|
BESLUIT van 6 december 2000 tot
vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in
artikel 130a van de Werkloosheidswet (Tijdelijk besluit verlenging
herlevingstermijn startende zelfstandigen WW)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst, van 4 oktober 2000, Directie Sociale
Verzekeringen, nr. SV/AVF/00/62935;
Gelet op
artikel 130a van de Werkloosheidswet;
De Raad van State gehoord (advies van 3 november 2000,
nr. W12.00 0465);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst, van 1 december 2000, Directie Sociale
Verzekeringen, nr. SV/AVF/00/75097;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Art. 1.
Algemene
begrippen
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. WW: Werkloosheidswet;
b. uitkeringsgerechtigde: werknemer op wie dit besluit op
grond van artikel 3 van toepassing is;
c. WW-uitkering: uitkering op grond van de Werkloosheidswet.
Art. 2.
Beoogde
resultaat besluit
Het met dit besluit beoogde resultaat is het verschaffen van inzicht
in het effect van het verlengen van de herlevingstermijn van het recht
op WW-uitkering bij het gaan verrichten van werkzaamheden in de
uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een
beroep op de kans van uitkeringsgerechtigden om met die werkzaamheden
structureel in het bestaan te kunnen voorzien.
Art. 3.
Doelgroep
Dit besluit is van toepassing op de werknemer die recht heeft op
uitkering op grond van
hoofdstuk IIa of IIb van de
WW.
Art. 4.
Verlenging van de
herlevingstermijn
Op de uitkeringsgerechtigde die, op of na de datum van inwerkingtreding
van dit besluit, werkzaamheden gaat verrichten in de uitoefening van een
bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep is, in
afwijking van de artikelen 8, tweede lid, van de WW en
21,
eerste lid, van die wet, de termijn waarbinnen de hoedanigheid
van werknemer wordt herkregen respectievelijk het recht op uitkering
herleeft, drie jaar nadat die werkzaamheden een aanvang hebben genomen,
indien:
a. de uitkeringsgerechtigde vóór aanvang van de werkzaamheden een
aanvraag doet tot toepassing van dit besluit;
b. met betrekking tot die werkzaamheden geen toepassing wordt gegeven
aan het Tijdelijk
besluit inkomstenkorting startende zelfstandigen WW;
c. de werkzaamheden aanvangen binnen één jaar na de dag van
inwerkingtreding van dit besluit;
d. de werkzaamheden aanvangen vóór de afloop van het kwartaal dat direct
volgt op het kwartaal waarin het aantal uitkeringsgerechtigden op wie de
aanhef toepassing vindt de duizend heeft bereikt.
Art. 5.
Nadere
regels inzake de aanvraag
-1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is bevoegd om
nadere regels te stellen met betrekking tot de aanvraag, bedoeld in
artikel 4.
-2. De aanvragen worden behandeld in volgorde van binnenkomst.
Art. 6.
Looptijd
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag gelegen drie
maanden na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt
geplaatst en vervalt vier jaar na die dag.
Art. 7.
Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Tijdelijk besluit verlenging
herlevingstermijn WW.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden
geplaatst.
's-Gravenhage, 6 december 2000
BEATRIX
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
Uitgegeven de achtentwintigste december 2000
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
NOTA
VAN TOELICHTING
[6 december 2000]
Inleiding
In
artikel 130a van de
Werkloosheidswet (WW) is de mogelijkheid opgenomen om door middel van
een algemene maatregel van
bestuur ten behoeve van tijdelijke experimenten voor bepaalde groepen
werkloze werknemers af te wijken van
een aantal artikelen van de WW. Eén van de aldus gecreëerde
experimenteermogelijkheden is dat voor werkloze werknemers de
herlevingstermijn van het recht op WW-uitkering bij het gaan verrichten van
werkzaamheden in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige
uitoefening van een beroep wordt verlengd. In het onderhavige besluit wordt
dat experiment nader vormgegeven. Bij het treffen van dit besluit is
mede gebruik gemaakt van uitvoeringstechnisch commentaar van het Landelijk
instituut sociale verzekeringen (Lisv) [zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.] en commentaar met betrekking
tot de toezichtsaspecten van het College van toezicht sociale
verzekeringen [zie Inspectie Werk en Inkomen, red.].
Doel experiment
De experimenten op grond van
hoofdstuk Xa van de WW zijn erop gericht na te gaan of de
middelen (instrumenten) bijdragen aan de reïntegratie van WW-uitkeringsgerechtigden. Onderzocht zal worden of het middel van de verlenging
van de herlevingstermijn bijdraagt aan een zodanige verbetering van de
start als zelfstandige dat uiteindelijk geen beroep meer hoeft te worden
gedaan op de WW. Beoogd wordt een aantal deelnemers aan dit
experiment te bereiken van ongeveer duizend. Dit aantal is voldoende
groot om representatieve conclusies ten aanzien van het effect van het instrument te kunnen trekken.
Samenstelling doelgroep
De doelgroep van het besluit
bestaat uit geheel of gedeeltelijk werkloze werknemers met een WW-uitkering (zie
artikel 3). Al die werknemers kunnen thans immers al
werkzaamheden in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep gaan verrichten, waarbij
een herlevingstermijn van
anderhalf jaar geldt. Dit experiment is erop gericht het effect van de
verlenging van de herlevingstermijn te bezien voor deze totale populatie.
Voorwaarden voor de
verlenging van de herlevingstermijn
De mogelijkheid van
verlenging van de herlevingstermijn geldt voor iedere werkloze die vanaf
het moment van inwerkingtreding van dit besluit een aanvang maakt
met werkzaamheden in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep. Om van die
mogelijkheid gebruik te
maken moet de aanvraag tot toepassing van dit besluit worden gedaan vóór
de aanvang van de werkzaamheden (zie artikel 4, onderdeel a).
Op grond van artikel 4,
onderdeel b, kan geen gebruik worden gemaakt van de onderhavige regeling
indien gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid van
inkomstenkorting in plaats van gehele of gedeeltelijke eindiging van het recht
op WW-uitkering op grond van het Tijdelijk besluit inkomstenkorting startende
zelfstandigen WW. Aldus wordt voorkomen dat dezelfde
uitkeringsgerechtigde gebruik maakt van beide faciliteiten en aldus de resultaten van
beide experimenten worden vertroebeld.
Alleen degenen die eerder
dan drie jaar vóór het vervallen van de onderhavige regeling gebruik
gaan maken van die regeling voldoen aan een belangrijke voorwaarde
waarvan het experiment de resultaten wil toetsen, namelijk de herlevingstermijn van drie jaar. Alleen op deze groep
kan de evaluatie betrekking
hebben. Om deze reden wordt het bereik van de regeling beperkt tot
degenen die binnen één jaar na de inwerkingtreding van dit besluit een aanvang
maken met de werkzaamheden in de uitoefening van een bedrijf
of de zelfstandige uitoefening van een beroep (zie artikel
4, onderdeel c).
Indien in enig kwartaal het
aantal deelnemers van duizend wordt bereikt, eindigt op grond
van artikel 4, onderdeel d, de mogelijkheid tot gebruikmaking van het
instrument van verlenging van de herlevingstermijn na afloop van het kwartaal,
volgend op het kwartaal waarin dit aantal is bereikt. Dit hangt
samen met het feit dat de informatie aan het Lisv omtrent het aantal
deelnemers plaatsvindt middels kwartaalrapportages die handelen over het
voorafgaande kwartaal. Dit laat onverlet dat reeds verlengde
herlevingstermijnen, die op dat moment nog niet geëindigd zijn, pas eindigen zodra de termijn van drie jaar van
artikel 4
verstreken is.
Looptijd experiment
Een experiment op grond van
artikel 130a van de WW heeft ten hoogste een looptijd van vier jaar.
In verband met de lengte van de herlevingstermijn - drie jaar - en om een
goed oordeel te kunnen vormen over de effecten van de verlenging van de
herlevingstermijn alsmede om daarover tijdig verslag uit te kunnen
brengen aan het parlement, is gekozen voor de maximale looptijd (zie
artikel 6). Daarbij is tevens rekening gehouden met de periode die nodig is om
de regeling te evalueren en de besluitvorming over een eventuele omzetting
in een definitieve regeling voor te bereiden. Mocht dit nodig zijn, dan kan
een experiment na afloop van de looptijd gedurende maximaal twee jaar
worden voortgezet totdat een structurele wettelijke regeling is
getroffen.
Informatievoorziening
Teneinde een goed inzicht
te krijgen in het effect van de verlenging van de herlevingstermijn op de
werkhervattingskans van de WW-uitkeringsgerechtigde is monitoring van groot
belang. Het belangrijkste instrument zal daarbij enquêtering
zijn van de werkloze werknemers die, vanaf de inwerkingtreding van dit
besluit, werkzaamheden in de uitoefening van een bedrijf of in de
zelfstandige uitoefening van een beroep gaan verrichten. De belangrijkste vragen die
daarbij aan de orde zullen komen, zullen vragen zijn inzake het
effect van de verlenging van de herlevingstermijn op de afweging om al dan
niet te starten als zelfstandige en op de afweging na anderhalf jaar
om al dan niet door te gaan met de werkzaamheden als zelfstandige.
Financiële effecten
Met de toepassing van het
instrument van verlenging van de herlevingstermijn wordt beoogd de uitstroom
uit de WW van werklozen te bevorderen. Gezien de in de
regeling opgenomen gunstiger voorwaarde, ten opzichte van de huidige regeling, waarbinnen werkzaamheden kunnen
worden gestart die tot een
gehele of gedeeltelijke eindiging van het recht op WW-uitkering leiden, is
de verwachting gerechtvaardigd dat als gevolg van de inzet van dit
instrument een besparing op de uitkeringen kan worden gerealiseerd. De
hoogte van deze besparing hangt af van het aantal malen dat de
verlengde herlevingstermijn leidt tot structurele uitstroom uit de WW. Over
het aantal malen dat dat het geval zal zijn, kan op voorhand geen uitspraak
worden gedaan.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
|