|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2003-2004, 29 763
Regeling van
een sociale verzekering voor geneeskundige zorg ten behoeve van de
gehele bevolking (Zorgverzekeringswet)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| I |
Inleiding
en samenvatting |
| II |
Achtergrond
van het wetsvoorstel |
| III |
Consultatie
en advies |
| IV |
De
vormgeving van de zorgverzekering |
| V |
De
inhoud van de zorgverzekering |
| a |
De
uitvoering |
| b |
De
zorgplicht |
| c |
De
verzekerden |
| d |
Het
te verzekeren pakket |
| e |
Rechtsbescherming |
| f |
De
financiering |
| g |
De
vereveningsregeling |
| h |
Beheer |
| i |
Toezicht |
| VI |
Grensoverschrijdende
zorg |
| VII |
Transparantie
in het verzekeringsstelsel |
| VIII |
Gegevensuitwisseling |
| IX |
Financiële
sturingsmogelijkheden |
| X |
De
financiële gevolgen |
| XI |
De
administratieve lasten |
| XII |
Overgangssituatie |
| XIII |
Inwerkingtreding
en voorlichting |
|
xArtikelsgewijs |
| Vooraf |
| Hoofdstuk
1. Algemene bepaling |
| xxx |
Artikel
1 |
| Hoofdstuk
2. De
plicht tot het sluiten van een zorgverzekering |
| xxx |
Artikelen
2 t/m 9 |
| Hoofdstuk
3. De
inhoud van de zorgverzekering |
| x |
Artikelen
10 t/m 24 |
| Hoofdstuk
4. De
zorgverzekeraars |
| x |
Artikelen
25 t/m 38 |
| Hoofdstuk
5. Het
Zorgverzekeringsfonds, de inkomensafhankelijke bijdragen, de
rijksbijdragen en de belasting van gemoedsbezwaarden |
| x |
Artikelen
39 t/m 57 |
| Hoofdstuk
6. Het
College zorgverzekeringen |
| x |
Artikelen
58 t/m 75 |
| Hoofdstuk
7. Het
College toezicht |
| x |
Artikelen
76 t/m 84 |
| Hoofdstuk
8. Gegevensverstrekking |
| x |
Artikelen
85 t/m 92 |
| Hoofdstuk
9. Handhaving |
| x |
Artikelen
93 t/m 112 |
| Hoofdstuk
10. Rechtsbescherming |
| x |
Artikelen
113 t/m 116 |
| Hoofdstuk
11. Overige
bepalingen |
| x |
Artikelen
117 t/m 121 |
| Hoofdstuk
12. Slotbepalingen |
| x |
Artikelen
122 t/m 124 |
rblz.|2|
Algemeen
I. Inleiding en
samenvatting
Uit de Grondwet en uit
internationale verdragen vloeit voort dat de Nederlandse overheid zorg draagt voor
een stelsel van gezondheidszorg dat de Nederlanders toegang
geeft tot noodzakelijke, kwalitatief goede medische zorg. Verzekering tegen
ziektekosten is een belangrijk instrument om risico’s te delen en de toegang tot geneeskundige zorg veilig te stellen
voor mensen die zorg
nodig hebben. Het overheidsbeleid ten aanzien van de gezondheidszorg strekt
zich onontkoombaar uit tot het terrein van de ziektekostenverzekeringen.
Door historische oorzaken kent Nederland een verbrokkeld stelsel van ziektekostenverzekeringen voor gewone geneeskundige
zorg. Voor een
aanzienlijk deel van de bevolking is er een verplichte
ziekenfondsverzekering. Een ander deel heeft zich particulier verzekerd, waarbij voor
sommige risicogroepen de mogelijkheid bestaat een wettelijk
vastgestelde standaardpakketpolis af te sluiten. Voor bepaalde groepen
ambtenaren bestaan er specifieke, verplichte publiekrechtelijke ziektekostenverzekeringen.
Doelstellingen van het
wetsvoorstel: meer doelmatigheid, minder centrale sturing, goede
toegankelijkheid
Met het wetsvoorstel
Zorgverzekeringswet wil de regering vanaf 2006 een einde maken aan de
huidige verbrokkelde situatie door het realiseren van één wettelijk
verzekeringsregime voor alle ingezetenen van Nederland. Dit nieuwe verzekeringsregime
dient zoveel mogelijk bij te dragen aan een doelmatige en kwalitatief
hoogwaardige gezondheidszorg. De met de Zorgverzekeringswet door
te voeren wijziging in het stelsel van ziektekostenverzekeringen staat niet op zichzelf,
maar maakt deel uit van een breder georiënteerde
herziening van de sturing en verantwoordelijkheidsverdeling van de
gezondheidszorg.¹
Met de vergrijzing van de
bevolking, de snelle medisch-technologische ontwikkelingen en de
uitbreiding van het aantal diagnose- en behandelingsmethoden zal de behoefte aan
geneeskundige zorg de komende decennia verder toenemen.
Om alle ingezetenen noodzakelijke, betaalbare zorg te kunnen blijven
bieden, is een optimaal presterend gezondheidszorgsysteem, waarin alle betrokkenen
gestimuleerd worden tot een gepast gebruik van medische
voorzieningen, onontbeerlijk.
De regering is van
oordeel dat het stelsel van gezondheidszorg aanzienlijk aan presterend vermogen
kan winnen door het systeem van centrale overheidssturing waar
mogelijk plaats te laten maken voor een meer decentraal georganiseerd
stelsel van gereguleerde concurrentie. Daartoe is vereist dat actoren in
de zorg meer vrijheden én meer verantwoordelijkheden krijgen en dat zij onder
gelijkwaardige condities hun rol kunnen vervullen. De noodzaak
van deze ontwikkeling wordt in de sector en in de samenleving breed onderschreven.
Het verzekeringsstelsel
dient deze wijziging in de sturing van de zorg te ondersteunen. Dit
wetsvoorstel voorziet daarom in het aanbrengen van gelijke condities voor
verzekeraars en verzekerden en in het versterken van rollen van zowel
burgers, zorgaanbieders als zorgverzekeraars, opdat zij worden aangemoedigd
zo doelmatig mogelijk om te gaan met de gezondheidszorg. Burgers
krijgen zowel meer financiële verantwoordelijkheden als meer invloed en
reële keuzevrijheden bij het bepalen van hun zorgverzekering. Daarmee
komen zorgverzekeraars in een positie waarin zij zich in onderlinge
concurrentie actiever dienen in te spannen om voor hun verzekerden een
gunstige prijs/prestatieverhouding bij zorgaanbieders rblz.|3|
te bedingen.
Zorgaanbieders dienen meer prestatiegericht te gaan werken en krijgen tevens
meer mogelijkheden om zorg te bieden die aansluit bij de behoeften
en wensen van burgers.
De overheid behoudt de
systeemverantwoordelijkheid voor de toegankelijkheid, betaalbaarheid en
kwaliteit van de gezondheidszorg.
1. Wat betreft de planning
en bouw van medische voorzieningen:
Kamerstukken II 2000-2001, 27 659. Wat betreft de
tarievenwetgeving: Kamerstukken II 2003-2004,
29 379. Wat betreft de herziening van het overeenkomstenstelsel: Kamerstukken II
2002-2003,
28 994. Zie ook de brieven aan de Tweede
Kamer van 19 december 2003 en 12 maart 2004:
Kamerstukken II 2003-2004, 23 619, nrs. 20
en 21.
Noodzaak tot hervorming
van het huidige verzekeringsstelsel
Het huidige Nederlandse
stelsel van zorgverzekeringen kent een groot aantal verworvenheden,
zoals ruimte voor particulier initiatief, een relatief sterke private grondslag
en de daarbij behorende financiële verantwoordelijkheid van zowel ziekenfondsen
als verzekeraars en een goede toegankelijkheid. De regering wil deze
verworvenheden behouden en waar mogelijk versterken.
Tegelijkertijd kenmerkt
de huidige situatie zich door historisch gegroeide onvolkomenheden die een
onderbenutting van de mogelijkheden van het verzekeringsstelsel tot
gevolg hebben.
Zo is in het bestaande
stelsel de wijze waarop iemand verzekerd is of kan zijn afhankelijk van
omstandigheden als zijn werksituatie, zijn inkomen, zijn burgerlijke staat en
soms ook zijn gezondheidstoestand. Mensen in vergelijkbare
inkomenssituaties betalen, afhankelijk van het voor hen geldende
verzekeringsregime, soms sterk uiteenlopende premies. De mogelijkheden om van
verzekeraar te veranderen zijn per verzekeringssegment verschillend. Soms zijn
zij feitelijk afwezig als gevolg van risicoselectie, het verplicht deelnemen
in een publiekrechtelijke regeling of het dwingende karakter van collectieve contracten. Door de beperkte omvang
van de nominale premie in
de ziekenfondsmarkt is het financieel belang van de
ziekenfondsverzekerde bij een bewuste keuze van zijn verzekeraar nog beperkt.
De segmentering van de
zorgverzekeringsmarkt brengt ook intransparantie met zich mee, waardoor voordelen van een homogene markt
onbenut blijven.
Het ongelijke speelveld
in het verzekeringssysteem veroorzaakt ook verschillen in
oriëntatie tussen ziekenfondsen en particuliere verzekeraars. Zo zijn ziekenfondsen
- die een acceptatieplicht kennen - gericht op het contracteren van zorg
voor hun verzekerden, terwijl particuliere verzekeraars van oudsher sterk op
risicoselectie zijn georiënteerd.
De verschillen en
marktimperfecties op het vlak van acceptatie, keuzemogelijkheden, eigen verantwoordelijkheid en financiering belemmeren
de keuzevrijheid en
mobiliteit van verzekerden. Als gevolg daarvan kunnen zij hun
zorgverzekeraars onvoldoende aansporen om hun potentiële rol als contractpartij
van zorgaanbieders voldoende te ontplooien. Dat
draagt eraan bij dat kostenbeheersing in de gezondheidszorg in
hoge mate een zaak blijft van
centrale aanbodregulering en tariefstelling door de overheid. Daardoor kan
deregulering, die uit oogpunt van doelmatigheid en doeltreffendheid van
het gezondheidszorgsysteem gewenst is, onvoldoende van de grond komen. In de visie van de regering is een
eenduidig, en voor
verzekerden en verzekeraars transparant verzekeringsstelsel waarin alle deelnemers
onder gelijke condities participeren, een voorwaarde voor een duurzaam en betaalbaar zorgstelsel in de toekomst.
Het wetsvoorstel creëert
dit noodzakelijke gelijke speelveld en creëert een systeem van checks
and balances in de betrekkingen tussen verzekerden, zorgverzekeraars en
zorgaanbieders.
Meer keuzevrijheid en
verantwoordelijkheid voor de verzekerde
Door de nieuwe
Zorgverzekeringswet krijgt iedere ingezetene de mogelijkheid een verzekeringsovereenkomst te sluiten met de zorgverzekeraar van
zijn keuze. De
solidariteit binnen het stelsel komt tot uitdrukking in een rblz.|4|
verzekeringsplicht voor
de burgers en een acceptatieplicht voor de zorgverzekeraars. Zorgverzekeraars hebben
de plicht om iedereen, ongeacht persoonlijke kenmerken,
tegen gelijke condities een zorgverzekering aan te bieden. De wet geeft
aan op welke vormen van zorg de zorgverzekering betrekking heeft.
Verzekeraars kunnen hun
verzekerden keuzemogelijkheden voorleggen wat betreft de wijze van
vergoeding, service-elementen en de hoogte van het eigen risico en de
daaraan verbonden premiekorting. Het kostenbewustzijn van de verzekerde wordt
gestimuleerd door een nominale premie (waarmee op macroniveau circa 45% van de verzekering
wordt gefinancierd) en
een no-claimteruggaveregeling. De verzekeraar mag zelf de nominale
premie vaststellen, maar dient aan iedereen voor hetzelfde verzekeringsarrangement dezelfde premie in rekening te
brengen. De maximale
hoogte van de teruggave uit hoofde van de no-claimteruggaveregeling
is voor iedereen gelijk.
De verzekeringsmarkt
wordt transparanter voor de consument omdat het onderscheid tussen
particulier en ziekenfonds en daarmee ook alle wettelijke opslagpremies komen te
vervallen. Verbeteringen in de beschikbaarheid van keuze-informatie over
prestaties van zorgverzekeraars dragen bij aan een verdere versterking van de positie van de burger op de zorgverzekeringsmarkt.
De Zorgverzekeringswet
voorziet er hiertoe in dat er een vergelijkend
overzicht beschikbaar is van de elementen die voor hem bepalend zijn bij
het
maken van zijn keuze voor een zorgverzekering. Ook particuliere initiatieven
op dit gebied zoals de Report Card Verzekeraars die momenteel door de
Consumentenbond wordt ontwikkeld, verdienen in dit verband
vermelding.
Meer concurrentie en
invloed voor de zorgverzekeraar
Het wetsvoorstel geeft de
zorgverzekeraars een belangrijke rol in het model van gereguleerde
concurrentie.
Zij treden op als
onderhandelingspartners van de zorgaanbieders als het gaat over de prijs,
inhoud en organisatie van de zorg. Zij mogen bij de uitvoering van de wet
winstbeogend zijn. Naar hun verzekerden hebben zij een wettelijke
zorgplicht, die zij op verschillende manieren kunnen invullen. De
zorgverzekeraars kunnen afspraken maken met zorgverleners en hun verzekerden keuzes
laten binnen het gecontracteerde zorgaanbod. De zorgverzekeraars
kunnen ook de verzekerde geheel zelf laten bepalen tot welke zorgverlener
hij zich wil wenden en de verzekerde de kosten van die zorg vergoeden,
waarbij zij op verzoek van de verzekerde bemiddelen bij het vinden van
zorgverleners. Het gegeven dat alle verzekerden ongeacht leeftijd of gezondheid
jaarlijks van zorgverzekeraar kunnen veranderen, vormt een belangrijke
stimulans voor een goede dienstverlening en een doelmatige zorginkoop en versterkt de concurrentie tussen zorgverzekeraars.
Doordat er geen
risicoselectie mogelijk is, wint het afdwingen van betere prestaties van
zorgaanbieders voor de zorgverzekeraar aanmerkelijk aan belang. De geleidelijke
liberalisering van de zorginkoopmarkt, die voor een belangrijk deel ook
met andere wetgeving wordt ondersteund, zal de positie van de
verzekeraars ten opzichte van de zorgaanbieders versterken.
Door het wegvallen van de
grenzen tussen de verschillende verzekeringsvormen strekt de
verzekerdenmarkt zich voor alle zorgverzekeraars uit tot alle ingezetenen. Dit
betekent voor de huidige ziekenfondsen en particuliere verzekeraars die de
Zorgverzekeringswet willen gaan uitvoeren een aanzienlijke uitbreiding
van het marktpotentieel.
De mogelijkheid voor het
afsluiten van collectieve contracten blijft bestaan. Daarmee kan een
bijdrage geleverd worden aan een geïntegreerd preventie- en
verzuimbeleid en kunnen bijvoorbeeld patiëntenverenigingen afspraken over zorg op
maat maken.
rblz.|5|
Meer maatwerk en
prestatiegerichtheid door zorgaanbieders
De vernieuwing van het
verzekeringsstelsel zal eraan bijdragen dat de verzekeraars hogere eisen
zullen gaan stellen aan hun contracten met zorgaanbieders, zowel
kwalitatief als financieel. Verruiming van de contracteermogelijkheden
voor verzekeraars en aanbieders, prestatiegerichte bekostigingssystemen
(zoals het systeem van diagnose-behandelingcombinaties dat momenteel
wordt ingevoerd) en het beschikbaar komen van vergelijkende
informatie over prestaties van zorgaanbieders ondersteunen deze
ontwikkeling. Zorgaanbieders zullen meer prestatiegericht moeten gaan werken, maar
krijgen ook meer mogelijkheden om zich van elkaar te
onderscheiden en maatwerk te leveren.
Minder bureaucratie en
administratieve lasten
Door genoemde
verschuiving van directe overheidsregulering naar meer verantwoordelijkheid voor
de betrokken partijen in de zorg is het mogelijk onnodige bureaucratie en
de administratieve lastendruk te verminderen. Het huidige stelsel kent
ook veel administratieve rompslomp die voortvloeit uit het "grensverkeer"
tussen ziekenfondsen en particuliere verzekeraars als gevolg van
veranderingen in de inkomenssituatie.
Overheid draagt zorg voor
sociale randvoorwaarden
De regering beoogt een
verzekeringsstelsel te creëren dat enerzijds het nemen van eigen verantwoordelijkheid en marktwerking aanmoedigt en
anderzijds een stevige
verankering geeft aan sociale randvoorwaarden (solidariteit tussen
inkomens en risico’s). Die sociale randvoorwaarden komen tot uitdrukking in
een aantal wettelijke waarborgen.
In de eerste plaats is er
de acceptatieplicht, die een wettelijk verzekerd pakket betreft dat grosso
modo zal overeenkomen met het huidige ziekenfondspakket.
Per verzekeringsmodel dat
een verzekeraar aanbiedt, geldt één nominale premie die voor alle
verzekerden gelijk is, ongeacht hun leeftijd of ziekterisico. Verzekerden jonger dan 18
jaar betalen geen premie. Die wordt voor deze groep uit een
rijksbijdrage gefinancierd. Er komt ook een einde aan de huidige,
willekeurige inkomenseffecten bij grensovergangen tussen ziekenfonds,
particuliere markt en publiekrechtelijke verzekering. Mensen voor wie de hoogte
van de nominale premie gezien hun inkomenssituatie problematisch is, kunnen
op grond van een afzonderlijk wetsvoorstel (Wet op de
zorgtoeslag) voor een zorgtoeslag in aanmerking komen. Met de zorgtoeslag
wordt een belangrijke relatie gelegd tussen draagkracht en de
berekende premielast. Zo krijgt de solidariteit tussen inkomens een duidelijke
en herkenbare plaats in het nieuwe stelsel van ziektekostenverzekering.
Werkgevers dragen bij aan
de financiering door middel van een verplichte werkgeversbijdrage (in de
vorm van een verplichte vergoeding aan hun werknemers over de door
deze werknemers over het loon verschuldigde inkomensafhankelijke
bijdrage). De inkomensafhankelijke bijdragen worden aangewend om een
goed werkend systeem van risicoverevening in stand te houden.
Uitkeringen uit het vereveningsfonds voorkomen dat er voor de
zorgverzekeraar financiële nadelen voortvloeien uit een onevenredige verdeling
van verzekeringsrisico’s.
Het wetsvoorstel voorziet
tevens in een wettelijk geregeld onafhankelijk toezicht op de
zorgverzekeraars, teneinde de overheid de noodzakelijke informatie te verschaffen
om verantwoording af te leggen aan het parlement over het functioneren van
het zorgverzekeringsstelsel als geheel.
rblz.|6|
Tot slot
Tegen de achtergrond van
de hervormingen in het zorgstelsel in de laatste vijftien jaar (zoals
invoering van mededinging in de ziekenfondsverzekering en invoering van
solidariteitsoverdrachten in de particuliere verzekeringen) acht de regering de
wettelijke regeling van de nieuwe zorgverzekering eerder een logische, noodzakelijke vervolgstap dan een breuk met het
verleden. De regering
kiest, gelet op de private elementen die zowel de ziekenfondsverzekering
als de particuliere verzekeringen zijn blijven kenmerken, bewust voor een privaatrechtelijke vormgeving van de zorgverzekering.
Van belang is daarbij dat
de Europese Commissie als vanzelfsprekend aanneemt dat de vrijheid
van de lidstaten van de Europese Unie om hun stelsel van sociale zekerheid naar eigen inzichten in te richten,
ook de vrijheid
impliceert de dekking van het verzekeringsrisico over te laten aan private
verzekeringsondernemingen. Daarbij kunnen in het algemeen belang eisen aan
die ondernemingen worden gesteld. Ruimte voor eigen initiatief en
ondernemerschap gaat in het wetsvoorstel gepaard met sterke
publieke randvoorwaarden. Op deze wijze kunnen de sociale traditie van het
ziekenfonds en de markttraditie van de particuliere verzekering worden
samengebracht. Zowel ziekenfondsen als particuliere ziektekostenverzekeraars
kunnen zich omvormen tot verzekeringsmaatschappijen die als zorgverzekeraars
de
Zorgverzekeringswet uitvoeren. Aldus is de continuïteit
in het functioneren van het zorgstelsel genoegzaam gewaarborgd. Alle
verzekerden zullen onder de paraplu van de Europese
socialezekerheidsverordening komen. De verzekerden die in het buitenland
wonen of
verblijven, kunnen ter plaatse medische zorg genieten ten laste van de
Nederlandse verzekering.
De
Zorgverzekeringswet vervangt de Ziekenfondswet
(Zfw), de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen 1998 (Wtz 1998) en de Wet medefinanciering
oververtegenwoordiging
oudere ziekenfondsverzekerden (Wet MOOZ), die met het
van kracht worden van dit wetsvoorstel worden ingetrokken. Onderstaande
tabel geeft een schematisch overzicht van de belangrijkste hierboven
beschreven veranderingen uit hoofde van dit wetsvoorstel.
| |
Knelpunten huidig stelsel
van zorgverzekeringen |
Aanpak
Zorgverzekeringswet |
| Burger |
Onvoldoende
invloed en keuzemogelijkheden |
•
Zorgverzekering met acceptatieplicht neemt
belemmeringen weg voor keuze uit verzekeraars
(zoals de huidige inkomensgrens, selectie op basis van
gezondheidstoestand, verplichte deelname aan een collectief contract of
publiekrechtelijke regeling)
• Keuze uit divers aanbod
verzekeringsmodellen: natura/restitutie/vrijwillige eigen risico’s
• Grotere transparantie
door zorgverzekering
• Toename concurrentie
stimuleert verzekeraars en aanbieders tot cliëntgericht handelen |
| Ongewenste
inkomenseffecten |
•
Met de Zorgverzekeringswet vervallen inkomenseffecten
voor burgers die moeten overstappen
tussen ziekenfonds en particuliere verzekering en ongelijke behandeling
van kinderen en partners
• Inkomenscompensatie via
zorgtoeslag |
| Onvoldoende eigen
verantwoordelijkheid |
•
Significante nominale premie
• No-claimteruggaveregeling |
| Door
premiestijgingen komt betaalbaarheid zorg in het geding |
•
Prikkels voor
verzekerden, verzekeraars en aanbieders om bij te dragen aan betaalbaarheid zorg |
| Zorgverzekeraar |
Verbrokkelde markt met ongelijk speelveld particulier/ziekenfonds |
•
Creatie van één
homogene, transparante markt met gelijke spelregels voor alle
zorgverzekeraars |
| Zorgverzekeraars treden
richting aanbieders nog onvoldoende op als
contractpartijen die doelmatige, kwalitatief
hoogwaardige zorg afdwingen |
•
Verbod op risicoselectie
geeft alle verzekeraars dezelfde oriëntatie: beter sturen op doelmatigheid
en kwaliteit aanbod
• Alle verzekerden kunnen
stemmen met de voeten en hebben daarbij ook een groter financieel
belang
• Ruimte voor
ondernemerschap wordt groter: de focus van zorgverzekeraars op de doelmatigheid en
kwaliteit van het zorgaanbod maakt geleidelijke deregulering
mogelijk
• Toestaan winstmotief aan
zorgverzekeraars |
| Te veel administratieve
lasten |
•
Zorgverzekering leidt tot vereenvoudiging regelgeving en
wegvallen doelmatigheidstoezicht |
| Zorgaanbieder |
Zorgaanbieders zijn onvoldoende prestatie- en vraaggericht |
•
Versterkte positie
zorgverzekeraar en burger stimuleert zorgaanbieder tot betere prestaties
• Geleidelijke deregulering
vergroot ruimte voor ondernemerschap en mogelijkheid tot leveren
maatwerk |
rblz.|7|
II. Achtergrond van het
wetsvoorstel
Eisen aan het systeem van
gezondheidszorg
De regering acht het een
blijvende overheidsverantwoordelijkheid dat noodzakelijke
gezondheidszorg van goede kwaliteit voor alle Nederlanders toegankelijk is, ongeacht
hun leeftijd, gezondheidstoestand of inkomenspositie. Een
solide borging van dit publieke belang stelt hoge eisen aan het systeem van
gezondheidszorg, zowel op medisch en zorginhoudelijk gebied als vanuit een
oogpunt van doelmatige uitvoering en beheerste
kostenontwikkeling.
De laatste jaren is het
besef toegenomen dat met het huidige stelsel van organisatie en
financiering van de zorg niet langer op een evenwichtige manier aan deze eisen kan
worden voldaan. De geleidelijk gegroeide, gedetailleerde
overheidssturing binnen het zorgstelsel vormt steeds meer een belemmering voor een
kwalitatief goed en doelmatig functionerende zorgsector. Een teveel
aan centrale regelgeving en het ontbreken van adequate (markt)prikkels
staan thans in de weg aan het realiseren van een innovatief zorgaanbod met
een goede prijs-prestatieverhouding. Daarnaast roept ook de aanzienlijke
stijging van de zorguitgaven van de laatste jaren als zodanig vragen
op over de houdbaarheid van het stelsel op langere termijn.¹
1. In 2001 en 2002 groeide
het zorgvolume in totaal met ruim 14%. De reële economische groei bedroeg in die
periode zo’n 1,5%. De zorgquote
(aandeel van de zorguitgaven in het bruto binnenlands product) steeg van zo’n
8,5% in 2000 naar circa 9,7% in 2003.
Toekomstige
ontwikkelingen
De eisen die aan het
gezondheidszorgsysteem worden gesteld, zullen de komende jaren alleen maar
toenemen. De Nederlandse bevolking vergrijst en krijgt daardoor een
steeds grotere zorgbehoefte. Die ontwikkeling zal zich, gezien de
samenstelling van de bevolking, nog tientallen jaren voortzetten.
Langetermijnprognose
vergrijzing Nederlandse bevolking (Bron: CBS, Statline
1 september 2004):
| |
Totaal |
65+ |
75+ |
85+ |
| |
Aantal in
miljoen
personen |
Aantal in
miljoen
personen |
Percentage
van het
totaal |
Aantal in
miljoen
personen |
Percentage
van het
totaal |
Aantal in
miljoen
personen |
Percentage
van het
totaal |
| 2003 |
16,20 |
2,22 |
14% |
1,00 |
v6% |
0,23 |
1% |
| 2010 |
16,67 |
2,49 |
15% |
1,11 |
v7% |
0,29 |
2% |
| 2020 |
17,21 |
3,19 |
19% |
1,30 |
v8% |
0,32 |
2% |
| 2030 |
17,61 |
3,82 |
22% |
1,75 |
10% |
0,40 |
2% |
| 2040 |
17,71 |
4,13 |
23% |
2,06 |
12% |
0,55 |
3% |
rblz.|8|
Ook het profiel van de
zorgvrager is aan verandering onderhevig. De burger heeft meer
uitgesproken wensen ten aanzien van de aard en kwaliteit van de geboden zorg.
Daarnaast is er de voortgaande ontwikkeling in de medische technologie,
die maakt dat er steeds meer mogelijk wordt. Dit alles brengt echter
ook aanzienlijke kosten met zich.
In de periode 1998-2002
is het aandeel van de zorgkosten in het bruto binnenlands product sterk toegenomen, sterker dan in andere Europese
landen. Dit heeft
geresulteerd in een zorgquote ultimo 2003 van circa 9,7%.
Langetermijnverkenningen van de Sociaal-Economische Raad (SER), het Centraal Planbureau
en de Studiegroep begrotingsruimte geven aan dat Nederland er zich op
moet voorbereiden dat deze quote als gevolg van de genoemde
ontwikkelingen kan oplopen naar 13 à 15% in 2040. Deze kostenstijging wordt
niet alleen door de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ)
veroorzaakt, ook de uitgaven aan curatieve zorg nemen toe naarmate meer
mensen ouder worden.
Noodzaak tot herziening
van het zorgstelsel
Met het oog op de
gestelde en soms ook niet goed met elkaar te verenigen huidige en toekomstige
eisen acht de regering een herziening van het stelsel van
organisatie en financiering van de gezondheidszorg noodzakelijk. Immers, de voor een deel
onvermijdelijk oplopende zorgquote vereist des te meer dat
het zorgstelsel met de schaarse beschikbare middelen optimaal
presteert. Om ook in de toekomst de kwaliteit van onze gezondheidszorg te kunnen
waarborgen, dient het veranderend vermogen van de zorgsector te groeien. Met het oog op de
betaalbaarheid van de
gezondheidszorg zijn een
doelmatige verlening van zorg én een gepast zorggebruik nodig. De
organisatie- en financieringsstructuur van de zorg dienen daarvoor meer en
betere stimulansen te verschaffen. Het waarborgen van de
toegankelijkheid van de zorg vereist dat het zorgstelsel wordt geschraagd door een
robuust georganiseerde risico- en inkomenssolidariteit.
Om deze doelstellingen te
bereiken, streeft de regering naar een nieuwe balans in de verdeling
van verantwoordelijkheden tussen overheid en maatschappelijke actoren.
Die balans krijgt gestalte door het geleidelijk verminderen van directe
overheidsregulering van het zorgaanbod, onder het gelijktijdig doen ontstaan van meer vrijheden én verantwoordelijkheden
voor de actoren in de
zorg: zorgaanbieders, zorgverzekeraars en zorgvragers
respectievelijk verzekerden. De regering streeft daarmee naar een stelsel
van
gereguleerde marktwerking, waarin de overheid steeds meer zal optreden als
kadersteller en toezichthouder. Binnen de door de wetgever geformuleerde
kaders krijgen de betrokken actoren meer keuzemogelijkheden, beleids- en
beslissingsruimte én meer concurrentieprikkels. Er treedt aldus een verschuiving op van directe regulering van
het zorgaanbod door de
centrale overheid naar regulering van markten waarop
verzekerden/zorgvragers, zorgverzekeraars en aanbieders van zorg elkaar ontmoeten.
Hierbij past ook dat het
zorgsysteem de burger er, meer dan thans het geval is, toe aanzet zijn
eigen verantwoordelijkheid te nemen voor zijn gezondheid, zijn
gezondheidszorg en de verzekering tegen ziektekosten. Hij dient ook de
mogelijkheid te krijgen aan die verantwoordelijkheid daadwerkelijk invulling
te geven. Tegelijk mag het vergroten van die eigen verantwoordelijkheid niet
met zich brengen dat degenen die minder in staat zijn deze waar te
maken, op enigerlei wijze van de zorg worden uitgesloten.
rblz.|9|
Condities voor
gereguleerde concurrentie
De werking van
concurrentie in de gezondheidszorg is complex. Drie onderling verbonden
marktpartijen moeten ondanks obstakels als kennisasymmetrie en "moral
hazard" een
toegankelijke, kwalitatief hoogwaardige en doelmatige
gezondheidszorg bewerkstelligen. Binnen die driehoeksrelatie kan onderscheid gemaakt
worden tussen de zorgverzekeringsmarkt, de
zorgverleningsmarkt en de zorginkoopmarkt.
De zorginkoopmarkt
bestaat op zijn beurt weer uit verschillende segmenten of deelmarkten
als gevolg van verschillen in de aard van de verleende zorg. Al
naargelang de zorgverlening niet-uitstelbaar of juist planbaar is, complex in
de zin van multidisciplinair of eenvoudig (monodisciplinair), kapitaalintensief of
kapitaalextensief, kunnen de mogelijkheden voor concurrentie
variëren. Omdat de uitkomst van deze marktprocessen in hoge mate afhankelijk
is van het gedrag van genoemde partijen, heeft de
overheid de cruciale rol om de juiste condities te scheppen, de juiste
spelregels op te stellen en daarop toezicht te regelen.
Wil het concept van
gereguleerde marktwerking goed kunnen werken, dan dient het verzekerings-
en financieringssysteem daar qua structuur goed bij aan te sluiten. De
bestaande structuur schiet daarin tekort omdat verschillende
verzekeringsarrangementen, met verschillende en soms tegengestelde prikkels
naast elkaar bestaan. Zo wordt in de particuliere verzekering
risicoselectie beloond, terwijl deze in de ziekenfondsverzekering is uitgesloten. Ook zijn
er verschillen in overstapmogelijkheden en in verantwoordelijkheden
jegens de verzekerden. De regering acht het bestaan van deze
verschillen prohibitief voor de ontwikkeling van een gezonde en volwaardige
ontwikkeling van zowel de zorgverzekerings- als de zorginkoopmarkt. De in
de visie van de regering noodzakelijke versterking van marktprikkels en
checks and balances in de betrekkingen tussen de hoofdrolspelers in de
zorg vergt dat er één homogene markt is voor verzekeraars, in die zin dat alle
verzekeraars aan dezelfde spelregels zijn onderworpen, zowel jegens hun verzekerden als jegens de zorgaanbieders en
de overheid. Dit
wetsvoorstel voorziet daarin. Alhoewel het nieuwe verzekeringsstelsel
evenals het bestaande private en publieke kenmerken combineert, wint het ten
opzichte van het huidige stelsel duidelijk aan transparantie en
homogeniteit.
Zorgverzekeraars zullen
in onderlinge concurrentie voor hun verzekerden optreden. In de visie van
de regering gaat het om een nieuw type verzekeraar dat zowel kenmerken heeft
van de bestaande particuliere verzekeraar als van het huidige
ziekenfonds. De zorgverzekeraars vervullen de door de regering gewenste centrale rol in het model van gereguleerde concurrentie
als zij optreden als
doelmatige, klantgerichte regisseurs van de zorg. Om dat te
bevorderen, hebben de zorgverzekeraars een wettelijke zorgplicht. De financiering van zorgverzekeraars wordt bovendien zo
ingericht dat zij zich
vooral op zorgregie gaan richten en niet op het selecteren van verzekerden op basis
van hun gezondheidsvooruitzichten. Daarvoor is nodig dat ze in
voldoende mate risicodragend zijn, dat er een adequaat
risicovereveningssysteem is en dat er gezonde concurrentieverhoudingen zijn.
Het Centraal Planbureau
heeft in zijn studie "Zorg voor concurrentie" ¹ de belangrijkste voorwaarden
voor concurrentie benoemd. Een eerste is de betwistbaarheid van
marktposities. Zoals de regering de afgelopen jaren in vele nota’s en
wetsvoorstellen heeft uiteengezet, heeft de deregulering van de aanbodkant van de
zorginkoopmarkt in Nederland hoge prioriteit. Het gaat hier met name om
de verruiming van de mogelijkheden voor opleiding tot het
artsenberoep en voor het kunnen starten van ondernemingen die zorg aanbieden. De
voorgestelde vernieuwingen van de rblz.|10|
Wet tarieven
gezondheidszorg (Wtg) en de vervanging van de Wet ziekenhuisvoorzieningen door de
Wet
toelating zorginstellingen zijn hoofdzakelijk hiervoor bedoeld. Deze
wetten maken het mogelijk dat de toelating tot de markt niet afhankelijk is
van een bouwvergunning, dat winstoogmerk kan worden toegestaan en dat
er maatwerk kan worden geleverd bij het prijsbeleid. Deze maatregelen worden
met dit wetsvoorstel nog versterkt door de functionele
omschrijving van de wettelijke aanspraken. Daarmee krijgen verzekeraars en
verzekerden meer mogelijkheden om voor vernieuwende doelmatige oplossingen te
kiezen waarmee nieuwe vormen van zorgaanbod worden
gestimuleerd.
Een andere door het
Centraal Planbureau benadrukte voorwaarde is de transparantie van
markten. Die is nodig om een evenwichtige onderhandelingssituatie tussen de vraag- en
aanbodzijde tot stand te kunnen brengen. De regering bevordert
daarom de noodzakelijke ontwikkeling en invoering van instrumenten voor prestatiemeting, heldere verantwoording over de
geleverde kwaliteit en
consumenteninformatie. Evenals de maatregelen om de concurrentie op de
zorgmarkten te bevorderen, zijn deze maatregelen niet allemaal in extenso
onderwerp van dit wetsvoorstel.
Datzelfde
geldt voor het sectorspecifieke toezicht dat nodig is om de concurrentie in de
gezondheidszorg op een verantwoorde manier te stimuleren en waar nodig
te corrigeren. Cruciaal in dit verband is de oprichting van een sterke
Zorgautoriteit. De regering heeft zich ten doel gesteld de wet die
daarvoor de basis vormt tegelijk met de
Zorgverzekeringswet in werking te doen
treden. Voor een meer uitgebreide beschrijving van doel, taken en
bevoegdheden van de Zorgautoriteit zij verwezen naar de brief van de
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) van 10 september
2004.²
De regering is van mening
dat met hetgeen in de Zorgverzekeringswet is geregeld in samenhang met
wat daarbuiten op de gezondheidszorgmarkten wordt verbeterd op het
terrein van mededinging, transparantie en toezicht, de
voorwaarden kunnen worden vervuld om de gewenste uitkomst van de
marktwerking in de Nederlandse gezondheidszorg te bewerkstelligen. De
regering onderschrijft daarmee de conclusie die het Centraal Planbureau in de
eerder genoemde studie trekt, namelijk "dat het door het kabinet
voorgestane zorgstelsel, meer dan het huidige stelsel, perspectief biedt op zorg
die zowel kosteneffectief als toegankelijk is en dat onzekerheden die met
een nieuw stelsel gepaard gaan de invoering ervan niet in de weg behoeven te
staan".
1. Centraal Planbureau,
"Zorg voor concurrentie, een analyse van het
nieuwe zorgstelsel", januari 2003.
2. Kenmerk Z/PB-2516069.
Stapsgewijze invoering
van concurrentie
De regering acht
bovenstaande conclusie te meer gerechtvaardigd, daar zij kiest voor een
stapsgewijze en weloverwogen aanpak bij de toepassing van concurrentie.
Al naargelang de mogelijkheden de zorgverlening in concrete producten en
diensten te kunnen uitdrukken en afhankelijk van de karakteristieken van
de verschillende deelmarkten, zoals hierboven beschreven, wordt het
concurrentiemechanisme geactiveerd. Door dit stapsgewijs te doen, zijn
de gevolgen overzienbaar en kunnen de opgedane ervaringen bij volgende
stappen worden benut. De eerste stappen zullen worden gezet bij
ongeveer 10% van de ziekenhuiszorg en bij de fysiotherapie. De Tweede
Kamer is hierover separaat geïnformeerd.¹
1. Kamerstukken II 2003-2004, 29 248, nr. 5, en Kamerstukken II 2003-2004,
29 200, XVI, nr. 276.
Ontwikkeling van het
stelsel van ziektekostenverzekeringen voor geneeskundige zorg
Ziektekostenverzekering
is in Nederland heel lang een louter private aangelegenheid geweest. Vanaf het
begin
van de 20e eeuw zijn diverse pogingen gedaan de
ziektekostenverzekering wettelijk te regelen, maar tot 1941 zijn alle pogingen
daartoe steeds mislukt.¹
Nederland kende tot dat
jaar een stelsel van private ziekenfondsen. Naar rblz.|11|
burgerlijk recht waren
ziekenfondsen - overwegend - onderlinge waarborgmaatschappijen. Individuen
konden
vrijwillig lid worden van een ziekenfonds. Tegen een vaste premie
boden de ziekenfondsen hulp in natura. Primair omvatte de hulp
waarop aanspraak bestond huisartsenhulp. Ziekenfondsen betaalden huisartsen een abonnementshonorarium, dat
wil zeggen een vast
bedrag per ingeschreven ziekenfondspatiënt per jaar. Voor dat bedrag kon de
patiënt de huisarts elke keer raadplegen als dat nodig was. Toen in de
medische beroepsuitoefening meer specialisatie ontstond, bepaalden de
ziekenfondsen in hun verzekeringsvoorwaarden dat een medisch
specialist alleen voor rekening van het ziekenfonds mocht worden
geraadpleegd als er een verwijzing van de huisarts was. Het ziekenfonds werd
gezien als een sociale instelling die er vooral moest zijn voor mensen met een
laag inkomen. Tegen een lage premie werd voor de
ziekenfondsverzekerden de toegang tot de gezondheidszorg gewaarborgd. Artsen namen
genoegen met lage tarieven, maar bedongen dat ziekenfondsen mensen
die "particuliere" tarieven konden betalen niet als verzekerde zouden
toelaten. Onder druk van de artsenorganisatie namen de ziekenfondsen in
hun statuten een "welstandsgrens" op. Mensen die meer
verdienden dan deze welstandgrens mochten niet worden toegelaten tot het
ziekenfonds, of moesten, als zij verzekerd waren, bij overschrijding
van de welstandsgrens het ziekenfonds weer verlaten. Het
verschijnsel welstandsgrens (of loongrens/inkomensgrens) speelt tot op de dag van
vandaag een rol in de Nederlandse ziekenfondsverzekering.
Ziekenfondsen waren, als
gezegd, sociale instellingen die zich sterk door solidariteitsoverwegingen
lieten leiden. Het verschijnsel medische selectie kwam nauwelijks voor; de
premies voor jong en oud, ziek en gezond, waren gelijk. Er was wel
concurrentie tussen ziekenfondsen, maar die spitste zich niet toe op risicoselectie. In 1940 was ruim 50% van de bevolking
vrijwillig ziekenfondsverzekerd, en dat was het minst welgestelde deel.
Tijdens de Tweede
Wereldoorlog is de ziekenfondsverzekering alsnog in de publiekrechtelijke
sfeer gekomen. Onder invloed van de Duitse sociale wetgeving van Bismarck
werd de ziekenfondsverzekering verplicht voor werknemers met een loon
onder een bepaalde grens (de loongrens).² De ziekenfondsen behielden
hun privaatrechtelijk karakter, maar moesten om de verplichte verzekering
te kunnen uitvoeren, door de overheid worden toegelaten. Er kwam
overheidstoezicht op de ziekenfondsen. Voor de verplicht verzekerden
werd de hoogte van de premie inkomensafhankelijk. Het naturakarakter van
de verzekering, met daaraan gekoppeld het stelsel van overeenkomsten met
(private) zorgaanbieders, bleef volledig intact. Het Ziekenfondsenbesluit
1941 ³ bleef, ontdaan van ongewenste aspecten uit de bezettingstijd, na
de Tweede Wereldoorlog en het herstel van het democratische
parlementaire stelsel gehandhaafd en heeft tot 1964 gefunctioneerd. Toen kwam
de Zfw tot stand die, hoewel vele malen gewijzigd, nog steeds van
kracht is. De verhouding ziekenfonds-verplicht verzekerde kreeg een
publiekrechtelijk karakter. Ziekenfondsen konden aan niet-verplicht
verzekerden met een inkomen onder de inkomensgrens op vrijwillige (en privaatrechtelijke) basis een ziekenfondsverzekering
blijven aanbieden.
Voor groepen ambtenaren
werkzaam bij lagere overheden kwamen in de jaren ’50 specifieke publiekrechtelijke ziektekostenvoorzieningen tot stand.
1. Zie hieromtrent:
memorie van toelichting bij de ontwerp-Ziekenfondswet:
Kamerstukken II 1961-1962, 6808, nr. 3, blz. 6-8.
2. Hoewel de
premiebetaling verplicht was, gold de verhouding
ziekenfonds-verplicht verzekerde onder de vigeur van het Ziekenfondsenbesluit
toch als een
privaatrechtelijke verzekeringsverhouding;
aldus HR 13 maart 1959, NJ 1962, nr. 339.
3. Besluit van 1 augustus
1941, Verordeningenblad voor het bezette
Nederlandsche gebied, 1941, nr. 160.
Met het stijgen van de
kosten van de gezondheidszorg werd het ook voor hoger betaalden steeds
meer een noodzaak zich tegen ziektekosten te verzekeren. Het was
ziekenfondsen niet toegestaan die hoger betaalden verzekeringen aan te
bieden. En zo ontstonden naast de ziekenfondsen particuliere ziektekostenverzekeraars. Binnen de particuliere ziektekostenverzekering
geldt, naast een nominale premieheffing, een stelsel van restitutie: de verzekerde
krijgt de kosten die hij voor geneeskundige rblz.|12|
verzorging heeft moeten
maken, voor zover door de polis gedekt, van de verzekeraar vergoed. Veel
particuliere ziektekostenverzekeraars zijn in de jaren ’50 van de 20e
eeuw door en vanuit ziekenfondsen opgericht. Die nieuwe verzekeraars
gingen geleidelijk aan meer hun eigen weg, vooral ook omdat het via wetgeving aan ziekenfondsbestuurders verboden
werd
om ook zitting te nemen
in het bestuur van een particuliere verzekeringsinstelling. Aldus voltrok zich een
scheiding tussen het "publieke" ziekenfondssegment en het
"private" ziektekostenverzekeringssegment. Voor particuliere ziektekostenverzekeringen golden lange tijd geen andere
wettelijke regels dan de
algemene regels voor het schadeverzekeringsbedrijf. De overheid bemoeide zich
niet met de inhoud van de verzekeringspakketten, noch met de premie en het
acceptatiebeleid.
Lange tijd volgden de
particuliere verzekeraars het acceptatie- en premiebeleid dat gangbaar was in de
vrijwillige ziekenfondsverzekering. Risicoselectie kwam nauwelijks voor,
evenmin als premiedifferentiatie naar leeftijd. Daarin kwam in
de jaren ’70 en ’80 verandering. Vóór die tijd richtten de particuliere
verzekeraars zich nauwelijks op de groep vrijwillig ziekenfondsverzekerden.
Op den duur werd het voor jongeren steeds aantrekkelijker zich
particulier te verzekeren. Steeds meer particuliere verzekeraars boden jongeren polissen met een lager premieniveau dan
dat van de vrijwillige
ziekenfondsverzekering. Ouderen werden daarentegen met steeds hogere premies
geconfronteerd. Voor hen was het vaak aantrekkelijk om over te
stappen naar het vrijwillig ziekenfonds. Het vrijwillig ziekenfonds kwam in een
spiraal van uitstroom van goede risico’s en instroom van slechte
risico’s. In 1986 besloot de overheid de vrijwillige ziekenfondsverzekering op
te heffen. Sindsdien kennen wij in Nederland nog uitsluitend de
verplichte ziekenfondsverzekering. Een deel van de vrijwillig
ziekenfondsverzekerden werd krachtens wettelijke aanwijzing verplicht verzekerd, een
ander deel was voortaan aangewezen op de particuliere ziektekostenverzekeringsmarkt.
De particuliere verzekeraars kregen een groter aantal
potentiële klanten, maar werden ook met bijzondere wettelijke maatregelen
geconfronteerd. De Wtz deed haar intrede, later opgevolgd door de Wtz
1998.
Ingevolge deze wet zijn
particuliere ziektekostenverzekeraars verplicht naast de
maatschappijpolissen die zij in aanbieding hebben, ook een zogenaamde overeenkomst
van standaardverzekering (Wtz-standaardpakketpolis) aan te bieden, waarvan de
inhoud aan wettelijke voorschriften moet beantwoorden. De
verzekeraars zijn verplicht bepaalde groepen krachtens de wet
aangewezen personen desgevraagd te accepteren voor een
Wtz-standaardpakketpolis. Deze groepen personen omvatten onder meer:
- voormalig vrijwillig
ziekenfondsverzekerden;
- voormalig verplicht
ziekenfondsverzekerden die het ziekenfonds wegens
loongrensoverschrijding hebben moeten verlaten;
- uit het buitenland
afkomstige personen.
Een belangrijke groep die
hieraan later is toegevoegd, betreft alle niet-verplicht verzekerden van
65 jaar of ouder.
De overheid stelt de
premie voor de Wtz-standaardpakketpolis vast. Deze is voor de desbetreffende
risicogroepen niet kostendekkend. Het tekort wordt in de vorm van een
solidariteitstoeslag omgeslagen over de andere particulier verzekerden
(omslagheffing Wtz). Over de risicogroepen die onder het acceptatieregime van de Wtz 1998 vallen, lopen de particuliere
ziektekostenverzekeraars
in het geheel geen risico. In Nederland is ongeveer 35% van de bevolking
particulier verzekerd tegen ziektekosten, maar voor een deel van deze
groep, de Wtz-verzekerden, geldt een regime dat heel dicht in de buurt
van de wettelijke ziekenfondsverzekering komt.
Voor een goed begrip van
het Nederlandse stelsel van ziektekostenverzekeringen is het van belang te
vermelden dat in 1968, naast de Zfw, een belangrijke tweede
sociale ziektekostenverzekeringswet tot stand kwam: rblz.|13|
de AWBZ. Deze wet bracht
een algemene verzekering voor alle ingezetenen van Nederland tegen zware
medische risico’s, die voor alle burgers als privaat
onverzekerbaar golden, zoals verblijf in een inrichting voor gehandicapten, verblijf
in een verpleeghuis en zeer langdurig verblijf in een ziekenhuis. De AWBZ-verzekering is sterk gemodelleerd naar de
ziekenfondsverzekering,
dat wil zeggen: een naturaverzekering, inkomensafhankelijke premie, overheidstoezicht
e.d. Behalve ziekenfondsen konden ook particuliere ziektekostenverzekeraars en uitvoerders van de publiekrechtelijke ziektekostenregelingen voor ambtenaren toelating
vragen als
uitvoeringsorgaan van de AWBZ. De gedachte was dat iemand die als verzekerde
staat ingeschreven bij een ziekenfonds of particuliere
ziektekostenverzekeraar,
bij diezelfde verzekeraar ingeschreven moet kunnen zijn voor wat
betreft de AWBZ-verzekering. De AWBZ heeft er nadrukkelijk voor
gekozen het particuliere ziektekostenbedrijf bij de uitvoering van deze
socialeverzekeringswet te betrekken. Alle op de Nederlandse markt
werkzame particuliere ziektekostenverzekeraars hebben van de
mogelijkheid ook uitvoering te geven aan de AWBZ gebruik gemaakt. De AWBZ
is in de Nederlandse gezondheidszorg, vooral als verzekering voor
langdurige zorg ("care"), steeds belangrijker geworden.
Het huidige
verzekeringsstelsel voor geneeskundige zorg
Nederland kent aldus
sinds vele decennia een duaal bestel in de verzekering voor "normale"
ziektekosten.¹ Twee derde deel van de bevolking (10,2 miljoen mensen) is van
rechtswege verzekerd in een publiekrechtelijke ziektekostenverzekering
die is geregeld in de Zfw. Deze wet omschrijft de kring van verzekerden,
regelt de premie en omschrijft de aanspraken op zorg, in beginsel
verstrekkingen in natura.
Een derde deel van de
bevolking is niet sociaal verzekerd. Van hen is een deel (0,9 miljoen mensen)
verplicht opgenomen in publiekrechtelijke ziektekostenregelingen
voor ambtenaren in dienst van lagere overheden (gemeente-,
provincieambtenaren en personeel in dienst van de politie). De overigen zijn
aangewezen op particuliere verzekeringen. Dit particuliere segment kent een
onderscheid tussen de particuliere ziektekostenpolissen die iedere particuliere
verzekeraar individueel aanbiedt, de zogenaamde maatschappijpolissen (4,2
miljoen mensen), en de wettelijk gegarandeerde verzekering
voor ouderen en degenen die vanwege hun risicoprofiel van een
maatschappijpolis zijn uitgesloten, de zogenaamde Wtz-standaardpakketpolis
(0,7 miljoen mensen). De laatste categorie is verzekerd op grond van de
Wtz 1998. Een groot deel van de particulier verzekerden (circa twee
derde) is verzekerd via een collectief contract dat de werkgever voor zijn
werknemers sluit. Enkele groepen kennen specifieke regelingen, zoals
militairen. Nederland kent voor "normale" ziektekosten de grootste particuliere
verzekeringsmarkt binnen de Europese Unie.
1. Dat wil
zeggen: de ziektekostenverzekeringen die dekking bieden voor
huisartsenzorg, medisch-specialistische
zorg, ziekenhuisopname, geneesmiddelen,
hulpmiddelen, paramedische zorg e.d.
Mede door het
verbrokkelde systeem in de ziektekostenverzekering en de sterk uiteenlopende
sturingsmechanismen in de onderscheiden verzekeringssoorten heeft de overheid zich de
afgelopen decennia in toenemende mate gedwongen gezien,
met name ook met het oogmerk van kostenbeheersing, regulerend op te treden
ten aanzien van aanbieders van zorg (planningswetgeving;
tarievenwetgeving). Er is sterke roep ontstaan tot deregulering en een
verschuiving van directe regulering door de overheid naar regulering van
markten waarop verzekerden/zorgvragers, uitvoerders van de
verzekering/zorgverzekeraars en aanbieders van zorg elkaar ontmoeten.
rblz.|14|
Verschillen tussen
ziekenfonds- en particuliere verzekering
In de huidige
verzekeringsstructuur wordt een verzekerde, afhankelijk van zijn inkomenspositie,
gezondheidstoestand of -vooruitzichten, geconfronteerd met verschillen in
keuzemogelijkheden (voor verzekeraar en verzekerd pakket) en in
verantwoordelijkheden die zijn verzekeringsinstelling jegens hem heeft.
De ziekenfondsverzekerde
heeft de keuze om jaarlijks van verzekeraar te wisselen, maar heeft geen
mogelijkheid om een vrijwillig eigen risico te nemen of te
differentiëren in het pakket.
Een ziekenfonds is
wettelijk verplicht iedereen die aan de wettelijke vereisten voldoet te
accepteren en iedereen dezelfde nominale premie in rekening te brengen.
Tevens heeft een ziekenfonds de verplichting er zorg voor te dragen dat zijn
verzekerden hun aanspraken op zorg ook daadwerkelijk waar kunnen maken. Daartoe moet het ziekenfonds de zorg voor zijn
verzekerden contracteren.
De ziekenfondsverzekering kent een deels inkomensafhankelijke, deels nominale premie.
De particulier verzekerde
heeft meer keuze ten aanzien van het verzekeringspakket, waaronder ook de
keuze
voor een vrijwillig eigen risico, maar ziet zijn mogelijkheden
om van verzekeraar te wisselen snel afnemen met het stijgen van zijn
leeftijd of verslechteren van zijn gezondheidstoestand. Voor de maatschappijpolis
ontbreekt immers een acceptatieplicht en kan de premie worden
vastgesteld afhankelijk van het risicoprofiel van de verzekerde.
Ambtenaren werkzaam bij gemeenten,
provincies en politie zijn verplicht aangesloten bij de publiekrechtelijke ziektekostenregelingen; zij ontberen
de mogelijkheid om van
verzekeraar te veranderen of een eigen risico te nemen.
Als men op de
particuliere markt eenmaal is aangewezen op een Wtz-standaardpakketpolis,
heeft men geen keuze meer
ten aanzien van het verzekeringspakket of een vrijwillig eigen
risico, want dat is door de overheid vastgelegd.
Particuliere verzekeraars
hebben van oudsher niet de verplichting om zorg voor hun verzekerden te contracteren. Zij restitueren de door hun verzekerden
gemaakte kosten, maar
zijn er niet verantwoordelijk voor dat de verzekerden ook
daadwerkelijk de verzekerde zorg kunnen krijgen. De particuliere verzekering
kent een volledig nominale premie.
Ziekenfondsen en
particuliere verzekeraars kennen dus sterk verschillende oriëntaties als het gaat
om premiebeleid en schadelastbeheersing. Ziekenfondsen kunnen hun schadelast
beheersen door een doelmatige zorginkoop en zijn daarom van nature
gericht op de aanbodzijde van de zorg. Particuliere verzekeraars
beheersen hun schadelast vooral op basis van risicoselectie.
Convergentie van
ziekenfonds- en particuliere verzekeringen
De dualiteit
ziekenfonds-particulier heeft een historische achtergrond die inmiddels aan actuele
maatschappelijke betekenis heeft ingeboet. Nagenoeg niemand kan het zich
veroorloven niet tegen ziektekosten verzekerd te zijn. Het hebben van
een ziektekostenverzekering is voor vrijwel alle burgers een noodzaak.
Inmiddels wordt in de
tarifering in de gezondheidszorg ¹ geen onderscheid meer gemaakt tussen hulp
aan ziekenfondsenverzekerden en hulp aan particuliere patiënten.
Ook andere ontwikkelingen
in de afgelopen jaren hebben de materiële verschillen tussen het
ziekenfonds- en het particuliere terrein gaandeweg verkleind. De wettelijk
geldende bestuurlijke scheidslijnen tussen ziekenfondsen en particuliere
verzekeraars zijn begin jaren ’90 opgeheven. Als gevolg van fusies biedt
thans het merendeel van de zorgverzekeraars zowel de ziekenfonds- als
de particuliere verzekering vanuit hetzelfde rblz.|15|
concern aan. Hoewel in
formele en administratieve zin gescheiden, vinden er doorgaans
gecombineerde marketinginspanningen plaats en maken particulier verzekerden
indirect gebruik van de resultaten van zorgcontracten die ziekenfondsen
sluiten. Daarnaast tekent zich af dat particuliere verzekeraars zich steeds
minder beperken tot uitsluitend het vergoeden van gemaakte kosten en
zich evenals ziekenfondsen gaan richten op het aanbieden van diensten in
de sfeer van gezondheidsvoorlichting en wachtlijstbemiddeling.
Wat betreft de
samenstelling van het verzekeringspakket volgt de particuliere verzekeringsmarkt in hoge
mate de ontwikkelingen die plaatsvinden in de
ziekenfondsverzekering, zoals bij medisch-specialistische zorg die het stadium van
ontwikkelingsgeneeskunde is gepasseerd, en tandheelkundige zorg.
1. Met uitzondering van de
huisartsenzorg.
Ook in bedrijfseconomisch
opzicht zijn ziekenfondsen en particuliere verzekeraars de afgelopen
jaren naar elkaar toegegroeid. Waar de ziekenfondsen stapsgewijs steeds meer
risico zijn gaan dragen in de uitvoering van de Zfw
(in 2003 voor
60% van de uitgaven) en onderling steeds meer concurreren, kregen de
particuliere verzekeraars een vangnet in de Wtz 1998. Over risicogroepen
die onder het acceptatieregime van de Wtz 1998 vallen, lopen de
particuliere verzekeraars in het geheel geen risico meer. Het ging daarbij in 2003
om 33% van de uitgaven voor particulier verzekerden.
Tezelfdertijd worden de
premies van particuliere maatschappijpolissen in toenemende mate bepaald
door solidariteitsbijdragen aan de ziekenfondsverzekering en de Wtz
1998.¹
1. De MOOZ-bijdrage,
voortvloeiend uit de Wet medefinanciering
oververtegenwoordiging oudere ziekenfondsverzekerden, die nodig is omdat er meer ouderen
zijn verzekerd in het ziekenfonds dan in de particuliere verzekering, en de
Wtz-omslagbijdrage,
waarmee het tekort dat ontstaat in de
Wtz-verzekering doordat de premie-inkomsten lager
zijn dan de schade wordt omgeslagen
over alle particulier verzekerden jonger dan 65 jaar.
Het samenbrengen van de
verschillende verzekeringsregimes
Bezien vanuit het
perspectief van de hierboven geschetste ontwikkelingen is het samenbrengen van
de bestaande verzekeringsregimes eerder een logische vervolgstap in
een proces dat reeds langere tijd aan de gang is, dan een radicale breuk
met het verleden. Deze constatering doet, zo meent de regering, niets
af aan de noodzaak van deze samenvoeging, noch wil de regering de
ingrijpendheid daarvan kleiner voorstellen dan zij feitelijk is. Wel wil de
regering aangeven dat het blijven bestaan van grote verschillen in wettelijke
regimes op het terrein van acceptatie, keuzemogelijkheden, verantwoordelijkheden en
financiering steeds moeilijker te accepteren is in een
situatie waar de feitelijke ontwikkelingen convergeren in de gewenste richting.
Het ligt voorts in de rede dat de wetgever uiteindelijk
consequenties verbindt aan het niet langer opportuun zijn van de instandhouding van
uiteenlopende wettelijke (en niet-wettelijke) zorgverzekeringsregimes voor onderscheiden
segmenten van de samenleving. Voor het voortbestaan van
de huidige verbrokkelde structuur zijn geen positieve argumenten meer
voorhanden.
Samensmelting van de
verschillende verzekeringsregimes leidt - en dat is een belangrijk volgend
argument voor doorvoering van deze stelselherziening - tot het voor verdere
deregulering noodzakelijke gelijke speelveld voor verzekerden en
verzekeraars. Bedacht moet worden dat in het verleden in het ziekenfondssegment via het contractenstelsel invloed kon
worden uitgeoefend op
kwaliteit, prijs en volume van de voor de verzekerden beschikbare zorg; dit
contractmechanisme was in het particuliere segment in het verleden
non-existent. Juist de divergentie in sturingsinstrumentarium waarvan in de
onderscheiden verzekeringssegmenten van het "duale" bestel
sprake was, heeft bijgedragen aan de ontwikkeling van sturingsinstrumentarium voor de centrale overheid waarmee de
totale zorg, dat wil
zeggen zowel de ziekenfonds gefinancierde als de "privaat
gefinancierde"
zorg, kon worden aangestuurd. Uit oogpunt van kostenbeheersing is de Wtg
bij voorbeeld vooral voor de door de particuliere rblz.|16|
ziektekostenverzekeraars gefinancierde zorg van betekenis geweest. De ziekenfondswetgeving
bevatte voor de ziekenfondsen reeds volop de mogelijkheid tot
betrokkenheid bij de tariefstelling van de zorgaanbieders. De Wtg introduceerde die
mogelijkheid voor de particuliere ziektekostenverzekeraars, maar vergrootte ook de
mogelijkheid voor de centrale overheid om zich met de
tariefsontwikkeling te bemoeien. Juist de doorgeschoten aanbodregulering uit
hoofde van de Wet ziekenhuisvoorzieningen en de Wtg is velen in het
veld van de gezondheidszorg een doorn in het oog. Terugdringing van
deze overheidsregulering vergt dat alle zorgverzekeraars over dezelfde
mogelijkheden beschikken om sturing aan de zorg te geven en door gelijke marktomstandigheden gedwongen worden
tot actief handelen in
het belang van hun verzekerden. Juist om de terugdringing van de
overheidsbemoeienis met het zorgaanbod te bewerkstelligen, is het van groot belang
dat alle zorgverzekeraars onder dezelfde wettelijke condities op
de markt werkzaam zijn.
Ook uit oogpunt van
transparantie, verlaging van transactiekosten, slechten van schotten in
de financiering en het wegnemen van willekeurige inkomenseffecten die
ontstaan bij de overgang van de ziekenfonds- naar een particuliere
verzekering en vice versa heeft de totstandbrenging van één wettelijk
verzekeringsregime aanzienlijke meerwaarde. Zo is het voor de burger een
onbegrijpelijke situatie dat iemand die met zijn inkomen net onder de
ziekenfondsgrens zit meer premie voor zijn ziekenfondsverzekering verschuldigd is
dan
iemand die met zijn inkomen net boven de ziekenfondsgrens
zit voor zijn particuliere verzekering moet betalen. Ook kan het voor
de burger in hoge mate irritant zijn indien hij door een daling van zijn
inkomen ziekenfondsverzekerd moet worden en daardoor zijn
particuliere verzekering kwijtraakt, terwijl die soms bijzondere dekkingsvoorwaarden
omvat. Als hij dan later door een stijging van zijn inkomen weer terug
moet naar de particuliere verzekering, is het vaak niet mogelijk om tegen
dezelfde premievoorwaarden de oude dekking weer terug te krijgen.
Met name mensen die een chronische ziekte hebben, ondervinden veel
hinder van dit gevolg van de dichotomie van het bestaande
verzekeringsstelsel. Werknemers die vanwege een stijging van hun loon boven de
inkomensgrens voor de ziekenfondsverzekering geraken, zullen veelal
slechts eenmaal met dit fenomeen te maken krijgen. Zelfstandigen daarentegen
kan dat, ondanks de voor deze categorie geldende
middelingsregeling voor het inkomen, meer dan eens overkomen doordat zij doorgaans
een
van jaar tot jaar wisselend inkomen hebben. Op basis van een
globale schatting aan de hand van het aantal in- en uitschrijvingen in de
ziekenfondsverzekering kan ervan worden uitgegaan dat ieder jaar opnieuw
enkele tienduizenden personen hiermee te maken hebben. In zijn
evaluatierapport over de invoering van de ziekenfondsverzekering voor
zelfstandigen ¹ heeft
het CVZ [College voor zorgverzekeringen, red.]
op dit aspect gewezen, zowel voor wat betreft
zelfstandigen als voor werknemers.
1. CVZ,
"Evaluatie
zelfstandigen in de ziekenfondsverzekering", publicatienummer 129, Amstelveen, 24 oktober 2002,
blz. 23).
De wenselijkheid van
uniformering van de financiering van de zorg is reeds verwoord in het
rapport van de commissie-Dekker uit 1987.¹ De commissie-Dekker was van
oordeel dat alleen in een werkelijk vernieuwd verzekeringsstelsel alle
wezenlijke elementen waaraan het stelsel zou moeten voldoen op een
evenwichtige wijze hun plaats zouden kunnen krijgen: doelmatigheid,
solidariteit, keuzevrijheid, flexibiliteit en rechtvaardigheid. Ook alle recente
rapporten die door of aan het kabinet zijn uitgebracht wijzen in de richting van
samensmelting van de verschillende verzekeringsregimes. Zij
kennen alle een grote mate van overeenstemming over vormgeving en inhoud
van de tot stand te brengen verzekering. Zo stelt de SER in zijn advies van december
2000 ² vast dat het huidige
stelsel van
ziektekostenverzekeringen in het licht van de vergrijzing niet genoeg solidariteit kan
organiseren en er onvoldoende mogelijkheden zijn om in te spelen op de
voorkeuren van verzekerden en patiënten. Ook rblz.|17|
knelpunten zoals
wachtlijsten, personeelstekorten en de verschraling van de zorg vragen in de ogen
van de SER om een spoedige modernisering van het stelsel van
ziektekostenverzekeringen en gezondheidszorg. De Raad adviseert een
algemene zorgverzekering in te voeren, waarvoor iedereen wettelijk
verplicht is zich te verzekeren. Dit advies is in grote lijnen overgenomen in de
kabinetsnota Vraag aan bod van juli 2001.³ Het onderhavige wetsvoorstel
zet dan ook op hoofdlijnen de koers voort die eerder al werd uitgezet.
1. Commissie Structuur en
Financiering Gezondheidszorg, "Bereidheid tot verandering", Den Haag, 1987 (Kamerstukken II 1986-1987, 19 945, nr. 1).
2. "Naar een gezond stelsel
van ziektekostenverzekeringen", Sociaal-Economische
Raad, december 2000.
3. "Vraag aan bod,
hoofdlijnen van vernieuwing van het zorgstelsel",
Kamerstukken II 2000-2001, 27 855, nrs. 1-2.
De regering beoogt een
verzekeringsstelsel te creëren dat enerzijds een stevige verankering geeft
aan sociale randvoorwaarden (solidariteit tussen inkomens en tussen
risico’s) en anderzijds het nemen van eigen verantwoordelijkheid en
marktwerking aanmoedigt. Dit leidt tot minder regulering van bovenaf en
bevordert de financiële houdbaarheid.
De inrichtingsvraag van
de verzekering kan derhalve als volgt worden omschreven: hoe kan,
onder waarborging van het sociale karakter van het verzekeringsstelsel,
maximaal ruimte worden gecreëerd voor keuzevrijheid van de verzekerden en
(markt)prikkels voor de - onder gelijke uitgangsposities
opererende - zorgverzekeraars om betaalbare, doelmatige zorg van goede kwaliteit
te realiseren?
Vanuit die vraagstelling
komt de regering tot de volgende invulling van de verzekering:
- Het sociale karakter
van de verzekering, die een verplichte verzekering voor de gehele bevolking
is, krijgt vorm door risico- en inkomenssolidariteit. De risicosolidariteit is
geborgd door een plicht voor zorgverzekeraars om alle Nederlandse
ingezetenen als verzekerden te accepteren voor een door de overheid
vastgesteld basispakket, waarbij een verbod op
premiedifferentiatie naar aan de persoon gerelateerde factoren geldt. Daarbij
hoort een risicovereveningssysteem dat verzekeraars compenseert voor verschillen in
risicoprofiel en dat wordt
gevoed met
inkomensafhankelijke bijdragen van verzekeringsplichtigen en rijksbijdragen. De
inkomenssolidariteit wordt vormgegeven door de invoering van genoemde inkomensafhankelijke bijdrage van
verzekeringsplichtigen en
een wettelijke zorgtoeslag. Overigens zullen de werkgevers verplicht
zijn aan hun werknemers een vergoeding over de door deze werknemers
over het loon verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage te verstrekken.
Ook zullen zorgverzekeraars onderworpen zijn aan specifiek
toezicht en daaruit voortvloeiende informatieverplichtingen.
- Marktprikkels,
keuzemogelijkheden en eigen verantwoordelijkheid krijgen gestalte door een
nominale premie, een risicodragende uitvoering van de verzekering, het
toestaan van het winstmotief aan verzekeraars, functiegericht omschreven
aanspraken, eigen betalingen en de mogelijkheid om jaarlijks
van verzekeraar te wisselen en de daarmee gepaard gaande
concurrentie tussen verzekeraars.
Deze basiselementen laten
zich als volgt specificeren:
• een verzekering voor
de gehele bevolking;
• voor een
functiegericht omschreven standaardpakket van noodzakelijke zorg;
• uit te voeren door
private ondernemingen;
• die een
acceptatieplicht hebben;
• en die gefinancierd
worden door middel van:
a. bijdragen ter hoogte
van ongeveer de helft van de totale zorguitgaven, uit een op te richten zorgverzekeringsfonds dat gevuld
wordt met
inkomensafhankelijke bijdragen van verzekeringsplichtigen en rijksbijdragen;
b. een door de
verzekeraar zelf vastgestelde nominale premie voor verzekerden van 18 jaar
of ouder, die niet naar gezondheid, rblz.|18|
leeftijd of andere aan de
verzekerde gerelateerde factoren gedifferentieerd mag worden;
• waarbij de
verzekeraars om verzekerden concurreren;
• waarbij een verplicht
eigen risico geldt in de vorm van een, in de ziekenfondsverzekering al
ingevoerde, no-claimteruggaveregeling; ¹
• waarbij de
verzekeraars de vrijheid krijgen om, boven de no-claimteruggaveregeling,
varianten van vrijwillige
eigen risico’s met daarbij horende kortingen op de
nominale premie aan te bieden;
• waarbij de
verzekeraars winstoogmerk mogen hebben waarbij winst ten goede kan komen aan
aandeelhouders of leden van een onderlinge waarborgmaatschappij;
• waarbij de
zorgaanbieders, die door de verzekeraars gecontracteerd (kunnen) worden, met
elkaar concurreren;
• waarbij objectieve
informatie over de kwaliteit van het aanbod van verzekeraars en
zorgaanbieders beschikbaar is;
• en waarbij
inkomenseffecten in huishoudingen zoveel mogelijk worden gecompenseerd door
een toeslag, ter grootte van het verschil tussen de genormeerde
kosten voor de zorgverzekeringsovereenkomst en de gemiddelde premie
voor een zorgverzekeringsovereenkomst.
1. Kamerstukken II 2003-2004, 29 483
(voorstel van wet tot wijziging van de Ziekenfondswet in
verband met het invoeren van een no-claimteruggaaf voor verzekerden die geen of
weinig gebruik hebben gemaakt van zorg waarop
ingevolge die wet aanspraak bestaat).
De belangrijkste
wijzigingen van de
Zorgverzekeringswet ten opzichte van de bestaande situatie
kunnen schematisch als volgt worden weergegeven:
| |
Overstap-
mogelijk-
heid |
Keuze-
ruimte
polis |
Vrijwillig
eigen risico |
Risico-
dragende
uitvoering |
Winst-
beogende
uitvoering |
Inkomens-
afhankelijke
premies/
bijdragen |
| Particulier |
gering |
ja |
ja |
ja |
ja |
nee |
| Wtz |
ja |
nee |
nee |
nee |
nee |
nee |
| Ziekenfonds |
ja |
nee |
nee |
deels |
nee |
deels |
| Ambtenaren |
nee |
nee |
nee |
nee |
nee |
deels |
| Zorgverzekering |
ja |
deels |
ja |
rdeels
¹ |
ja |
deels |
1. Het risicodragende deel
neemt geleidelijk toe. Kosten die voor zorgverzekeraars echt niet
beïnvloedbaar zijn, zoals die voor bijzondere medische verrichtingen en
topklinische zorg, zullen buiten de risicodragendheid blijven.
III. Consultatie en advies
In het voorjaar van 2004
zijn diverse bestuursorganen en maatschappelijke organisaties
geconsulteerd over de uitgangspunten die ten grondslag liggen aan dit voorstel
van wet. Daarnaast zijn de Raad voor de rechtspraak, het College bescherming
persoonsgegevens, het Adviescollege toetsing administratieve
lasten en de Algemene Rekenkamer gevraagd te adviseren over een
voorstel van de
Zorgverzekeringswet.
Het advies van de Raad
voor de rechtspraak verscheen op 12 mei 2004 ¹ en gaat onder meer in op de
belasting van de rechterlijke macht, de concentratie van zaken bij een
rechterlijke instantie, de bestuurlijke boete en de rechtspraak in twee
feitelijke instanties en de opbrengst van de ingevorderde boetes. Daarnaast
besteedt de Raad aandacht aan de financiële en organisatorische
consequenties van de invoering van dit
wetsvoorstel. Het belangrijkste aspect
uit dit advies betreft de mogelijkheid van het instellen van beroep tegen besluiten tot het opleggen van boetes aan
verzekerden of
verzekeraars. De Raad adviseert in de
Zorgverzekeringswet beroep in twee feitelijke
instanties op te nemen en baseert zich daarbij op de internationale
mensenrechtenverdragen. De regering heeft dit voorstel van de Raad voor de
rechtspraak overgenomen, vanuit de overtuiging dat er geen twijfel mag
bestaan over de verenigbaarheid van het Nederlandse stelsel van rechtspraak
met de internationale mensenrechtenverdragen.
1. Raad voor de
rechtspraak, brief van 12 mei 2004.
rblz.|19|
Het
College bescherming
persoonsgegevens heeft op 12 mei 2004 advies uitgebracht.¹ Het College
besteedt onder meer aandacht aan het gebruik van het sofinummer, het
gebruik van persoonsgegevens door het College voor
zorgverzekeringen (CVZ) voor risicoverevening, de informatiebepalingen, risicoselectie bij de
aanvullende verzekering, collectieve contracten en het
verzekeren van samenhangende risico’s en het toezicht. In het bijzonder vraagt
het college aandacht voor een adequate onderbouwing voor het verzamelen,
vastleggen en verder verwerken van persoonsgegevens. Indien deze toepassing
een wettelijke grondslag heeft, dan moet die voldoende
specifiek omschreven zijn. Naar aanleiding van dit advies is de bedoelde
onderbouwing in dit wetsvoorstel waar nodig verder aangescherpt.
1.
College bescherming
persoonsgegevens, brief van 12 mei 2004.
Ook het Adviescollege
toetsing administratieve lasten heeft geadviseerd over het onderhavige
wetsvoorstel.¹ Op de inhoud en gevolgtrekkingen van dit advies wordt
ingegaan in hoofdstuk XI van deze toelichting.
1. Adviescollege toetsing
administratieve lasten, brief van 17 mei 2004.
Op grond van artikel 96
van de Comptabiliteitswet
2001 is de Algemene Rekenkamer om een reactie gevraagd op
het wetsvoorstel. De Algemene Rekenkamer ¹ constateert
dat de minister geen inzicht nastreeft in de recht- en doelmatige
besteding van de publieke middelen die aan zorgverzekeraars worden verstrekt.
Het wetsvoorstel voorziet
echter wel in wettelijk geregeld onafhankelijk toezicht op de
zorgverzekeraars, zodat de minister informatie krijgt om verantwoording af te
leggen aan de Staten-Generaal over het functioneren van het zorgstelsel als
geheel. Ingevolge het wetsvoorstel heeft de Algemene Rekenkamer geen bevoegdheid om onderzoek te doen naar de
wijze waarop
zorgverzekeraars de opbrengst van bij of krachtens de
Zorgverzekeringswet ingestelde heffingen
besteden. Zodoende onthoudt de minister naar de mening
van de Algemene Rekenkamer de Staten-Generaal de controleur die deze
informatie kan voorzien van - een door onderzoek verkregen - onafhankelijk oordeel. Vanwege haar grondwettelijke positie ziet de Algemene
Rekenkamer doorbreking van dit systeem van bevoegdheden met grote
zorg tegemoet, ook gelet op mogelijke precedentwerking. Op de positie van de
Algemene Rekenkamer wordt ingegaan in hoofdstuk V,
paragraaf i.
1. Algemene Rekenkamer,
brief van 6 juli 2004.
Daarnaast zijn de
volgende bestuursorganen en maatschappelijke organisaties geconsulteerd over de
uitgangspunten van de
Zorgverzekeringswet:
- zelfstandige
bestuursorganen: CVZ, College van toezicht op de zorgverzekeringen
(CTZ), College tarieven
gezondheidszorg (CTG), Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(UWV), Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa), Pensioen- &
Verzekeringskamer (PVK);
- brancheorganisaties
verzekeraars: Kontaktkommissie publiekrechtelijke ziektekostenregelingen
(KPZ), Zorgverzekeraars Nederland (ZN);
- patiënten/consumentenorganisaties: Consumentenbond, Nederlandse Patiënten Consumenten
Federatie (NPCF);
- werkgeversorganisaties: LTO Nederland, MKB
Nederland, VNO-NCW;
- werknemersorganisaties: CNV, FNV,
MHP.
Sommige organisaties
hebben een schriftelijke reactie opgesteld, mede ter voorbereiding op het
hoofdlijnendebat over de stelselherziening in de Tweede Kamer op 15
april
2004.
De reacties op de
uitgangspunten van de beoogde Zorgverzekeringswet zijn in het algemeen
positief. De noodzaak van een stelselherziening, en in dat verband de invoering
van een algemene verzekering voor curatieve zorg, wordt alom
onderkend. De meeste organisaties hebben in hun reactie de reeds gemaakte
politieke keuzen ¹ en de daaruit voortvloeiende consequenties als een
gegeven beschouwd. Uitgangspunten als een acceptatieplicht, een
zorgplicht en introductie van meer keuzemogelijkheden en verantwoordelijkheden
worden met instemming begroet.
rblz.|20|
In
hoofdlijnen houden de
reacties het volgende in:
- Zelfstandige
bestuursorganen zijn vooral ingegaan op de werking van het toekomstige
zorgstelsel en de gevolgen daarvan voor de eigen organisatie. Deze
reacties zijn ten dele ingegeven vanuit de huidige situatie, hoewel de
constellatie van het zorgstelsel in de toekomst (privaat, meer
verantwoordelijkheden voor partijen) anders is en dat ook gevolgen heeft voor
de rol van de toezichthouders. De gewenste nadere uitwerking van het
takenpakket van de toezichthouders komt aan bod in de wet waarmee
ook positie en taken van de Zorgautoriteit worden geregeld.
- De
consumentenorganisaties hebben geen principiële bezwaren tegen het
wetsvoorstel, maar
stellen wel vragen over de concrete uitwerking ervan. Waar mogelijk is
de regering in het definitieve wetsvoorstel hieraan tegemoet gekomen
en daarnaast zal hieraan aandacht worden besteed bij de
implementatie van de wet.
- De
brancheorganisaties van verzekeraars hebben met name oog voor de ondernemingsruimte van
verzekeraars als de beoogde toekomstige uitvoerders van de
Zorgverzekeringswet. Mede in dat kader is nadrukkelijk aandacht gevraagd voor de
mogelijkheid van collectieve contracten.
- Zowel werkgevers- en
werknemersorganisaties nemen in hun reactie het SER-advies
"Naar een
gezond stelsel van ziektekostenverzekeringen" als vertrekpunt en
zien in de Zorgverzekeringswet veel overeenkomsten met dit advies. Ten
aanzien van enkele onderdelen van de Zorgverzekeringswet komt
men onderling echter tot verschillende oordelen. Zo zijn
werkgeversorganisaties en de MHP tegen een verplichte werkgeversbijdrage (die zoals hiervoor is aangegeven, is
vormgegeven als een door
de werkgevers verplicht aan hun werknemers te verstrekken vergoeding
voor de door deze werknemers over het loon verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage), terwijl FNV en
CNV hier voor zijn. De
regering gaat hier nader op in in hoofdstuk V, paragraaf f, van deze
toelichting. VNO-NCW ziet graag meer ruimte voor marktwerking en concurrentie opdat de beoogde effecten daarvan ten
volle benut kunnen
worden. De regering is van opvatting dat de overwegingen die in de hoofdstukken I
en II van deze toelichting zijn weergegeven, aangeven waarom de visie
van het Verbond slechts ten dele kan worden gevolgd.
1. Zoals verwoord in het
Hoofdlijnenakkoord en de brief aan het
parlement over het rechtskarakter van 19 december 2003
(Kamerstukken II 2003-2004, 23 619, nr.
20).
IV. De vormgeving van de
zorgverzekering
Er zijn in beginsel twee
wegen waarlangs een sociale verzekering voor geneeskundige zorg in
juridische zin tot stand kan komen.
1. De verzekering komt
tot stand door het sluiten van een verzekeringsovereenkomst tussen een burger en
een
verzekeraar (privaatrechtelijk model). Deze verzekering is niet
hetzelfde als een zogenaamde particuliere maatschappijpolis. Ook
die komt tot stand door een verzekeringsovereenkomst, maar kent niet de voor
een sociale verzekering cruciale elementen van verplichte
aansluiting voor de burger, acceptatieplicht voor de verzekeraar,
wettelijk vastgestelde verzekeringsdekking en wettelijk vastgelegde
solidaire financiering.¹
2. De verzekering komt
van rechtswege tot stand indien de burger voldoet aan door de wet
gestelde voorwaarden, zoals het ingezetenschap (publiekrechtelijk
model).
1. Kenmerken voor een
sociale verzekering, genoemd door het Europees
Hof van Justitie in de zaak Poucet/Pistre
(C159/91), 17 februari 1993.
Het onderscheid tussen
publiekrechtelijk en privaatrechtelijk betreft in deze context een verschil
in rechtsbetrekking, een verschil in de wijze waarop de verzekering tot
stand komt. Het onderscheid heeft geen betrekking op de uitvoering van de
verzekering. Ook in een publiekrechtelijk rblz.|21|
model kan de verzekering
door private partijen worden uitgevoerd; ook de huidige ziekenfondsen
zijn private rechtspersonen.
De regering is van
oordeel dat een publiekrechtelijke verzekering met private uitvoering
enerzijds en een privaatrechtelijke verzekering met publieke randvoorwaarden
anderzijds elkaar qua materiële werking weinig behoeven te
ontlopen. In beide arrangementen kunnen sociale waarborgen worden
gecombineerd met marktwerking.
De regering heeft
voorkeur voor een privaatrechtelijke vormgeving van de wettelijke
zorgverzekering met sterke publieke waarborgen.¹ Zij is van oordeel dat de gewenste
helderheid van de verantwoordelijkheidsverdeling tussen overheid, burgers
en zorgverzekeraars langs die weg het beste tot haar recht komt. Een
dergelijke vormgeving is verantwoord omdat zo een sociale verzekering
ontstaat waarin de gewenste ruimte voor ondernemerschap in de zorg van een
stevige wettelijke inkadering en publieke waarborgen wordt
voorzien. Op deze wijze kunnen de sociale traditie van het ziekenfonds en de
markttraditie van de particuliere verzekering worden samengebracht.
Door de combinatie van
sterke publieke waarborgen en een privaatrechtelijke inbedding wordt een
stelsel gecreëerd waarin zowel ziekenfondsen als particuliere
verzekeraars zich kunnen herkennen en waarin zij, in hun nieuwe rol als
zorgverzekeraars, hun verantwoordelijkheden zullen kunnen waarmaken. De
regering beoogt hiermee een zo breed mogelijk draagvlak voor de
vernieuwing van het verzekeringsstelsel te creëren.
1. Zie hierover de brief
aan de Tweede Kamer van 19 december 2003
(Kamerstukken II 2003-2004, 23 619, nr. 20).
Bij de vormgeving van het
nieuwe verzekeringsstelsel heeft de regering zorgvuldig gekeken hoe de beleidsmatige uitgangspunten zodanig vorm
kunnen krijgen dat zij
goed aansluiten bij de internationale regelgeving waaraan Nederland
gebonden is.
Daarbij dient acht te
worden geslagen op de door Nederland geratificeerde internationale verdragen
van de International Labour Organisation (ILO) en van de Raad van
Europa. Doel van deze verdragen is het bieden van sociale bescherming
aan betrokken burgers en het bevorderen van een evenwichtige
concurrentiepositie tussen de ratificerende landen door overeenkomende sociale
lasten. Daartoe kennen deze verdragen verplichtingen met betrekking tot onder
meer de omvang van de te verzekeren groepen personen, het te verzekeren
pakket en de uitvoeringsorganisatie.
Een punt van aandacht is
dat de ILO-verdragen nrs. 24 (Verdrag betreffende de ziekteverzekering van
arbeiders in de industrie en de handel en van huispersoneel) en 25
(Verdrag betreffende de ziekteverzekering van landarbeiders) een verbod
bevatten op de uitvoering van de wettelijke ziektekostenverzekering
door verzekeraars met winstoogmerk. Aangezien dit een aspect is van het
nieuwe verzekeringsstelsel dat de regering juist wil introduceren, heeft
het kabinet het voornemen deze verdragen op te zeggen.¹ De regering acht
dat overigens een logische consequentie van het feit dat Nederland
inmiddels de nieuwere, van kracht zijnde, ILO-verdragen nrs. 102 (Verdrag
betreffende minimumnormen van sociale zekerheid) en 121 (Verdrag
betreffende uitkeringen bij bedrijfsongevallen en beroepsziekten) heeft geratificeerd, die
wat betreft de inhoud overeenstemmen met de ILO-verdragen nrs.
24 en 25, maar geen verbod stellen op het maken van winst.
Van groot belang in het
internationale kader zijn ook de regels van de Europese Unie
hieromtrent.
In dat verband is op 10
januari 2001 de Interdepartementale Commissie Europees Recht (ICER)
verzocht te adviseren over de voorwaarden waaraan een nieuw stelsel
van ziektekostenverzekeringen in het licht van de Europese regelgeving
moet voldoen en aan te geven welke ruimte de Nederlandse overheid
heeft om aan een dergelijk stelsel een goede eigen invulling te geven. Op 29
juli en 29 oktober 2002 is aan de landsadvocaat gevraagd te onderzoeken
of de veronderstelling dat het Europese-Gemeenschapsrecht rblz.|22|
voor
een privaatrechtelijk stelsel voldoende ruimte laat juist is. In
december 2002 heeft de Raad voor de Volksgezondheid & Zorg (RVZ) een rapport
uitgebracht over dit zelfde onderwerp.
1. Bij haar definitieve
standpuntbepaling zal de regering de overwegingen
voor het opzeggen van verdragen zoals die
zijn uiteengezet in de brief van de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de
Tweede Kamer naar aanleiding van de motie
van het lid Van Middelkoop (Kamerstukken
II 1994-1995, 23 900, XV, nr. 44, blz. 4-6)
in acht nemen. In overeenstemming met artikel 5, eerste
lid, onderdeel e, van het op 21 juni 1976
te Genève tot stand gekomen Verdrag
betreffende tripartiete raadplegingsprocedures
ter bevordering van de tenuitvoerlegging van
internationale arbeidsnormen, 1976 (ILO-verdrag
nr. 144, Trb. 1976, 177), en de op
basis van dit verdrag gemaakte afspraken zullen
de sociale partners over het voornemen tot
opzegging van beide verdragen geconsulteerd
worden.
De ICER,¹ de
landsadvocaat ² en de RVZ ³ hebben aangegeven dat totstandkoming van het
verzekeringsstelsel langs de weg van de privaatrechtelijke verzekering het risico
meebrengt dat de Europese richtlijnen inzake het schadeverzekeringsbedrijf
(hierna de "schaderichtlijnen") op de zorgverzekering van toepassing zullen
zijn.
Ter bescherming van de
kopers van verzekeringsproducten enerzijds, en anderzijds ter
bevordering van een "level playing field" bij de
grensoverschrijdende mededinging tussen
verzekeringsondernemingen, verbieden deze schaderichtlijnen
het ten algemene om verzekeringsondernemingen te onderwerpen aan wettelijke voorschriften over acceptatie,
verzekeringsdekking en
premiestelling. Toepasselijkheid van de schaderichtlijnen zou meebrengen dat de
door de regering gewenste wettelijke regeling van toegang voor iedereen, het te verzekeren pakket en de
premiestelling niet
mogelijk zijn. Ten slotte stellen de schaderichtlijnen voorschriften over de
solvabiliteitsmarge waarover een privaatrechtelijke verzekeraar dient te
beschikken voor de uitvoering van zijn verzekeringsonderneming. Deze solvabiliteitseis is
aanmerkelijk hoger dan de reserve die noodzakelijk is voor
een onderneming die een sociale verzekering uitvoert.
1. Interdepartementale
Commissie Europees Recht, "Advies inzake
Europeesrechtelijke aspecten van een stelsel
van ziektekostenverzekeringen", 3 april 2001.
2. Advies van de landsadvocaat van 4 december 2002, "Een nieuw stelsel
van zorgverzekering".
3. Raad voor de
Volksgezondheid & Zorg, "Gezondheidszorg en
Europa: een kwestie van kiezen", december 2002.
De
ICER, de RVZ en de
landsadvocaat baseren hun oordeel dat een privaatrechtelijke
verzekering risicovol is op een terughoudende interpretatie van de Europese regels.
Deze terughoudende interpretatie vloeit voort uit de
veronderstelling dat de uitzonderingsbepaling van de schaderichtlijnen, die toestaat dat ter
wille van een sociale beschermingsconstructie inbreuk wordt gemaakt op
de regels van de schaderichtlijnen, niet zodanig veralgemeniseerd
kan worden dat die van toepassing is op een verzekering die de gehele
bevolking omvat. Voorts wordt het problematisch geacht een inbreuk op de
voorschriften van de schaderichtlijnen te rechtvaardigen met een
beroep op het algemeen belang, met name waar het betreft het aantonen
van noodzaak en evenredigheid van de gekozen oplossing. De
terughoudende interpretatie vindt haar oorsprong in de tendens in de rechtspraak
van het Europees Hof van Justitie om uitzonderingen op de Europese regelgeving strikt uit te leggen. Deze terughoudende
interpretatie komt onder
meer naar voren in de recente arresten van het Europees Hof van
Justitie in de zaken Commissie/België ¹ en Commissie/Italië.²
In de zaak
Commissie/België ging het om de vraag in hoeverre bij een privaatrechtelijke
verzekering afgeweken kan worden van de solvabiliteitsvoorschriften van de schaderichtlijnen
omdat die verzekering onderdeel uitmaakt van het stelsel
van sociale verzekering van een land. Het Europees Hof van Justitie oordeelde dat niet mocht worden afgeweken. In de
zaak Commissie/Italië
oordeelde het Europees Hof van Justitie het beroep van de Italiaanse
regering op het algemeen belang om in afwijking van de schaderichtlijnen
premievoorschriften op te leggen aan private verzekeraars ongegrond.
1. Zie het arrest van het
Europees Hof van Justitie in de zaak
Commissie tegen België (C-206/98), 18 mei 2000.
2. Zie het arrest van het Europees Hof van Justitie in de zaak
Commissie tegen Italië (C-59/01), 25 februari
2003.
Niettegenstaande de
waarschuwende toon van de gegeven adviezen, klonk in de meeste
daarvan ook door dat een evident en helder Europeesrechtelijk toetsingskader voor de
voorgenomen stelselherziening ontbreekt en dat
conclusies slechts met grote voorzichtigheid getrokken kunnen worden. In diverse
commentaren op de adviezen klonk door dat ook een minder
terughoudende interpretatie van de Europese regels mogelijk is. Met name in
juridische commentaren uit de hoek van verzekeraars is te lezen dat regelgeving zoals het kabinet noodzakelijk acht ter
borging van het publieke belang zeer wel gerechtvaardigd zou kunnen rblz.|23|
zijn in het licht van de
uitzonderingsbepalingen zoals die in de Europese schaderichtlijnen zijn
geformuleerd.
Inmiddels hebben zich
ontwikkelingen in Europa voorgedaan die aangeven dat er inderdaad ruimte
is voor een meer extensieve interpretatie van de Europese regelgeving
dan die waarvan werd uitgegaan bij het opstellen van de hiervoor genoemde
adviezen. Zo heeft het Europees parlement in het kader van het
rapport Rocard ¹ de wens tot uitdrukking gebracht om overheidsvoorschriften te
kunnen stellen aan de privaatrechtelijke ziektekostenverzekering waar het betreft de
aanvullende verzekering. Voorts hebben nadere
inlichtingen die in de zomer van 2003 zijn ingewonnen bij de Europese
Commissie de
regering geleid tot de conclusie dat het zeer wel mogelijk is te komen
tot een privaatrechtelijke vormgeving van het beoogde
verzekeringsregime die in overeenstemming is met het geldende Europese rechtskader.
Deze visie van de regering vindt bevestiging in de reactie ² die van de zijde
van de Europese Commissie is ontvangen op de brief waarin de
Nederlandse regering haar voornemens ontvouwt over de inrichting van het
stelsel van sociale ziektekostenverzekering. Hierin wijst de Europese Commissie
erop dat het Europees Hof van Justitie duidelijk heeft gesteld dat,
ongeacht de inrichting van het zorgstelsel van een land, het gekozen systeem het
Europese recht dient te respecteren. Ook verplichtingen uit het
secundaire Europese recht, met name uit
Verordening (EEG) nr. 1408/71 over de
coördinatie van socialezekerheidssystemen, moeten worden nageleefd. De
Commissie bevestigt dat het voorgenomen verzekeringssysteem valt onder de
werkingssfeer van de Verordening. Ook private uitvoerders die
de verzekeringsovereenkomst aanbieden, moeten volgens de Commissie
beschouwd worden als bevoegde organen in de zin van de verordening.
1. Europees parlement 1999-2004,
Report on supplementary health
insurance (2000/2009(INI)).
2. Brief van de Europese
Commissie van 25 november 2003, kenmerk CAB/PvB/D(03)0848.
Wat betreft de Europese
schaderichtlijnen stelt de Commissie dat deze richtlijnen de vrijheid
van een lidstaat om zijn verzekeringssysteem naar eigen inzicht in te
richten niet aantasten. De derde schaderichtlijn bepaalt alleen dat, als een
lidstaat de uitvoering van een sociale verzekering overlaat aan private uitvoerders,
deze uitvoering door elke Europese verzekeringsonderneming die in haar eigen
lidstaat is toegelaten ter hand kan worden genomen op basis
van de vrijheid van vestiging en het vrije verkeer van diensten.
In haar reactie stelt de
Commissie onomwonden dat artikel 54 van de derde schaderichtlijn
ruim dient te worden geïnterpreteerd. Dat wil zeggen dat een privaat
systeem als gedeeltelijk, maar ook als geheel alternatief kan fungeren voor een
publiek systeem.
Vanwege de aard en
gevolgen van een privaat ziektekostenverzekeringssysteem staat de derde schaderichtlijn het een lidstaat toe om specifieke
wettelijke voorschriften
op te leggen aan verzekeraars om het algemeen belang te beschermen.
Voor zover dergelijke voorschriften de vrijheid van vestiging en het vrij
verkeer van diensten beperken, moeten ze noodzakelijk en proportioneel zijn. De
door de regering voorgestelde voorschriften op het gebied van
acceptatie, te verzekeren pakket, verbod op premiedifferentiatie en een vereveningssysteem
kunnen volgens de Commissie gerechtvaardigd worden
met een beroep op het algemeen belang.
De Commissie benadrukt
dat de beoogde voorschriften wel moeten worden opgelegd op een
manier die de werking van de interne markt niet in gevaar brengt. Het
zou, volgens de Commissie, daarnaast nodig kunnen zijn om het
vereveningssysteem te toetsen aan de Europeesrechtelijke bepalingen voor
staatssteun.
De Commissie kan niet
uitsluiten dat een verplichting voor verzekeraars om zorg in natura te
leveren in conflict is met de bepalingen over het vrij verkeer van diensten. Een
dergelijke verplichting zou een belangrijke rblz.|24|
barrière kunnen opwerpen
voor niet-Nederlandse verzekeraars, omdat zij dan moeten contracteren
met lokale zorgaanbieders. De verplichting om zorg in natura te leveren
zou, gezien uitspraken van het Europees Hof van Justitie, in strijd
kunnen zijn met de beginselen van proportionaliteit en noodzakelijkheid.
De Commissie geeft aan
dat ook een wettelijke sociale verzekering volgens het Europees Hof
van Justitie onder de schaderichtlijnen valt als er sprake is van "verzekeren" door private verzekeraars voor eigen risico en op basis van
privaatrechtelijke overeenkomsten. Uitvoering van zo’n verzekering door een
onderneming met een andere rechtsvorm dan expliciet genoemd in de
schaderichtlijnen, sluit de toepasselijkheid van die richtlijnen niet zonder
meer uit. Verzekeringsactiviteiten mogen alleen door verzekeraars worden
uitgevoerd. Zou de regering dus een systeem willen opzetten dat
buiten de schaderichtlijnen valt, dan zou zij ervoor moeten zorgen dat er in
ieder geval geen sprake is van "verzekeringsactiviteiten".
De conclusie is dat op
een privaatrechtelijk vormgegeven verzekeringsstelsel de schaderichtlijnen van
toepassing zijn, maar dat op onderdelen inbreuk op de
voorschriften van deze richtlijnen gerechtvaardigd kan worden met een beroep op
het algemeen belang in algemene zin en op grond van artikel 54 van
de derde schaderichtlijn in het bijzonder. Overigens wijst de Commissie erop
dat het Europees Hof van Justitie als enige bevoegd is om hierover te
oordelen en dat de Commissie niet vooruit kan lopen op het
uiteindelijke oordeel van het Europees Hof van Justitie.
Op grond van de
overwegingen van de Europese Commissie komt de regering tot de conclusie
dat er vanuit internationaalrechtelijk kader geen beletselen hoeven te zijn
die in de weg zouden staan aan een keuze voor een privaatrechtelijke
vormgeving van de beoogde verzekering. Deze keuze impliceert dat overheidsingrijpen in zo een zorgverzekering slechts
mogelijk is als dit door
het algemeen belang wordt gerechtvaardigd. Uitgangspunt hierbij is
dat de relaties tussen de partijen in de gezondheidszorg zoveel mogelijk ontstaan
op basis van eigen keuzes. Slechts voor zover er sprake is
van evident onevenwichtige marktverhoudingen, zal de overheid regelend
optreden ter borging van het publieke belang. Dit impliceert in ieder geval
dat de zorgverzekeraar een verzekeringsplichtige burger moet accepteren
voor een wettelijk voorgeschreven verzekeringspakket en voor een premie die
gelijk is voor iedereen die bij zorgverzekeraar een zelfde variant van de
zorgverzekering kiest. Om te voorkomen dat zorgverzekeraars door
deze acceptatieplicht in financiële moeilijkheden raken, is een systeem van
verplichte risicoverevening hierbij noodzakelijk.
V. De inhoud van de
zorgverzekering
Doelstelling van de
regering is om de efficiency in het zorgstelsel te verbeteren door daar waar mogelijk
in het zorgveld marktprikkels in te voeren of te versterken. Wat
betreft het verzekeringsstelsel houdt dit in dat de zorgverzekeraars een
speelveld krijgen waarop zij onder gelijke voorwaarden in onderlinge
concurrentie zoveel mogelijk prikkels krijgen tot een doelmatige uitvoering
van de zorgverzekering. De basiselementen die een zodanig
verzekeringsstelsel dient te bevatten en de internationaalrechtelijke vereisten waaraan zo’n
verzekeringsstelsel dient te voldoen, hebben de regering ertoe
geleid te kiezen voor een stelsel met één wettelijke sociale verzekering voor
geneeskundige zorg, die de gehele bevolking omvat.
rblz.|25|
a. De uitvoering
Private uitvoering
De uitvoering van de
Zorgverzekeringswet wordt in handen gegeven van private
ziektekostenverzekeraars. Deze verzekeraars zijn als schadeverzekeraars in de eerste plaats
onderworpen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Wet
toezicht verzekeringsbedrijf 1993 (Wtv 1993). In de visie van de regering gaat het
bij de uitvoering van de Zorgverzekeringswet echter niet louter om een
schadeverzekering. Het doel van de Zorgverzekeringswet is immers niet alleen
maar ervoor te zorgen dat iedere ingezetene een ziektekostenverzekering heeft die de kosten dekt wanneer hij
medische zorg heeft
genoten. Doel is ook om voor de gehele bevolking tegen acceptabele
voorwaarden de feitelijke toegang tot de noodzakelijke zorg te bewerkstelligen.
Beoogd is daarom een type verzekeraar die de door de regering gewenste
rol in het model van gereguleerde concurrentie vervult, dat wil zeggen
dat hij optreedt als doelmatige, klantgerichte regisseur van de zorg. Zo’n
verzekeraar wordt daarom aangeduid met de term "zorgverzekeraar".
Deze zorgverzekeraars dingen met elkaar om de gunst van de burgers. Zij
moeten er namelijk voor zorgen dat zoveel mogelijk burgers bij hen
een zorgverzekering tegen ziektekosten sluit. Daarbij dienen de zorgverzekeraars zich ervoor in te zetten dat de verzekerden
die zich bij hen hebben verzekerd de zorg kunnen krijgen waarvoor zij verzekerd zijn.
Doelstelling van de
regering is dat concurrentie tussen de zorgverzekeraars uiteindelijk leidt tot
een zo efficiënt en klantvriendelijk mogelijke inrichting van de zorg.
Als extra stimulans voor die concurrentie staat de regering toe dat de
zorgverzekeraars bij de uitvoering van hun taak winst beogen.
Anders dan het geval is
bij de Wtz 1998 zijn in Nederland werkzame ziektekostenverzekeraars
niet verplicht de Zorgverzekeringswet uit te voeren.
Ziektekostenverzekeraars, zowel binnenlandse als buitenlandse, kunnen zelf besluiten of
zij wel of niet de Zorgverzekeringswet willen uitvoeren. Als zij dat
willen, moeten zij allereerst beschikken over een vergunning voor de
uitoefening van het schadeverzekeringsbedrijf voor de juiste branches (te
weten: 1. ongevallen en 2. ziekte). Die vergunning wordt verleend door de
PVK of door een collega-toezichthouder van de PVK in een andere
lidstaat van de Europese Unie. Daarnaast moeten zij zich, ten behoeve van het
toezicht op de uitvoering van de Zorgverzekeringswet en om in aanmerking te
komen voor een uitkering uit het vereveningsfonds, aanmelden bij het CTZ.
Willen zorgverzekeraars ook de AWBZ
uitvoeren, dan moeten zij
op grond van de AWBZ daartoe zijn toegelaten.
Zorgverzekeraars moeten
bij de uitvoering van de
Zorgverzekeringswet onder meer voldoen aan de
volgende voorwaarden:
- uitvoering
zorgplicht;
- de administratie
dient te zijn opgezet overeenkomstig de voorwaarden voor de
vereveningsregeling;
- het werkgebied
beslaat geheel Nederland, alleen ingeval een zorgverzekeraar minder dan 850 000
verzekerden heeft, mag hij zijn werkgebied beperken tot één of
meer gehele provincies;
- de statuten
waarborgen een redelijke mate van invloed van de verzekerden op het beleid.
Werkgebieden
zorgverzekeraars
Een zorgverzekeraar moet
in geheel Nederland werkzaam zijn, tenzij hij een verzekerdenbestand
van minder dan 850 000 personen heeft. In dat geval mag hij zijn
werkgebied beperken tot één of meer gehele provincies. Het is niet toegestaan in
gedeeltes van provincies werkzaam te zijn. Aldus wordt voorkomen dat
"witte vlekken" zouden ontstaan in het dekkingsbereik
van de
Zorgverzekeringswet doordat zorgverzekeraars zich zouden rblz.|26|
concentreren op gebieden
met relatief gezonde mensen, door bijvoorbeeld de grote steden te mijden.
Ofschoon de ziekenfondsen
op één na hebben gekozen voor een werkgebied dat geheel Nederland
beslaat, is het nog steeds zo dat zij vrijwel allemaal een sterke
regionale gerichtheid hebben. De meeste ziekenfondsen hebben in hun regio een
groot marktaandeel. In 2001 was gemiddeld 77% van de ziekenfondsverzekerden verzekerd bij het ziekenfonds in
de "eigen regio".¹ Voor
10,9% van de mensen gold dat zij een bewuste overstap hadden gemaakt,
de rest was verhuisd naar een andere regio zonder van ziekenfonds te
veranderen.
1. Rudo van den Brink,
"Een efficiënte ziekenfondsmarkt", ESB, 9 maart 2001.
Particuliere verzekeraars
hebben allemaal een landelijk werkgebied. Zij hebben nooit aan
zorginkoop hoeven te doen. Zij kennen een restitutiestelsel en hebben over het
algemeen geen rol in de organisatie van de zorg. In de praktijk komt
dit erop neer dat de particuliere verzekeraars overal een zeer klein marktaandeel hebben. Overigens is het wel zo dat de
meeste ziekenfondsen deel
uitmaken van een concern waarbinnen een aparte tak particuliere
verzekeringen aanbiedt, doorgaans met het oog op verzekerden van wie het
inkomen boven de ziekenfondsgrens uitgaat. Het ligt voor de hand dat
deze verzekeraars wel een vrij sterke regionale oriëntatie kennen.
De regering heeft bij de
keuze voor het toestaan van een beperkt werkgebied de volgende overwegingen
betrokken.
Toestaan van een beperkt
werkgebied kent een aantal voordelen. Ten eerste maakt dat het
toetreden tot de markt makkelijker. Voor een nieuwe partij op de
zorgverzekeringsmarkt is het makkelijker om in een bescheiden werkgebied te beginnen
met bijvoorbeeld het sluiten van zorgovereenkomsten met zorgaanbieders en
hierdoor dus met een beperkter aantal zorgaanbieders te
hoeven onderhandelen. Met andere woorden, de zorgverzekeraar kan zo
makkelijker invulling geven aan zijn regiefunctie. Verder is het zo voor de
kleine, vrijwel uitsluitend regionaal actieve ziekenfondsen die bestaan, mogelijk dat
zij hun werkzaamheden kunnen uitvoeren in de nieuwe
zorgverzekeringsmarkt. Ten slotte geldt dat landelijk werken impliceert dat de
zorgverzekeraar voor ten minste een deel van zijn werkgebied (dat deel
waar zijn "verre verzekerden" ¹ wonen, waarvoor het niet mogelijk blijkt
zorg op gecontracteerde basis te arrangeren) op restitutiebasis moet
werken. Zoals Zorgverzekeraars Nederland ² aangeeft, is het werken op
restitutiebasis lang niet altijd de meest efficiënte manier van opereren.
1. "Verre
verzekerden" zijn die verzekerden van een zorgverzekeraar die in
een gebied wonen waar hij slechts enkele verzekerden heeft. Onder de
ziekenfondsverzekering blijken verzekeraars grote moeite te hebben om in
die gebieden zorg voor die enkele verzekerden te contracteren.
2. Brief Zorgverzekeraars
Nederland aan het College voor zorgverzekeringen van 22 september 2003.
Aan de mogelijkheid om
het werkgebied te beperken, zijn ook nadelen verbonden. Ten eerste
bestaat het gevaar dat de concurrentie afneemt ten opzichte van de situatie
met uitsluitend landelijk werkende verzekeraars. De kans dat de - de
facto - regionale monopolies uit de huidige situatie blijven bestaan met
het
risico van economisch machtsmisbruik, is groter. Ten tweede kan het een
manier zijn om aan risicoselectie te doen. Immers, gezondheidsrisico’s
zijn in de ene regio groter dan in de andere. In regio’s met veel slechte risico’s
zal wellicht weinig interesse bestaan. Bovendien bestaat het gevaar dat,
als een verzekeraar in een bepaalde regio heel sterk is, het voor andere
verzekeraars minder aantrekkelijk is om in die regio te gaan
concurreren, en het staat hen vrij om er dan weg te blijven. Dan is het gedaan met de
concurrentie en met de keuzevrijheid voor de verzekerden. Op de korte
termijn lijkt het aantrekkelijk om een verzekeraar te hebben die vanwege
zijn marktaandeel een sterke "countervailing power" kan ontwikkelen, op de lange termijn is dit echter funest, aangezien
dan de
concurrentieprikkel en daarmee de prikkel tot scherp inkopen ontbreekt. Dit stelt ook
weer hogere eisen aan het mededingingstoezicht rblz.|27|
om misbruik van een
machtspositie te voorkomen (inclusief de mogelijkheid om nieuwe partijen van de
markt te weren).
Eén en ander afwegende,
is de regering van mening dat er voldoende grond is om vanuit het
algemeen belang te beredeneren dat zorgverzekeraars de verplichting hebben
landelijk te werken, tenzij zij minder dan 850 000 verzekerden
hebben. Deze grens van 850 000 verzekerden is zodanig gekozen dat,
uitgaande van de huidige marktverhoudingen, bij de invoering van de
Zorgverzekeringswet ten minste een redelijk aantal verzekeraars in heel Nederland zijn
verzekeringen aanbiedt.
Om te bevorderen dat
zorgverzekeraars daar waar zij dat op grond van de geldende
marktomstandigheden wenselijk vinden zorg kunnen contracteren, is het toegestaan dat zij
per provincie verschillende polissen kunnen aanbieden. Zodoende
kunnen zij in één of meer provincies werken op basis van gecontracteerde
zorg en in andere provincies kiezen voor niet-gecontracteerde zorg. Hierbij zijn
uiteraard ook tussenvarianten mogelijk, waarbij een
zorgverzekeraar al naargelang de geldende marktomstandigheden in een bepaalde
provincie
begint met het aanbieden van niet-gecontracteerde zorg en dat geleidelijk
aan steeds meer vormen van zorg wel worden gecontracteerd.
Aan iedere aangeboden polis kan een verschillende premie gekoppeld zijn.
De mogelijkheden tot
variatie in verzekeringsovereenkomsten die de
Zorgverzekeringswet biedt, zijn in beginsel vrijwel onbeperkt. Een zorgverzekeraar kan in theorie duizend
verschillende polissen aanbieden, variërend van volledige
restitutie tot volledige natura met alle tussenliggende vormen, en dat dan ook
nog eens per provincie verschillend. Zo’n situatie acht de regering
ongewenst in het kader van de beoogde transparantie van het systeem en de
informatiebehoefte van de burger. Toch heeft de regering, in
ieder geval tot nu toe, ervan afgezien om op dit punt beperkende voorschriften
aan de zorgverzekeraars op te leggen. Zulke voorschriften kunnen op
basis van het Europees recht slechts worden gerechtvaardigd vanuit het algemeen belang. De zorgverzekeraars hebben
echter aangegeven
geenszins voornemens te zijn om een groot aantal verschillende varianten
in hun zorgverzekeringsovereenkomsten in de markt te gaan zetten. Daarmee valt niet alleen de noodzaak van zulke
regels weg, maar ook de
mogelijke rechtvaardiging daarvoor. Ten behoeve van de transparantie zijn
zorgverzekeraars verplicht de varianten die zij aanbieden vast te leggen
in openbaar te maken modelovereenkomsten. Zie hierover hoofdstuk
VII.
Invloed verzekerden op
het beleid
Invloed van verzekerden
op het beleid van de onderneming die de verzekering uitvoert, is een
belangrijk uitgangspunt van de sociale verzekering. Dit uitgangspunt is
neergelegd in verscheidene door Nederland geratificeerde internationale verdragen
die normen stellen over de vorm en inhoud van de sociale verzekering. Het betreft de ILO-verdragen
nrs. 24
(Verdrag betreffende de
ziekteverzekering van arbeiders in de industrie en de handel en van
huispersoneel), 25 (Verdrag betreffende de ziekteverzekering van landarbeiders), 102
(Verdrag betreffende minimumnormen van sociale zekerheid) en 121
(Verdrag betreffende uitkeringen bij bedrijfsongevallen en beroepsziekten) en de
Europese Code inzake sociale zekerheid van de Raad van Europa.
Voor de huidige ziekenfondsen is dit uitgangspunt verwoord in de Zfw
door
het voorschrift dat ziekenfondsen in de statuten waarborgen
bieden voor een redelijke mate van invloed van de verzekerden op het
beleid. Ziekenfondsen geven hieraan in de praktijk veelal op de volgende
wijze invulling. De meeste ziekenfondsen hebben de rechtsvorm van een
onderlinge waarborgmaatschappij. Daarmee heeft het ziekenfonds de
inbreng van de leden al gewaarborgd.¹ Andere ziekenfondsen rblz.|28|
hebben in hun
statuten een verzekerdenraad geregeld met bevoegdheden om invloed
op het beleid uit te oefenen. Het CVZ toetst bij de toelating of een
aspirant-ziekenfonds voldoende heeft geregeld in zijn statuten. Het CTZ gaat
bij zijn toezicht onder meer na of het ziekenfonds voldoende doet om zijn
verzekerden invloed te laten uitoefenen.
1. Zie Boek
2, titel3, van het Burgerlijk Wetboek.
Bij inwerkingtreding van
de
Zorgverzekeringswet zullen zorgverzekeraars de invloed van
verzekerden op het beleid ook moeten waarborgen. Dit past binnen het concept
van "corporate governance", zoals de regering dat voor ogen heeft.
Zorgverzekeraars Nederland heeft uitgangspunten uitgewerkt van een
dergelijke benadering onder de benaming "Health Insurance Governance".
Deze schenkt aandacht aan het uitgangspunt dat verzekerden als "stakeholders"
invloed moeten kunnen uitoefenen op de verzekeringsuitvoering.
Toepasselijkheid
mededingingsrecht
In de arresten
Poucet/Pistre
en AOK Bundesverband ¹ heeft het Europees Hof van Justitie
uitgesproken dat op uitvoerende instellingen van sociale
ziektekostenverzekeringen
het mededingingsrecht niet van toepassing is, omdat deze instellingen
niet als ondernemingen kunnen worden gekwalificeerd. Het Hof noemt hierbij
een
aantal overwegingen. In relatie tot de
Zorgverzekeringswet is de
meest in het oog springende hiervan dat deze instellingen bij de
uitvoering van hun wettelijke taak niet winstbeogend zijn.
De zorgverzekeraars die
de Zorgverzekeringswet uitvoeren, zijn in de visie van de regering wel
onderworpen aan het mededingingsrecht. In de eerste plaats omdat de
Zorgverzekeringswet slechts kan worden uitgevoerd door rechtspersonen die
als onderneming toelating hebben gekregen tot uitvoering van het verzekeringsbedrijf. In de tweede plaats geldt
dat deze ondernemingen,
ook wat betreft de uitvoering van de Zorgverzekeringswet, het maken van winst mogen
beogen. In de opvatting van de regering dienen zorgverzekeraars dan ook te worden gekwalificeerd als
ondernemingen. Om ieder
misverstand daarover te voorkomen, is in het wetsvoorstel bepaald dat
zij in ieder geval als ondernemingen in de zin van artikel 1 van de Mededingingswet
worden aangemerkt. Een dergelijke wettelijke voorziening
heeft een duidelijke toegevoegde waarde: het enkele feit dat de
Nederlandse regering stelt dat de zorgverzekeraars ondernemingen zijn, heeft
naar Europees recht geen doorslaggevende betekenis. De
interpretatie van het Europese ondernemingsbegrip kan door een uitspraak van
het Hof toch anders uitpakken en dan biedt deze wettelijke bepaling een
vangnet waarmee toch een adequaat mededingingstoezicht wordt gewaarborgd.
1. Zie het arrest van het
Europees Hof van Justitie, Poucet/Pistre, (nrs. C-159/91 en C-160/91, 17 februari
1993) en AOK Bundesverband (nr. C-264/01, 16 maart
2004).
b. De zorgplicht
Een belangrijke
doelstelling van de sociale verzekering die met de
Zorgverzekeringswet wordt gerealiseerd,
is te
waarborgen dat burgers de zorg kunnen krijgen die zij
nodig hebben. De zorgverzekeraars, als uitvoerders van de verzekering,
komen
een belangrijke rol toe bij het realiseren van dat doel. Het gaat er daarbij
niet alleen om dat de betaling van de kosten is gewaarborgd. Het gaat er
ook om dat de burgers de verzekerde zorg in voorkomend geval ook
werkelijk kunnen verkrijgen. Ten aanzien van beide aspecten heeft de
zorgverzekeraar nadrukkelijk een rol, welke hier verder als zorgplicht wordt
aangeduid.
Het wetsvoorstel geeft de
verzekerde recht op de zorg waaraan hij behoefte heeft (naturamodel)
of vergoeding van de kosten van deze zorg alsmede, desgevraagd,
activiteiten ¹ gericht op het verkrijgen van deze zorg of diensten
(restitutiemodel).
rblz.|29|
De
zorgovereenkomst
tussen de zorgverzekeraar en de verzekerde concretiseert de manier waarop de
zorgverzekeraar voor de individuele verzekerde invulling geeft aan zijn
zorgplicht. Hier onderscheiden zich twee hoofdlijnen, namelijk die
van gecontracteerde zorg en die van niet-gecontracteerde zorg.
Bij gecontracteerde zorg
zal de zorgverzekeraar afspraken maken met zorgaanbieders over de
zorgverlening aan zijn verzekerden. Daarbij kunnen allerhande zaken
aan de orde komen, van zowel zorginhoudelijke aard als van
administratieve aard. Zo kunnen afspraken worden gemaakt over de manier van
doorverwijzen naar andere betrokken zorgaanbieders in de zorgketen, over
prijzen, of afspraken over meebetalen door de zorgverzekeraar aan een bepaalde
modernisering van het door de zorgaanbieder gebruikte materiaal. Afgesproken zal ook worden hoe de zorgaanbieder
betaald moet worden:
rechtstreeks door de zorgverzekeraar (naturamodel) of door de
verzekerde, die dan daarna de kosten weer declareert bij de zorgverzekeraar (restitutiemodel).
Bij niet-gecontracteerde
zorg zijn vorenbedoelde afspraken niet aan de orde. Er is geen relatie
tussen de zorgverzekeraar en de zorgaanbieder waar diens verzekerde
zijn noodzakelijke zorg heeft gekregen. De rekening voor de verleende zorg
wordt altijd door de zorgverlener gepresenteerd aan de verzekerde (restitutiemodel).
1. Deze activiteiten, soms
wel aangeduid als zorgbemiddeling, kunnen
afhankelijk van de situatie beperkt tot zeer
omvangrijk zijn en kunnen uiteenlopen van
een simpel telefonisch contact met
doorverwijzing van de verzekerde naar een
aangeduide zorgaanbieder tot het voeren van
besprekingen met een zorgaanbieder om te
bewerkstelligen dat de verzekerde geholpen
wordt.
De regering heeft drie
redenen voor de hiervoor omschreven vrijheid voor de zorgverzekeraar om te
kiezen of hij zijn zorgplicht vorm wil geven door zorg te contracteren of
door het aan de verzekerde over te laten zelf de nodige zorg te zoeken dan
wel te kiezen voor een combinatie van deze mogelijkheden.
In de eerste plaats
krijgt de verzekerde hiermee de mogelijkheid om naargelang zijn eigen
voorkeur te kiezen voor een verzekeringspakket waarbij de zorgaanbieders met de
zorgverzekeraar overeenkomsten hebben gesloten, dan wel voor
een verzekeringspakket waarbij hij zelf, eventueel met hulp van zijn verzekeraar, een zorgaanbieder zoekt. Bij dat laatste
model heeft de verzekerde
waarschijnlijk een grotere keus uit de beschikbare zorgaanbieders, maar daar
staat tegenover dat wellicht zijn nominale premie wat hoger is.
In de tweede plaats
bevordert de keuzevrijheid dat zorgverzekeraars voor het vormgeven van hun
zorgplicht een model kunnen kiezen dat voor hen de minste administratieve
belasting oplevert. De regering wil het maken van keuzes in dit verband
zoveel mogelijk overlaten aan het veld zelf.
Ten slotte sluit de
vrijheid die de zorgverzekeraars hebben om hun zorgplicht te realiseren aan bij
het feit dat de
Zorgverzekeringswet de huidige verschillende
verzekeringswerelden van de ziekenfondsen en de particuliere verzekeraars in zich
verenigt. Die werelden hebben van oudsher een verschillende uitvoeringspraktijk, waarbij de ene het zwaartepunt legt op
het contracteren van zorg
en de andere op het restitueren van gemaakte kosten. Door beide
mogelijkheden open te laten, biedt de Zorgverzekeringswet aan de zorgverzekeraars
de mogelijkheid om zich ten opzichte van de verzekerden te profileren
op de wijze waarmee men vertrouwd is.
In het verslag bij het
voorstel van Wet herziening
overeenkomstenstelsel zorg
(Kamerstukken II
2002-2003, 28 994, nr. 4) vroegen de leden van de PvdA-fractie hoe in een
restitutiesysteem voorkomen kan worden dat mensen met een laag
inkomen hoge zorgkosten voor moeten schieten en hoe voor hen in zo’n
systeem rentenadeel voorkomen wordt. De regering verwacht dat de kwesties
die deze leden aankaarten zich in het systeem van de
Zorgverzekeringswet nauwelijks voor zullen doen. Het gekozen systeem prikkelt de
zorgverzekeraars immers, op straffe van verlies van de klandizie van
verzekerden, tot een cliëntvriendelijke uitvoering. Verzekerden die zeker willen weten
dat ze geen zorgkosten hoeven voor te schieten, kunnen zich allereerst bij een zorgverzekeraar verzekeren die een
naturamodel aanbiedt.
Daarnaast valt te verwachten dat ten minste een rblz.|30|
aantal zorgverzekeraars
die een restitutiemodel aanbieden hoge zorgkosten direct - in naam van de
verzekerde - aan de zorgaanbieder betalen. Ook nu al zijn er
particuliere ziektekostenverzekeraars die dit doen. Een verzekerde die geen
naturapolis wil, maar hoge zorgkosten niet zelf wil voorschieten, kan voor zo’n
restitutieverzekeraar kiezen.
In de praktijk zal de
nieuwe situatie niet veel verschillen van die onder de Zfw
en in de particuliere
ziektekostenverzekering.
In de
ziekenfondsverzekering moeten de ziekenfondsen zorg leveren door tussenkomst van
gecontracteerde zorgaanbieders. Als die echter niet of in onvoldoende aantal
beschikbaar zijn, kan de
Minister van VWS bepalen dat de kosten die door de
verzekerden worden gemaakt bij het inroepen van zorg bij niet-gecontracteerde
zorgaanbieders mogen worden gerestitueerd.
Ook in de huidige
particuliere ziektekostenverzekering is het de laatste jaren meer en meer
gebruikelijk geworden dat verzekeraars hun verzekerden begeleiden bij het zoeken
naar een beschikbare zorgaanbieder in situaties waarbij die
zorg relatief schaars voorhanden is. Sommige particuliere verzekeraars hebben nu al
met zorgaanbieders afgesproken dat de kosten van hun
verzekerden rechtstreeks door de verzekeraar worden betaald. In juridische
zin is er echter een verschil met de huidige situatie in die zin dat de verzekerde
nu een afdwingbaar recht krijgt op bemiddeling door zijn zorgverzekeraar
bij het verkrijgen van de zorg. In die zin kan dan ook, zoals eerder
gesteld, met de invoering van de zorgplicht voor zorgverzekeraars, worden
gesproken van het
doortrekken van een al geruime tijd in gang gezette
ontwikkeling.

Gecontracteerde zorg
De
Zorgverzekeringswet biedt zorgverzekeraars de gelegenheid om in de
zorgverzekeringsovereenkomst
met hun verzekerden te bepalen dat die voor het verkrijgen van
de zorg in beginsel uitsluitend gebruik mogen maken van gecontracteerde
zorgaanbieders. Deze bepaling dient dan overigens de nodige
flexibiliteit te kennen. Dat vindt zijn oorsprong in ontwikkelingen binnen het
Europese recht. In het arrest Müller/Fauré1 ¹ heeft het Europees Hof
van Justitie bepaald dat verzekerden die in beginsel hun zorg moeten
inroepen bij gecontracteerde zorgaanbieders, rblz.|31|
toch de mogelijkheid
hebben om in een andere EU-staat extramurale zorg in te roepen bij een niet-gecontracteerde of een niet in loondienst zijnde
zorgaanbieder. Dit
wetsvoorstel voorziet erin dit EU-aspect te veralgemeniseren. Verzekerden die hebben
gekozen voor een zorgverzekering waarbij zij hun zorg bij
gecontracteerde zorgaanbieders moeten inroepen, hebben de mogelijkheid
toch te kiezen voor het inroepen van zorg bij een niet-gecontracteerde
zorgaanbieder. Het doet er daarbij niet toe of die zorgaanbieder zijn
diensten binnen Nederland aanbiedt of daarbuiten. Die situatie kan zich
bijvoorbeeld voordoen als een verzekerde een specifieke medische behandeling
beslist wil laten verrichten door een bepaalde arts die geen overeenkomst
heeft gesloten met zijn zorgverzekeraar. Omdat de verzekerden daarmee een
administratieve last veroorzaken voor hun zorgverzekeraar, die
immers de noodzakelijke zorg in beginsel al had ingekocht, zullen zij
niet het volledige bedrag dat de zorgaanbieder in rekening brengt, gerestitueerd krijgen. De precieze vormgeving van die
korting wordt overgelaten
aan de zorgverzekeraar. De omvang ervan mag op grond van de
overwegingen van het Europees Hof van Justitie in de zaak Müller/Fauré
niet
zodanig groot zijn dat die een feitelijke hinderpaal vormt voor het inroepen
van zorg bij een niet in loondienst zijnde of niet-gecontracteerde (buitenlandse)
zorgaanbieder. In de situatie waarbij een verzekerde, bijvoorbeeld
tijdens een vakantie, niet met het oogmerk een medische behandeling te
ondergaan, maar als gevolg van een onvoorziene omstandigheid een beroep
moet doen op een niet-gecontracteerde zorgaanbieder, geldt in
beginsel dezelfde uitzonderingsregel. De tekst van de wet laat er overigens
ruimte voor dat zorgverzekeraars in deze gevallen ruimere restitutie
toepassen dan in de situatie waarbij de verzekerde zich met het specifieke
oogmerk om zorg te ondergaan tot een niet-gecontracteerde zorgaanbieder wendt. Een
verplichting hiertoe heeft de zorgverzekeraar niet. Verzekerden die
zich willen indekken tegen de mogelijkheid dat zij in voorkomend geval
te maken krijgen met een voor eigen rekening komend verschil tussen de
gemaakte kosten en de gerestitueerde kosten, kunnen voor deze
situaties een reisverzekering sluiten.
Naast de hiervoor
vermelde mogelijkheid om op grond van de
Zorgverzekeringswet zorg in te roepen bij een
niet-gecontracteerde zorgverlener, gelden nog de
mogelijkheden die daarover zijn opgenomen in de Europese
socialezekerheidsverordening en door Nederland met andere staten gesloten
socialezekerheidsverdragen. De verordening en die verdragen voorzien in
beginsel in twee mogelijkheden. Ten eerste de mogelijkheid dat een
verzekerde toestemming vraagt aan zijn zorgverzekeraar om zich, voor het
ondergaan van een bepaalde behandeling, te wenden tot een
niet-gecontracteerde zorgaanbieder in een EU-lidstaat of een verdragsstaat. Ten
tweede de mogelijkheid om in geval van een onvoorziene omstandigheid
in een EU-lidstaat of een verdragsstaat zorg in te roepen bij een
niet-gecontracteerde zorgaanbieder. In beide gevallen ontvangt de betrokkene in
het verblijfland zorg overeenkomstig de socialeverzekeringswetgeving
van dat land. Eventueel in dat kader bestaande eigen
betalingen komen voor rekening van de verzekerde. De overige kosten komen
volledig voor rekening van de Nederlandse zorgverzekering.
1. Zie het arrest van het
Europees Hof van Justitie, Müller/Fauré, (nr. C-385/99), 13 mei 2003.
Uit de jurisprudentie die
zich heeft ontwikkeld in het kader van de ziekenfondsverzekering is gebleken dat
een zorgverzekeraar die kiest voor het contracteermodel, aan de
verzekerde de zorg op een redelijke afstand van zijn woonplaats moet
aanbieden. De vraag wat in dit verband onder een redelijke afstand moet worden verstaan, is niet eenduidig te beantwoorden;
dat is sterk afhankelijk
van de zorgsoort waarom het gaat. Topklinische zorg zal
doorgaans niet "om de hoek" beschikbaar zijn; eerstelijnszorg
daarentegen wel. De normen die zich hierover in de loop der tijd, mede onder
invloed van jurisprudentie, hebben ontwikkeld in de huidige
ziekenfondsverzekering, kunnen naar de opvatting van de regering rblz.|32|
integraal van
toepassing worden geacht in het kader van de
Zorgverzekeringswet.
Het contracteren van zorg
is voor zorgverzekeraars een aantrekkelijke optie. Door de afspraken
die zij met de zorgaanbieders maken, kunnen zij bijdragen aan een zo
efficiënt mogelijke zorgverlening. Daardoor besparen zij rechtstreeks op hun
zorgkosten. Voorts is het een gegeven dat de administratieve kosten
bij het afwikkelen van de declaraties van individuele verzekerden aanmerkelijk
hoger liggen dan in het geval de kosten bulksgewijze rechtstreeks
met de zorgaanbieder worden afgerekend. Tenslotte kan een zorgverzekeraar bij het contracteermodel proberen een
prijsvoordeel te behalen
door een wat lager tarief met de zorgaanbieder af te spreken dan het tarief
dat door de zorgaanbieder wordt toegepast "in de losse verkoop". Naar
de mening van Zorgverzekeraars Nederland kan dan ook worden uitgegaan
van de vooronderstelling dat veel zorgverzekeraars het contracteersysteem
zullen koesteren.¹
Vastgesteld moet echter
worden dat het contracteren van zorg in de praktijk niet altijd in het hele
land voor alle vormen van zorg mogelijk is. Dat blijkt in het huidige
verzekeringsstelsel, waarbij ziekenfondsen op grond van de Zfw
verplicht zijn
hun verzekerden gecontracteerde zorg aan te bieden. Landelijke
werkende ziekenfondsen merken dat zij niet in het gehele land iedere
zorgaanbieder kunnen contracteren. Als zij in een bepaalde regio slechts
enkele verzekerden hebben ingeschreven, zien zij zich regelmatig geconfronteerd met zorgaanbieders die weigerachtig
blijken om voor dat zeer
geringe aantal verzekerden een contract met het ziekenfonds te sluiten.
Deze situatie, die bekend is als de "verre-verzekerdenproblematiek", leidt in
toenemende mate tot conflicten tussen enerzijds de ziekenfondsen die
landelijk wensen te werken en anderzijds de toezichthouder. De
ziekenfondsen krijgen te maken met verzekerden die bijvoorbeeld een huisarts
hebben gekozen die niet met hun ziekenfonds wil contracteren. Om die verzekerden tegemoet te komen, gaan ziekenfondsen
dan in sommige gevallen
over tot door de Zfw niet-toegestane restitutie van de door
hun verzekerden gemaakte kosten. De toezichthouder echter is gehouden de wet
te handhaven en moet daarom dergelijke restitutiekosten in
beginsel als niet-verantwoord aanmerken.
De
Zorgverzekeringswet biedt voor deze problematiek een oplossing doordat de
zorgverzekeraars zelf kunnen bepalen of zij de verzekerde zorg wel of niet contracteren
en in een modelovereenkomst aanbieden. Mengvormen zijn ook mogelijk,
waarbij zorgverzekeraars bijvoorbeeld ziekenhuiszorg wel contracteren, maar
fysiotherapie niet. Zodoende kunnen zorgverzekeraars voor het
contracteren van zorg groeistrategieën ontwikkelen.
1. Brief Zorgverzekeraars
Nederland aan het College voor zorgverzekeringen van 22 september 2003.
Contracteerplicht
Een inbreuk op de
vrijheid van zorgverzekeraars om zelf de manier te bepalen waarop zij
invulling willen geven aan hun zorgplicht wordt gevormd door de in het
wetsvoorstel voorziene mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur
bepaalde zorgvormen aan te wijzen die uitsluitend op
gecontracteerde basis aan de verzekerden mogen worden geleverd.
Zorgverzekeraars, respectievelijk aanbieders van de aangewezen zorgvorm, hebben daarbij
de verplichting om onder gelijke voorwaarden te contracteren met iedere aanbieder van die zorgvorm, respectievelijk
iedere zorgverzekeraar
die dat wenst. Deze maatregel kan op grond van overwegingen
van algemeen belang worden toegepast. Daarbij zal met betrekking tot iedere aangewezen zorgvorm, gelet op noodzaak en
proportionaliteit, dienen
te worden aangetoond of de desbetreffende inbreuk op de Europese
regels inzake vrije dienstverlening gerechtvaardigd is. Men kan in dit verband denken aan de noodzaak om de distributie
van bepaalde vormen van
topklinische zorg die slechts in beperkte mate beschikbaar zijn aan de
gehele bevolking zeker te stellen. Ook kan men rblz.|33|
denken aan de noodzaak om
te voorkomen dat de financiële houdbaarheid van het stelsel in gevaar
komt vanwege extreme kostenontwikkelingen.¹ De regering heeft
overigens bij gelegenheid van de parlementaire behandeling van het
voorstel van Wet herziening
overeenkomstenstelsel zorg
aangegeven te streven naar een fasegewijze afschaffing van zorgvormen
waarvoor binnen de
ziekenfondsverzekering nog contracteerplicht geldt.² De
Zorgverzekeringswet biedt ook de mogelijkheid om, daar waar de marktomstandigheden
dat toelaten, ervoor te kiezen dat zorgvormen worden aangewezen die op gecontracteerde basis aan verzekerden
moeten worden geleverd,
zonder dat daarbij voor zorgverzekeraars respectievelijk
zorgaanbieders de verplichting geldt dat zij met iedere partij die dat wil een
zorgcontract overeenkomen.
1. Zie in dit verband de
criteria die door het Europees Hof van Justitie
zijn geformuleerd in de zaak Smits/Peerbooms
(C-157/99, 12 juli 2001) ter zake van de
verplichting aan verzekerden om zorg in te roepen bij
gecontracteerde zorgaanbieders.
2. Kamerstukken II 2002-2003, 28 994.
Niet-gecontracteerde zorg
In het geval een
zorgverzekeraar ervoor kiest bepaalde zorgvormen niet te contracteren, mag hij
niet zelf een maximum stellen aan de hoogte van het door hem aan zijn
verzekerden te restitueren bedrag. In dat geval zou hij daarmee de wettelijk
vastgelegde rechten van de verzekerden kunnen beperken. Dezen zouden
dan immers zelf het verschil moeten betalen tussen het aan hen door
de zorgaanbieder in rekening gebrachte tarief en het aan hen
gerestitueerde tarief. Met een dergelijk systeem zou de prikkel voor zorgverzekeraars om
zich in te zetten voor een efficiëntere en minder kostbare zorgverlening
verloren gaan. Zij kunnen dan achteroverleunend toezien hoe de zorgkosten
oplopen ten laste van hun verzekerden zonder dat zij daarvan zelf
financieel nadeel ondervinden. Aldus zou de rol van de zorgverzekeraar worden
teruggebracht tot die van schadeverzekeraar. De doelstelling van de
regering om het verzekeringssysteem te laten fungeren als "motor" voor de
totstandkoming van een efficiënter en meer klantvriendelijk zorgstelsel
zou aldus
verloren gaan. Om de betrokkenheid van de zorgverzekeraars te
handhaven, is bepaald dat zij in beginsel de volledige kosten die de verzekerden
hebben gemaakt, moeten restitueren.
Zolang er sprake is van
een zorgmarkt waarbij aan de zorgtarieven een wettelijk maximum is
gesteld op grond van de Wtg, is het risico van de zorgverzekeraars in dit
opzicht overzichtelijk. Zij kunnen nooit worden geconfronteerd met
buitensporig hoge tarieven. De regering streeft er echter naar de thans
wettelijk vastgestelde tarieven geleidelijk te laten verdwijnen naar de mate
waarin zich voor de desbetreffende zorgvormen een functionerende markt
heeft ontwikkeld die aan het ontstaan van prijsexcessen in de weg zal staan. Ook
in die nieuwe situatie moet worden voorkomen dat een
zorgverzekeraar te maken kan krijgen met zorgrekeningen die in geen enkel opzicht
conform de geldende marktsituatie zijn. Daarom zal bij
algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat de zorgverzekeraar geen
hogere kosten hoeft te restitueren dan een tarief dat in redelijkheid
passend is in de in Nederland gebruikelijke marktomstandigheden. De vraag
wat in het kader
van de geldende marktomstandigheden als gebruikelijk mag
worden gekwalificeerd, zal in de praktijk
uitkristalliseren, onder meer naar aanleiding van uitspraken van de toezichthoudende
instantie en eventueel te vormen jurisprudentie. Het is dan aan een
zorgverzekeraar om aan te tonen dat een voor vergoeding ingediende rekening in
een individueel geval onredelijk hoog is.
In het geval overigens
dat zou blijken dat zorgverzekeraars herhaaldelijk een beroep moeten doen op
deze "veiligheidsbepaling", komt de vraag aan de orde of er wel
daadwerkelijk sprake is van een functionerende zorgmarkt en of
aanvullende maatregelen nodig zijn.
Zekerheid voor de
verzekerden
Ongeacht de vorm die
wordt gekozen om inhoud te geven aan de zorgverzekering, staat voorop dat de
zorgverzekeraar de zorgkosten zal moeten betalen en zich
ervoor zal moeten inspannen dat aan de zorgbehoefte rblz.|34|
van zijn
verzekerden wordt voldaan. Als de verzekerde de zorg heeft verkregen, bij een
gecontracteerde zorgaanbieder of bij een zelfgekozen zorgaanbieder, is er geen
probleem. Als de verzekerde de zorg echter niet kan
verkrijgen bij een gecontracteerde zorgaanbieder of zelf geen zorgaanbieder kan
vinden, heeft hij recht op bemiddeling van zijn zorgverzekeraar bij het
verkrijgen van de zorg. Dan zal de zorgverzekeraar - ongeacht de
overeengekomen prestatiewijze - de verzekerde dus te hulp moeten schieten.
Ook een zorgverzekeraar
die het contracteermodel hanteert, zal, indien er geen of onvoldoende zorgaanbieders bereid blijken met hem een overeenkomst
te sluiten om zijn
verzekerden te helpen, op grond van zijn zorgplicht desgevraagd
toch in actie moeten komen om voor de verzekerde te bemiddelen bij het verkrijgen van die zorg bij een niet-gecontracteerde
zorgaanbieder. In dat
geval zal hij alle marktconforme kosten van de zorg aan zijn
verzekerde voor zijn rekening moeten nemen. Voor een korting, zoals die kan
worden toegepast als een verzekerde ondanks zijn keuze voor
gecontracteerde zorg er toch zelf voor kiest de zorg in te roepen bij een
niet-gecontracteerde zorgaanbieder, is in deze situatie geen plaats.
Zoals reeds aangegeven,
heeft de zorgverzekeraar in beginsel de vrije keuze wat betreft de
wijze waarop hij invulling geeft aan zijn zorgplicht. Hij kan daarbij kiezen voor
een naturamodel, een restitutiemodel of een mengvorm daarvan. Eén en
ander wordt vastgelegd in de met de verzekerde te sluiten zorgverzekeringsovereenkomst.
Als het naturamodel is
overeengekomen, zal de verzekerde, tenzij daarover specifiek iets anders is
overeengekomen, in voorkomend geval terstond levering van de zorg
kunnen vorderen, zij het uiteraard met inachtneming van de eisen van
redelijkheid en billijkheid. De zorgverzekeraar zal bij het maken van afspraken met
zorgaanbieders daarmee rekening moeten houden.
Bij het restitutiemodel
zal de verzekerde kunnen verlangen dat de zorgverzekeraar overgaat tot prompte
vergoeding van de kosten die de verzekerde heeft gemaakt, één en
ander uiteraard behoudens het geval dat daaromtrent een
afwijkende afspraak is gemaakt. Als de verzekerde zich tot de zorgverzekeraar
wendt met een verzoek om bemiddelingsactiviteiten, zal de verzekerde kunnen
verlangen dat de zorgverzekeraar voortvarend actie onderneemt. De
zorgverzekeraar zal daarmee in zijn interne organisatie rekening
moeten houden. Ook hier geldt uiteraard dat daarbij tussen partijen de eisen
van redelijkheid en billijkheid in acht genomen moeten worden.
Bij het bepalen van het
tijdstip waarop de verzekerde in een concreet geval zo nodig een
bepaalde prestatie van de zorgverzekeraar kan vorderen, spelen allerlei factoren
een rol. De aard van de overeengekomen prestatie, maar ook alle
omstandigheden van ieder concreet geval, zoals de gezondheidstoestand
van de patiënt en diens antecedenten, kunnen van belang zijn.¹
Uiteraard spelen ook de ter zake geldende jurisprudentie en de hieromtrent door de
zorgaanbieders en zorgverzekeraars zelf ontwikkelde normen ² een belangrijke rol.
1. Zie het arrest van het
Europees Hof van Justitie in de zaak
Smits/Peerbooms (C-157/99), 12 juli 2001.
2. Zorgaanbieders en
zorgverzekeraars hebben in de zogenoemde
Treeknormen streefnormen geformuleerd waarbinnen
voor de verzekerden de verzekerde zorg
beschikbaar dient te zijn.
Uitzonderlijke situaties
van overmacht daar gelaten, zal het resultaat in alle gevallen zijn dat de
verzekerde de zorg krijgt waaraan hij behoefte heeft en dat de
zorgverzekeraar de kosten daarvan voor zijn rekening neemt. Tot het
onmogelijke is echter ook een verzekeraar niet gehouden. Als eenvoudigweg geen
arts te vinden is die de verzekerde zorg kan verlenen, kan van een
zorgverzekeraar niet worden verlangd dat hij toch regelt dat zijn
verzekerden die zorg kunnen ontvangen. Op de zorgverzekeraar rust de verplichting om
in voorkomend geval aan te tonen dat het onmogelijk is de
verzekerde zorg voor zijn verzekerden te organiseren.
rblz.|35|
c. De verzekerden
Verzekeringsplicht
De
Zorgverzekeringswet legt in beginsel een verzekeringsplicht op iedereen die verzekerd is
ingevolge de AWBZ. Dat komt erop neer dat iedereen die legaal in Nederland
woont verplicht wordt om een zorgverzekering tegen ziektekosten te
hebben. Vaak zal dat betekenen dat mensen voor zichzelf een zorgverzekering sluiten. Maar het kan ook gebeuren dat
iemand anders de
zorgverzekering voor de verzekerde sluit. Iemand kan bijvoorbeeld voor zijn
partner of voor zijn kinderen een verzekering sluiten of een werkgever kan dat
voor zijn personeel doen. Voor degenen die niet zelf de overeenkomst tot
verzekering kunnen of mogen sluiten, zal de wettelijk
vertegenwoordiger of de curator dit moeten regelen. In bepaalde situaties waarin de
Europese socialezekerheidsverordening of door Nederland met andere staten
gesloten socialezekerheidsverdragen van toepassing zijn, kan het voorkomen
dat mensen die buiten Nederland wonen de verplichting hebben om in
Nederland een zorgverzekering te sluiten. Hierop wordt verder ingegaan in
Hoofdstuk VI (Grensoverschrijdende
zorg).
De zorgverzekering staat
gelijkelijk open voor iedereen; voor jong en oud, werknemer of
zelfstandige, uitkeringsgenietende of werkende.
Niemand kan zich aan de
zorgverzekeringsplicht onttrekken; dit is een belangrijke voorwaarde
voor de verankering van de risicosolidariteit. Wel kunnen mensen die op
grond van hun geloofsovertuiging bezwaar hebben tegen elke vorm van
verzekering als zodanig, van deze verzekeringsplicht worden uitgezonderd. In
plaats van de inkomensafhankelijke bijdrage van
verzekeringsplichtigen zijn deze mensen een verhoogd bedrag aan
inkomstenbelasting verschuldigd. Deze zogenaamde gemoedsbezwaarden kunnen wel op hun
gemoedsbezwaren terugkomen en zich alsnog verzekeren.
De regering acht het
wenselijk dat eventuele gemoedsbezwaren alleen worden gehonoreerd
wanneer die gelden met betrekking tot zowel de AWBZ als de
Zorgverzekeringswet. De uitwerking is nochtans verschillend. Bij gemoedsbezwaren
blijft in het geval van de AWBZ de verzekering van rechtswege als zodanig bestaan, maar wordt de betrokkene vrijgesteld
van de verplichting tot
premiebetaling. In het geval van de Zorgverzekeringswet vervalt de verplichting
tot het sluiten van een zorgverzekeringsovereenkomst. Uiteraard ontstaat dan
ook niet de verplichting tot het betalen van de nominale
premie. Er ontstaat dan wel, evenals in de AWBZ, de verplichting tot
het betalen van een, de wettelijke inkomensafhankelijk bijdrage vervangende,
belasting. De hoogte van de vervangende belasting in de
Zorgverzekeringswet is gelijk aan de inkomensafhankelijke bijdrage die de
gemoedsbezwaarde zou hebben moeten betalen indien hij wél verzekeringsplichtig zou zijn geweest.
Bij het sluiten van een
zorgverzekering moet de burger bepaalde keuzes maken. Om te beginnen
kiest hij een zorgverzekeraar. De burgers hebben bij het verplichte
sluiten van de zorgverzekering de vrije keuze uit alle zorgverzekeraars die deze
verzekering in hun provincie uitvoeren.
De zorgverzekeraar is
wettelijk verplicht de burger die zich bij hem aanmeldt voor de
zorgverzekering te accepteren. Overigens mag een zorgverzekeraar niet de
verplichting opleggen dat het hele gezin bij die zorgverzekeraar een
overeenkomst sluit. De verzekerde is verplicht aan de gekozen zorgverzekeraar
de nominale premie te voldoen, die de zorgverzekeraar over het algemeen telkens
voor één jaar vaststelt.
De verzekerde kan ten
minste eenmaal per kalenderjaar voor een andere zorgverzekeraar kiezen,
maar bij tussentijdse verhoging van de premie is directe overstap
mogelijk. Deze bepaling in de
Zorgverzekeringswet laat onverlet dat de
zorgverzekeraar en de verzekerde in de zorgpolis meer overstapmomenten kunnen
overeenkomen. Naar verwachting zal echter rblz.|36|
in de praktijk van die
mogelijkheid hoegenaamd geen gebruik worden gemaakt. De facto biedt
de Zorgverzekeringswet hiermee de mogelijkheid van mobiliteit voor de verzekerden die gelijk is aan die in de huidige
ziekenfondsverzekering en
veel groter dan de praktijk is in de huidige particuliere
ziektekostenverzekering.
Bij zijn keuze voor een
zorgverzekeraar kan de burger zich laten leiden door de wijze waarop deze
zorgverzekeraar invulling geeft aan zijn zorgplicht, aan het wettelijk
omschreven te verzekeren pakket (zie hierover hoofdstuk V,
paragraaf b),
de nominale premie die de zorgverzekeraar aan zijn verzekerden in rekening brengt en de service die de zorgverzekeraar
aan zijn verzekerden
verleent.
Daarnaast is voor de
verzekerde een punt van overweging of hij ervoor kiest om een eigen risico
te nemen.
De verzekerden kunnen in
beginsel ieder jaar opnieuw hun keuze bepalen uit de door de
zorgverzekeraar in hun provincie aangeboden verzekeringsmodellen. De zorgverzekeraar is
verplicht iedere verzekerde te accepteren voor elk door hem
aangeboden verzekeringsmodel, zonder onderscheid naar gezondheidsrisico’s.
Om calculerend gedrag tegen te gaan, is evenwel bepaald dat de
zorgverzekeraar een wachttijd van maximaal één jaar mag hanteren als
verzekerden het door hen gekozen eigen risico willen verlagen.
Als de zorgverzekeraar
een wachttijd hanteert bij het verlagen van eigen risico, moet hij dat in
zijn algemeenheid doen en niet jegens een afzonderlijke verzekerde.
De regel dat de
verzekering ten minste één keer per jaar, namelijk per 1 januari, kan worden
opgezegd, kan worden gezien als een regel die de vrijheid van de
verzekeraar belemmert, maar deze is ter bescherming van het algemeen belang
noodzakelijk. Zonder deze regel bestaat er immers een risico dat
verzekerden niet vaak genoeg van zorgverzekeraar kunnen wisselen (de verzekeraars
zijn immers niet verplicht om zelf nog andere opzegmogelijkheden in hun
polissen op te nemen), met als gevolg dat de door de regering beoogde concurrentie tussen zorgverzekeraars onvoldoende
tot stand komt.
De vrijheid voor de
verzekerde wordt beperkt doordat hij bij een door de wetgever gedurende een
kalenderjaar opgelegde pakketverslechtering niet mag opzeggen. De
reden daarvan is dat opzegging in dit geval weinig zin zou hebben, aangezien
alle verzekeraars de nieuwe pakketvoorwaarden in hun zorgverzekeringen
zullen moeten verwerken, zodat de verzekerde ook bij iedere andere
verzekeraar met de pakketbeperking geconfronteerd zou worden.
Met
betrekking tot
het veranderen van zorgverzekeraar ontstaat een bijzondere situatie in
geval van faillissement van de zorgverzekeraar. Uiteraard gaat het hier
om een zeer onwaarschijnlijke situatie, gezien het toezicht dat op de
financiële situatie van de zorgverzekeraars wordt uitgeoefend. Wanneer een
faillissement
zich nochtans toch zou voordoen, kunnen verzekerden
onderdak vinden bij iedere andere zorgverzekeraar. Om te voorkomen dat zo’n
andere zorgverzekeraar in solvabiliteitsproblemen zou komen door een
plotselinge toevloed van een groot aantal verzekerden, kan een bijzondere
uitkering worden gedaan uit het vereveningsfonds.
Burgers zijn wettelijk
verplicht ervoor te zorgen dat zij zo snel mogelijk, doch uiterlijk binnen
vier maanden nadat zij verzekeringsplichtig zijn geworden, een
zorgverzekering hebben. Indien dat binnen die voorgeschreven termijn gebeurt, bestaat
de verzekering vanaf het moment waarop zij ingezetene
zijn geworden of onderworpen zijn geraakt aan de Nederlandse
loonbelasting. De premie is dan vanzelfsprekend verschuldigd rblz.|37|
vanaf het moment
waarop de verzekeringsplicht ontstond. Eventuele ziektekosten die zich gedurende die vier maanden voordoen, komen ten
laste van de
zorgverzekering.
Door de invoering van de
Zorgverzekeringswet groeit het aantal mensen dat zelf verantwoordelijk
is voor de totstandkoming van een verzekering, zoals dat thans het geval
is bij de mensen die aangewezen zijn op een particuliere verzekering.
Daardoor kan worden verondersteld dat het aantal onverzekerden zou
kunnen toenemen. Om deze ontwikkeling tegen te gaan, voorziet de
Zorgverzekeringswet in een aantal sancties die het voor burgers
onaantrekkelijk maken zich aan de verzekeringsplicht te onttrekken. Mensen die
zich niet binnen de voorgeschreven termijn verzekeren, zijn een boete
verschuldigd ter hoogte van 130% van de premie die zij hadden moeten betalen
over de termijn waarover zij hebben nagelaten zich te verzekeren. Hiervoor geldt een maximum van vijf jaar. Iemand die
nalaat een
zorgverzekering te sluiten, is zelf aansprakelijk voor de kosten van zorg die aan hem is
verleend tijdens de periode van nalatigheid. Daarenboven verliest een burger die
zich niet verzekert daarmee zijn eventuele aanspraak op een
uitkering ingevolge de Wet op de zorgtoeslag voor de niet-verzekerde periode.
De boete en het vervallen van het recht op de zorgtoeslag gelden niet
indien men niet-verwijtbaar heeft nagelaten zich te verzekeren. Dit
laatste dient te worden vastgesteld door het CVZ.
Collectieve contracten
De
Zorgverzekeringswet legt op de burgers een individuele verplichting om een zorgverzekering
tegen ziektekosten te hebben. De mogelijkheid dat burgers een
zorgverzekering hebben als deelnemer in een collectief contract blijft ook in de
toekomst bestaan. Evenmin staat de wet eraan in de weg dat werkgevers deelname aan een collectieve verzekering van het
bedrijf aantrekkelijk
maken door een bijdrage aan de nominale premie die door de werknemer
verschuldigd is. Hierbij blijft de keuzevrijheid van de individuele verzekeringsplichtige overigens overeind.
Het voordeel van een
collectief contract is dat door een zekere "massa" aan verzekerden een
aantal additionele voordelen, zoals een betere service voor de
verzekerden in het collectief, kunnen worden uitonderhandeld met verzekeraars. Daarmee
kan een collectief makkelijker dan een individuele burger een vuist maken tegenover de zorgverzekeraar. Collectieve
contracten bieden
verzekeringnemers dus "countervailing power" tegenover de
verzekeraars.
Voor werkgevers biedt het
nieuwe zorgstelsel de mogelijkheid om een collectief contract voor
alle medewerkers af te sluiten. In het huidige stelsel is dit
gebruikelijk voor werknemers met inkomens boven de ziekenfondsgrens. De
mogelijkheid in het nieuwe zorgstelsel kan zich daarmee tot een
belangrijke secundaire arbeidsvoorwaarde ontwikkelen. Een werkgever kan zich
voor zijn bestaande en toekomstige personeel hiermee profileren.
Voordeel van collectieve contracten voor werkgevers is de mogelijkheid van
bundeling van verzekeringen met samenhangende risico’s, zoals
loondoorbetaling en reïntegratiemaatregelen bij ziekte en arbeidsongeschiktheid. De
werkgever kan bij de keuze voor een verzekeraar dan selecteren op
adequate dienstverlening bij ziekteverzuim, bijvoorbeeld in geval van arbeidsrelevante aandoeningen.
Verzuim- en
arbeidsongeschiktheidsverzekeraars hebben in de afgelopen jaren al concepten
ontwikkeld gericht op preventie. Ook de ziektekostenverzekeraars richten zich meer en meer
op de keten van verzuimpreventie en -bestrijding. Hun
kracht ligt op het terrein van snelle medische interventie en wachtlijstbemiddeling.
Collectiviteiten zijn voor inkomens- en zorgverzekeraars
interessant omdat de zorgverzekering kan worden aangeboden in combinatie
met andere verzekeringen. Hiermee kan een rblz.|38|
werkgever een belangrijke
slag maken in het effectief aanpakken van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid. De dienstverlening aan werkgevers
en werknemers kan daarbij
aanzienlijk verbeteren, waarbij mogelijk ook substantiële
kostenbesparingen zijn te realiseren. Met de mogelijkheid van combinatiekortingen
en een hoogwaardige dienstverlening voor werkgevers en werknemers
kunnen de ziektekosten- en inkomensverzekeraars het aantrekkelijk maken
om collectieve contracten af te sluiten.
Om het ook voor
werknemers aantrekkelijk te maken aan een dergelijk contract deel te nemen,
zijn behalve garanties over snelle en kwalitatief goede zorg (ook op de
werkplek) ook financiële voordelen denkbaar. Deze kunnen komen uit de
besparing die de werkgever of de inkomensverzekeraar boekt dankzij een geïntegreerd preventie- en verzuimbeleid.
De wet voorziet in de
mogelijkheid dat de zorgverzekeraar een korting geeft op de nominale
premie. Met het oog op de transparantie van de verzekeringsvoorwaarden
dient dit voordeel voor het publiek kenbaar te zijn.
De premiekorting voor een
collectief contract mag slechts gerelateerd zijn aan het aantal deelnemers
aan het collectief, in die zin dat bij collectieve verzekeringen met een
vergelijkbare omvang een zelfde premie dient te gelden. De korting mag
niet gerelateerd zijn aan het verzekeringsrisico van het collectief.
Daarmee zou de door de
Zorgverzekeringswet beoogde solidariteit in het
gedrang komen. Dit laat uiteraard onverlet de mogelijkheid dat collectiviteiten een
financieel voordeel kunnen behalen in andere verzekeringen die de desbetreffende zorgverzekeraar aanbiedt, zoals de
aanvullende verzekering.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften
worden gesteld met betrekking tot de relatie tussen de omvang van het collectief en de daarbij toe te passen premiekorting
om tegen te gaan dat de
door de Zorgverzekeringswet beoogde solidariteit wordt uitgehold.
Uitgangspunt van de regering is dat hiertoe slechts wordt overgegaan wanneer
de toezichthouder constateert dat één of meer zorgverzekeraars de
mogelijkheid van collectieve contracten gebruiken voor ongewenste
risicoselectie. Bijvoorbeeld omdat een zorgverzekeraar een aanbieding voor een
collectieve verzekering zodanig toespitst op een bepaald collectief dat
het in de praktijk niet mogelijk zal blijken dat ook andere collectieven voor
die collectieve verzekering met bijbehorende korting in aanmerking
komen.
Wanneer uit de
bevindingen van de toezichthouder blijkt dat geconstateerde uitholling van de beoogde
solidariteit noopt tot nadere regelstelling, acht de regering daarmee
tevens de noodzakelijke Europeesrechtelijke rechtvaardiging
aangetoond.
d. Het te verzekeren
pakket
De verzekerde zorgvorm
In het verleden is
meerdere malen gediscussieerd over de gronden om bepaalde vormen van zorg
in het verzekeringspakket op te nemen of juist eruit te laten. In 1987
noemde de commissie-Dekker twee criteria voor opname in het collectief
gefinancierde verzekeringspakket:
• onverzekerbare of
financieel niet te dragen risico’s;
• substitutiegevoelige
voorzieningen.
In 1991 kwam de
commissie-Dunning tot vier criteria voor toelating tot het collectief
gefinancierde verzekeringspakket: noodzakelijke zorg, werkzame zorg, doelmatige zorg en
zorg die niet voor eigen rekening kan komen. Naast het
verzekeringstechnische aspect noemde deze commissie ook
medisch-inhoudelijke
argumenten: is de zorg wel noodzakelijk, werkt de behandeling en wordt
deze doelmatig uitgevoerd? Binnen de beperkte rblz.|39|
financiële middelen zou
gekozen moeten worden (volgens de "trechter van Dunning") voor de
aanspraken die het hoogste scoren op deze aspecten.
Het
CVZ heeft in 2001 een
rapport geschreven naar aanleiding van tien jaar pakketdiscussie.¹
Volgens het college hangt de mate waarin een bepaalde vorm van zorg
noodzakelijk is af van het toepassingsdoel en geldt dat niet altijd
voor alle zorgvragers op dezelfde wijze. De grens tussen noodzakelijk en
niet noodzakelijk loopt dwars door de onderscheiden zorgvormen heen.
Hetzelfde geldt voor de doelmatigheid van zorgvormen. Er zijn volgens het CVZ
geen grote gebieden binnen het huidige ziekenfondspakket aan te wijzen die in totaliteit
"niet noodzakelijk" of "niet doelmatig" zijn.
Het CVZ concludeert dat het enkele criterium van de noodzakelijkheid van zorg
als zodanig niet bruikbaar is om grote zorggebieden niet op te nemen in het
verzekeringspakket. De begrenzing van het verzekeringspakket
kan beter plaatsvinden via de toepassing van verzekeringsrechten. Zo
hebben de verschillende beroepsgroepen in de gezondheidszorg inmiddels
enkele honderden richtlijnen en protocollen ontwikkeld, die in
toenemende mate leiden tot doelmatig gebruik en doelmatig voorschrijven van zorg.
1. College voor
zorgverzekeringen, "Het basispakket: inhoud en grenzen,
rapport naar aanleiding van de evaluatie van 10 jaar
pakketdiscussie"
(publicatienummer 01/46, 25 januari 2001).
Op 3 februari 2003 heeft
de Gezondheidsraad een rapport uitgebracht ¹ over de contouren van het basispakket, waarin ook aandacht wordt
geschonken aan criteria
over opneming in het basispakket. De Gezondheidsraad kiest voor de criteria
"ziektelast", in plaats van "noodzakelijke zorg", en
"kosteneffectiviteit" als minimale randvoorwaarden voor een
solidair pakket. De
Gezondheidsraad benadrukt dat maatschappelijke opvattingen en keuzes,
ongeacht de gekozen criteria of indeling, een grote rol spelen bij de
pakketdiscussie.
Ook internationale
verdragen over sociale verzekeringen waarbij Nederland partij is, bepalen in
hoge mate de inhoud van het verzekeringspakket. In zijn advies van 30
oktober 1990 over de zorgvormen die in een sociale verzekering moeten zijn
opgenomen, heeft de Raad van State aangegeven dat in dit verband de volgende verdragen relevant zijn:
1. Verdrag betreffende
minimumnormen van sociale zekerheid (ILO-verdrag nr. 102) (Trb. 1953, 69)
en het Europees Sociaal Handvest (Trb. 1962, 3); ²
2. Verdrag betreffende de
ziekteverzekering van arbeiders in de industrie en de handel en van
huispersoneel (ILO-verdrag nr. 24) (Trb. 1957, 27) en Verdrag betreffende de
ziekteverzekering van landarbeiders (ILO-verdrag nr. 25) (Trb. 1957,
28); ³
3. Europese Code inzake
sociale zekerheid (Trb. 1965, 47);
4. Verdrag betreffende de
prestaties bij arbeidsongevallen en beroepsziekten (ILO-verdrag nr. 121)
(Trb.
1966, 137).
1. Gezondheidsraad,
"Contouren van het basispakket"
(publicatienummer 2003/02).
2. Een wetsvoorstel tot
ratificatie van het herziene Europees Sociaal
Handvest is in voorbereiding. De verplichtingen op het gebied van de sociale
ziektekostenverzekering ingevolge het herziene
Europees Sociaal Handvest komen overeen
met die van het Europees Sociaal
Handvest.
3. Zie hetgeen betreffende
de ILO-verdragen nrs. 24 en 25 is opgemerkt
in hoofdstuk III.
De zorgvormen die op
grond van deze verdragen in een sociale verzekering moeten zijn opgenomen,
zijn de volgende:
I. preventieve zorg;
II. verloskundige zorg en
kraamzorg;
III. verpleging, behandeling en verzorging van langdurig zieken en
verzorging hulpbehoevenden
(intramuraal, semi-muraal en thuiszorg);
IV. revalidatie van
zieken/gehandicapten (intramuraal, dagbehandeling en behandeling in de
thuissituatie);
V. reactivering
(intramuraal en dagbehandeling);
VI. genees- en
heelkundige behandeling en, indien noodzakelijk, daarmee verband houdende
kortdurende verpleging en verzorging;
VII. psychosociale
hulpverlening;
VIII. verpleging,
behandeling en verzorging van psychiatrische patiënten (intramuraal,
semi-muraal, ambulant, beschermd wonen);
rblz.|40|
IX. verpleging,
behandeling en verzorging van lichamelijk gehandicapten (intramuraal,
semi-muraal, dagbehandeling, thuiszorg);
X. verpleging,
behandeling en verzorging van geestelijk gehandicapten (intramuraal,
semi-muraal, dagverpleging/dagopvang, thuiszorg);
XI. hulp aan zintuiglijk
gehandicapten;
XII. tandheelkundige hulp
voor verzekerden tot en met 18 jaar;
XIII. kunst- en
hulpmiddelen.
Vooralsnog blijven de
genoemde zorgvormen verdeeld over de
Zorgverzekeringswet en de AWBZ. Hoofdlijn
daarbij is dat de Zorgverzekeringswet betrekking heeft op de
zorg die is gericht op genezing, terwijl de in de AWBZ opgenomen zorgvormen
betrekking hebben op langdurige verzorging. Het kabinet heeft in een
brief aan de Tweede Kamer van 23 april 2004 zijn visie gegeven
over de verdere toekomst van de AWBZ, onder meer wat betreft de
daarin opgenomen zaken die niet noodzakelijkerwijs in een verzekering
thuishoren.¹
1. Kamerstukken II 2002-2003, 26 631, nr. 56.
De regering concludeert
dat het te verzekeren pakket van de
Zorgverzekeringswet betrekking moet hebben
op
noodzakelijke zorg, getoetst aan aantoonbare werking,
kosteneffectiviteit en noodzaak van collectieve financiering. Om dit te
bereiken, sluit de regering aan bij de criteria van de commissie-Dunning.
Daarmee worden de gelijke toegang en de solidariteit in de zorg gewaarborgd.
De pakketsamenstelling is op deze wijze uitkomst van een
politieke weging waarin ook de betaalbaarheid van het stelsel op langere
termijn is betrokken. In de afgelopen jaren zijn de criteria van de commissie-Dunning gehanteerd bij zowel de toetsing van nieuwe behandelingen als
bij verwijdering en beperking van verstrekkingen uit het pakket. De consequentie hiervan is dat het verzekeringspakket
steeds meer betrekking
zal hebben op zorg waarvan de noodzakelijkheid, de werking en de
effectiviteit zijn aangetoond. Tevens brengt dit met zich dat voortdurende
toetsing van het verzekeringspakket geboden is. Dit acht ik bij
uitstek een taak van het College voor zorgverzekeringen
(CVZ), gelet op diens
taak op het terrein van het beheer van pakket.
Op grond van het
voorgaande heeft de regering besloten om het te verzekeren pakket van de
Zorgverzekeringswet in grote trekken te laten aansluiten bij het
verzekeringspakket van de ziekenfondsverzekering en de Wtz-verzekering. Het te
verzekeren pakket zal periodiek worden getoetst aan de bovenvermelde
criteria teneinde te bepalen of zorgvormen moeten worden toegevoegd
of verwijderd. In dit verband is inmiddels besloten om onderdelen
van de geestelijke gezondheidszorg (ggz) (curatieve zorgvormen) over te
hevelen van de AWBZ naar het pakket van de Zorgverzekeringswet.
Aanpassingen van de hoofdlijnen van het op grond van de
Zorgverzekeringswet te verzekeren pakket zullen plaatsvinden bij wetswijziging en dus in
dialoog met het parlement.
De mogelijkheid is
onderzocht om verzekerden in verband met hun geloofsovertuiging of
ethische opvattingen een verzekeringspakket te bieden waarin geen
zorgvormen voorkomen waartegen zij onoverkomelijke gewetensbezwaren hebben.
Mogelijke voorbeelden van uit te sluiten zorgvormen zijn abortus
provocatus, euthanasie en geslachtsaanpassende ingrepen. In zijn rapport
van 25 september 2003 stelt het CVZ ¹ dat een specifieke regeling,
analoog aan de Regeling gemoedsbezwaarden
socialeverzekeringswetten, voor
deze problematiek geen oplossing biedt. De voornoemde regeling biedt
een voorziening voor degenen die tegen iedere vorm van
verzekering gemoedsbezwaren hebben, terwijl het hier gaat om verzekerden die
tegen bepaalde in het pakket opgenomen zorgvormen gewetensbezwaren hebben.
Verder geeft het College aan dat naar zijn mening het naast
elkaar laten bestaan van een volledig pakket en een pakket waaruit een
beperkt aantal zaken is geschrapt, inbreuk maakt op de voorgestane solidariteit
in de verzekering. Rekening houdend met de rblz.|41|
overwegingen van het CVZ
heeft de regering besloten genoemde verzekerden in de gelegenheid te
stellen om de vormen van zorg waartegen zij bezwaren hebben niet
onder de dekking van hun zorgverzekering te laten vallen, maar daaruit geen
korting op de premie te laten voortvloeien. Dit om aantasting van de solidariteit te voorkomen. In de
Zorgverzekeringswet is een bepaling opgenomen
dat een verzekerde op zijn overeenkomst kan laten aantekenen dat
een bepaalde dekking niet op hem zal worden toegepast, zonder consequenties voor de door hem verschuldigde premie.
1. College voor zorgverzekeringen, "Onderscheid in basispakket
zorgverzekering op grond van geloofsovertuiging", 25 september 2003.
Om reden van de
instandhouding van de solidariteit in de verzekering volgt de regering niet
het advies van de SER ¹ om de burgers ruimte te bieden om in plaats van
de door de SER zogenoemde "standaardpolis" een smallere
"basispolis" te sluiten waaruit sommige, niet-noodzakelijke zorgvormen weggelaten
zouden kunnen worden. Het mag zo zijn dat er wellicht
verzekeringsvormen zijn die een individuele verzekerde als overbodig beschouwt. Ook de
Gezondheidsraad suggereert in zijn eerder genoemde advies een
dergelijk onderscheid. De SER adviseert om van verzekerden die kiezen
voor deze smallere polissen een solidariteitsbijdrage te vragen die
vergelijkbaar is met wat zij zouden betalen als zij voor de
standaardpolis
met volledige dekking zouden hebben gekozen. Het ligt in de lijn der
verwachting dat de omvang van die bijdrage óf volstaat om de
solidariteit te waarborgen, maar in dat geval het smallere pakket nauwelijks
goedkoper maakt, óf een aantrekkelijk premieverschil tussen smallere en
standaardpolis mogelijk maakt, maar in dat geval afbreuk doet aan de
voorgestane solidariteit. Deze zienswijze vindt bevestiging in het onderzoek van
Nyfer van november 2003.²
1. Sociaal-Economische
Raad, "Naar een gezond stelsel van ziektekostenverzekeringen",
15 december 2000.
2. Nyfer, "Stelselwijziging
in de zorg: geef verzekeraars de ruimte", november 2003.
Functiegericht omschreven
verzekeringsrechten
Zoals hiervoor is
aangegeven, acht de regering het van belang dat de directe
overheidsregulering van het zorgaanbod vermindert. Binnen de door de wetgever
geformuleerde kaders krijgen de betrokken actoren meer keuzemogelijkheden,
beleids- en beslissingsruimte én meer concurrentieprikkels. Eén
van de instrumenten om daartoe te komen, is de zogenaamde
functiegerichte omschrijving van de verzekeringsrechten. Uitgangspunt daarbij is
dat de wetgever, net als in het verleden, strikt regelt welke aanspraken
de verzekerden hebben. De functiegerichte omschrijving houdt in dat
niet langer bij de wettelijke formulering van de aanspraak precies wordt
aangegeven welke medische persoon of instelling bepaalde zorg moet
verlenen, maar dat iedere persoon of instelling die daartoe op medische
gronden bevoegd is bepaalde zorg mag leveren. Een voorbeeld: thans
bestaat aanspraak op "huisartsenzorg, te verlenen door een huisarts". De
omvang van de zorg wordt bepaald door hetgeen in de kring der
huisartsen gebruikelijk is. Daartoe kunnen, zeer vereenvoudigd uitgedrukt, bijvoorbeeld
behoren:
a. het geven van een
tetanusprik; en
b. doorverwijzing naar
specialistische zorg.
Onder de
Zorgverzekeringswet maakt "huisartsenzorg" onderdeel uit van
"geneeskundige zorg".
Doordat de functiegerichte omschrijving van de verzekeringsrechten openlaat door wie "huisartsenzorg" mag worden verleend, is er ruimte
voor zorgverzekeraars om samen met zorgaanbieders en verzekerden te komen
tot een doelmatige uitvoering. Dit kan resulteren in het opnemen
in de polis dat de verzekerde bijvoorbeeld voor het geven van een
tetanusprik zich wendt tot een doktersassistent en voor de doorverwijzing is
aangewezen op een huisarts. Ook een bedrijfsarts die zorginhoudelijk bevoegd
is tot het verlenen van "huisartsenzorg" kan in dit verband alle genoemde
aspecten van de verzekeringsaanspraak voor zijn rekening nemen.
Indien een zorgverzekeraar in zijn polis geen nadere specificaties opneemt,
staat het de verzekerde vrij om alle aspecten van "huisartsenzorg", voor
zover die tot de wettelijke aanspraken behoren, in te roepen bij ieder die
daartoe medisch bevoegd is. De functiegerichte rblz.|42|
aanspraak laat tevens
open waar een bepaalde aanspraak geleverd wordt. Dat wil zeggen dat niet
is voorgeschreven dat een bepaalde behandeling uitsluitend binnen een
bepaald type medische instelling gegeven mag worden. Bijvoorbeeld een
MRI-onderzoek kan straks onder de Zorgverzekeringswet ook buiten de muren van
een ziekenhuis plaatsvinden. De zorgverzekeraar kan dan zaken doen met
een instelling die gespecialiseerd is in MRI-onderzoek zonder
dat hij daarvoor, zoals in de Zfw, een overeenkomst moet sluiten met een
ziekenhuis met alles erop en eraan.
De functiegerichte
omschrijving van de aanspraken leidt er dus toe dat de zorgverzekeraar uitmaakt,
in samenspraak met zijn verzekerde, welke persoon of instelling
invulling geeft aan een bepaalde verzekeringsaanspraak. De functiegerichte
omschrijving van de aanspraken leidt niet tot een zorginhoudelijke
wijziging van die aanspraken, in die zin dat een zorgverzekeraar
bijvoorbeeld zou kunnen bepalen dat in zijn polis het geven van een tetanusprik
niet zou worden opgenomen. Hij dient alle aspecten van "huisartsenzorg" in zijn polis te dekken.
Het feit dat de
functiegerichte omschrijving van de verzekeringsrechten openlaat welke
zorgaanbieder bepaalde zorg verleent, betekent niet dat er onduidelijkheid bestaat
over de vraag wat de aard en de omvang van de verzekeringsaanspraken
zijn. Het is de (formele of gedelegeerde) wetgever die, eventueel op advies
van het CVZ, het te verzekeren pakket vaststelt. Vaak kan een omschrijving
van het verzekeringsrecht worden gehanteerd waarbij de omvang ervan
wordt overgelaten aan "hetgeen in de kring der beroepsgenoten
gebruikelijk is". In dat geval stelt dan feitelijk de desbetreffende beroepsgroep de omvang
van het verzekeringsrecht vast doordat deze zelf kan
uitmaken wat binnen de beroepsgroep gebruikelijk is. Deze potentiële
onbegrensdheid van het verzekeringsrecht kan worden ingeperkt met een
preciezere omschrijving door de wetgever. Die kan bijvoorbeeld regelen dat
de aanspraak geneeskundige zorg bestaat uit "huisartsenzorg" met
uitzondering van bepaalde, met name genoemde handelingen. Deze wijze
van inperking laat ontwikkelingen van de aanspraak open, doordat
vernieuwingen op het gebied van het medisch handelen van een
beroepsgroep automatisch binnen de verzekeringsaanspraak vallen, tenzij deze
met
name worden uitgezonderd.
Een verdergaande
mogelijkheid tot inperking van de verzekeringsaanspraak is de mogelijkheid om de
aanspraak zodanig te formuleren dat uitsluitend met zoveel
woorden genoemde handelingen onder de aanspraak vallen.
Samenvattend kan worden
gesteld dat de wetgever bepaalt wat tot het pakket behoort. Het
behoort tot de bevoegdheid van de zorgverzekeraar, in samenspraak met de
verzekerde, te bepalen door wie en waar de verzekerde zorg verleend wordt. De
functiegerichte omschrijving van de aanspraken leidt niet tot
een grotere omvang van de aanspraken.
Van belang in dit verband
is de vaststelling dat de vraag of verzekerde zorg daadwerkelijk aan
een verzekerde geleverd moet worden niet door de zorgverzekeraar, maar
altijd op medisch-inhoudelijke gronden dient te worden beantwoord.
Kwaliteit van zorg
Een aantal aspecten van
de zorgverlening trekt de aandacht als de nieuwe zorgverzekering wordt vergeleken met de ziekenfondsverzekering. Bereikbaarheid
voor de verzekerde,
veiligheid, tijdigheid en kwaliteit van zorg zijn daar voorbeelden
van. Voor de kwaliteit van zorg waarvoor primair de aanbieder van zorg
verantwoordelijkheid draagt, wordt ook in de nieuwe situatie het nodige van
de zorgverzekeraar verwacht. Hieronder volgt daarvan een schets.
rblz.|43|
Voorop staat dat iemand
die zorg nodig heeft, moet kunnen rekenen op kwalitatief goede,
tijdige en veilige zorg. De aanbieder van zorg moet daarvoor instaan, hetgeen
ook wordt bevorderd door de Wet
op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet Big) en de Kwaliteitswet
zorginstellingen.
Professioneel medisch handelen op basis van hedendaagse standaarden,
zorgverlening op basis van de meest recente inzichten en wetenschappelijk
onderbouwd alsmede een veilige omgeving voor de patiënt zijn
kenmerken van die verantwoorde zorg.
In het geval de polis
voorziet in niet-gecontracteerde zorg is er vanuit de verzekering bezien alleen
een relatie tussen verzekerde en zijn zorgverzekeraar. Vanuit de zorg bezien, is
er alleen een relatie tussen de zorgaanbieder en de verzekerde, waar de
zorgverzekeraar buiten staat. De zorgaanbieder moet verantwoorde zorg
leveren en voldoen aan de eisen die de Wet Big respectievelijk de
Kwaliteitswet zorginstellingen stellen. In deze situatie van zorglevering
is er vanuit kwaliteitsbewaking alleen een rol weggelegd voor de
Inspectie voor de Gezondheidszorg. Bij de levering van zorg moet ervan
worden uitgegaan dat de verzekerde er ook zelf op let dat hij zich voor
zijn zorg wendt tot een daartoe gekwalificeerde beroepsbeoefenaar of
instelling.
Voor de zorgverzekeraar
geldt wel de verplichting na te gaan of de zorg waarvoor hij een
declaratie van zijn verzekerde krijgt naar zijn inhoud gezien past in de dekking
van de polis. Daarmee is zorgverlening door kwakzalvers op zichzelf
niet uit te sluiten, maar wel de bekostiging ervan ten laste van de
verzekering. Overigens is in de Wet Big bepaald dat voorbehouden handelingen alleen door
bepaalde beroepsbeoefenaren mogen worden verricht. Andere
handelingen mogen op grond van die
wet door iedereen worden verricht,
mits deze handelingen niet direct op het lichaam ingrijpen en mits
de hulpverlener zich onthoudt van handelingen die onnodig
gezondheidsschade kunnen toebrengen.
Als een verzekerde op
zijn zorgverzekeraar een beroep doet om te bemiddelen ten behoeve van het
verkrijgen van zorg, mag van de verzekeraar worden verwacht dat deze
hem niet stuurt naar een hulpverlener die kwalitatief ondeugdelijke
zorg levert. Een zorgverzekeraar moet daarop letten. Een norm daarvoor
vloeit voort uit het normale maatschappelijk verkeer en wordt niet
afzonderlijk in de
Zorgverzekeringswet geregeld. Als een zorgverzekeraar in
dit opzicht in de fout gaat en een verzekerde zich benadeeld voelt, kan de
verzekerde naar de rechter stappen.
In het geval de polis
voorziet in gecontracteerde zorg heeft de zorgverzekeraar door de zorginkoop een
directe rol bij de kwaliteit van die zorg. Ieder mag ervan
uitgaan dat als een zorgverzekeraar het leveren van zorg regelt voor zijn
verzekerden, hij zich ervan vergewist dat hij inkoopt wat conform de dekking
van de polis moet worden geleverd en dat wat geleverd zal worden in
principe als "goed" kan worden gekwalificeerd. Dat betekent dat het
inkopen van zorg meer inhoudt dan het afspreken van alleen een prijs. Het
kwaliteitsaspect speelt duidelijk ook een belangrijke rol. Bij kwaliteit gaat
het ook om veiligheid, bereikbaarheid, tijdigheid en de noodzaak van
voortdurende innovatie van de zorg. Die aspecten van kwaliteit
zijn te waarborgen door een systeem van voortdurende bewaking van
kwaliteitsverbetering en sluit zodoende aan op de werking van de al
geldende kwaliteitswetgeving.
Voor de zorgverzekeraar
als inkoper ligt er ook een belang. Door zorg in te kopen die hoog scoort op
bovengenoemde kwaliteitsaspecten kan hij zich onderscheiden van andere
zorgverzekeraars, zeker als die kiezen voor niet-gecontracteerde zorg
en het zoeken naar gekwalificeerde zorgaanbieders overlaten aan hun
verzekerden.
Hij kan zich niet alleen
onderscheiden van andere zorgverzekeraars door goede zorg in te kopen.
Hij is daartoe in het systeem van de
Zorgverzekeringswet ook gehouden. Het is hem
niet toegestaan een dusdanig beperkte rblz.|44|
invulling te geven aan
de te contracteren zorg dat daarmee een goede zorgverlening aan de verzekerde onmogelijk wordt. De zorgverzekeraar
moet dus in voldoende
mate invulling geven aan zijn zorgplicht ten opzichte van zijn
verzekerden. Hij sluit daartoe overeenkomsten met aanbieders. Het is hem
niet toegestaan te treden in de arts-patiëntrelatie. Daar staat hij buiten. De
patiënt wordt daarbij beschermd door de patiëntenwetgeving zoals
de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst. De behandelend arts
bepaalt vanuit zijn professionele autonomie, dat wil zeggen
op basis van zijn kennis en kunde, welke zorg voor de patiënt
aangewezen is. De zorgaanbieder dient zich daarbij ook bewust te zijn van de
kosten van zijn handelen. Echter, dit mag niet ten koste gaan van een goede
zorgverlening aan zijn patiënt.
Een zorgverzekeraar die
de
Zorgverzekeringswet uitvoert, moet in de zorgpolis aangeven hoe
hij aan zijn zorgplicht zal voldoen en hoe hij met de verwachtingen om zal
gaan die men van zijn gecontracteerde zorg zal hebben. Voorts moet hij
aangeven hoe hij invulling heeft gegeven aan de code van goed zorgverzekeraarschap. Er is daarnaast ook een eigen
belang van de
zorgverzekeraar om uit te leggen hoe hij met verscheidene belangen die hij heeft,
is omgegaan. Een niet onbelangrijke belangengroep is daarbij die van de
verzekerden. Er zijn verscheidene aangrijpingspunten voor de zorgverzekeraar
om hierbij de weg te volgen van de "good governance"-benadering.
Zorgverzekeraars kennen
op dit moment twee gedragscodes. Enerzijds is er de code "Health
Insurance Governance" (aanbevelingen voor goed bestuur, goed toezicht en
adequate verantwoording door zorgverzekeraars; mei 2002), anderzijds de
"Gedragscode van de zorgverzekeraar" van december 1997. De code
"Health Insurance
Governance" ziet vooral op eisen die aan
zorgverzekeraars gesteld mogen worden over hun interne en externe
verantwoording en de gevolgen hiervan voor het bestuur van en het
toezicht op de zorgverzekeraar. De regels van de "Gedragscode van de
zorgverzekeraar" zorgen er, meer dan die van de "Health Insurance
Governance", voor dat de zorgverzekeraars bij het uitvoeren van hun taak
rekening houden met de sociale component van hun werk. Het belang van
zo’n code zal onder de
Zorgverzekeringswet, die in principe uitgaat van
elkaar om verzekerden beconcurrerende, privaatrechtelijke verzekeraars die winst
mogen beogen, nog aanzienlijk toenemen.
Het ligt voor de hand dat
een zorgverzekeraar verantwoording aflegt over het nakomen van zijn
zorgplicht en de manier waarop hij daarbij is omgegaan met aspecten van zorg als
de kwaliteit, de bereikbaarheid, de tijdigheid en de veiligheid ervan.
Juist ook op dit soort aspecten kan hij zich op de verzekerdenmarkt profileren.
De aanvullende
verzekering
Bovenop het
verzekeringspakket van de
Zorgverzekeringswet en de AWBZ kan de verzekerde een
aanvullende verzekeringsovereenkomst sluiten. In zo’n aanvullende
verzekering zitten alleen die voorzieningen waarvan de regering vindt dat die
voor rekening en verantwoordelijkheid van de verzekerde zelf kunnen
komen. Of dergelijke voorzieningen vervolgens via een afzonderlijke
aanvullende verzekering verzekerd worden, rekent de regering niet tot haar
verantwoordelijkheid. Als voor deze voorzieningen verzekeringen worden
aangeboden, maakt de burger zelf de afweging of hij daar al dan niet
gebruik van wil maken. Aanvullende verzekeringen zijn particuliere
verzekeringen, die een verzekerde kan sluiten bij een andere of dezelfde verzekeraar
als die welke de Zorgverzekeringswet uitvoert. Pakketsamenstelling, polisvoorwaarden, acceptatiebeleid en premiestelling
van zo’n aanvullende
verzekering behoren tot de eigen bevoegdheden rblz.|45|
van de verzekeraar
die de aanvullende verzekering aanbiedt. Wettelijke voorwaarden daarover
kunnen op grond van de Europese schaderichtlijnen niet
worden gesteld.
Een aandachtspunt is dat
de verzekerdenmobiliteit die de regering wenst ten behoeve van een
optimale werking van de mededinging onder druk kan komen te staan als de
pakketomvang van de aanvullende verzekering te groot wordt in relatie
tot de pakketomvang van de zorgverzekering. De algemene veronderstelling
is dat er een verband is tussen de omvang van de aanvullende
verzekeringen en de keuzevrijheid van de burgers. De keuzevrijheid kan in de
praktijk zijn beperkt indien de verzekerden naast de zorgverzekering ook
aanvullende verzekeringen hebben bij dezelfde verzekeraar. Omdat voor
een aanvullende verzekering geen acceptatieplicht kan gelden, kunnen
verzekerden daarvoor te maken krijgen met pakketverschillen, met
gehele of gedeeltelijke uitsluitingen of met hogere dan gemiddelde premies.
Naar de opvatting van de
regering is evenwel de gekozen verhouding tussen het pakket van de
voorgestelde zorgverzekering en een eventuele aanvullende verzekering
zodanig dat zich geen overwegende problemen zullen voordoen, omdat de
kosten van zorg die niet in de
Zorgverzekeringswet is opgenomen normaal
gesproken door de betrokkene zelf gedragen kunnen worden.
Wel zal de
Minister van VWS de toezichthouder op de uitvoering van de
Zorgverzekeringswet vragen eventuele problemen betreffende aanvullende
verzekeringen te monitoren.
e. Rechtsbescherming
De zorgverzekering die is
geregeld in deze wet is een privaatrechtelijke verzekering die tot stand
komt door het sluiten van een overeenkomst door enerzijds een burger
en anderzijds een zorgverzekeraar. Voor de geschillenbeslechting bij
een privaatrechtelijke overeenkomst is de burgerlijke rechter
bevoegd. Dat betekent dat een verzekerde het geschil afhankelijk van de hoogte
van zijn vordering kan voorleggen aan de kantonrechter of aan de
rechtbank. Voor de rechtbank is professionele rechtsbijstand verplicht.
Indien een verzekerde het niet eens is met de uitspraak van de rechter,
kan hij veelal hoger beroep instellen en ten slotte via een cassatieberoep de
zaak voorleggen aan de Hoge Raad. Er zijn nadelen verbonden aan
deze burgerlijke rechtsbescherming; toegang tot de rechter is kostbaar,
procederen bij de rechtbank moet veelal met gebruikmaking van
deskundigen en de termijnen die ermee gemoeid zijn, kunnen in sommige
gevallen heel lang zijn.
Om deze bezwaren te
ondervangen en ook om de belasting van het rechterlijk apparaat zoveel mogelijk
te beperken, voorziet het wetsvoorstel in een laagdrempelige
mogelijkheid voor de verzekerde om geschillen met zijn zorgverzekeraar aan
een onafhankelijke instantie voor te leggen. Daartoe legt het
wetsvoorstel de zorgverzekeraars de verplichting op om aangesloten te zijn bij
een onafhankelijke geschillencommissie die klachten van verzekerden
over de uitvoering van de
Zorgverzekeringswet in behandeling neemt. Die verplichting sluit aan bij de thans reeds
bestaande
geschillenregeling van het Klachteninstituut Verzekeringen, die verzekerden de
mogelijkheid biedt om klachten over zorgverzekeraars voor te leggen aan de
Ombudsman Zorgverzekeringen. De verzekerde moet zich tevoren met
zijn klacht hebben gewend tot zijn zorgverzekeraar. De uitspraken van de
ombudsman zijn weliswaar niet bindend, maar worden in de praktijk
nagenoeg altijd gevolgd. Als de zorgverzekeraar een formeel advies van de
ombudsman naast zich neerlegt, kan de verzekerde dat ter toetsing
voorleggen aan de Raad van Toezicht. Een verzekerde die het niet eens is met de
ombudsman, kan zich altijd alsnog tot de burgerlijke rechter wenden.
rblz.|46|
Er is geen rechtstreekse
relatie tussen de rechtsbescherming van de burger zoals hiervoor
omschreven en het hierna beschreven toezicht op het functioneren van de
zorgverzekeraars. Wel is het zo dat de mate waarin zich geschillen
voordoen, voor de toezichthoudende instantie een indicatie kan zijn dat de
zorgverzekeraar mogelijk niet naar behoren functioneert.
De consequenties voor de
rechterlijke macht zijn onderscheiden. In relatie tot de huidige ziekenfondsverzekering en de publiekrechtelijke ziektekostenregelingen
voor ambtenaren zal naar verwachting een vermindering optreden van de belasting van de
rechterlijke macht, omdat er een verschuiving plaatsvindt van een
beroep op de relatief laagdrempelige administratieve rechter naar een beroep
op de relatief hoogdrempelige burgerlijke rechter. In relatie tot de huidige
particuliere verzekeringsmarkt treedt geen verschil op. Alles bijeen genomen,
ontstaat derhalve een verlichting voor de rechterlijke macht.
f. De financiering
De financiering van de
zorgverzekering vindt plaats langs verscheidene wegen.
Nominale premie
Om te beginnen zijn alle
verzekerden van 18 jaar of ouder voor wie een zorgverzekering is
gesloten een door de zorgverzekeraar vastgestelde nominale premie
verschuldigd. Die premie is niet afhankelijk van het inkomen van de
verzekerde. De zorgverzekeraars zijn vrij in het bepalen van de hoogte van
de premie. De hoogte kan verschillen voor de verschillende varianten
van de verzekeringsovereenkomsten die zij op de markt aanbieden, maar
moet voor ieder die kiest voor hetzelfde model gelijk zijn.
Gelet op de hierna te
beschrijven vereveningsregeling zal in totaal, 50% van de totale
macropremielast, minus de rijksbijdrage en de omvang van het niet-uitgekeerde bedrag van de no-claimteruggaveregeling door de zorgverzekeraars
door middel van de nominale premie moeten worden opgebracht.
Hiertoe hanteert de regering een rekenpremie. Deze rekenpremie geeft
het bedrag aan dat zorgverzekeraars bij hun verzekerden gemiddeld
in rekening zouden moeten brengen om in beginsel alle kosten te
dekken. De
Minister van VWS maakt jaarlijks in de begroting een inschatting
van de totale kosten van de
Zorgverzekeringswet. De Minister van VWS
stelt, gegeven bovenstaande uitgangspunten, jaarlijks het percentage
van de inkomensafhankelijke bijdrage van verzekeringsplichtigen (zie hierna) en de hoogte
van de rijksbijdrage vast. In tegenstelling tot de
huidige situatie is de hoogte van de rekenpremie niet vrij vast te stellen,
maar volgt deze uit het uitgangspunt dat 50% van de financiering
geschiedt uit de inkomensafhankelijke bijdragen van
verzekeringsplichtigen.
De inbreuk op de
contractvrijheid die wordt veroorzaakt door de wettelijk voorgeschreven
premievrijstelling voor personen jonger dan 18 jaar acht de regering in
Europeesrechtelijke zin gerechtvaardigd, omdat deze plaatsvindt ter
voorkoming van ongewenste inkomenseffecten voor de verzekerden. Ongewenste
effecten tengevolge van deze premievrijstelling voor de zorgverzekeraars
worden goeddeels gecompenseerd door een rijksbijdrage.
De nominale premie
vervult een functie als prikkel voor een doelmatige zorgverlening, en wel in
twee opzichten. Zorgverzekeraars kunnen zich daarmee qua prijs ten
opzichte van hun concurrenten onderscheiden. Hoe doelmatiger een
zorgverzekeraar zijn bedrijfsvoering regisseert en zorg inkoopt, hoe aantrekkelijker de premiestelling voor zijn verzekerden kan
rblz.|47|
zijn. Daarnaast brengt de
hoogte van de premie bij verzekerden het effect teweeg dat men scherper
wordt geconfronteerd met de kosten van de zorg. Verzekerden en
patiënten worden zo geprikkeld tot een kritische opstelling ten aanzien
van prijs en kwaliteit van de geleverde diensten. De regering is van mening
dat de nominale premiecomponent een voldoende omvang moet
hebben om effectief te zijn als prikkel voor concurrentie tussen
zorgverzekeraars en kostenbewustzijn bij de burgers.
Zorgverzekeraars hebben
de keuze het pakket aan verzekerde zorg aan te bieden onder
verschillende varianten. Deze varianten zien op de keuze voor de verzekerde voor
een eventueel eigen risico en de keuze tussen restitutie- of een
naturamodel dan wel een combinatie daarvan. De zorgverzekeraar dient aan al zijn
verzekerden die de keuze hebben gemaakt voor een bepaalde variant hetzelfde bedrag aan nominale premie in rekening te brengen.
De zorgverzekeraars
bepalen zelf de hoogte van de nominale premie per variant die zij
aanbieden. Dus als zij een zorgverzekering aanbieden waarbij alle zorg in
natura wordt geleverd, geldt voor iedere burger die opteert voor dat
verzekeringsmodel een zelfde nominale premie. Als dezelfde zorgverzekeraar
tevens een zorgverzekering aanbiedt met het restitutiemodel, dan kan
de nominale premie voor dat verzekeringsmodel anders zijn dan die voor
de zorgverzekering met zorg waartoe met zorgaanbieders overeenkomsten zijn
gesloten, maar wel voor alle burgers die voor deze vorm opteren
gelijk.
Zoals eerder aangegeven,
kunnen mensen voor wie de hoogte van de nominale premie gezien
hun inkomenssituatie problematisch is, op grond van de Wet op de
zorgtoeslag voor een zorgtoeslag in aanmerking komen. Deze zorgtoeslag
waarborgt dat niemand een groter deel van zijn inkomen aan ziektekostenpremie
hoeft te betalen dan wat aan de hand van het voorstel als aanvaardbaar
wordt berekend.
De inkomensafhankelijke
bijdrage
Naast de nominale premie
kent de
Zorgverzekeringswet als financieringsbron een bij de verzekeringsplichtige geheven inkomensafhankelijke
bijdrage. Deze bijdrage
dekt in totaal 50% van de totale macropremielast. De inkomensafhankelijke
bijdrage van verzekeringsplichtigen is verschuldigd over het
loon en over daarmee gelijkgestelde inkomensbestanddelen. De inkomensafhankelijke
bijdrage van verzekeringsplichtigen wordt geheven en geïnd
door de belastingdienst. Bij de inkomensafhankelijke bijdrage over het in de
loonheffing betrokken loon zal de werkgever deze
inkomensafhankelijke bijdrage inhouden op het loon en afdragen aan de belastingdienst. Deze heffing en inning is vergelijkbaar met de systematiek die
wordt gevolgd bij de heffing en inning van premies voor de
volksverzekeringen. De inkomensafhankelijke bijdrage van
verzekeringsplichtigen dient als voornaamste financieringsbron voor de vereveningsregeling
(zie paragraaf g van dit hoofdstuk), naast de rijksbijdragen.
Werkgeversbijdrage
De
Zorgverzekeringswet voorziet erin dat werkgevers bijdragen aan de financiering van de
verzekering door middel van een verplichte vergoeding aan hun werknemers van de
door deze werknemers verschuldigde inkomensafhankelijke
bijdrage over nader aangewezen loon. Deze verplichting tot het
verstrekken van een vergoeding geldt eveneens voor uitkeringsinstanties met
betrekking tot de door de uitkeringsgerechtigden verschuldigde
inkomensafhankelijke bijdrage over nader aan te wijzen uitkeringen.
De bovengenoemde
werkgeversbijdrage is gebaseerd op de burgerrechtelijke rblz.|48|
verantwoordelijkheid die werkgevers jegens hun werknemers dragen voor, onder meer,
de kosten van medische zorg die nodig is als gevolg van omstandigheden
die voortvloeien uit hun dienstbetrekking. De SER
hanteert in zijn
advies over een nieuw stelsel van ziektekostenverzekeringen als werkhypothese een
werkgeversbijdrage van 50% van de premiesom. Daarbij
stelde de SER dat groepen burgers er door de invoering van het nieuwe verzekeringsstelsel niet onbedoeld financieel op
achteruit mogen gaan. De
invulling die in de Zorgverzekeringswet aan de werkgeversbijdrage is
gegeven, past binnen de kaders van het SER-advies, doordat de
huidige werkgeversbijdrage voor de ziekenfondsverzekering en de gemiddelde
werkgeversbijdrage in de particuliere ziektekostenverzekeringen zo goed mogelijk worden
overgezet naar de nieuwe verzekering. Deze
invulling van de werkgeversbijdrage beperkt de inkomensgevolgen van de stelselwijziging en beperkt daarmee ook de
kosten van de
compensatiemaatregelen met betrekking tot negatieve inkomenseffecten.
De werkgeversbijdrage
heeft een verplicht karakter. Een vrijwillige werkgeversbijdrage zou leiden tot
aanmerkelijk grotere inkomenseffecten, doordat deze per
werknemer sterk uiteen kan gaan lopen. Het gevolg van één en ander zou zijn dat
de premiestructuur voor iedere verzekerde verschillend zou zijn, hetgeen het
socialeverzekeringskarakter van de
Zorgverzekeringswet zou
aantasten.
Voorkomen moet worden dat
werkgevers te maken krijgen met dubbele lasten doordat zij naast
de wettelijke werkgeversbijdrage ook nog in het kader van een
arbeidsovereenkomst verplichtingen hebben op het vlak van bijdragen in de
ziektekostenverzekering van hun werknemers. Daartoe zullen zodanige
overeenkomsten tijdig moeten worden herzien. Daarom is de Stichting van de
Arbeid door de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, mede namens de
Minister van VWS, schriftelijk op de hoogte gesteld van het voornemen tot invoering van de
Zorgverzekeringswet per
1 januari 2006. Bestaande
CAO’s lopen doorgaans niet tot 2006 door. In de meeste sectoren zal dus
in elk geval één keer opnieuw worden onderhandeld alvorens de Zorgverzekeringswet wordt ingevoerd. Bij zodanige
onderhandelingen zal de
tegemoetkoming in de ziektekosten van werknemers aan de orde kunnen komen.
In het verleden hebben zich vergelijkbare situaties voorgedaan bij
de invoering van de Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen
(Pemba)
en de afschaffing van de
zogeheten overhevelingstoeslag. Het is aan de sociale partners om te
bezien of zij het wenselijk vinden nieuwe afspraken over tegemoetkoming in de
ziektekosten van werknemers te maken.
De werkgeversbijdrage
geldt in fiscale zin als inkomen voor de werknemer en zal dienovereenkomstig
aan belastingheffing en premieheffing sociale verzekeringen zijn
onderworpen.
Rijksbijdragen
De
Zorgverzekeringswet kent een aantal rijksbijdragen ter medefinanciering van de verzekering.
Voorzien wordt in een rijksbijdrage van vooralsnog €|1,5 mld ter
financiering van de premie van kinderen tot 18 jaar. Verder wordt de
mogelijkheid geopend van een rijksbijdrage ter dekking van eventuele kosten
voortvloeiend uit molestsituaties zoals oorlogsomstandigheden of terrorisme. Ten slotte
is in de Zorgverzekeringswet de mogelijkheid opgenomen
van een rijksbijdrage bij betalingsonmacht van een zorgverzekeraar.
Financiële gevolgen voor
verzekerden
Buiten de premie en de
eventueel door hen zelf af te dragen inkomensafhankelijke bijdrage van verzekeringsplichtigen kent de
Zorgverzekeringswet nog andere financiële
gevolgen voor de verzekerden. In de eerste rblz.|49|
plaats geldt hier de
zogenaamde no-claimteruggaveregeling. Op basis daarvan ontvangen verzekerden een deel van de door hen betaalde
premie terug indien zij
geen of weinig zorg consumeren. De regering acht het in
Europeesrechtelijke zin gerechtvaardigd deze regeling, die haar oorsprong vindt in de
publiekrechtelijke ziekenfondsverzekering,¹ over te nemen in de
privaatrechtelijke zorgverzekering, vanuit het oogpunt van handhaving van de
financiële houdbaarheid van het verzekeringsstelsel. Proportioneel is de
maatregel naar de mening van de regering, omdat deze, zoals uiteengezet
bij de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel betreffende het invoeren
van de no-claimteruggave in de ziekenfondsverzekering, een adequate mix biedt
tussen enerzijds beoogde solidariteit en anderzijds gewenste
eigen verantwoordelijkheid.
Voorts kunnen verzekerden
te maken krijgen met een eigen betaling van een deel van de rekening.
Dit is het geval als zij hebben gekozen voor een naturapolis en in plaats
daarvan incidenteel kiezen voor de wettelijk geregelde mogelijkheid om zorg in
te roepen bij een zorgaanbieder die geen overeenkomst heeft
gesloten met de zorgverzekeraar. Daarnaast dienen verzekerden in sommige
gevallen een zorggebonden eigen bijdrage te betalen, zoals die welke
in de huidige ziekenfondsverzekering geldt bij geneesmiddelen en bepaalde hulpmiddelen.
Ten slotte kunnen
verzekerden van 18 jaar of ouder opteren voor een eigen risico. De
Zorgverzekeringswet bepaalt de mogelijke niveaus daarvan. Hiermee wordt
bewerkstelligd dat de door de zorgverzekeraars aangeboden varianten
makkelijk met elkaar zijn te vergelijken. Naar de opvatting van de regering
rechtvaardigt de aldus bewerkstelligde transparantie deze inbreuk op de
contracteervrijheid, terwijl de maatregel proportioneel mag worden geacht, omdat
deze nog altijd een grote mate van vrijheid aan partijen
laat.
1. Het betreft het bij koninklijke boodschap van 22 maart 2004 ingediende
voorstel van wet tot wijziging van de
Ziekenfondswet in verband met het invoeren van een
no-claimteruggaaf voor verzekerden die geen
of weinig gebruik hebben gemaakt van zorg
waarop ingevolge die wet aanspraak bestaat
(Kamerstukken II 2003-2004, 29 483).
De eigen bijdragen die de
verzekerde verschuldigd is, bijvoorbeeld als hij opteert voor
zorgverlening door een niet-gecontracteerde zorgaanbieder terwijl zijn polis voor
die zorgvorm voorziet in zorg door een zorgaanbieder met wie een overeenkomst
is gesloten bij een zorgverzekeraar die het naturamodel toepast, tellen niet mee in de
no-claimteruggave en het eigen
risico van een
verzekerde.
g. De vereveningsregeling
De
acceptatieplicht die
door de
Zorgverzekeringswet aan de zorgverzekeraars wordt opgelegd, kan ertoe
leiden dat er zorgverzekeraars zijn die een onevenredig groot aantal
mensen met een slecht verzekeringsrisico in hun
verzekeringsportefeuille krijgen. Om te voorkomen dat hieruit voor de zorgverzekeraar een
financieel nadeel voortvloeit, acht de regering een goed systeem van
risicoverevening onmisbaar. Daardoor wordt bewerkstelligd dat iedere door de
zorgverzekeraar te accepteren burger voor hem een gelijk
verzekeringsrisico vormt.
De regering houdt er
rekening mee dat de vereveningsbijdrage in Europeesrechtelijk
opzicht als een steunmaatregel gezien zou kunnen worden en dat deze
aangemeld moet worden bij de Europese Commissie. De Europese Commissie zal
op korte termijn gevraagd worden hierover een opvatting uit te spreken. Uiteraard zal geen vereveningsbijdrage
uitgekeerd worden zonder
dat de Europese Commissie zich over het karakter hiervan heeft
uitgesproken. Overigens heeft de Europese Commissie in een
beschikking inzake het Ierse stelsel van particuliere
ziektekostenverzekeringen ¹ uitgesproken dat betalingen in het kader van het
risicovereveningssysteem geen staatssteun in de zin van artikel 87, eerste lid,
EG-verdrag
behelzen, maar kunnen worden gezien als een noodzakelijke compensatie
voor door de overheid opgelegde publieke dienstverplichtingen.
rblz.|50|
De
financiële
overdrachten dienen daarbij niet meer te zijn dan nodig om risicoverschillen te
neutraliseren.
1. State Aid Nr.
46/2003-Ireland. Inmiddels is tegen deze beschikking
door de verzekeraar beroep ingesteld bij het
Gerecht van eerste aanleg van de Europese
Gemeenschappen, waarbij verzoekster zich
er onder meer op beroept dat de Commissie
ten onrechte niet heeft onderzocht of de
bestreden risicoverdelingsregeling inbreuk maakt op de derde schaderichtlijn.
Verschillen tussen de
premies die zorgverzekeraars in rekening brengen, hangen samen met de
organisatie van de interne bedrijfsvoering van de zorgverzekeraars zelf en
met de wijze van uitvoering van de zorgplicht. Om ervoor te zorgen dat
zorgverzekeraars zo doelmatig mogelijk werken en dus een lage premie kunnen heffen, wordt bij de verdeling van de
beschikbare
premiemiddelen een systeem van ex-anterisicoverevening gehanteerd waarbij
verzekeraars in grote mate risicodragend zijn. Dit ex-antesysteem is een
belangrijke stimulans voor kostenbeheersing. Het prikkelt zorgverzekeraars
tot doelmatige zorginkoop, omdat zij zich anders, gegeven hun
beschikbare middelen, door hogere nominale premies uit de markt zouden prijzen.
De ervaringen die zijn
opgedaan in meer dan tien jaar risicoverevening in de
ziekenfondsverzekering hebben aangetoond dat het gehanteerde systeem van
ex-anterisicoverevening in staat is om min of meer gelijke verzekeringsrisico’s te
bewerkstelligen. In het kader van de
Zorgverzekeringswet zal een vereveningssysteem worden toegepast dat vergelijkbaar
is met het
vereveningssysteem in de huidige ziekenfondsverzekering. De hoofdlijnen van het
vereveningssysteem zijn de volgende.
Het fonds waaruit aan de
zorgverzekeraars gelden worden verstrekt ter verevening van ongelijke
risico’s, het Zorgverzekeringsfonds, wordt gevoed door de
inkomensafhankelijke bijdrage van verzekeringsplichtigen en de rijksbijdragen.
Jaarlijks worden de middelen uit het Zorgverzekeringsfonds verdeeld over de
zorgverzekeraars. Deze wijze van verdelen wordt geregeld in een
jaarlijkse ministeriële regeling. In de regeling wordt uitgegaan van de
kostenramingen van de
Zorgverzekeringswet, zoals opgenomen in de rijksbegroting, en een risicomodel voor de totale kosten
van de
Zorgverzekeringswet. Met dit model is het mogelijk - rekening houdend met de relevante
achtergrondkenmerken van verzekerden - voor een zorgverzekeraar een
inschatting te maken van zijn te verwachten kosten van de
Zorgverzekeringswet. Deze uitkomst is de basis voor zijn uitkering uit het
Zorgverzekeringsfonds. Door bij alle zorgverzekeraars op de verwachte kosten de
opbrengst van de rekenpremie in mindering te brengen, wordt bereikt
dat alle verzekeraars in min of meer gelijke uitgangsposities worden
geplaatst.
De middelen uit het
Zorgverzekeringsfonds worden over de zorgverzekeraars verdeeld op basis van een
risicomodel met vooraf kenbare en voor iedere zorgverzekeraar
gelijke criteria die volgens statistische methoden tot stand komen. Het gaat
hier in ieder geval om leeftijd, geslacht, woonplaats en gezondheidscriteria
gebaseerd op medicijngebruik en ziekenhuisopnamen in het verleden. Door het
opnemen van gezondheidskenmerken hebben zorgverzekeraars
er geen financieel nadeel van als ze zich door goed zorg te
verlenen aan chronisch zieken aantrekkelijk maken voor deze groepen. Anders
geformuleerd: bewuste of onbewuste selectie van gunstige risico’s
wordt hiermee ontmoedigd dan wel ondervangen. De uitkering uit het
Zorgverzekeringsfonds zorgt er dus voor dat kostenverschillen tussen zorgverzekeraars
als gevolg van verschillen in kenmerken van verzekerden zoveel
mogelijk worden weggenomen, terwijl kostenverschillen tussen zorgverzekeraars
die voortvloeien uit bijvoorbeeld minder doelmatige zorginkoop niet worden gecompenseerd.
In relatie tot
onvolkomenheden in het risicomodel worden compensatiemechanismen toegepast. Op grond
van
de jarenlange ontwikkeling van het risicomodel, zoals
toegepast in de ziekenfondsverzekering, en de mogelijkheden van
zorgverzekeraars om kosten te beïnvloeden, is rblz.|51|
besloten de
compensatiemechanismen beperkt te houden zodat zorgverzekeraars in hoge mate
risicodragend zullen zijn.
De mate waarin
zorgverzekeraars kosten van hun verzekerden kunnen beïnvloeden, verschilt
sterk per zorgvorm. Het financiële risico dat zorgverzekeraars lopen, zal daarom
verschillen per kostensoort. Zo maakt het risicomodel bijvoorbeeld
onderscheid tussen kosten voor onder andere huisartsenhulp, genees-
en hulpmiddelen, variabele kosten van ziekenhuisverpleging en
vaste kosten van ziekenhuisverpleging.
h. Beheer
In het kader van de
Zorgverzekeringswet wordt een instantie aangewezen die is belast met het
dagelijks beheer van de uitvoering van de zorgverzekering. Het gaat hierbij om de
volgende taken:
- pakketbeheer, in die
zin dat de
Minister van VWS wordt geadviseerd over ontwikkelingen in
het medisch veld die wijzigingen in het te verzekeren pakket gewenst
zouden kunnen maken;
- uitvoering van de
vereveningsregeling;
- registratie van
verzekeraars die de Zorgverzekeringswet uitvoeren;
- beheer van het
Zorgverzekeringsfonds;
- onderhouden van de
administratieve en financiële relaties met andere staten die voortvloeien
uit de toepassing van de Europese socialezekerheidsverordening nr. 1408/71 en bilaterale
socialezekerheidsverdragen;
- verstrekken van
subsidies en beheer van de uitgaven ten behoeve van gesubsidieerde zorg;
- informatievoorziening
aan zorgverzekeraars zoals over ontwikkelingen in de (internationale)
jurisprudentie.
Deze beheerstaak wordt
opgedragen aan de instantie die deze taak in het kader van de ziekenfondsverzekering al vervulde en deze taak in het kader
van de uitvoering van de AWBZ blijft vervullen; te weten het CVZ. Het CVZ functioneert onder
politieke verantwoordelijkheid van de Minister van VWS.
i. Toezicht
De noodzaak van een
adequaat toezichtinstrumentarium spreekt vanzelf in een verzekeringssysteem
waarin een belangrijke rol wordt toegekend aan de eigen
verantwoordelijkheid van de betrokken partijen. Die verantwoordelijkheid
moet tot uitdrukking
komen in maatschappelijk verantwoord handelen, in verantwoording en verslaglegging over het gevoerde beleid
en in een toetsbare
opstelling. De verzekeraars en aanbieders geven daarmee inzicht in de
wijze waarop zij uitvoering geven aan de wet respectievelijk zorg
leveren aan degenen die op zorg zijn aangewezen. Voor de aanbieders van
zorg is dit overigens niet in deze wet geregeld. Een wettelijk geregeld
onafhankelijk toezicht op de verzekeraars en aanbieders van zorg is
van belang voor het kunnen afleggen van verantwoording aan het parlement over
het functioneren van het zorgstelsel als geheel. Dat toezicht
verschaft de
Minister van VWS, die verantwoordelijk is voor het functioneren
van het zorgsysteem, immers de noodzakelijke informatie om zich over
het functioneren van het stelsel als geheel een oordeel te kunnen vormen.
Een toezicht overigens, dat waar het de verzekeraars betreft, een ander
karakter heeft dan het bestaande toezicht dat zo kenmerkend is voor het
publiekrechtelijke systeem van ziekenfondsen. De privaatrechtelijke
vormgeving van het stelsel en meer marktwerking als belangrijk
sturingsinstrument voor een doelmatig en op de vraag van de verzekerden en
zorggebruikers afgestemd zorgstelsel stellen eigen eisen aan de inrichting van het
toezicht. Het kabinet heeft zich dan ook beraden op de wenselijkheid van
een herijking en herschikking van taken en rblz.|52|
bevoegdheden van de toezichthouders in de zorgsector om te komen tot
een logische clustering
van functies en taken die hieruit voortvloeien.
1. Algemene
uitgangspunten voor het toezicht
In het kader van de zorg
is een viertal toezichtdomeinen aan de orde. Er is sprake van toezicht op
financiële markten, toezicht op verzekeraars bij de uitvoering van de
Zorgverzekeringswet, het toezicht op het ontwikkelen van markten en de
mededinging bij zorgverzekeraars en zorgaanbieders, en tot slot het toezicht
op de kwaliteit van de (verleende) zorg. In de beschrijving van de
algemene uitgangspunten voor het toezicht is waar nodig een onderscheid
gemaakt in toezicht op verzekeraars en toezicht op aanbieders van zorg.
Toezicht op de
financiële markten
De verzekeraars die de
Zorgverzekeringswet uitvoeren, zijn private verzekeringsondernemingen.
Op deze verzekeraars is dan ook de wetgeving voor het toezicht op de
particuliere verzekeraars, zoals vastgelegd in de Wtv
1993, van
toepassing. Dat omvat in de eerste plaats het verlenen van een vergunning tot
het uitoefenen van het verzekeringsbedrijf in de branches ongevallen en
ziekte, en het prudentieel toezicht. Dit toezicht bewerkstelligt dat er
solide private zorgverzekeraars zijn.
Het prudentieel toezicht
op private verzekeringsondernemingen is opgedragen aan de PVK.¹ Als het een
verzekeringsonderneming betreft met een zetel in een andere
lidstaat van de EU, wordt het toezicht uitgeoefend door de toezichthoudende
instantie in de lidstaat van de zetel. Het gaat bij deze toezichtvorm vooral
om de vraag of de financiële positie van de verzekeraars voldoende is
om de aangegane verplichtingen te dekken. Daarnaast gaat het om de
vraag of bedrijfsprocessen dusdanig zijn ingericht dat de continuïteit van
de zorgverzekeraars gewaarborgd is, zodat deze ook in de toekomst
aan deze verplichtingen zullen kunnen voldoen. Hiervoor worden de
administratieve organisatie en de interne controlemechanismen getoetst en van
voorschriften voorzien. De administratie van de verzekeraars is
daardoor ingericht op een zodanige wijze dat deze voldoende inzicht geeft
om het toezicht te kunnen uitoefenen.
1. De Minister van Financiën
is verantwoordelijk voor de PVK. Het is de
bedoeling dat de PVK in de loop van 2004
zal samengaan met De Nederlandsche Bank.
Zie hiervoor Kamerstukken II 2003-2004, 29 411.
Het toezicht op
particuliere verzekeraars omvat in de tweede plaats ook het toezicht op een
deugdelijke financiële dienstverlening, zowel voor zorgverzekeraars als
assurantietussenpersonen en andere distributiekanalen. Dit zogeheten
financiëlemarktengedragstoezicht is opgedragen aan de Autoriteit Financiële Markten
(AFM). Bij deze toezichtvorm gaat het
om de basisvereisten
waaraan financiëlemarktpartijen moeten voldoen om een fatsoenlijk
distributiekanaal van financiële producten te waarborgen. Het gaat dan vooral om de
vraag of de verzekeraar verzekerden goed voorlicht over de
verzekeringspolis en of hij bij de verkoop van de verzekeringspolis de
aspirant-verzekerde goed informeert over onder meer de mogelijkheden en
de verschuldigde premies bij de verschillende polissen. Hiermee is
wettelijk geborgd dat de distributie van zorgverzekeringen op een goede manier
plaatsvindt.¹ De Minister van Financiën draagt de politieke
verantwoordelijkheid voor het toezicht op particuliere verzekeraars. Deze
aspecten hoeven niet apart in de
Zorgverzekeringswet te worden geregeld, maar
vloeien direct voort uit de uitvoering van de zorgverzekering door
private zorgverzekeraars waardoor de Wtv
1993 van toepassing is.
1. Daarnaast is de AFM
verantwoordelijk voor het effectentypische
gedragstoezicht met waarborgen voor een integere inrichting van het beleggingsbedrijf van
- in dit geval - zorgverzekeraars.
Toezicht op de uitvoering
van de wet door de zorgverzekeraars: borging van publieke belangen
De
Minister van VWS is
verantwoording verschuldigd aan de Tweede Kamer over de opzet en de
werking van de
Zorgverzekeringswet. Hij zend rblz.|53|
daarom
verantwoordingsinformatie naar de Kamer die vooral betrekking heeft op de behartiging
van de publieke belangen die met de Zorgverzekeringswet zijn gewaarborgd. Bij de
uitvoering van de Zorgverzekeringswet door de zorgverzekeraar
gaat het daarbij in hoofdzaak om het nakomen van de acceptatieplicht,
het verbod op premiedifferentiatie, de zorgplicht en om de vraag of de
polis, de privaatrechtelijke overeenkomst tussen de verzekeraar en de
verzekerde, niet meer, maar ook niet minder biedt dan wat ingevolge de
Zorgverzekeringswet verzekerd dient te zijn. Andere relevante aspecten zijn
de vraag of de opgave van het verzekerdenbestand in verband met de
verevening en de vraag of het gedrag ten aanzien van collectieve contracten
correct is. Gelet op deze verantwoordelijkheid van de minister
en zijn informatieverplichting aan de Kamer kan dit alleen
goed worden vormgegeven
vanuit een vastgelegde visie van de
Minister van VWS op het uit te
oefenen toezicht. Zoals hiervoor al aan de orde is gekomen, kiest de regering voor een privaatrechtelijke standaardverzekering
voor curatieve zorg die
wordt uitgevoerd door onderling concurrerende verzekeraars. De regering
is van mening dat het door de keuze voor een privaatrechtelijke
verzekering waarbij een grotere verantwoordelijkheid is ingeruimd voor
verzekeraars die winst mogen maken, niet past toezicht uit te oefenen
op de doelmatigheid van de uitvoering van de verzekering. Er kan in
dit opzicht geen taak voor de overheid liggen om de ondernemer bij de hand te
nemen om tot een succesvolle bedrijfsvoering te komen. De tucht van de
markt wijst uit of de zorgverzekeraar al dan niet doelmatig werkt.
Daarnaast impliceert dit dat de overheid in de sfeer van het rechtmatigheidstoezicht niet langer een soortgelijke financiële
verantwoording van verzekeraars kan
vergen als van de huidige ziekenfondsen wordt verlangd. Kernpunt
in de sfeer van het rechtmatigheidstoezicht op de nieuwe zorgverzekering
is daarom dat de overheid zich ervan vergewist dat de zorgverzekeraar
zijn plicht nakomt om de verzekerde te leveren waar hij volgens de
Zorgverzekeringswet recht op heeft (dit is het toezicht op de naleving van de
publieke waarborgen). Inzicht in de rechtmatige besteding van de middelen
door de verzekeraars wordt niet langer nagestreefd. Juridisch gezien ziet het
kabinet hiervoor een grond in de privaatrechtelijke sfeer waarin de
feitelijke verzekering tot stand komt. De uitvoering van de verzekering hangt
af van private overeenkomsten. Zodoende is sprake van een domein
waar de overheid niet dieper moet kijken dan wat de wet regelt. Dit
uitgangspunt leidt tot een andere inrichting van het rechtmatigheidtoezicht
onder de Zorgverzekeringswet dan thans bestaat onder de Zfw. Voor de toezichthouder betekent dit een andere wijze van
werken. De consequenties
van het door de regering gekozen uitgangspunt blijven echter niet
beperkt tot de werkwijze van de toezichthouder. Ook de positie van de Algemene
Rekenkamer dient in dit verband te worden bezien. De Comptabiliteitswet
2001 geeft de Algemene Rekenkamer de bevoegdheid om onder meer
onderzoeken in te stellen bij zorgverzekeraars, gelet op het feit dat zij
rechtspersonen met een wettelijke taak zijn. Deze onderzoeken kunnen
zich uitstrekken tot het handelen van de zorgverzekeraars en tot de rechtmatigheid
van de bij de zorgverzekeraars inkomende en uitgaande
geldstromen. Waar de toezichthouder onder de Zorgverzekeringswet niet
wordt geacht de rechtmatigheid van alle uitgaven van de
zorgverzekeraars vast te stellen, acht de regering het ongewenst dat de Algemene
Rekenkamer dat op grond van zijn bevoegdheden uit hoofde van een andere
wet wél zou gaan doen. Om ieder mogelijk misverstand over de
reikwijdte van het toezicht op de zorgverzekeraars te vermijden, worden
daarom in dit wetsvoorstel de bevoegdheden van de Algemene Rekenkamer
aangepast.
Bij het hiervoor
beschreven uitgangspunt past dat niet de beoordeling van inkomsten en uitgaven van
zorgverzekeraars, maar een beoordeling van hun prestaties een
centrale plaats zal innemen in de toezichtvisie van de
Minister van VWS. Deze
wijze van invulling van het rechtmatigheidstoezicht rblz.|54|
wordt ondersteund door een samenhangend geheel van checks
and balances in het
zorgstelsel. Daarbinnen hebben verzekeraars en verzekerden immers een grote mate van
eigen verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de
verzekering. Verzekeraars moeten in onderlinge concurrentie als belangenbehartiger
voor hun verzekerden optreden. Dit vereist dat zij zich van elkaar
kunnen onderscheiden door de aangeboden polissen en de daarbij horende
nominale premies, door de kwaliteit van het eigen verzekeringsbedrijf
en door doelmatige zorginkoop. Verzekerden dienen kritisch te zijn
over de prijs en de kwaliteit van de geleverde diensten door verzekeraars. Door
de introductie van onder andere de Report Card Verzekeraars kunnen
verzekerden gemakkelijker de prestaties van verzekeraars met elkaar
vergelijken. Mochten de resultaten uit die Report Card daar aanleiding toe
geven, dan kunnen verzekerden mede op grond hiervan besluiten om van
zorgverzekeraar te wisselen. Dat kan jaarlijks. Dit prikkelt verzekeraars
op hun beurt tot een efficiënte bedrijfsvoering en de reeds genoemde
doelmatige zorginkoop.
Het ligt voor de hand om
bij het uitoefenen van toezicht zoveel mogelijk gebruik te maken van of
aan te sluiten op horizontale verantwoordingslijnen. Hiermee wordt gedoeld op
de verantwoording aan een intern toezichtorgaan en de
informatievoorziening aan de eigen verzekerden. Aan de branche zal worden
gevraagd met een voorstel voor een uitwerking van "corporate governance" in de zorgverzekeringssector te
komen. Hierdoor ontstaan ook
betere mogelijkheden de informatievraag richting de zorgverzekeraar in de
vorm van een uitvoeringsverslag, dat de zorgverzekeraars op grond van deze wet
moeten opstellen, specifiek te richten op het presteren van de
zorgverzekeraar. De Minister van VWS baseert vervolgens zijn oordeel over werking van de zorgverzekering op de
oordelen van de
toezichthouders. Daarnaast geldt overigens de voor deze branche gebruikelijke
financiële verantwoording.
Voor de aspecten die
cruciaal zijn voor het borgen van de publieke belangen moet dit oordeel
komen van een sectorspecifieke toezichthouder die het veld van
zorgverzekeraars en de zorgverzekering goed kent. Deze taak ligt thans bij het
CTZ.
Toezicht op het
ontwikkelen van markten en mededingingstoezicht
Het algemene
mededingingstoezicht is geregeld in de Mededingingswet
(Mw) en betreft zowel de
zorgverzekeraars als de aanbieders van zorg. De NMa is belast met het
toezicht op de naleving door zorgverzekeraars van de Mw. Een belangrijke
taak en verantwoordelijkheid voor de overheid betreft het wegnemen van
de barrières die marktwerking in de weg staan, dan wel het "maken" van
markten waar die markten nog niet voldoen aan de criteria voor
marktwerking. Het gaat hier om het bevorderen van marktwerking door het
versterken van de positie van de verzekerde, alsook door het slechten
van toetredingsbelemmeringen en het vergroten van transparantie. Meer
in algemene zin is het zaak om de transparantie op de zorgmarkt zodanig
te bevorderen dat de burgers keuzes die zij in het kader van de
Zorgverzekeringswet moeten maken goed kunnen afwegen.
Voor de werking van het
systeem is het immers van groot belang dat verzekerden gaan "stemmen met de
voeten". Om dit te bevorderen, zal de nog op te richten
Zorgautoriteit worden opgedragen om deze specifieke "marktmeestertaak" te
gaan vervullen. Deze taak zal worden vastgelegd in de wet waarmee deze
instantie wordt ingesteld.
Toezicht op de kwaliteit
van de zorg
Kwaliteit is een begrip
met verschillende dimensies. Dat uit zich ook in de wijze waarop toezicht op
de kwaliteit vorm en inhoud krijgt.
De eerste dimensie is de
kwaliteit van de volksgezondheid. Het gaat hierbij onder meer om de
staat van de volksgezondheid in het algemeen en om wettelijke
voorschriften ten aanzien van de hygiëne, het voorkomen van infecties
e.d.
die aanbieders van zorg moeten rblz.|55|
naleven. Toezicht op het
bestaan en de naleving van deze voorschriften door de zorgaanbieders
is bij uitstek het terrein van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) als
bewaker van de volksgezondheid.
De tweede dimensie is de
kwaliteit van het medisch professioneel handelen. Het gaat hierbij om zaken
als de bevoegdheid tot het verrichten van medische handelingen, de
ontwikkeling van "evidence based" behandelprotocollen en richtlijnen en de
inzet en het gebruik van medische apparatuur. Voor deze aspecten legt
de wetgever de zorgaanbieders kwaliteitscriteria op, gericht op het
leveren van verantwoorde zorg van goed niveau, die doeltreffend
en doelmatig moet worden verleend en die zijn afgestemd op de wensen
van de zorgvrager.¹ Ook daarop ziet de IGZ toe. Een zorgverzekeraar zal
de klachten van zijn verzekerden over de zorglevering serieus moeten nemen. Hij
zal daaruit lering trekken voor zijn opstelling jegens de zorgaanbieders. Dit kan bijvoorbeeld van invloed zijn
op zijn beleid om
overeenkomsten te sluiten en op de inhoud van die overeenkomsten.
1. Onder andere Kwaliteitswet
zorginstellingen.
2. Regeling van de
uitoefening van het toezicht op de zorgverzekeraars
Een nieuwe structuur voor
de uitoefening van het toezicht
Zoals hiervoor al is
opgemerkt, heeft het kabinet zich gebogen over de vraag wat een logische
clustering van functies en taken zou zijn voor de aansturing en het
toezicht op de uitvoerders van de
Zorgverzekeringswet. Een belangrijk
uitgangspunt daarbij is een transparante organisatie van het toezicht.
De PVK zal vergunningen
verlenen aan verzekeraars die de
Zorgverzekeringswet willen uitvoeren.
Daarnaast zal de PVK het prudentieel toezicht uitoefenen. Het
uitoefenen van het toezicht op verzekeraars dat betrekking heeft op het borgen van
publieke belangen beschouwt het kabinet als een natuurlijke metgezel van
het toezicht op het ontwikkelen van markten. Het kabinet is daarom van
mening dat het toezicht op de borging van de publieke belangen samen
met het toezicht op marktgedrag moet worden uitgevoerd door de Zorgautoriteit. De Zorgautoriteit wordt bovendien
volledig verantwoordelijk
voor het uitoefenen van het zorgspecifieke gedragstoezicht op de
zorgverzekeraars. Indien het zorgspecifieke gedragstoezicht van de Zorgautoriteit en
het generieke financiëlemarktengedragstoezicht van de AFM elkaar toch
zouden dreigen te raken met risico’s voor onnodige administratieve
lasten of inconsistenties vanuit de overheid, zullen zij zorgdragen
voor de noodzakelijke afstemming. Het toezicht van de Zorgautoriteit op de
zorgverzekeraars bevat dus de volgende vormen van toezicht: het
sectorspecifieke markttoezicht, het toezicht op de uitvoering van de
Zorgverzekeringswet en tot slot het zorgspecifieke gedragstoezicht. Deze vormen van toezicht
komen hierdoor bij de Zorgautoriteit in één hand. Door de
bundeling van deze functies ontstaat een goede garantie voor een
evenwichtige invulling van de erbij betrokken taken. Het kabinet heeft besloten om
de regeling van dit toezicht en de organen die daarmee zullen worden
belast vast te leggen in een wet waarmee de Zorgautoriteit wordt
ingesteld. Het toezicht op de mededinging zal worden uitgeoefend door
de NMa.
Volledigheidshalve zij
erop gewezen dat het toezichtdomein van de Zorgautoriteit niet alleen de verzekeringsmarkt omvat, maar ook de zorgverleningsmarkt
en de zorginkoopmarkt. De Zorgautoriteit oefent op al deze markten het
sectorspecifieke markttoezicht uit. Eenvoudig geformuleerd kunnen daarbij twee
situaties worden onderscheiden. In de eerste plaats gaat het om het
bevorderen en bewaken van de concurrentie in die delen van de zorg waar al
sprake is van vrije prijsvorming. In de tweede plaats gaat het om het
verbeteren van de prestaties in die delen van de zorg waar (nog) geen
vrije prijsvorming bestaat en het voorbereiden op een rblz.|56|
situatie waarin wel
sprake is van vrije prijsvorming. Zoals hiervoor al aan de orde is geweest,
kijkt de Zorgautoriteit bij het toezicht op de zorgverzekeringsmarkt bovendien naar de
uitvoering van de
Zorgverzekeringswet door de zorgverzekeraars
en oefent ze het zorgspecifieke gedragstoezicht uit.¹ Het voorgaande
betekent dat de Zorgautoriteit ook naar de verhoudingen tussen de
actoren op de onderscheiden markten in de zorg zal kijken.
1. Brief van de
Minister van VWS van 10 september 2004, kenmerk
Z/PB-2516069.
Schematisch ziet
één en
ander er als volgt uit (daarbij is volledigheidshalve ook de organisatie van
het huidige toezicht opgenomen):
| |
Huidige
situatie:
Zfw, particuliere verzekeringen en
publiekrechtelijke regelingen |
Situatie
2006:
Zorgverzekeringswet (1) |
| |
|
Nieuwe
structuur |
| Categorie |
Functiexxxxxxxxxxx |
xxWiexx |
Functiexxxxxxxxxxx |
Wie |
| Toelating |
Vergunning
particuliere zorgverzekeraars |
PVK |
Vergunning
zorgverzekeraars |
PVK |
| Toelating
ziekenfondsen |
CVZ |
|
|
| Soliditeit |
Prudentieel
toezicht op de particuliere zorgverzekeraars |
PVK |
Prudentieel toezicht
op de zorgverzekeraars (2) |
PVK |
| Toezicht
op de soliditeit van ziekenfondsen |
CTZ |
|
|
| Gedrag |
Gedragstoezicht
op particuliere verzekeraars in verband met informatiebelangen van de
klant (3) |
AFM |
Zorgspecifiek
gedragstoezicht op zorgverzekeraars in verband met informatiebelangen
van de klant |
Zorgautoriteit |
| Rechtmatigheid |
Toezicht
op rechtmatige uitvoering van de Zfw: rechtmatige besteding
(aanvaardbaarheid) van middelen |
CTZ |
Toezicht
op "rechtmatige" uitvoering van de Zorgverzekeringswet (4):
naleving van de zorgplicht, acceptatieplicht en andere wettelijke eisen |
Zorgautoriteit |
| Doelmatigheid |
Toezicht
op doelmatige uitvoering van de Zfw |
CTZ |
Geen
doelmatigheidstoezicht |
--- |
| Marktontwikkeling |
|
|
Toezicht
op het ontwikkelen van de verzekeraarsmarkt |
Zorgautoriteit |
| Mededinging |
Toezicht
op zorgverzekeraars op basis van de Mededingingswet |
NMa |
Toezicht
op zorgverzekeraars op basis van de Mededingingswet |
NMa |
1. Volledigheidshalve zij
erop gewezen dat de twee kolommen onder het kopje "situatie 2006: Zorgverzekeringswet" louter weergeven welke toezichthouder
verantwoordelijk is voor
de onderscheiden functie. De taken van de genoemde toezichthouders
worden niet in de Zorgverzekeringswet geregeld, maar elders.
2. Met ingang van 2005 wordt het toezicht op zorgverzekeraars (en andere financiële
dienstverleners) gesplitst in structuurtoezicht (solvabiliteit, integriteit en
bekwaamheid bestuurders, etc.) en gedragstoezicht.
3. Het gedragstoezicht is
primair gericht op het verschaffen van adequate informatie aan (aspirant-)verzekerden
over producten en risico’s.
4. Alsmede de AWBZ.
Afstemming
Zorgverzekeringswet en wetsvoorstel instelling Zorgautoriteit
Het kabinet streeft
ernaar het wetsvoorstel dat de instelling van de Zorgautoriteit regelt op 1 januari 2006
in werking te laten treden. De aanbieding aan het parlement van dit
wetsvoorstel zal echter op een later tijdstip liggen dan het moment van
aanbieding van de
Zorgverzekeringswet. Van de eventuele gevolgen van
een latere behandeling van het voorstel van wet inzake de instelling
van de Zorgautoriteit heeft het kabinet zich rekenschap gegeven. Mocht die
situatie zich onverhoopt voordoen, dan zal de PVK het prudentieel
toezicht uitoefenen en het CTZ het toezicht op de uitvoering van de
Zorgverzekeringswet door verzekeraars en zorgspecifieke gedragstoezicht. Het CTZ
beschikt uit hoofde van zijn toezichthoudende taak op grond van de Zorgverzekeringswet over verschillende
maatregelen, die
uiteenlopen van het opleggen van een bestuurlijke boete tot het geven van een
aanwijzing of het opleggen van een last onder dwangsom. Waar nodig
zullen het CTZ, CVZ en de PVK hun activiteiten op elkaar afstemmen.
Bovendien zullen het CTZ en de AFM zorgdragen voor de noodzakelijke
afstemming van het uitoefenen van het gedragstoezicht op de zorgverzekeraars.
Het kabinet ziet erop toe
dat het toezicht op de verzekering op basis van de AWBZ
op de juiste
wijze wordt gecontinueerd.
Na inwerkingtreding van
de wet inzake de instelling van de Zorgautoriteit rblz.|57|
zullen het
sectorspecifieke toezicht, het toezicht op het marktfunctioneren en het zorgspecifieke
gedragstoezicht door de Zorgautoriteit worden behartigd.
In praktische zin
betekent deze verandering dat de taken van het CTZ, zoals die in deze wet
zijn gemoderniseerd ten opzichte van de situatie zoals die gold voor de
ziekenfondsverzekering, worden geïntegreerd in de werkzaamheden van de
Zorgautoriteit. Ook het CTG gaat na wetswijziging op in de Zorgautoriteit.
VI. Grensoverschrijdende
zorg
Door de inwerkingtreding
van de
Zorgverzekeringswet wordt de gehele bevolking opgenomen in
een sociale ziektekostenverzekering. Daarmee komt een einde aan de in
Europa unieke positie van Nederland waarbij circa 30% van de
bevolking voor de geneeskundige zorg is aangewezen op het sluiten van een
particuliere verzekering op de vrije markt. De Zorgverzekeringswet zal
bij de Europese Commissie worden aangemeld als
socialeverzekeringswet in de zin van de Europese
socialezekerheidsverordening nr. 1408/71. Daaruit kan
voortvloeien dat mensen die buiten Nederland wonen,
onderworpen raken aan de Nederlandse socialezekerheidswetgeving en daardoor de
verplichting krijgen om een zorgverzekering te sluiten. Dat betreft
de categorie van personen die in Nederland werken. Deze personen
zijn op grond van de Nederlandse wetgeving premie verschuldigd.
Daarnaast is er een
categorie van personen die niet in Nederland werken, maar die als
rechthebbende op een Nederlands pensioen als gevolg van de toepassing van de
Europese socialezekerheidsverordening of een socialezekerheidsverdrag
in het woonland, recht hebben op zorg ten laste van Nederland. Tegenover
dit verdragsrecht op zorg is in de desbetreffende internationale regelingen
bepaald dat de staat die de kosten voor de medische zorg voor zijn
rekening moet nemen daarvoor premie in rekening mag brengen. In het wetsvoorstel is de basis voor deze premieheffing
gelegd. Beoogd wordt voor
deze categorie een nominale premie vast te stellen, gebaseerd op
de gemiddeld in Nederland in rekening gebrachte premie. De inkomensafhankelijke bijdrage van verzekeringsplichtigen
wordt op dezelfde wijze
geheven als het geval is bij mensen die in Nederland wonen.
De Europese
socialezekerheidsverordening en de door Nederland gesloten
socialezekerheidsverdragen schrijven voor dat de medische zorg waarop iemand op grond
van de verordening of een verdrag recht heeft, wordt verleend
overeenkomstig de regels die gelden krachtens de sociale ziektekostenverzekering
van het land waar die zorg wordt verleend. Dus een Nederlandse
verzekerde die woont of verblijft in bijvoorbeeld Frankrijk krijgt van de Franse
sociale ziektekostenverzekering medische zorg overeenkomstig de Franse wetgeving. De kosten van die zorg komen ten
laste van de Nederlandse
zorgverzekering. Voor de voormalig ziekenfondsverzekerden is dit een bekend
fenomeen, voor de voormalig particulier verzekerden is dit een nieuwe situatie.
Voor mensen die in het
buitenland wonen en op grond van een door Nederland met een ander
land gesloten socialezekerheidsverdrag of de Europese
socialezekerheidsverordening recht hebben op medische zorg ten laste van Nederland,
wordt geregeld dat zij zich moeten registreren bij het CVZ. Dat College
regelt vervolgens met het andere land de afwikkeling van de kosten die dat
andere land maakt voor de medische verzorging van de betrokkene. Deze
situatie wijkt af van de huidige situatie in de ziekenfondsverzekering, waarbij de betrokkenen de
verplichting hebben zich in te schrijven bij een
aangewezen ziekenfonds. Omdat een zodanige aanwijzing in de nieuwe situatie van
de
Zorgverzekeringswet gezien kan worden rblz.|58|
als een verstoring van de
marktverhoudingen en een zorgverzekeraar geen invloed kan
uitoefenen op de zorgconsumptie en de kosten daarvan in het andere land, is
gekozen voor registratie bij het CVZ. Hiermee is een "marktneutrale"
oplossing gevonden waarbij, wat betreft de premie die betrokkenen moeten
betalen, de winstcomponent buiten beschouwing kan blijven. Het College
heeft hiertoe desgevraagd geadviseerd in het rapport "Internationale
aspecten Zorgverzekeringswet" van 29 januari 2004, volgnummer
23098110.
Daarnaast is het nodig om
op internationaal niveau een regeling te treffen voor de situatie waarin
buitenlandse sociaal verzekerden medische zorg nodig hebben in
Nederland. Ook hier geldt de regel dat die buitenlandse verzekerden in Nederland
zorg krijgen volgens de Nederlandse wetgeving. De
Zorgverzekeringswet biedt echter een scala van mogelijkheden aan de burger om zelf een
variant van de zorgverzekering te kiezen, zodat niet zonder meer duidelijk is
wat de regels zijn volgens welke de medische zorg in Nederland aan een
buitenlandse verzekerde moet worden verleend. Zo zal onder
meer bepaald moeten worden op welke manier de functiegericht omschreven
verzekeringsrechten moeten worden geduid en of de zorg in natura moet
worden verleend dan wel dat aan de betrokkene de kosten moeten worden terugbetaald voor de zorg die hij zelf heeft
ingeroepen. Om te bepalen
waarop de buitenlandse verzekerden in Nederland aanspraak hebben, zal
Nederland aan de andere lidstaten van de Europese Unie en de
landen waarmee Nederland bilaterale socialezekerheidsverdragen over het verlenen van
medische zorg heeft gesloten, voorstellen om een
modelovereenkomst in het kader van de met die landen geldende internationale regelingen vast te stellen. Daarbij zal
worden aangesloten aan de
internationale oplossingen die zijn gevonden door Zwitserland, dat een
verzekeringssysteem kent dat sterk overeenkomt met dat van de Zorgverzekeringswet.
VII. Transparantie in het
verzekeringsstelsel
De
Zorgverzekeringswet biedt de burgers een scala van keuzemogelijkheden om daarmee hun eigen verantwoordelijkheid in het zorgstelsel tot
uitdrukking te brengen.
Het gaat om:
- keuze voor een
zorgverzekeraar;
- keuze uit premie en
eigen risico;
- keuze voor natura of
restitutie;
- keuze van
zorgaanbieders.
Om zijn keuze bewust te
kunnen maken, moet het de burger mogelijk zijn heldere afwegingen te
maken. Op grond van de Zorgverzekeringswet moet een zorgverzekeraar
daarom alle varianten van de zorgverzekering die hij op de markt
brengt in modelovereenkomsten neerleggen, die hij aan de (aspirant-)verzekerden en aan het CTZ beschikbaar stelt. Op grond van de
Zorgverzekeringswet geldt bovendien dat een verzekering pas een zorgverzekering
is
indien de verzekering aan het bij of krachtens de Zorgverzekeringswet geregelde
voldoet. In
combinatie leiden deze twee voorwaarden ertoe dat in de
modelovereenkomsten aan alle in de hoofdstukken 2 en
3 van de
Zorgverzekeringswet aan zorgverzekeringen gestelde eisen moeten voldoen (anders is een volgens zo’n model gesloten overeenkomst
immers geen
zorgverzekering).
Het is niet nodig om in
lagere regelgeving te bepalen wat in de modelovereenkomsten moet staan. Wat er in
die
modellen moet staan, volgt immers al uit de wet.
Bovendien zou dit, voor zover in de algemene maatregel van bestuur ook eisen
zouden worden gesteld die verder gaan dan wat uit de wet volgt
(eisen aan de administratieve procedures, aan de volgorde van in het model
op te nemen onderwerpen e.d.), in rblz.|59|
strijd kunnen komen met
de Europese schaderichtlijnen, omdat de vrijheid van zorgverzekeraars
zonder goede rechtvaardigingsgrond wordt belemmerd.
Via deze systematiek
wordt gewaarborgd dat (aspirant-)verzekerden kunnen beschikken over
alle op de markt gebrachte polissen. Dat sluit nog niet uit dat er een
groot aantal verschillende varianten van de zorgverzekering op de markt wordt
gebracht. Dat dit kan, vloeit echter voort uit de beleidsruimte die de verzekeraar met de Zorgverzekeringswet wordt
gegeven (bijvoorbeeld ten
aanzien van natura/restitutie, aanbieden eigen risico, aanbieden
collectiviteitskortingen). Het is echter nog maar de vraag of er werkelijk
een
onoverzichtelijk woud aan verschillende varianten zal ontstaan. Zou de
regering, zonder af te wachten of intransparantie werkelijk zal optreden, nu al
regels gaan stellen die de vrijheid in het aantal op de markt te brengen
varianten zou beperken, dan zou dat in strijd komen met de Europese
schaderichtlijnen.
Bovendien regelt de
Zorgverzekeringswet dat er voor de verzekeringsplichtigen een vergelijkend
overzicht beschikbaar komt met de kerngegevens die voor hen van belang
zijn bij het bepalen van een keuze voor een zorgverzekeraar. Daarbij
gaat het om aspecten van de zorgverzekeringsovereenkomst als de premie die de
verschillende zorgverzekeraars voor onderscheiden varianten
in rekening brengen, de snelheid waarmee ze de verzekerde zorg leveren
indien er van gecontracteerde zorg sprake is dan wel de snelheid waarmee
zij restitueren indien er van een restitutiepolis sprake is. Ook de
publieksvriendelijkheid in algemene zin zoals telefonische bereikbaarheid,
afwikkeling van klachten en bejegening van verzekerden behoort hier toe. Deze
taak wordt vooralsnog opgedragen aan het CTZ en zal met de
inwerkingtreding van de Wet op de Zorgautoriteit komen te berusten bij de
Zorgautoriteit.
Ook particuliere
initiatieven op het gebied van de consumenteninformatie zoals de Report Card
Verzekeraars die momenteel door de Consumentenbond wordt ontwikkeld,
verdienen in dit verband vermelding. Verder is de Consumentenbond nu al
bezig een website op te zetten waarin verschillende ziektekostenverzekeringen
met elkaar vergeleken kunnen worden.
Bij
het bepalen van zijn
keuze kan de burger zoals gezegd steun vinden bij de vergelijkingen die
door de Consumentenbond worden gemaakt van de pakketten van de
zorgverzekeraars. Het ministerie van VWS ondersteunt financieel de
ontwikkeling van deze vergelijkende overzichten door de Consumentenbond. Het
CTZ
(later de Zorgautoriteit) heeft tot taak om, eventueel in aanvulling
op particuliere initiatieven, aan de burger vergelijkende overzichten ter
beschikking te stellen met betrekking tot de inhoud van de door de onderscheiden zorgverzekeraars aangeboden modelovereenkomsten.
VIII. Gegevensuitwisseling
Teneinde de diverse
actoren die bij de uitvoering van de
Zorgverzekeringswet zijn betrokken van de
benodigde informatie voor beleidsvorming en uitvoering van de wet te
voorzien, is een aantal informatiebepalingen opgenomen. Hierin wordt
voorgeschreven dat informatie moet worden verstrekt en wie deze
informatie aan wie dient te leveren. De informatiebepalingen zijn in algemene termen
gesteld. In lagere regelgeving kunnen, zo nodig, nadere
specificaties worden gegeven van de noodzakelijke gegevensuitwisseling.
In de zorgsector, met een
groot aantal grotere en kleinere actoren, wordt nog veel informatie
uitgewisseld via papieren informatiestromen. Wel wordt steeds vaker
gebruik gemaakt van elektronische gegevensuitwisseling. Het uiteindelijke streven
is dat informatievoorziening binnen de zorgsector en van en naar andere
sectoren zoveel mogelijk plaatsvindt door rblz.|60|
elektronische
uitwisseling van gegevens. Een bijkomend effect van elektronische gegevensuitwisseling is
dat zij bijdraagt tot administratieve lastenvermindering. Niet
alleen vanwege een beperkter aantal handelingen en automatisering van die
handelingen, maar ook doordat gegevens die eenmaal geleverd zijn, voor meerdere doeleinden gebruikt kunnen worden.
Onderscheid dient te
worden gemaakt tussen gegevens die samenhangen met de declaratie van
verleende zorg en gegevens die samenhangen met de verzekering.
Gegevensuitwisseling die samenhangt met verleende zorg en met de betaling
ervan,
doet zich met name voor tussen zorgaanbieders onderling, tussen zorgaanbieders en zorgverzekeraars en in het kader van
de financiële
verantwoording. Ook kan gegevensuitwisseling plaatsvinden tussen zorgverzekeraars
onderling die samenhangt met de overstap van een verzekerde naar een
andere zorgverzekeraar, zoals informatie over de hoogte van het voormalige
eigen risico. Verder vindt gegevensuitwisseling plaats in het kader van
financiële en beleidsmatige verantwoording aan de minister
en het CVZ, zoals bijvoorbeeld met betrekking tot de ramingen voor de
zorguitgaven, de vaststelling van het EMU-saldo [EMU: Economische en
Monetaire Unie, red.] en de BKZ-uitgaven, de
budgetcyclus en de raming van opbrengsten van budgettaire maatregelen en met
actoren buiten de sector, zoals de belastingdienst
en de gemeentelijke basisadministratie (GBA).
De verschillende
informatiestromen zijn bij elektronische gegevensuitwisseling naar de aard van de
gegevens veelal van elkaar gescheiden. Voor de onderscheiden
gegevensstromen worden verschillende infrastructurele voorzieningen gebruikt.
Intersectorale
informatievoorziening
In
de
Zorgverzekeringswet is geregeld dat zorgverzekeraars gebruik dienen te maken van een
elektronische infrastructuur. Deze infrastructuur is noodzakelijk om (inter)sectorale
(elektronische) uitwisseling van gegevens binnen het sofinummerdomein mogelijk te maken en is al voor de ziekenfondsverzekering
opgezet. Deze infrastructuur wordt overigens ook gebruikt voor
intrasectorale gegevensuitwisseling. Het CVZ
kan regels stellen omtrent de aard,
de omvang, de structuur en het beheer van de gegevensuitwisseling. In beginsel is het mogelijk dat voor elke verschillende
gegevensuitwisseling
tussen zorgverzekeraars onderling, binnen en buiten de zorgsector,
regels worden gesteld. Welke gegevens tussen de verschillende actoren uitgewisseld zullen worden, wordt nog nader geregeld.
Uiteraard is dit
onderhevig aan de noodzakelijkheid om deze gegevens uit te wisselen in het
kader van de uitvoering van een wettelijke taak. Uitwisseling van gegevens
buiten de zorgsector dient plaats te vinden aan de hand van het
sofinummer van de verzekerde. Daartoe is in de Zorgverzekeringswet geregeld dat het
sofinummer van de verzekerde in de administratie van
zorgverzekeraars wordt opgenomen. Gegevens worden op basis van het
sofinummer naar behoefte geleverd aan een centrale database, formeel onder
beheer van CVZ, waaruit verschillende actoren, naargelang de
noodzakelijke gegevensbehoefte en voor zover tot die gegevens gerechtigd,
gegevens kunnen opvragen.
De aard van de gegevens
De intersectorale
gegevensuitwisseling is in de eerste plaats nodig voor het vaststellen (en
controleren) van de verzekeringsplichtigheid en ten behoeve van de
financiering. Gegevens daaromtrent kunnen worden verkregen uit de
polisadministratie die door het UWV beheerd wordt, van de
belastingdienst en uit
de GBA. Daarnaast zullen gegevens voor beleidsmatige informatie uit de
genoemde administraties verstrekt dienen te worden. Ook dienen
zorgverzekeraars gegevens in het kader van financiële verantwoording en
statistische gegevens te verstrekken.
rblz.|61|
Hergebruik van gegevens
De infrastructuur die
gebruikt wordt voor de intersectorale gegevensuitwisseling biedt de mogelijkheid
geleverde gegevens te distribueren naar verschillende actoren, afhankelijk van de gegevensbehoefte. Bovendien is het mogelijk om
gegevens die in een bepaalde administratie vastgelegd zijn te hergebruiken.
Een voorbeeld daarvan is het gebruik van gegevens uit de "polisadministratie" die door het
UWV wordt beheerd en waarin gegevens zijn
vastgelegd van arbeids- en uitkeringsverhoudingen. Ten behoeve van bijvoorbeeld de controle op de verzekeringsplichtigheid
kunnen gegevens uit deze
administratie worden geraadpleegd. Ook voor beleidsmatige informatie
kunnen uit deze administratie gegevens worden verkregen. Daarnaast
kunnen zorgverzekeraars reeds geverifieerde gegevens uit de
polisadministratie, bijvoorbeeld het sofinummer en de verblijfstatus,
overnemen.
Voor de gegevens van
verzekerden die niet in de polisadministratie zijn opgenomen, zal daarnaast
informatie-uitwisseling nodig zijn met andere gegevensleveranciers,
zoals de belastingdienst.
IX. Financiële
sturingsmogelijkheden
Met het oog op de
bestendigheid van het zorgstelsel en het gegeven dat het opbrengen van de
financiële middelen voortvloeit uit een wettelijk opgelegde verplichting,
heeft de overheid er belang bij dat de kosten van de gezondheidszorg zich
niet buitenproportioneel ontwikkelen en binnen het Budgettair Kader Zorg
(BKZ) blijven. Er is een viertal instrumenten om de uitgaven in de zorg te
beheersen, te weten: eigen betalingen (risico en bijdragen),
pakketmaatregelen, tariefmaatregelen alsmede doelmatigheidsprikkels zoals het
ex-antesysteem
van risicoverevening.
Met de
Zorgverzekeringswet beoogt de regering de doelmatigheid te vergroten door de positie
van zorgverzekeraars ten opzichte van het totale veld van de geneeskundige
gezondheidszorg te versterken en ook hun onderlinge concurrentie
aan te wakkeren. Tezamen met maatregelen gericht op de
zorgaanbieders moet dit uiteindelijk de meest doelmatige en vraaggerichte wijze van
functioneren opleveren. Tussen de uiteindelijk beoogde situatie en de
huidige werkelijkheid is naar verwachting nog een lange weg te gaan. Om te
voorkomen dat de kosten van de zorg door een hogere dan geraamde
toename van zorgconsumptie of prijsontwikkeling te sterk zouden groeien,
biedt de Zorgverzekeringswet de overheid de mogelijkheid de grens van
de no-claimteruggaveregeling te verhogen en van het opleggen van een
verplichting aan zorgverzekeraars om voor bepaalde zorgvormen
overeenkomsten te sluiten en daarbij financiële arrangementen overeen te
komen. Verder dienen verzekerden in sommige gevallen een zorggebonden eigen bijdrage te betalen.
Ten slotte wordt het
wettelijke pakket in de Zorgverzekeringswet vastgelegd. Met dit instrument is de
overheid in staat haar permanente verantwoordelijkheid voor het bewaken van de
doelmatigheid van het te verzekeren pakket te realiseren en
kan bovendien gedurende de transitiefase via ingrepen in het
pakket zo nodig een bijdrage aan de financiële houdbaarheid worden geleverd.
X. De financiële gevolgen
De overgang van het
huidige pluriforme stelsel van ziektekostenverzekeringen voor geneeskundige zorg
(en daarmee gepaard gaande financiering) naar een
standaardverzekering met een uniforme premiestructuur heeft financiële
gevolgen voor burgers en werkgevers. Deze gevolgen worden hieronder zo goed
mogelijk in kaart gebracht. Daarbij wordt de financiering van de
Zorgverzekeringswet in 2006 vergeleken met de financiering van het huidige stelsel,
zoals deze bij ongewijzigd beleid in 2006 geweest zou zijn. Er
dient te worden aangetekend dat alle cijfers gebaseerd rblz.|62|
zijn op de huidige
inzichten en daarom noodzakelijkerwijs een voorlopig karakter hebben. In
onderstaande tabel staat een overzicht van de huidige financiering van
de geneeskundige zorg, zoals deze er in 2006 bij ongewijzigd beleid zou
uitzien. Daarbij is ook de financiering van het over te hevelen deel van de
ggz, te weten de gehele extramurale ggz en het eerste jaar van de intramurale
ggz, in 2006 in beeld gebracht. Deze zorg wordt nu nog vanuit de AWBZ
vergoed, maar zal in 2006 worden overgeheveld naar de zorgverzekering.
De particuliere verzekeringen zijn een optelsom van de publiekrechtelijke regelingen voor ambtenaren,
Wtz-standaardpakketpolissen en maatschappijpolissen. Uitgaven voor geneeskundige
zorg die buiten het Zfw-pakket vallen (zorg verzekerd in aanvullende verzekeringen, zoals een
belangrijk deel van de tandheelkundige zorg), blijven buiten
beschouwing.
De uitgaven voor
curatieve zorg kennen vóór de invoering van de
Zorgverzekeringswet de volgende
financieringsbronnen:
• verplichte
premiebetalingen voor de Zfw (dit is inclusief de
no-claimteruggave);
• particuliere
verzekeringspremies;
• omslagbijdragen;
• eigen betalingen van
burgers.
Tabel 1. Financiering
geneeskundige zorg in 2006 conform oude systeem (in mln. euro,
indicatief):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
Zfw |
Particulier |
Totaal |
In
% |
| Procentuele premie
(inclusief exploitatietekort) |
10 771xxx |
788xxxx |
11 559xxx |
xx |
| Rijksbijdragen |
3 027xxx |
0xxxx |
3
027xxx |
xx |
| Over te hevelen delen
ggz-zorg |
0xxx |
0xxxx |
1 819xxx |
xx |
| Exploitatietekort Zfw |
1
179xxx |
1 179xxxx |
xx |
xx |
| Subtotaal
inkomensafhankelijk |
14 977xxx |
788xxxx |
17 584xxx |
64%xxxx |
| x |
| Nominale premie |
1 032xxx |
4
882xxxx |
5
914xxx |
xx |
| Eigen betalingen |
1 390xxx |
781xxxx |
2 171xxx |
xx |
| Omslagbijdragen |
533xxx |
1 471xxxx |
2
004xxx |
xx |
| Overige baten |
0xxx |
10xxxx |
10xxx |
xx |
| Subtotaal
inkomensonafhankelijk |
2 955xxx |
7 144xxxx |
10 099xxx |
36%xxxx |
| x |
| Totaal |
17 932xxx |
7 933xxxx |
27
684xxx |
100%xxxx |
Uit tabel 1 blijkt dat
64% van de curatieve zorg op inkomensafhankelijke wijze wordt betaald;
daarbij is het voor 2006 geraamde exploitatietekort in de Zfw
aan het
inkomensafhankelijke deel toegerekend. De overige 36% van de zorgkosten is
nominaal gefinancierd.
Op
microniveau zien de
betalingen in 2006 er als volgt uit:
Tabel 2. Premie
ziektekostenverzekering op niveau 2006 (euro per jaar) verdeeld over de financieringsbronnen
voor 2006 conform oude systeem (indicatief): ¹
| |
xxxxxZfwxxxxx |
| Procentuele premie
werkgever |
6,75%xxxx |
| Procentuele premie
werknemer |
1,25%xxxx |
| Nominale premie |
€|412,-xxxx |
| Gemiddelde
no-claimteruggave |
–€|83,-xxxx |
| Maatschappijpolis: |
| Gemiddelde
premie (inclusief MOOZ/Wtz) |
€|1595,-xxxx |
| Gemiddelde eigen bijdrage |
€|163,-xxxx |
1. De premies hebben
betrekking op het huidige stelsel, dus exclusief de overheveling ggz.
rblz.|63|
De overgang van het
hierboven weergegeven bestaande stelsel - met uiteenlopende
premiestructuren voor de onderscheiden verzekeringssoorten - naar een
standaardverzekering voor geneeskundige zorg heeft financiële effecten voor
burgers en werkgevers.
Deze effecten worden
veroorzaakt omdat:
a. de premiestructuur
(procentueel/nominaal) voor alle verzekerden gelijk wordt;
b. werkgevers op uniforme
wijze gaan bijdragen in de kosten;
c. sprake is van
wijziging van de rijksbijdrage;
d. de gehele extramurale
ggz en het eerste jaar van de intramurale ggz van de AWBZ
naar de
Zorgverzekeringswet wordt overgeheveld;
e. de premies in het
nieuwe stelsel lastendekkend worden;
f. financiële reserve.
a. Premiestructuur wordt
gelijk
In het huidige stelsel
betalen ziekenfondsverzekerden een procentuele en een nominale premie, medeverzekerde kinderen betalen niets en medeverzekerde
partners betalen alleen
een nominale premie. In de particuliere verzekeringsmarkt betalen
alle verzekerden (dus ook partners en kinderen) een nominale premie.
In de
Zorgverzekeringswet wordt de premiestructuur voor alle verzekerden boven de 18 jaar gelijk,
terwijl kinderen geen nominale premie betalen.
Ziekenfondsverzekerden met een laag inkomen en meeverzekerde gezinsleden gaan dan meer
betalen en particulier verzekerden met kinderen gaan minder
betalen.
b. Werkgevers gaan op
uniforme wijze meebetalen
In het huidige stelsel
betalen werkgevers voor werknemers die ziekenfondsverzekerd zijn een procentuele
premie die wordt afgedragen aan de Algemene Kas. Particulier
verzekerde werknemers krijgen van hun werkgever veelal een tegemoetkoming
voor de ziektekostenpremie. Bij elkaar belopen de werkgeversbetalingen
in het huidige systeem 49% van de premielast. Dit percentage is
inclusief het aandeel van burgers (zoals zelfstandigen en gepensioneerden) die
geen werkgever hebben en zodoende hun eigen "werkgeversbijdrage" betalen.
In het uniforme systeem
van de
Zorgverzekeringswet gaan de werkgevers de helft van de totale macropremielast betalen via een verplichte vergoeding
aan werknemers van de
door deze werknemers verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage over nader
aangewezen loon. Verzekeringsplichtigen zonder werkgever of met
inkomensbestanddelen waarover wel een inkomensafhankelijke
bijdrage is verschuldigd, maar waarvoor geen recht bestaat op een
vergoeding door een werkgever, ontvangen geen (volledige) tegemoetkoming van de werkgever. Deze verzekeringsplichtigen
betalen de
inkomensafhankelijke bijdrage dus (gedeeltelijk) zelf. In de berekeningen is de
door de verzekeringsplichtige zelf betaalde inkomensafhankelijke bijdrage meegenomen als
door de werkgevers betaalde macropremielast. Ten opzichte van de huidige situatie zal het werkgeversdeel
in de lasten licht
stijgen. Dit komt overigens geheel voor rekening van de hiervoor genoemde
verzekeringsplichtigen die geen (volledige) tegemoetkoming ontvangen
voor de inkomensafhankelijke bijdrage. Werkgevers in het
bedrijfsleven betalen per saldo €|0,1 mld minder dan in het huidige
stelsel het geval zou zijn.
c. Wijziging
rijksbijdrage
De rijksbijdrage in de
ziekenfondsverzekering van circa €|3 mld wordt vervangen door een
rijksbijdrage in de
Zorgverzekeringswet. Die bedraagt vooralsnog €|1,5
mld ter
financiering van de premie van kinderen tot 18 jaar.
rblz.|64|
d. Overheveling van delen
van de ggz van de AWBZ naar de Zorgverzekeringswet
Door de overheveling van
een deel van de ggz van de AWBZ naar de
Zorgverzekeringswet daalt
de procentuele AWBZ-premie. In de premie voor de
Zorgverzekeringswet is ook deze overgehevelde zorg verdisconteerd; deze premie wordt dus
hoger.
e. Lastendekkende premies
De premie voor de
ziekenfondsverzekering zou in 2006 niet lastendekkend zijn. Het tekort in de
Algemene Kas zou circa €|1 mld bedragen. Naar de huidige inzichten zou de
premie voor werkgevers en werknemers ongeveer 0,4% te laag zijn
vastgesteld. De
Zorgverzekeringswet gaat uit van lastendekkende premies.
Alleen al daardoor treden er inkomenseffecten op.
De totale uitgaven voor
Zfw, publiekrechtelijke ziektekostenverzekeringen voor ambtenaren en
particuliere verzekeringen plus het over te hevelen deel van de ggz zijn
gelijk aan de uitgaven in de
Zorgverzekeringswet; deze bedragen €|27 684
mln. In de uitgavenraming is rekening gehouden met een
no-claimteruggaveregeling. Omdat wordt uitgegaan van een 50%-bijdrage van werkgevers
(inclusief burgers die hun inkomensafhankelijke bijdrage niet vergoed
krijgen) betalen deze €|13 842 mln.
Tabel 3. Financiering van
de
Zorgverzekeringswet in 2006 (in mln euro, indicatief):
| |
Aandeel
Zorgverzekeringswet |
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
Totaal |
Werknemer |
Werkgever |
| Zfw |
17 932 |
v |
v |
| Particulier |
v7 933 |
v |
v |
| Overheveling delen ggz |
v1
819 |
v |
v |
| Totaal |
27 684 |
v |
v |
| v |
| Fifty-fiftyverdeling
macrolasten |
v |
13 842 |
13 842 |
| Financieringsverschuiving
no-claimteruggave |
v |
–2 171 |
v |
| Rijksbijdrage premie
kinderen |
v |
–1 508 |
v |
| Totaal nominaal te
financieren |
v |
10 163 |
v |
De werkgevers betalen hun
aandeel in de vorm van een vergoeding van de inkomensafhankelijke
bijdrage van verzekeringsplichtigen. De definitie van de grondslag voor
deze inkomensafhankelijke bijdrage is niet hetzelfde als van de
grondslag die nu voor de Zfw wordt gebruikt. Aanvankelijk zal het tarief voor de
inkomensafhankelijke bijdrage over inkomensbestanddelen die niet tot de grondslag
voor de Zfw behoren, maar wel tot de grondslag voor de
Zorgverzekeringswet, in beginsel echter op nihil worden gesteld. In
dit hoofdstuk wordt mede om die reden uitgegaan van een gelijkblijvende
grondslag. Gegeven een Zfw-grondslag van €|232 mld komt de
inkomensafhankelijke bijdrage van verzekeringsplichtigen uit op 5,96%.
De verzekerden betalen
een nominale premie, met het recht op een no-claimteruggave van €|250,- per persoon. De financieringsverschuiving van de
no-claimteruggave,
te weten het bedrag dat uiteindelijk voor de eigen
verantwoordelijkheid van verzekerden komt, is per verzekerde gelijk aan het verschil tussen
de €|250,- en de gemiddeld uitgekeerde
no-claimteruggave (€|75,-). De optelsom van
deze financieringsverschuiving (macro €|2171
mln) en de
rijksbijdrage ter financiering van de kinderpremie (€|1508
mln) zijn in
mindering gebracht op het rechtstreeks door de burger te financieren
bedrag. Het uiteindelijk via nominale premies te rblz.|65|
financieren bedrag is dan €|10 163 mln. Per volwassen verzekerde komt dat neer op gemiddeld €|817,- per jaar.
Tabel 4. Gemiddelde
premie per volwassene (euro per jaar, 2006) en procentuele
werkgeverspremie (indicatief): ¹
Nominale premie
(exclusief kinderen):
- nominale rekenpremie (incl. €|250 no claim)
- nominale opslagpremie |
xxxxxxxxxxxxxxx
€|1067,-xxxxx
€|38,-xxxxx |
| Gemiddelderno-claimteruggavexxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
–€|75,-xxxxx |
| Totaal gemiddelde
nominale betaling |
€|1030,-xxxxx |
| x |
| Door werkgever te
vergoeden inkomensafhankelijke bijdragen van verzekeringsplichtigen |
5,96%xxxxx |
1. De premies en de
gemiddelde no-claimteruggave zijn inclusief de overheveling van de gehele
extramurale ggz en het
eerste jaar van de intramurale ggz.
Lastenbeeld
De invoering van de
Zorgverzekeringswet betekent een lastenverzwaring voor gezinnen van €|4,3
mld en een kleine lastenverlichting voor "echte" werkgevers (€|0,1
mld).
De lastenverzwaring is een gevolg van de overheveling van delen van de ggz (€|1,8
mld), de terugtrekking van een deel van de rijksbijdrage (€|1,5
mld) en het lastendekkend maken van het zorgstelsel (€|0,8
mld).
Ter compensatie van de
lastenverzwaring voor gezinnen als gevolg van de stelselherziening worden
vooralsnog de volgende compensatiemaatregelen voorgesteld:
• Zorgtoeslag
De invoering van de
nominale premie voor verzekerden wordt gecompenseerd door de gelijktijdige
invoering van een zorgtoeslag. De zorgtoeslag relateert de standaardpremie aan de draagkracht van mensen. Waar in het nieuwe
stelsel met de nominale premie de kosten van de gezondheidszorg zichtbaar
worden gemaakt, maakt de zorgtoeslag de solidariteit tussen
inkomens zichtbaar. Zo ontstaat een systeem met enerzijds een grotere rol
voor de eigen verantwoordelijkheid, maar tegelijkertijd ook een
zichtbare waarborg voor toegankelijkheid en solidariteit.
De zorgtoeslag is gelijk
aan het verschil tussen de standaard verschuldigde premie en de normpremie.
De normpremie voor een meerpersoonshuishouden bedraagt 6,5% van het
belastbare wettelijk minimumloon inclusief
vakantietoeslag en 4% van het meerinkomen. Voor alleenstaanden en
alleenstaande ouders wordt gerekend met 4% van het belastbare
wettelijk minimumloon inclusief vakantietoeslag en 4% van het meerinkomen.
Het relevante inkomensbegrip voor de berekeningen van het meerinkomen is,
evenals bij de bestaande kinderkortingen, het gezamenlijke
verzamelinkomen.
• Ggz-schuif
De gehele extramurale ggz
en het eerste jaar van de intramurale ggz wordt van de AWBZ
overgeheveld naar de
Zorgverzekeringswet. De overheveling leidt tot €|1,8 mld minder lasten in de AWBZ en als gevolg daarvan kan de
procentuele premie dalen.
• Fiscaal pakket
Dit pakket bestaat uit
een mix van aanpassingen van de tarieven eerste en tweede schijf, de
kinderkortingen, de combinatiekorting en de ouderenkorting. De
definitieve vormgeving van het compensatiepakket zal zomer 2005 worden
bezien op basis van het dan voorliggende koopkrachtbeeld voor
2006.
rblz.|66|
Tabel 5.
Compensatiemaatregelen 2006 (indicatief, budget €|0,9 mld per jaar):
| |
xxxxBudgetxxxx |
| Premies zorg
ten opzichte van oude
systeem |
4,1xxxxx |
| waarvan gezinnen |
4,2xxxxx |
| waarvan werkgevers |
–0,1xxxxx |
| Overheveling delen ggz |
–1,8xxxxx |
| Subtotaal
lastenverzwaring |
2,2xxxxx |
| x |
| Zorgtoeslag |
–2,1xxxxx |
| Fiscaal pakket |
–0,9xxxxx |
| Compensatie
ambtenaren/studenten |
–0,2xxxxx |
| Algemene
lastenverlichting werkgevers |
0,1xxxxx |
| x |
| Subtotaal
lastenverlichting |
–3,1xxxxx |
| x |
| Saldo |
–0,9xxxxx |
| waarvan gezinnen |
–0,9xxxxx |
| waarvan bedrijven |
0xxxxx |
Inkomenseffecten
De invoering van de
stelselherziening leidt als gevolg van de overgang van een heterogene
premiestructuur naar een homogene premiestructuur tot inkomenseffecten. De
instrumenten die ter compensatie ingezet kunnen worden, hebben een
globaler karakter. Gevolg is dat er na compensatie plussen en minnen in de
inkomenseffecten zitten.
Zoals hiervoor al aan de
orde kwam, zijn de in dit hoofdstuk gepresenteerde cijfers voorlopig van
aard. In de zomer van 2005 zal het kabinet zich over het integrale
inkomensbeeld voor 2006 buigen. Daarbij kijkt het kabinet niet alleen naar
de effecten van de invoering van de
Zorgverzekeringswet en de Wet op de zorgtoeslag, maar bijvoorbeeld ook naar de
verwachte loon- en
prijsontwikkeling. Mocht het resulterende integrale inkomensbeeld daar
aanleiding toe geven, dan zal het kabinet met het oog op evenwichtige inkomensverhoudingen aanvullende maatregelen
treffen.
Bij het analyseren van de
gevolgen van de invoering van de
Zorgverzekeringswet is ook gekeken naar de
effecten van bijzondere groepen. Binnen deze groepen bestaan
grote verschillen in effecten. Er is een bedrag van 0,2 mld gereserveerd voor
de compensatie van inkomenseffecten bij ambtenaren en studenten.
Voor chronisch zieken en
personen met een handicap die vóór de invoering van de
Zorgverzekeringswet ziekenfondsverzekerd waren, zullen (vrijwel) geen specifieke
effecten optreden. Zij betalen en betaalden als ziekenfondsverzekerde
dezelfde nominale premie en dezelfde inkomensafhankelijke premie als gezonde
burgers betalen. Daarnaast zullen zij dezelfde zorgtoeslag
ontvangen. Ook bij de no-claimteruggaveregeling treden er bij
ziekenfondsverzekerden in 2006 geen wijzigingen op. Deze regeling heeft in 2006
voor ziekenfondsverzekerden dezelfde vormgeving als in 2005, zodat
daarvan geen effecten uitgaan. Daarom is deze categorie niet apart in
onderstaande tabel opgenomen.
Voor chronisch zieken en
personen met een handicap die voorheen een particuliere verzekering
hadden, zijn er wel verschillen. Deze groep kan nu vrijwel niet van
verzekeraar wisselen, omdat particuliere verzekeraars hen niet hoeven te
accepteren. Hun polissen zullen daardoor in een deel van de gevallen duurder zijn
dan de gemiddelde particuliere polis. Daarnaast is een deel van deze
personen, ook onder de 65 jaar, aangewezen op een standaardpakketpolis, die
een hogere dan gemiddelde premie kent. In 2006 krijgen deze personen een polis in het
kader van de Zorgverzekeringswet
waarvan de premie
hetzelfde is als een vergelijkbare polis voor rblz.|67|
gezonde mensen. Hierdoor
zullen de inkomenseffecten voor (een deel van) deze personen naar
verwachting positiever zijn dan de effecten voor mensen in vergelijkbare
sociaal-economische omstandigheden en een vergelijkbaar inkomen.
In de
standaardinkomenseffecten wordt geen rekening gehouden met de buitengewone uitgaven
(BU)
en tegemoetkoming buitengewone uitgaven (TBU). In tabel 6 zijn de
inkomenseffecten inclusief compensatiepakket weergegeven exclusief de
BU en TBU en tussen haakjes de inkomenseffecten inclusief de BU en TBU.
Het budgettaire beslag van de BU zal met enkele tientallen
miljoenen euro's toenemen.
Tabel 6. Inkomenseffecten
stelselherziening 2006 na compensatie (percentage per jaar) volgens huidige inzichten
(indicatief):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
Standaardeffecten,
inclusief BU en TBU |
Standaardeffecten |
| Actieven: |
| Alleenverdiener
met kinderen: |
| minimumloon |
–0,40% |
(–0,80%) |
|
modaal
|
–0,20% |
(–0,20%) |
| 2x modaal |
x3,00% |
x(3,00%) |
|
Tweeverdiener met
kinderen:
|
| modaal +
1⁄2 modaal met kinderen |
–0,30% |
(–0,30%) |
| 2x modaal
+ 1⁄2 modaal met
kinderen |
x2,00% |
x(2,00%) |
| modaal +
modaal zonder kinderen |
x0,30% |
x(0,30%) |
| 2x modaal
+ modaal zonder kinderen |
–0,50% |
(–0,50%) |
|
Alleenstaande:
|
| minimumloon |
x0,40% |
x(0,40%) |
| modaal |
x0,30% |
x(0,30%) |
| 2x modaal |
–1,00% |
(–1,00%) |
|
Alleenstaande ouder:
|
| minimumloon |
–1,00% |
(–1,00%) |
| modaal |
x2,20% |
x(2,20%) |
| Inactieven: |
|
Sociale minima:
|
| paar met
kinderen |
x1,20% |
x(0,90%) |
| alleenstaande |
–0,80% |
(–0,80%) |
| alleenstaande ouder |
x1,30% |
x(1,30%) |
|
AOW (alleenstaand):
|
| sociaal minimum |
x0,90% |
x(0,80%) |
| AOW + 5000 |
x1,10% |
x(1,00%) |
| AOW + 10 000 |
x0,50% |
x(0,10%) |
|
AOW (paar zonder
kinderen):
|
| sociaal minimum |
–0,80% |
(–1,00%) |
| AOW + 5000 |
–0,10% |
(–0,20%) |
| AOW + 10 000 |
x6,50% |
x(8,00%) |
f. Financiële reserves
De overgang naar een
nieuw verzekeringsstelsel heeft verschillende consequenties op het vlak
van de financiële reserves van ziekenfondsen, particuliere en
publiekrechtelijke verzekeraars en toekomstige zorgverzekeraars. Hierbij onderscheiden
zich de vragen:
• welk reserveniveau
dienen de toekomstige zorgverzekeraars aan te houden opdat deze in overeenstemming zijn met de voorschriften van
de Europese
schaderichtlijnen; en
• kunnen de huidige
ziekenfondsen hun opgebouwde reserves behouden zonder dat daarbij een
situatie ontstaat van ontoelaatbare staatssteun?
rblz.|68|
De regering is ervan
uitgegaan dat de zorgverzekeraars bij de uitvoering van de
Zorgverzekeringswet een adequate reserve dienen aan te houden die niet op hetzelfde
niveau hoeft te liggen als die welke een particuliere ziektekostenverzekeraar
thans moet aanhouden. De Europese schaderichtlijnen bieden hiertoe mogelijkheden.
De eerste mogelijkheid
betreft een verlaging van de solvabiliteitsmarge tot een derde als de
zorgverzekering wordt beheerd als een levensverzekering. Belangrijke voorwaarde
hierbij is dat leeftijdsrisico’s voldoende zijn afgedekt, zodat er geen
vergrijzingsreserve hoeft te worden aangehouden. De regering gaat in de Zorgverzekeringswet uit van een
ex-anterisicovereveningssysteem. Dit systeem corrigeert
voor leeftijd en geslacht. Uit de nominale premie die
zorgverzekeraars vragen, hoeft dan geen voorziening voor vergrijzingseffecten
te worden gecreëerd.
Ook speelt het volgende.
In de huidige Zfw is sprake van een systeemkenmerk dat
ertoe leidt dat het
financiële risico waaraan ziekenfondsen zijn blootgesteld, wordt
beperkt. Ziekenfondsen lopen immers alleen risico over die uitgaven
waarop zij invloed kunnen uitoefenen met de instrumenten waarover zij
beschikken. Ziekenfondsen kunnen de hoogte van sommige uitgaven niet
door onderhandelingen in betekenende mate beïnvloeden. Het betreft
in het bijzonder de uitgaven voor de in de ziekenhuistarieven
opgenomen vergoeding van de zogenaamde vaste kosten van de
ziekenhuizen. Die kosten komen immers tot stand als gevolg van door de
overheid genomen beslissingen inzake de planning en bouw van ziekenhuisvoorzieningen. Het vereveningssysteem dat bij de
budgettering van de
ziekenfondsen wordt toegepast, voorziet in verband hiermee in nacalculatie
op de uitgaven van de ziekenfondsen die verband houden met dergelijke
niet-beïnvloedbare kosten. Deze nacalculatie heeft als effect dat de
ziekenfondsen niet over hun totale uitgaven risico lopen, maar slechts over het als
beïnvloedbaar aangemerkte deel daarvan. Ook onder de
Zorgverzekeringswet zullen niet alle uitgaven van de zorgverzekeraars door henzelf
beïnvloedbaar zijn. De overheid zal nog altijd regels stellen met
betrekking tot de capaciteit van en de investeringen in bepaalde typen
(bijzondere) zorgvoorzieningen en het gebruik dat zorgverzekeraars van die
voorzieningen
moeten maken (contracteerplicht). Voor zover en naar de
mate waarin dat het geval is, zullen zorgverzekeraars geen financiële risico’s
lopen over de voor hen daaruit voortvloeiende uitgaven. Het onder de
Zfw geldende systeem van nacalculatie zal ook worden toegepast
in het vereveningssysteem onder de Zorgverzekeringswet. Ook onder die wet zal dus
sprake zijn van een financieel risico over minder dan de volledige schade van een zorgverzekeraar. Naar
de mening van de regering
dient de aan de zorgverzekeraars op te leggen minimumsolvabiliteitseis
hiermee rekening te houden. Met de PVK wordt daarom overleg gevoerd om
aan het bestaan van het verschijnsel nacalculatie in het vereveningssysteem
consequenties te verbinden vergelijkbaar met wat zou worden gedaan
in het geval van beperking van het financiële risico indien sprake was
van herverzekering. Uiteraard is hiervoor vereist dat de nacalculatie juridisch voldoende is verankerd. Dit zal in een algemene
maatregel van bestuur
worden uitgewerkt.
Het door de
zorgverzekeraars gedragen risico afwegende is de regering tot het oordeel gekomen
dat het aanhouden van een reserve en voorziening tot aan het totale niveau
dat thans voorgeschreven is in de ziekenfondsverzekering voldoende moet worden
geacht om bij de overgang te voldoen aan de regels die hieromtrent in Europees verband zijn gesteld.
Deze lijn vloeit voort
uit het overleg dat tot dusverre met de PVK is gevoerd.¹
1. PVK, brief van 17
juni 2004.
In 1991 is in het kader
van de destijds voorgenomen invoering van een basisverzekering
verplichte reservevorming voor ziekenfondsen ingevoerd. Bij die introductie van
een wettelijk voorgeschreven reserve (de minimaal vereiste
solvabiliteitsmarge) speelden twee overwegingen een rblz.|69|
rol. In de eerste plaats
moesten ziekenfondsen gaan beschikken over reserves, omdat zij
financiële risico’s zouden gaan lopen bij het uitvoeren van de Zfw. In de tweede
plaats moesten ziekenfondsen met het oog op de invoering van een
basisverzekering in een met particuliere ziektekostenverzekeraars vergelijkbare
financiële
uitgangspositie worden gebracht (creëren van een "level
playing field"). Destijds bestond immers het voornemen om ziekenfondsen,
particuliere ziektekostenverzekeraars en uitvoerders van publiekrechtelijke ziektekostenregelingen voor ambtenaren
in staat te stellen om de
beoogde basisverzekering in onderlinge concurrentie te gaan
uitvoeren. De basisverzekering is er uiteindelijk niet gekomen, maar de
verzekering die de regering met dit wetsvoorstel beoogt tot stand te
brengen, schept opnieuw de noodzaak van het creëren van vergelijkbare
financiële uitgangsposities tussen de verschillende soorten verzekeraars die
de in dit wetsvoorstel geregelde zorgverzekering gaan uitvoeren. In dat
kader is de regering van mening dat ziekenfondsen die besluiten tot
uitvoering van de
Zorgverzekeringswet de inmiddels opgebouwde wettelijke
reserve moeten kunnen inbrengen bij de start van de uitvoering van de Zorgverzekeringswet. Hiermee wordt naar de opvatting
van de regering het
beoogde "level playing
field" voor de huidige ziekenfondsen ten
opzichte van de huidige particuliere ziektekostenverzekeraars bewerkstelligd. De
regering gaat ervan uit dat bij het inbrengen van bestaande wettelijke
reserves er geen sprake is van ontoelaatbare staatssteun. Overeenkomstig de
hiervoor geldende procedures zal dit punt overigens worden gemeld
bij de Europese Commissie.
De regering verbindt
overigens wel een belangrijke voorwaarde aan de mogelijkheid om de
bestaande wettelijke reserves in te brengen bij de start van de uitvoering
van de privaatrechtelijke zorgverzekering. Die voorwaarde houdt in dat
het inbrengen van bestaande wettelijke reserves alleen kan zolang de
betreffende ziekenfondsen ervoor kiezen de Zorgverzekeringswet zonder winstoogmerk uit
te voeren. Indien bij de start van de zorgverzekering of
binnen tien jaar daarna alsnog wordt gekozen voor uitvoering van de zorgverzekering met winstoogmerk, dan wel het
bedrijf wordt beëindigd,
moeten de oude wettelijke reserves worden afgerekend. Zou dit niet
worden bepaald, dan zouden in de publieke sfeer opgebouwde reserves op het moment van inwerkingtreding van de Zorgverzekeringswet
worden omgezet in private
middelen, zonder dat op enigerlei wijze zou zijn
gegarandeerd dat de betreffende middelen bestemd zouden blijven
voor de doeleinden waarvoor ze in het kader van de publiekrechtelijke
ziekenfondsverzekering waren opgebouwd.
XI. De administratieve
lasten
De
Zorgverzekeringswet vervangt een drietal wetten: de Zfw, de Wtz 1998 en de Wet
MOOZ. Van deze
drie wetten en van de daaraan gekoppelde uitvoeringsregelingen
vervallen de administratieve lasten. De Wet MOOZ valt onder de
verantwoordelijkheid van de Minister van Financiën
en wordt hier niet verder
genoemd. De Zorgverzekeringswet en de hierop geënte
uitvoeringsregelingen veroorzaken echter "nieuwe" administratieve lasten. Daarnaast is er
in het transitieproces sprake van een omzettingsinspanning die gepaard gaat met
incidentele administratieve lasten. Op 17 mei 2004 heeft het
Adviescollege toetsing administratieve lasten zijn advies uitgebracht
over de Zorgverzekeringswet wat betreft de administratieve lastendruk.
Bedrijfsleven
In het kader van de
administratieve lasten vinden er in de
Zorgverzekeringswet twee belangrijke
verschuivingen plaats. Ten eerste treedt een verschuiving op van
directe regulering van het zorgaanbod door de centrale overheid naar
regulering van markten waarop verzekerden/zorgvragers,
zorgverzekeraars en aanbieders van zorg elkaar ontmoeten.
rblz.|70|
Ten
tweede vindt er een
verschuiving plaats van sturing van het administratieve proces en daarop gerichte
informatie naar verantwoording over behaalde resultaten. Door
deze verschuivingen verminderen de informatieverplichtingen die de overheid oplegt
aan het bedrijfsleven en daardoor dus de administratieve lasten. Vooral op de onderdelen toezicht/verantwoording
en
verzekerdenadministratie vinden besparingen plaats. Een aantal van de besparingen
heeft geen relatie met de
Zorgverzekeringswet, maar met andere reeds bij
de Tweede Kamer ingediende wetsvoorstellen, zoals de Wet
toelating zorginstellingen en de Wet herziening
overeenkomstenstelsel zorg.
Het Adviescollege
toetsing administratieve lasten constateert dat een aantal recente
wetsvoorstellen die gevolgen hebben voor de administratieve lasten niet bij de
kwantificering betrokken is. Er is volgens het College geen rekening
gehouden met de toename van het aantal verzekerden in de
Zorgverzekeringswet.
Besparingen op de
administratieve lasten die door andere wetten ontstaan, zijn niet aan
de Zorgverzekeringswet toegerekend. Als dat wel zou zijn gedaan, zou dat
leiden tot een dubbeltelling. Verder is bij de kwantificering van de administratieve
lasten in het kader van de Zorgverzekeringswet, anders dan het College
verondersteld, wel rekening gehouden met een groter aantal
verzekerden en verzekeraars dan er waren in de Zfw
en de Wtz 1998.
Door het schrappen van
een wettelijke verplichting kunnen, conform de definitie, de
administratieve lasten voor het bedrijfsleven weliswaar verminderen, terwijl dit
niet hoeft te betekenen dat zorgverzekeraars geen administratieve
handelingen hoeven te verrichten. Een verzekeraar zal immers zijn
verzekerdenadministratie op orde willen hebben om goed te functioneren. Ook al
verplicht de regering een zorgverzekeraar op grond van de
Zorgverzekeringswet bijvoorbeeld niet meer een financieel jaarverslag op te stellen, de
verzekeraar zal deze handeling voor andere doeleinden moeten blijven uitvoeren
en zijn administratie daarop blijven inrichten. Het
Adviescollege toetsing administratieve lasten heeft in zijn advies opgemerkt dat op
dit punt afgeweken wordt van de kabinetsdefinitie. De handelingen worden
bewust en consequent als "gemengde functie" weergegeven.
Wanneer wel was uitgegaan van de kabinetsdefinitie voor administratieve
lasten, zou een aanzienlijk grotere, maar naar de mening van de
regering, niet-reële besparing worden ingeboekt. Ook het omgekeerde kan
zich voordoen. Bij de risicoverevening onder de Zfw wordt de benodigde
informatie door de ziekenfondsen op vrijwillige basis geleverd. In de
Zorgverzekeringswet wordt de informatieverstrekking wettelijk voorgeschreven.
Dit betekent dus voor de ziekenfondsen geen toename van de
lasten.
Om zicht te krijgen op de
wijziging van de administratieve lasten, die samenhangt met het
vervallen van de Zfw en de Wtz 1998 en de invoering van de
Zorgverzekeringswet, zijn de administratieve lasten in de huidige situatie geclusterd en
vervolgens per cluster vergeleken met die van de Zorgverzekeringswet. In
totaal betekent dit een verlaging met €|28 mln. Door het overhevelen van
een deel van de onder de AWBZ
vallende zorg nemen de administratieve
lasten echter met €|17 mln toe. Per saldo resteert een daling met €|11 mln per jaar.
De incidentele lasten die
samenhangen met de Invoerings- en aanpassingswet Zvw zullen in die wet worden
weergegeven.
Het is op dit moment nog
niet duidelijk welk bedrag aan administratieve lasten rechtstreeks
voortvloeit uit de
Zorgverzekeringswet en welk deel voorvloeit uit lagere
regelgeving. Dit wordt pas duidelijk bij de invulling van de nadere
regelgeving. Het Adviescollege toetsing administratieve lasten heeft hierover in
zijn advies opgemerkt dat het van belang is om inzicht te hebben in de
gevolgen voor de administratieve lasten. Dit inzicht rblz.|71|
kan verkregen worden door
te werken met scenario’s. De Zorgverzekeringswet geeft de structuur aan
wat betreft maatregelen die administratieve lasten veroorzaken. In
lagere regelgeving worden deze maatregelen nader ingevuld. Door deze
nadere invulling komen de administratieve lasten nader in beeld. Hoe de
verdeling van administratieve lasten tussen wet, algemene maatregel van
bestuur, ministeriële regeling en beleidsregels er exact uit komt te zien,
zal bij die nadere regelgeving worden aangegeven. Bij de invulling hiervan
wordt de raming van de administratieve lasten aan het Adviescollege
toetsing administratieve lasten voorgelegd.
Onderstaande tekst geeft
een toelichting op de gehanteerde clusters. Per cluster is beschreven wat
de oorzaak is van de toe- of afname van de administratieve lasten.
Verzekeraarsadministratie
In de
Zfw is de
verzekeraarsadministratie wettelijk voorgeschreven. In die wet zijn bepalingen
opgenomen over de inrichting van de administratie in het kader van het
toezicht en verantwoording op de doelmatigheid en de rechtmatigheid van de
uitvoering van de wet. In de
Zorgverzekeringswet wordt voor de
verantwoording slechts rechtmatigheidsinformatie verlangd van de
zorgverzekeraars. Hoe de administratie wordt ingericht, wordt overgelaten aan de
zorgverzekeraars en is ingevolge de Zorgverzekeringswet niet meer wettelijk
voorgeschreven.
Met de invoering van de
Zorgverzekeringswet verdwijnt het onderscheid tussen
ziekenfondsverzekerden en particulier verzekerden. In de gemeten administratieve lasten
kwamen slechts de lasten voortvloeiende uit de Zfw
en de Wtz 1998 tot
uitdrukking. Onder de Zorgverzekeringswet zijn onder meer alle
ingezetenen van Nederland verzekeringsplichtig. Hierdoor gelden de administratieve
verplichtingen voortvloeiende uit de Zorgverzekeringswet voor meer mensen en nemen
de administratieve lasten voor het bedrijfsleven
toe.
De besparing van de
administratieve lasten vanwege geautomatiseerde gegevensverwerking, te
denken valt aan de declaratiecasus en het traject voor intersectorale
gegevensuitwisseling via het netwerk van het Routeringsinstituut (Inter)nationale
Informatiestromen (RINIS-traject), levert wel een feitelijke daling
van de kosten op, maar deze wordt niet aan de Zorgverzekeringswet
toegerekend.
Verevening
In de
Zorgverzekeringswet hebben de zorgverzekeraars een acceptatieplicht ten aanzien van
verzekeringsplichtigen. Dit kan ertoe leiden dat zij een groot aantal mensen
met een slecht verzekeringsrisico in hun verzekeringsportefeuille krijgen. Omdat hieruit
financieel nadeel voortvloeit voor de zorgverzekeraar, is
een goed systeem van risicoverevening noodzakelijk.
In de Zfw is het
verstrekken van de informatie die nodig is voor de uitvoering van de risicoverevening
verplicht. Om voor de vereveningsbijdrage in aanmerking te komen,
moeten ziekenfondsen opgave doen van de aantallen verzekerden, de kenmerken
die ze hebben en de kosten die ze declareren. Om de tijdigheid van
aanlevering en de betrouwbaarheid en kwaliteit van de gegevens te
waarborgen, is in de Zorgverzekeringswet de wijze van risicoverevening
wettelijk vastgelegd.
De benodigde informatie
voor de verevening in de Zorgverzekeringswet is dezelfde als die onder de
Zfw, maar zoals eerder aangegeven, betreft de verzekerdenpopulatie de
gehele Nederlandse bevolking. Dit betekent derhalve een beperkte
stijging van de administratieve lasten.
Toezicht en
verantwoording
In de
Zfw is
voorgeschreven hoe de administratie van een ziekenfonds rblz.|72|
ingericht dient te worden
om zodoende toezicht op de doelmatigheid en de rechtmatigheid van de
uitvoering van de wet te houden. In de Zfw vindt al een vermindering
van administratieve lasten plaats door het stellen van voorschriften
over de te hanteren procedures en het toezien op het hebben en toepassen
van procedures. Niet de administratie zelf wordt gecontroleerd, maar het
administratieve proces (single audit). In de
Zorgverzekeringswet staan regels
over de
verantwoording van de resultaten. Het wettelijk verplicht
voorschrijven van het administratieve proces is daarom niet meer nodig.
Er vindt een verschuiving plaats van toezicht naar verantwoording; van input naar output. Voor de toekomst wordt
gestreefd naar een
verdere besparing op de administratieve lasten door het volstaan met de
verantwoording via de jaarrekening.
In de private setting van
de Zorgverzekeringswet vindt geen verantwoording meer plaats over de doelmatigheid van het handelen, maar alleen
over het rechtmatig
uitvoeren van de wet.
Er vindt een besparing
van de administratieve lasten plaats vanwege geautomatiseerde gegevensuitwisseling.
Dit cluster valt onder de
zogenaamde "gemengde functie".
Transparantie
In de
Zorgverzekeringswet krijgt de verzekerde de mogelijkheid geboden om zelf bepaalde keuzes
te maken. Hij kan zijn keuze voor een zorgverzekeraar laten bepalen door de
verschillende modelovereenkomsten die de zorgverzekeraar biedt:
natura of restitutie of een mengvorm daarvan, en daarbij behorende premie,
alsmede een eigen risico. Om een heldere afweging te kunnen maken,
verplicht de Zorgverzekeringswet de zorgverzekeraars om de varianten van de
zorgverzekering die zij aanbieden vast te leggen in
openbaar te maken modelovereenkomsten. Deze verplichting maakt het de
verzekeringsplichtige makkelijker om te kiezen voor een zorgverzekeraar
en voor één van de geboden modelovereenkomsten als ze de overstap naar
een andere zorgverzekeraar overwegen. Verder moeten de
zorgverzekeraars aan de Zorgautoriteit gegevens aanleveren voor een
vergelijkend overzicht met de kerngegevens die voor de verzekeringsplichtigen
van belang zijn bij het bepalen van een keuze voor een zorgverzekeraar.
In de Zorgverzekeringswet wordt erop toegezien dat de zorgverzekeraar de
betreffende informatie voldoende verschaft. In de Zfw
keek
de toezichthouder bij het oordelen over het functioneren van het
ziekenfonds daar ook naar.
Rechtsbescherming van de
verzekerde
In de
Zorgverzekeringswet gaat het niet langer om een publiekrechtelijke verzekering, zoals in de
Zfw, maar om een privaatrechtelijke. Daarom is de
Algemene wet
bestuursrecht met de regels van bezwaar en beroep zoals die gelden bij geschillen
tussen een ziekenfondsverzekerde en het ziekenfonds niet langer van toepassing. Op geschillen tussen een verzekerde en
de zorgverzekeraar zijn
de normale regels van civiel recht van toepassing. In de Zorgverzekeringswet
wordt zorgverzekeraars de verplichting opgelegd om aangesloten te zijn
bij een onafhankelijke geschillencommissie, die de klachten van de
verzekerden over de uitvoering van de Zorgverzekeringswet in behandeling neemt.
Evaluatie
De
Zorgverzekeringswet bevat een evaluatiebepaling waarbij de minister
binnen vijf jaar na
inwerkingtreding van de wet een verslag zendt aan de Staten-Generaal over de
doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Op advies
van het Adviescollege toetsing administratieve lasten wordt het aspect
van de administratieve lasten uitdrukkelijk meegenomen in de evaluatie.
rblz.|73|
XII. Overgangssituatie
De rechtsgevolgen die
voortvloeien uit de invoering van de
Zorgverzekeringswet, de daarmee samenhangende
intrekking van de Zfw, de Wtz 1998 en de Wet
MOOZ, alsmede
de noodzakelijke overgangsregelingen, worden geregeld in een
afzonderlijke Invoerings- en aanpassingswet Zvw.
XIII. Inwerkingtreding en
voorlichting
De regering streeft
ernaar de
Zorgverzekeringswet in werking te doen treden met ingang van 1
januari 2006. Ter voorbereiding hiervan zal een uitgebreide
voorlichtingscampagne in gang worden gezet waarbij de vertegenwoordigende
organisaties van de huidige ziekenfondsen, particuliere ziektekostenverzekeraars
en publiekrechtelijke ziektekostenregelingen voor ambtenaren intensief
zullen worden betrokken. Daarbij zal tevens een belangrijke rol
worden toebedeeld aan vertegenwoordigende organisaties van consumenten en
patiënten. Ruim vóór de inwerkingtreding van de Zorgverzekeringswet
zullen verzekeraars hun verzekerden aanschrijven met de mededeling dat er
een nieuw verzekeringsstelsel komt, hetgeen ertoe leidt dat hun bestaande verzekering komt te vervallen. Indien de
verzekeraar of zijn
rechtsopvolger aan de uitvoering van de Zorgverzekeringswet gaat deelnemen, bericht
hij zijn verzekerde welke polissen hij in het kader van de Zorgverzekeringswet voert en welke daarvan het meest
overeenkomt met de
verzekering die de betrokken verzekerde op dat moment heeft. De
verzekerde kan worden voorgelegd dat, bij het uitblijven van een andersluidende
reactie, voor hem de meest met zijn bestaande verzekering
overeenkomende zorgverzekeringspolis zal gelden. Indien een verzekeraar niet
voornemens is de Zorgverzekeringswet te gaan uitvoeren, zal hij zijn
verzekerden hiervan op de hoogte stellen en hen verwijzen naar andere verzekeringsmogelijkheden. Aldus kan worden
voorkomen dat bij de
inwerkingtreding van de Zorgverzekeringswet veel mensen min of meer
onbewust onverzekerd zouden raken.
rblz.|74|
Artikelsgewijze toelichting
Vooraf
Bij het schrijven van
voorliggend wetsvoorstel is ervan uitgegaan dat de volgende wetsvoorstellen
in werking zijn getreden voordat deze wet (verder afgekort als: Zvw) in werking treedt:
a. het wetsvoorstel tot vereenvoudiging van het stelsel van overheidsbemoeienis met het aanbod van
zorginstellingen (Wet
toelating zorginstellingen; Kamerstukken II, 27 659, nrs. 1-3 e.v.);
b. het wetsvoorstel tot vaststelling van titel 7.17 (verzekering) en titel 7.18 (lijfrente) van het
nieuwe Burgerlijk
Wetboek (Kamerstukken I 2002-2003, 19 529, nr. 206) alsmede
de nog bij de Tweede Kamer in te dienen wet waarmee de
inwerkingtreding van die wet zal worden geregeld;
c. het wetsvoorstel tot wijziging van de Coördinatiewet Sociale Verzekering en andere
wetten in
verband met een administratieve lastenverlichting inzake de vaststelling
van het premieloon en het uitkeringsloon (Wet administratieve lastenverlichting
en vereenvoudiging in socialezekerheidswetten, Stb. 2004, 311; ook wel
Walvis
genoemd), alsmede het
wetsvoorstel tot wijziging van de Wet
op de loonbelasting 1964 in het kader van administratieve lastenverlichting
en vereenvoudiging in
socialeverzekeringswetten (Aansluitingswet Walvis; Stb. 2004, 312),
wat betreft het loonbegrip voor de zogenoemde "collecterende
functie";
d. het wetsvoorstel Wet
financiering sociale verzekeringen (Wfsv; Kamerstukken I 2003-2004,
29 529, A), alsmede de bijbehorende Invoeringswet Wet
financiering sociale verzekeringen (Invoeringswet Wfsv; Kamerstukken I
2003-2004, 29 531, A).
Het onder b genoemde
wetsvoorstel kent nog geen doorlopende artikelnummering. Nadat de doorlopende
nummering in die wetsvoorstellen is opgenomen, zullen de
verwijzingen in voorliggend wetsvoorstel worden aangepast.
Het wetsvoorstel
Bepalingen in verband met de fusie van De Nederlandsche Bank NV en de Stichting
Pensioen- & Verzekeringskamer (Kamerstukken II 2003-2004, 29 411,
nrs. 1-3), dat op 30 januari 2004 bij de Tweede Kamer is gediend,
regelt de fusie van de PVK en De Nederlandsche Bank (DNB). De gekozen constructie
is dat de PVK zo spoedig mogelijk
opgaat in de DNB, zonder
echter in de diverse wetten verwijzingen naar de PVK te wijzigen
in verwijzingen naar DNB. Dit laatste zal pas geschieden met het wetsvoorstel
Wet op het financieel
toezicht (Kamerstukken
II 2003-2004, 29 708) [verder: wetsvoorstel Wft, red.] en
met de herziening van de Pensioen-
en spaarfondsenwet. Hierbij
aansluitend is besloten ook in dit wetsvoorstel nog te spreken van de
PVK.
Het wetsvoorstel Wet op het financieel
toezicht zal vijf delen tellen (algemeen deel,
prudentieel toezicht, gedragstoezicht, toezicht infrastructuur en
aanpassings-, overgangs- en slotbepalingen) en zal naar verwachting op 1 juli
2005 de inhoud
van het toezicht op de financiële markten, waaronder de verzekeringsmarkt, wijzigen. De
Wtv
1993 zal tegelijkertijd
worden ingetrokken. Bij
het schrijven van voorliggend wetsvoorstel was de tekst van dit
wetsvoorstel nog niet beschikbaar. Via de invoeringswetgeving, behorende bij dit
wetsvoorstel, bij het wetsvoorstel Wet op het financieel toezicht, of
via de Wet op de Zorgautoriteit zullen verwijzingen in voorliggend
wetsvoorstel naar de Wtv 1993 en de PVK worden vervangen door verwijzingen naar de
Wet op het financieel toezicht en DNB. Voorts zullen via deze invoeringswetgeving of via de Wet op de Zorgautoriteit
waar nodig de
toezichtsbepalingen van voorliggend wetsvoorstel op het in de Wet op het
financieel toezicht geregeld toezicht worden afgestemd.
rblz.|75|
Hoofdstuk 1. Algemene
bepaling
Artikel 1
(begripsbepaling)
Onderdeel a. Verzekeraar
Deze wet draagt
verzekeringsplichtigen (zie onderdeel e) op zich privaatrechtelijk tegen het risico van
behoefte aan zorg te (laten) verzekeren bij een zorgverzekeraar. Een
zorgverzekeraar is allereerst een verzekeraar. Een verzekeraar is een
verzekeringsonderneming als bedoeld in de eerste richtlijn schadeverzekering (zie onderdeel
p). Zo’n verzekeringsonderneming
mag op de Europese markt
slechts schadeverzekeringen aanbieden indien zij een vergunning
heeft tot het uitoefenen van het schadeverzekeringsbedrijf. Het uitoefenen van het
schadeverzekeringbedrijf wordt in artikel 1, onderdeel c, van de
Wtv
1993, met welke wet de drie richtlijnen
schadeverzekeringen zijn
geïmplementeerd, gedefinieerd als: "het als bedrijf sluiten van
overeenkomsten van schadeverzekering voor eigen rekening, met inbegrip van het afwikkelen van de in dat bedrijf gesloten
overeenkomsten van
schadeverzekering, ook al wordt daarmee niet beoogd het maken van winst". Vergunningen tot uitoefening van het schadeverzekeringsbedrijf worden per branche verleend (zie voor de
branches de bijlage bij
de eerste richtlijn schadeverzekering of artikel 15 van Wtv
1993).
Onderdeel b. Zorgverzekeraar
Een verzekeraar wordt
zorgverzekeraar zodra hij aspirant-verzekeringnemers aanbiedt met hem een
zorgverzekering te sluiten. Hij blijft zorgverzekeraar zolang hij ten minste
één verzekerde op basis van een zorgverzekering verzekerd houdt - en
dus de zorgverzekering voor ten minste één verzekerde uitvoert - ook al biedt hij inmiddels geen nieuwe zorgverzekeringen meer aan.
Zoals bij onderdeel
a
aangegeven, dient een verzekeraar die bepaalde soorten
schadeverzekeringen wil aanbieden over een vergunning voor de juiste branches te
beschikken. Een rechtspersoon die zorgverzekeringen wil afsluiten, dient een
vergunning te hebben voor "branche 1. ongevallen (inclusief arbeidsongevallen en
beroepsziekten)" alsmede voor "branche
2. ziekte". Onder
branche 2 vallen namelijk geen beroepsziekten, terwijl de zorgverzekering
zorgbehoeften bij dergelijke ziekten wel dient te dekken. Dit sluit overigens niet
uit dat de vergunning van de verzekeraar daarnaast ook geldt voor het
uitoefenen van andere branches van schadeverzekering. In dat geval kan de
verzekeraar naast zorgverzekeringen ook andere
schadeverzekeringen aanbieden. In Nederland worden de vergunningen tot het uitoefenen van
het (schade)verzekeringsbedrijf verleend door de PVK (artikel 24 Wtv
1993). Ook schadeverzekeraars met zetel of bijkantoor in een andere
lidstaat van de EU kunnen echter zorgverzekeraar worden. Zij dienen dan
wel een vergunning tot uitoefening van (ten minste) "branche 1.
ongevallen (inclusief arbeidsongevallen en beroepsziekten)" en
"branche 2. ziekte" te hebben van het toezichthoudende orgaan dat in hun lidstaat de vergunningen tot uitoefening van het schadeverzekeringsbedrijf
verstrekt.
Een verzekeraar is
slechts zorgverzekeraar voor zover hij zorgverzekeringen aanbiedt of uitvoert.
Voert hij naast zorgverzekeringen ook andere verzekeringen uit, dan
wordt hij voor die werkzaamheden niet als zorgverzekeraar beschouwd.
Onderdeel c. Verzekeringnemer
De verzekeringnemer is de
persoon die met een zorgverzekeraar een zorgverzekering sluit.
Omdat zorgverzekeringen slechts kunnen worden gesloten ten behoeve van
verzekeringsplichtigen (onderdeel e), zal de rblz.|76|
verzekeringnemer slechts
verzekeringsplichtigen voor een zorgverzekering kunnen verzekeren. Vaak zal de verzekeringnemer zichzelf verzekeren.
Iemand kan echter ook op
eigen naam een andere verzekeringsplichtige persoon - bijvoorbeeld
zijn partner, kind, huisgenoot of werknemer - verzekeren. In dat geval
is de verzekeringnemer een ander dan de verzekerde.
Handelingsonbekwamen
(minderjarigen, ondercuratelegestelden) of handelingsonbevoegden
(onder bewind of mentorschap gestelde meerderjarigen als bedoeld in de titels
19 en 20 van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek (BW)) in wier
naam de wettelijke vertegenwoordiger een zorgverzekering sluit, worden zelf
verzekeringnemer (artikelen 1:253i, 337, 386, 441 BW
juncto artikelen 3:78 en
3:66, eerste lid, BW). Hetzelfde geldt indien een vertegenwoordiger op
basis van een volmacht iemand verzekert die wél handelingsbekwaam en handelingsbevoegd is
(artikel 3:66 BW). Deze situatie
verschilt derhalve van de
in de vorige alinea beschreven situatie waarin een verzekeringnemer een
derde verzekert zonder dat die derde verzekeringnemer wordt.
Onderdeel d. Zorgverzekering
Een zorgverzekering is
een overeenkomst van schadeverzekering
"De zorgverzekering is
een tussen een zorgverzekeraar en een verzekeringnemer ten behoeve van een
verzekeringsplichtige gesloten schadeverzekering, die voldoet aan hetgeen
daarover bij of krachtens deze wet is geregeld en waarvan de verzekerde prestaties het bij of krachtens deze
wet geregelde niet te
boven gaan", zo bepaalt onderdeel d. Aangezien artikel 10 van
voorliggend wetsvoorstel regelt dat het te verzekeren risico is
"de behoefte aan
zorg
van de verzekerde", is de benaming "zorgverzekering" voor de
schadeverzekeringen die op grond van de Zvw gesloten moeten
worden
toepasselijk.
Wat een schadeverzekering
is, is geregeld in artikel 7.17.2.1 BW: "Schadeverzekering is de verzekering
strekkende tot vergoeding van vermogensschade die de verzekerde zou
kunnen leiden". Het begrip verzekering is gedefinieerd in het
eerste lid van artikel 7.17.1.1 BW: "Verzekering is een overeenkomst waarbij de
ene partij, de verzekeraar, zich tegen het genot van premie jegens haar
wederpartij, de verzekeringnemer, verbindt tot het doen van één of meer
uitkeringen, en bij het sluiten der overeenkomst voor partijen geen
zekerheid bestaat, dat, wanneer of tot welk bedrag enige uitkering moet
worden gedaan, of ook hoe lang de overeengekomen premiebetaling zal
duren".
Kortom, de
zorgverzekering is een bijzondere vorm van de schadeverzekering en de schadeverzekering
is een bijzondere vorm van de verzekering, die op zich weer een
overeenkomst is. Daarmee staat tevens vast dat de zorgverzekering een
overeenkomst is.
De
Zvw gaat ervan uit dat
er per verzekeringsplichtige een zorgverzekering wordt gesloten.
Gezinspolissen passen niet goed bij het elders in deze wet bepaalde. Eén en
ander sluit natuurlijk niet uit dat een zorgverzekeraar bevoegd is onnodige
administratieve lasten te voorkomen. Heeft een vrouw voor
zichzelf, haar partner en haar twee kinderen vier keer voor een
zorgverzekering volgens eenzelfde modelovereenkomst gekozen, dan zou de
verzekeraar bijvoorbeeld kunnen volstaan met het verzenden van vier
polisbladen, met daaraan toegevoegd eenmaal de gehele zorgpolis
(inclusief de algemene voorwaarden en dergelijke).
Een overeenkomst van
schadeverzekering is geen zorgverzekering indien deze niet met of ten behoeve van een verzekeringsplichtige is gesloten
Een zorgverzekering is
geen zorgverzekering indien deze niet met of ten rblz.|77|
behoeve van een verzekeringsplichtige (zie onderdeel
e) is gesloten. De Zvw verbiedt de
zorgverzekeraar niet om andere personen te verzekeren op basis van een pakket
dat geheel gelijk is aan dat van de zorgverzekering. De definitie, in
onderdeel d, van "zorgverzekering" leidt er echter toe dat een dergelijke
privaatrechtelijke schadeverzekering dan geen zorgverzekering in de zin
van de Zvw is. Dergelijke verzekeringsovereenkomsten dienen volgens het
commune privaatrecht te worden afgewikkeld, zij doen niet mee in de
risicoverevening en er wordt dus ook geen bijdrage uit het
Zorgverzekeringsfonds voor gegeven.
Een overeenkomst van
schadeverzekering is geen zorgverzekering indien de
verzekeringsvoorwaarden niet voldoen aan hetgeen bij of krachtens deze wet geregeld
is
Een
verzekeringsovereenkomst is geen zorgverzekering indien de
verzekeringsvoorwaarden niet voldoen aan hetgeen
daarover bij of krachtens deze wet is geregeld.
Hetgeen bij of krachtens deze wet is geregeld, geeft de zorgverzekeraars
echter ruimte tot nadere invulling. Zij kunnen - binnen de grenzen bij of
krachtens de wet bepaald - meerdere varianten van de zorgverzekering
aanbieden. De Zvw
verplicht de zorgverzekeraars alle varianten in
modelovereenkomsten neer te leggen. Een aspirant-verzekeringnemer kan vervolgens de
zorgverzekeraar verzoeken een zorgverzekering volgens één van de door
de verzekeraar aangeboden modellen te sluiten. De
zorgverzekeraar legt de inhoud van de gesloten zorgverzekeringsovereenkomst
neer in de zorgpolis (zie onderdeel h). Het vereiste dat een verzekeringsovereenkomst slechts een zorgverzekering is
indien de
verkeringsvoorwaarden voldoen aan het bij of krachtens de Zvw geregelde, betekent
derhalve dat niet alleen eenmaal gesloten zorgverzekeringen aan deze bepalingen
dienen te voldoen, maar ook de modelovereenkomsten waarop deze zijn
gebaseerd, alsmede de zorgpolissen die de schriftelijke
neerslag van de individuele zorgverzekering vormen.
De eis dat een
verzekeringsovereenkomst pas een zorgverzekering is indien deze aan het
gestelde bij of krachtens de Zvw voldoet betekent
voorts dat niet alleen
de bepalingen over de te verzekeren prestaties en de premie in de
zorgverzekering (en derhalve ook in de modelovereenkomsten en de zorgpolissen)
verwerkt dienen te zijn (hoofdstuk 3), maar ook alle in
hoofdstuk 2
genoemde bepalingen die voor opname in aanmerking komen. Zo zullen de daar
genoemde gronden waarop de zorgverzekering van rechtswege eindigt of
door opzegging kan eindigen, in de overeenkomst moeten staan. Een
overeenkomst waarin dat niet gebeurt, is geen zorgverzekering, maar een
gewone schadeverzekering.
Het voorgaande brengt met
zich dat een zorgverzekeraar die verzekeringsplichtigen en -gerechtigden
verzekeringen aanbiedt die minder verzekeren dan het bij en krachtens
artikel 11 (juncto 10) geregelde Zvw-pakket, geen zorgverzekeringen
aanbiedt. Als gezegd, is zo’n verzekeringsovereenkomst geen zorgverzekering,
geldt er slechts het commune privaatrecht voor en valt zij buiten de
risicoverevening. Voor zover het gaat om een verzekering die de uit de
zorgverzekering voortvloeiende prestaties slechts aanvult, zal dit geen enkel probleem
opleveren. Anders wordt het indien de verzekeringnemer met de verzekeringsovereenkomst meende een zorgverzekering af
te sluiten. Aangezien de
gesloten verzekeringsovereenkomst de verzekerde niet ontslaat van zijn
wettelijke verplichting een zorgverzekering te hebben, dient voor hem
naast deze verzekeringsovereenkomst alsnog een zorgverzekering te worden
gesloten. De verzekeringnemer kan dan komen te staan voor dubbele
premiebetaling, terwijl hij (of de verzekerde) bij het zich voordoen van het
verzekerd risico geen dubbele prestatie krijgt (dit is in het geval van een
naturazorgverzekering fysiek niet mogelijk en volgt voor een
restitutieverzekering uit de artikelen 7.17.2.24 en 7.17.2.24a BW).
rblz.|78|
De
zorgverzekeraar zal
deze situatie door middel van het opstellen van modelovereenkomsten die
aan het bij en krachtens deze wet geregelde voldoen, dienen te
voorkomen. Overigens bepaalt artikel 25 dat een verzekeraar voorafgaande aan het
aanbieden van zorgverzekeringen zijn modelovereenkomsten aan
het CTZ dient over te leggen. Hetzelfde geldt voor wijzigingen in die
overeenkomsten. Het CTZ verstrekt deze modellen in afschrift aan het CTZ
[het CVZ, zie artikel
26, derde lid, red.].
Indien de verzekeraar zijn modelovereenkomsten tijdig overlegt, zal het CTZ de verzekeraar kunnen waarschuwen indien hij
een modelovereenkomst op
de markt wil brengen die naar zijn oordeel geen zorgverzekering op
zal leveren. Een verzekeraar die een dergelijke waarschuwing in de wind
slaat of kort na de overlegging, zonder de reactie van het CTZ af te
wachten, modelovereenkomsten op de markt brengt die achteraf geen
zorgverzekeringen blijken te genereren, komt voor op grond van het desbetreffende modellen gesloten verzekeringen
niet in aanmerking voor
vereveningsbijdragen uit het Zorgverzekeringsfonds en is voorts op grond van
artikel 27 schadeplichtig jegens de verzekeringsplichtige of degene die een
verzekeringsplichtige op basis van zo’n model heeft verzekerd.
Deze personen gingen er immers van uit een zorgverzekering te hebben gesloten. Een
verzekeraar die voldoende klanten wil behouden, zal
daarnaast naar verwachting open staan voor omzetting - met terugwerkende
kracht - van de eerder gesloten verzekeringsovereenkomst in een zorgverzekering.
Dit zal veelal ook uit het vereiste van redelijkheid en billijkheid (artikel
6:248 BW) voortvloeien.
Het is ook mogelijk dat
een verzekeraar een overeenkomst aanbiedt die meer verzekert dan op
grond van de Zvw verzekerd moet worden. De clausule
"en waarvan de
verzekerde prestaties het bij of krachtens deze wet geregelde niet te
boven gaan" in de definitie van "zorgverzekering" leidt
ertoe dat ook zo’n
verzekering geen zorgverzekering in de zin van de Zvw is. De reden voor
deze uitsluiting is niet zozeer dat via het gedeelte dat het verplichte
Zvw-pakket aan zou vullen risicoselectie zou kunnen plaatsvinden. Artikel
3,
tweede lid, Zvw zou daar immers aan in de weg staan. Echter, de premie
die voor een dergelijke verzekeringsovereenkomst zou worden gevraagd, zou
door de bank genomen hoger zijn dan de premie die zou moeten
worden gevraagd voor een zorgverzekering die zich tot verzekering van
het wettelijke pakket beperkt. Gezien de macrokoppeling tussen de premie en de
inkomensafhankelijke bijdragen, inhoudende dat de werkgevers en
bepaalde andere groepen (zie hoofdstuk 5) de helft van de totale
macropremielast dienen te dragen, zou het toestaan van zorgverzekeringen die
meer verzekeren dan het wettelijke pakket betekenen dat werkgevers
en die andere personen indirect zouden gaan bijdragen in de kosten
van dit meerdere. Omdat het hier gaat om zorg waarvan de regering
opname in het wettelijke pakket niet noodzakelijk acht, is dit ongewenst.
Voorts zou het meer verzekeren dan het wettelijk verplichte pakket tot een
stijging van de (nominale) premie ¹ en - omdat deze premie tot de
collectieve lasten wordt gerekend - daarmee van de collectieve lasten
leiden. Ook dat vindt de regering niet wenselijk.
1. In het algemene deel
van deze toelichting wordt de aan de
zorgverzekeraar te betalen premie aangeduid als "nominale premie". Aldus wordt aangesloten
bij het in de praktijk levende begrippenkader.
In de wetsartikelen en in deze
artikelsgewijze toelichting wordt de vanuit wetgevingsoptiek
iets betere term "premie" gebruikt. Het
woord "nominale" voor "premie" wordt
weggelaten omdat de inkomensafhankelijke bijdragen geen premies zijn, zodat een
onderscheid tussen nominale en inkomensafhankelijke
premies niet aan de orde is.
De
Zvw verbiedt de
zorgverzekeraar echter niet om op andere punten dan de verzekerde prestaties
meer te regelen. Zo bevat de Zvw geen bepalingen over de administratieve
afhandeling van claims. Het is derhalve aan de verzekeraar om
hierover regels te stellen. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor het geval de
zorgverzekeraar meer opzeggings- of ontbindingsgronden wil regelen dan in de Zvw
zijn geregeld (de in de Zvw geregelde gronden zullen in ieder
geval in de zorgverzekeringsovereenkomst moeten worden opgenomen)
en voor de vraag of, en voor welke vormen van zorg de verzekerde,
op straffe van verlies van het recht op een verzekerde prestatie, vooraf een
verwijzing van een arts of een toestemming van zijn zorgverzekeraar
dient te hebben. Dergelijke bijkomende onderwerpen zal de verzekeraar zelf
in de zorgverzekeringsovereenkomst (en rblz.|79|
derhalve in de zorgpolis
alsmede in de modelovereenkomst) kunnen regelen. Natuurlijk mogen
deze regels niet in strijd zijn met hetgeen op grond van deze wet en de
daarop gebaseerde regelgeving in de zorgverzekeringen opgenomen dient te
worden.
Onderdeel e. Verzekeringsplichtige
Een verzekeringsplichtige
is een natuurlijk persoon die op grond van artikel 2 verplicht is
zich door middel van het (laten) sluiten van een zorgverzekering te (laten) verzekeren.
Onderdeel f. Verzekerde
De verzekerde is degene
wiens behoefte aan geneeskundige zorg door de zorgverzekering wordt
gedekt. Vaak zal de verzekerde dezelfde persoon zijn als de
verzekeringnemer. Dit hoeft echter niet altijd het geval te zijn. Zie voor meer hierover de
toelichting op onderdeel c.
Onderdeel g. Eigen risico
In
artikel 19 wordt de
verzekeraars de mogelijkheid gegeven om verzekeringnemers te laten kiezen tussen
bepaalde tranches eigen risico. In onderdeel g wordt "eigen
risico" gedefinieerd als: een door de verzekeringnemer met de zorgverzekeraar
als onderdeel van de zorgverzekering overeengekomen bedrag aan
kosten van zorg of overige diensten als bedoeld bij of krachtens
artikel 11 dat de verzekerde voor zijn rekening zal nemen.
Onderdeel h. Zorgpolis
Artikel
9, eerste lid,
verplicht de zorgverzekeraar de verzekeringnemer zo spoedig mogelijk na het
tot stand komen van een zorgverzekering en vervolgens voorafgaande
aan ieder kalenderjaar een zorgpolis af te geven. In aansluiting op
artikel 7.17.1.8, eerste lid, BW
regelt onderdeel h dat de zorgpolis een akte
is, waarin de tussen een verzekeringnemer en de zorgverzekeraar
afgesloten zorgverzekering is vastgelegd. Een akte is een ondertekend geschrift,
bestemd om tot bewijs te dienen (artikel 156 Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering).
Een zorgpolis is dus een
schriftelijk stuk, waaruit de rechten en plichten van de zorgverzekeraar,
de verzekeringnemer en, indien dit een ander dan de verzekeringnemer is,
de verzekerde, blijken. Het vereiste van het zijn van akte brengt met
zich
dat de zorgverzekeraar het document dient te ondertekenen. Onder zorgpolis is ook begrepen de akte waarin de overeenkomst
niet volledig is
omschreven, maar die naar één of meer bijbehorende documenten verwijst,
bijvoorbeeld algemene voorwaarden, een reglement of een mantelpolis bij een collectieve verzekering.
Zorgverzekeringen kunnen
regelen dat de verzekerde de zorg slechts van bepaalde (door de
zorgverzekeraar gecontracteerde) zorgaanbieders mag betrekken (zie het
algemene deel van deze toelichting en de toelichting op artikel
11). In dat geval
behoort de lijst van zorgaanbieders waar de verzekerde terecht kan tot de
zorgverzekeringsovereenkomst. Indien deze lijst niet zo lang is of
slechts met ingang van het kalenderjaar wijzigt, is het meezenden van de lijst
niet zo’n probleem. Echter, bij lange lijsten of lijsten die vaak wijzigen
(bijvoorbeeld voor naturacontracten krachtens welke de verzekerde voor
alle vormen van zorg bij zorgaanbieders in het hele land terecht kan) is
het voor de verzekeraar niet te doen om alle wijzigingen telkens toe
te zenden. De verzekerde zou daar overigens ook weinig aan hebben. In zo’n
geval vloeit uit de redelijkheid en billijkheid waarmee overeenkomsten
moeten worden uitgevoerd (artikelen 6:2 en 6:248 BW) voort dat de
zorgverzekeraar in zijn polis mag verwijzen naar op zijn website vindbare
lijsten
en dat hij - bijvoorbeeld voor verzekerden die geen computer hebben - desgevraagd een uitdraai maakt en verzendt.
rblz.|80|
Onderdeel i. Sociaal-fiscaal
nummer [zie art.
1, onderdeel j, Zvw,
red.]
Het
sociaal-fiscaal nummer (sofinummer) van de verzekerden speelt in deze wet een belangrijke
rol. Zo zal op zorgdeclaraties het sofinummer van de patiënt moeten
worden aangegeven (artikel 117 [118] juncto
artikel
86 [87]) en zal een zorgverzekeraar, wil
hij een bij hem verzekerde persoon mee laten tellen voor zijn
vereveningbijdrage, het sofinummer van die verzekerde aan het CVZ
dienen door
te geven (artikel 32 juncto artikel
35).
Onderdeel j.
Inhoudingsplichtige [zie
art. 1, onderdeel k, Zvw,
red.]
De inhoudingsplichtige
wordt op grond van artikel 46 verplicht de inkomensafhankelijke bijdrage die een
verzekeringsplichtige over door de
Minister van VWS aan te
wijzen loon in de zin van de Wet
op de loonbelasting 1964 (Wet LB)
verschuldigd is, aan die verzekeringsplichtige te vergoeden. Inhoudingsplichtige is de inhoudingsplichtige in de zin van
de Wet LB dan wel in
de zin van de Wfsv, dat wil, samengevat, zeggen: werkgevers en
instanties die bepaalde uitkeringen verstrekken.
Onderdeel k. Instelling
[zie art.
1, onderdeel l, Zvw,
red.]
Eén van de mogelijkheden
voor zorgverzekeraars om aan hun uit de zorgverzekering voortvloeiende verplichtingen te voldoen, is om zorgverleners
te contracteren die voor
hun rekening aan hun verzekerden de verzekerde zorg of andere verzekerde
dienst leveren waar die verzekerden behoefte aan hebben. Artikel 12
van deze wet bevat de mogelijkheid om met het oog op het algemeen
belang bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) vormen van zorg of andere
diensten aan te wijzen waarvoor een dergelijke contractsluiting de enige
toegestane wijze is waarop de verzekeraar aan zijn verplichtingen
kan voldoen. Daarnaast kunnen in die AMvB vormen van zorg of andere
diensten worden aangewezen waarvoor niet alleen geldt dat deze via
een contract worden geleverd, maar waarvoor tevens geldt dat de
zorgverzekeraar alle zorginstellingen die om zo’n overeenkomst verzoeken,
dient te contracteren (ook wel "contracteerplicht" genoemd) en, andersom,
dat bepaalde zorginstellingen desgevraagd zo’n overeenkomst met
een zorgverzekeraar moeten sluiten (ook wel "omgekeerde
contracteerplicht" genoemd). Onderdeel k definieert met het oog daarop het
begrip "zorginstelling". Allereerst gaat het om instellingen die op grond
van de Wet
toelating zorginstellingen zijn toegelaten. Dit zijn in Nederland
gevestigde rechtspersonen en in het buitenland gevestigde rechtspersonen
die in Nederland zorg verlenen. Daarnaast kunnen ook buitenlandse rechtspersonen die aldaar zorg verlenen
zorginstelling zijn. Zij
dienen dan echter wel in het kader van het in hun vestigingsland geldende
socialezekerheidsstelsel dan wel aan specifieke groepen van publieke functionarissen zorg te verlenen. Aldus wordt
gewaarborgd dat de zorg
van een buitenlandse instelling waarmee een contract wordt gesloten
in ieder geval het kwaliteitsniveau heeft dat in het desbetreffende land
acceptabel is.
Onderdeel l. Onze
Minister [zie art.
1, onderdeel m, Zvw,
red.]
In
deze wet wordt met
"Onze Minister" de
Minister van VWS bedoeld.
Onderdeel m. College
toezicht [zie art.
1, onderdeel n, Zvw,
red.]
Het CTZ houdt toezicht op
de uitvoering van deze wet door de zorgverzekeraars, voor zover althans dit
toezicht niet door de PVK wordt uitgeoefend.
Onderdeel n. College
zorgverzekeringen [zie
art. 1, onderdeel o, Zvw,
red.]
Het
CVZ vervult zowel in
de ABWZ als in deze wet
een belangrijke rol. De belangrijkste
Zvw-taken
van het CVZ betreffen bevordering van een eenduidige uitleg van de
inhoud en omvang van de op grond van deze wet te verzekeren
prestaties, beheer van het Zorgverzekeringsfonds en toekenning van vereveningsbijdragen. Daarnaast krijgt het CVZ op grond
rblz.|81|
van deze wet nog enkele
andere taken, zoals het opleggen van boeten aan verzekeringsplichtigen
die zich niet tijdig (laten) verzekeren.
onderdeel o.
Zorgverzekeringsfonds [zie
art. 1, onderdeel p, Zvw,
red.]
De financiering van de
uitvoering van de Zvw geschiedt gedeeltelijk vanuit het
Zorgverzekeringsfonds. Het CVZ beheert dit fonds.
Onderdeel p. Eerste richtlijn
schadeverzekering [zie
art. 1, onderdeel q, Zvw,
red.]
In
onderdeel p wordt geregeld wat in deze wet
onder de "eerste richtlijn
schadeverzekering" wordt verstaan. Gekozen is voor dynamische
verwijzing.
Hoofdstuk 2. De plicht
tot het sluiten van een zorgverzekering
Algemeen
De zorgverzekering is een
bijzondere, op grond van voorliggend wetsvoorstel gereguleerde vorm van de
schadeverzekering. Op de zorgverzekering zijn dan ook niet alleen
de bij en krachtens deze wet te stellen regels van toepassing, maar tevens
de artikelen van de afdelingen 1 (algemene bepalingen) en 2 (schadeverzekering)
van titel 7.17 (verzekering) van het BW, voor zover daarvan
althans niet via deze wet wordt afgeweken. Voorts zijn de bepalingen van
Boek 6
(algemeen gedeelte van het verbintenissenrecht) BW van toepassing, voor
zover daarvan niet op grond van titel 7.17 BW
of voorliggende wet
wordt afgeweken, terwijl, ten slotte, Boek 3 (vermogensrecht in het
algemeen) BW van toepassing is voor zover daarvan niet in Boek 6
BW, titel 7.17 BW
of voorliggende wet wordt afgeweken. Uiteraard
zullen in de hiernavolgende artikelsgewijze toelichting afwijkingen van het
BW worden gemotiveerd. Om het beeld van de voorliggende verzekering
compleet te maken, zullen echter ook de meest relevante bepalingen van
het BW worden aangestipt die, zonder dat er in voorliggend wetsvoorstel
aan wordt gerefereerd, hun invloed op voorliggende verzekering doen gelden.
§
2.1. De
verzekeringsplicht
Artikel 2 (verzekeringsplichtigen)
Eerste lid
In
artikel 2 wordt
bepaald welke natuurlijke personen krachtens een zorgverzekering verzekerd dienen te
zijn,
oftewel wordt bepaald wie "verzekeringsplichtig" zijn. De kring van
verzekeringsplichtigen is gelijk aan de kring van verplicht
verzekerden voor de AWBZ: is men verplicht
AWBZ-verzekerd, dan dient men derhalve
een zorgverzekering te (laten) sluiten. De verzekeringsplichtige
is niet verplicht zichzelf te verzekeren. Hij kan ook een ander vragen dit te
doen. De verzekeringsplicht houdt derhalve in dat de
verzekeringsplichtige ervoor zorg dient te dragen dat hij verzekerd is. Verzekert een ander
de verzekeringsplichtige in naam van die laatste, dan wordt de
verzekeringsplichtige niet alleen verzekerde, maar ook verzekeringnemer. Verzekert de ander de verzekeringsplichtige echter op
eigen naam, dan wordt de
verzekeringsplichtige verzekerde, maar wordt de ander
verzekeringnemer.
Hoofdregel ingevolge
artikel 5 van de AWBZ (en overigens ook ingevolge de overige
volksverzekeringen) is dat verplicht AWBZ-verzekerd zijn:
a. ingezetenen;
b. niet-ingezetenen die
ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de
loonbelasting zijn onderworpen.
rblz.|82|
Op
deze hoofdregel zijn
bij en krachtens de AWBZ diverse uitzonderingen getroffen. Ten eerste
zijn op grond van de AWBZ niet verzekerd en derhalve op grond van de Zvw
niet verzekeringsplichtig vreemdelingen, tenzij zij rechtmatig in
Nederland verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onderdeel a tot en met
e of l,
van de Vreemdelingenwet
2000 (artikel 5, tweede lid,
AWBZ). Het gaat in eerder genoemde onderdelen van artikel 8 van de
Vreemdelingenwet
2000 om
onderdanen van de overige lidstaten van de Europese Unie (EU), van
de Europese Economische Ruimte (EER) of om Turken die op grond van
het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije in Nederland
mogen verblijven, alsmede om andere vreemdelingen die op grond van een
verblijfsvergunning "regulier" of "asiel" voor bepaalde of onbepaalde
tijd in Nederland mogen verblijven.
Ten tweede zijn in het op
artikel 5, derde en vierde lid, AWBZ
gebaseerde Besluit uitbreiding en
beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (Bubkvv 1999) zowel
uitbreidingen als beperkingen op de in de AWBZ
geregelde kring van
verplicht verzekerden geregeld. Door gebruik van de woorden "die
ingevolge de AWBZ en de daarop gebaseerde regelgeving verzekerd is" in artikel
2, eerste lid, wordt bereikt dat deze uitbreidingen en beperkingen ook gelden
voor de verzekeringsplicht ingevolge de Zvw.
Ten slotte kan men op
grond van toepassing van een verdrag, van de Overeenkomst betreffende
de EER of van een besluit van een internationale organisatie, zo nodig in
afwijking van de AWBZ-hoofdregels, wel (of juist niet) verzekerd
zijn. Dat wordt in artikel 5b AWBZ
nog eens bevestigd, zodat gesteld kan worden
dat ook een ingevolge dit internationale recht voor de verplichte
AWBZ-verzekering in aanmerking komende persoon (mede) ingevolge de AWBZ
verzekerd is en derhalve ingevolge artikel 2 voor de
Zvw verzekeringsplichtig is.
Tweede lid
Er zijn twee afwijkingen
van de in het eerste lid opgenomen regel dat diegenen
verzekeringsplichtig zijn die behoren tot de kring van verplicht AWBZ-verzekerden.
Allereerst gaat het om militairen in werkelijke dienst (onderdeel a). Zij zijn
wel AWBZ-verzekerd, maar niet verzekeringsplichtig op grond van voorliggende
wet. Militairen in werkelijke dienst zijn namelijk aangewezen op de
zorgverlening door of vanwege de militair geneeskundige diensten. Dit geldt niet
alleen bij inzet in binnen- en buitenland, maar ook binnen en buiten werktijd in de vredessituatie. Deze specifieke
zorgverlening door de
militair geneeskundige diensten, alsmede de plicht van de militairen in
werkelijke dienst om hier gebruik van te maken, dient in stand te worden
gehouden. Dit is nodig omdat de krijgsmacht voor het uitvoeren van haar grondwettelijke taak te allen tijde moet kunnen beschikken over voldoende
aantallen direct inzetbaar personeel. Vanuit geneeskundig oogpunt
betekent dit dat de militair geneeskundige diensten inzicht moeten kunnen
hebben in de gezondheidstoestand van de individuele militair, om
diens operationele inzetbaarheid te kunnen beoordelen. In het kader van de
zorgverlening door of vanwege de militair geneeskundige diensten
beschikt het ministerie van Defensie dan ook over een eigen
zorgverlenersapparaat van onder meer eerstelijnsartsen, verpleegkundigen,
fysiotherapeuten, medisch specialisten, een revalidatiecentrum, alsmede een ziekenhuis.
De zorgverlening omvat al de maatregelen, voorzieningen en
geneeskundige verstrekkingen in het belang van de bescherming, het
behoud, het herstel en de bevordering van de gezondheid van de
militair, alsmede in het belang van het behoud, het herstel en de bevordering
van de geschiktheid van de militair voor de dienst. Eén en ander
houdt ook in dat militairen zich te allen tijde voor het verkrijgen van zorg
dienen te wenden tot de militaire eerstelijnsarts. Het rblz.|83| uitgangspunt is derhalve
het volledig in eigen beheer verlenen van zorg van een zodanige omvang
dat onder alle omstandigheden optimale voorzieningen ter beschikking staan
zowel in het belang van de gezondheid als van de inzetbaarheid van
de militair. Dat kan binnen deze wet, die uitsluitend is gericht op het
verzekeren van alle ingezetenen voor een basispakket aan zorg, niet worden
gerealiseerd. Om die reden zijn militairen niet verzekeringsplichtig
ingevolge deze wet.
Daarnaast gaat het om
personen die op grond van de AWBZ en de Wfsv
door de Sociale verzekeringsbank (SVB) wegens gemoedsbezwaren op hun verzoek zijn ontheven
van de verplichtingen voortvloeiende uit de AWBZ (artikel 32
AWBZ
juncto
hoofdstuk 5 Wfsv). Omdat deze personen desalniettemin wel van
rechtswege AWBZ-verzekerd zijn, dienen ze voor de Zvw
van de kring van
verzekeringsplichtigen te worden uitgezonderd. Dat gebeurt in het tweede
lid, onderdeel b.
Het staat een persoon met
een ontheffing overigens te allen tijde vrij om de SVB te vragen de
ontheffing in te trekken. Nadat dat is gebeurd, heeft hij op grond van het
eerste lid van voorliggend artikel weer de plicht tot - en op grond van artikel 3
vervolgens het recht op - het (laten) sluiten van een zorgverzekering. Hij
zal dan overigens ook weer aan zijn uit de AWBZ voortvloeiende
verplichtingen moeten voldoen.
Derde lid
Ook
kinderen en onder
curatele, bewind of mentorschap gestelde meerderjarigen zijn
verzekeringsplichtig. Van hen kan echter niet worden verwacht dat zij
zichzelf verzekeren of ervoor zorgen dat hun wettelijke vertegenwoordigers dat
doen. Daarom legt het derde lid deze wettelijke vertegenwoordigers de
plicht op ervoor te zorgen dat degene die zij vertegenwoordigen
verzekerd is. Dat kan op drie manieren. Allereerst kan de wettelijke
vertegenwoordiger namens degene die hij vertegenwoordigt een zorgverzekering
sluiten. De verzekerde wordt daarmee automatisch verzekeringnemer (zie ook
de toelichting op het eerste lid). Dat wil
overigens niet zeggen dat de
verzekerde de rechtshandelingen kan verrichten die een verzekeringnemer op grond van
deze wet kan of moet verrichten. De
verzekerde zal immers
doorgaans handelingsonbekwaam of handelingsonbevoegd zijn. Ook laatstbedoelde
rechtshandelingen worden in dit geval derhalve door de
wettelijke vertegenwoordiger verricht. Dit volgt uit het Burgerlijk
Wetboek en hoeft derhalve in deze wet niet afzonderlijk geregeld te worden. Ten
tweede kan de wettelijke vertegenwoordiger zelf als verzekeringnemer
degene die hij vertegenwoordigt, verzekeren. Verzekerde en verzekeringnemer zijn
dan niet dezelfde persoon (zie ook de toelichting op het eerste
lid). Ten slotte is het mogelijk dat de wettelijke vertegenwoordiger degene
die hij vertegenwoordigt zelf een verzekeringsovereenkomst laat sluiten, waarbij hij,
indien de verzekerde handelingonbekwaam is, de rechtshandeling
bevestigt of afziet van een beroep op vernietigbaarheid (zie onder andere de
artikelen 3:32, tweede lid, en 3:49 tot en
met 3:55 BW), als de
verzekerde onder bewind staat, de medewerking, bedoeld in artikel 1:438,
tweede lid, BW
verleent, en als hij mentor is, de toestemming, bedoeld in
artikel 1:453, tweede lid, genoemde toestemming geeft. Net als in het
eerste geval, is in dit derde geval de verzekeringnemer dezelfde persoon als de
verzekerde. Of de verzekeringnemer in dit geval rechtshandelingen kan verrichten, hangt af van de ruimte die de
wettelijke
vertegenwoordiger hem hiervoor geeft.
Kinderen die nog geen
18 jaar zijn, zullen meestal minderjarig zijn. Dit lijdt echter
uitzondering voor kinderen die gehuwd of geregistreerd zijn, gehuwd of
geregistreerd zijn geweest dan wel op grond van artikel 1:253ha BW
door de
kinderrechter meerderjarig zijn verklaard omdat zij hun kinderen wensen te
verzorgen en op te voeden (artikel 1:233 BW). Artikel
2, rblz.|84| derde lid, Zvw geldt
niet voor kinderen jonger dan 18 jaar die op grond van één van deze
uitzonderingen meerderjarig zijn.
Ten slotte het volgende.
Er zullen ook meerderjarigen zonder curator, bewindvoerder of voogd
zijn die niet in staat zijn om zichzelf tijdig te (laten) verzekeren.
Hebben deze verzekeringsplichtigen op enig moment zorg nodig, dan zullen
zij zich bij de zorgaanbieder vervoegen. Een zorgaanbieder die constateert dat zijn
patiënt niet verzekerd is, zal er verstandig aan doen de patiënt erop te wijzen dat hij zich met onmiddellijke ingang alsnog moet
verzekeren of, indien de patiënt hier naar zijn oordeel echt niet toe in staat
is, familieleden of instanties moeten verzoeken de patiënt per direct te
verzekeren. Uit artikel 3 volgt dat de zorgverzekeraar zo’n
verzekeringsplichtige niet mag weigeren. Indien het feit dat de
verzekeringsplichtige zich niet (tijdig)
verzekerd heeft niet aan de (alsnog) verzekerde te verwijten
is (bijvoorbeeld omdat hij hiertoe al jaren geestelijk niet in staat was), wordt
er geen boete wegens te laat verzekeren (artikel
95 [96]) opgelegd.
§ 2.2. De
acceptatieplicht
Artikel 3 (de
acceptatieplicht van de zorgverzekeraar)
Eerste lid
Artikel
3, eerste lid,
regelt, als spiegelbeeld van verzekeringsplicht, de acceptatieplicht van de
zorgverzekeraar: desgevraagd dient hij voor alle personen wier behoefte
aan zorg overeenkomstig artikel 2 verzekerd dient te worden
- dat wil
zeggen alle verzekeringsplichtigen - die in zijn werkgebied wonen een
zorgverzekering te sluiten. Selectie op medisch risico of andere
verzekerdenkenmerken is niet toegestaan, en ook personen die op het moment dat het
verzoek de verzekeraar bereikt reeds zorg nodig hebben, dienen voor de
zorgverzekering geaccepteerd te worden. De acceptatieplicht geldt
voor alle zorgverzekeraars die werken in de provincie waar de
verzekeringsplichtige woont, waardoor de verzekeringnemer een vrije keuze
tussen
die zorgverzekeraars krijgt.
Vaak zal een
verzekeringsplichtige zichzelf willen verzekeren. Het is echter ook mogelijk dat iemand
anders de verzekeringsplichtige verzekert. Voor de situaties waarin dat
het geval kan zijn, en de positie die de verzekerde dan binnen de gesloten
zorgverzekering inneemt, wordt verwezen naar de toelichting op artikel
2.
Omdat derhalve niet altijd de verzekeringsplichtige de verzekeringnemer is,
is in artikel 3, eerste lid, geregeld dat "met of ten behoeve
van" in plaats
van "met" iedere verzekeringsplichtige desgevraagd een zorgverzekering wordt
gesloten.
Het eerste lid van
artikel 3 brengt met zich dat een zorgverzekeraar alle personen die in zijn
werkgebied wonen, dient te accepteren. Het werkgebied van zorgverzekeraars is
in principe heel Nederland, maar als een zorgverzekeraar minder
dan 850 000 verzekerden heeft, mag hij zijn werkgebied beperken tot één of
meer gehele provincies van Nederland (artikel 29).
In het buitenland wonende
personen die ter zake van in Nederland in dienstbetrekking
verrichte arbeid aan de loonbelasting zijn onderworpen (te denken valt onder
meer aan grensarbeiders), zijn van rechtswege AWBZ-verzekerd en
derhalve verzekeringsplichtig. Gezien het relatief geringe aantal van deze
verzekeringsplichtigen is het mogelijk commercieel onaantrekkelijk hen te
verzekeren. Om te voorkomen dat zij geen zorgverzekeraar kunnen
vinden, is in het eerste lid bepaald dat iedere rblz.|85| zorgverzekeraar in het buitenland wonende verzekeringsplichtigen moet
accepteren. Deze personen
kunnen derhalve kiezen uit alle zorgverzekeraars.
Zoals reeds in de
toelichting op artikel 1, onderdeel d, is aangegeven, kunnen zorgverzekeraars
schadeverzekeringen sluiten voor niet-verzekeringsplichtige personen. Deze
verzekeringen kunnen wat betreft de verzekerde prestaties gelijk zijn
aan de zorgverzekering; het is aan de verzekeraar en degene die zo’n
verzekering sluit om dat desgewenst af te spreken. Dergelijke
overeenkomsten dienen echter buiten de bescherming van de Zvw
- en met
name buiten het recht op een bijdrage uit het Zorgverzekeringsfonds en de
risicoverevening - te blijven. De definitie van "zorgverzekering"
in
artikel 1, onderdeel d, zorgt daar voor: een zorgverzekering kan slechts worden
gesloten voor een verzekeringsplichtige persoon. Het is daarom
niet nodig in artikel 3 te bepalen dat de zorgverzekeraar geen zorgverzekeringen
sluit met andere personen dan personen die zich op grond van de
Zvw moeten verzekeren.
Samengevat kunnen
zorgverzekeraars geen zorgverzekering sluiten voor:
- niet-verzekeringsplichtigen;
- personen die in een
andere provincie van Nederland wonen dan de provincie(s) waarover hun
werkgebied zich uitstrekt (dit kan slechts aan de orde zijn voor "kleine" verzekeraars).
Voor de beoordeling van
de vragen of de aspirant-verzekerde wel verzekeringsplichtig is en of hij in het
werkgebied van de verzekeraar woont - en dus dient te worden
geaccepteerd - heeft de zorgverzekeraar bepaalde informatie nodig. Het is
niet nodig daarvoor in voorliggende wet regels te stellen, aangezien
één
en
ander reeds afdoende wordt geregeld in afdeling 1 van titel 7.17 BW.
Artikel 7.17.1.4, eerste
lid, BW
verplicht een (aspirant-)verzekeringnemer vooraf aan de verzekeraar
alle hem betreffende feiten mee te delen die van belang zijn voor het
sluiten van de verzekeringsovereenkomst. Verzekert hij derden tegen hun
behoefte aan geneeskundige zorg, dan dient hij, indien die derden ouder
zijn dan 15 jaar, ook de relevante feiten over die derden aan de
verzekeraar te melden, zo kan op grond van het derde lid van dat artikel
worden geconcludeerd. Medische gegevens of andere kenmerken van de aspirant-verzekerden zijn voor de acceptatie niet van
belang. De verzekeraar
mag daar in het kader van de acceptatie, wil hij niet in strijd komen met
het privacyrecht, dan ook niet naar te vragen. Zoals gezegd, is echter
wel van belang dat de zorgverzekeraar de gegevens binnenkrijgt op grond
waarvan hij kan beoordelen of de aspirant-verzekerde
verzekeringsplichtig is en in zijn werkgebied woont. Gezien de tweede volzin van het
vierde lid, alsmede het zesde lid, van artikel 7.17.1.4 BW
doet een
zorgverzekeraar er verstandig aan een vragenlijst op te stellen waarin de daartoe
strekkende vragen expliciet worden gesteld, en om aanvulling te vragen
indien de aspirant-verzekeringnemer bepaalde vragen niet beantwoordt.
Het risico van afsluiten van een verzekering op basis van een onvolledig
ingevuld vragenformulier komt namelijk voor rekening van de
verzekeraar.
Indien een
zorgverzekeraar, óf omdat de (aspirant-)verzekeringnemer onjuiste informatie heeft
verschaft, óf omdat hij zelf onvoldoende heeft opgelet, een overeenkomst
heeft gesloten voor een niet-verzekeringsplichtige of een overeenkomst heeft
gesloten voor een verzekeringsplichtige die niet in zijn werkgebied woont, is een geldige verzekeringsovereenkomst
ontstaan, zij het geen
zorgverzekering. Alle zorgverzekeraars zullen dergelijke overeenkomsten
willen beëindigen, aangezien de premie die is overeengekomen veelal te
laag zal zijn. Bij het vaststellen van de premie ging de verzekeraar er
immers - naar later bleek, ten onrechte - van uit rblz.|86| dat hij een bijdrage zou
ontvangen uit het Zorgverzekeringsfonds. Ook de meeste verzekeringnemers
zullen van de verzekering af willen. De verzekeringsovereenkomst ontslaat degenen die zij verzekerd hebben
immers, nu deze geen
zorgverzekering is, niet van de plicht alsnog een zorgverzekering te
sluiten. Gevolg zal zijn dubbele premie (behalve voor kinderen jonger dan
18 jaar), maar geen dubbele uitkering (zie de toelichting op artikel 1,
onderdeel d). De artikelen 7.17.1.5 en 7.17.1.6 BW
regelen wie in welke
gevallen de verzekeringsovereenkomst mag opzeggen indien de verzekeringnemer niet aan zijn mededelingsplicht
heeft voldaan, en wat de
gevolgen zijn indien het verzekerd risico zich in de periode gelegen tussen
het sluiten van de overeenkomst en de opzegging heeft voorgedaan. Daarbij
wordt onderscheid gemaakt tussen de situatie waarin de
verzekeringnemer de zorgverzekeraar met opzet heeft misleid en andere
situaties waarin onjuiste mededelingen zijn gedaan. Indien het aan de
zorgverzekeraar te wijten is dat er een verzekering is gesloten die achteraf
geen zorgverzekering blijkt te zijn, heeft hij in principe geen opzeggingsrecht.
Echter, als gezegd, zullen veelal ook de verzekerden belang bij beëindiging
hebben, zodat in dit geval veelal met wederzijds goedvinden zal kunnen
worden beëindigd. Slechts niet-verzekeringsplichtige personen (en in theorie
ook ouders van kinderen jonger dan 18 jaar)
kunnen belang hebben bij het voortbestaan van de verzekeringsovereenkomst. Ook hier bieden de artikelen 7.17
|