|
BESLUIT van 9 september 2010, houdende
wijziging van de percentages van het drempel- en toetsingsinkomen,
benodigd voor de berekening van de zorgtoeslag
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin
der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van
Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 6 juli 2010, kenmerk DWJZ/SWW-3011206;
Gelet op artikel 2, derde lid, van de
Wet
op de zorgtoeslag;
De Raad van State gehoord (advies van 26
juli 2010, nr. W13.10.0283/I);
Gezien het nader rapport van Onze
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 3 september 2010,
kenmerk DWJZ-3019903;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Art 1.
-1. Voor 2011 worden de percentages voor
verzekerden met een partner vastgesteld op 5,015% van het
drempelinkomen, vermeerderd met 5,03% van het toetsingsinkomen voor
zover dat boven het drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder
partner op 2,715% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,03% van het
toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
-2. Voor 2012 worden de percentages voor
verzekerden met een partner vastgesteld op 5,03% van het drempelinkomen,
vermeerderd met 5,06% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het
drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder partner op 2,73%
van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,06% van het toetsingsinkomen
voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
-3. Voor 2013 worden de percentages voor
verzekerden met een partner vastgesteld op 5,045% van het
drempelinkomen, vermeerderd met 5,09% van het toetsingsinkomen voor
zover dat boven het drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder
partner op 2,745% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,09% van het
toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
-4. Voor 2014 worden de percentages voor
verzekerden met een partner vastgesteld op 5,06% van het drempelinkomen,
vermeerderd met 5,12% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het
drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder partner op 2,76%
van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,12% van het toetsingsinkomen
voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
-5. Voor 2015 worden de percentages voor
verzekerden met een partner vastgesteld op 5,075% van het
drempelinkomen, vermeerderd met 5,15% van het toetsingsinkomen voor
zover dat boven het drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder
partner op 2,775% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,15% van het
toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
-6. Voor 2016 worden de percentages voor
verzekerden met een partner vastgesteld op 5,09% van het drempelinkomen,
vermeerderd met 5,18% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het
drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder partner op 2,79%
van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,18% van het toetsingsinkomen
voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
-7. Voor 2017 worden de percentages voor
verzekerden met een partner vastgesteld op 5,105% van het
drempelinkomen, vermeerderd met 5,21% van het toetsingsinkomen voor
zover dat boven het drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder
partner op 2,805% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,21% van het
toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
-8. Voor 2018 worden de percentages voor
verzekerden met een partner vastgesteld op 5,12% van het drempelinkomen,
vermeerderd met 5,24% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het
drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder partner op 2,82%
van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,24% van het toetsingsinkomen
voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
-9. Voor 2019 worden de percentages voor
verzekerden met een partner vastgesteld op 5,135% van het
drempelinkomen, vermeerderd met 5,27% van het toetsingsinkomen voor
zover dat boven het drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder
partner op 2,835% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,27% van het
toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
-10. Voor 2020 worden de percentages voor
verzekerden met een partner vastgesteld op 5,15% van het drempelinkomen,
vermeerderd met 5,30% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het
drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder partner op 2,85%
van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,30% van het toetsingsinkomen
voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
-11. Voor 2021 worden de percentages voor
verzekerden met een partner vastgesteld op 5,165% van het
drempelinkomen, vermeerderd met 5,33% van het toetsingsinkomen voor
zover dat boven het drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder
partner op 2,865% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,33% van het
toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
-12. Voor 2022 worden de percentages voor
verzekerden met een partner vastgesteld op 5,18% van het drempelinkomen,
vermeerderd met 5,36% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het
drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder partner op 2,88%
van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,36% van het toetsingsinkomen
voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
-13. Voor 2023 worden de percentages voor
verzekerden met een partner vastgesteld op 5,195% van het
drempelinkomen, vermeerderd met 5,39% van het toetsingsinkomen voor
zover dat boven het drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder
partner op 2,895% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,39% van het
toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
-14. Voor 2024 worden de percentages voor
verzekerden met een partner vastgesteld op 5,21% van het drempelinkomen,
vermeerderd met 5,42% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het
drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder partner op 2,91%
van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,42% van het toetsingsinkomen
voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
-15. Voor 2025 worden de percentages voor
verzekerden met een partner vastgesteld op 5,225% van het
drempelinkomen, vermeerderd met 5,45% van het toetsingsinkomen voor
zover dat boven het drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder
partner op 2,925% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,45% van het
toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
-16. Voor 2026 worden de percentages voor
verzekerden met een partner vastgesteld op 5,24% van het drempelinkomen,
vermeerderd met 5,48% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het
drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder partner op 2,94%
van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,48% van het toetsingsinkomen
voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
-17. Voor 2027 worden de percentages voor
verzekerden met een partner vastgesteld op 5,255% van het
drempelinkomen, vermeerderd met 5,51% van het toetsingsinkomen voor
zover dat boven het drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder
partner op 2,955% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,51% van het
toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
-18. Voor 2028 worden de percentages voor
verzekerden met een partner vastgesteld op 5,27% van het drempelinkomen,
vermeerderd met 5,54% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het
drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder partner op 2,97%
van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,54% van het toetsingsinkomen
voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
-19. Voor 2029 worden de percentages voor
verzekerden met een partner vastgesteld op 5,285% van het
drempelinkomen, vermeerderd met 5,57% van het toetsingsinkomen voor
zover dat boven het drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder
partner op 2,985% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,57% van het
toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
-20. Voor 2030 worden de percentages voor
verzekerden met een partner vastgesteld op 5,30% van het drempelinkomen,
vermeerderd met 5,60% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het
drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder partner op 3,00%
van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,60% van het toetsingsinkomen
voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
-21. Voor 2031 worden de percentages voor
verzekerden met een partner vastgesteld op 5,315% van het
drempelinkomen, vermeerderd met 5,63% van het toetsingsinkomen voor
zover dat boven het drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder
partner op 3,015% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,63% van het
toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
-22. Voor 2032 worden de percentages voor
verzekerden met een partner vastgesteld op 5,330% van het
drempelinkomen, vermeerderd met 5,66% van het toetsingsinkomen voor
zover dat boven het drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder
partner op 3,03% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,66% van het
toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
-23. Voor 2033 worden de percentages voor
verzekerden met een partner vastgesteld op 5,345% van het
drempelinkomen, vermeerderd met 5,69% van het toetsingsinkomen voor
zover dat boven het drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder
partner op 3,045% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,69% van het
toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
-24. Voor 2034 worden de percentages voor
verzekerden met een partner vastgesteld op 5,360% van het
drempelinkomen, vermeerderd met 5,72% van het toetsingsinkomen voor
zover dat boven het drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder
partner op 3,060% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,72% van het
toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
-25. Voor 2035 worden de percentages voor
verzekerden met een partner vastgesteld op 5,375% van het
drempelinkomen, vermeerderd met 5,75% van het toetsingsinkomen voor
zover dat boven het drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder
partner op 3,075% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,75% van het
toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
-26. Voor 2036 worden de percentages voor
verzekerden met een partner vastgesteld op 5,390% van het
drempelinkomen, vermeerderd met 5,78% van het toetsingsinkomen voor
zover dat boven het drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder
partner op 3,090% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,78% van het
toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
-27. Voor 2037 worden de percentages voor
verzekerden met een partner vastgesteld op 5,405% van het
drempelinkomen, vermeerderd met 5,81% van het toetsingsinkomen voor
zover dat boven het drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder
partner op 3,105% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,81% van het
toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
-28. Voor 2038 worden de percentages voor
verzekerden met een partner vastgesteld op 5,420% van het
drempelinkomen, vermeerderd met 5,84% van het toetsingsinkomen voor
zover dat boven het drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder
partner op 3,120% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,84% van het
toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
-29. Voor 2039 worden de percentages voor
verzekerden met een partner vastgesteld op 5,435% van het
drempelinkomen, vermeerderd met 5,87% van het toetsingsinkomen voor
zover dat boven het drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder
partner op 3,135% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,87% van het
toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
-30. Voor 2040 worden de percentages voor
verzekerden met een partner vastgesteld op 5,45% van het drempelinkomen,
vermeerderd met 5,90% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het
drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder partner op 3,150%
van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,90% van het toetsingsinkomen
voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
Art. 2.
Dit besluit treedt in werking met ingang
van 1 januari 2011.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden
geplaatst.
’s-Gravenhage, 9 september 2010
BEATRIX
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport,
A. Klink
Uitgegeven de achtste oktober 2010
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
NOTA
VAN TOELICHTING
[9 september 2010]
Algemeen
1. Inleiding
De economische crisis heeft geleid tot
een forse verslechtering van de overheidsfinanciën. Daarbij worden niet
alleen de overheidsfinanciën op korte termijn geraakt, maar ook de
houdbaarheid van de overheidsfinanciën op de lange termijn. Eén van de
voorstellen waarmee de regering beoogt de overheidsfinanciën op langere
termijn weer in het gareel te krijgen, is een maatregel die het
budgettair beslag van de zorgtoeslag beperkt. Het budgettaire beslag van
de zorgtoeslag neemt in de tijd fors toe, evenals het aantal
gerechtigden. Door de groei van de zorgtoeslag gedurende een groot
aantal jaren iets te beperken, kan een grote opbrengst worden
gegenereerd. Bij de invulling van de maatregel is gekozen voor een
variant die 0,3% van het bruto binnenlands product (BBP) oplevert en
zowel de minima zoveel mogelijk ontziet als de marginale druk ¹ zo
beperkt mogelijk laat stijgen.
1. De marginale druk geeft
aan hoeveel procent van een bruto-inkomensstijging niet resulteert in
een hoger nominaal beschikbaar inkomen, onder meer door hogere
belastingen en lagere toeslagen.
2. De systematiek van de zorgtoeslag
De hoogte van de zorgtoeslag wordt
bepaald door de standaardpremie (de gemiddelde nominale premie voor een
zorgverzekering plus het gemiddeld verplicht eigen risico) en het
huishoudinkomen van de ontvanger. De Wet op de zorgtoeslag veronderstelt
dat een huishouden maximaal x% van het inkomen reserveert voor de
betaling van de nominale premie voor de binnen het huishouden bestaande
premieplichtige ² zorgverzekeringen en voor betaling van onder het
verplicht eigen risico vallende zorg. Indien de standaardpremie voor een
zorgverzekering hoger is dan eerderbedoeld percentage, wordt het restant
automatisch door een hogere zorgtoeslag gecompenseerd. Indien de
standaardpremie voor een zorgverzekering daarentegen minder dan x% van
het inkomen bedraagt, wordt er geen zorgtoeslag uitbetaald. Voor
alleenstaanden ligt de inkomensgrens waarop er nog zorgtoeslag wordt
uitgekeerd op ongeveer € 33 750,-, voor gehuwden op € 50 000,- (cijfers
2010).
De kosten van de zorgtoeslag nemen in de
toekomst fors toe, niet alleen in euro’s, maar ook als percentage van
het BBP. Die forse groei treedt op omdat de uitgaven voor de
Zorgverzekeringswet (Zvw) (en daarmee ook de nominale premies) harder
stijgen dan de ontwikkeling van de inkomens. In de laatste Ageing-studie
gaat het Centraal Planbureau (CPB) ervan uit dat de Zvw-uitgaven in
reële termen 1% per jaar harder stijgen dan de inkomens. De systematiek
van de Zvw impliceert dan ook dat de nominale premie 1% per jaar harder
groeit dan de inkomens. Op grond van de huidige vormgeving van de
zorgtoeslag neemt het budgettaire beslag van de zorgtoeslag daardoor toe
van circa €|4 miljard in 2011 tot circa
€|14 miljard in 2040. Omdat de
nominale premie meer groeit dan de inkomens, neemt de zorgtoeslag per
huishouden toe en krijgen ook meer huishoudens recht op de zorgtoeslag.
2. Zorgverzekeringen voor
verzekerden jonger dan18 jaar zijn premievrij.
De oploop van de zorgtoeslag bij
ongewijzigde instituties is op lange termijn duidelijk groter dan 0,3%
BBP. Dat betekent dat ook bij een ombuiging die een opbrengst van 0,3%
BBP heeft, het budgettaire beslag van de zorgtoeslag en het aantal
ontvangers ervan in de toekomst nog zal oplopen. Burgers worden voor een
stijgende nominale zorgpremie dus nog steeds gecompenseerd, alleen
minder dan zonder deze maatregel het geval was geweest.
3. Voorgestelde maatregel
Zoals hiervoor toegelicht, is de hoogte
van de zorgtoeslag afhankelijk van de standaardpremie (de gemiddelde
nominale premie plus het gemiddelde eigen risico) en een normatief
percentage van het inkomen dat aan zorg moet worden betaald. Het
normatieve percentage dat een huishouden geacht wordt aan zorg te
betalen (de normpremie), wordt berekend als een percentage van het
minimumloon plus een percentage van het inkomen van het huishouden dat
het minimumloon te boven gaat.
In formule:
ZT eenpersoonshuishouden = SP -/- 2,7% x
WML -/- 5% x (INK -/- WML)
ZT meerpersoonshuishouden = 2 x SP -/- 5%
x WML -/- 5% x (INK -/- WML),
waarbij:
ZT = zorgtoeslag
SP = standaardpremie
INK = huishoudinkomen
WML = wettelijk minimumloon
Voorgesteld wordt om het normpercentage
dat verzekerden over het wettelijk minimumloon
moeten betalen jaarlijks
met 0,015 procentpunt te verhogen en het normpercentage over het overig
inkomen (het afbouwpercentage) jaarlijks met 0,03 procentpunt te verhogen. Het
normpercentage over het wettelijk minimumloon stijgt in totaal van 2011
tot 2041 met circa 0,45 procentpunt (van 2,7% naar 3,15% voor alleenstaanden
en van 5% naar 5,45% voor paren). Het normpercentage over het overig
inkomen stijgt in totaal van 2010 naar 2040 met circa 0,9 procentpunt (van 5%
naar 5,9% voor zowel alleenstaanden als paren).
Het aantal personen met zorgtoeslag
stijgt in deze variant van 61% personen boven de 18 met zorgtoeslag in
2009 naar 71% personen in 2040 in plaats van 81% personen in 2040 bij
ongewijzigd beleid.
4. Budgettaire gevolgen
De vormgeving van de maatregel impliceert
dat de budgettaire opbrengst geleidelijk wordt behaald. Op basis van de
bovenvermelde aannames over de groei van de zorgpremies heeft de
voorgestelde maatregel een opbrengst van circa €|75 miljoen
per jaar.
De maatregel levert derhalve circa €|75 miljoen op in 2011, circa
€|150
miljoen in 2012 en circa €|2,0 miljard in 2040. Hiermee heeft de
beschreven maatregel een budgettaire opbrengst die vergelijkbaar is met
een houdbaarheidsmaatregel van 0,3% BBP.
5. Inkomenseffecten en effect op de
marginale druk
Het voorstel bestaat de facto uit twee
delen:
1. via de verhoging van het
normpercentage over het wettelijk minimumloon wordt een deel van de
ombuiging in euro’s gelijk over alle zorgtoeslaggebruikers verdeeld; en
2. via de verhoging van het
afbouwpercentage worden huishoudens met een inkomen tot het minimumloon
volledig ontzien, maar dit deel van de ombuiging leidt er wel toe dat de
marginale druk voor de huishoudens daarboven verslechtert. Als hun
inkomen stijgt, raken zij een iets groter deel van de inkomensstijging
kwijt.
Gegeven de zeer beperkte bijstellingen
van de percentages die worden voorgesteld, acht de regering zowel de
inkomenseffecten als de effecten op de marginale druk acceptabel.
De jaarlijkse inkomenseffecten zijn voor
alle groepen duidelijk onder de 0,05% per jaar. Het effect van de
maatregel bedraagt in euro’s in 2011 naar huidig inzicht €|3,-
(op
jaarbasis) voor huishoudens rond het minimum en €|7,-
voor huishoudens
rond modaal. De exacte inkomenseffecten zijn afhankelijk van de
ontwikkeling van het (minimum)loon en de nominale premie zoals die voor
het betreffende jaar gelden. Op de korte termijn zijn er geen effecten
voor de inkomens duidelijk boven modaal (omdat die nu geen zorgtoeslag
ontvangen). Op de lange termijn worden ook huishoudens met hogere
inkomens door de maatregel getroffen, omdat het inkomen waarbij men voor
zorgtoeslag in aanmerking komt zonder deze maatregel fors zou toenemen.
Zoals uit onderstaande grafiek blijkt, blijven de gevolgen voor
huishoudens op of onder het minimumloon beperkt tot circa €|150,-
in
2040. Bij huishoudens rond modaal loopt het effect op tot ruim het
dubbele.
Figuur 1. Gevolgen van de maatregel over
30 jaar op basis van eenpersoonshuishoudens.

Artikelsgewijs
In
artikel 1 wordt voor de berekening van
de zorgtoeslag over de jaren 2011 tot en met 2040 vastgelegd wat het
normpercentage is dat verzekerden over het wettelijk
minimumloon moeten
betalen en wat het normpercentage is dat verzekerden over het overig
inkomen moeten betalen.
Het normpercentage dat verzekerden over
het wettelijk minimumloon moeten betalen, wordt jaarlijks met 0,015
procentpunt
verhoogd en het normpercentage over het overig inkomen wordt jaarlijks
met 0,03 procentpunt verhoogd. Het normpercentage over het wettelijk
minimumloon stijgt in totaal van 2010 tot 2040 met circa 0,45 procentpunt (van
2,7% naar 3,15% voor alleenstaanden en van 5% naar 5,45% voor paren).
Het normpercentage over het overig inkomen stijgt in totaal van 2010
naar 2040 met circa 0,9 procentpunt (van 5% naar 5,9% voor zowel
alleenstaanden als paren).
Hoewel de delegatiebepaling van
artikel 2, derde lid, tweede volzin, van de Wet
op de zorgtoeslag het mogelijk
toestaat om de jaarlijkse wijziging van de percentages in voorliggende
algemene maatregel van bestuur (AMvB) in de vorm van een formule te
regelen, is hier toch niet voor gekozen. De reden is dat de
delegatiebepaling zodanig is geformuleerd, dat de percentages bij AMvB
kunnen worden gewijzigd (zie ook nummer 34, tweede lid, onderdeel a, van
de Aanwijzingen voor de
regelgeving, waarin een uitzondering wordt
gemaakt op de regel dat in een hogere regeling niet wordt toegestaan dat
deze bij lagere regeling wordt gewijzigd, voor het op het volgens vaste
systematiek aanpassen van bedragen, tarieven en percentages). Wordt met
een formule gewerkt, dan zullen de beheerders van de diverse databanken
voor de wetgeving zelf ieder jaar met behulp van die formule de geldende
percentages moeten berekenen en in artikel 2, derde lid, eerste zin, van
de Wet
op de zorgtoeslag moeten opnemen. Dat kan tot fouten leiden. Een
heldere vaststelling van de per kalenderjaar geldende percentages - zodat in één oogopslag duidelijk is wat de percentages voor
bijvoorbeeld het jaar 2023 zijn - verdient de voorkeur, ook al leidt
dat in casu tot een artikel met 30 leden.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport,
A. Klink
|
|