|
BESLUIT van 30 augustus 1999 tot
vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in
artikel 130 van de Werkloosheidswet (Tijdelijk besluit sluitende aanpak
WW)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst van 19 juli 1999, Directie Sociale
Verzekeringen, nr. SV/WV/99/40153;
Gelet op
artikel 130 van de Werkloosheidswet;
De Raad van State gehoord (advies van 2 augustus 1999,
nr.
W12.99.0381/V);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst van 25 augustus 1999, Directie
Sociale Verzekeringen, nr. SV/WV/99/47192;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Art. 1.
Algemene
begrippen
In dit besluit wordt verstaan onder uitkeringsgerechtigde: werknemer
op wie dit besluit op grond van artikel 3 van toepassing is.
Art. 2.
Beoogde
resultaat besluit
Het met dit besluit beoogde resultaat is een besparing op de
uitkeringslasten van het Algemeen Werkloosheidsfonds en
overheidswerkgevers als resultaat van een verkorting van de gemiddelde
uitkeringsduur van de uitkeringsgerechtigden ten behoeve van wie
werkzaamheden zijn opgedragen als bedoeld in artikel 4, tweede lid.
Art. 3.
Doelgroep
-1. Dit besluit is van toepassing op de werknemer:
a. die werkloos is geworden op of na 1 januari 1999;
b. die recht heeft op uitkering op grond van hoofdstuk IIa
of
IIb van de Werkloosheidswet, anders dan op grond van
artikel
18 van die wet;
c. voor wie geen arbeidsmarktinstrumenten beschikbaar zijn
gericht op directe bemiddeling of terugkeer naar de
arbeidsmarkt; en
d. die beschikbaar is voor arbeid voor ten minste twaalf uur per
week.
-2. In afwijking van het eerste lid is dit besluit niet van
toepassing op:
a. de arbeidsgehandicapte, bedoeld in artikel
10 van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten;
b. de werknemer wiens werkloosheid uitsluitend een gevolg is
van verkorting van de werktijd, waarvoor op grond van artikel
8, derde lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen
1945 ontheffing is verleend.
Art. 4.
Taak Landelijk instituut sociale verzekeringen ¹
-1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan, ter
uitvoering van artikel 72, eerste lid, van de Werkloosheidswet, voor
uitkeringsgerechtigden een traject vaststellen gericht op
inschakeling in het arbeidsproces.
-2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen draagt ter
uitvoering van het eerste lid werkzaamheden op aan een natuurlijk
persoon dan wel rechtspersoon die in het kader van de uitoefening
van beroep of bedrijf de inschakeling van personen in de arbeid
bevordert, waardoor de uitkeringsgerechtigde in staat wordt gesteld
deel te nemen aan activiteiten die bijdragen tot inschakeling in het
arbeidsproces.
-3. Voor een jaarlijks door Onze Minister te bepalen aantal
uitkeringsgerechtigden van 23 jaar of ouder stelt het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het traject, bedoeld in
het eerste lid, binnen twaalf maanden na het intreden van de
werkloosheid vast. [RtsaW01] [RtsaW02]
1. Volgens de redactie
dient het opschrift te worden vervangen door: Taak
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Art. 4a.
Bestemming van het budget
Bij ministeriële regeling waarbij het budget, bedoeld in
artikel 130, tweede lid, van de Werkloosheidswet, wordt bepaald, wordt
tevens het deel van dat budget bepaald dat bestemd is voor het
vaststellen van trajecten voor uitkeringsgerechtigden van 23 jaar of
ouder binnen twaalf maanden na het intreden van de werkloosheid en de
daarmee verband houdende kosten van beheer en administratie door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
Art. 5. Vervallen.
Art. 6.
Looptijd
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en vervalt
vier jaar na het tijdstip van inwerkingtreding.
Art. 7.
Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Tijdelijk besluit sluitende aanpak
WW.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden
geplaatst.
's-Gravenhage, 30 augustus 1999
BEATRIX
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
Uitgegeven de veertiende september 1999
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
NOTA
VAN TOELICHTING
[30 augustus 1999]
Inleiding
Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen (Lisv) [zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.] kan op grond van het bij de
Wet
experimenten WW geïntroduceerde
artikel 130 van de WW
bij algemene
maatregel van bestuur worden opgedragen om werkzaamheden in te kopen ter bevordering
van de reïntegratie van WW-gerechtigden. De kosten voor de inkoop van
deze werkzaamheden komen ten laste van een budget uit het
Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf). Het Lisv kan deze werkzaamheden inkopen
bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie [zie Centrale
organisatie werk en inkomen, red.] of bij derden, niet zijnde
uitvoeringsinstellingen (uvi’s). Er is derhalve geen sprake van gedwongen
winkelnering. Met dit besluit worden nadere regels voor het experiment,
verder aangeduid als het AWf-experiment, getroffen.
Doel experiment
De inkoop van
reïntegratietrajecten ten laste van middelen van het AWf draagt bij aan de
totstandkoming van de sluitende aanpak voor werkloos werkzoekenden met een
WW-uitkering. Het AWf-experiment levert een additionele mogelijkheid op
reïntegratietrajecten ten behoeve van WW-gerechtigden te
financieren. Een traject kan zowel een opleiding, omscholing of het opdoen van
werkervaring inhouden als een aanbod van een baan of andere maatregelen ter bevordering van de inzetbaarheid.
Onder een traject kunnen
derhalve zowel activiteiten in het kader van arbeidstoeleiding
worden verstaan als instrumenten gericht op directe plaatsing van de
cliënt. De financiering van reïntegratietrajecten ten laste van AWf-middelen
geschiedt op experimentele basis. Het AWf-experiment dient gegevens op te leveren op basis waarvan kan
worden vastgesteld in welke
mate de inzet van premiegelden voor de inkoop van
reïntegratietrajecten leidt tot besparingen op de uitkeringslasten. Hiervoor wordt een monitor
ontwikkeld waarmee op persoonsniveau onder meer kan worden
vastgesteld voor wie een traject is ingekocht, bij wie is ingekocht, wat de duur van het traject is en of de
betrokken cliënt binnen een
bepaalde periode na afronding van het traject wordt geplaatst.
Gecombineerd met gegevens van de verzekerdenadministratie en de resultaten van
aanvullend onderzoek kunnen aan deze gegevens conclusies
worden verbonden met betrekking tot de effectiviteit en de
doelmatigheid van de inzet van premiemiddelen voor de inkoop van
reïntegratietrajecten. Met het AWf-experiment wordt beoogd een substantiële verkorting
van de werkloosheidsduur te bewerkstelligen ten opzichte van personen
met gelijke arbeidsmarktkenmerken voor wie geen traject is ingekocht.
Samenstelling doelgroep
Het AWf-experiment levert
een bijdrage aan de totstandkoming van de sluitende aanpak voor nieuwe
volwassen werklozen met een WW-uitkering. De doelgroep van het besluit
is gelijk aan de doelgroep van de sluitende aanpak, zoals
verwoord in de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan
de Tweede Kamer van 24 november 1998 (Kamerstukken II 1998-1999, 23
972, nr. 30). Het gaat om werkzoekenden met een WW-uitkering vanaf 23
jaar, op grond van artikel 4, eerste lid, van de Samenwerkingsregeling SWI
[zie artikel 2.1 van de Regeling
SUWI, red.]
ingedeeld in fase 2, 3 of 4, die op of na 1 januari 1999 werkloos zijn
geworden en die beschikbaar zijn voor arbeid van ten minste twaalf uur per
week.
WW-gerechtigden vanaf
57½
jaar behoren eveneens tot de doelgroep van dit besluit. Zij zijn
echter vrijgesteld van de verplichtingen op grond van artikel
24, eerste lid,
onderdeel b, onder 1º, en artikel 26, eerste lid, onderdeel f en
g, van de WW.
De medewerking van WW-gerechtigden van 57½ jaar of ouder aan
de op grond van dit besluit aangeboden reïntegratieactiviteiten
geschiedt derhalve op basis van vrijwilligheid.
WW-gerechtigden die werkloos
zijn wegens werktijdverkorting of buitengewone natuurlijke
omstandigheden, behoren niet tot de doelgroep van dit besluit.
WW-gerechtigden die tevens behoren tot de doelgroep van de Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet Rea), behoren wel tot de doelgroep van de
sluitende aanpak, maar niet tot de doelgroep van dit besluit. De
sluitende aanpak wordt voor deze personen immers op grond van de Wet Rea
gerealiseerd.
Implementatie
Het Lisv is verantwoordelijk
voor de totstandkoming van een sluitende aanpak voor nieuwe volwassen WW-gerechtigden. De sluitende aanpak
komt tot stand via een
groeimodel. Startend in 1999 dient in een periode van vijf jaar een zoveel
mogelijk sluitende aanpak te worden gerealiseerd. Gedurende de looptijd van
het experiment wordt de sluitende aanpak voor WW-gerechtigden voor
een deel geïmplementeerd via dit besluit. Op basis van de beschikbare
middelen wordt jaarlijks bij ministeriële regeling vastgesteld hoeveel personen
het Lisv een traject moet aanbieden. De verdeling van de
taakstelling over de fasen 2, 3 en 4 geschiedt conform de faseverdeling in de
instroom
in de doelgroep. Voor cliënten ingedeeld in fase 4 kan het Lisv,
bijvoorbeeld via de gemeente, dienstverlening gericht op sociale
activering als
bedoeld in artikel 3 van de Wet inschakeling
werkzoekenden inkopen. Het
Lisv draagt zorg voor een tijdige melding van betreffende personen bij
de gemeente.
In 1999 komt de taakstelling
van het Lisv bovenop de extra trajecten die Arbeidsvoorziening in het
kader van de sluitende aanpak voor WW-gerechtigden bekostigt ten laste van de
extra rijksbijdrage aan het prestatiebudget van ƒ75 mln. Voor
WW-gerechtigden worden hieruit naar verwachting 4400 trajecten bekostigd. In
de regio dienen de uitvoeringsinstellingen afspraken te maken om te
komen tot middelencoördinatie, zodat de budgetten adequaat worden
ingezet.
Financiering
Voor de periode tot en met
31 december 1999 is voor het AWf-experiment een bedrag van ƒ40 mln beschikbaar. Hieruit worden de inkoop van reïntegratietrajecten door
de uvi’s en de uitvoeringskosten van de uvi’s gefinancierd. De middelen
over de jaren 2000 tot en met 2003 zijn mede afhankelijk van de effecten
van de sluitende aanpak op de uitkeringslasten en van de omvang van de door
het Rijk, het Europees Sociaal Fonds en eventueel door sociale partners beschikbaar gestelde middelen.
Aan de bijdragen aan het
AWf
ten laste van de rijksbegroting wordt de voorwaarde verbonden dat de
in de ministeriële regeling opgenomen taakstelling per ultimo van
het jaar waarvoor de bijdragen beschikbaar zijn gesteld, is
gerealiseerd. Dat wil zeggen dat de uvi’s met hun opdrachtnemers
(Arbeidsvoorziening en/of
private bemiddelaars) contracten moeten hebben afgesloten
waarin partijen zich hebben verplicht voor (ten minste) het in de
taakstelling genoemde aantal personen een reïntegratietraject in te
kopen, respectievelijk uit te voeren. De voorwaarden voor de bijdrage aan het
AWf
worden opgenomen in de ministeriële regeling op grond van
artikel 71 van de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997.
In samenhang met de
ontwikkeling van de nieuwe structuur voor werk en inkomen (SUWI) [zie Wet
SUWI, red.] wordt in
1999 getracht tot een vorm van resultaatfinanciering te komen. In overleg met het
Lisv wordt getracht een vorm van resultaatfinanciering te
introduceren voor de vergoeding die de uvi’s ontvangen voor door hen in
te kopen trajecten. Het besluit biedt de Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid de mogelijkheid om bij ministeriële regeling het resultaat te definiëren en te bepalen hoe de
vergoedingen aan dat
resultaat worden gerelateerd. Vooralsnog wordt bij de definitie van een
duurzaam resultaat gedacht aan de definitie die ook in het kader van de Wet
Rea
wordt gehanteerd: een dienstbetrekking die een halfjaar heeft geduurd.
Looptijd experiment
Het experiment op grond van
artikel 130 van de WW heeft een looptijd van
vier jaar. Om een goed
oordeel te kunnen vormen over de effecten van de (vrije) inkoop van
reïntegratietrajecten op de uitkeringslasten voor het AWf en om daarover tijdig
verslag uit te brengen aan het parlement, is gekozen voor de maximale
looptijd. Daarbij is tevens rekening gehouden met de periode die nodig is
om de regeling te evalueren en de besluitvorming over een eventuele omzetting
in een definitieve regeling voor te bereiden. Mocht dit nodig
zijn, dan kan een experiment na afloop van de looptijd gedurende maximaal
twee jaar worden voortgezet totdat een structurele wettelijke
regeling is getroffen.
Informatievoorziening
Het Lisv is verantwoordelijk
voor de rapportage met betrekking tot de voortgang van de
implementatie en de resultaten van de sluitende aanpak. Hiertoe wordt door
het Lisv een monitor ontwikkeld op basis waarvan vanaf 1 januari 2000
per kwartaal voortgangsrapportages kunnen worden geleverd. Met deze
rapportages wordt informatie verschaft over de realisatie van de
taakstellingen van het AWf-experiment, de kosten van de inkoop van de reïntegratietrajecten, de instrumenten en de effecten op
de uitstroom naar werk.
Voor het jaar 1999 kan deze
informatie nog niet op deze wijze worden geleverd. Wel zal over het
jaar 1999 op geaggregeerd niveau informatie worden aangeleverd over de
instroom in de doelgroep, verdeeld per fase, en het aantal gestarte
reïntegratietrajecten.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
|