|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2003-2004, 29 762
Regels
inzake de aanspraak op een financiële tegemoetkoming in de premie van
een zorgverzekering vanwege een laag inkomen (Wet
op de zorgtoeslag)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Algemeen
Het
kabinet heeft in het Hoofdlijnenakkoord (HA) besloten tot een
modernisering van het zorgverzekeringsstelsel. Het doel is te komen tot een
doelmatig werkend stelsel
waarmee alle ingezetenen van Nederland, ongeacht leeftijd,
gezondheidstoestand of inkomen, toegang krijgen tot noodzakelijke zorg van
goede kwaliteit. Dat besluit is uitgewerkt in de vorm van het voorstel van
een Zorgverzekeringswet en het parallel daaraan ingediende
onderhavige wetsvoorstel.
De doelmatigheid in het
stelsel wordt bewerkstelligd door middel van zorgverzekeraars die
onderling concurreren om de gunst van de verzekerden. De zorgverzekeraars
worden geprikkeld om die concurrentie zoveel mogelijk tot
uiting te laten komen door hun wijze van zorginkoop, waarmee zij een optimale
mix van kwaliteit en betaalbaarheid van zorg voor hun verzekerden
kunnen bewerkstelligen. De verzekerden zullen jaarlijks kunnen wisselen
van zorgverzekeraar. Laatstgenoemde krijgt daartoe een wettelijke
acceptatieplicht. De doelmatigheid van het stelsel wordt verder ondersteund
door het kostenbewustzijn en de eigen verantwoordelijkheid van burgers te
vergroten.
De helft van de totale macropremielast zal in de vorm van een
nominale premie door de burgers worden gedragen. Dat
bevordert het kostenbewustzijn. In aanvulling daarop komt er een
no-claimteruggaveregeling. Hiermee krijgen burgers
een financiële prikkel
om hun zorggebruik zo beperkt mogelijk te houden.
De noodzakelijke zorg
dient niet alleen doelmatig verleend te worden, maar ook voor iedereen toegankelijk te zijn. Dit wordt bereikt door de al
genoemde
acceptatieplicht, door het verbod om voor gelijke polissen de premies tussen
verzekerden te differentiëren en door een adequaat
risicovereveningssysteem. Risicoselectie op
gezondheidskenmerken wordt zodoende voor het
wettelijk te verzekeren pakket voorkomen. De tweede pijler onder de
toegankelijkheid is van financiële aard. Hiervoor introduceert het kabinet, door middel
van dit wetsvoorstel, de zorgtoeslag. Deze zorgtoeslag waarborgt dat
niemand een groter deel van zijn inkomen aan ziektekostenpremie hoeft
te betalen dan wat aan de hand van het voorstel als aanvaardbaar wordt
berekend. De lasten van premies die daar boven uitstijgen, komen in
aanmerking voor compensatie via de zorgtoeslag. Met rblz.|2|
de zorgtoeslag wordt
een
belangrijke relatie gelegd tussen draagkracht en de berekende premielast.
Zo krijgt de solidariteit die in het huidige stelsel op diverse wijzen, direct
en indirect, is georganiseerd een duidelijke en herkenbare plaats in het
nieuwe stelsel. Maatgevend voor de premielasten zijn niet de feitelijke,
door de burger betaalde premies, maar het gemiddelde van de premies zoals die
zich in de markt voordoen. Op deze wijze worden burgers
gestimuleerd om kritisch te zijn ten aanzien van de aangeboden verzekeringspolissen. Zou van de werkelijke premie worden
uitgegaan, dan zou een
hoger dan gemiddelde premie via een hogere zorgtoeslag worden
gecompenseerd en zou er voor de verzekerde geen incentive bestaan om op
zoek te gaan naar een polis met een lagere premie. Daarmee zou de prikkel verdwijnen om de verzekeringspolis ook
te beoordelen op de
prijs. Naast deze compensatie van premielasten voor verzekerden bestaat ook
nog de fiscale buitengewone-uitgavenregeling. Op grond daarvan kunnen
burgers bij de berekening van de inkomstenbelasting, onder de in de belastingwetgeving gestelde voorwaarden, zorgkosten
voor fiscale aftrek in
aanmerking brengen. Daar staat tegenover dat verrekening van
kosten tegen het belastingtarief per definitie partieel is. Voor zover wel het
recht op aftrek bestaat, maar er onvoldoende inkomen is om de aftrek
te verzilveren, kan uitbetaling plaatsvinden op grond van de tegemoetkomingsregeling buitengewone uitgaven. Dit
complex van regelingen
zal in technische zin nader worden bezien op zijn onderlinge samenhang. In
het bijzonder betreft dat de vorm waarin de tegemoetkomingsregeling
buitengewone uitgaven na afloop van het tijdelijke besluit per 1
januari 2006 wordt voortgezet. In de Miljoenennota 2006 worden de
definitieve inkomenseffecten gepresenteerd. De toelichting bij de
Zorgverzekeringswet geeft de richting en de mate van inkomenseffecten weer die
beoogd worden.
De gemiddelde (nominale)
premie voor een zorgverzekering, verminderd met het geraamde
gemiddelde bedrag dat een verzekerde naar verwachting in het daaropvolgende
jaar aan no-claimvergoeding terugontvangt, wordt in deze wet
aangeduid als de standaardpremie. De toetsing van de zorgtoeslag is onafhankelijk van het feit of een burger wel of geen
no-claimteruggave
ontvangt.
De zorgtoeslag is een
inkomensafhankelijke tegemoetkoming van het Rijk en valt als zodanig onder
de Algemene
wet inkomensafhankelijke regelingen. De uitvoering van deze
regeling wordt in handen gelegd van de Belastingdienst/Toeslagen. De zorgtoeslag wordt - bij een tijdige aanvraag - uitbetaald in twaalf
termijnen, te beginnen in de maand december voorafgaand aan het jaar waarover de
zorgtoeslag wordt berekend. Deze systematiek brengt mee
dat maandelijks een bedrag aan zorgtoeslag wordt ontvangen, over het
algemeen iets eerder dan de betaling van de nominale premie aan de
verzekeraar plaatsvindt.
Internationale
aspecten van de zorgtoeslag
Ook buiten
Nederland wonende verzekerden kunnen, wanneer hun inkomen beneden een
bepaald niveau is, in aanmerking komen voor een zorgtoeslag.
De Wet op de zorgtoeslag
moet ingevolge artikel 5 van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 bij de
Europese Commissie worden aangemeld als socialeverzekeringswet
in de zin van die verordening. Daarmee is de zorgtoeslag een
exporteerbare uitkering in de zin van deze verordening. Ook op grond van de
verdragen die zijn gesloten tussen de Europese Unie en haar lidstaten
enerzijds en andere staten (EVA-lidstaten, Zwitserland), alsmede diverse door
Nederland met andere staten in het kader van de sociale zekerheid gesloten verdragen, is de zorgtoeslag exporteerbaar. Dat
betekent dat iedereen die
in het buitenland woont en die onder de Nederlandse rblz.|3|
wetgeving valt, in
beginsel in aanmerking kan komen voor de zorgtoeslag.
Daarnaast is er een
aantal categorieën van personen die niet op grond van de Nederlandse wetgeving,
maar op grond van een internationale regeling recht hebben op medische
zorg die ten laste van de Nederlandse verzekering wordt
verleend. Dat betreft in een "verdragsland" wonende gezinsleden van in
Nederland werkende werknemers en postactieven met een Nederlands pensioen
of langlopende socialezekerheidsuitkering die verzekerd zouden zijn
ingevolge de Zorgverzekeringswet indien zij in
Nederland zouden wonen en
hun gezinsleden. Het beginsel van gelijke behandeling, dat is
neergelegd in de internationale socialezekerheidsregelingen, brengt mee dat ook ten
behoeve van de door postactieven en door of voor de
gezinsleden te betalen premies een zorgtoeslag wordt verleend.
Financiële aspecten en
administratieve lasten
Op basis van de huidige
gegevens en de hoogte van de geraamde premie komen ongeveer 6,1 miljoen huishoudens, waarvan 3,6 miljoen
eenpersoonshuishoudens,
in aanmerking voor de zorgtoeslag. Bij deze aantallen gerechtigden
leidt de regeling tot een budgettair beslag van ongeveer €|2,1 miljard.
Door uit te gaan van een
standaardpremie en genormeerde premiekosten en niet van de werkelijke
premies en ziektekosten, wordt tevens een bijdrage geleverd aan het
beperken van de administratieve lasten. Om vast te stellen of degene
die de zorgtoeslag aanvraagt daar ook recht op heeft, controleert de Belastingdienst/Toeslagen
onder meer of de belanghebbende een zorgverzekering heeft
gesloten. Daartoe wordt gebruik gemaakt van gegevens die
verzekeraars op grond van de Zorgverzekeringswet
reeds verplicht zijn te verstrekken. De Wet op de zorgtoeslag
legt derhalve geen
additionele administratieve lasten op aan verzekeraars.
Artikelsgewijs
Artikel 1
In het eerste lid van dit
artikel zijn enige begrippen gedefinieerd. Daarbij is, gelet op de koppeling
van de zorgtoeslag aan de uitvoering van de Zorgverzekeringswet,
aansluiting gezocht bij de definities in die wet.
"Verzekerde" in de zin
van dit wetsvoorstel is degene wiens behoefte aan geneeskundige zorg als
bedoeld in artikel 10 van de Zvw, door een zorgverzekering
wordt gedekt, vanaf de
eerste dag van de kalendermaand volgende op de maand
waarin hij 18 jaar wordt. De verzekerde is ingevolge artikel
16, tweede lid,
van de Zvw ook vanaf die dag premie aan de zorgverzekeraar
verschuldigd.
De Wet op de zorgtoeslag
geeft aanspraak op een financiële bijdrage van het Rijk waarbij de
hoogte van die financiële bijdrage afhankelijk is van draagkracht. De Wet op de
zorgtoeslag is daardoor een inkomensafhankelijke regeling waarop de Algemene
wet inkomensafhankelijke regelingen van toepassing is. Om dit
tot uitdrukking te brengen, is in het tweede lid bepaald dat de hoogte van
de zorgtoeslag afhankelijk is van de draagkracht. De in de Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen gehanteerde begrippen zoals tegemoetkoming, partner of
toetsingsinkomen
zijn eveneens op deze wet
van toepassing. Deze begrippen zijn daarom niet in artikel 1
gedefinieerd.
xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx
Artikel 2
Een verzekerde komt in
aanmerking voor een zorgtoeslag indien de voor rblz.|4|
hem geldende genormeerde
kosten voor een zorgverzekeringsovereenkomst ("normpremie") minder
bedragen dan de geraamde gemiddelde premiekosten ("standaardpremie"). De zorgtoeslag is gelijk aan het verschil tussen
beide kostensoorten.
De Belastingdienst/Toeslagen
controleert of de belanghebbende die een tegemoetkoming
aanvraagt
een zorgverzekering heeft.
Op grond van de
Algemene
wet inkomensafhankelijke regelingen wordt ter bepaling van de
draagkracht van de belanghebbende het zogenaamde "toetsingsinkomen" in
aanmerking genomen. Voor de toetsing van de draagkracht van een
belanghebbende wordt uitgegaan van het inkomen van de belanghebbende en
zijn partner.
In de Miljoenennota 2006
wordt het uiteindelijke koopkrachtbeeld 2006 voorgesteld, waarbij de
percentages voor het drempelinkomen en het toetsingsinkomen worden
vastgesteld. De regering stelt voor de genormeerde kosten voor een
zorgverzekering voor een verzekerde met een partner vast te stellen
op 6,5% van het drempelinkomen, vermeerderd met 4% van het
toetsingsinkomen dat boven het drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde
zonder partner op 4% van het drempelinkomen, vermeerderd met 4% van
het toetsingsinkomen dat boven het drempelinkomen uitgaat. Toepassing van
deze formules leidt ertoe dat bij een verzekerde zonder partner
ten minste 4% van het drempelinkomen ten laste van betrokkene
blijft. Bij een verzekerde met een partner blijft ten minste 6,5% van het
drempelinkomen ten laste van dit paar. Deze percentages worden de eerste keer bij
wet vastgesteld. De percentages kunnen bij algemene maatregel
van bestuur worden gewijzigd. De voordracht voor de betreffende
algemene maatregel van bestuur zal in overeenstemming met de Ministers van
Financiën en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid worden gedaan.
De zorgkosten worden
gedragen door verzekerden, werkgevers en de overheid. Werkgevers
dragen voor de helft bij in de zorgkosten. De introductie van de Zorgverzekeringswet, inclusief de overheveling van de
ggz [geestelijke gezondheidszorg, red.] uit de AWBZ, zal voor
werkgevers lastenneutraal uitwerken. De overheid dekt via een
rijksbijdrage de lasten van kinderen. Verzekerde volwassenen dragen de resterende
kosten via een premie. De overheid compenseert door middel van de
zorgtoeslag een gedeelte van die premielast van de verzekerden met een laag
inkomen. Hiermee valt - mede rekening houdend met de fiscale
compensatie - in 2006 een zorgstelsel te introduceren waarbinnen de lasten op
evenwichtige manier zijn verdeeld; evenwichtig in de zin dat iedereen
zijn bijdrage levert, maar waarbij tevens het draagkrachtprincipe een
volwaardige rol speelt.
Aangenomen mag worden dat
de zorgkosten na 2006 zullen blijven stijgen op grond van
demografische en technologische ontwikkelingen. Ook na 2006 dienen de
zorgkosten op een evenwichtige manier verdeeld te worden. Dat betekent
dat de stijging van de zorgkosten door verzekerden, werkgevers en overheid
moet worden opgebracht. De regering streeft ernaar de
zorguitgaven te beheersen. De mate waarin de zorgkosten worden beheerst, geeft
tevens de mate aan waarbinnen de zorgtoeslag stabiel kan worden
gehouden. Een stabiel zorgpercentage zorgt ervoor dat de
rechthebbende een zorgtoeslag naar draagkracht ontvangt, die afhankelijk is van de
premieontwikkeling. Belangrijke randvoorwaarde daarbij is dat de
stijgende zorgkosten niet tot onevenwichtige koopkrachtgevolgen leiden voor (groepen)
verzekerden. Er dient dus ook na 2006 een evenwicht gezocht worden
tussen het meebetalen door alle betrokkenen aan de zorgkostenstijging
en het - via de zorgtoeslag - borgen van het draagkrachtprincipe.
Gegeven de onzekerheden over de ontwikkelingen in de zorg en de inkomens
kan niet op voorhand voor alle toekomstige situaties rblz.|5|
worden aangegeven
waar dat evenwicht ligt. De percentages die voor de berekening van de
zorgtoeslag gelden, worden daarom jaarlijks betrokken bij het
budgettaire beeld en het inkomensbeeld en zullen in een algemene maatregel van
bestuur worden vastgelegd.
Voorbeeldberekening
zorgtoeslag:
Stel:xv|-
drempelinkomen: €|17
500,-
xxxxxx- standaardpremie per verzekerde: €|1000,-
xxxxxx- toetsingsinkomen per huishouden:
€|22 000,-
Verzekerde zonder partner:
- normpremie: €|880,- (4% van
€|17
500,- plus 4% van (€|22 000,- minus €|17
500,-))
- standaardpremie: €|1000,-
- zorgtoeslag: €|120,-
(standaardpremie minus normpremie)
Verzekerde met partner/verzekerde:
- normpremie: €|1318,- (6,5%
van €|17 500,- plus 4% van (€|22 000,-
minus €|17 500,-))
- standaardpremie: €|2000,- (€|1000,- per partner)
- zorgtoeslag: €|682,-
(standaardpremie minus normpremie)
Verzekerde met
partner/niet-verzekerde:
- normpremie: €|1318,- (6,5%
van €|17 500,- plus 4% van (€|22 000,-
minus €|17 500,-))
- standaardpremie: €|1000,-
- zorgtoeslag: €|0,-
(standaardpremie minus normpremie)
Het vierde lid van
artikel 2 biedt de mogelijkheid om in bijzondere gevallen met betrekking
tot de toepassing van het eerste lid de partner van de verzekerde die
niet verzekerd is, als verzekerde aan te merken. Het betreft bijvoorbeeld de
situatie van een verzekerde die een partner heeft die militair is. Een
militair is niet verzekeringsplichtig op grond van de Zorgverzekeringswet. Zijn
ziektekosten worden gedekt door de ziektekostenregeling van Defensie. Zonder nadere regeling zou bij de berekening van de
zorgtoeslag slechts eenmaal de standaardpremie in aanmerking worden
genomen, welk bedrag wordt getoetst aan het inkomen van de verzekerde
en diens partner. Dit is niet redelijk, want de militair betaalt wel de
lasten van zijn ziektekostenregeling. Daarom zal voor dat soort situaties
voor de berekening van de zorgtoeslag van de verzekerde de partner als
verzekerde worden aangemerkt.
In het vijfde lid is
bepaald dat per maand wordt beoordeeld of een verzekerde aanspraak heeft op een
zorgtoeslag. De vaststelling van de zorgtoeslag vindt op grond van de Algemene
wet inkomensafhankelijke regelingen plaats per
berekeningsjaar. Omdat in de loop van het berekeningsjaar
veranderingen in de gezinssamenstelling kunnen optreden, dient
maandelijks te worden beoordeeld in hoeverre aanspraak op een zorgtoeslag
bestaat. Daardoor wordt de zorgtoeslag in maanden waarin de verzekerde een
partner heeft, berekend op basis van het toetsingsinkomen van de
verzekerde en die partner. In maanden waarin geen partner aanwezig is,
wordt alleen het toetsingsinkomen van de verzekerde in aanmerking
genomen. Vindt er in de loop van het berekeningsjaar een
wisseling van partner plaats, dan wordt voor de maanden na die wisseling
uitgegaan van het toetsingsinkomen van de verzekerde en zijn nieuwe
partner.
Het zesde lid van artikel
2 biedt de mogelijkheid om met betrekking tot het vijfde lid nadere regels
te stellen. Het is niet uit te sluiten dat in de uitvoering nadere verfijningen
noodzakelijk zijn bij de maandelijkse bepaling van de aanspraak. Het zesde
lid kan dan voorzien in een passende regeling.
rblz.|6|
Artikel 3.
[Zie art.
4 Wzt, red.]
De standaardpremie voor
een zorgverzekering wordt bij ministeriële regeling vastgesteld. De hoogte
van de standaardpremie is het gemiddelde van de nominale premies
die de verzekerden naar verwachting over het desbetreffende jaar, "berekeningsjaar" genoemd, voor de zorgverzekering moeten betalen.
Uitgegaan wordt van het
gemiddelde van de (nominale) premies voor de zorgverzekering, die in
het jaar voorafgaande aan het berekeningsjaar voor dat jaar door het
Centraal Planbureau (CPB) worden geraamd in zijn Macro Economische
Verkenningen (MEV). In de maand april van het berekeningsjaar wordt aan
de hand van het Centraal Economisch Plan (CEP) berekend of het
geraamde gemiddelde van de nominale premies in de MEV in het
voorafgaande jaar afwijkt van het werkelijk gemiddelde daarvan. Indien er sprake
is van een afwijking van €|25,- of meer ten
opzichte van de
aanvankelijk geraamde premiekosten, dan wordt de voor de zorgtoeslag voor dat
jaar gehanteerde standaard verschuldigde premie met onmiddellijke ingang
bij ministeriële regeling bijgesteld. De Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport geeft de nieuwe standaardpremie door aan de Belastingdienst/Toeslagen. In dat geval worden de beschikkingen door de
Belastingdienst/Toeslagen (per 1 juli) aangepast en vindt de uitbetaling van de
extra (bij een positief verschil) of lagere (bij een negatief verschil)
zorgtoeslag plaats in datzelfde jaar. Een verschil van minder dan €|25,-
leidt
niet tot verandering van de standaard verschuldigde premie. Dit leidt voor de
betreffende verzekerden tot een gering koopkrachtverlies in dat
jaar.
Er wordt op gewezen dat
de zorgtoeslag ook wijziging kan ondergaan als gevolg van wijzigingen in
het toetsingsinkomen. De daarvoor geldende procedure is geregeld in
de Algemene
wet inkomensafhankelijke regelingen.
Artikel 4.
[Zie art.
5 Wzt, red.]
De kosten die samenhangen
met de zorgtoeslag worden verantwoord op de begroting van het
ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, maar worden, zoals is
aangegeven in het Hoofdlijnenakkoord, voor de budgettaire toetsing
betrokken bij het lastenkader.
De Wet op de zorgtoeslag
wordt uitgevoerd door de Belastingdienst/Toeslagen
overeenkomstig
de regels van de Algemene
wet inkomensafhankelijke regelingen. De
uitvoeringskosten van deze regeling die worden gemaakt door de
Belastingdienst/Toeslagen bedragen vanaf 2006 jaarlijks €|59 miljoen. Deze
kosten worden opgenomen op de begroting van het ministerie van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
De Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
J.F. Hoogervorst
De Staatssecretaris
van Financiën,
J.G. Wijn
De Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
|