|
BESLUIT van 4 januari
1966, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als
bedoeld in de artikelen 8, tweede lid, 9,
10,
13, eerste lid, 24,
30, 47, tweede lid, en
93 van de Ziekenfondswet (Verstrekkingenbesluit
ziekenfondsverzekering)
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid en
de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Volksgezondheid van 28 december
1965, Directoraat-Generaal van de Volksgezondheid, Directie
Gezondheidszorg, Hoofdafdeling Gezondheidszorg I, nr. 132.299;
Gelet op de artikelen 8, tweede, derde en
vierde lid, 9, 10,
13, eerste lid, 24,
30, 47, tweede lid, en
93 van de
Ziekenfondswet (Stb. 1964, 392);
De Raad van State gehoord (advies van 30
december 1965, nr. 65);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Sociale Zaken en Volksgezondheid en de Staatssecretaris van Sociale
Zaken en Volksgezondheid van 31 december 1965, Directoraat-Generaal voor
de Volksgezondheid, Directie Gezondheidszorg, Hoofdafdeling
Gezondheidszorg I, nr. 160.009;
Hebben goedgevonden en verstaan:
§ 1.
Algemene bepalingen
Art. 1.
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport;
b. specialist: een arts die is ingeschreven in het
specialistenregister van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot
Bevordering der Geneeskunst;
c. tandarts-specialist: een tandarts die is ingeschreven in
het specialistenregister voor mondheelkunde en chirurgische prothetiek,
dan wel in het specialistenregister voor dentomaxillaire orthopaedie van
de Nederlandsche Maatschappij tot Bevordering der Tandheelkunde;
d. huisarts: een arts die is ingeschreven in het register
van erkende huisartsen van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot
Bevordering der Geneeskunst;
e. bedrijfsarts: een arts die als
arts arbeid en gezondheid, bedrijfsarts, is ingeschreven in het register
van erkende sociaal-geneeskundigen, dat wordt bijgehouden door de
Sociaal-Geneeskundigen Registratie Commissie van de Koninklijke
Nederlandsche Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst;
f. arbodienst: een arbodienst als
bedoeld in artikel 1, derde lid, onderdeel j, van de Arbeidsomstandighedenwet
1998. Art.
2.
-1. De verzekerden hebben naast de verstrekkingen, genoemd in
artikel 8, eerste lid, van de Ziekenfondswet, aanspraak op:
a. ziekenvervoer;
b. hulp door een audiologisch centrum;
c. erfelijkheidsadvisering;
d. niet-klinische haemodialyse;
e. chronische intermitterende beademing;
f. onderzoek in het kader van tuberculose of tuberculose-infectie;
g. hulp door een trombosedienst; één en ander met inachtneming van het
bij of krachtens dit besluit bepaalde.
-2. Indien het ziekenfonds als gevolg van de toepassing van
artikel 9, vijfde lid, van de Ziekenfondswet een verzekerde heeft
ingeschreven op naam van een persoon of instelling, wordt de
desbetreffende verstrekking verleend door de betrokken persoon of diens
waarnemer, onderscheidenlijk de betrokken instelling, één en ander
onverlet hetgeen elders is bepaald omtrent het verlenen van de genoemde
hulp door een andere persoon of instelling. Art.
2a.
-1. De aanspraak op een verstrekking kan slechts tot gelding worden
gebracht voor zover de verzekerde, gelet op zijn behoefte en uit een
oogpunt van doelmatige zorgverlening, redelijkerwijs daarop naar aard,
inhoud en omvang is aangewezen.
-2. Onverminderd hetgeen bij of krachtens dit besluit wordt bepaald, kan
het ziekenfonds schriftelijk de voorwaarden vaststellen waaronder de
aanspraken tot gelding worden gebracht.
§
1A. No-claimteruggaaf Art.
2b.
-1. Het bedrag, bedoeld in artikel
18a, tweede lid, eerste volzin, van de Ziekenfondswet
bedraagt: €|255,00.
-2. Het indexcijfer, bedoeld in artikel
18a, zesde lid, onderdeel f, van de Ziekenfondswet,
betreft het percentage waarmee het minimumloon,
bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, op 1 juli van het jaar
voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de uitkering betrekking heeft,
is gewijzigd ten opzichte van het minimumloon op 1 juli van het tweede
jaar voorafgaand aan dat kalenderjaar.
-3. Het met toepassing van het tweede lid
berekende bedrag wordt naar beneden afgerond op een veelvoud van een
hele euro.
-4. Bij de jaarlijkse toepassing van het
indexcijfer wordt de afronding buiten beschouwing gelaten.
Art.
2c.
-1. De uitkering waarop verzekerden
ingevolge artikel 18a van de Ziekenfondswet
aanspraak hebben, wordt uiterlijk op 31 maart van het kalenderjaar
volgend op het kalenderjaar waarop de uitkering betrekking heeft,
uitgekeerd, door overmaking op de bankrekening van degene die de
nominale premie heeft betaald, tenzij de verzekerde anders heeft
aangegeven.
-2. Voor de toepassing van artikel
18a, eerste lid, van de Ziekenfondswet
wordt als kosten van de gebruikte zorg in aanmerking genomen het bedrag
dat voor die zorg in rekening is gebracht.
-3. Indien blijkt dat zorg is gebruikt met
de kosten waarvan het ziekenfonds bij de berekening van de uitkering
geen rekening kon houden, wordt de uitkering uiterlijk op 31 maart van
het tweede kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarop de uitkering
betrekking heeft, gecorrigeerd. Art.
2d.
-1. Indien de verzekerde slechts gedurende
een deel van het kalenderjaar waarop de uitkering betrekking heeft bij
een ziekenfonds was ingeschreven, wordt het bedrag, bedoeld in artikel
2b, gedeeld door het aantal dagen van dat kalenderjaar en
vermenigvuldigd met het aantal dagen dat de verzekerde bij dat
ziekenfonds was ingeschreven.
-2. Indien voor de verzekerde slechts een
deel van het kalenderjaar waarop de uitkering betrekking heeft nominale
premie verschuldigd was, wordt het bedrag, bedoeld in artikel
2b, gedeeld door het aantal dagen van dat kalenderjaar en
vermenigvuldigd met het aantal dagen waarover nominale premie werd
betaald.
-3. Indien het eerste of het tweede lid van
toepassing is, worden voor de berekening van de uitkering slechts in
aanmerking genomen de kosten van de zorg waarvan de verzekerde gebruik
heeft gemaakt in het desbetreffende deel van het kalenderjaar.
§
2. Huisartsenzorg en paramedische zorg
Art. 3.
-1. Huisartsenzorg te verlenen door een huisarts omvat genees- en
heelkundige zorg naar de omvang bepaald door hetgeen in de kring der
beroepsgenoten gebruikelijk is, met uitzondering van vaccinatie ten
behoeve van preventie van influenza.
-2. De plaats waar de in het eerste lid bedoelde zorg wordt verleend,
wordt bepaald door hetgeen in de kring der beroepsgenoten gebruikelijk
is. Art.
4. Vervallen. Art. 5.
-1. Paramedische zorg omvat:
a. door een huisarts, bedrijfsarts of specialist voorgeschreven zorg, te verlenen door
heilgymnasten-masseurs, fysiotherapeuten en oefentherapeuten;
b. door een huisarts,
bedrijfsarts, specialist of tandarts-specialist voorgeschreven
zorg, te verlenen door logopedisten;
c. door een huisarts,
bedrijfsarts, specialist of verpleeghuisarts voorgeschreven
advisering, instructie, training of behandeling gedurende maximaal 10
uren per kalenderjaar, te verlenen door een ergotherapeut in zijn
behandelruimte of ten huize van de verzekerde, met als doel de zelfzorg
en zelfredzaamheid van de verzekerde te bevorderen of te herstellen;
d.
door een arts of tandarts voorgeschreven voorlichting met een medisch
doel over voeding en eetgewoonten gedurende maximaal vier behandeluren
per jaar, te verlenen door een diëtist.
-2. Indien de zorg, bedoeld in het eerste
lid, plaatsvindt op voorschrift van een bedrijfsarts, bestaat slechts
aanspraak op deze zorg indien het ziekenfonds met de verwijzende
bedrijfsarts of de arbodienst waaraan deze bedrijfsarts is verbonden,
schriftelijk afspraken heeft gemaakt over de kwaliteit en doelmatigheid
van de verwijzing, de wijze waarop afstemming en overleg plaatsvinden
met personen of instellingen die aan de verzekerde zorg verlenen of
kunnen verlenen, en de controle op de naleving van de afspraken.
-3. Bij ministeriële regeling
worden regels gesteld met betrekking tot de omvang van de zorg, bedoeld
in het eerste lid, onderdeel a en b, de voorwaarden waaronder aanspraak
bestaat en de plaats waar de zorg wordt verleend.
§ 3.
Verloskundige zorg
Art. 6.
De verloskundige zorg omvat de door verloskundigen en huisartsen
te verlenen verloskundige zorg.
§
4. Tandheelkundige zorg
Art. 7.
-1. De tandheelkundige zorg aan de verzekerde die de leeftijd van 18
jaar nog niet heeft bereikt, omvat in de omvang en onder de voorwaarden
nader door Onze Minister vast te stellen tandheelkundige zorg, te
verlenen:
a. door of vanwege een instelling voor jeugdtandverzorging;
b. door een tandarts;
c. door een tandarts-specialist.
-2. De tandheelkundige zorg aan de verzekerde die de leeftijd van 18
jaar heeft bereikt, omvat in de omvang en onder de voorwaarden nader
door Onze Minister vast te stellen tandheelkundige zorg, te verlenen
door een tandarts of een tandarts-specialist.
-3. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de verzekerde een
bijdrage is verschuldigd in de kosten van de zorg die hij ontvangt in
verband met een ernstige tandheelkundige aandoening, een
niet-tandheelkundige lichamelijke of een geestelijke aandoening.
-4. Onze Minister kan bepalen dat de verzekerde:
a. in geval van verrichtingen
van een bijzondere moeilijkheidsgraad dan wel indien voor zodanige
verrichtingen een multidisciplinaire diagnostiek of behandeling is
aangewezen;
b. in geval van verrichtingen onder bijzonder moeilijke omstandigheden
door de samenhang met een niet-tandheelkundige lichamelijke of
geestelijke aandoening dan wel indien voor verrichtingen onder zodanige
omstandigheden een multidisciplinaire diagnostiek of behandeling is
aangewezen;
slechts aanspraak heeft op
tandheelkundige zorg indien deze wordt verleend in een instelling.
-5. De bijdrage wordt betaald
aan degene die de zorg verleent.
§ 5.
Farmaceutische zorg
Art. 8.
-1. In deze paragraaf wordt
verstaan onder:
a. geneesmiddel: een geneesmiddel dat op grond van de Wet
op de Geneesmiddelenvoorziening in Nederland mag worden afgeleverd;
b. specialité: een geneesmiddel als bedoeld in artikel
1, eerste lid, onderdeel h, van de Wet
op de Geneesmiddelenvoorziening;
c. preparaat: een geneesmiddel als bedoeld in artikel
1, eerste lid, onderdeel i, van de Wet
op de Geneesmiddelenvoorziening;
d. branded generic: een specialité dat in de handel wordt gebracht
onder een benaming waarin de stofnaam is vermeld en waaraan een
merkaanduiding is toegevoegd;
e. combinatiepreparaat: een geneesmiddel dat meer dan één werkzaam
bestanddeel bevat;
f. geregistreerd geneesmiddel: een geneesmiddel dat is ingeschreven in
het register, bedoeld in artikel
3 van de Wet
op de Geneesmiddelenvoorziening, of voor het in de
handel brengen waarvan de Gemeenschap ingevolge de Verordening (EEG) nr.
2309/93 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 juli 1993 tot
vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van
vergunningen voor en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en
diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees bureau voor
de geneesmiddelenbeoordeling (PbEG L 214) een vergunning heeft
afgegeven;
g. deel IB van het registerdossier: het registerblad, inhoudende de
gegevens, bedoeld in artikel
2, eerste lid, onderdeel h, van het Besluit registratie geneesmiddelen
of het registerblad, bedoeld in deel I, onderdeel B, van de bijlage van
de Richtlijn nr. 75/318/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen
van 20 mei 1975 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen
van de lidstaten inzake de analytische, toxicologisch-farmacologische
en klinische normen en voorschriften betreffende proeven op
farmaceutische specialiteiten (PbEG L 147/1);
h. registratiehouder: degene te wiens naam een geneesmiddel in het
register, bedoeld in artikel
3, eerste lid, van de Wet
op de Geneesmiddelenvoorziening, staat
ingeschreven dan wel degene die voor een geneesmiddel een vergunning
heeft ingevolge de Verordening (EEG) nr. 2309/93 van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 22 juli 1993 tot vaststelling van
communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen voor en het
toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en
tot oprichting van een Europees bureau voor de geneesmiddelenbeoordeling
(PbEG L 214);
i. Taxe: de Taxe, uitgegeven door de Z-index BV;
j. Defined Daily Dose: de dagdosis van een geneesmiddel, als vastgesteld
onder verantwoordelijkheid van het WHO Collaborating Centre for Drug
Statistics Methodology;
k. Anatomical Therapeutic Chemical Classification: de classificatie van
geneesmiddelen, samengesteld onder verantwoordelijkheid van het WHO
Collaborating Centre for Drug Statistics Methodology;
l. standaardkuur: de totale hoeveelheid van het werkzaam bestanddeel van
een geneesmiddel die, blijkens de dosering, vermeld in deel IB van het
registerdossier, wordt gegeven;
m. referentiehoeveelheid: die hoeveelheid van een werkzaam bestanddeel,
in een farmaceutische vorm gebracht, waarmee, gegeven de standaarddosis
en het gebruikelijke aantal keren per dag dat het geneesmiddel wordt
gegeven om die standaarddosis te bereiken, de gebruikelijke dagelijkse
dosering kan worden bereikt, met dien verstande dat bij keuze tussen een
retardvorm en een niet-retardvorm wordt uitgegaan van de niet-retardvorm.
-2. Bij de toepassing van deze
paragraaf wordt uitsluitend acht geslagen op:
a. deel IB van het registerdossier;
b. de publicaties onder auspiciën van de Wereldgezondheidsorganisatie
over de Defined Daily Dose en de Anatomical Therapeutical Chemical
Classification;
c. de in medisch-farmaceutische kringen gebruikelijke farmacologische en
farmacotherapeutische handboeken;
d. publicaties in tijdschriften die in medisch-farmaceutische kringen
als betrouwbare bronnen voor geneesmiddeleninformatie gelden;
e. gegevens afkomstig van
farmaco-economisch onderzoek; en
f. andere gegevens en bescheiden die voldoen aan de regels ingevolge
artikel
2, zesde lid, van het Besluit registratie geneesmiddelen.
-3. Bij ministeriële regeling kunnen
voorwaarden worden gesteld waaraan farmaco-economisch onderzoek voor de
toepassing van deze paragraaf moet voldoen.
Art. 9.
-1. Farmaceutische zorg omvat de aflevering van:
a. de bij ministeriële regeling aangewezen geregistreerde
geneesmiddelen;
b. andere dan geregistreerde geneesmiddelen die op grond van de
Wet op
de Geneesmiddelenvoorziening in Nederland mogen worden afgeleverd,
indien behandeling met die middelen als rationele farmacotherapie kan
worden aangemerkt;
c. polymere, oligomere, monomere en modulaire dieetpreparaten;
d. verbandmiddelen.
-2. Ingevolge het eerste lid, onderdeel a, worden niet aangewezen:
a. geneesmiddelen die op grond
van de Wet
op de Geneesmiddelenvoorziening zonder recept mogen worden
afgeleverd en andere geneesmiddelen met eenzelfde werkzaam bestanddeel
en in eenzelfde toedieningsvorm, tenzij aanwijzing van een geneesmiddel
om bijzondere redenen noodzakelijk is te achten;
b. vaccins ter bescherming tegen besmettelijke ziekten, tenzij
aanwijzing daarvan om bijzondere redenen noodzakelijk is te achten;
c. geneesmiddelen als bedoeld in artikel
1 van het Besluit homeopathische farmaceutische producten;
d. geneesmiddelen waarvoor geen vergoedingslimiet als bedoeld in
artikel
11a kan worden vastgesteld, tenzij Onze Minister
in verband met de
therapeutische waarde en de doelmatigheid van het geneesmiddel van
oordeel is dat het belang van de volksgezondheid vergt dat verzekerden
toegang tot dat middel hebben.
-3. In afwijking van het eerste
lid omvat de farmaceutische zorg niet de aflevering van:
a. geneesmiddelen indien niet
voldaan is aan de daarvoor bij ministeriële regeling vastgestelde
voorwaarden;
b. geneesmiddelen uit voorzorg of ter voorkoming van een ziekte aan
verzekerde af te leveren met het oog op een reis;
c. geneesmiddelen als bedoeld in de artikelen
54 en 55
van het Besluit bereiding en aflevering van farmaceutische producten,
tenzij het een verzekerde betreft die lijdt aan een in Nederland zelden
voorkomende ziekte, te wiens behoeve het ziekenfonds vooraf toestemming
heeft verleend voor de aflevering van een geneesmiddel als bedoeld in
artikel 54, eerste lid, onderdeel d, van dat besluit;
d. dieetpreparaten, tenzij het een verzekerde betreft die lijdt aan een
ernstige slikstoornis, een ernstige passagestoornis, een ernstige
resorptiestoornis, een ernstige voedselallergie, een ernstige
stofwisselingsstoornis, chronisch obstructief longlijden, cystische
fibrose of een ernstige congenitaal hartfalen en bij dat hartfalen een
dreigende groeiachterstand heeft;
e. verbandmiddelen, tenzij het een verzekerde betreft met een ernstige
aandoening waarbij een langdurige medische behandeling met deze middelen
is aangewezen;
f. een geneesmiddel als bedoeld in
het eerste lid, onderdeel b, dat gelijkwaardig of nagenoeg
gelijkwaardig is aan enig niet-aangewezen geregistreerd geneesmiddel.
Art.
9a.
-1. Het ziekenfonds kan schriftelijk
vaststellen dat de bij hem ingeschreven verzekerden in afwijking van artikel
9, eerste lid, aanhef en onder a, slechts aanspraak hebben op
aflevering van de door hem aangewezen geregistreerde geneesmiddelen.
-2. De aanwijzing geschiedt zodanig dat de
werkzame stoffen die voorkomen in de geneesmiddelen, aangewezen
ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a,
voor de verzekerden beschikbaar zijn.
-3. Een beperking van de aanspraak als
bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing voor zover behandeling
met een aangewezen geneesmiddel voor een verzekerde medisch niet
verantwoord is.
Art. 10.
-1. De verzekerde heeft slechts
aanspraak op farmaceutische zorg indien de zorg is voorgeschreven door:
a. een arts, tandarts of
verloskundige wiens zorg de verzekerde ingevolge dit besluit heeft
ingeroepen;
b. een arts verbonden aan een consultatiebureau voor geboorteregeling,
een persoon of instelling die zorg verleent
als bedoeld in artikel 8 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ;
c. een arts die is verbonden aan een gemeentelijke
gezondheidsdienst, en
de zorg strekt ter behandeling van tuberculose of tuberculose-infectie.
-2. De verzekerde heeft
aanspraak op één van de geneesmiddelen die de stof bevatten waarvan de
stofnaam is vermeld op het voorschrift.
Art. 11.
-1. De verzekerde heeft per voorschrift
aanspraak op geneesmiddelen voor een periode van ten hoogste:
a. één jaar indien het orale
anticonceptiva betreft;
b. drie maanden indien het geneesmiddelen betreft ter
behandeling van een chronische ziekte, met uitzondering van hypnotica of
anxiolytica;
c. vijftien dagen indien het geneesmiddelen ter bestrijding
van acute aandoeningen met antibiotica of chemotherapeutica betreft;
d. één maand in de overige gevallen.
-2. In afwijking van het eerste
lid heeft de verzekerde die wordt ingesteld op een voor hem nieuwe
medicatie, aanspraak op aflevering van geneesmiddelen voor een periode
van vijftien dagen.
Art. 11a.
Bij de aanwijzing van een
geneesmiddel ingevolge artikel 9, eerste lid, onderdeel a, wordt vastgesteld
of het geneesmiddel onderling vervangbaar is met één of meer andere
geneesmiddelen. Tevens wordt voor de geneesmiddelen waarvan wordt
vastgesteld dat zij onderling vervangbaar zijn met één of meer andere
geneesmiddelen, een vergoedingslimiet vastgesteld.
Art. 11b.
-1. Geneesmiddelen worden als
onderling vervangbaar aangemerkt, indien zij:
a. bij een gelijksoortig indicatiegebied kunnen worden
toegepast;
b. via een gelijke toedieningsweg worden toegediend; en
c. in het algemeen voor dezelfde leeftijdscategorie zijn bestemd.
-2. Bij
de toedieningswegen wordt een onderscheid gemaakt in toediening door
middel van injectie waarbij systemisch het gewenste effect wordt beoogd,
toediening niet door middel van een injectie waarbij systemisch het
gewenste effect wordt beoogd, toediening door middel van injectie
waarbij lokaal het gewenste effect wordt beoogd en toediening niet door
middel van een injectie waarbij lokaal het gewenste effect wordt beoogd.
-3. In afwijking van het eerste en tweede lid worden geneesmiddelen niet
als onderling vervangbaar aangemerkt, indien:
a. tussen die geneesmiddelen
verschillen in eigenschappen bestaan;
b. deze verschillen in eigenschappen zich voordoen of kunnen voordoen
bij de gehele patiëntenpopulatie bij welke de geneesmiddelen kunnen
worden toegepast; en
c. uit de gegevens
en bescheiden, bedoeld in artikel 8, tweede lid, blijkt dat deze
verschillen in eigenschappen, tezamen genomen, bepalend zijn voor de
keuze van het geneesmiddel door de arts.
-4. In afwijking van het eerste
en tweede lid worden geneesmiddelen die behoren tot een subgroep die
alleen uit preparaten bestaat of alleen uit specialités onder dezelfde
merknaam, niet als onderling vervangbaar beschouwd.
-5. In afwijking van het
eerste, tweede en derde lid wordt een combinatiepreparaat als onderling
vervangbaar aangemerkt met een in een groep van onderling vervangbare
geneesmiddelen opgenomen geneesmiddel, niet zijnde een
combinatiepreparaat, dat een werkzaam bestanddeel bevat dat voorkomt in
het combinatiepreparaat, indien:
a. alle werkzame bestanddelen van het combinatiepreparaat voorkomen in
geneesmiddelen, niet zijnde combinatiepreparaten, die zijn opgenomen in
een groep van onderling vervangbare geneesmiddelen; en
b. de onder a bedoelde geneesmiddelen langs dezelfde toedieningsweg
worden toegediend en in het algemeen voor dezelfde leeftijdscategorie
zijn bestemd als het combinatiepreparaat.
-6. Het vijfde lid is niet van toepassing op combinatiepreparaten van
oestrogenen en progestagenen en combinatiepreparaten van thiazide- en
kaliumsparende diuretica.
Art. 11c.
-1. Voor de berekening van een vergoedingslimiet wordt uitgegaan van een
standaarddosis van het werkzaam bestanddeel van het geneesmiddel.
-2. De standaarddosis wordt bepaald op basis van de Defined Daily
Dose,
tenzij de Defined Daily Dose lager is dan de in Nederland geadviseerde
minimale dosering of hoger is dan de in Nederland geadviseerde maximale
dosering.
-3. Indien een werkzaam bestanddeel onder verschillende zout- of
estervormen in de handel is en bij de Defined Daily Dose geen
onderscheid is gemaakt naar de zout- of estervorm, wordt de
standaarddosis voor de verschillende zout- of estervormen, voor zover
mogelijk, herleid tot de zout- of estervorm die het meest voorkomt in de
in artikel 8, tweede lid, genoemde bronnen.
-4. Voor uitwendig toegepaste dermatologica geldt als standaarddosis 1
gram, 1 ml of 100 cm² afhankelijk van de gehanteerde hoeveelheidsmaat.
-5. De standaarddosis wordt zoveel mogelijk vastgesteld met
overeenkomstige toepassing van de methodiek, gehanteerd bij de
vaststelling van de Defined Daily Dose, indien:
a. voor een geneesmiddel geen Defined Daily Dose is
vastgesteld; of
b. de Defined Daily Dose lager is dan de in Nederland geadviseerde
minimale dosering of hoger is dan de in Nederland geadviseerde maximale
dosering.
-6. In afwijking van het eerste tot en met vijfde lid wordt bij
geneesmiddelen waarvoor geldt dat de duur van de medicatie wordt bekort
door de hoeveelheid per dag gegeven werkzame bestanddelen te verhogen,
uitgegaan van de standaardkuur.
-7. De vergoedingslimiet van een geneesmiddel wordt opnieuw vastgesteld,
indien:
a. de Defined Daily Dose van dat geneesmiddel bij een herziening van de
Defined Daily Doses van een categorie van geneesmiddelen in de
Anatomical Therapeutic Chemical Classification op niveau 4 wordt
gewijzigd ten opzichte van de Defined Daily Dose waarvan eerder bij de
bepaling van de standaarddosis was uitgegaan;
b. voor dat geneesmiddel de standaarddosis was bepaald overeenkomstig
het vijfde lid, aanhef en onder a, en voor dat geneesmiddel een Defined
Daily Dose wordt vastgesteld; of
c. wijziging optreedt in de in Nederland geadviseerde minimale of
maximale dosering van een geneesmiddel, bedoeld in het vijfde lid,
aanhef en onder b, en die wijziging zou leiden tot een andere
standaarddosis dan die waarvan bij de indeling van dat geneesmiddel in
de desbetreffende groep van onderling vervangbare geneesmiddelen is
uitgegaan.
-8. Indien de Defined Daily Dose van een geneesmiddel of van
geneesmiddelen van de prijs waarvan is uitgegaan voor de berekening van
een vergoedingslimiet, bij een herziening van de Defined Daily Dose van
een categorie van geneesmiddelen in de Anatomical Therapeutic Chemical
Classification op niveau 4 wordt gewijzigd, wordt de vergoedingslimiet
voor de groep onderling vervangbare geneesmiddelen waartoe dat
geneesmiddel behoort, opnieuw vastgesteld. Bij de berekening van de
nieuwe vergoedingslimiet worden slechts betrokken de geneesmiddelen die
betrokken zijn bij de eerdere berekening van de vergoedingslimiet.
Art. 11d.
-1. Voor zover een groep van onderling vervangbare geneesmiddelen bestaat
uit geneesmiddelen die voor een bij ministeriële regeling vast te
stellen tijdstip geregistreerd waren en de prijs daarvan voorkwam in de
op dat tijdstip geldende Taxe, wordt voor de berekening van de
vergoedingslimiet voor de tot die groep behorende geneesmiddelen
uitgegaan van de prijzen vermeld in de bedoelde Taxe.
-2. Indien een groep van
onderling vervangbare geneesmiddelen bestaat uit geneesmiddelen die na
het in het eerste lid bedoelde tijdstip geregistreerd zijn of waarvan de
prijs voor het eerst voorkwam in een na dat tijdstip verschenen Taxe,
wordt voor de berekening van de vergoedingslimiet voor de tot die groep
behorende geneesmiddelen uitgegaan van de prijs van het geneesmiddel
waarvan de prijs het eerst in de Taxe is vermeld.
-3. Bij de berekening van de vergoedingslimiet worden de prijzen van
parallel geïmporteerde geneesmiddelen en van combinatiepreparaten als
bedoeld in artikel 11b, vijfde lid, buiten beschouwing gelaten.
Art. 11e.
-1. Per groep van onderling vervangbare geneesmiddelen wordt een
gemiddelde prijs berekend.
-2. Voor de berekening van de gemiddelde prijs wordt de groep verdeeld in
subgroepen van geneesmiddelen die hetzelfde werkzaam bestanddeel of
dezelfde combinatie van werkzame bestanddelen hebben.
-3. Binnen een subgroep wordt voor de specialité’s met eenzelfde
merknaam, met uitzondering van de branded generics, een gemiddelde prijs
per standaarddosis berekend.
-4. Binnen een subgroep wordt
voor andere geneesmiddelen dan die bedoeld in het derde lid een
gemiddelde prijs per standaarddosis berekend. Die prijs is het
gemiddelde van de laagste prijzen van de geneesmiddelen in dezelfde
farmaceutische vorm.
-5. Per subgroep worden de ingevolge het derde en vierde lid berekende
gemiddelde prijzen per standaarddosis opgeteld en wordt die uitkomst
gemiddeld, zodat een prijs per subgroep wordt verkregen.
-6. Indien in de Taxe voor een specialité meer dan
één prijs wordt
vermeld, wordt uitgegaan van de laagste prijs.
Art. 11f.
-1. Indien de groep van onderling vervangbare geneesmiddelen bestaat uit
slechts één subgroep, is de in artikel 11e, vijfde lid, bedoelde prijs
per subgroep de basis voor de berekening van de vergoedingslimiet van de
tot die groep behorende geneesmiddelen.
-2. Indien de groep van onderling vervangbare geneesmiddelen bestaat uit
meer dan één subgroep, worden, indien:
a. de geneesmiddelen behoren tot een categorie in de Anatomical
Therapeutic Chemical Classification op niveau 4, alle prijzen per
subgroep bij elkaar opgeteld en wordt vervolgens het gemiddelde ervan
berekend;
b. de geneesmiddelen behoren tot verschillende categorieën op niveau 4
van de Anatomical Therapeutic Chemical Classification, de prijzen voor
de verschillende subgroepen, voor zover behorend tot dezelfde categorie,
gemiddeld, worden de aldus berekende prijzen voor de afzonderlijke
categorieën opnieuw gemiddeld en vormt het aldus verkregen gemiddelde
de berekeningsbasis voor de bepaling van de vergoedingslimiet.
Art. 11g.
-1. Indien er binnen een groep van onderling vervangbare geneesmiddelen
een geneesmiddel is waarvan de prijs per standaarddosis gelijk is aan
de in artikel 11f bedoelde berekeningsbasis, is de vergoedingslimiet
voor de geneesmiddelen uit die groep gelijk aan de prijs per
standaarddosis van dat geneesmiddel.
-2. Indien er binnen een groep van onderling vervangbare geneesmiddelen
geen geneesmiddel is waarvan de prijs per standaarddosis gelijk is aan
de in artikel 11f bedoelde berekeningsbasis, is de vergoedingslimiet
voor de geneesmiddelen uit die groep gelijk aan de prijs per
standaarddosis van het geneesmiddel die zo dicht mogelijk onder de
berekeningsbasis ligt.
Art. 11h.
-1. Indien van een geneesmiddel verschillende toedieningssterkten
bestaan, wordt de vergoedingslimiet, berekend overeenkomstig de
artikelen 11c tot en met 11g, voor het geneesmiddel met de kleinste
toedieningssterkte gecorrigeerd door de ongecorrigeerde
vergoedingslimiet te vermenigvuldigen met 2/10 maal het quotiënt van de
referentiehoeveelheid en de kleinste toedieningssterkte van dat
geneesmiddel, vermeerderd met 8/10.
-2. Voor geneesmiddelen die
voor andere leeftijdscategorieën dan volwassenen zijn bestemd, is de
referentiehoeveelheid de hoeveelheid die voorkomt in het preparaat van
de hoogste hoeveelheid van die andere leeftijdscategorieën.
-3. De dimensie van de
referentiehoeveelheid moet gelijk zijn aan de dimensie van de kleinste
toedieningsvorm.
-4. Bij geneesmiddelen als bedoeld in de artikelen
11b, vijfde lid, en 11c, zesde lid, blijft het eerste tot en met het derde lid buiten
toepassing.
Art. 11i.
-1. De vergoedingslimiet van een combinatiepreparaat als bedoeld in
artikel 11b, vijfde lid, is gelijk aan de som van de vergoedingslimieten
voor de geneesmiddelen, niet zijnde combinatiepreparaten, die de
werkzame bestanddelen bevatten die in het combinatiepreparaat voorkomen
en die langs dezelfde toedieningsweg worden toegediend en in het
algemeen voor dezelfde leeftijdscategorie zijn bestemd als het
combinatiepreparaat.
-2. Indien de in het eerste lid bedoelde geneesmiddelen die geen
combinatiepreparaten zijn, een in het combinatiepreparaat voorkomend
werkzaam bestanddeel bevatten in een andere hoeveelheid of in een andere
toedieningsvorm dan die welke in het combinatiepreparaat voorkomt, wordt
uitgegaan van de vergoedingslimieten die voor die geneesmiddelen zouden
hebben gegolden indien die geneesmiddelen dat werkzaam bestanddeel
zouden hebben bevat in de hoeveelheid en de toedieningsvorm die in het
combinatiepreparaat voorkomt.
Art. 11j.
Voor zover de toepassing van de artikelen 11b tot ¹ 11i
naar het oordeel
van Onze Minister tot een uitkomst leidt die niet in overeenstemming is
met de strekking daarvan, kan Onze Minister een besluit nemen in
afwijking daarvan.
1. Volgens de redactie dient na
"tot" te worden ingevoegd: en met.
Art. 11k.
-1. De registratiehouder kan bij Onze Minister
een aanvraag indienen om
een geneesmiddel aan te wijzen ingevolge artikel 9, eerste lid, onderdeel
a.
-2. De aanvraag geschiedt met gebruikmaking van een door Onze Minister
vast te stellen formulier. Daarbij worden de gegevens en de bescheiden
verschaft die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn. De datum van
ontvangst wordt aan de aanvrager meegedeeld.
-3. Indien de overgelegde gegevens en bescheiden onvoldoende zijn, stelt
Onze Minister de aanvrager in de gelegenheid binnen een door hem te
bepalen termijn de aanvraag aan te vullen.
-4. Onze Minister hoort over de aanvraag van het College zorgverzekeringen.
-5. Onze Minister beslist binnen 90 dagen na ontvangst van de aanvraag.
Deze termijn wordt opgeschort met ingang van de dag waarop Onze Minister
de aanvrager uitnodigt de aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de
aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is
verstreken.
-6. De inhoud van het voorgenomen besluit voor zover betrekking hebbend op
de aanvraag wordt aan de aanvrager medegedeeld. Daarbij wordt tevens het
oordeel van het College zorgverzekeringen
toegezonden en wordt de
motivering vermeld, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat
daaraan geen behoefte bestaat. Aan de aanvrager wordt meegedeeld welke
rechtsmiddelen hem ter beschikking staan.
-7. Het tweede tot en met het zesde lid zijn van overeenkomstige
toepassing indien de registratiehouder verzoekt om herziening van een
besluit ingevolge het eerste lid en hij daartoe nieuw gebleken feiten of
veranderde omstandigheden aanvoert.
-8. Indien Onze Minister voornemens is een geneesmiddel ambtshalve aan te
wijzen ingevolge artikel 9, eerste lid, onderdeel a, dan wel zodanige
aanwijzing te wijzigen, deelt hij de registratiehouder uiterlijk één
maand vóór de beoogde datum van inwerkingtreding de zakelijke inhoud van
het voorgenomen besluit mede. Het vierde en zesde lid zijn van
overeenkomstige toepassing.
-9. Indien het een geneesmiddel betreft met dezelfde werkzame
bestanddelen, van dezelfde sterkte en in dezelfde farmaceutische vorm
als een geneesmiddel dat reeds ingevolge artikel 9, eerste lid, onderdeel
a,
is aangewezen, zijn het tweede tot en met vierde lid, het zesde lid,
tweede volzin, en het zevende en achtste lid niet van toepassing.
Art. 11l.
-1. De verzekerde is een bijdrage verschuldigd in de kosten van een
geneesmiddel dat is ingedeeld in een groep van onderling vervangbare
geneesmiddelen, voor zover de toepasselijke vergoedingslimiet,
omgerekend naar de desbetreffende hoeveelheid, lager is dan de
inkoopprijs die vermeld staat in de Taxe, verhoogd met de over het
verschil verschuldigde omzetbelasting. Een bijdrage is ook verschuldigd
voor zover een geneesmiddel is bereid uit een geneesmiddel waarvoor een
bijdrage is verschuldigd.
-2. De bijdrage wordt betaald aan degene die het geneesmiddel aflevert.
§
6. Medisch-specialistische zorg
Art. 12.
-1. Medisch-specialistische zorg, bedoeld in
artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Ziekenfondswet, omvat:
a. genees-, heel- en verloskundige zorg naar de omvang bepaald door
hetgeen in de kring der beroepsgenoten gebruikelijk is;
b. bij ministeriële regeling aan te wijzen vormen van transplantaties
van weefsels en organen alsmede vergoeding van bij die regeling nader te
bepalen kosten, verband houdend met het verkrijgen van het meest
passende transplantatiemateriaal, één en ander onder voorwaarden bij die
regeling vast te stellen;
c. met een pleeggezin overeengekomen verpleging in dat gezin.
-2. Op de zorg, bedoeld in het eerste lid, bestaat slechts aanspraak op
verwijzing van de huisarts van de verzekerde, op verwijzing van een
bedrijfsarts of op verwijzing van de
specialist naar wie de verzekerde werd verwezen. Indien het
verloskundige zorg betreft, bestaat eveneens aanspraak op die zorg op
verwijzing van de verloskundige.
-3. Indien de zorg, bedoeld in het eerste
lid, plaatsvindt op voorschrift van een bedrijfsarts, bestaat slechts
aanspraak op deze zorg indien het ziekenfonds met de verwijzende
bedrijfsarts of de arbodienst waaraan deze bedrijfsarts is verbonden,
schriftelijk afspraken heeft gemaakt over de kwaliteit en doelmatigheid
van de verwijzing, de wijze waarop afstemming en overleg plaatsvinden
met personen of instellingen die aan de verzekerde zorg verlenen of
kunnen verlenen, en de controle op de naleving van de afspraken.
-4. Bij ministeriële regeling kan de omvang van de in het eerste lid,
onderdeel a, bedoelde zorg worden beperkt en kan de aanspraak daarop
afhankelijk worden gesteld van daarbij te stellen voorwaarden.
Art. 13.
-1. Medisch-specialistische zorg, bedoeld in
artikel 8, eerste lid, onderdeel c, van de Ziekenfondswet, omvat genees- , heel-
en verloskundige zorg naar de omvang bepaald door hetgeen in de kring
der beroepsgenoten gebruikelijk is.
-2. Op de zorg, bedoeld in het eerste lid, bestaat slechts aanspraak op
verwijzing van de huisarts van de verzekerde, op verwijzing van een
bedrijfsarts of op verwijzing van de
specialist naar wie de verzekerde werd verwezen. Indien het
verloskundige zorg betreft, bestaat eveneens aanspraak op die zorg op
verwijzing van de verloskundige.
-3. Indien de zorg, bedoeld in het eerste
lid, plaatsvindt op verwijzing van een bedrijfsarts, bestaat slechts
aanspraak op deze zorg indien het ziekenfonds met de verwijzende
bedrijfsarts of de arbodienst waaraan deze bedrijfsarts is verbonden,
schriftelijk afspraken heeft gemaakt over de kwaliteit en doelmatigheid
van de verwijzing, de wijze waarop afstemming en overleg plaatsvinden
met personen of instellingen die aan de verzekerde zorg verlenen of
kunnen verlenen, en de controle op de naleving van de afspraken.
-4. De plaats waar de in het eerste lid bedoelde zorg wordt verleend,
wordt bepaald door hetgeen in de kring der beroepsgenoten gebruikelijk
is.
-5. Bij ministeriële regeling kan de omvang van de in het eerste lid
bedoelde zorg worden beperkt en kan de verstrekking ervan afhankelijk
worden gesteld van daarbij te stellen voorwaarden.
Art. 14.
-1. Op opneming gedurende het etmaal in een ziekenhuis bestaat slechts
aanspraak voor zover er sprake is van verblijf in de laagste klasse en
dit verblijf een onafgebroken periode van 365 dagen in één of meer
ziekenhuizen niet te boven gaat.
-2. Een onderbreking van ten hoogste 30 dagen wordt niet als onderbreking
beschouwd.
-3. In afwijking van het tweede lid tellen onderbrekingen wegens
weekeinde- en vakantieverlof wel mee voor de berekening van de 365
dagen.
Art. 14a.
-1. Op opneming in een ziekenhuis bestaat aanspraak indien en zolang de
verzekerde redelijkerwijs op medisch-specialistische zorg in een
ziekenhuis is aangewezen.
-2. Indien de verzekerde op grond van het eerste lid in verband met
verloskundige zorg in een ziekenhuis verblijft, heeft zowel de moeder
als het kind aanspraak op opneming in dat ziekenhuis.
-3. In afwijking van het eerste lid bestaat aanspraak op opneming
gedurende het etmaal in een ziekenhuis tot vier weken nadat het
ziekenfonds heeft vastgesteld dat een indicatiebesluit op grond van het Zorgindicatiebesluit
is genomen waaruit blijkt dat de verzekerde is aangewezen op de zorg, bedoeld in
artikel 9
van het Besluit zorgaanspraken AWBZ, in verband met een somatische of psychogeriatrische
aandoening.
Art. 14b. Vervallen.
§ 7.
Hulpmiddelen
Art. 15. [Rh96]
-1. Hulpmiddelen omvatten de
middelen welke bij ministeriële regeling als zodanig zijn aangewezen.
-2. Bij ministeriële regeling
kan worden bepaald dat hulpmiddelen in eigendom dan wel in bruikleen
worden verschaft en kunnen regelen worden gesteld met betrekking tot
wijziging of herstel van hulpmiddelen, het verstrekken van
reservehulpmiddelen en de voorwaarden voor het verkrijgen van
hulpmiddelen.
-3. De kosten van normaal
gebruik zijn, tenzij bij ministeriële regeling anders is bepaald, voor
rekening van de verzekerde.
-4. Bij ministeriële regeling
kan worden bepaald dat de verzekerde voor een hulpmiddel een bijdrage is
verschuldigd ter grootte van:
a. het verschil tussen de aanschaffingskosten en het bij dat hulpmiddel
vermelde bedrag, dat kan verschillen naargelang de groep van
verzekerden waartoe de verzekerde behoort;
b. een daarbij vermeld bedrag wegens besparing van kosten;
c. een daarbij aangegeven percentage van de
aanschaffingskosten indien
door toerekenbare onachtzaamheid of opzet van de verzekerde schade aan
het hulpmiddel ontstaat.
-5. De bijdrage wordt betaald
aan de leverancier van het hulpmiddel, tenzij het ziekenfonds anders
heeft bepaald.
§
8. Ziekenvervoer
Art. 16.
-1. Het
ziekenvervoer omvat medisch noodzakelijk vervoer in de omvang en onder
de voorwaarden bij ministeriële regeling vast te stellen. Daarbij kan
worden bepaald dat aanspraak bestaat op vergoeding voor vervoer in de
laagste klasse van een openbaar middel van vervoer.
-2. Bij ministeriële regeling kan worden
bepaald dat de verzekerde voor ziekenvervoer, anders dan
ambulancevervoer als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet
ambulancevervoer, een bijdrage in de kosten is verschuldigd tot een bij
die regeling aangegeven maximum per twaalf maanden voor zichzelf en zijn
medeverzekerden tezamen.
-3. De bijdrage wordt betaald aan de
vervoerder.
§
9. Kraamzorg
Art. 17.
-1. Kraamzorg ten huize van de
verzekerde, verleend onder verantwoordelijkheid van een kraamcentrum,
omvat verzorging van moeder en kind gedurende ten minste 24 en ten
hoogste 80 uren, verdeeld over ten hoogste tien dagen, te rekenen vanaf de
dag van de bevalling.
-2. Kraamzorg in een kraaminrichting of in een ziekenhuis zonder
opnemingsindicatie als bedoeld in artikel 14a
omvat verzorging en
verpleging van moeder en kind gedurende ten hoogste tien dagen, te
rekenen vanaf de dag van de bevalling.
-3. Op de kraamzorg, bedoeld in het eerste en tweede lid, bestaat
aanspraak voor zover moeder en kind, gelet op hun behoefte, daarop
redelijkerwijs zijn aangewezen.
-4. Indien de verzekerde gedurende een deel van de periode, bedoeld in
het eerste lid, verblijft in een ziekenhuis op grond van een
opnemingsindicatie als bedoeld in artikel 14a, behoudt zij voor de
resterende kraamzorg, bedoeld in het eerste lid, aanspraak.
-5. De verzekerde is een bij ministeriële regeling te bepalen bijdrage
per uur verschuldigd indien de kraamzorg wordt verleend ten huize van
de verzekerde. Indien de kraamzorg wordt verleend in een kraaminrichting
of in een ziekenhuis zonder opnemingsindicatie als bedoeld in artikel 14a, is de verzekerde een bij ministeriële regeling te bepalen bijdrage
per dag verschuldigd, vermeerderd met het bedrag waarmee het ingevolge
de Wet
tarieven gezondheidszorg vastgestelde of goedgekeurde tarief van de
kraaminrichting of het ziekenhuis het bij die regeling te bepalen bedrag
te boven gaat.
-6. De bijdrage wordt betaald
aan degene die de hulp verleent.
Art. 18.
De verzekerde wendt zich uiterlijk vijf maanden vóór de vermoedelijke
datum van de bevalling met een aanvraag voor kraamzorg tot een
kraamcentrum binnen wiens werkgebied de verzekerde woont.
§
10. Hulp door een audiologisch centrum
Art. 19.
-1. Hulp door een audiologisch centrum omvat:
a. onderzoek van de gehoorfunctie;
b. advisering over de aan te schaffen gehoorapparatuur;
c. voorlichting over het gebruik van de apparatuur;
d. psychosociale hulp indien noodzakelijk in verband met problemen met
de gestoorde gehoorfunctie.
-2. Op hulp door een
audiologisch centrum bestaat slechts aanspraak indien de verzekerde naar
het centrum is verwezen door zijn huisarts, een bedrijfsarts, een kinderarts of een
keel-,
neus- en oorarts.
-3. Indien de zorg, bedoeld in het eerste
lid, plaatsvindt op verwijzing van een bedrijfsarts, bestaat slechts
aanspraak op deze zorg indien het ziekenfonds met de verwijzende
bedrijfsarts of de arbodienst waaraan deze bedrijfsarts is verbonden,
schriftelijk afspraken heeft gemaakt over de kwaliteit en doelmatigheid
van de verwijzing, de wijze waarop afstemming en overleg plaatsvinden
met personen of instellingen die aan de verzekerde zorg verlenen of
kunnen verlenen, en de controle op de naleving van de afspraken.
-4. Indien hulp door een audiologisch centrum langer dan zes weken is
aangewezen, wordt tijdig vóór het verstrijken van die periode
toestemming aan het ziekenfonds gevraagd. Bij de aanvraag wordt een
deugdelijke motivering van het audiologisch centrum overgelegd.
§
11. Erfelijkheidsadvisering
Art. 20.
-1. Hulp in het kader van erfelijkheidsadvisering omvat onderzoek naar en
van erfelijke afwijkingen door middel van stamboomonderzoek,
chromosoomonderzoek, biochemische diagnostiek, ultrageluidsonderzoek en
DNA-onderzoek, het geven van erfelijkheidsadviezen en daarmee verband
houdende psychosociale begeleiding, te verlenen door een instelling die
een vergunning heeft op grond van artikel 2 van de Wet
op bijzondere medische verrichtingen voor de toepassing van
klinisch genetisch onderzoek en erfelijkheidsadvisering.
-2. Op hulp in het kader van erfelijkheidsadvisering bestaat slechts
aanspraak op verwijzing van de huisarts van de verzekerde dan wel de
specialist naar wie de verzekerde door de huisarts is verwezen.
Art. 20a. Vervallen.
§
12. Niet-klinische haemodialyse
Art. 21.
-1. De niet-klinische
haemodialyse omvat de hulp, in de omvang en onder de voorwaarden nader
door Onze Minister vast te stellen, die wordt verleend:
a. in een dialysecentrum;
b. ten huize van de verzekerde;
c. in een daartoe ingerichte ruimte voor gemeenschappelijk gebruik, in
de laatste twee gevallen echter alleen indien de hulp wordt verleend
onder de verantwoordelijkheid van een dialysecentrum.
-2. In het in het eerste lid,
onderdeel b, bedoelde geval omvat de verstrekking mede:
a. vergoeding van de kosten
voor redelijkerwijze te verrichten aanpassingen in en van de woning en
voor het herstel van de woning in de oorspronkelijke staat;
b. vergoeding van de overige kosten die rechtstreeks met de thuisdialyse
samenhangen,
doch uitsluitend indien en
voor zover op deze voorzieningen niet ingevolge andere wettelijke
regelingen aanspraak kan worden gemaakt.
-3. Het College
zorgverzekeringen kan nadere regelen stellen met
betrekking tot het bepaalde in het tweede lid en stelt tevens jaarlijks
een bedrag vast dat geldt als de in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde
vergoeding.
-4. Voor de niet-klinische haemodialyse dient een indicatie te bestaan.
Onze Minister bepaalt wat onder een indicatie wordt verstaan.
§
13. Chronische intermitterende beademing
Art. 22.
-1. De chronisch
intermitterende beademing omvat in de omvang en onder de voorwaarden
door Onze Minister vast te stellen:
a. het regelmatig verblijven
gedurende minder dan 24 uur in een beademingscentrum ten behoeve van de
mechanische beademing;
b. het gebruik van de mechanische beademingsapparatuur ten huize van de
verzekerde, dan wel in een daartoe ingerichte lokaliteit, indien de
beademing aldaar plaatsvindt vanwege en onder verantwoordelijkheid van
een beademingscentrum als bedoeld onder a.
-2. Voor de chronisch
intermitterende beademing dient een indicatie te bestaan. Onze Minister
bepaalt wat onder een indicatie wordt verstaan.
§
14. Revalidatiezorg
Art. 23.
-1. Revalidatiezorg van
medisch-specialistische, paramedische, gedragswetenschappelijke en
revalidatietechnische aard omvat onderzoek, behandeling en advisering,
te verlenen door een aan een instelling voor revalidatiezorg verbonden
multidisciplinair team van deskundigen, staande onder leiding van een
specialist.
-2. Indien de revalidatiezorg wordt verleend in een instelling voor
revalidatiezorg, gaat deze gepaard met meerdaagse dagbehandeling van
enkele uren per dag of met meerdaagse opneming met verzorging en
verpleging.
-3. Op revalidatiezorg bestaat slechts aanspraak, indien:
a. deze hulp voor de
verzekerde als meest doeltreffend is aangewezen ter voorkoming,
vermindering of overwinning van een handicap die het gevolg is van
stoornissen of beperkingen in het bewegingsvermogen; en
b. de verzekerde met die hulp in staat is een mate van zelfstandigheid
te bereiken of te behouden die, gegeven diens beperkingen,
redelijkerwijs mogelijk is.
-4. Op revalidatiezorg, gepaard
gaande met meerdaagse opneming, bestaat slechts aanspraak indien daarmee
spoedig betere resultaten te verwachten zijn dan met revalidatiezorg
zonder die opneming.
-5. Op revalidatiezorg, gepaard gaande met meerdaagse opneming, bestaat
slechts aanspraak gedurende een ononderbroken periode van ten hoogste
365 verpleegdagen in één of meer instellingen voor revalidatiezorg.
Artikel 14, tweede en derde lid, is voor de berekening van die periode
van overeenkomstige toepassing.
-6. Op revalidatiezorg bestaat
slechts aanspraak indien deze tijdig vóór de aanvang daarvan bij het
ziekenfonds schriftelijk is gemeld, vergezeld van een deugdelijke
motivering van de hulpverlener. Zodra blijkt dat de hulp langer zal
duren dan twee maanden, is voor voortzetting na die termijn toestemming
van het ziekenfonds vereist. De aanvraag gaat vergezeld van een
deugdelijke motivering van de hulpverlener. De verzekerde behoudt
aanspraak op de hulp totdat op zijn aanvraag is beslist.
§
14a. Onderzoek in het kader van tuberculose of
tuberculose-infectie
Art. 23a.
Onderzoek in het kader van de behandeling van tuberculose of
tuberculose-infectie omvat onderzoek op aanvraag van een arts die
verbonden is aan een gemeentelijke gezondheidsdienst.
§
15. Hulp door een trombosedienst
Art. 24.
De omvang van de door een trombosedienst te verlenen hulp, zomede de
voorwaarden waaronder deze hulp wordt verleend, worden door Onze Minister
vastgesteld.
§ 16.
Bijzondere bepalingen
Art. 24a.
Op hulp welke bij of krachtens dit besluit als verstrekking is
geregeld, bestaat geen aanspraak voor zover deze objectief voorzienbaar
samenhangt met een onderzoek in een ziekenhuis dat of een behandeling in
een ziekenhuis die niet behoort tot de verstrekking, bedoeld in artikel
12 van dit besluit, of tot de zorg, omschreven in artikel
14, eerste lid,
van het Besluit zorgaanspraken AWBZ.
Art. 25.
-1. Overeenkomstig het bepaalde
bij of krachtens de artikelen 26 tot en met 30 bestaat aanspraak op een
verstrekking of een vergoeding wegens kosten van geneeskundige
verzorging als bedoeld in artikel
10 van de Ziekenfondswet, welke niet op de in
artikel
9 van de Ziekenfondswet omschreven wijze is ingeroepen als gevolg
van de volgende omstandigheden:
a. verblijf hier te lande
buiten de woonplaats;
b. verblijf buitenslands wegens beroepswerkzaamheden of wegens door het College zorgverzekeringen aan te geven redenen;
c. het behoren tot de door het College zorgverzekeringen
aan te wijzen
groepen van verzekerden;
d. het niet zijn ingeschreven bij een ziekenfonds;
e. door het College zorgverzekeringen
aan te wijzen andere
omstandigheden waarin de hulp niet op de wijze als omschreven in artikel
9 van de Ziekenfondswet is ingeroepen en met inachtneming van door
hem aan te geven regelen.
-2. Het bepaalde in het eerste
lid is tevens van toepassing indien het spoedeisende karakter van de
geneeskundige hulp een uitstel hiervan redelijkerwijze niet gedoogde,
voor zover die hulp hier te lande is verleend en voor zover die hulp
noch krachtens de verordeningen van de Raad van de Europese
Gemeenschappen, dan wel de toepassing van zodanige verordening krachtens
de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte noch
krachtens een verdrag inzake sociale zekerheid kon worden verleend.
Art. 26.
-1. In de omstandigheden als
bedoeld in artikel 25, eerste lid, onderdeel a, bestaat, mits is voldaan aan
door het College zorgverzekeringen
vast te stellen voorwaarden,
aanspraak op de verstrekkingen - of een gehele of gedeeltelijke
vergoeding van de kosten hiervan - genoemd in artikel 2, verleend door
personen of instellingen die in de verblijfplaats van de verzekerde of
de naaste omgeving daarvan hun praktijk uitoefenen of zijn gevestigd en
ter zake van de verlening van deze verstrekkingen een overeenkomst
hebben gesloten met een ziekenfonds.
-2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
verzekerde die zich overeenkomstig de daarvoor gestelde regelen naar
een ander ziekenfonds had moeten laten overschrijven.
Art. 27.
In omstandigheden als bedoeld in artikel 25, eerste lid, onderdeel b,
bestaat, mits is voldaan aan door het College zorgverzekeringen
vast te
stellen voorwaarden, aanspraak op een door het College zorgverzekeringen
vast te stellen gehele of gedeeltelijke vergoeding van kosten van
geneeskundige verzorging welke redelijkerwijze niet kon worden
uitgesteld tot de terugkomst in Nederland.
Art. 28.
In de omstandigheden als bedoeld in artikel 25, eerste lid, onderdeel c, is
het bepaalde in artikel 26, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.
Art. 29.
-1. In de omstandigheid als
bedoeld in artikel 25, eerste lid, onderdeel d, bestaat, mits is voldaan aan
door het College zorgverzekeringen
ter zake vast te stellen voorwaarden,
aanspraak op een door het College zorgverzekeringen
vast te stellen
gehele of gedeeltelijke vergoeding van kosten van geneeskundige
verzorging, ingeroepen:
a. in de periode gelegen
tussen het tijdstip van aanmelding als verzekerde overeenkomstig het
bepaalde in het Inschrijvingsbesluit
ziekenfondsverzekering en het tijdstip waarop het ziekenfonds het
bewijs van inschrijving als bedoeld in artikel
15 van dat besluit heeft verstrekt;
b. in de periode gelegen tussen het tijdstip waarop de verzekering een
aanvang heeft genomen en het tijdstip van aanmelding als verzekerde
overeenkomstig het bepaalde in het Inschrijvingsbesluit
ziekenfondsverzekering.
-2. Voor de toepassing van het
bepaalde bij of krachtens het eerste lid kunnen premiën, betaald ten
behoeve van verzekering voor geneeskundige verzorging, worden aangemerkt
als kosten van geneeskundige verzorging.
Art. 30.
In de omstandigheid als bedoeld in het tweede lid van artikel 25
bestaat, mits is voldaan aan door het College zorgverzekeringen
vast te
stellen voorwaarden, aanspraak op gehele of gedeeltelijke vergoeding van
de kosten van hulp, verleend door aan een ziekenfonds verbonden
medewerkers en tot een door het College zorgverzekeringen
vast te
stellen bedrag indien de hulp door anderen is verleend.
§
17. Slotbepalingen
Art. 31. Vervallen.
Art.
32. Vervallen.
Art. 33.
Dit besluit wordt aangehaald als: Verstrekkingenbesluit
ziekenfondsverzekering.
Art. 34.
-1. Dit besluit treedt, met
uitzondering van de artikelen 2, onderdeel b en d,
6 en 8
tot en met 10, in werking op
de tweede dag na die van zijn afkondiging en werkt terug tot 1 januari
1966.
-2. De artikelen 2, onderdeel b en d,
6 en
8 tot en met 10 treden in werking op een
nader door Ons te bepalen tijdstip, dat voor de onderscheidene artikelen
verschillend kan worden vastgesteld.
Onze Minister
van Sociale Zaken en Volksgezondheid is belast met de uitvoering van dit
besluit, dat in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan
afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
Soestdijk, 4 januari 1966
JULIANA
De Minister van Sociale Zaken en
Volksgezondheid,
G.M.J. Veldkamp
De Staatssecretaris van Sociale
Zaken en Volksgezondheid,
A. Bartels
Uitgegeven de vierde januari
1966
De Minister van Justitie,
Samkalden
|
|