b en c;
b. een uitkering in verband
met vorstwerkloosheid als bedoeld in artikel 18 van de
Werkloosheidswet
of werkloosheid die uitsluitend het gevolg is van verkorting van de
werktijd waarvoor op grond van artikel 8, derde lid,
van het Buitengewoon Besluit
Arbeidsverhoudingen 1945 ontheffing is verleend;
c. een uitkering als bedoeld
in hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet;
of met verlof is, worden
tevens als inkomsten uit arbeid beschouwd de inkomsten uit arbeid die
werden genoten in het aangiftetijdvak voorafgaand aan het aangiftetijdvak
waarin:
1º. het recht ontstond op
een uitkering als bedoeld onder a, b of c;
2º. het verlof aanving.
-2. Niet als inkomsten uit
arbeid wordt beschouwd het loon dat door de werknemer wordt genoten
indien hij tegelijkertijd uit hoofde van dezelfde arbeidsrelatie inkomsten als
bedoeld in het eerste lid geniet.
-3. Indien een uitkering als
bedoeld in het eerste lid niet tot uitbetaling komt omdat deze niet is
aangevraagd, wordt voor de toepassing van dit besluit de uitkering in
aanmerking genomen als ware deze genoten.
Art. 4.
Berekening
inkomsten uit arbeid van de langdurig werkloze
-1. De inkomsten uit arbeid,
bedoeld in de artikelen 2, eerste lid, onderdeel a, en
3, worden
over een periode van ten hoogste 52 kalenderweken op basis van het per
kalenderweek gewerkte aantal uren berekend naar de gemiddelde inkomsten
per kalenderweek.
-2. De gemiddelde inkomsten
per kalenderweek worden gebaseerd op de opgave door de werkgever of
de inhoudingsplichtige van het loon van de werknemer in de
aangiftetijdvakken gelegen in de periode, bedoeld in het eerste lid.
Art. 5.
Berekening
inkomsten uit arbeid van de startende zelfstandige
De inkomsten uit arbeid,
bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, c en
d, van de startende
zelfstandige worden berekend op basis van de volgende formule:
I = I1 + ((I2 x W) / 52)
waarbij:
I = de inkomsten uit arbeid;
I1 = de inkomsten over het
aanvangsjaar;
I2 = de inkomsten over het
jaar gelegen na het aanvangsjaar;
W = het aantal weken gelegen
tussen de eerste dag van het aanvangsjaar en de dag
waarop de toestemming, bedoeld in artikel 77a, eerste lid, van
de Werkloosheidswet is verleend.
Art.6.
Toerekening
inkomsten uit arbeid van de startende zelfstandige
-1. Indien de uitkering per
maand wordt betaald, worden de inkomsten uit arbeid per maand
vastgesteld op 8,33% van de inkomsten, bedoeld in artikel
2, eerste lid, onderdeel b, c en d.
-2. Indien de uitkering per
week of een veelvoud daarvan wordt betaald, worden de inkomsten uit
arbeid per week vastgesteld op 1,92% van de inkomsten, bedoeld in
artikel 2, onderdeel b, c en d.
Art. 7.
Omrekening
-1. Indien het bij de
toepassing van artikel 4 noodzakelijk is om niet in euro’s uitgedrukte
inkomsten uit arbeid om te rekenen in euro’s, geschiedt dat met behulp van de door
de Europese Centrale Bank geadviseerde wisselkoersen.
-2. Een wijziging van een wisselkoers, als bedoeld in het eerste
lid, beïnvloedt de vastgestelde
inkomsten uit arbeid niet, met dien verstande dat:
a. bij wijziging van de
inkomsten uit arbeid, anders dan ten gevolge van de koersmutaties, een
omrekening plaatsvindt; en
b. ten minste eens per jaar
een omrekening plaatsvindt.
Art. 8.
Intrekking
Het Besluit vaststelling inkomsten startende
zelfstandigen WW wordt ingetrokken.
Art. 9.
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in
werking op het tijdstip waarop de Wet van 25 juni 2009 tot wijziging van de
Werkloosheidswet in verband met het vergroten van kansen op werk voor
langdurig werklozen (Stb. 2009, 269) in werking treedt.
Art. 10.
Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald
als: Inkomstenbesluit Werkloosheidswet.
Lasten en bevelen dat dit
besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het
Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 26 juni
2009
BEATRIX
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
J.P.H. Donner
Uitgegeven de dertigste juni
2009
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
NOTA
VAN TOELICHTING
[26 juni 2009]
Algemeen
1. Inleiding
Aanleiding voor dit besluit
is de Wet van 25 juni 2009 tot wijziging van de
Werkloosheidswet in verband met het vergroten van kansen op werk voor
langdurig werklozen (Stb. 2009, 269). Met deze wet worden voor langdurig werklozen de gevolgen van
werkhervatting gewijzigd. In plaats van een beëindiging van de
uitkering naar rato van het aantal arbeidsuren, worden die inkomsten uit arbeid
verrekend met de uitkering. De mogelijkheid om met verrekening van
inkomsten als zelfstandige te gaan werken, was al sinds 1 juli 2006 in de
Werkloosheidswet (WW) opgenomen.
Hoofdregel in de
WW is dat
wanneer een WW-gerechtigde voor een aantal uren gaat werken, de
WW-uitkering naar evenredigheid van dat aantal uren wordt verlaagd.
In twee situaties, te weten bij de startende zelfstandige en de langdurig
werkloze WW-gerechtigde, vindt geen urenverrekening plaats, maar
wordt in bepaalde situaties inkomstenverrekening toegepast.
In artikel 35aa, eerste lid,
van de WW is geregeld dat de WW-uitkering van de langdurig
WW-gerechtigde en van de startende zelfstandige - onder bepaalde voorwaarden
- verminderd wordt met 70% van de inkomsten uit arbeid. In dit
besluit is geregeld wat onder die "inkomsten uit arbeid" moet worden
verstaan, hoe die inkomsten worden vastgesteld en aan welke periode ze
moeten worden toegerekend. De WW bepaalt dus in welke situaties
inkomstenverrekening wordt toegepast en het Inkomstenbesluit
Werkloosheidswet regelt welke inkomsten worden verrekend met de
WW-uitkering.
2. Achtergrond
Dit inkomstenbesluit is van
toepassing op de WW-gerechtigde die als startende zelfstandige aan
de slag gaat en op de langdurig werkloze WW-gerechtigde die het werk
hervat. Op grond van de WW heeft de WW-gerechtigde de
mogelijkheid om gedurende zes maanden te starten als zelfstandige met behoud
van zijn uitkering. Voor de langdurig werkloze WW-gerechtigde die het werk
hervat, wordt de systematiek van arbeidsurenverrekening vervangen door
inkomstenverrekening. Hierdoor wordt aanvaarding van een baan met
een lager loon dan het oude loon vanuit de WW gestimuleerd. Voor
beide categorieën wordt 70% van de inkomsten uit arbeid in
mindering gebracht op de WW-uitkering. De startende zelfstandige zal
met name winst uit onderneming genieten en de langdurig werkloze loon
uit dienstbetrekking. Als gevolg hiervan verschilt de wijze van
berekening en toerekening van de inkomsten aan de periodes. In de volgende
paragrafen is per categorie beschreven in welke situaties sprake is van
inkomstenverrekening en wat hierover is geregeld in dit inkomstenbesluit.
3. Startende zelfstandigen
Op grond van artikel
77a van
de WW kan een WW-gerechtigde, na
toestemming van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), gedurende maximaal
zes maanden werken als zelfstandige met behoud van de WW-uitkering.
Deze regeling geldt vanaf 1 juli 2006 en heeft tot doel het starten
als zelfstandige ondernemer vanuit de WW-uitkering te bevorderen.
Op de WW-uitkering wordt 70% van de uit de onderneming gegenereerde
inkomsten tijdens deze startperiode in mindering gebracht. Anders
gezegd, 30% van die inkomsten wordt vrijgelaten. Het is dus
vanaf de start al lonend om inkomsten te verwerven.
Onder
"inkomsten uit arbeid" voor de startende zelfstandige wordt verstaan de belastbare winst
uit onderneming. Hier is aangesloten bij het fiscale inkomensbegrip. De
uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg waarvoor de zwangere en
bevallen zelfstandige in aanmerking komt, wordt eveneens beschouwd als
"inkomsten uit arbeid". Zodoende wijzigt de hoogte van de WW-uitkering niet tijdens het
zwangerschaps- en bevallingsverlof.
De definitieve vaststelling
van de WW-uitkering kan pas geruime tijd na de periode waarover de
inkomsten zijn genoten, plaatsvinden. Om die reden verstrekt het UWV
voorschotten op de WW-uitkering. Deze voorschotten zijn gebaseerd
op een schatting van de inkomsten. Als de belastingdienst de inkomsten
van de startende zelfstandige aanmerkt als resultaat uit overige
werkzaamheden of als loon, worden deze op dezelfde wijze toegerekend en
verrekend met de WW-uitkering.
Dit inkomstenbesluit komt
wat de vaststelling van de inkomsten uit arbeid van de startende
zelfstandige betreft in de plaats van het Besluit
vaststelling inkomsten startende zelfstandigen WW. De bepalingen van
dat besluit zijn vrijwel
ongewijzigd overgenomen in dit inkomensbesluit. Het Besluit vaststelling
inkomsten startende zelfstandigen WW is daarom ingetrokken.
3.1. Toerekening van
inkomsten uit arbeid van de startende zelfstandigen
Zoals reeds hiervoor
aangegeven, vindt de verrekening van de inkomsten van de startende
zelfstandige plaats gedurende de eerste zes maanden. Hierbij kan niet
worden uitgegaan van een kalenderjaar of boekjaar. Daarom is ervoor
gekozen om de inkomsten over een periode van twaalf maanden vanaf de
aanvang van de werkzaamheden als zelfstandige als
uitgangspunt te nemen. De toerekening van die inkomsten is als volgt
geregeld. De inkomsten over een periode van twaalf maanden na de start als
zelfstandige worden naar rato verdeeld over die twaalf maanden. Hetzelfde
gebeurt met de eventuele uitkering die de zelfstandige ontvangt op
basis van de Wet arbeid en zorg. Vervolgens wordt de helft daarvan
verrekend met de WW-uitkering die betrokkene als
startende zelfstandige heeft
genoten.
Er is voor gekozen aan te
sluiten bij het fiscale inkomensbegrip. Dit heeft als belangrijk
voordeel dat bij de berekening van het bedrag waarmee de uitkering moet
worden verminderd, kan worden aangesloten bij het belastbaar loon, het
belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden en belastbare winst, zoals
dit door de fiscus wordt vastgesteld. Dit heeft tot gevolg dat
definitieve afrekening pas geruime tijd na de periode waarover de inkomsten op de
WW-uitkering in mindering worden gebracht, kan plaatsvinden.
In die periode worden voorschotten verstrekt op de WW-uitkering, die zijn
gebaseerd op een schatting van de inkomsten.
4. Langdurig werkloze
WW-gerechtigden
De Wet van 25 juni 2009 tot wijziging van de
Werkloosheidswet in verband met het vergroten van kansen op werk voor
langdurig werklozen wijzigt voor WW-gerechtigden
die langer dan 52 weken werkloos zijn de gevolgen van werkhervatting
voor de berekening van de WW-uitkering. Bij werkhervatting na
langdurige werkloosheid worden de inkomsten die de WW-gerechtigde verwerft
met zijn nieuwe werk verrekend met de WW-uitkering.
Inkomstenverrekening voorkomt dat de werknemer, door te hervatten in lager betaalde
arbeid, een financieel nadeel lijdt ten opzichte van zijn WW-uitkering.
Inkomstenverrekening in combinatie met de Richtlijn
passende arbeid 2008 ¹ stimuleert dat langdurig werklozen weer aan het werk gaan. Deze
bepaling betreft uitsluitend personen die het werk hervatten als
werknemer. Voor de langdurig werklozen die starten als zelfstandige geldt hetgeen
hierboven is beschreven.
1. Richtlijn
passende arbeid 2008, Stcrt. 2008, 123.
Onder
"inkomsten uit arbeid" voor de langdurig werkloze WW-gerechtigde
wordt verstaan het loon in
de zin van de werknemersverzekeringen. Dit is geregeld in artikel
16 van de Wet financiering sociale verzekeringen
(Wfsv). Uitgangspunt bij het
ontvangen van een loondervingsuitkering of het opnemen van (onbetaald)
verlof is dat dit geen gevolgen heeft voor de hoogte van de WW-uitkering.
In dit inkomstenbesluit wordt daarom geregeld dat in deze
situaties uitgegaan wordt van de hoogte van het inkomen dat werd genoten in
de aangifteperiode vóór de aanvang van de uitkering of het verlof. Het
gaat hierbij om alle vormen van betaald of onbetaald verlof. Het
betreft hier dus ook de vormen van verlof op grond van de Wet arbeid en
zorg.
De definitieve vaststelling
van de WW-uitkering kan pas plaatsvinden als door de WW-gerechtigde
informatie over de inkomsten wordt doorgegeven aan het UWV
of
de loonaangifte van de werkgever is opgenomen in de
polisadministratie. Om die reden verstrekt het UWV voorschotten op de
WW-uitkering. Deze voorschotten zijn gebaseerd op een schatting van de inkomsten. Bij de definitieve vaststelling van de
uitkering wordt om
uitvoeringstechnische redenen rekening gehouden met het gemiddeld sv-loon
[socialeverzekeringsloon, red.] over een bepaalde periode, die maximaal 52 kalenderweken bedraagt.
4.1. Toerekening van
inkomsten langdurig werkloze WW-gerechtigden
Zoals gezegd, wordt bij de
definitieve vaststelling van de WW-uitkering rekening gehouden met het
gemiddelde sv-loon over een bepaalde periode. Dit betekent dat
het sv-loon (inclusief opgebouwde vakantietoeslag en eenmalige uitkeringen,
nabetalingen of bonussen) over een periode wordt gemiddeld en
toegerekend aan die periode. Daarmee wordt bereikt dat eventueel
toegekende eenmalige uitkeringen, nabetalingen of bonussen worden uitgesmeerd
over die gehele uitkerings- en werkperiode of - indien korter - over de periode waarover maximaal recht op WW-uitkering bestaat.
De voorgestelde systematiek
werkt als volgt uit. Een langdurig werkloze WW-gerechtigde gaat voor 20
uur per week werken met een sv-uurloon van €|10,-. Na 26 weken
wordt zijn sv-uurloon verhoogd tot €|14,-. Het
sv-loon over een periode van
52 weken wordt gemiddeld (26 weken x 20 uren x €|10,- + 26 weken x
20 uren x €|14,- gedeeld door 52 weken = €|240,- per week) en toegerekend aan
die 52 weken. De sv-inkomsten van betrokkene over die periode
van 52 kalenderweken bedragen dan dus €|240,- per week.
Artikelsgewijs
Artikel
1. Begripsbepalingen
Dit artikel bevat enkele
definities.
In onderdeel a is voor de
toepassing van artikel 3 omschreven wat onder aangiftetijdvak moet
worden verstaan. Het betreft de tijdvakken van één maand dan wel vier weken
waarop de aangifte loonbelasting betrekking heeft.
Onderdeel
d bepaalt dat
onder het aanvangsjaar het kalenderjaar wordt verstaan, tenzij artikel
3.66 van de Wet
inkomstenbelasting 2001 van toepassing is. In dat geval
wordt het boekjaar als aanvangsjaar beschouwd. In veel gevallen
zal het boekjaar samenvallen met het kalenderjaar. Dat hoeft
evenwel niet het geval te zijn. Indien de aard van de onderneming dit rechtvaardigt, mag de winst worden bepaald over het
niet met het kalenderjaar
samenvallend boekjaar. De winst van een niet met het kalenderjaar
samenvallend boekjaar wordt beschouwd als winst van het kalenderjaar waarin
het boekjaar is geëindigd (zie artikel 3.66 van de Wet
inkomstenbelasting 2001).
Artikel
2. Omschrijving
inkomsten uit arbeid
In dit artikel is omschreven
wat onder "inkomsten uit arbeid" moet worden verstaan als bedoeld
in artikel 35aa, eerste lid, van de
WW. Voor de omschrijving van
inkomsten uit arbeid wordt verwezen naar het sv-loon, bedoeld in artikel
16, eerste en tweede lid, van de Wfsv, voor
werknemers in de zin van de
werknemersverzekeringen. Op grond van artikel 20, zesde
lid,
onderdeel b, van de WW worden
uitsluitend de inkomsten in
aanmerking genomen van werkzaamheden die de langdurig werkloze
als werknemer (in de zin van de werknemersverzekeringen) verricht. Uitsluitend de
inkomsten uit werkzaamheden als werknemer in de zin van de
werknemersverzekeringen komen derhalve voor verrekening in aanmerking: dat is het loon, bedoeld in
artikel 2, onderdeel a. Eventuele
andere inkomsten uit arbeid worden voor de langdurig werkloze buiten
beschouwing gelaten voor de inkomstenverrekening van artikel
35aa, eerste
lid, aanhef en onder b, van de WW. In dat geval eindigt het
recht op WW voor het aantal uren dat de langdurig werkloze gaat
werken (artikel 20, eerste lid, onderdeel a,
van de WW).
Voor personen die hun arbeid
verrichten zonder dat er sprake is van sv-loon, wordt voor de
omschrijving van inkomsten uit arbeid aangesloten bij het belastbaar loon uit
tegenwoordige arbeid, het belastbaar resultaat uit overige
werkzaamheden en de belastbare winst uit onderneming, als bedoeld in de Wet
inkomstenbelasting 2001.
In artikel 2 van dit besluit
is de hoofdregel voor de bepaling van de inkomsten uit arbeid
opgenomen. Artikel 3 regelt in aanvulling daarop welke inkomstenbestanddelen
bovendien nog als inkomsten uit arbeid worden beschouwd.
Artikel
2, eerste lid,
onderdeel a, regelt dat voor werknemers als bedoeld in artikel
1,
onderdeel o, van de Wfsv het inkomen uit arbeid
gelijk is aan het sv-loon (het loon, bedoeld in artikel 16, eerste en tweede
lid, van de Wfsv). Een
werknemer in de zin van de Wfsv is, volgens artikel
1, onderdeel o, van die wet,
de werknemer in de zin van de Werkloosheidswet, de
Ziektewet, de Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen of de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
In artikel
2, eerste lid, onderdeel b en c, wordt geregeld dat de inkomsten uit arbeid van
degenen die een bedrijf of een zelfstandig beroep uitoefenen gelijk
zijn aan het belastbare loon uit tegenwoordige arbeid, het belastbare
resultaat uit overige werkzaamheden of de belastbare winst uit
onderneming.
Artikel
2, tweede lid,
regelt dat indien de berekende winst of het berekende resultaat negatief
is, deze bedragen niet worden meegenomen bij de bepaling van de inkomsten.
Voor de hoofdregel van de
inkomsten uit arbeid kan in het merendeel van de gevallen worden
uitgegaan van het sv-loon als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel
a.
Dit gegeven is beschikbaar in de polisadministratie en kan veelal gebruikt
worden zonder dat daar een correctie op nodig is.
Artikel
3. Uitbreiding
omschrijving inkomsten uit arbeid
In dit artikel is bepaald
hoe de inkomsten uit arbeid moeten worden bepaald voor die perioden
dat de werknemer recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet,
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
of de Wet werk en inkomen
naar arbeidsvermogen, een WW-uitkering in verband met buitengewone
natuurlijke omstandigheden (vorstverlet), werktijdverkorting of betalingsonmacht van de werkgever, of
met verlof is.
In dat geval wordt bij de
berekening van de inkomsten uit arbeid uitgegaan van de inkomsten
uit arbeid in een eerder aangiftetijdvak, namelijk het aangiftetijdvak
dat voorafgaat aan het aangiftetijdvak waarin het recht op uitkering
ontstond of het verlof aanving.
Indien ingevolge het eerste
lid in een bepaald aangiftetijdvak de inkomsten uit arbeid in een
voorafgaand aangiftetijdvak als inkomsten uit arbeid worden beschouwd,
wordt het eventuele loon uit hoofde van dezelfde arbeidsrelatie van
die werknemer in dat aangiftetijdvak niet meegeteld.
In het derde lid is bepaald
dat indien een loondervingsuitkering niet tot uitbetaling komt omdat deze
niet is aangevraagd, deze voor de toepassing van dit besluit in
aanmerking wordt genomen als ware deze genoten. Indien het UWV
constateert
dat hier sprake van is, krijgt het UWV door deze bepaling de
mogelijkheid om misbruik tegen te gaan. Met deze bepaling wordt overigens
geen actieve controleplicht beoogd op het eventuele onbenutte recht op
een loondervingsuitkering. De benodigde inspanning ten behoeve van
de uitvoering van een dergelijke verplichting zou immers in geen
verhouding staan tot het te bereiken doel.
Artikel
4. Berekening
inkomsten uit arbeid van de langdurig werkloze
Dit artikel regelt hoe de
inkomsten uit arbeid bepaald dienen te worden voor de langdurig werkloze.
Uitgangspunt daarbij is dat bij de berekening van de WW-uitkering rekening
wordt gehouden met het gemiddelde sv-loon over een bepaalde
periode. De inkomsten uit arbeid worden over een periode van maximaal 52
kalenderweken op basis van het aantal per kalenderweek gewerkte uren
herberekend naar de gemiddelde inkomsten per kalenderweek. Daarmee
wordt voorkomen dat de WW-uitkering als gevolg van eenmalige
uitkeringen of bonussen van week tot week sterk uiteen zou lopen. Wanneer de
langdurig werkloze een wisselend arbeidspatroon heeft, zullen
de gemiddelde inkomsten per kalenderweek ook wisselen. De
WW-uitkering wordt immers per kalenderweek vastgesteld op basis van het in die week
gewerkte aantal uren. De gemiddelde inkomsten per kalenderweek
worden gebaseerd op de gegevens in de polisadministratie. Voor de
bepaling van het gemiddelde sv-loon worden de opgaven door de werkgever
of de inhoudingsplichtige van het loon van de werknemer in de
aangiftetijdvakken gelegen in de in het eerste lid bedoelde periode in
aanmerking genomen.
Artikelen 5 en
6. Berekening
en toerekening van de inkomsten uit arbeid van de startende
zelfstandige
Omdat de verrekening van de
inkomsten slechts gedurende zes maanden plaatsvindt, kan bij
de verrekening niet worden uitgegaan van een kalenderjaar of, indien
van toepassing, boekjaar. Daarom wordt ervoor gekozen de inkomsten
over een periode van 52 weken vanaf de aanvang van de werkzaamheden
als zelfstandige als uitgangspunt te nemen, waarvan de helft
wordt verrekend met de uitkering.
De inkomsten over de periode
van 52 weken worden als volgt berekend. Als uitgangspunt wordt het
belastbaar loon, het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden en de
belastbare winst uit onderneming over het boekjaar waarin de werkloze
werknemer de werkzaamheden als zelfstandige is gaan verrichten (het
aanvangsjaar), genomen. Daarbij wordt ook een eventuele uitkering op
basis van de Wet arbeid en zorg meegenomen. De belastbare winst uit
onderneming wordt vermeerderd met de ondernemersaftrek over dat
boekjaar en verminderd met de bestanddelen van die winst, bedoeld in
artikel 3.78, derde lid, onderdeel a, b en c, van
de Wet
inkomstenbelasting 2001. Daarbij wordt opgeteld een deel van het belastbaar loon, het
belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden en de belastbare winst uit
onderneming over het jaar na het aanvangsjaar. Daarbij wordt de belastbare
winst uit onderneming weer vermeerderd met de ondernemersaftrek
over dat jaar en verminderd met de bestanddelen van die winst, bedoeld in
artikel 3.78, derde lid, onderdeel a, b en c, van de
Wet
inkomstenbelasting 2001. Dat zojuist genoemde deel wordt bepaald door het aldus over
het jaar na het aanvangjaar berekende bedrag te vermenigvuldigen
met het 52ste deel van het aantal weken gelegen tussen de eerste dag
van het aanvangsjaar en de eerste dag waarop toestemming is
verleend om de werkzaamheden te verrichten.
In veel gevallen zal het
boekjaar samenvallen met het kalenderjaar. Dat hoeft evenwel niet het geval
te zijn. Indien de aard van de onderneming dit rechtvaardigt, mag de
winst worden bepaald over het niet met het kalenderjaar samenvallend
boekjaar. De winst van een niet met het kalenderjaar samenvallend
boekjaar wordt beschouwd als winst van het kalenderjaar waarin het
boekjaar is geëindigd (zie artikel 3.66 van de Wet
inkomstenbelasting 2001).
Indien dus bijvoorbeeld de
werkzaamheden als zelfstandige aanvangen op maandag 4 september 2006
en het boekjaar samenvalt met het kalenderjaar, zullen de
inkomsten als volgt worden berekend: I1 = de inkomsten over 2006. Daarbij
wordt opgeteld 35/52 maal I2 (= de inkomsten over 2007). Van de
op grond van artikel 5 berekende inkomsten wordt, indien de
WW-uitkering per maand aan de betrokkene is betaald,
8,33% per maand als
inkomsten vastgesteld. Is de WW-uitkering per week of veelvoud daarvan betaald,
dan worden de inkomsten per week vastgesteld op 1,92% van de
op grond van artikel 5 berekende inkomsten.
Artikel
7. Omrekening
Indien de inkomsten in euro’s
moeten worden omgerekend, gebeurt dit met behulp van de door de
Europese Centrale Bank geadviseerde wisselkoersen. Om
uitvoeringstechnische redenen is bepaald dat bij gelijkblijvend inkomen uit
het buitenland, het inkomen niet bij elke koersmutatie hoeft te worden
gewijzigd. Wel wordt het inkomen ten minste één keer per jaar omgerekend met behulp van de door de
Europese Centrale Bank
geadviseerde wisselkoersen.
Artikel
8. Intrekking
Alle relevante bepalingen
van het Besluit vaststelling inkomsten
startende zelfstandigen WW betreffende onder meer het begrip inkomsten
(artikel 2) en de berekening
en toerekening van de inkomsten (artikelen 3 en 4), zijn vrijwel
ongewijzigd overgenomen in dit inkomstenbesluit. Voor de duidelijkheid wordt nog
opgemerkt dat met dit inkomstenbesluit niet is beoogd materieel wijziging
aan te brengen in de omschrijving, berekening en toerekening van inkomsten
van startende zelfstandigen ten opzichte van het Besluit vaststelling
inkomsten startende zelfstandigen WW. Het Besluit vaststelling
inkomsten startende zelfstandigen WW is hiermee overbodig geworden en is
daarom ingetrokken.
Artikel
9. Inwerkingtreding
Omdat dit besluit samenhangt
met de Wet van 25 juni 2009 tot wijziging van de
Werkloosheidswet in verband met het vergroten van kansen op werk voor
langdurig werklozen, treedt het op het zelfde tijdstip als die wet in werking.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
J.P.H. Donner
|