|
MEMORIE VAN TOELICHTING
Enkele nadere
regelgeving:
- Besluit
zorgverzekering
- Regeling
gebruik burgerservicenummer in de zorg
- Regeling zorgverzekering
Relevante
overige regelgeving:
- Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten
- Invoerings- en
aanpassingswet Zorgverzekeringswet
- Wet
maatschappelijke ondersteuning
- Wet
op de zorgtoeslag
- Wet
voorzieningen gehandicapten
(vervallen)
- Ziekenfondswet
Websites
met informatie over zorgverzekering en zorgtoeslag:
- Informatie zorgtoeslag
- Zorgverzekering nieuws
- Zorgpremie nieuws
- AWBZ
informatie
Inhoudsopgave
Zvw
| Hoofdstuk
1 |
Algemene
bepaling |
art.
1 |
| Hoofdstuk
2 |
De
plicht tot het sluiten van een zorgverzekering |
artt.
2 - 9 |
| §
2.1x |
De
verzekeringsplicht |
art.
2 |
| §
2.2x |
De
acceptatieplicht |
artt.
3 - 4 |
| §
2.3x |
Begin en
einde van de zorgverzekering |
artt.
5 - 9 |
| §
2.4x |
Maatregelen
gericht op verzekering van onverzekerden |
artt.
9a - 9d |
| Hoofdstuk
3 |
De
inhoud van de zorgverzekering |
artt.
10 - 24 |
| §
3.1x |
Het te
verzekeren risico |
art.
10 |
| §
3.2x |
De te
verzekeren prestaties |
artt.
11 - 15 |
| §
3.3x |
De premie
en de gevolgen van het niet betalen van de premie en de
bestuursrechtelijke premie |
artt.
16 - 18g |
| Afdeling
3.3.1x |
De
premie |
artt.
16 - 18 |
| Afdeling
3.3.2x |
De
gevolgen van het niet betalen van de premie en de
bestuursrechtelijke premie |
artt.
18a - 18g |
| §
3.4x |
Het eigen
risico |
artt.
19 - 22 |
| §
3.5x |
De
no-claimteruggave bij beperkt zorggebruik (vervallen) |
art.
22 |
| §
3.6x |
Overige
bepalingen |
artt.
23 - 24 |
| Hoofdstuk
4 |
De
zorgverzekeraars |
artt.
25 - 38 |
| §
4.1x |
De
aanmelding, de statuten en het werkgebied |
artt.
25 - 31 |
| §
4.2x |
De
vereveningsbijdrage en de bijdrage voor het verzekerd houden van
verzekerden voor wier verzekering bestuursrechtelijke premie
verschuldigd is |
artt.
32 - 36 |
| §
4.3x |
De
verslaglegging |
artt.
37 - 38 |
| Hoofdstuk
5 |
Het
Zorgverzekeringsfonds, de inkomensafhankelijke bijdrage, de
rijksbijdragen en de belasting van gemoedsbezwaarden |
artt.
39 - 57 |
| §
5.1x |
Het
Zorgverzekeringsfonds |
artt.
39 - 40 |
| §
5.2x |
De
inkomensafhankelijke bijdrage |
artt.
41 - 47 |
| §
5.3x |
De heffing
en invordering van de inkomensafhankelijke bijdrage |
artt.
48 - 53 |
| §
5.4x |
De
rijksbijdragen aan het Zorgverzekeringsfonds |
artt.
54 - 56 |
| §
5.5x |
De
bijdragevervangende belasting gemoedsbezwaarden |
art.
57 |
| Hoofdstuk
6 |
Het
College zorgverzekeringen |
artt.
58 - 76 |
| §
6.1x |
Algemene
bepalingen |
artt.
58 - 63 |
| §
6.2x |
Taken en
bevoegdheden, voor zover niet elders geregeld |
artt.
64 - 70 |
| §
6.3x |
Planning,
verslaglegging en financiering |
artt.
71 - 76 |
| Hoofdstuk
7 |
Het
College toezicht (vervallen) |
artt.
77 - 85 |
| §
7.1x |
Algemene
bepalingen (vervallen) |
artt.
75 - 79 |
| §
7.2x |
Taken en
bevoegdheden (vervallen) |
artt.
80 - 84 |
| §
7.3x |
Algemene
bepalingen (vervallen) |
art.
85 |
| Hoofdstuk
7 |
Gegevensverstrekking |
artt.
86 - 93 |
| Hoofdstuk
9 |
Handhaving
(vervallen) |
artt.
94 - 113 |
| §
9.1x |
Aanwijzingen
aan verzekeraars (vervallen) |
art.
94 |
| §
9.2x |
Lasten onder
dwangsom (vervallen) |
art.
95 |
| §
9.3x |
Bestuurlijke
boeten (vervallen) |
artt.
96 - 113 |
| Hoofdstuk
8 |
Rechtsbescherming |
artt.
114 - 117 |
| Hoofdstuk
9 |
Overige
bepalingen |
artt.
118 - 123a |
| Hoofdstuk
10 |
Slotbepalingen |
artt.
124 - 128 |
| xxxxxxxxxxxxxr |
|
xxxxxxxxxxxxx |
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 2003-2004, 2004-2005, 29
763.
Handelingen II 2004-2005, blz. 2291-2322, 2323-2332, 2336-2365,
2501-2505, 2506-2507.
Kamerstukken I 2004-2005, 29 763 (A, B, C, D, E, F, G, H, ...).
Handelingen I 2004-2005, blz. 1183-1263, 1301-1304.
Geschiedenis:
Staatsblad 2005, 358; Staatsblad 2005, 525;
Staatsblad 2005, 708; Staatsblad
2006, 79; Staatsblad 2006, 415;
Staatsblad 2006, 605; Staatsblad
2006, 629; Staatsblad 2006, 644;
Staatsblad 2007, 376; Staatsblad
2007, 480; Staatsblad
2007, 490; Staatsblad 2007, 540;
Staatsblad 2008, 164; Staatsblad
2008, 277; Staatsblad
2008, 271; Staatsblad 2008, 526;
Staatsblad 2008, 606; Staatsblad
2009, 108; Staatsblad 2009, 384; Staatsblad 2009, 265;
Staatsblad 2009, 356; Staatsblad
2009, 486; Staatsblad 2010,
867; Staatsblad 2011, 111;
Staatsblad 2011, 204; Staatsblad
2011, 288; Staatsblad
2011, 561; Staatsblad 2011,
562; Staatsblad 2011, 591;
Staatsblad 2011, 596; Staatsblad
2011, 639; Staatsblad 2011,
642; Staatsblad 2012, 77;
Staatsblad 2012, 381; Staatsblad
2012, 544; Staatsblad 2012,
679; Staatsblad 2012, 669;
Staatsblad 2012, 682.
WET van 16 juni 2005, Stb.
2005, 358, houdende regeling van een sociale verzekering voor
geneeskundige zorg ten behoeve van de gehele bevolking (Zorgverzekeringswet).
Inwerkingtreding: 1 januari 2006 (Stb.
2005, 649).
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is dat de gehele bevolking onder voor ieder gelijke sociale
voorwaarden verzekerd is tegen de gevolgen van behoefte aan
geneeskundige zorg;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK
1
Algemene
bepaling
Art.
1.
[Begripsbepalingen] [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
Stb. 2005, 525; Stb.
2005, 708; versie 1 januari 2006;
Stb. 2006, 415; Stb.
2006, 644; Stb. 2007, 490;
Stb. 2008, 164; Stb.
2008, 606; Stb. 2009, 108;
Stb. 2009, 356; Stb.
2011, 111; Stb.
2011, 288 + bis; Stb.
2011, 561; Stb. 2012, 77;
Stb. 2012, 679]
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. verzekeraar: een verzekeringsonderneming
als bedoeld in de eerste richtlijn schadeverzekering;
b. zorgverzekeraar: een verzekeraar, voor
zover deze zorgverzekeringen aanbiedt of uitvoert;
c. verzekeringnemer: een persoon die met
een zorgverzekeraar een zorgverzekering heeft gesloten;
d. zorgverzekering: een tussen een
zorgverzekeraar en een verzekeringnemer ten behoeve van een
verzekeringsplichtige gesloten schadeverzekering, die voldoet aan
hetgeen daarover bij of krachtens deze wet is geregeld en waarvan de
verzekerde prestaties het bij of krachtens deze wet geregelde niet te
boven gaan;
e. verzekeringsplichtige: degene die op
grond van artikel 2 verplicht is zich krachtens een
zorgverzekering te verzekeren of te laten verzekeren;
f. verzekerde: degene wiens risico van
behoefte aan zorg of overige diensten, als bedoeld in artikel 10
door een zorgverzekering wordt gedekt;
g. verplicht eigen risico: een
bedrag aan kosten van zorg of overige diensten als bedoeld bij of
krachtens artikel 11, dat voor rekening van de
verzekerde blijft;
h. vrijwillig eigen risico: een door de
verzekeringnemer met de zorgverzekeraar als onderdeel van de
zorgverzekering overeengekomen bedrag aan kosten van zorg of overige
diensten als bedoeld bij of krachtens artikel 11 dat
de verzekerde voor zijn rekening zal nemen;
i. zorgpolis: de akte waarin de tussen een
verzekeringnemer en een zorgverzekeraar gesloten zorgverzekering is
vastgelegd;
j.
modelovereenkomst: model van een zorgverzekering waarin een overzicht
wordt gegeven van de rechten en plichten die de verzekeringnemer, de
verzekerde en de zorgverzekeraar jegens elkaar zullen hebben indien een
overeenkomst volgens het desbetreffende model wordt gesloten;
k.
sociaal-fiscaal nummer: het nummer, bedoeld in artikel 2, derde lid,
onderdeel k, van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen;
l.
inhoudingsplichtige: de inhoudingsplichtige in de zin van de Wet
op de loonbelasting 1964 dan wel de werkgever in de zin van de Wet financiering sociale
verzekeringen;
m. instelling:
1º. een instelling in de zin van de Wet
toelating zorginstellingen;
2º. een organisatorisch verband dat
gevestigd is buiten het grondgebied van het Europese deel van Nederland
en overeenkomstig de daar geldende wetgeving rechtmatig gezondheidszorg
verstrekt als bedoeld bij en krachtens artikel
11;
n. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport;
o.
zorgautoriteit: de Nederlandse Zorgautoriteit, bedoeld in de
Wet marktordening
gezondheidszorg;
p. College
zorgverzekeringen: het College voor
zorgverzekeringen, genoemd in artikel 58, eerste
lid;
q.
Zorgverzekeringsfonds: het fonds, genoemd in artikel
39;
r. eerste
richtlijn schadeverzekering: Richtlijn nr. 73/239/EEG van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 24 juli 1973 tot coördinatie van de
wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot
het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de
levensverzekeringsbranche en de uitoefening daarvan (PbEG L
228);
s. generieke verevening:
bijstelling van het deelbedrag op basis van het verschil per
zorgverzekeraar tussen de kosten en het deelbedrag in relatie met de
verschillen tussen de kosten en het deelbedrag bij andere
zorgverzekeraars, per onderscheiden categorie van prestaties;
t.
loontijdvak: het loontijdvak, bedoeld in artikel 25, eerste en vierde
lid, van de Wet
op de loonbelasting 1964;
u. inspecteur: de functionaris van de
rijksbelastingdienst die als zodanig bij regeling van Onze Minister van
Financiën is aangewezen;
v. burgerservicenummer: het nummer,
bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet
algemene bepalingen burgerservicenummer;
w. het CAK: het CAK, genoemd in artikel
48, eerste
lid, van de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten;
x. premie:
de premie, bedoeld in afdeling 3.3.1;
y. bestuursrechtelijke premie: de premie, bedoeld in de artikelen
18d en 18e.
HOOFDSTUK
2
De
plicht tot het sluiten van een zorgverzekering
§
2.1. De verzekeringsplicht
Art.
2.
[Verzekeringsplicht]
[Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie 16 juni 2005;
Stb. 2005, 525; versie 1 januari 2006;
Stb. 2007, 480]
-1. Degene die ingevolge
de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en
de daarop gebaseerde regelgeving van rechtswege verzekerd is, is
verplicht zich krachtens een zorgverzekering te verzekeren of te laten
verzekeren tegen het in artikel 10 bedoelde risico.
-2. In afwijking van het
eerste lid is niet verzekeringsplichtig:
a. de militaire ambtenaar in werkelijke dienst als bedoeld
in artikel 1, eerste lid, onderdeel a juncto onderdeel b,
van de Militaire
Ambtenarenwet 1931, alsmede de militair aan wie buitengewoon verlof
met behoud van militaire inkomsten is verleend;
b. de natuurlijke persoon die op grond van artikel 64,
eerste lid, van de Wet financiering sociale
verzekeringen is ontheven van de verplichtingen opgelegd op grond
van de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten.
-3. Degene die het gezag
over een minderjarige jonger dan 18 jaar uitoefent, een curator, een
bewindvoerder of een mentor als bedoeld in de titels 16, 19 of 20 van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek zorgt ervoor dat de minderjarige
verzekeringsplichtige, dan wel de onder curatele, bewind of mentorschap
gestelde verzekeringsplichtige, krachtens een zorgverzekering verzekerd
is.
§
2.2. De acceptatieplicht
Art.
3.
[Acceptatieplicht]
[Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie 16 juni 2005;
Stb. 2005, 525; versie 1 januari 2006;
Stb.
2011, 111]
-1. Een zorgverzekeraar
is verplicht met of ten behoeve van iedere verzekeringsplichtige die in
zijn werkgebied woont, alsmede met of ten behoeve van iedere
verzekeringsplichtige die in het buitenland woont, desgevraagd een
zorgverzekering te sluiten.
-2. Indien een
zorgverzekeraar in een provincie verschillende varianten van de
zorgverzekering aanbiedt, kan voor iedere in die provincie wonende
verzekeringsplichtige uit alle varianten worden gekozen.
-3. De zorgverzekeraar
stelt alle varianten van de zorgverzekering die hij in een provincie
aanbiedt, in de vorm van modelovereenkomsten ter beschikking aan
personen die overwegen ten behoeve van een in die provincie wonende
verzekeringsplichtige een zorgverzekering met die verzekeraar te
sluiten, alsmede, indien de zorgverzekeraar varianten toevoegt of
wijzigt, aan de verzekeringnemers die ten behoeve van een in die
provincie wonende verzekeringsplichtige een zorgverzekering met hem
hebben gesloten.
-4. In afwijking van
het eerste lid is een zorgverzekeraar niet verplicht een zorgverzekering
te sluiten met of ten behoeve van een verzekeringsplichtige:
a. die reeds krachtens een
zorgverzekering verzekerd is; of
b. wiens eerdere zorgverzekering hij
of de verzekeringnemer binnen een periode van vijf jaar gelegen
onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek tot het sluiten van de
verzekering heeft opgezegd of ontbonden wegens:
1º. opzettelijke misleiding door de
verzekeringnemer of de verzekerde; of
2º. het niet betalen van de premie,
bedoeld in artikel 17, vijfde lid.
-5. In afwijking van het
tweede lid kan ten behoeve van een in het buitenland wonende
verzekeringsplichtige worden gekozen tussen alle varianten van de
zorgverzekering die een zorgverzekeraar in Nederland aanbiedt.
-6. In afwijking van het
derde lid worden degene die ten behoeve van een in het buitenland
wonende verzekeringsplichtige een zorgverzekering wenst te sluiten alle
modelovereenkomsten die de zorgverzekeraar in Nederland hanteert ter
beschikking gesteld en worden, indien eenmaal een zorgverzekering is
gesloten, de verzekeringnemer alle toegevoegde of gewijzigde varianten
die die zorgverzekeraar aanbiedt ter beschikking gesteld.
Art.
4.
[Identificatie verzekerde]
[Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2008, 164; Stb.
2011, 111]
-1. Degene die een
zorgverzekering wenst te sluiten, vermeldt bij het verzoek daartoe
indien de te verzekeren persoon over één van deze nummers beschikt,
diens burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, diens
sociaal-fiscaal nummer.
-2. De zorgverzekeraar
stelt, voor zover dat redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de
zorgverzekering en van deze wet, de identiteit van de te verzekeren
persoon vast.
-3. De in het tweede lid
bedoelde vaststelling geschiedt aan de hand van documenten als bedoeld
in artikel 1 van de Wet
op de identificatieplicht, die de verzekeringnemer of de te
verzekeren persoon hem desgevraagd ter inzage geeft.
-4. De zorgverzekeraar
neemt aard en nummer van de in het derde lid bedoelde documenten in zijn
administratie op.
-5. De zorgverzekeraar
verlangt van de vreemdeling, bedoeld in de
Vreemdelingenwet
2000, voor wie hem wordt verzocht een zorgverzekering te sluiten,
een kopie van het document of de schriftelijke verklaring, bedoeld in
artikel 9, eerste lid, van die
wet, dat wordt aangemerkt als een bescheid als bedoeld in artikel 4:3,
tweede lid, van de
Algemene wet bestuursrecht.
§
2.3. Begin en einde van de zorgverzekering
Art.
5.
[Aanvang zorgverzekering]
[Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2006, 629]
-1. De zorgverzekering
gaat in op de dag waarop de zorgverzekeraar het verzoek, bedoeld in artikel 3,
eerste lid, en, indien het tweede of vijfde lid van dat artikel van
toepassing is, de aanduiding van de variant waar de verzekeringnemer
voor kiest, heeft ontvangen.
-2. Indien de
zorgverzekeraar op basis van het in het eerste lid bedoelde verzoek niet
vast kan stellen of hij verplicht is voor de te verzekeren persoon een
zorgverzekering te sluiten en hij de persoon die de verzekering wenst te
sluiten in verband daarmee uitnodigt de voor deze vaststelling
noodzakelijke gegevens te verschaffen, gaat de zorgverzekering, in
afwijking van het eerste lid, in op de dag waarop laatstbedoelde persoon
aan dit verzoek heeft voldaan.
-3. De zorgverzekeraar
verstrekt degene die het verzoek, bedoeld in het eerste lid, doet en,
indien dit een ander is dan degene ten behoeve van wiens verzekering het
verzoek is gedaan, laatstbedoelde persoon onverwijld:
a. een bewijs van het verzoek, bedoeld in het eerste lid,
waarop de datum van ontvangst is vermeld;
b. een bewijs van de ontvangst van gegevens, bedoeld in het
tweede lid, waarop de datum van de ontvangst is vermeld.
-4. Indien degene ten
behoeve van wie de zorgverzekering wordt gesloten op de dag waarop de
zorgverzekeraar het verzoek, bedoeld in het eerste lid, ontvangt reeds
op grond van een zorgverzekering verzekerd is en de verzekeringnemer
aangeeft de zorgverzekering te willen laten ingaan op een door hem
aangegeven, latere dag dan de dag, bedoeld in het eerste of tweede lid,
gaat de verzekering op die latere dag in.
-5. De zorgverzekering
werkt, zo nodig in afwijking van artikel 925, eerste lid, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek, terug:
a. indien zij ingaat binnen vier maanden nadat de
verzekeringsplicht is ontstaan, tot en met de dag waarop die plicht
ontstond;
b. indien zij ingaat binnen één maand nadat een eerdere
zorgverzekering met ingang van 1 januari van een kalenderjaar of wegens
wijziging van de voorwaarden met toepassing van artikel 940, vierde lid,
van Boek 7 van
het Burgerlijk Wetboek is geëindigd door opzegging, tot en met de
dag na die waarop de eerdere zorgverzekering is geëindigd.
Art.
6.
[Eindiging zorgverzekering van rechtswege]
[Geschiedenis:
MvT
+ bis + bis;
versie 16 juni 2005; Stb.
2005, 525; versie
1 januari 2006; Stb. 2006,
644]
-1. De zorgverzekering
eindigt van rechtswege met ingang van de dag volgende op de dag waarop:
a. de verzekeraar tengevolge van wijziging of intrekking van
zijn vergunning tot uitoefening van het schadeverzekeringsbedrijf geen
zorgverzekeringen meer mag aanbieden;
b. de verzekerde tengevolge van wijziging van het werkgebied
buiten het werkgebied van de zorgverzekeraar komt te wonen;
c. de verzekerde overlijdt;
d. de verzekeringsplicht van de verzekerde eindigt.
-2. De zorgverzekering
eindigt van rechtswege met ingang van de eerste dag van de tweede maand
volgende op de dag waarop de verzekerde, zonder dat zijn
verzekeringsplicht eindigt, tengevolge van verhuizing komt te wonen
buiten een provincie waarin zijn zorgverzekeraar de ten behoeve van hem
gesloten variant van de zorgverzekering aanbiedt of uitvoert.
-3. De zorgverzekeraar
stelt de verzekeringnemer uiterlijk twee maanden voordat een
zorgverzekering op grond van het eerste lid, onderdeel a of
b, eindigt, van dit einde op de hoogte, onder vermelding van de
reden daarvan en de datum waarop de verzekering eindigt.
-4. De verzekeringnemer
stelt de zorgverzekeraar onverwijld op de hoogte van alle feiten en
omstandigheden over de verzekerde die op grond van het eerste lid,
onderdeel c of d, dan wel het tweede lid tot het einde
van de zorgverzekering hebben geleid of kunnen leiden.
-5. Indien de
zorgverzekeraar op grond van de in het vierde lid bedoelde gegevens tot
de conclusie komt dat de zorgverzekering zal eindigen of geëindigd is,
deelt hij dit, onder vermelding van de reden daarvan en de datum waarop
de verzekering eindigt of geëindigd is, onverwijld aan de
verzekeringnemer mede.
Art.
7.
[Wettelijke opzeggingsmogelijkheden
verzekeringnemer]
[Geschiedenis:
MvT
+ bis + bis;
versie 16 juni 2005; versie 1 januari 2006;
Stb. 2006, 629; Stb.
2006, 644; Stb. 2008, 271]
-1.
De verzekeringnemer kan de zorgverzekering uiterlijk 31 december van
ieder jaar met ingang van 1 januari van het volgende kalenderjaar
opzeggen.
-2. De verzekeringnemer
die een ander dan zichzelf heeft verzekerd, kan de zorgverzekering
opzeggen indien de verzekerde krachtens een andere zorgverzekering
verzekerd wordt.
-3. In afwijking van
artikel 940, vierde lid, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek kan de verzekeringnemer niet opzeggen
indien een wijziging in de verzekerde prestaties ten nadele van de
verzekeringnemer of de verzekerde rechtstreeks voortvloeit uit een
wijziging van de bij of krachtens de artikelen 11 tot en met 14a
gestelde regels.
-4. De opzegging,
bedoeld in het tweede lid, gaat in op de eerste dag van de tweede
kalendermaand volgende op de dag waarop de verzekeringnemer heeft
opgezegd.
-5. In afwijking van het
vierde lid gaat een opzegging, bedoeld in het tweede lid, in met ingang
van de dag waarop de verzekerde krachtens de andere zorgverzekering
verzekerd wordt, indien die opzegging voorafgaande aan laatstbedoelde
dag door de zorgverzekeraar is ontvangen.
Art.
8.
[Beperking ontbindings- en opzeggingsmogelijkheden
zorgverzekeraar] [Geschiedenis:
MvT
+ bis + bis;
versie 16 juni 2005; Stb.
2005, 525; versie
1 januari 2006; Stb. 2006,
644]
-1. Aan een opzegging of
ontbinding van de zorgverzekering wegens het niet betalen van de
verschuldigde premie wordt geen terugwerkende kracht verleend, noch
wordt daaraan een verplichting verbonden tot ongedaanmaking of
vergoeding van hetgeen partijen reeds ter nakoming van de
zorgverzekering jegens elkaar hebben verricht.
-2. Een zorgverzekeraar
mag de zorgverzekering gedurende de periode, bedoeld in artikel 24,
niet opzeggen of ontbinden.
-3. Artikel 934 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek is tevens van toepassing met
betrekking tot de eerste premie die een verzekeringnemer voor een
zorgverzekering verschuldigd is.
Art.
8a. [Geen opzegging door verzekeringnemer
bij premieschuld] [Geschiedenis:
Stb. 2007, 540; Stb.
2009, 356]
-1. Nadat de zorgverzekeraar de verzekeringnemer heeft
aangemaand tot betaling van één of meer vervallen termijnen van de
verschuldigde premie, kan de verzekeringnemer gedurende de tijd dat de
verschuldigde premie, rente en incassokosten niet zijn voldaan de
zorgverzekering niet opzeggen, tenzij de zorgverzekeraar de
zorgverzekering of de dekking daarvan heeft geschorst of opgeschort.
-2. Het eerste lid lijdt
uitzondering indien de zorgverzekeraar de verzekeringnemer binnen twee
weken te kennen geeft de opzegging te bevestigen.
Art.
9.
[Verstrekking zorgpolis en eindigingsbewijs]
[Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2007, 490; Stb. 2008, 164]
-1. De zorgverzekeraar
verstrekt de verzekeringnemer en, indien deze een ander is dan de
verzekeringnemer, de verzekerde zo spoedig mogelijk na het sluiten van
de zorgverzekering en vervolgens voorafgaande aan ieder kalenderjaar een
zorgpolis.
-2. Indien de
zorgverzekering eindigt, verstrekt de zorgverzekeraar de
verzekeringnemer en, indien deze een ander is dan de verzekeringnemer,
de verzekerde een bewijs van het einde van de zorgverzekering, waarop
worden aangetekend:
a. naam, adres, woonplaats en burgerservicenummer of, bij
het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaal nummer van de verzekerde;
b. naam, adres en woonplaats van de verzekeringnemer;
c. naam, adres en woonplaats van de zorgverzekeraar;
d. de dag waarop de zorgverzekering eindigt;
e. of voor de verzekerde op die dag een vrijwillig eigen
risico gold, en zo ja, met welke ingangsdatum, voor welk bedrag en met
welke in verband daarmee verleende korting.
-3. Indien de
zorgverzekering eindigt om de in
artikel 6, eerste lid, onderdeel d, genoemde
reden, wordt dat op het in het tweede lid bedoelde bewijs aangetekend.
§
2.4. Maatregelen gericht op verzekering van onverzekerden
Art.
9a. [Geschiedenis:
Stb.
2011, 111]
-1. Het College
zorgverzekeringen gaat op basis van vergelijking van bij ministeriële
regeling aan te wijzen bestanden na welke verzekeringsplichtigen in
weerwil van hun verzekeringsplicht niet krachtens een zorgverzekering
verzekerd zijn.
-2. Het College zorgverzekeringen zendt een
verzekeringsplichtige als bedoeld in het eerste lid een schriftelijke
aanmaning om zich binnen een termijn van drie maanden, te rekenen vanaf
de datum van verzending van de aanmaning, alsnog op grond van zo'n
verzekering te verzekeren of te laten verzekeren.
-3. De aanmaning bevat een overzicht van de
gevolgen indien betrokkene niet binnen de in het tweede lid genoemde
termijn verzekerd zal zijn.
Art.
9b. [Geschiedenis:
Stb. 2011, 111]
-1. Indien een verzekeringsplichtige aan
wie een aanmaning als bedoeld in artikel 9a is
verzonden, niet binnen drie maanden na verzending daarvan verzekerd is,
legt het College zorgverzekeringen hem dan
wel, indien de verzekeringsplichtige minderjarig is, degene die het
gezag over hem uitoefent een bestuurlijke boete op.
-2. De hoogte van de boete is gelijk aan
driemaal de tot een maandbedrag herleide standaardpremie, bedoeld in de Wet
op de zorgtoeslag.
-3. Artikel 5:53,
tweede en derde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht geldt niet voor de oplegging van de boete, bedoeld in
het eerste lid.
-4. Het College zorgverzekeringen kan de
boete bij dwangbevel invorderen.
-5. Tegelijk met de oplegging van de boete
deelt het College zorgverzekeringen mee wat de gevolgen zullen zijn
indien de verzekeringsplichtige niet binnen een termijn van drie
maanden, te rekenen vanaf de dag van verzending van de beschikking tot
oplegging van de boete, alsnog verzekerd zal zijn.
Art.
9c. [Geschiedenis:
Stb. 2011, 111]
-1. Indien een verzekeringsplichtige aan
wie de boete, bedoeld in artikel 9b, is
opgelegd niet binnen de termijn, bedoeld in artikel 9b,
vijfde lid, alsnog verzekerd is, legt het College
zorgverzekeringen hem dan wel, indien hij minderjarig is, degene die
het gezag over hem uitoefent nogmaals een bestuurlijke boete op.
-2. Artikel 9b,
tweede tot en met vierde lid, zijn van toepassing.
-3. De boetebeschikking, bedoeld in het
eerste lid, gaat vergezeld van een last, inhoudende dat de
verzekeringsplichtige binnen drie maanden na de verzending van de last
alsnog krachtens een zorgverzekering verzekerd dient te zijn, bij
gebreke waarvan het College zorgverzekeringen artikel 9d
zal toepassen.
Art.
9d. [Geschiedenis:
Stb. 2011, 111; Stb.
2012, 77]
-1. Indien een verzekeringsplichtige aan
wie de bestuurlijke boete en de last, bedoeld in artikel 9c,
is opgelegd niet binnen drie maanden na verzending van de beschikking
tot oplegging daarvan alsnog verzekerd is, sluit het College
zorgverzekeringen namens hem een zorgverzekering waarin hij hem
verzekert.
-2. Het College zorgverzekeringen kiest de
zorgverzekeraar waarmee een zorgverzekering als bedoeld in het eerste
lid wordt gesloten, met dien verstande dat het zorgt voor een spreiding
van zorgverzekeringen als bedoeld in dat lid over alle zorgverzekeraars,
naar evenredigheid van het aantal verzekerden bij iedere
zorgverzekeraar.
-3. Indien een zorgverzekeraar
verschillende varianten van de zorgverzekering aanbiedt, sluit het
College zorgverzekeringen een zorgverzekering overeenkomstig de variant
met de laagste premie, maar zonder collectiviteitskorting als bedoeld in
artikel 18 en zonder vrijwillig eigen risico.
-4. Op de last, bedoeld in artikel
9c, derde lid, en op het uitvoeren van de last als bedoeld in
het eerste lid is afdeling 5.3.1 van de
Algemene wet bestuursrecht, met uitzondering van de
artikelen 5:25 en
5:27 tot en met 5:30 van die wet, van overeenkomstige
toepassing.
-5. Degene die op grond van het eerste lid
door het College zorgverzekeringen verzekerd is, kan de desbetreffende
verzekering gedurende een periode van twee weken, te rekenen vanaf de
datum waarop dat college hem daarvan mededeling heeft gedaan,
vernietigen indien hij jegens dat college alsmede jegens de
zorgverzekeraar bij wie die zorgverzekering is gesloten, aantoont in de
periode, bedoeld in dat lid, reeds krachtens een andere zorgverzekering
verzekerd te zijn geraakt.
-6. In afwijking van artikel 931 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek is een zorgverzekeraar bevoegd een met
hem gesloten verzekeringsovereenkomst wegens dwaling te vernietigen
indien achteraf blijkt dat degene die het College zorgverzekeringen bij
hem verzekerde op dat moment niet verzekeringsplichtig was.
-7. Zo nodig in afwijking van artikel
7 kan, tenzij het vierde lid van dat artikel van toepassing is, een
verzekeringnemer een zorgverzekering als bedoeld in het eerste lid niet
opzeggen gedurende de eerste twaalf maanden waarover deze loopt.
HOOFDSTUK
3
De
inhoud van de zorgverzekering
§
3.1. Het te verzekeren risico
Art.
10.
[Verzekerde risico]
[Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006]
Het krachtens de zorgverzekering te verzekeren risico is de behoefte
aan:
a. geneeskundige zorg, waaronder
de integrale eerstelijnszorg zoals die door huisartsen en verloskundigen
pleegt te geschieden;
b. mondzorg;
c. farmaceutische zorg;
d. hulpmiddelenzorg;
e. verpleging;
f. verzorging, waaronder de kraamzorg;
g. verblijf in verband met geneeskundige zorg;
h. vervoer in verband met het ontvangen van zorg of diensten als bedoeld
in de onderdelen a tot en met g, dan wel in verband met een aanspraak op
grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.
§
3.2. De te verzekeren prestaties
Art.
11.
[Zorgplicht en verzekerde prestaties]
[Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
Stb. 2005, 525; versie 1 januari 2006]
-1. De zorgverzekeraar
heeft jegens zijn verzekerden een zorgplicht die zodanig wordt
vormgegeven dat de verzekerde bij wie het verzekerde risico zich
voordoet, krachtens de zorgverzekering recht heeft op prestaties
bestaande uit:
a. de zorg of de overige diensten waaraan hij behoefte
heeft; of
b. vergoeding van de kosten van deze zorg of overige
diensten alsmede, desgevraagd, activiteiten gericht op het verkrijgen
van deze zorg of diensten.
-2. In de
zorgverzekering kunnen combinaties van verzekerde prestaties als bedoeld
in het eerste lid, onderdeel a of b, worden opgenomen.
-3. Bij algemene
maatregel van bestuur worden de inhoud en omvang van de in het eerste
lid bedoelde prestaties nader geregeld en kan voor bij die maatregel aan
te wijzen vormen van zorg of overige diensten worden bepaald dat een
deel van de kosten voor rekening van de verzekerde komt.
-4. In de algemene maatregel van bestuur
kan worden bepaald dat bij ministeriële regeling: [Bz]
a. vormen van zorg of overige
diensten kunnen worden uitgezonderd van de in het eerste lid bedoelde of
in de maatregel nader omschreven prestaties;
b. de inhoud en omvang van de
prestaties bestaande uit zorg als bedoeld in artikel 10,
onderdeel a, c en
d, nader wordt geregeld;
c. nadere regels kunnen worden
gesteld over het deel van de kosten dat voor rekening van de verzekerde
komt.
-5. Een zorgverzekeraar
kan modelovereenkomsten aanbieden waarin, in geringe afwijking van het
bepaalde bij of krachtens het eerste en derde lid, bepaalde om ethische
of levensbeschouwelijke redenen controversiële prestaties buiten de
dekking van de zorgverzekering blijven. [Bz]
Art.
11a. [Inkomensafhankelijke GGZ-tegemoetkoming]
[Geschiedenis:
Stb. 2012, 381]
-1. Een verzekerde heeft recht op een door
het CAK te verstrekken, van de draagkracht afhankelijke tegemoetkoming
voor een kalenderjaar in de kosten voor zorg zoals psychiaters of
klinisch psychologen die plegen te bieden, die op grond van artikel
11,
derde lid, in dat jaar voor zijn rekening zijn gekomen.
-2. De tegemoetkoming is gelijk aan het
bedrag dat op grond van artikel 11, derde lid, voor zorg als bedoeld in
het eerste lid, voor rekening van de verzekerde is gekomen.
-3. Het CAK neemt het burgerservicenummer
van de personen, bedoeld in het eerste lid, en van hun partners, met het
oog op de uitvoering van dit artikel in zijn administratie op.
-4. De zorgverzekeraars verstrekken aan
het CAK de persoonsgegevens van de personen, bedoeld in het eerste lid,
waaronder het burgerservicenummer, de geboortedatum, het rekeningnummer,
de woonplaats en gegevens betreffende de gezondheid als bedoeld in de Wet
bescherming persoonsgegevens, die noodzakelijk zijn ter uitvoering
van dit artikel.
-5. Het CAK verstrekt voor de uitvoering
van dit artikel aan de inspecteur, bedoeld in artikel 2, derde lid,
onderdeel b, van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen, het
burgerservicenummer van de personen, bedoeld in het eerste lid, en van
hun partner.
-6. Bij algemene maatregel van bestuur
worden regels gesteld met betrekking tot:
a. het tijdstip van vaststelling en
verstrekking van de tegemoetkoming;
b. het inkomen waarboven geen recht
bestaat op de tegemoetkoming; en
c. het in aanmerking te nemen inkomen en
de in aanmerking te nemen partner, waarbij kan worden afgeweken van
hoofdstuk 1 van de Algemene
wet inkomensafhankelijke regelingen.
-7. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen nadere regels worden gesteld over de verstrekking van
persoonsgegevens, bedoeld in het vierde lid, en de verwerking van
persoonsgegevens door het CAK.
-8. Onze Minister kan aan zorgverzekeraars
voor het verstrekken van de persoonsgegevens, bedoeld in het vierde lid,
een vergoeding verstrekken waarvan de hoogte bij ministeriële regeling
wordt bepaald.
Art.
12.
[Contracteerplicht voor aangewezen vormen van
zorg] [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2007, 490]
-1. Bij algemene
maatregel van bestuur kunnen ter bescherming van het algemeen belang
vormen van zorg of overige diensten worden aangewezen die de
zorgverzekeraar slechts verstrekt of vergoedt indien tussen hem en de
aanbieder van de desbetreffende zorg of dienst een overeenkomst over de
te leveren zorg of dienst en de daarvoor in rekening te brengen prijs is
gesloten, dan wel indien de aanbieder bij hem in dienst is.
-2. Bij deze algemene
maatregel van bestuur kunnen tevens vormen van zorg of overige diensten
worden aangewezen waarvoor de zorgverzekeraar met iedere instelling die
binnen zijn werkgebied is gelegen of waarvan zijn verzekerden naar
verwachting regelmatig gebruik zullen maken, op haar verzoek een
overeenkomst als bedoeld in het eerste lid sluit.
-3. Een instelling als
bedoeld in artikel
1, onderdeel m, onder 1º, die voor een in het tweede lid
bedoelde vorm van zorg of dienst een overeenkomst met een
zorgverzekeraar heeft gesloten, is verplicht desgevraagd met een andere
zorgverzekeraar een gelijke overeenkomst te sluiten.
-4. Het tweede en het
derde lid gelden niet indien de zorgverzekeraar respectievelijk
instelling ernstige bezwaren heeft tegen het sluiten van een
overeenkomst met de instelling respectievelijk zorgverzekeraar die om
die overeenkomst vraagt.
Art.
13.
[Vergoeding zorg van niet-gecontracteerde
zorgaanbieder] [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
Stb. 2005, 525; versie 1 januari 2006;
Stb. 2006, 644]
-1. Indien een verzekerde krachtens zijn zorgverzekering een bepaalde
vorm van zorg of een andere dienst dient te betrekken van een aanbieder
met wie zijn zorgverzekeraar een overeenkomst over deze zorg of dienst
en de daarvoor in rekening te brengen prijs heeft gesloten of van een
aanbieder die bij zijn zorgverzekeraar in dienst is, en hij deze zorg of
andere dienst desalniettemin betrekt van een andere aanbieder, heeft hij
recht op een door de zorgverzekeraar te bepalen vergoeding van de voor
deze zorg of dienst gemaakte kosten.
-2. De zorgverzekeraar neemt de wijze waarop hij de vergoeding berekent
in de modelovereenkomst op.
-3. Indien bij of krachtens de algemene
maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 11, is bepaald dat een deel van de kosten van een
bepaalde vorm van zorg of van een bepaalde andere dienst voor rekening
van de verzekerde komt, verwerkt de zorgverzekeraar dit in de wijze
waarop hij de vergoeding voor de desbetreffende vorm van zorg of dienst
berekent.
-4. De wijze waarop de vergoeding wordt berekend, is voor alle
verzekerden, bedoeld in het eerste lid, die in een zelfde situatie een
zelfde vorm van zorg of dienst behoeven gelijk.
-5. Indien een overeenkomst tussen een zorgverzekeraar en een aanbieder
als bedoeld in het eerste lid wordt beëindigd, houdt een verzekerde die
op het moment van beëindiging van de overeenkomst zorg ontvangt van deze
aanbieder recht op zorgverlening door die aanbieder voor rekening van deze
zorgverzekeraar.
Art.
14.
[Beoordeling recht op verzekerde prestatie] [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
Stb. 2005, 525; versie 1 januari 2006;
Stb. 2006, 629; Stb.
2006, 644; Stb. 2008, 164;
Stb. 2008, 271]
-1. De vraag of een verzekerde behoefte heeft aan een bepaalde vorm van zorg
of een bepaalde andere dienst wordt slechts op basis van
zorginhoudelijke criteria beantwoord.
-2. De zorgverzekeraar neemt in zijn modelovereenkomst op dat
geneeskundige zorg zoals medisch-specialisten die plegen te bieden, met
uitzondering van acute zorg, slechts toegankelijk is na verwijzing door
in die overeenkomst aangewezen categorieën zorgaanbieders, waaronder in
ieder geval de huisarts.
-3.
De vraag of een jeugdige als bedoeld in de Wet
op de jeugdzorg wegens een psychiatrische aandoening behoefte heeft aan
een bepaalde vorm van zorg of een andere dienst wordt met
overeenkomstige toepassing van de bij en krachtens artikel
9b, vierde en vijfde lid, van de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten gestelde regels beantwoord door een
stichting als bedoeld in de Wet op de jeugdzorg respectievelijk een arts
of andere behandelaar van de jeugdige.
-4. In de regels, bedoeld in het derde lid, kunnen voor de in dat lid bedoelde indicatie afzonderlijke regels
worden gesteld en kunnen vormen van zorg of andere diensten worden
aangewezen waarvoor het derde lid niet geldt.
-5. Op een stichting als bedoeld in het
derde lid is, met uitzondering van de bewaartermijn als omschreven in artikel
86, eerste lid, het bepaalde bij of krachtens de artikelen
4, tweede tot en met vijfde lid, en 86 van
overeenkomstige toepassing met betrekking tot de indicatie, bedoeld in
het derde lid.
-6. Voor zover een verzekerde ingevolge zijn zorgverzekering toestemming
behoeft van de zorgverzekeraar dan wel een verwijzing of een recept van
een deskundige is vereist voor het verkrijgen van de verzekerde
prestaties en de verzekerde in het bezit is van deze toestemming, deze
verwijzing of dit recept, geldt die toestemming, die verwijzing of dat
recept als titel voor het verkrijgen van de verzekerde prestaties
gedurende de periode waarvoor de toestemming is verleend of de
verwijzing of het recept geldig is en verlangt een nieuwe
zorgverzekeraar niet nogmaals dat toestemming wordt gevraagd of dat een
verwijzing of recept wordt overgelegd.
Art.
14a. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 2005, 525; versie 1 januari 2006]
Art.
15.
[Buitentoepassingverklaring artikelen BW] [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006]
-1. De artikelen 941,
eerste lid, en 957 van Boek 7
van het Burgerlijk Wetboek zijn niet van toepassing.
-2. Zo nodig in
afwijking van artikel 952 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek is de zorgverzekeraar niet bevoegd een
verzekerde prestatie geheel of gedeeltelijk te weigeren indien het
intreden van het verzekerde risico aan de verzekerde is te wijten.
§
3.3. De premie, de gevolgen van het niet betalen van de premie en
de bestuursrechtelijke premie
Afdeling
3.3.1. De premie
Art.
16.
[Verschuldigdheid premie] [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2009, 356; Stb.
2011, 111]
-1. Krachtens de zorgverzekering is de verzekeringnemer premie
verschuldigd.
-2. In afwijking van artikel 925 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek en van het eerste lid:
a. is geen premie verschuldigd tot
de eerste dag van de kalendermaand volgende op de kalendermaand waarin
een verzekerde de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt;
b. is geen premie verschuldigd over
de periode, bedoeld in artikel 18d, eerste
lid, of 18e.
Art.
17.
[Grondslag en hoogte premie] [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
Stb. 2005, 525; versie 1 januari 2006;
Stb. 2006, 629; Stb.
2009, 356]
-1. De zorgverzekeraar
stelt voor iedere variant van de zorgverzekering die hij aanbiedt de
grondslag van de premie en de bij die variant behorende premiekorting of
premiekortingen vast en neemt deze in de modelovereenkomst op.
-2. De grondslag van
de premie is gelijk voor varianten die wat betreft de te verzekeren
prestaties als bedoeld in artikel 11, eerste lid, of
de keuzemogelijkheden tussen aanbieders van zorg of van overige diensten
als bedoeld in dat lid, niet van elkaar verschillen.
-3. Indien de
zorgverzekeraar gebruik maakt van zijn bevoegdheid, bedoeld in artikel 11,
vijfde lid, is de grondslag van de premie gelijk aan de grondslag die
hij heeft of zou hebben vastgesteld voor een modelovereenkomst met
volledige dekking.
-4. De grondslag van de
premie is de premie indien geen premiekorting als bedoeld in artikel 18,
vierde lid, of artikel
20 geldt of zou gelden.
-5. De verschuldigde
premie is gelijk aan de grondslag van de premie behorende bij de variant
van de zorgverzekering die de verzekeringnemer gekozen heeft, verminderd
met de premiekortingen, bedoeld in de artikelen
18, vierde lid, of 20, indien deze van toepassing
zijn.
-6. De zorgverzekeraar
geeft de wijze waarop de verschuldigde premie van de grondslag van de
premie wordt afgeleid in de modelovereenkomst weer en neemt de wijze
waarop de door de verzekeringnemer verschuldigde premie van de grondslag
van de premie is afgeleid in de zorgpolis op.
-7. Een wijziging in
de grondslag van de premie treedt niet eerder in werking dan zes weken
na de dag waarop deze aan de verzekeringnemer is medegedeeld.
Art.
18.
[Collectiviteitskorting op premie] [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
Stb. 2005, 525; versie 1 januari 2006;
Stb. 2006, 644]
-1.
De zorgverzekeraar kan met een werkgever overeenkomen dat hij een
geldelijk voordeel verstrekt indien diens werknemers, voormalige
werknemers of hun gezinsleden verzekerd worden op basis van een in die
overeenkomst aan te wijzen modelovereenkomst.
-2. Het voordeel bedraagt
per persoon die op basis van de desbetreffende modelovereenkomst
verzekerd wordt niet meer dan 10% van de grondslag van de bij die
modelovereenkomst behorende premie.
-3. In de overeenkomst,
bedoeld in het eerste lid, wordt ten minste bepaald:
a. de hoogte van het voordeel,
waarbij die hoogte mag variëren al naargelang het aantal volgens de
desbetreffende modelovereenkomst verzekerde personen;
b. de verdeling van het voordeel over
de werkgever en de volgens de desbetreffende modelovereenkomst
verzekerde personen.
-4. Indien het voordeel
of een deel daarvan aan de verzekeringnemer wordt verstrekt, geschiedt
dit in de vorm van een korting op de grondslag van de premie.
-5. Het eerste tot en met vierde lid zijn
tevens van toepassing ten aanzien van een rechtspersoon, niet zijnde een
werkgever, met betrekking tot de verzekering van natuurlijke personen
wier belangen die rechtspersoon behartigt.
-6. Bij algemene
maatregel van bestuur kunnen, om te voorkomen dat afbreuk wordt gedaan
aan het sociale karakter van de verzekering, nadere en zo nodig
afwijkende regels worden gesteld.
Afdeling
3.3.2. De gevolgen van het niet betalen van de premie en de
bestuursrechtelijke premie
Art.
18a. [Aanbod betalingsregeling] [Geschiedenis:
Stb. 2007, 490 + bis;
Stb. 2009, 356 + bis]
-1. Uiterlijk tien werkdagen nadat ten
aanzien van een zorgverzekering een achterstand in de betaling van de
verschuldigde premie ter hoogte van twee maandpremies is geconstateerd,
doet de zorgverzekeraar de verzekeringnemer een aanbod tot het treffen
van een betalingsregeling.
-2. De betalingsregeling bestaat ten minste
uit de volgende elementen:
a. een machtiging van de
verzekeringnemer aan de zorgverzekeraar tot maandelijkse automatische
incasso van nieuw vervallende termijnen van de premie dan wel een
opdracht aan een derde van wie de verzekeringnemer periodieke betalingen
ontvangt om namens hem en onder inhouding van de desbetreffende bedragen
op deze betalingen periodiek rechtstreeks aan de zorgverzekeraar het
bedrag van nieuw vervallende termijnen van de premie te betalen;
b. afspraken inzake de afwikkeling
van de uit de zorgverzekering voortvloeiende schulden van de
verzekeringnemer aan de zorgverzekeraar, inclusief rente en
incassokosten, en de termijnen waarbinnen betaling zal plaatsvinden; en
c. een toezegging van de
zorgverzekeraar, inhoudende dat hij de zorgverzekering of de dekking
daarvan gedurende de looptijd van de betalingsregeling niet om reden van
het bestaan van de schulden, bedoeld in onderdeel b, zal beëindigen,
schorsen of opschorten, zolang de verzekeringnemer de machtiging of de
opdracht, bedoeld in onderdeel a, niet intrekt en de afspraken,
bedoeld in onderdeel b, nakomt.
-3. Indien de verzekeringnemer een ander
heeft verzekerd en ten aan zien van diens verzekering een
premieachterstand als bedoeld in het eerste lid is ontstaan, omvat het
aanbod, bedoeld in het eerste lid, tevens een bereidverklaring opzegging
van deze verzekering met ingang van de dag waarop de betalingsregeling
van kracht wordt te aanvaarden, mits:
a. de verzekerde zichzelf uiterlijk
met ingang van dezelfde dag krachtens een andere zorgverzekering
verzekerd heeft; en
b. deze, indien deze zorgverzekering
bij dezelfde zorgverzekeraar is gesloten, ter zake van de premie voor
deze verzekering een volmacht of opdracht als bedoeld in het tweede lid,
onderdeel a, heeft gegeven.
-4. Tegelijk met het aanbod deelt de
zorgverzekeraar de verzekeringnemer schriftelijk mee dat deze een
termijn van vier weken heeft om het te aanvaarden, waarbij de
verzekeraar bovendien aangeeft wat de gevolgen zullen zijn indien het
aanbod niet wordt aanvaard en de premieschuld, rente en incassokosten
buiten beschouwing gelaten, tot zes of meer maandpremies zal zijn
opgelopen, en wijst hij de verzekeringnemer op de mogelijkheid van
schuldhulpverlening, waarbij hij tevens informatie verstrekt over de
vormen hiervan en wijze waarop deze kan worden verzocht.
-5. Indien het derde lid van toepassing is,
zendt de zorgverzekeraar de verzekerde tegelijk met de verzending van de
in het eerste tot en met vierde lid bedoelde stukken aan de
verzekeringnemer, afschriften van deze stukken.
Art.
18b. [Voornemen tot melding premieschuld
aan CVZ] [Geschiedenis:
Stb. 2009, 356]
-1. Zo spoedig mogelijk nadat ten aanzien
van een zorgverzekering, rente en incassokosten buiten beschouwing
latend, een achterstand in de betaling van de verschuldigde premie ter
hoogte van vier maandpremies is geconstateerd, deelt de zorgverzekeraar
de verzekeringnemer en, indien deze een ander is dan de
verzekeringnemer, de verzekerde mee dat hij voornemens is over te gaan
tot de melding, bedoeld in artikel 18c, zodra
de premieschuld de daar bedoelde hoogte zal hebben bereikt, tenzij de
verzekeringnemer of de verzekerde hem uiterlijk vier weken na ontvangst
van de mededeling heeft laten weten het bestaan van de schuld of de
hoogte ervan te betwisten.
-2. In geval van tijdige betwisting als
bedoeld in het eerste lid deelt de zorgverzekeraar, indien deze na
onderzoek zijn standpunt handhaaft, de verzekeringnemer en, indien deze
een ander is dan de verzekeringnemer, de verzekerde mee dat hij het
voornemen tot melding tot uitvoering zal brengen zodra de premieschuld
de in artikel 18c, eerste lid, bedoelde hoogte
zal hebben bereikt, tenzij de verzekeringnemer of de verzekerde binnen
een termijn van vier weken na ontvangst van de in dit lid bedoelde
mededeling een geschil hierover heeft voorgelegd aan een onafhankelijke
instantie als bedoeld in artikel 114 of aan de
burgerlijke rechter.
-3. Indien een betalingsregeling als
bedoeld in artikel 18a ingaat nadat ten
aanzien van de zorgverzekering, rente en incassokosten buiten
beschouwing latend, een achterstand in de betaling van de verschuldigde
premie ter hoogte van vier maandpremies is ontstaan, laat de
zorgverzekeraar de in het eerste lid bedoelde melding achterwege zolang
de nieuw vervallende termijnen van de premie worden voldaan.
Art.
18c. [Melding premieschuld aan CVZ] [Geschiedenis:
Stb. 2009, 356]
-1. Indien ten aanzien van een
zorgverzekering, rente en incassokosten buiten beschouwing latend, een
premieschuld ter hoogte van zes of meer maandpremies is ontstaan, meldt
de zorgverzekeraar dit, onder vermelding van de voor de heffing van de
bestuursrechtelijke premie alsmede voor de uitvoering van artikel
34a noodzakelijke persoonsgegevens van de verzekeringnemer en
de verzekerde, aan het College zorgverzekeringen,
de verzekeringnemer en, indien deze een ander is dan de
verzekeringnemer, aan de verzekerde.
-2. De melding geschiedt niet:
a. in geval van tijdige betwisting
als bedoeld in artikel 18b, eerste lid, zolang
de zorgverzekeraar zijn standpunt dienaangaande niet aan de
verzekeringnemer en, indien dit een ander dan de verzekeringnemer is,
aan de verzekerde heeft kenbaar gemaakt;
b. gedurende de termijn, genoemd in artikel
18b, tweede lid;
c. in geval van tijdige voorlegging
van het geschil aan een onafhankelijke instantie of aan de burgerlijke
rechter als bedoeld in artikel 18b, tweede
lid, zolang op het geschil niet onherroepelijk is beslist;
d. in geval de verzekeringnemer zich
heeft aangemeld bij een schuldhulpverlener als bedoeld in artikel 48 van
de Wet op
het consumentenkrediet en aantoont dat hij in het kader daarvan een
schriftelijke overeenkomst tot stabilisatie van zijn schulden heeft
gesloten.
-3. Onderdeel van de melding vormt een
verklaring van de zorgverzekeraar, inhoudende dat hij artikel
18b en het tweede lid in acht heeft genomen.
Art.
18d. [Bestuursrechtelijke premie] [Geschiedenis:
Stb. 2009, 356]
-1. De verzekeringnemer is aan het College
zorgverzekeringen een bestuursrechtelijke premie verschuldigd vanaf
de eerste dag van de maand volgende op de maand waarin dat college de
melding, bedoeld in artikel 18c, heeft
ontvangen tot de eerste dag van de maand volgende op de maand waarin de
datum, bedoeld in het derde lid, ligt.
-2. De bestuursrechtelijke premie bedraagt
per maand 130% van de tot een maandbedrag herleide standaardpremie,
bedoeld in de Wet op de zorgtoeslag.
-3. De zorgverzekeraar stelt het College
zorgverzekeringen, de verzekeringnemer en, indien deze een ander is dan
de verzekeringnemer, de verzekerde met het oog op de toepassing van het
eerste lid onverwijld op de hoogte van de datum waarop:
a. de uit de zorgverzekering
voortvloeiende schulden zijn of zullen zijn afgelost of tenietgaan;
b. de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen, bedoeld in de Faillissementswet,
op de verzekeringnemer van toepassing wordt; of
c. door tussenkomst van een
schuldhulpverlener als bedoeld in artikel 48 van de Wet
op het consumentenkrediet een overeenkomst als bedoeld in artikel
18c, tweede lid, onderdeel d, is gesloten of een
schuldregeling tot stand is gekomen waarin, naast de verzekeringnemer,
ten minste zijn zorgverzekeraar deelneemt.
-4. In afwijking van het eerste tot en met
derde lid is de verzekeringnemer wederom aan het College
zorgverzekeringen bestuursrechtelijke premie verschuldigd vanaf de
eerste dag van de maand volgende op de maand:
a. waarin de toepassing van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen op grond van artikel 350,
derde lid, onderdeel c, d, e, f of g,
van de Faillissementswet
is beëindigd;
b. waarin hij zich, blijkens een
mede door de schuldhulpverlener ondertekende melding van zijn
zorgverzekeraar, aan deelname aan de in het derde lid, onderdeel c,
bedoelde regeling heeft onttrokken voordat hij de in die regeling
neergelegde afspraken jegens zijn zorgverzekeraar volledig is nagekomen.
Art.
18e. [Geschiedenis:
Stb.
2011, 111 + bis]
Gedurende de eerste twaalf maanden waarover een verzekering als bedoeld
in artikel 9d loopt, is de verzekeringnemer
vanaf de eerste dag van de kalendermaand volgende op de maand waarin hij
de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt aan het College
zorgverzekeringen een bestuursrechtelijke premie verschuldigd die
per maand 100% van de tot een maandbedrag herleide standaardpremie,
bedoeld in de Wet op de zorgtoeslag, bedraagt.
Art.
18f. [Inning bestuursrechtelijke premie]
[Geschiedenis:
Stb. 2009, 356; Stb.
2011, 111]
-1. Het College
zorgverzekeringen heft en int de bestuursrechtelijke premie.
-2. In opdracht van het College
zorgverzekeringen houdt de inhoudingsplichtige de bestuursrechtelijke
premie geheel of voor een door dat college te bepalen gedeelte in op
door hem aan de verzekeringnemer verschuldigd loon als bedoeld in de Wet
op de loonbelasting 1964, waarna hij het ingehouden bedrag aan het
college afdraagt.
-3. De inhouding geschiedt onmiddellijk
nadat de krachtens een ander wettelijk voorschrift of krachtens een
arbeidsovereenkomst verplicht in te houden belastingen, premies of
andere bijdragen zijn ingehouden, met dien verstande dat bij ministeriële
regeling op socialezekerheidsuitkeringen te verrichten inhoudingen of
verrekeningen kunnen worden aangewezen waarvoor een andere volgorde
geldt. [Rz]
-4. Een inhoudingsplichtige die het door
het College zorgverzekeringen aan te geven bedrag niet of niet geheel
heeft ingehouden, is gehouden het gehele bedrag aan dat college af te
dragen, zonder dat het niet-ingehouden bedrag alsnog op de
verzekeringnemer kan worden verhaald.
-5. Indien op loon waarop
bestuursrechtelijke premie is ingehouden tevens derdenbeslag ligt, is
het bedrag dat de inhoudingsplichtige ten minste aan de verzekeringnemer
uitbetaalt gelijk aan de beslagvrije voet, bedoeld in artikel 475d
van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, verminderd met het in opdracht van
het College zorgverzekeringen ingehouden bedrag.
-6. In opdracht van het College
zorgverzekeringen wordt een aan de verzekeringnemer of zijn partner uit
te betalen zorgtoeslag als bedoeld in de Wet op de
zorgtoeslag of een voorschot daarop, in afwijking van artikel 25,
eerste lid, van de Algemene
wet inkomensafhankelijke regelingen, als tegemoetkoming in de
bestuursrechtelijke premie aan het College zorgverzekeringen uitbetaald.
-7. Het College zorgverzekeringen kan de
bestuursrechtelijke premie of het door de werkgever af te dragen bedrag,
bedoeld in het vierde lid, bij dwangbevel invorderen.
-8. Het College zorgverzekeringen heeft ter
zake van de bestuursrechtelijke premie die op andere wijze dan bij wege
van inhouding wordt geïnd een voorrecht op alle goederen van de
verzekeringnemer, welk voorrecht onmiddellijk na het voorrecht, bedoeld
in artikel 21 van de Invorderingswet
1990, kan worden uitgeoefend.
-9. Indien het College zorgverzekeringen
ter zake van de inning van de bestuursrechtelijke premie beslag laat
leggen onder een derde die de verzekeringnemer periodieke betalingen,
niet zijnde periodieke betalingen ter zake van het levensonderhoud van
diens kinderen, verschuldigd is, is de derde-beslagene verplicht om,
zolang het College dit verlangt, het door het College aangegeven
achterstallige bedrag en telkens de nieuw vervallende termijnen van de
bestuursrechtelijke premie of door het College te bepalen gedeelten
daarvan, tot welker verhaal het beslag is gelegd, aan het College uit te
betalen, tenzij onder hem beslag gelegd mocht worden wegens vorderingen
van hogere of gelijke rang.
-10. Indien een beslag als bedoeld in het
negende lid is gelegd op een vordering tot een periodieke betaling als
bedoeld in artikel 475c van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, wordt de beslagvrije voet, bedoeld
in artikel 475d van die
wet, louter ten aanzien van de vordering van het College
zorgverzekeringen ter zake waarvan het beslag is gelegd, in aanvulling
op het vijfde lid, onderdeel a, van laatstgenoemd artikel
verlaagd met het verschil tussen de bestuursrechtelijke premie en het
reeds ingehouden bedrag van die premie.
-11. De derde die meer aan het College
zorgverzekeringen heeft betaald dan waarop deze recht heeft, is jegens
de verzekeringnemer bevrijd, voor zover dat voortvloeit uit artikel 34
van Boek 6 van
het Burgerlijk Wetboek.
Art.
18g. [Gebruik BSN | Kwijtschelding
restschuld] [Geschiedenis:
Stb. 2009, 356; Stb.
2011, 111 + bis; Stb.
2012, 77]
-1. Het College
zorgverzekeringen gebruikt het burgerservicenummer of, bij het
ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaal nummer van de in de artikelen
18c, eerste lid, en 18e, bedoelde personen, met het doel te
waarborgen dat de in het kader van de uitvoering van deze afdeling en artikel
34a te verwerken persoonsgegevens op die personen betrekking
hebben.
-2. Bij gegevensuitwisseling tussen het
College zorgverzekeringen en de in de artikelen 18f,
88 en 89 bedoelde personen en
instanties wordt, voor de uitvoering van deze afdeling en voor zover die
personen en instanties tot gebruik van dat nummer bevoegd zijn, het
burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaal
nummer gebruikt.
-3. Het College zorgverzekeringen is
bevoegd schulden ter zake van de bestuursrechtelijke premie die hem nog
niet zijn voldaan nadat artikel 18d of 18e
niet meer op de verzekeringnemer van toepassing is, kwijt te schelden.
-4. Bij ministeriële regeling worden
nadere regels gesteld over de wijze waarop het College zorgverzekeringen de bestuursrechtelijke
premie int en wordt bepaald welk gedeelte van de geïnde
bestuursrechtelijke premie door dat college in ’s Rijks kas wordt
gestort. [Rz]
§
3.4. Het eigen risico
Art.
19. [Verplicht eigen risico]
[Bz] [Geschiedenis:
Stb. 2007, 490 + bis;
Stb. 2009, 356; Stb.
2011, 591; Stb. 2012, 381]
-1. Iedere verzekerde van 18 jaar of
ouder heeft een verplicht eigen risico van €|350,- per
kalenderjaar.
-2. Het bedrag, genoemd in het eerste lid,
wordt jaarlijks geïndexeerd overeenkomstig het verschil in geraamde
uitgaven voor de zorg en overige diensten, bedoeld in artikel
11, tussen het kalenderjaar waarop het verplicht eigen risico
betrekking zal hebben en vergelijkbare uitgaven voor het jaar
voorafgaand aan dat kalenderjaar.
-3. Indien het geïndexeerde bedrag naar
beneden afgerond €|5,00 of een veelvoud
daarvan verschilt van het in het eerste lid genoemde bedrag, wordt dit
bedrag bij ministeriële regeling gewijzigd, waarna het in die regeling
genoemde bedrag in de plaats treedt van het in het eerste lid genoemde
bedrag.
-4. Rekeningen voor kosten van zorg of
overige diensten worden slechts op het verplicht eigen risico in
mindering gebracht indien deze door de zorgverzekeraar zijn ontvangen
voor een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen dag van het
kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarop het verplicht eigen
risico betrekking heeft.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur
wordt bepaald op welke wijze het verplicht eigen risico in mindering
wordt gebracht.
Art.
20.
[Premiekorting bij vrijwillig eigen risico]
[Bz]
[Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
Stb. 2005, 525; versie 1 januari 2006;
Stb. 2007, 490; Stb.
2009, 356]
-1. De zorgverzekeraar biedt van iedere
zorgverzekering met een bepaalde combinatie van te verzekeren prestaties
als bedoeld in artikel
11, eerste lid, een variant zonder vrijwillig eigen risico aan.
-2. De zorgverzekeraar kan voor de
verzekering van een persoon van 18 jaar of ouder varianten van de
zorgverzekering aanbieden met een vrijwillig eigen risico van €|100,00,
€|200,00, €|300,00,
€|400,00 of €|500,00
per kalenderjaar, waartegenover hij een korting op de grondslag van de
premie verleent.
-3. De korting mag afhangen van:
a. de omvang van het voor de verzekerde gekozen vrijwillig
eigen risico;
b. het aantal kalenderjaren waarvoor
een vrijwillig eigen risico voor de verzekerde gegolden heeft.
-4. De zorgverzekeraar neemt in zijn modelovereenkomst op welke
premiekorting bij welk vrijwillig eigen risico voor welk aantal
kalenderjaren geldt.
-5. Indien de zorgverzekeraar één of meer van de door hem
aangeboden vrijwillige eigen risico’s laat vervallen, geeft de
zorgverzekeraar de verzekeringnemers die een zorgverzekering met zo’n
vrijwillig eigen risico hebben afgesloten de mogelijkheid om te kiezen
voor een zorgverzekering met een lager of zonder vrijwillig eigen
risico.
Art.
21. [Nadere regelgeving vrijstelling eigen
risico]
[Bz] [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
Stb. 2005, 525; versie 1 januari 2006;
Stb. 2007, 490 + bis;
Stb. 2009, 356]
-1. Het percentage van de kosten van zorg
of overige diensten dat ten laste gaat van het verplicht eigen risico
wordt bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld.
-2. In afwijking van het eerste lid kunnen
bij algemene maatregel van bestuur vormen van zorg of overige diensten
worden aangewezen waarvoor de kosten geheel, gedeeltelijk of in het
geheel niet onder het verplicht eigen risico vallen.
-3. In afwijking van het eerste lid kunnen
bij algemene maatregel van bestuur vormen van zorg of overige diensten
worden aangewezen waarvan de zorgverzekeraar, onder bij die maatregel te
bepalen voorwaarden, kan bepalen dat de kosten geheel of gedeeltelijk
buiten het verplicht eigen risico vallen.
-4. De zorgverzekeraar kan vormen van zorg
of overige diensten aanwijzen waarvan de kosten niet onder het
vrijwillig eigen risico vallen, met dien verstande dat bij algemene
maatregel van bestuur vormen van zorg of overige diensten kunnen worden
aangewezen waarvan de kosten geheel of gedeeltelijk buiten het
vrijwillig eigen risico vallen.
Art.
22.
[Wijziging eigen risico tijdens kalenderjaar]
[Bz]
[Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2007, 490; Stb. 2009, 356]
-1. Indien een zorgverzekering niet op 1
januari van een kalenderjaar ingaat of eindigt, is het in dat
kalenderjaar voor die overeenkomst geldende bedrag van het verplicht
eigen risico en indien dat van toepassing is, vrijwillig eigen risico
gelijk aan het voor het gehele kalenderjaar geldende bedrag,
vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan het aantal
dagen in dat kalenderjaar waarover de zorgverzekering zal lopen of heeft
gelopen en de noemer aan het aantal dagen in het desbetreffende
kalenderjaar.
-2. In afwijking van het eerste lid wordt
het in het kalenderjaar geldende bedrag van het vrijwillig eigen risico
indien dat gedurende het kalenderjaar wijzigt en de verzekeringnemer
onmiddellijk voorafgaande aan die wijziging reeds een zorgverzekering
met de zorgverzekeraar had gesloten, als volgt berekend:
a. ieder bedrag aan vrijwillig eigen risico dat in het
desbetreffende kalenderjaar heeft gegolden of zal gelden, wordt
vermenigvuldigd met het aantal in dat jaar gelegen dagen waarvoor dat
risico gold of zal gelden;
b. de op grond van onderdeel a berekende bedragen
worden bij elkaar opgeteld;
c. het op grond van onderdeel b berekende bedrag
wordt gedeeld door het aantal dagen in het kalenderjaar.
-3. Het op grond van het eerste of tweede
lid berekende bedrag wordt afgerond op hele euro’s.
§
3.5. De no-claimteruggave bij beperkt zorggebruik
Vervallen
Art. 22.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
Stb. 2005, 525; versie 1 januari 2006;
Stb. 2007, 490 + bis]
§
3.6. Overige bepalingen
Art.
23.
[Toerekening zorgkosten] [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
Stb. 2005, 525; versie 1 januari 2006;
Stb. 2007, 490 + bis
+ bis; Stb.
2009, 356]
-1.
Kosten van zorg of een andere dienst worden toegerekend aan het
kalenderjaar waarin de zorg of dienst is genoten, met dien verstande dat
de kosten van zorg of een andere dienst die in twee achtereenvolgende
kalenderjaren is genoten en door de zorgaanbieder of andere
dienstverlener in één bedrag in rekening zijn gebracht, worden
toegerekend aan het kalenderjaar waarin de zorg of dienst is
aangevangen.
-2. Bedragen als
bedoeld in artikel 11, derde of vierde lid, die voor
rekening van de verzekerde komen, of kosten als bedoeld in artikel 13,
eerste lid, voor zover zij voor rekening van de verzekerde blijven,
worden bij de beantwoording van de vraag of een voor zijn verzekering
geldend verplicht of vrijwillig eigen risico wordt overschreden buiten
aanmerking gelaten.
-3. Een
zorgverzekeraar brengt kosten van zorg of overige diensten die zowel ten
laste van het verplicht als het vrijwillig eigen risico kunnen komen,
eerst ten laste van het verplicht eigen risico.
Art.
24.
[Opschorting zorgverzekering bij detentie] [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006]
-1. De rechten en plichten uit de zorgverzekering zijn van rechtswege
opgeschort gedurende de periode waarover Onze Minister van Justitie in
het kader van de uitvoering van een rechterlijke uitspraak
verantwoordelijk is voor de verstrekking van geneeskundige zorg aan een
verzekerde.
-2. De verzekeringnemer of de verzekerde meldt de zorgverzekeraar de dag
waarop de periode, bedoeld in het eerste lid, aanvangt en eindigt.
HOOFDSTUK
4
De
zorgverzekeraars
§
4.1. De aanmelding, de statuten en het werkgebied
Art.
25.
[Aanmelding bij NZa en overlegging
modelovereenkomsten] [Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2006, 415]
-1. Een verzekeraar meldt het voornemen zorgverzekeringen aan te bieden
en uit te voeren schriftelijk aan de zorgautoriteit, onder vermelding
van de dag met ingang waarvan hij zorgverzekeringen zal aanbieden.
-2. De verzekeraar voegt bij de melding alle modelovereenkomsten volgens
welke hij zorgverzekeringen wenst aan te bieden.
-3. Een zorgverzekeraar legt wijzigingen in zijn modelovereenkomsten of
nieuwe modelovereenkomsten voordat deze ingaan aan de zorgautoriteit over.
Art.
26.
[Ontvangst melding en modelovereenkomsten] [Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2006, 415; Stb. 2008, 164]
-1. De zorgautoriteit
tekent de datum van ontvangst aan op het
geschrift waarmee de melding, bedoeld in artikel 25, eerste lid, is
gedaan, alsmede op de modelovereenkomsten of wijzigingen daarvan,
bedoeld in artikel 25, tweede en derde lid.
-2. De zorgautoriteit
zendt de verzekeraar onverwijld een bewijs van
ontvangst, waarin die datum is vermeld.
-3. De zorgautoriteit
zendt het College zorgverzekeringen onverwijld
een afschrift van de melding, de modelovereenkomsten of de wijzigingen
in de modelovereenkomsten, onder vermelding van de datum van ontvangst
ervan.
-4. Het College toezicht ¹ zendt de beheerder
van het register van zorgverzekeraars, bedoeld in artikel 14 van de Wet
gebruik burgerservicenummer in de zorg, onverwijld een afschrift van
de melding onder vermelding van de datum van ontvangst ervan.
1. Volgens de redactie
dient "Het College toezicht" te worden vervangen door: De
zorgautoriteit.
Art.
27.
[Schadevergoeding aan verzekeringnemer bij
onterechte zorgverzekering] [Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006]
Een verzekeraar die ten onrechte een verzekering als zorgverzekering
aanbiedt of uitvoert, is gehouden de schade die een
verzekeringsplichtige of degene die hem heeft verzekerd dientengevolge
lijdt te vergoeden.
Art.
28.
[Vereisten statuten zorgverzekeraar] [Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006]
-1. De statuten van een
zorgverzekeraar:
a. voorzien in toezicht op het beleid van het bestuur en op
de algemene gang van zaken in de rechtspersoon en de daarmee verbonden
onderneming;
b. bieden waarborgen voor een
redelijke mate van invloed van de verzekerden op het beleid; en
c. sluiten iedere verplichting van
de verzekeringnemers, verzekerden, gewezen verzekeringnemers of gewezen
verzekerden tot het doen van een bijdrage in tekorten van de
rechtspersoon uit.
-2. Bij algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de mate van
invloed die verzekerden ten minste op het beleid van een zorgverzekeraar
dienen te hebben.
Art.
29.
[Werkgebied] [Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006]
-1. Het werkgebied van een zorgverzekeraar is Nederland.
-2. In afwijking van het eerste lid kan een zorgverzekeraar zijn
werkgebied tot één of meer gehele provincies van Nederland beperken
zolang bij hem minder dan 850 000 verzekerden op basis van een
zorgverzekering verzekerd zijn.
-3. Voor de bepaling van het aantal verzekerden, bedoeld in het tweede
lid, wordt uitgegaan van het gemiddelde aantal verzekerden in het tweede
jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de bepaling geschiedt.
-4. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze
waarop het aantal verzekerden wordt bepaald indien de zorgverzekeraar in
het tweede of eerste jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de bepaling
geschiedt rechtsopvolger is geweest van, gefuseerd is met of
afgesplitst is van een andere zorgverzekeraar dan wel indien deze
verzekeraar zorgverzekeringen van een andere zorgverzekeraar heeft
overgenomen.
Art.
30.
[Afmelding bij NZa] [Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2006, 415]
-1. Een zorgverzekeraar die geen zorgverzekeringen meer wenst aan te
bieden of uit te voeren, meldt het voornemen hiertoe schriftelijk aan de zorgautoriteit, onder vermelding van de dag met ingang waarvan hij
geen zorgverzekeringen meer zal uitvoeren.
-2. Artikel 26 is van overeenkomstige toepassing.
Art.
31.
[Voldoening vorderingen door CVZ bij
betalingsonmacht zorgverzekeraar] [Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2006, 605]
-1. Indien jegens een
zorgverzekeraar of een voormalige zorgverzekeraar de noodregeling is
uitgesproken krachtens afdeling 3.5.5 van de Wet op het financieel
toezicht of
een voormalige zorgverzekeraar failliet is verklaard, voldoet het
College zorgverzekeringen aan de verzekerden jegens die zorgverzekeraar
of voormalige zorgverzekeraar bestaande vorderingen ter zake van een
recht op vergoeding als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel
b,
of artikel 13.
-2. De vorderingen, bedoeld in het eerste lid, gaan bij wijze van
subrogatie op het College zorgverzekeringen over voor zover dat college
deze heeft voldaan.
-3. Het Rijk is tegenover het College zorgverzekeringen aansprakelijk
voor de betalingen, bedoeld in het eerste lid.
§
4.2. De vereveningsbijdrage en de bijdrage voor het verzekerd
houden van verzekerden voor wier verzekering bestuursrechtelijke premie
verschuldigd is
Art.
32.
[Hoogte vereveningsbijdrage] [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006]
-1. Het College zorgverzekeringen
kent een zorgverzekeraar die voldaan heeft aan zijn verplichtingen,
bedoeld in artikel 25, voor ieder kalenderjaar waarin
hij zorgverzekeringen aanbiedt en uitvoert een bijdrage toe.
-2. Bij algemene
maatregel van bestuur worden regels omtrent de berekening van de
bijdragen gesteld. [Bz]
-3. De regels, bedoeld
in het tweede lid, bepalen ten minste dat de hoogte van de bijdrage
wordt berekend op basis van bij die maatregel te bepalen, voor alle
zorgverzekeraars gelijke criteria, waaronder in ieder geval het aantal
verzekerden bij een zorgverzekeraar en een aantal verzekerdenkenmerken. [Bz]
-4. Bij ministeriële
regeling:
[Rz]
a. wordt vóór 1 oktober van ieder jaar bepaald welk bedrag
in totaal voor het daaropvolgende kalenderjaar aan de zorgverzekeraars
kan worden toegekend;
b. kan worden bepaald dat in
aanvulling op de criteria, bedoeld in het derde lid, voor de berekening
van de hoogte van de bijdragen eenmalig rekening wordt gehouden met een
bij die regeling te bepalen, voor alle zorgverzekeraars gelijk
criterium;
c. wordt statistisch onderbouwd aan
elk criterium als bedoeld in het derde lid of aan een criterium als
bedoeld in onderdeel b een bijdrage gekoppeld;
d. worden nadere regels omtrent de
berekening van de bijdragen gesteld en wordt geregeld hoe de op grond
van het eerste lid toegekende bijdragen door het College
zorgverzekeringen worden betaald.
-5. Het College
zorgverzekeringen stelt jaarlijks vóór 15 oktober beleidsregels vast
waarin wordt aangegeven op welke wijze toepassing wordt gegeven aan de
in het vierde lid bedoelde regels.
-6. De toekenning,
bedoeld in het eerste lid, geschiedt vóór 1 november van het jaar
voorafgaande aan het jaar waarvoor de bijdrage wordt gegeven.
-7. De beleidsregels,
bedoeld in het vijfde lid, behoeven de goedkeuring van Onze Minister.
Art.
33.
[Tussentijdse bijdrage bij ramp] [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006]
-1. Bij ministeriële regeling kunnen, in
geval van een kernexplosie of natuurramp of andere buitengewone
gebeurtenissen die niet tot het normale bedrijfsrisico van
zorgverzekeraars kunnen worden gerekend, na aanvang van het kalenderjaar
middelen voor bijdragen aan één of meer zorgverzekeraars beschikbaar
worden gesteld.
-2. Het College zorgverzekeringen
kent de bijdragen aan de bij de
ministeriële regeling aangewezen zorgverzekeraars toe.
-3. Bij ministeriële regeling worden regels omtrent de berekening van de
bijdragen gesteld en wordt geregeld hoe de toegekende bijdragen door het
College zorgverzekeringen worden betaald.
-4. Artikel 32, vijfde en zevende lid, zijn, met uitzondering van de in
het vijfde lid genoemde datum, van overeenkomstige toepassing.
Art.
34.
[Vaststelling vereveningsbijdrage] [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
Stb. 2005, 525; versie 1 januari 2006]
-1. Uiterlijk in het tweede jaar volgende op het kalenderjaar waarvoor de
bijdragen, bedoeld in artikel 32 en 33, zijn toegekend, stelt het
College zorgverzekeringen de bijdrage vast.
-2. De vaststelling van een bijdrage als bedoeld in
artikel 32 houdt in
ieder geval in een herberekening van de bijdrage op basis van het
werkelijke aantal verzekerden dat de zorgverzekeraar in het
desbetreffende jaar had en de werkelijke verdeling van de
verzekerdenkenmerken als bedoeld in artikel 32, derde lid, over die
verzekerden, voor zover de daartoe benodigde gegevens tijdig bij het
College zorgverzekeringen zijn aangeleverd.
-3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
omtrent de berekening van de bijdragen gesteld,
met dien verstande dat generieke verevening slechts tot en met 31 december 2010
mogelijk is. [Bz]
-4. Het College zorgverzekeringen stelt beleidsregels op waarin wordt
aangegeven op welke wijze toepassing wordt gegeven aan de in het derde
lid bedoelde regels en op welke wijze een vergoeding voor rentekosten
wordt verleend respectievelijk in rekening wordt gebracht.
-5. Indien de vastgestelde bijdrage hoger is dan de toegekende bijdrage,
betaalt het College zorgverzekeringen de zorgverzekeraar of diens
rechtsopvolger het verschil, vermeerderd met de rentekosten, en indien
de vastgestelde bijdrage lager is dan de toegekende bijdrage, vordert het
College zorgverzekeringen het verschil, vermeerderd met de rentekosten,
van de zorgverzekeraar of diens rechtsopvolger terug.
-6. Het College zorgverzekeringen is bevoegd het bedrag dat na toepassing
van het eerste en vijfde lid aan de zorgverzekeraar dient te worden
betaald respectievelijk van de zorgverzekeraar dient te worden
teruggevorderd, te verrekenen met een toekenning van een bijdrage als
bedoeld in artikel 32 of 33 over een later jaar.
Art.
34a. [Bijdrage CVZ voor verzekerd houden
wanbetalers] [Geschiedenis:
Stb. 2009, 356; Stb.
2011, 111]
-1.
Het College zorgverzekeringen verstrekt een
zorgverzekeraar een bijdrage indien hij verzekerden voor wier
zorgverzekering de bestuursrechtelijke premie verschuldigd is,
onverminderd onder de dekking van de zorgverzekering heeft gehouden.
-2.
De bijdrage wordt voor het verzekerd houden van wanbetalers slechts
verstrekt, indien de zorgverzekeraar:
a.
zich heeft gehouden aan zijn verplichtingen, bedoeld in artikel
18a, 18b en 18c,
tweede en derde lid;
b.
voorafgaande aan de melding, bedoeld in artikel 18c,
ook naast de op incasso gerichte inspanningen, bedoeld in de artikelen
18a en 18b, voldoende inspanningen
tot inning van de premie heeft geleverd; en
c.
zich houdt aan zijn verplichting, bedoeld in artikel 18d,
derde lid, en desgevraagd voldoende medewerking verleent aan
activiteiten van de verzekeringnemer of derden, gericht op aflossing van
de jegens de zorgverzekeraar bestaande, uit de zorgverzekering
voortvloeiende schuld.
-3.
De periode waarover de bijdrage wordt verstrekt en de hoogte ervan,
alsmede de wijze waarop deze wordt verstrekt, worden bij ministeriële
regeling bepaald.
[Rz]
-4.
Het College zorgverzekeringen is bevoegd de te verstrekken bijdrage te
verrekenen met van de zorgverzekeraar terug te vorderen bedragen aan
vereveningsbijdrage.
Art.
35.
[Administratie CVZ t.b.v. vereveningsbijdrage] [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2008, 164]
-1. Het College zorgverzekeringen
draagt zorg voor het inrichten en in stand houden van een administratie
waarin van iedere verzekerde wordt opgenomen:
a. het burgerservicenummer of, bij het
ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaal nummer;
b. de zorgverzekeraar waarbij de
verzekerde verzekerd is;
c. de persoonsgegevens, waaronder
persoonsgegevens betreffende de gezondheid als bedoeld in de Wet
bescherming persoonsgegevens, die noodzakelijk zijn voor de berekening van
aan de zorgverzekeraar toekomende bijdragen als bedoeld in de artikelen
32 tot en met 34.
-2. De zorgverzekeraar meldt het College
zorgverzekeringen, onder vermelding van de ingangsdatum ervan, iedere door
hem gesloten zorgverzekering, alsmede, indien de zorgverzekering is
geëindigd, de datum waarop deze eindigde.
-3. Indien het College zorgverzekeringen constateert dat een verzekerde
bij twee of meer zorgverzekeraars verzekerd is, stelt hij de betrokken
zorgverzekeraars daarvan, onder vermelding van de namen van alle
zorgverzekeraars waarbij de verzekerde verzekerd is, terstond op de
hoogte.
-4. Bij ministeriële regeling kunnen: [Rz]
a. regels worden gesteld over de in de administratie van het College
zorgverzekeringen op te nemen persoonsgegevens als bedoeld in het eerste
lid, onderdeel c;
b. regels worden gesteld over de inrichting van de administratie van het
College zorgverzekeringen, bedoeld in het eerste lid.
Art.
36.
[Buitentoepassingverklaring subsidiebepalingen Awb] [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006]
Op rechten of verplichtingen die voortvloeien uit hetgeen in deze
paragraaf geregeld is, is titel 4.2 van de
Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
§
4.3. De verslaglegging
Art.
37.
[Jaarrekening en jaarverslag] [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2006, 415; Stb. 2006, 605]
-1. De zorgverzekeraar zendt binnen zes maanden na afloop van het
boekjaar twee exemplaren van zijn jaarrekening en van zijn jaarverslag
aan de zorgautoriteit.
-2. Een zorgverzekeraar die artikel 403 van
Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek toepast, zendt de jaarrekening, het jaarverslag en de
geconsolideerde jaarrekening onverwijld na de neerlegging van het
jaarverslag en de geconsolideerde jaarrekening ten kantore van het
handelsregister, in tweevoud aan de zorgautoriteit.
-3. De zorgverzekeraar voegt
bij de stukken, bedoeld in het eerste of tweede lid, twee afschriften
van de accountantsverklaring die hij op grond van het Burgerlijk
Wetboek of de Wet op het financieel
toezicht over deze stukken dient te laten
opstellen.
-4. De zorgautoriteit
zendt het College zorgverzekeringen
onverwijld
één exemplaar van de in het eerste tot en met derde lid bedoelde
stukken.
Art.
38. [Uitvoeringsverslag] [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2006, 415]
-1. De zorgverzekeraar zendt vóór 1 juli aan
de zorgautoriteit in
tweevoud een uitvoeringsverslag waarin hij:
a. rapporteert over de uitvoering van deze wet in het voorafgaande
kalenderjaar; en
b. een overzicht geeft van zijn voornemens met betrekking tot de
uitvoering van deze wet in het lopende kalenderjaar en het
daaropvolgende kalenderjaar.
-2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gesteld
omtrent de inhoud van het uitvoeringsverslag. [Rz]
-3. De voorschriften, bedoeld in het tweede lid, kunnen in het bijzonder
betrekking hebben op naleving van een in de regeling aan te wijzen
gedragscode.
-4. De zorgverzekeraar voegt bij het uitvoeringsverslag twee exemplaren
van een verslag met bevindingen van een accountant als bedoeld in
artikel 393 van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek over de vraag of:
a. het uitvoeringsverslag overeenkomstig de daarvoor geldende regels is
opgesteld;
b. de uitvoering is geschied overeenkomstig de verplichtingen die bij of
krachtens deze wet in het voorafgaande kalenderjaar op de
zorgverzekeraar rustten.
-5. Artikel 37, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
HOOFDSTUK
5
Het Zorgverzekeringsfonds, de inkomensafhankelijke
bijdrage, de
rijksbijdragen en de belasting van gemoedsbezwaarden
§
5.1. Het Zorgverzekeringsfonds
Art.
39.
[Instelling, inkomsten en uitgaven
Zorgverzekeringsfonds] [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
Stb. 2005, 525; versie 1 januari 2006;
Stb. 2006, 415; Stb.
2006, 644; Stb. 2007, 490
+ bis + bis;
Stb. 2007, 540; Stb.
2008, 606; Stb. 2009, 265;
Stb. 2009, 356; Stb.
2011, 111; Stb.
2011, 288; Stb. 2011, 561;
Stb. 2011, 596; Stb.
2012, 77; Stb. 2012, 381]
-1. Er is een
Zorgverzekeringsfonds.
-2. Ten gunste van het
Zorgverzekeringsfonds komen:
a. de inkomensafhankelijke bijdragen, bedoeld in paragraaf
5.2, alsmede de daarmee verband houdende bestuurlijke boeten en
renten;
b. de rijksbijdrage, bedoeld in artikel
54;
c. een rijksbijdrage als bedoeld in
de
artikelen 55 of 56;
d.
een bedrag van iedere rekening, bedoeld in artikel 70,
gelijk aan:
1º. jaarlijks: de helft van de
bijdragevervangende belastingen die degenen wier bijdragevervangende
belastingen op die rekening werden gestort over het voorafgaande
kalenderjaar gezamenlijk verschuldigd waren, of zoveel minder als het
saldo bedraagt;
2º. voor iedere tot een huishouding als
bedoeld in artikel 70, tweede lid, behorende
gemoedsbezwaarde die alsnog verzekeringsplichtig wordt dan wel
overlijdt: het saldo van de rekening gedeeld door het aantal tot de
huishouding behorende gemoedsbezwaarden;
3º. indien de rekening met toepassing van artikel
70, zevende lid, wordt opgeheven: het saldo van de rekening;
e. aan het College zorgverzekeringen
betaalde bedragen ter gehele of gedeeltelijke voldoening van vorderingen
als bedoeld in artikel
31, tweede lid;
f. de bestuurlijke boeten, bedoeld
in de artikelen 9b en 9c,
alsmede de bijdragen en bestuurlijke boeten, bedoeld in artikel
69;
g. met
uitzondering van het gedeelte, bedoeld in artikel
18g, vierde lid, de
bestuursrechtelijke premies,
bedoeld in de artikelen 18d en 18e;
h.
de inkomsten die in verband met deze wet voortvloeien uit internationale
overeenkomsten;
i. de door de zorgautoriteit van
verzekeraars op grond van artikel 83 van de Wet marktordening
gezondheidszorg geïnde dwangsommen en de ingevorderde bestuurlijke
boeten, bedoeld in de artikelen 86 tot en met 89 van die
wet;
j. door zorgaanbieders ingevolge een
regel van de zorgautoriteit op grond van artikel 37, eerste lid, aanhef
en onder d, van de Wet
marktordening gezondheidszorg dan wel op aanwijzing van de
zorgautoriteit op grond van artikel 76, tweede lid, van die
wet afgedragen bedragen en door de zorgautoriteit van zorgaanbieders
op grond van artikel 81, eerste lid, onderdeel c, van die
wet ingevorderde bedragen, voor zover die bedragen niet worden
afgedragen aan het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten of aan derden;
k. de bijdrage, bedoeld in artikel 87a
van de Wet financiering sociale verzekeringen.
-3. Ten laste van het
Zorgverzekeringsfonds komen:
a. de bijdragen, bedoeld in de artikelen 32,
33, 34 en 34a;
b. subsidies als bedoeld in artikel
68, inclusief vergoedingen als bedoeld in het tweede lid van dat
artikel;
c. door het College
zorgverzekeringen voldane vorderingen als bedoeld in
artikel 31, eerste lid;
d. uitgaven in verband met molest
als bedoeld in
artikel 55, inclusief vergoedingen als bedoeld in het
derde lid van dat artikel;
e. de uitgaven die in verband met
deze wet voortvloeien uit internationale overeenkomsten;
f. tegemoetkomingen als bedoeld in
artikel 11a en uitkeringen als bedoeld in artikel
118a;
g. bedragen als bedoeld in artikel
56a van de Wet
marktordening gezondheidszorg;
h. de
door het College zorgverzekeringen op grond van een ministeriële
regeling vastgestelde verdeelbedragen, zijnde aan de relevante
zorgverzekeraars toegekende delen van de bedragen bedoeld in onderdeel k
¹ van het tweede lid.
-4. Uit het
Zorgverzekeringsfonds kunnen, volgens bij ministeriële regeling te
stellen regels, middelen worden gebruikt voor het vormen en in stand
houden van een voor de doelstelling van het fonds noodzakelijke reserve.
[Rz]
1. Volgens de redactie
dient "onderdeel k" te worden vervangen door: onderdeel
j.
Art.
40.
[Beheer en administratie Zorgverzekeringsfonds
door CVZ] [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
Stb. 2005, 708; versie 1 januari 2006]
-1. Het College zorgverzekeringen
beheert en administreert afzonderlijk
het Zorgverzekeringsfonds.
-2. Het College zorgverzekeringen houdt de financiële middelen die deel
uitmaken van het Zorgverzekeringsfonds in rekening-courant bij Onze
Minister van Financiën.
-3. Het College zorgverzekeringen kan, voor de uitvoering van zijn
wettelijke taken, beschikken over de financiële middelen die hij in
rekening-courant bij Onze Minister van Financiën aanhoudt.
-4. In afwijking van het tweede lid kan het College zorgverzekeringen een
deel van de in dat lid bedoelde financiële middelen buiten de in dat
lid bedoelde rekening-courant houden.
-5. Onze Minister stelt in overeenstemming
met Onze Minister van Financiën, na overleg met het College zorgverzekeringen, de omvang van
het in het vierde lid bedoelde deel van de financiële middelen vast. [Rz]
-6. Bij een tekort aan financiële middelen maakt het College
zorgverzekeringen uitsluitend gebruik van de kredietfaciliteiten die
door Onze Minister van Financiën worden verleend.
-7. Onze Minister van Financiën informeert dagelijks het College
zorgverzekeringen ten aanzien van de rekening-courant, in elk geval met
betrekking tot:
a. de slotstanden per dag;
b. alle dagelijks geboekte mutaties of transacties in de
rekening-courant.
-8. Het College zorgverzekeringen informeert Onze Minister van Financiën
ten aanzien van de rekening-courant in elk geval met betrekking tot de
prognoses van de saldi van de rekening-courant.
-9. Onze Minister van Financiën brengt voor het beheer van de
rekening-courant geen kosten in rekening.
-10. Onze Minister stelt in overeenstemming
met Onze Minister van Financiën, na overleg met het College zorgverzekeringen, regels omtrent
de rente die over de saldi van de in het tweede lid bedoelde
rekening-courant wordt vergoed onderscheidenlijk in rekening wordt
gebracht. [Rz]
-11. Onze Minister kan in overeenstemming met Onze
Minister van Financiën, na overleg met het College zorgverzekeringen, regels stellen
omtrent het tweede, zevende en achtste lid. [Rz]
§
5.2. De inkomensafhankelijke bijdrage
Art.
41.
[Verplichte inkomensafhankelijke bijdrage] [Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2011, 288]
De inhoudingsplichtige en de
verzekeringsplichtige zijn een inkomensafhankelijke bijdrage
verschuldigd.
Art.
42.
[Door inhoudingsplichtige verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage] [Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2011, 288; Stb. 2012, 669
+ bis]
-1. De inhoudingsplichtige is een
inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd over het door hem verstrekte
loon overeenkomstig de Wet
op de loonbelasting 1964 uit:
a. tegenwoordige dienstbetrekking als
bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964 van de verzekeringsplichtige
of van degene, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel b, van deze
wet, met uitzondering van:
1º. de eindheffingsbestanddelen, bedoeld
in artikel 31, eerste lid, onderdeel b tot en met h, van de
Wet op
de loonbelasting 1964;
2º. het in artikel 13bis van de Wet
op de loonbelasting 1964 bedoelde voordeel, voor zover dit voordeel door
middel van een aan de werknemer opgelegde naheffingsaanslag in
aanmerking is genomen;
3º. het loon van degene, bedoeld in
artikel 4, onderdeel f, van de Wet
op de loonbelasting 1964;
4º. het loon van de
directeur-grootaandeelhouder, bedoeld in artikel
6, eerste lid,
onderdeel d, van de Ziektewet;
b. vroegere arbeid als bedoeld in de Wet
op de loonbelasting 1964 van de verzekeringsplichtige of van degene,
bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel b,
tot een bij ministeriële regeling te bepalen tijdstip, met uitzondering van bij ministeriële regeling aan te wijzen
bestanddelen van het loon.
-2. Het loon waarover de
inkomensafhankelijke bijdrage ingevolge het eerste lid wordt geheven,
wordt ten minste gesteld op nihil en wordt bij dezelfde
inhoudingsplichtige tot geen hoger bedrag in aanmerking genomen dan het
door Onze Minister, in overeenstemming met
Onze Ministers van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid en van Financiën,
met betrekking tot een kalenderjaar vastgestelde bedrag.
-3. Het bedrag, bedoeld in het tweede lid,
wordt vastgesteld voor loontijdvakken waarin loon als bedoeld in het
eerste lid wordt genoten waarvoor Onze Minister, in overeenstemming met
Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, dit nodig acht.
-4. Voor de herleiding naar een ander
loontijdvak van het bedrag, bedoeld in het derde lid, is artikel 25,
eerste en vierde lid, van de Wet
op de loonbelasting 1964 van
overeenkomstige toepassing.
-5. De inkomensafhankelijke bijdrage wordt per loontijdvak
berekend over het verschil tussen het loon dat de werknemer in het
kalenderjaar heeft genoten tot en met dat loontijdvak en het loon dat de
werknemer in dat kalenderjaar heeft genoten tot en met het aan dat
loontijdvak voorafgaande loontijdvak, met dien verstande dat van het bij
eenzelfde inhoudingsplichtige genoten loon buiten aanmerking blijft het
gedeelte dat meer bedraagt dan het met toepassing van het derde of
vierde lid vastgestelde bedrag per loontijdvak, vermenigvuldigd met het
aantal loontijdvakken van het kalenderjaar.
-6. Het tweede, derde en vierde lid zijn niet van
toepassing in de gevallen, bedoeld in artikel 26b, eerste volzin, van de
Wet op
de loonbelasting 1964.
-7. De inhoudingsplichtige mag de door hem
verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage niet verhalen op de
verzekeringsplichtige of op degene, bedoeld in artikel
2, tweede lid,
onderdeel b. Elk beding waarbij van de eerste volzin wordt afgeweken, is
nietig.
-8. De rijksbelastingdienst stort de
inkomensafhankelijke bijdrage die is geheven over het loon van degene,
bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel b, van deze wet, op de
rekening, bedoeld in artikel 70, eerste dan wel tweede lid.
Art.
43.
[Door verzekeringsplichtige verschuldigde inkomensafhankelijke
bijdrage] [Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie 16 juni 2005;
Stb. 2005, 525; Stb.
2005, 708; versie
1 januari 2006; Stb. 2007, 376;
Stb.
2010, 867; Stb.
2011, 288; Stb. 2012, 544;
Stb. 2012, 669]
-1. De verzekeringsplichtige is een
inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd over het in een kalenderjaar
genoten bijdrage-inkomen.
-2. Het bijdrage-inkomen is het
gezamenlijke bedrag van hetgeen door de verzekeringsplichtige is genoten
aan:
a. loon overeenkomstig de Wet
op de loonbelasting 1964, verminderd met:
1º. het loon waarop artikel 42 van
toepassing is;
2º. de eindheffingsbestanddelen, bedoeld
in artikel 31, eerste lid, onderdeel b tot en met h, van de
Wet op
de loonbelasting 1964;
en vermeerderd met loon bepaald volgens
de regels van artikel 3.82 van de Wet
inkomstenbelasting 2001;
b. belastbare winst uit onderneming
bepaald volgens de regels van afdeling 3.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001;
c. belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden bepaald volgens de regels van afdeling 3.4 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, met uitzondering van de in artikel 3.91, eerste
lid, onderdeel a en b, en artikel 3.92 van de Wet
inkomstenbelasting 2001 bedoelde werkzaamheden;
d. belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen bepaald volgens de regels van afdeling 3.5 van de Wet
inkomstenbelasting 2001.
-3. Het bijdrage-inkomen wordt ten minste
op nihil gesteld en wordt tot geen hoger bedrag in aanmerking genomen
dan het bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met
Onze Ministers van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid en van Financiën, met betrekking tot
een kalenderjaar vastgestelde bedrag. [Rz]
-4. Ingeval de inkomensafhankelijke
bijdrage ingevolge artikel 49, tweede lid, bij wijze van inhouding wordt
geheven, is artikel 42, tweede tot en met zesde lid, van overeenkomstige
toepassing.
-5. Ingeval de inkomensafhankelijke
bijdrage ingevolge artikel 49, derde lid, bij wege van aanslag wordt
geheven, wordt daarbij als bijdrage-inkomen ten hoogste in aanmerking
genomen een bedrag gelijk aan het in het derde lid bedoelde bedrag,
verminderd met het loon, bedoeld in artikel
42, van de
verzekeringsplichtige en met het door de verzekeringsplichtige van een
inhoudingsplichtige genoten loon, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a.
Art.
44.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2006, 644; Stb.
2011, 288]
Art.
45.
[Bijdragepercentage] [Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2011, 288]
-1. De door de inhoudingsplichtige
verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage bedraagt een percentage van
het loon, bedoeld in artikel 42, eerste lid.
-2. De door de verzekeringsplichtige
verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage bedraagt een percentage van
het bijdrage-inkomen.
-3. De in het eerste en tweede lid
bedoelde bijdragepercentages worden vastgesteld bij regeling van Onze
Minister, in overeenstemming met Onze Ministers van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid en van Financiën, waarbij voor daarbij aan te geven
bestanddelen van het loon of het bijdrage-inkomen een afwijkend
percentage kan worden vastgesteld. [Rz]
-4. De bijdragepercentages worden zodanig
vastgesteld dat de som van de
inkomensafhankelijke bijdragen gelijk is aan 50% van de som van bij
ministeriële regeling te bepalen, ten gunste van het
Zorgverzekeringsfonds of van de zorgverzekeraars komende inkomsten. [Rz]
-5. Na afloop van het kalenderjaar vastgestelde verschillen tussen de
bedragen van de inkomsten die in de ministeriële regeling, bedoeld in
het vierde lid, in aanmerking waren genomen en de werkelijke bedragen
van die inkomsten, worden verrekend bij de vaststelling van het
bijdragepercentage in een volgend jaar.
-6. Indien een wijziging van het bijdragepercentage ingaat op een ander
tijdstip dan 1 januari, vindt de vaststelling plaats in overeenstemming
met Onze Minister van Financiën en kunnen daarbij regels worden gesteld
omtrent de wijze van berekening van de bijdrage over het gehele
kalenderjaar.
Art.
46.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2011, 288]
Art.
47. [Nadere regelgeving]
[Rz] [Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006]
Bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met
Onze
Minister van Financiën en Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, kunnen
nadere regels worden gesteld met betrekking tot deze paragraaf.
§
5.3. De heffing en invordering van de inkomensafhankelijke
bijdrage
Art.
48.
[Heffing door belastingdienst] [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006]
De rijksbelastingdienst heft de inkomensafhankelijke bijdrage.
Art.
49.
[Heffing via inhouding of aanslag] [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2006, 644; Stb.
2011, 288; Stb. 2011, 642
+ bis]
-1. De door de inhoudingsplichtige
verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage wordt geheven met
overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van loonbelasting
geldende regels.
-2. Voor zover het bijdrage-inkomen
bestaat uit loon als bedoeld in artikel 43, tweede lid, onderdeel a, dat
van een inhoudingsplichtige wordt genoten, wordt de inkomensafhankelijke
bijdrage bij wijze van inhouding geheven met overeenkomstige toepassing
van de voor de heffing van loonbelasting geldende regels.
-3. Voor zover het bijdrage-inkomen
bestaat uit andere dan de in het tweede lid bedoelde bestanddelen, wordt
de inkomensafhankelijke bijdrage bij wege van aanslag geheven met
overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van de
inkomstenbelasting geldende regels, met uitzondering van artikel 3 154
van de Wet
inkomstenbelasting 2001.
-4. Artikel 13bis, zestiende en twintigste lid, van de Wet
op de loonbelasting 1964 is van overeenkomstige toepassing.
Art.
50.
[Teruggaaf bijdrage] [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
Stb. 2005, 525; Stb.
2005, 708; versie
1 januari 2006; Stb. 2006,
644; Stb.
2011, 288; Stb. 2011, 562;
Stb. 2011, 639]
-1. De inspecteur verleent bij voor
bezwaar vatbare beschikking aan de verzekeringsplichtige een teruggaaf
van de op het loon ingehouden inkomensafhankelijke bijdrage voor zover
het loon van de verzekeringsplichtige waarover inkomensafhankelijke
bijdrage is geheven hoger is dan het in artikel
43, derde lid, bedoelde
bedrag.
-2. Een teruggaaf wordt niet verleend
indien het met toepassing van het eerste lid berekende bedrag niet meer
bedraagt dan het in artikel 9.4, vijfde lid, van de Wet
inkomstenbelasting 2001 genoemde bedrag.
-3. Bij ministeriële regeling worden
regels gesteld ter zake van het verlenen van een voorschot op het bij de
beschikking, bedoeld in het eerste lid, vast te stellen bedrag. [Rz]
-4. Ingeval een teruggaaf of een voorschot
ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, kan de inspecteur
het te veel betaalde bedrag bij voor bezwaar vatbare beschikking
terugvorderen. De bevoegdheid tot terugvordering vervalt door verloop
van vijf jaren na afloop van het kalenderjaar waarop de teruggaaf of het
voorschot, bedoeld in de eerste volzin, betrekking heeft. Bij de
invordering van het ingevolge de eerste volzin terug te vorderen bedrag
zijn de regels die gelden voor de invordering van inkomstenbelasting van
overeenkomstige toepassing.
-5. In afwijking van de artikelen 30h en 30ha van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen wordt bij de voor bezwaar vatbare beschikking, bedoeld
in het eerste lid, en de voor bezwaar vatbare beschikking, bedoeld in
het vierde lid, uitsluitend belastingrente vergoed, onderscheidenlijk in
rekening gebracht, indien de dagtekening van de beschikking ligt na het
verstrijken van een periode van zes maanden na afloop van het
kalenderjaar waarop de bijdrage betrekking heeft. De belastingrente
wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt op de dag na
het verstrijken van een periode van zes maanden na het einde van het
kalenderjaar waarop de bijdrage betrekking heeft en eindigt veertien dagen na
de dagtekening van de beschikking.
Art.
51.
[Invordering door belastingdienst] [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2011, 288]
-1. De rijksbelastingdienst
vordert de inkomensafhankelijke bijdrage in.
-2. Bij de invordering van de bijdrage
zijn, naargelang artikel 49, eerste of tweede, dan wel derde lid, van
toepassing is, de regels geldende voor de invordering van loonbelasting
onderscheidenlijk de inkomstenbelasting van overeenkomstige toepassing.
Art.
52. [Nadere regelgeving bijdrageafdracht
aan Zorgverzekeringsfonds]
[Rz] [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006]
Bij regeling van Onze Minister en Onze
Minister van Financiën worden
regels gesteld met betrekking tot de afdracht van de
inkomensafhankelijke bijdragen alsmede van de daarmee verband houdende
bestuurlijke boeten en renten door de rijksbelastingdienst
aan het
Zorgverzekeringsfonds.
Art.
53. [Nadere regelgeving]
[Rz] [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006]
Bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met
Onze
Minister van Financiën en Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, kunnen
nadere regels worden gesteld met betrekking tot deze paragraaf.
§
5.4. De rijksbijdragen aan het Zorgverzekeringsfonds
Art.
54.
[Rijksbijdrage voor zorgverzekering minderjarigen] [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006]
-1. Onze Minister
verleent jaarlijks aan het Zorgverzekeringsfonds een
bijdrage in de financiering van de zorgverzekering voor verzekerden
jonger dan 18 jaar.
-2. De bijdrage is gelijk aan het bedrag dat daarvoor in de wet tot
vaststelling van de begroting van zijn ministerie voor dat jaar is
toegestaan.
-3. De bijdrage wordt betaald in gelijke maandelijkse delen.
Art.
55.
[Rijksbijdrage bij molest] [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2006, 644]
-1. Onze Minister
kan, in overeenstemming met Onze
Minister van Financiën, een bijdrage aan het Zorgverzekeringsfonds verlenen ter
gehele of gedeeltelijke betaling van zorg of overige diensten als
bedoeld in artikel 10, ingeval de behoefte aan die zorg of diensten is
veroorzaakt door of ontstaan uit gewapend conflict, burgeroorlog,
opstand, binnenlandse onlusten, oproer, muiterij of terrorisme.
-2. Bij ministeriële regeling wordt bepaald:
a. welke vormen van zorg of overige diensten voor welk gedeelte met de
bijdrage worden betaald;
b. ten behoeve van welke personen de bijdrage wordt betaald;
c. onder welke voorwaarden en op welke wijze deze zorg of overige
diensten door het College zorgverzekeringen
worden betaald.
-3. In een regeling als bedoeld in het tweede lid kan worden bepaald dat
zorgverzekeraars het College zorgverzekeringen bijstand verlenen bij het
uitvoeren van de ministeriële regeling, bedoeld in het tweede lid, en
welke vergoeding daar voor de zorgverzekeraars tegenover staat.
Art.
56.
[Rijksbijdrage bij betalingsonmacht
zorgverzekeraar] [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006]
Indien de situatie, bedoeld
in artikel 31, eerste lid, zich heeft voorgedaan, verstrekt
Onze Minister een
bijdrage aan het Zorgverzekeringsfonds ter hoogte van het verschil
tussen het bedrag aan voldane vorderingen, als bedoeld in artikel
31,
eerste lid, en het bedrag dat het College zorgverzekeringen
ter zake van de vorderingen, bedoeld in
artikel 31,
tweede lid, heeft ontvangen.
§
5.5. De bijdragevervangende belasting gemoedsbezwaarden
Art.
57.
[Bijdragevervangende belasting gemoedsbezwaarden]
[Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
Stb. 2005, 525; versie 1 januari 2006;
Stb.
2011, 288]
-1. Van de persoon die op grond van
artikel 2, tweede lid, onderdeel b, niet verzekeringsplichtig is, wordt
bijdragevervangende belasting geheven tot het bedrag van de
inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel
43, tweede lid, dat
deze persoon verschuldigd zou zijn als hij verzekeringsplichtig zou
zijn.
-2. In afwijking in zoverre van artikel 43
wordt van de persoon aan wie met toepassing van artikel 64 van de
Wet financiering sociale verzekeringen een ontheffing is verleend in het
kader van één of meer volksverzekeringen anders dan die volgens de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, geen inkomensafhankelijke bijdrage
geheven, maar een bijdragevervangende belasting tot het bedrag van de
inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel
43, tweede lid.
-3. De heffing van de bijdragevervangende
belasting vindt plaats met overeenkomstige toepassing van artikel
49,
tweede, derde en vierde lid.
-4. De rijksbelastingdienst stort de
belasting, bedoeld in het eerste lid, op de rekening, bedoeld in artikel
70, eerste dan wel tweede lid.
HOOFDSTUK
6
Het
College zorgverzekeringen
§
6.1. Algemene bepalingen
Art.
58.
[Instelling, vestigingsplaats, taken en
vertegenwoordiging CVZ] [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2011, 204]
-1. Er is een College voor
zorgverzekeringen, dat rechtspersoonlijkheid bezit.
-2. Het College zorgverzekeringen
is gevestigd in een door Onze Minister te bepalen plaats.
-3. Het College
zorgverzekeringen is belast met de taken die hem bij of krachtens wet of
internationale overeenkomst zijn opgedragen.
-4. Het College
zorgverzekeringen wordt in en buiten rechte vertegenwoordigd door de voorzitter.
-5. De Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen is op het College
zorgverzekeringen van toepassing.
Art.
59.
[Samenstelling CVZ] [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
Stb. 2005, 525; versie 1 januari 2006;
Stb. 2006, 415; Stb.
2006, 605; Stb. 2007, 540;
Stb. 2011, 204]
-1. Het College zorgverzekeringen
bestaat uit
ten hoogste drie leden, onder
wie de voorzitter.
-2. Benoeming vindt plaats op
grond van de deskundigheid die nodig is voor de uitoefening van de
taken van het College zorgverzekeringen alsmede op grond van
maatschappelijke kennis en ervaring.
-3. De leden worden benoemd
voor ten hoogste vier jaar. Herbenoeming kan tweemaal en telkens
voor ten hoogste vier jaar plaatsvinden.
Art.
59a. [Adviescommissie Pakket]
[Geschiedenis:
Stb. 2007, 540; Stb.
2011, 204]
-1. Het College
zorgverzekeringen heeft een commissie die rapporten of signalen als bedoeld in
artikel 66 voorbereidt.
-2. De commissie bestaat uit
een oneven aantal van ten hoogste negen leden, waaronder de leden
van het College zorgverzekeringen. Onze Minister
benoemt, schorst en ontslaat de leden van de commissie. Het lidmaatschap
eindigt tussentijds door overlijden, ontslag op eigen verzoek of ontslag
om zwaarwichtige redenen door Onze Minister.
-3. Artikel 59, tweede en derde lid, zijn op de leden van de commissie die
niet tevens leden van het College zorgverzekeringen zijn, van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat hun benoeming
plaatsvindt op grond van de deskundigheid die nodig is voor de
uitoefening van de taken van de commissie en op grond van maatschappelijke
kennis en ervaring.
-4. Bij ministeriële
regeling worden de vergoeding van reis- en verblijfkosten en verdere vergoedingen aan
de leden van de commissie die niet tevens leden van het College
zorgverzekeringen zijn, vastgesteld.
Art.
60.
[Bestuursreglement en vergaderingen CVZ] [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2007, 540; Stb. 2011, 204]
-1. Het College zorgverzekeringen
stelt een bestuursreglement vast.
-2. Vergaderingen van het
College zorgverzekeringen zijn niet openbaar, behoudens voor zover in het
bestuursreglement anders is bepaald.
-3. In het bestuursreglement
legt het College zorgverzekeringen in ieder geval vast hoe hij voldoet
aan de verplichting ingevolge artikel 3:2 van de
Algemene wet bestuursrecht.
Art.
61.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2011, 204]
Art.
62.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2011, 204]
Art.
63.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2011, 204]
§
6.2. Taken en bevoegdheden, voor zover niet elders geregeld
Art.
64.
[Bevordering eenduidige uitleg te verzekeren
prestaties] [Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006]
-1. Het College zorgverzekeringen
bevordert de eenduidige uitleg van de aard, inhoud en omvang van
de prestaties, bedoeld in artikel 11.
-2. Het College
zorgverzekeringen kan de zorgverzekeraars met het oog hierop richtlijnen geven.
Art.
65.
[Voorlichting over te verzekeren prestaties] [Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006]
Het College zorgverzekeringen geeft aan zorgverzekeraars, aan zorgaanbieders en aan
burgers voorlichting over de aard, inhoud en omvang van de prestaties,
bedoeld in artikel 11.
Art.
66.
[Rapportage en signalering aan minister] [Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006]
-1. Het College zorgverzekeringen
rapporteert Onze Minister desgevraagd over voorgenomen
beleid inzake aard, inhoud en omvang van de prestaties, bedoeld
in artikel 11.
-2. Het College
zorgverzekeringen signaleert gevraagd en ongevraagd aan Onze Minister feitelijke
ontwikkelingen die aanleiding kunnen geven tot wijzigingen van de aard,
inhoud en omvang van de prestaties, bedoeld in artikel 11.
Art.
67.
[Afstemming met andere terreinen] [Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006]
Het College zorgverzekeringen bevordert de afstemming van de uitvoering:
a. van en tussen de
zorgverzekering en de algemene verzekering bijzondere ziektekosten; en
b. van deze verzekeringen
met de uitvoering van het beleid op andere terreinen van de
volksgezondheid en op andere terreinen van sociale zekerheid.
Art.
68.
[Nadere regelgeving tijdelijke subsidies] [Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006]
-1. Bij ministeriële
regeling kan worden bepaald dat het College zorgverzekeringen
overeenkomstig in die regeling gestelde regels tijdelijk subsidies verstrekt voor
zorg of andere diensten ten aanzien waarvan het voornemen bestaat deze te
doen opnemen in de te verzekeren prestaties. [Rz]
-2. In een regeling als
bedoeld in het eerste lid kan worden bepaald dat zorgverzekeraars het College
zorgverzekeringen bijstand verlenen bij de verstrekking van subsidies
behorende tot een in die regeling genoemde categorie en welke
vergoeding zij daarvoor ontvangen. [Rz]
-3. Onze Minister
kan
jaarlijks voor een categorie van subsidies het subsidieplafond voor het
komende jaar bekendmaken. [Rz]
-4. In een regeling als
bedoeld in het eerste lid kan aan het College zorgverzekeringen worden
opgedragen nadere regels te stellen. [Rz]
-5. Nadere regels als bedoeld
in het vierde lid behoeven de goedkeuring van Onze Minister.
-6. Goedkeuring kan slechts
worden onthouden wegens strijd met het recht of het belang van de volksgezondheid.
Art.
69.
[Administratie en bijdragebetaling in buitenland
wonende niet-verzekerden] [Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie 16 juni 2005;
Stb. 2005, 525; Stb.
2005, 708; versie
1 januari 2006; Stb. 2007, 490
+ bis; Stb.
2007, 540 + bis + bis;
Stb. 2008, 277; Stb.
2009, 384; Stb.
2009, 265; Stb.
2011, 111; Stb. 2012, 77;
Stb. 2012, 544; Stb.
2012, 682]
-1. In het
buitenland wonende personen die met
toepassing van een verordening van de Raad van de Europese
Gemeenschappen dan wel toepassing van zodanige verordening krachtens de
overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of een
verdrag inzake sociale zekerheid in geval van behoefte aan
zorg recht hebben op zorg
of vergoeding van de kosten daarvan, zoals voorzien in de
wetgeving over de verzekering voor zorg van hun woonland,
melden zich, tenzij zij op grond van deze wet verzekeringsplichtig zijn,
bij het College zorgverzekeringen aan.
-2. De in het eerste lid
bedoelde personen zijn een bij
ministeriële regeling te bepalen bijdrage verschuldigd die voor een bij
die regeling te bepalen gedeelte, voor de toepassing van de Wet
op de zorgtoeslag als premie voor een zorgverzekering wordt
beschouwd. [Rz]
-3. Voor zover een pensioen- of renteverstrekkend orgaan aan een in het
eerste lid bedoelde persoon loon als bedoeld in artikel
42 verstrekt, is dat orgaan een bij ministeriële regeling te
bepalen bijdrage verschuldigd.
-4. Het College
zorgverzekeringen is belast met de administratie voortvloeiend uit het eerste
lid en de daar genoemde internationale regels, alsmede met het nemen van
beschikkingen over de
heffing en de inning van de bijdragen, bedoeld in het tweede en
derde lid.
-5. Indien tegen een door het College zorgverzekeringen op grond
van dit artikel genomen beschikking bezwaar wordt gemaakt, beslist dat
college, in afwijking van artikel 7:10,
eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht,
binnen dertien weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn
voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.
-6. Het College
zorgverzekeringen gebruikt voor de uitvoering van dit artikel het
burgerservicenummer of, bij ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaal
nummer van de in het eerste lid bedoelde personen.
-7. Bij ministeriële
regeling: [Rz]
a. kan worden bepaald dat organen die
pensioen of rente verschuldigd zijn of werkgevers in opdracht van het
College zorgverzekeringen werkzaamheden verrichten ter voorbereiding of
uitvoering van beschikkingen als bedoeld in het vierde lid, waarbij kan
worden bepaald dat die organen of werkgevers de bijdragen, bedoeld in
het tweede lid, inhouden op het pensioen, op de rente of op het loon van
een grensarbeider wier gezinsleden onder dit artikel vallen;
b. kunnen regels worden
gesteld over de wijze waarop het College zorgverzekeringen zijn taak,
bedoeld in het vierde lid, uitoefent of de organen of werkgevers, bedoeld in
onderdeel a, de in dat onderdeel bedoelde werkzaamheden uitvoeren.
-8. Artikel 18f, derde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
-9. Indien de melding, bedoeld in het eerste lid, niet is geschied
binnen vier maanden nadat het recht, bedoeld in het eerste lid, is
ontstaan, legt het College zorgverzekeringen degene die de melding had
moeten doen een bestuurlijke boete op ter hoogte van driemaal de tot een
maandbedrag herleide standaardpremie, bedoeld in de Wet
op de zorgtoeslag.
-10. Het College zorgverzekeringen kan de bijdrage, bedoeld in het
tweede of derde lid, of een boete als bedoeld in het negende lid, bij
dwangbevel invorderen.
-11. Artikel 5:53,
tweede en derde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht geldt niet voor de oplegging van de boete, bedoeld in
het negende lid.
Art.
70. [Gemoedsbezwaarden] [Geschiedenis:
versie 16 juni 2005; Stb.
2005, 525; versie
1 januari 2006; Stb. 2007, 490;
Stb. 2007, 540 + bis
+ bis]
-1. Het College zorgverzekeringen
opent voor iedere gemoedsbezwaarde, bedoeld in artikel 2,
tweede lid, onderdeel b, een rekening waarop de geheven
bijdragevervangende belasting, bedoeld in artikel 57,
eerste lid, wordt gestort.
-2. In afwijking van het eerste lid opent of houdt het College
zorgverzekeringen één rekening in stand indien twee of meer
gemoedsbezwaarden als bedoeld in artikel 2, tweede lid,
onderdeel b, een gezamenlijke huishouding voeren en worden op die
rekening de belastingen van ieder van deze gemoedsbezwaarden gestort.
-3. Tot de rekening is geen ander begunstigd dan het College
zorgverzekeringen.
-4. Het saldo wordt door het College zorgverzekeringen gebruikt voor het
doen van:
a. uitkeringen ter vergoeding van kosten van zorg of overige
diensten als bedoeld in artikel 11, voor zover deze
zijn verleend aan een gemoedsbezwaarde voor wie de rekening in stand
wordt gehouden of aan een tot zijn huishouding behorend kind jonger dan
18 jaar;
b. uitkeringen als bedoeld in artikel 39,
tweede lid, onderdeel d.
-5. Uitkeringen als bedoeld in het vierde lid, onderdeel a,
worden slechts op verzoek van een gemoedsbezwaarde voor wie de rekening
in stand wordt gehouden, gedaan.
-6. De kosten van zorg of overige diensten worden niet vergoed voor
zover deze voor een verzekerde op grond van de regels gesteld bij of
krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel
11, derde of vierde lid, voor eigen rekening blijven.
-7. Het College zorgverzekeringen heft een rekening op indien alle
gemoedsbezwaarden voor wie de rekening in stand werd gehouden
verzekeringsplichtig zijn geworden dan wel zijn overleden.
-8. Indien een gemoedsbezwaarde een gezamenlijke huishouding is gaan
vormen met een andere gemoedsbezwaarde, heft het College
zorgverzekeringen één van de twee rekeningen op, onder overmaking van
het saldo naar de overblijvende rekening.
-9. Het College zorgverzekeringen zorgt per gemoedsbezwaarde of
huishouding, bedoeld in het tweede lid, voor een ordentelijke
administratie van de stortingen op en de uitkeringen ten laste van de
rekening.
-10. Bij ministeriële regeling kunnen ter zake van het bepaalde in het
eerste tot en met negende lid nadere regels en uitvoeringsregels worden
gegeven. [Rz]
-11. Het College zorgverzekeringen is bevoegd de werkzaamheden, bedoeld
bij of krachtens het eerste tot en met tiende lid, onder vergoeding van
de daarmee gepaard gaande kosten, uit te besteden aan één of meer
zorgverzekeraars.
-12. Het College
zorgverzekeringen gebruikt voor de uitvoering van dit artikel het
burgerservicenummer of, bij ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaal
nummer van de gemoedsbezwaarde.
§
6.3. Planning, verslaglegging en financiering
Art.
71.
[Begroting en werkprogramma] [Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2011, 204]
-1. Het College
zorgverzekeringen zendt jaarlijks vóór 1 oktober tegelijk met de
begroting een werkprogramma voor het volgende kalenderjaar aan Onze
Minister met een beschrijving van de activiteiten die het College
zorgverzekeringen voornemens is ter uitvoering van zijn taken te
verrichten.
-2. Onverminderd artikel 27 van de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen bevat de begroting een meerjarenraming
van de beheerskosten voor de vier kalenderjaren volgend op het
begrotingsjaar.
Art.
72.
[Vaststelling budget beheerskosten] [Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2011, 204]
-1. Onze Minister
stelt jaarlijks vóór 1 december het budget voor de beheerskosten van
het College zorgverzekeringen
voor het volgende kalenderjaar vast.
-2. Onze Minister kan besluiten het budget
voor de beheerskosten van het College zorgverzekeringen te wijzigen.
-3. Het College zorgverzekeringen gaat met
betrekking tot de beheerskosten geen verplichtingen aan en doet geen
uitgaven die leiden tot overschrijding van het vastgestelde budget voor
de beheerskosten.
-4. Indien het budget voor de
beheerskosten niet is vastgesteld vóór 1 januari van het kalenderjaar
waarop de begroting betrekking heeft, is het College zorgverzekeringen
bevoegd, teneinde zijn activiteiten gaande te houden, te beschikken over
ten hoogste een derde gedeelte van het budget dat laatstelijk voor hem
voor een geheel jaar is vastgesteld.
-5. Onze Minister kan besluiten dat het
College zorgverzekeringen in een geval als bedoeld in het vierde lid kan
beschikken over meer dan een derde gedeelte van het budget dat
laatstelijk voor hem voor een geheel jaar is vastgesteld.
-6. Het door Onze Minister vastgestelde
budget voor de beheerskosten van het College zorgverzekeringen wordt
gedekt uit ’s Rijks kas.
Art.
73.
[Inhoud jaarstukken] [Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2011, 204]
-1. De in artikel 26 van de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen bedoelde begroting heeft betrekking op
de beheerskosten van het College
zorgverzekeringen.
-2. De in artikel 34 van de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen bedoelde jaarrekening van het College
zorgverzekeringen heeft betrekking op de beheerskosten van het College
zorgverzekeringen.
-3. Het in artikel 18 van de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen bedoelde jaarverslag van het College
zorgverzekeringen heeft wat betreft de uitvoering van artikel
122a uitsluitend betrekking op de bedrijfsvoering ter zake.
-4. Onverminderd artikel 35, vierde lid,
van de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen doet de accountant tevens verslag van
zijn bevindingen over de vraag of het beheer en de organisatie van het
College zorgverzekeringen voldoen aan de eisen van rechtmatigheid,
ordelijkheid en controleerbaarheid.
Art.
74.
[Jaarrekening Zorgverzekeringsfonds] [Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006]
-1. Het College zorgverzekeringen
zendt jaarlijks vóór 15 maart aan Onze Minister
met betrekking tot
het Zorgverzekeringsfonds een jaarrekening over het afgelopen
kalenderjaar, alsmede het verslag van bevindingen, bedoeld in het vijfde lid.
-2. Het College
zorgverzekeringen legt in de jaarrekening, die zoveel mogelijk met overeenkomstige
toepassing van titel 9 van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek wordt
ingericht, rekening en verantwoording af over de baten en lasten van het
Zorgverzekeringsfonds en de toestand van dat fonds per 31 december, alsmede over de rechtmatigheid en doelmatigheid
van het beheer van dat fonds
in het afgelopen kalenderjaar.
-3. De jaarrekening gaat
vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door
een accountant als bedoeld in artikel 393 van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek, die bereid is Onze Minister desgevraagd inzicht te geven
in zijn controlewerkzaamheden.
-4. De verklaring heeft mede
betrekking op de rechtmatige verkrijging en besteding van de middelen
van het Zorgverzekeringsfonds.
-5. De accountant voegt bij
de verklaring een verslag van zijn bevindingen over de vraag of het beheer
en de organisatie voldoen aan eisen van rechtmatigheid,
ordelijkheid, controleerbaarheid en doelmatigheid.
Art.
75.
[Goedkeuring jaarstukken door minister] [Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2006, 644; Stb. 2008, 271;
Stb. 2011, 204]
-1. Het werkprogramma, bedoeld in artikel
71, de jaarrekeningen, bedoeld in de artikelen 74
en 122a, tiende lid, en de begroting, bedoeld
in artikel 122a, zevende lid, behoeven de
goedkeuring van Onze Minister.
-2. In afwijking van het eerste lid en van
artikel 29, eerste lid, van de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen behoeven wijzigingen in een
goedgekeurde begroting geen goedkeuring van Onze Minister, mits:
a. de totale omvang van de
begroting geen wijziging ondergaat; en
b. de wijziging per groep
van kostensoorten en baten, gerekend over het desbetreffende
begrotingsjaar, een bedrag van 5% van het in artikel 72 bedoelde budget
niet te boven gaat.
-3. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld over: [Rz]
a. de inhoud en de inrichting van
het werkprogramma, bedoeld in artikel 71;
b. de inhoud en de inrichting van de
begrotingen, bedoeld in artikel 122a, zevende
lid, alsmede in artikel 26 van de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen;
c. de inhoud en de inrichting van de
jaarrekeningen, bedoeld in de artikelen 74 en 122a,
tiende lid, alsmede in artikel 34 van de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen;
d. de inhoud en de inrichting van de
jaarverslagen, bedoeld in de artikelen 74 en 122a,
elfde lid, alsmede in artikel 18 van de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen;
e. de accountantscontrole van de
jaarrekeningen van het College zorgverzekeringen;
f. de
omvang van de egalisatiereserve, bedoeld in artikel 33 van de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen.
Art.
76.
[Verkrijgbaarstelling jaarstukken] [Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2011, 204]
Na de goedkeuring, bedoeld in artikel 75, eerste lid,
en de goedkeuring, bedoeld in de artikelen 29, eerste lid, en 34, tweede
lid, van de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen, stelt het College
zorgverzekeringen de in artikel 75, derde lid,
onderdeel a, b, c en d, genoemde stukken
algemeen verkrijgbaar.
HOOFDSTUK
7
Het
College toezicht
Vervallen
§
7.1. Algemene bepalingen
Vervallen
Art.
77. Vervallen.
[Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2006, 415]
Art.
78. Vervallen. [Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2006, 415]
Art.
79. Vervallen.
[Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2006, 415]
§
7.2. Taken en bevoegdheden
Vervallen
Art.
80.
Vervallen.
[Geschiedenis:
MvT
+ bis + bis;
versie 16 juni 2005; versie 1 januari 2006;
Stb. 2006, 415]
Art.
81. Vervallen.
[Geschiedenis:
MvT
+ bis + bis;
versie 16 juni 2005; versie 1 januari 2006;
Stb. 2006, 415]
Art.
82. Vervallen.
[Geschiedenis:
MvT
+ bis + bis;
versie 16 juni 2005; versie 1 januari 2006;
Stb. 2006, 415]
Art.
83. Vervallen. [Geschiedenis:
MvT
+ bis + bis;
versie 16 juni 2005; versie 1 januari 2006;
Stb. 2006, 415]
Art.
84. Vervallen. [Geschiedenis:
MvT
+ bis + bis;
versie 16 juni 2005; versie 1 januari 2006;
Stb. 2006, 415]
§
7.3. Planning, verslaglegging en financiering
Vervallen
Art.
85. Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2006, 415]
HOOFDSTUK
7
Gegevensverstrekking
Art.
86.
[Opname BSN in administratie zorgverzekeraar;
gegevensuitwisseling] [Rgbz]
[Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
Stb. 2005, 525; versie 1 januari 2006;
Stb. 2008, 164; Stb.
2008, 271; Stb.
2011, 111]
-1. Tenzij de
verzekerde daarover niet beschikt, neemt de zorgverzekeraar met het oog
op de uitvoering van de zorgverzekering en van deze wet het
burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaal
nummer van zijn verzekerde en, gedurende zeven jaren na het einde van de
verzekering, van zijn gewezen verzekerde in zijn administratie op.
-2.
De zorgverzekeraar stelt bij de eerste opname in zijn administratie en
vervolgens indien daartoe aanleiding is het burgerservicenummer van de
verzekerde vast met overeenkomstige toepassing van artikel 7 van de Wet gebruik
burgerservicenummer in de zorg. Bij het ontbreken van het
burgerservicenummer verifieert de zorgverzekeraar het sociaal-fiscaal
nummer van de verzekerde indien daartoe aanleiding is.
-3. De zorgverzekeraar gebruikt het
burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaal
nummer van de verzekerde met het doel te waarborgen dat de in het kader
van de verzekering van zorg te verwerken persoonsgegevens op die
verzekerde betrekking hebben.
-4.
Bij gegevensuitwisseling tussen de zorgverzekeraars en de stichtingen,
bedoeld in artikel 14, derde lid, alsmede tussen de
zorgverzekeraars en de in de artikelen 88 en 89
genoemde personen en instanties wordt, voor zover die stichtingen,
personen en instanties tot gebruik van dat nummer bevoegd zijn, het
burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaal
nummer gebruikt.
-5. Het vierde lid is van overeenkomstige
toepassing op de gegevensuitwisseling tussen de zorgverzekeraars en de
zorgaanbieders, indicatieorganen en zorgverzekeraars in de zin van de Wet gebruik
burgerservicenummer in de zorg die niet in de artikelen
88 en 89 zijn genoemd.
-6. Bij algemene
maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking
tot het eerste en tweede lid.
-7. Bij ministeriële regeling kan worden
bepaald aan welke beveiligingseisen de gegevensverwerking, bedoeld in
het eerste, vierde en vijfde lid, voldoet.
-8. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur kunnen regels gesteld worden over de bij de
gegevensuitwisseling, bedoeld in het vierde en vijfde lid, te verwerken
feiten of gegevens met betrekking tot verzekerden van wie het
vaststellen van het burgerservicenummer of het sociaal-fiscaal nummer
onmogelijk blijkt of een onevenredige inspanning kost. Bij of krachtens
die maatregel kan worden bepaald aan welke beveiligingseisen de
verwerking van die feiten of gegevens voldoet.
-9. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen vormen van zorg of andere diensten als bedoeld in artikel 11,
alsmede categorieën van zorgverzekeraars, van stichtingen als bedoeld
in artikel
14, derde lid, en van in de artikelen 88 en 89
genoemde personen en instanties worden uitgezonderd van de toepassing
van het bepaalde bij of krachtens het eerste tot en met het achtste lid.
Art.
87.
[Gegevensverstrekking door zorgaanbieder;
geheimhoudingsplicht] [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2006, 415; Stb. 2007, 490 + bis;
Stb. 2007, 540]
-1. Een zorgaanbieder
die aan een verzekerde zorg of andere diensten, bedoeld in artikel
11, heeft verleend en die de kosten daarvan krachtens een door hem
met de zorgverzekeraar gesloten overeenkomst rechtstreeks bij die
zorgverzekeraar in rekening brengt, verstrekt die zorgverzekeraar of een
door die zorgverzekeraar aangewezen persoon de persoonsgegevens van de
verzekerde, waaronder persoonsgegevens betreffende de gezondheid als
bedoeld in de Wet
bescherming persoonsgegevens, die noodzakelijk zijn voor de uitvoering
van de zorgverzekering of van deze wet, dan wel stelt hem deze gegevens
voor dit doel voor inzage of het nemen van afschrift ter beschikking.
-2. Een zorgaanbieder
die aan een verzekerde zorg of andere diensten, bedoeld in artikel
11, heeft verleend en die de kosten daarvan bij de verzekerde in
rekening brengt, verstrekt hem de persoonsgegevens, waaronder
persoonsgegevens betreffende zijn gezondheid als bedoeld in de Wet
bescherming persoonsgegevens, die voor zijn zorgverzekeraar noodzakelijk
zijn voor de uitvoering van de zorgverzekering of van deze wet.
-3. De zorgaanbieder,
bedoeld in het eerste of tweede lid, verstrekt een door Onze Minister
aangewezen persoon kosteloos bij ministeriële regeling omschreven, voor
de uitvoering van deze wet noodzakelijke persoonsgegevens, waaronder
persoonsgegevens betreffende de gezondheid als bedoeld in de Wet
bescherming persoonsgegevens. [Rz]
-4. Personen werkzaam
ten behoeve van een zorgaanbieder als bedoeld in het eerste of tweede
lid verstrekken die zorgaanbieder de persoonsgegevens die hij nodig
heeft om te kunnen voldoen aan zijn verplichtingen, bedoeld in het
eerste, tweede en derde lid.
-5. Personen werkzaam bij
de zorgverzekeraar, bij een door de zorgverzekeraar aangewezen persoon
als bedoeld in het eerste lid of bij de door Onze Minister aangewezen
persoon als bedoeld in het derde lid voor wie niet reeds uit hoofde van
ambt of beroep een geheimhoudingsplicht geldt, zijn verplicht tot
geheimhouding van de gegevens als bedoeld in het eerste, tweede of derde
lid, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hen mededeling
toestaat.
-6.
Bij ministeriële regeling kan worden bepaald: [Rgbz]
[Rz]
a. tot welke gegevens de
verplichting, bedoeld in het eerste of tweede lid, zich in ieder geval
uitstrekt;
b. op welke wijze gegevens,
bedoeld in het eerste of tweede lid, worden verwerkt;
c. volgens welke technische
standaarden gegevensverwerking plaatsvindt;
d. aan welke
beveiligingseisen gegevensverwerking voldoet;
e. in welke gevallen
gegevens, bedoeld in het eerste of tweede lid, verder worden verwerkt met
het oog op de uitvoering van de zorgverzekering of een
aanvullende ziektekostenverzekering, voor zover deze gegevens niet worden
gebruikt voor het beoordelen en accepteren van een aspirant-verzekerde
voor een aanvullende verzekering en bovendien noodzakelijk zijn
voor:
1º. de betaling aan een
zorgaanbieder of de vergoeding van zorgkosten aan een verzekerde;
2º. de vaststelling van eigen bijdragen of nog openstaand
verplicht of vrijwillig eigen risico;
3º. het uitoefenen van het
verhaalsrecht; of
4º. het verrichten van
controle of fraudeonderzoek.
Art.
88.
[Gegevensverstrekking aan zorgverzekeraars en
publiekrechtelijke uitvoerders] [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2006, 415; Stb. 2008, 271;
Stb. 2011, 561]
-1. Een ieder verstrekt op
verzoek aan de zorgverzekeraars, het College zorgverzekeringen,
de zorgautoriteit, Onze Minister, de rijksbelastingdienst, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, de
Sociale verzekeringsbank, het college van
burgemeester en wethouders, het CAK of aan een daartoe door of vanwege
één van deze zorgverzekeraars of instanties aangewezen
persoon kosteloos alle
inlichtingen en gegevens, waaronder persoonsgegevens als bedoeld in de Wet
bescherming persoonsgegevens, die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de zorgverzekeringen of van deze
wet.
-2. De in het eerste lid
bedoelde gegevens en inlichtingen worden op verzoek verstrekt in
schriftelijke vorm of in een andere vorm die redelijkerwijs kan worden verlangd, binnen
een termijn die schriftelijk wordt gesteld bij het in het
eerste lid bedoelde verzoek.
-3. Een ieder geeft op
verzoek van een rechtspersoon als bedoeld in het eerste lid inzage in alle
bescheiden en andere gegevensdragers, stelt deze op verzoek ter beschikking
voor het nemen van afschrift en verleent de ter zake verlangde
medewerking, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van deze wet door
de desbetreffende zorgverzekeraars of instanties.
-4. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste,
tweede of derde lid. [Rgbz]
[Rz]
Art.
89.
[Gegevensuitwisseling tussen zorgverzekeraars en
publiekrechtelijke uitvoerders] [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
Stb. 2005, 525; versie 1 januari 2006;
Stb. 2006, 415; Stb.
2011, 561; Stb. 2012, 381]
-1. De in artikel 88, eerste
lid, bedoelde zorgverzekeraars en instanties zijn bevoegd uit eigen
beweging en verplicht op verzoek binnen een bij dat verzoek genoemde
termijn, uit de onder hun verantwoordelijkheid gevoerde administratie, aan
elkaar, aan een daartoe door of vanwege hen aangewezen persoon of aan
een door Onze Minister aangewezen persoon, kosteloos, de
gegevens, waaronder persoonsgegevens als bedoeld in de Wet
bescherming persoonsgegevens, te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de
uitvoering van de zorgverzekeringen of van deze wet.
-2. Een zorgverzekeraar
verleent op verzoek van het College zorgverzekeringen
dan wel
van de zorgautoriteit aan door het desbetreffende bestuursorgaan aangewezen personen inzage in alle bescheiden en andere gegevensdragers,
stelt deze op verzoek ter beschikking voor het nemen van afschrift en
verleent de ter zake verlangde medewerking, voor zover het desbetreffende
bestuursorgaan dit nodig acht voor de uitoefening van zijn taak.
-3. Onze
Minister is bevoegd
zorgverzekeraars en zorgaanbieders, ter handhaving van het bepaalde bij
of krachtens het eerste lid, een aanwijzing te geven betreffende de
verstrekking van gegevens die het CAK voor de vaststelling van het recht
op en de verstrekking van de
tegemoetkomingen, bedoeld in artikel 11a
en van de uitkeringen, bedoeld
in artikel 118a, eerste lid, nodig heeft.
-4. Indien een zorgverzekeraar of een
zorgaanbieder niet binnen vier weken aan een aanwijzing als bedoeld in
het derde lid voldoet, is Onze Minister bevoegd een last onder dwangsom
op te leggen.
-5. Alle ambtenaren tot
afgifte van uittreksels uit registers van burgerlijke stand bevoegd, zijn
verplicht aan een in artikel 88, eerste lid, bedoelde zorgverzekeraar of
instantie de door deze gevraagde uittreksels uit de registers kosteloos
toe te zenden.
-6. Griffiers van colleges,
geheel of ten dele met rechtspraak belast, verstrekken op verzoek,
kosteloos, aan een zorgverzekeraar, aan het College zorgverzekeringen of
aan de zorgautoriteit alle gegevens, inlichtingen en uittreksels
uit of afschriften van uitspraken, registers en andere stukken die
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet door de zorgverzekeraar of het
desbetreffende bestuursorgaan.
-7. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over
de verstrekking van gegevens door de rijksbelastingdienst aan de
zorgverzekeraars.
-8. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste of
tweede lid. [Bz] [Rgbz]
[Rz]
Art.
90.
[Nadere regelgeving periodieke
gegevensverstrekking door zorgverzekeraars] [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2006, 415]
-1. De zorgautoriteit,
onderscheidenlijk het College zorgverzekeringen,
kan na overleg met het
College zorgverzekeringen, onderscheidenlijk de zorgautoriteit, bij
regeling bepalen welke gegevens en inlichtingen regelmatig door de
zorgverzekeraars moeten worden verstrekt.
-2. De regels kunnen mede
omvatten het tijdstip en de wijze waarop de gegevens en inlichtingen
moeten worden verstrekt, alsmede dat een accountant als bedoeld in
artikel 393 van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek de juistheid van de
verstrekte gegevens en inlichtingen bevestigt.
-3. Bij ministeriële
regeling kan worden bepaald welke statistische gegevens de zorgverzekeraars
verzamelen betreffende vormen van zorg en andere diensten.
Art.
91.
[Gegevensverstrekking CVZ en NZa aan minister,
College bouw en College sanering] [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2006, 415; Stb. 2011, 204]
-1. Het College zorgverzekeringen
en de zorgautoriteit verstrekken Onze Minister
uit eigen beweging inlichtingen over ontwikkelingen die ertoe leiden of
kunnen leiden dat ten behoeve van verzekerden niet vrij kan worden
gekozen tussen zorgverzekeraars en de door hen aangeboden varianten van
de zorgverzekering of die een rechtmatige en volledige uitvoering van
zorgverzekeringen jegens de verzekeringnemers of verzekerden in gevaar
kunnen brengen.
-2.
Het College zorgverzekeringen en de zorgautoriteit verstrekken
desgevraagd aan het College bouw of het College
sanering, bedoeld in de Wet
toelating zorginstellingen, de voor de uitoefening van hun taak
benodigde inlichtingen en gegevens.
-3. Het College
zorgverzekeringen en de zorgautoriteit verlenen aan door een bestuursorgaan, bedoeld in het tweede lid, aangewezen
personen toegang tot en inzage in zakelijke gegevens en bescheiden, voor
zover dat voor de vervulling van hun taak redelijkerwijs nodig is.
Art.
92.
[Elektronische gegevensuitwisseling] [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006]
-1. Een zorgverzekeraar maakt
voor de verstrekking of ontvangst van gegevens aan of van
personen, aan te wijzen door het College zorgverzekeringen, gebruik
van een elektronische infrastructuur.
-2. Het College
zorgverzekeringen kan met betrekking tot het eerste lid regels stellen over:
a. de aard en omvang van de
gegevens en de voorschriften waaraan de verstrekking of ontvangst
ten minste moet voldoen;
b. de wijze waarop de
verstrekking of ontvangst van gegevens plaatsvindt, waaronder
begrepen de aansluiting van zorgverzekeraars op de infrastructuur;
c. de wijze waarop het
gebruik van de infrastructuur wordt georganiseerd en beheerd, waaronder
begrepen de inrichting en instandhouding van een gemeenschappelijke
database;
d. de financiering van het
gebruik van de infrastructuur en de wijze waarop de kosten ervan
worden verdeeld.
Art.
93.
[Geheimhoudingsplicht] [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
Stb. 2005, 525; versie 1 januari 2006;
Stb. 2006, 415; Stb.
2006, 605 + bis; Stb.
2009, 265]
-1. Het is een ieder
die uit hoofde van de toepassing van deze wet of van krachtens deze wet
genomen besluiten enige taak vervult of heeft vervuld, verboden van
vertrouwelijke gegevens of inlichtingen die ingevolge deze wet dan wel
ingevolge titel
5.2 van de Algemene wet bestuursrecht
zijn verstrekt of verkregen of van De Nederlandsche Bank NV of de
Stichting Autoriteit Financiële Markten zijn ontvangen, verder of
anders gebruik te maken of daaraan verder of anders bekendheid te geven
dan voor de uitvoering van zijn taak of bij of krachtens deze wet wordt
geëist.
-2. In afwijking van
het eerste lid kunnen de zorgautoriteit en het College zorgverzekeringen
met gebruikmaking van vertrouwelijke gegevens of inlichtingen verkregen
bij de uitvoering van hun taken op grond van deze wet, mededelingen doen
indien deze niet kunnen worden herleid tot afzonderlijke personen of
ondernemingen.
-3. In afwijking van
het eerste lid en in overeenstemming met artikel 1:89 van de Wet op het financieel
toezicht zijn de zorgautoriteit, het College zorgverzekeringen, De
Nederlandsche Bank NV en de Stichting Autoriteit Financiële Markten,
voor zover dat voor hun taakuitoefening noodzakelijk is, bevoegd aan
elkaar en aan Onze Minister vertrouwelijke
gegevens of inlichtingen omtrent afzonderlijke verzekeraars te
verschaffen.
-4. Het eerste lid
laat, ten aanzien van degene op wie dat lid van toepassing is, onverlet:
a. de toepasselijkheid van de
bepalingen van het Wetboek
van Strafvordering welke betrekking hebben op het als getuige of
deskundige in strafzaken afleggen van een verklaring omtrent gegevens of
inlichtingen verkregen bij de vervulling van de ingevolge deze wet
opgedragen taak;
b. de toepasselijkheid van de
bepalingen van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering en van artikel 66 van de Faillissementswet
welke betrekking hebben op het als getuige of als partij in een
comparitie van partijen dan wel als deskundige in burgerlijke zaken
afleggen van een verklaring omtrent gegevens of inlichtingen verkregen
bij de vervulling van zijn ingevolge deze wet opgedragen taak, voor
zover het gaat om gegevens of inlichtingen omtrent een verzekeraar die
in staat van faillissement is verklaard of op grond van een rechterlijke
uitspraak is ontbonden;
c. de bevoegdheden van de Algemene
Rekenkamer ingevolge artikel 91 van de Comptabiliteitswet
2001, voor zover deze niet bij artikel 121 zijn
beperkt.
-5. Het vierde lid,
onderdeel b, geldt niet voor gegevens of inlichtingen die
betrekking hebben op verzekeraars die betrokken zijn of zijn geweest bij
een poging de desbetreffende verzekeraar in staat te stellen zijn
bedrijf voort te zetten.
-6. De Algemene
Rekenkamer is bij het doen van mededelingen als bedoeld in artikel 91,
elfde tot en met veertiende lid, van de Comptabiliteitswet
2001, verplicht tot geheimhouding, voor zover het betreft gegevens en
inlichtingen die haar ingevolge het vierde lid, onderdeel c,
bekend zijn geworden.
HOOFDSTUK
9
Handhaving
Vervallen
§
9.1. Aanwijzingen aan verzekeraars
Vervallen
Art.
94. Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2006, 415]
§
9.2. Lasten onder dwangsom
Vervallen
Art.
95. Vervallen.
[Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
Stb. 2005, 525; versie 1 januari 2006;
Stb. 2006, 415]
§
9.3. Bestuurlijke boeten
Vervallen
Art.
96.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2006, 644; Stb. 2009, 265;
Stb.
2011, 111]
Art.
97. Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2006, 415]
Art.
98. Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2006, 415]
Art.
99. Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
Stb. 2005, 525; versie 1 januari 2006;
Stb. 2006, 415]
Art.
100. Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2006, 415]
Art.
101.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
Stb. 2005, 525; versie 1 januari 2006;
Stb. 2006, 415; Stb.
2009, 265]
Art.
102.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2009, 265]
Art.
103.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2006, 415; Stb. 2009, 265]
Art.
104.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2006, 415; Stb. 2009, 265]
Art.
105.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2006, 415; Stb. 2006, 644;
Stb. 2009, 265]
Art.
106.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2006, 415; Stb. 2009, 265]
Art.
107.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2006, 415; Stb. 2009, 265]
Art.
108.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
Stb. 2005, 525; versie 1 januari 2006;
Stb. 2006, 415; Stb.
2009, 265]
Art.
109.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2009, 265]
Art.
110.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2006, 415; Stb. 2009, 265]
Art.
111.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2009, 265]
Art.
112.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2009, 265]
Art.
113.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2006, 415; Stb. 2009, 265]
HOOFDSTUK
8
Rechtsbescherming
Art.
114.
[Onafhankelijke klachtbehandeling] [Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie 16 juni 2005;
Stb. 2005, 525; versie 1 januari 2006]
-1. De zorgverzekeraar zorgt
ervoor dat zijn verzekeringnemers en verzekerden geschillen over
de uitvoering van de zorgverzekering kunnen voorleggen aan een
onafhankelijke instantie.
-2.
De onafhankelijke instantie neemt een geschil slechts in behandeling
nadat de verzekeringnemer of de verzekerde de zorgverzekeraar heeft
verzocht zijn beslissing te heroverwegen en deze niet binnen redelijke
termijn of niet naar tevredenheid van de verzekeringnemer of verzekerde
heeft gereageerd.
-3. De onafhankelijke instantie vraagt advies aan het College zorgverzekeringen
indien het geschil betrekking
heeft op de zorg of de overige diensten, bedoeld in artikel
11, dan wel de vergoeding van die zorg of diensten.
-4. Het College
zorgverzekeringen zendt zijn advies binnen vier weken na
ontvangst van de adviesaanvraag aan de onafhankelijke instantie.
Art.
115. Vervallen. [Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2006, 415]
Art.
116.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2006, 415; Stb. 2006, 644;
Stb. 2009, 356; Stb.
2011, 111; Stb.
2012, 682]
Art.
117.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2006, 644; Stb. 2009, 265;
Stb.
2012, 682]
HOOFDSTUK
9
Overige
bepalingen
Art.
118.
[Identificatieplicht jegens zorgaanbieder]
[Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2008, 164]
-1. Een verzekerde die voor
rekening van zijn zorgverzekering bij ministeriële regeling aan
te wijzen zorg of andere diensten als bedoeld in artikel 11 wenst te
genieten, verstrekt aan de persoon of instelling die die zorg of dienst verleent ter
inzage een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van
de Wet op de
identificatieplicht of een ander bij ministeriële regeling aan
te wijzen document waarmee zijn identiteit kan worden vastgesteld. [Rz]
-2. Indien het
identiteitsbewijs niet onmiddellijk ter inzage kan worden verstrekt, kan de persoon of
instelling toestaan dat uiterlijk binnen een termijn van veertien dagen
aan deze verplichting wordt voldaan.
-3. De persoon of instelling
stelt aan de hand van het ter inzage verstrekte document de
identiteit vast van degene aan wie de in het eerste lid bedoelde zorg of dienst
wordt verleend en neemt het met inachtneming van artikel 7 van de Wet
gebruik burgerservicenummer in de zorg vastgestelde burgerservicenummer van de verzekerde in zijn administratie
op.
-4. De persoon of instelling
vermeldt het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het
sociaal-fiscaal nummer van de verzekerde op de declaratie
van de door hem aan die verzekerde verleende zorg of andere diensten.
Art.
118a. [Compensatie verplicht eigen risico
voor chronisch zieken en gehandicapten | Gegevensverstrekking aan CAK] [Geschiedenis:
Stb. 2007, 490 + bis;
Stb. 2008, 606; Stb.
2009, 356; Stb. 2009, 486;
Stb. 2011, 561; Stb.
2012, 381]
-1. Verzekerden van 18 jaar of ouder:
a. met meerjarige, onvermijdbare
zorgkosten; of
b. die in een instelling als bedoeld
in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
verblijven;
hebben, indien zij behoren tot bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur aan te wijzen groepen, jegens het CAK vóór het einde van het kalenderjaar recht op een jaarlijkse uitkering
ter hoogte van het bedrag, genoemd in artikel 19,
eerste lid, verminderd met het geraamde gemiddelde bedrag dat een
verzekerde die geen recht heeft op de in dit lid bedoelde uitkering naar
verwachting in dat kalenderjaar
ingevolge artikel 19 betaalt, en met een bedrag van €|54,00.
-2. Het CAK neemt
het sociaal-fiscaal nummer van de personen, bedoeld in het eerste lid,
met het oog op de uitvoering van dit artikel in zijn administratie op.
-3. Zorgverzekeraars verstrekken aan het
CAK de persoonsgegevens van de personen,
bedoeld in het eerste lid, waaronder persoonsgegevens betreffende de
gezondheid als bedoeld in de Wet
bescherming persoonsgegevens, die noodzakelijk zijn ter uitvoering
van het eerste lid.
-4. Bij ministeriële regeling kan worden
bepaald:
a. tot welke gegevens de
verplichting, bedoeld in het derde lid, zich uitstrekt;
b. op welke wijze gegevens, bedoeld
in het derde lid, worden verwerkt;
c. volgens welke technische
standaarden gegevensverwerking plaatsvindt;
d. aan welke beveiligingseisen
gegevensverwerking voldoet;
e. in welke gevallen gegevens,
bedoeld in het derde lid, verder worden verwerkt met het oog op de
uitvoering van het uitkeren van het bedrag, bedoeld in het eerste lid.
Art.
119.
[Verval aanvullendeverzekeringspolis bij
uitbreiding Zvw-pakket] [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006]
-1. Een overeenkomst met
betrekking tot de verzekering van geneeskundige zorg of de kosten
daarvan,
gesloten voor een verzekerde met of ten behoeve van wie tevens
een zorgverzekering is gesloten, vervalt met ingang van de dag waarop de
bij en krachtens artikel 11 te verzekeren prestaties worden
uitgebreid, voor zover aan de overeenkomst rechten kunnen worden
ontleend
gelijkwaardig aan die welke vanaf dat moment uit de zorgverzekering
voortvloeien.
-2. De premie die voor de op
grond van het eerste lid geheel of gedeeltelijk vervallen
overeenkomst is vooruitbetaald, wordt door de verzekeraar al naargelang
van het vervallen gedeelte der overeenkomst terugbetaald, onder aftrek
van ten hoogste 25% van het terug te betalen bedrag.
Art.
120. [Verbod beëindiging aanvullende
verzekering bij sluiten zorgverzekering met andere zorgverzekeraar] [Geschiedenis:
versie 16 juni 2005; Stb.
2005, 525; versie
1 januari 2006]
Een beding van een verzekeraar die een ziektekostenverzekering ter
aanvulling van de zorgverzekering aanbiedt inhoudende dat de
ziektekostenverzekering eindigt of door de verzekeraar
mag worden opgezegd indien met of ten behoeve van de
verzekerde een zorgverzekering met een andere zorgverzekeraar wordt
gesloten, is nietig.
Art.
121.
[Beperking bevoegdheden ARK jegens zorgverzekeraar] [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006]
De bevoegdheden die artikel
91 van de Comptabiliteitswet
2001 de Algemene Rekenkamer
verschaft ten aanzien van rechtspersonen als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel d, van dat artikel gelden niet ten aanzien van de wijze waarop
zorgverzekeraars de opbrengst van bij of krachtens deze wet
ingestelde heffingen aanwenden.
Art.
122.
[Zekerstelling mededingingstoezicht] [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006]
Een zorgverzekeraar wordt,
voor zover deze niet kan worden aangemerkt als onderneming in de zin
van artikel 81 van het Verdrag tot oprichting van de Europese
Gemeenschap, voor de toepassing van de Mededingingswet
aangemerkt
als onderneming in de zin van artikel 1 van die
wet.
Art.
122a. [Compensatie inkomstenderving zorg aan
vreemdelingen] [Geschiedenis:
Stb. 2008, 526; Stb.
2011, 204; Stb.
2012, 682]
-1. Het College
zorgverzekeringen verstrekt bijdragen aan zorgaanbieders die
inkomsten derven ten gevolge van het verlenen van medisch noodzakelijke
zorg aan:
a. vreemdelingen als bedoeld in
artikel 8, onderdeel f of h, van de Vreemdelingenwet
2000, voor zover het betreft vreemdelingen die in afwachting zijn van
een beslissing op een aanvraag tot het verlenen van een
verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van die
wet, dan wel vreemdelingen die in afwachting zijn van een beslissing
op een bezwaarschrift of een beroepschrift naar aanleiding van een
beslissing als hiervoor bedoeld en deze procedure krachtens de Vreemdelingenwet
2000 of op grond van een rechterlijke beslissing in Nederland mogen
afwachten; en
b. vreemdelingen als bedoeld in
artikel 10 van de Vreemdelingenwet
2000.
-2. Onder medisch noodzakelijke zorg wordt
verstaan zorg of overige diensten als bedoeld in artikel 11
van deze wet of in artikel 6 van de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten, met uitzondering van bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur aan te wijzen vormen van zorg of diensten,
en slechts voor zover de zorgaanbieder verstrekking ervan, gezien de aard
van de prestaties en de verwachte duur van het verblijf van de
vreemdeling, medisch noodzakelijk acht.
-3. Geen bijdrage wordt verstrekt voor zover
de kosten voor de verleende zorg:
a. op de vreemdeling of een
verzekeraar van de vreemdeling kunnen worden verhaald;
b. op grond van een andere wettelijke
bepaling kunnen worden vergoed; of
c. hoger zijn dan in de Nederlandse
marktomstandigheden in redelijkheid passend is.
-4. Indien zorg is verleend die aan
verzekerden doorgaans zonder verwijzing, recept of zonder indicatie als
bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
wordt verleend, bedraagt de bijdrage:
a. 100% van de kosten die verband
houden met zwangerschap en bevalling; en
b. 80% van de kosten in de overige
gevallen;
voor zover deze kosten niet op grond van het derde lid zijn of kunnen
worden betaald of buiten beschouwing dienen te blijven.
-5. In bijdragen als bedoeld in het eerste
lid voor andere zorg dan de zorg, bedoeld in het vierde lid, wordt
voorzien door middel van met het oog op verlening van die zorg tussen het
College zorgverzekeringen en zorgaanbieders gesloten overeenkomsten.
-6. Indien een zorgaanbieder zowel in zorg
als bedoeld in het vierde lid als in zorg als bedoeld in het vijfde lid
kan voorzien, kan een overeenkomst als bedoeld in het vijfde lid zich
tevens uitstrekken over de in het vierde lid bedoelde zorg en kunnen in
die overeenkomst van het vierde lid afwijkende afspraken worden gemaakt.
-7. Het College zorgverzekeringen zendt
jaarlijks vóór 1 oktober aan Onze Minister
een begroting van de kosten van de bijdragen, bedoeld in het eerste lid,
voor het volgende kalenderjaar. Indien gedurende het jaar aanmerkelijke
verschillen ontstaan of dreigen te ontstaan tussen de werkelijke en de
begrote baten en lasten, doet het College zorgverzekeringen daarvan
onverwijld mededeling aan Onze Minister, onder vermelding van de oorzaak
van de verschillen.
-8. Het voor de bijdragen in een
kalenderjaar beschikbare bedrag wordt vóór 1 december van het daaraan
voorafgaande jaar door Onze Minister vastgesteld.
-9. Het bedrag, bedoeld in het achtste lid,
wordt gedekt uit ’s Rijks kas en wordt door het College
zorgverzekeringen afzonderlijk beheerd en geadministreerd.
-10. Het College zorgverzekeringen zendt
jaarlijks vóór 15 maart aan Onze Minister een jaarrekening waarin het
rekening en verantwoording aflegt over de verstrekte bijdragen, bedoeld in
het eerste lid, in het afgelopen kalenderjaar.
-11. De jaarrekening, bedoeld in het tiende
lid, wordt zoveel mogelijk ingericht met overeenkomstige toepassing van
titel 9 van Boek 2
van het Burgerlijk Wetboek en gaat vergezeld van een jaarverslag
omtrent het door het College zorgverzekeringen gevoerde beleid bij het
verstrekken van de in het eerste lid bedoelde bijdragen, de
doeltreffendheid van dat beleid en de uitvoering van het werkprogramma ter
zake in het afgelopen kalenderjaar.
-12. De artikelen 40,
tweede tot en met elfde lid, 72, tweede tot en met
vijfde lid, 74, derde, vierde en vijfde lid, en 75,
vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
-13. De zorgaanbieder die in aanmerking
wenst te komen voor een bijdrage als bedoeld in dit artikel verstrekt het
College zorgverzekeringen of door dat college aangewezen, bij de
uitvoering van dit artikel betrokken personen, bij ministeriële regeling
te bepalen gegevens die noodzakelijk zijn om het recht op en de omvang van
een bijdrage te kunnen vaststellen, dan wel stelt hem deze gegevens voor
dit doel voor inzage of het nemen van afschrift ter beschikking.
[Rz]
Art.
123.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006; Stb.
2006, 415; Stb. 2011, 204]
Art.
123a. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 2007, 540; Stb.
2011, 596]
HOOFDSTUK
10
Slotbepalingen
Art.
124. [Voorhangprocedure AMvB] [Geschiedenis:
versie 16 juni 2005; Stb.
2005, 525; versie
1 januari 2006; Stb. 2007, 490;
Stb. 2009, 356; Stb.
2012, 77]
De voordracht voor een krachtens de artikelen 11, derde
of vierde lid, 19, vierde en vijfde lid, 21
en 32, tweede lid, vast te stellen algemene maatregel
van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan
beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Art.
125.
[Evaluatiebepaling] [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006]
Onze Minister zendt binnen
vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal
een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de
praktijk.
Art.
126.
[Nadere regelgeving bij AMvB] [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006]
Voor de uitvoering van deze
wet kunnen bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden
gesteld.
Art.
127.
[Inwerkingtreding] [Geschiedenis:
MvT; versie 16 juni 2005;
versie 1 januari 2006]
De artikelen van deze wet
treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat
voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan
worden vastgesteld.¹
1. Ingevolge artikel
2 van het Besluit van 9 december 2005, Stb.
2005, 649, is het tijdstip van inwerkingtreding bepaald op 1 januari
2006, met uitzondering van de artikelen
14, derde en
vierde lid, en 14a, die met ingang van
1 januari 2007 in werking treden, en artikel
118, derde lid,
voor zover het betreft de verplichting het sociaal-fiscaal nummer van de
verzekerde in de administratie op te nemen, en artikel
118, vierde lid, die in werking treden na de
inwerkingtreding van het wetsvoorstel Wet gebruik burgerservicenummer in de
zorg, red.
Art.
128. [Citeertitel] [Geschiedenis:
versie 16 juni 2005; versie 1 januari 2006]
Deze wet wordt aangehaald
als: Zorgverzekeringswet.
Lasten en bevelen dat deze
in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige
uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
16 juni 2005
BEATRIX
De Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
J.F. Hoogervorst
Uitgegeven de veertiende
juli 2005
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
MEMORIE
VAN TOELICHTING
|
|