|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2003-2004, 29 763
Regeling van
een sociale verzekering voor geneeskundige zorg ten behoeve van de
gehele bevolking (Zorgverzekeringswet)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| I |
Inleiding
en samenvatting |
| II |
Achtergrond
van het wetsvoorstel |
| III |
Consultatie
en advies |
| IV |
De
vormgeving van de zorgverzekering |
| V |
De
inhoud van de zorgverzekering |
| a |
De
uitvoering |
| b |
De
zorgplicht |
| c |
De
verzekerden |
| d |
Het
te verzekeren pakket |
| e |
Rechtsbescherming |
| f |
De
financiering |
| g |
De
vereveningsregeling |
| h |
Beheer |
| i |
Toezicht |
| VI |
Grensoverschrijdende
zorg |
| VII |
Transparantie
in het verzekeringsstelsel |
| VIII |
Gegevensuitwisseling |
| IX |
Financiële
sturingsmogelijkheden |
| X |
De
financiële gevolgen |
| XI |
De
administratieve lasten |
| XII |
Overgangssituatie |
| XIII |
Inwerkingtreding
en voorlichting |
|
xArtikelsgewijs |
| Vooraf |
| Hoofdstuk
1. Algemene bepaling |
| xxx |
Artikel
1 |
| Hoofdstuk
2. De
plicht tot het sluiten van een zorgverzekering |
| xxx |
Artikelen
2 t/m 9 |
| Hoofdstuk
3. De
inhoud van de zorgverzekering |
| x |
Artikelen
10 t/m 24 |
| Hoofdstuk
4. De
zorgverzekeraars |
| x |
Artikelen
25 t/m 38 |
| Hoofdstuk
5. Het
Zorgverzekeringsfonds, de inkomensafhankelijke bijdragen, de
rijksbijdragen en de belasting van gemoedsbezwaarden |
| x |
Artikelen
39 t/m 57 |
| Hoofdstuk
6. Het
College zorgverzekeringen |
| x |
Artikelen
58 t/m 75 |
| Hoofdstuk
7. Het
College toezicht |
| x |
Artikelen
76 t/m 84 |
| Hoofdstuk
8. Gegevensverstrekking |
| x |
Artikelen
85 t/m 92 |
| Hoofdstuk
9. Handhaving |
| x |
Artikelen
93 t/m 112 |
| Hoofdstuk
10. Rechtsbescherming |
| x |
Artikelen
113 t/m 116 |
| Hoofdstuk
11. Overige
bepalingen |
| x |
Artikelen
117 t/m 121 |
| Hoofdstuk
12. Slotbepalingen |
| x |
Artikelen
122 t/m 124 |
rblz.|2|
Algemeen
I. Inleiding en
samenvatting
Uit de Grondwet en uit
internationale verdragen vloeit voort dat de Nederlandse overheid zorg draagt voor
een stelsel van gezondheidszorg dat de Nederlanders toegang
geeft tot noodzakelijke, kwalitatief goede medische zorg. Verzekering tegen
ziektekosten is een belangrijk instrument om risico’s te delen en de toegang tot geneeskundige zorg veilig te stellen
voor mensen die zorg
nodig hebben. Het overheidsbeleid ten aanzien van de gezondheidszorg strekt
zich onontkoombaar uit tot het terrein van de ziektekostenverzekeringen.
Door historische oorzaken kent Nederland een verbrokkeld stelsel van ziektekostenverzekeringen voor gewone geneeskundige
zorg. Voor een
aanzienlijk deel van de bevolking is er een verplichte
ziekenfondsverzekering. Een ander deel heeft zich particulier verzekerd, waarbij voor
sommige risicogroepen de mogelijkheid bestaat een wettelijk
vastgestelde standaardpakketpolis af te sluiten. Voor bepaalde groepen
ambtenaren bestaan er specifieke, verplichte publiekrechtelijke ziektekostenverzekeringen.
Doelstellingen van het
wetsvoorstel: meer doelmatigheid, minder centrale sturing, goede
toegankelijkheid
Met het wetsvoorstel
Zorgverzekeringswet wil de regering vanaf 2006 een einde maken aan de
huidige verbrokkelde situatie door het realiseren van één wettelijk
verzekeringsregime voor alle ingezetenen van Nederland. Dit nieuwe verzekeringsregime
dient zoveel mogelijk bij te dragen aan een doelmatige en kwalitatief
hoogwaardige gezondheidszorg. De met de Zorgverzekeringswet door
te voeren wijziging in het stelsel van ziektekostenverzekeringen staat niet op zichzelf,
maar maakt deel uit van een breder georiënteerde
herziening van de sturing en verantwoordelijkheidsverdeling van de
gezondheidszorg.¹
Met de vergrijzing van de
bevolking, de snelle medisch-technologische ontwikkelingen en de
uitbreiding van het aantal diagnose- en behandelingsmethoden zal de behoefte aan
geneeskundige zorg de komende decennia verder toenemen.
Om alle ingezetenen noodzakelijke, betaalbare zorg te kunnen blijven
bieden, is een optimaal presterend gezondheidszorgsysteem, waarin alle betrokkenen
gestimuleerd worden tot een gepast gebruik van medische
voorzieningen, onontbeerlijk.
De regering is van
oordeel dat het stelsel van gezondheidszorg aanzienlijk aan presterend vermogen
kan winnen door het systeem van centrale overheidssturing waar
mogelijk plaats te laten maken voor een meer decentraal georganiseerd
stelsel van gereguleerde concurrentie. Daartoe is vereist dat actoren in
de zorg meer vrijheden én meer verantwoordelijkheden krijgen en dat zij onder
gelijkwaardige condities hun rol kunnen vervullen. De noodzaak
van deze ontwikkeling wordt in de sector en in de samenleving breed onderschreven.
Het verzekeringsstelsel
dient deze wijziging in de sturing van de zorg te ondersteunen. Dit
wetsvoorstel voorziet daarom in het aanbrengen van gelijke condities voor
verzekeraars en verzekerden en in het versterken van rollen van zowel
burgers, zorgaanbieders als zorgverzekeraars, opdat zij worden aangemoedigd
zo doelmatig mogelijk om te gaan met de gezondheidszorg. Burgers
krijgen zowel meer financiële verantwoordelijkheden als meer invloed en
reële keuzevrijheden bij het bepalen van hun zorgverzekering. Daarmee
komen zorgverzekeraars in een positie waarin zij zich in onderlinge
concurrentie actiever dienen in te spannen om voor hun verzekerden een
gunstige prijs/prestatieverhouding bij zorgaanbieders rblz.|3|
te bedingen.
Zorgaanbieders dienen meer prestatiegericht te gaan werken en krijgen tevens
meer mogelijkheden om zorg te bieden die aansluit bij de behoeften
en wensen van burgers.
De overheid behoudt de
systeemverantwoordelijkheid voor de toegankelijkheid, betaalbaarheid en
kwaliteit van de gezondheidszorg.
1. Wat betreft de planning
en bouw van medische voorzieningen:
Kamerstukken II 2000-2001, 27 659. Wat betreft de
tarievenwetgeving: Kamerstukken II 2003-2004,
29 379. Wat betreft de herziening van het overeenkomstenstelsel: Kamerstukken II
2002-2003,
28 994. Zie ook de brieven aan de Tweede
Kamer van 19 december 2003 en 12 maart 2004:
Kamerstukken II 2003-2004, 23 619, nrs. 20
en 21.
Noodzaak tot hervorming
van het huidige verzekeringsstelsel
Het huidige Nederlandse
stelsel van zorgverzekeringen kent een groot aantal verworvenheden,
zoals ruimte voor particulier initiatief, een relatief sterke private grondslag
en de daarbij behorende financiële verantwoordelijkheid van zowel ziekenfondsen
als verzekeraars en een goede toegankelijkheid. De regering wil deze
verworvenheden behouden en waar mogelijk versterken.
Tegelijkertijd kenmerkt
de huidige situatie zich door historisch gegroeide onvolkomenheden die een
onderbenutting van de mogelijkheden van het verzekeringsstelsel tot
gevolg hebben.
Zo is in het bestaande
stelsel de wijze waarop iemand verzekerd is of kan zijn afhankelijk van
omstandigheden als zijn werksituatie, zijn inkomen, zijn burgerlijke staat en
soms ook zijn gezondheidstoestand. Mensen in vergelijkbare
inkomenssituaties betalen, afhankelijk van het voor hen geldende
verzekeringsregime, soms sterk uiteenlopende premies. De mogelijkheden om van
verzekeraar te veranderen zijn per verzekeringssegment verschillend. Soms zijn
zij feitelijk afwezig als gevolg van risicoselectie, het verplicht deelnemen
in een publiekrechtelijke regeling of het dwingende karakter van collectieve contracten. Door de beperkte omvang
van de nominale premie in
de ziekenfondsmarkt is het financieel belang van de
ziekenfondsverzekerde bij een bewuste keuze van zijn verzekeraar nog beperkt.
De segmentering van de
zorgverzekeringsmarkt brengt ook intransparantie met zich mee, waardoor voordelen van een homogene markt
onbenut blijven.
Het ongelijke speelveld
in het verzekeringssysteem veroorzaakt ook verschillen in
oriëntatie tussen ziekenfondsen en particuliere verzekeraars. Zo zijn ziekenfondsen
- die een acceptatieplicht kennen - gericht op het contracteren van zorg
voor hun verzekerden, terwijl particuliere verzekeraars van oudsher sterk op
risicoselectie zijn georiënteerd.
De verschillen en
marktimperfecties op het vlak van acceptatie, keuzemogelijkheden, eigen verantwoordelijkheid en financiering belemmeren
de keuzevrijheid en
mobiliteit van verzekerden. Als gevolg daarvan kunnen zij hun
zorgverzekeraars onvoldoende aansporen om hun potentiële rol als contractpartij
van zorgaanbieders voldoende te ontplooien. Dat
draagt eraan bij dat kostenbeheersing in de gezondheidszorg in
hoge mate een zaak blijft van
centrale aanbodregulering en tariefstelling door de overheid. Daardoor kan
deregulering, die uit oogpunt van doelmatigheid en doeltreffendheid van
het gezondheidszorgsysteem gewenst is, onvoldoende van de grond komen. In de visie van de regering is een
eenduidig, en voor
verzekerden en verzekeraars transparant verzekeringsstelsel waarin alle deelnemers
onder gelijke condities participeren, een voorwaarde voor een duurzaam en betaalbaar zorgstelsel in de toekomst.
Het wetsvoorstel creëert
dit noodzakelijke gelijke speelveld en creëert een systeem van checks
and balances in de betrekkingen tussen verzekerden, zorgverzekeraars en
zorgaanbieders.
Meer keuzevrijheid en
verantwoordelijkheid voor de verzekerde
Door de nieuwe
Zorgverzekeringswet krijgt iedere ingezetene de mogelijkheid een verzekeringsovereenkomst te sluiten met de zorgverzekeraar van
zijn keuze. De
solidariteit binnen het stelsel komt tot uitdrukking in een rblz.|4|
verzekeringsplicht voor
de burgers en een acceptatieplicht voor de zorgverzekeraars. Zorgverzekeraars hebben
de plicht om iedereen, ongeacht persoonlijke kenmerken,
tegen gelijke condities een zorgverzekering aan te bieden. De wet geeft
aan op welke vormen van zorg de zorgverzekering betrekking heeft.
Verzekeraars kunnen hun
verzekerden keuzemogelijkheden voorleggen wat betreft de wijze van
vergoeding, service-elementen en de hoogte van het eigen risico en de
daaraan verbonden premiekorting. Het kostenbewustzijn van de verzekerde wordt
gestimuleerd door een nominale premie (waarmee op macroniveau circa 45% van de verzekering
wordt gefinancierd) en
een no-claimteruggaveregeling. De verzekeraar mag zelf de nominale
premie vaststellen, maar dient aan iedereen voor hetzelfde verzekeringsarrangement dezelfde premie in rekening te
brengen. De maximale
hoogte van de teruggave uit hoofde van de no-claimteruggaveregeling
is voor iedereen gelijk.
De verzekeringsmarkt
wordt transparanter voor de consument omdat het onderscheid tussen
particulier en ziekenfonds en daarmee ook alle wettelijke opslagpremies komen te
vervallen. Verbeteringen in de beschikbaarheid van keuze-informatie over
prestaties van zorgverzekeraars dragen bij aan een verdere versterking van de positie van de burger op de zorgverzekeringsmarkt.
De Zorgverzekeringswet
voorziet er hiertoe in dat er een vergelijkend
overzicht beschikbaar is van de elementen die voor hem bepalend zijn bij
het
maken van zijn keuze voor een zorgverzekering. Ook particuliere initiatieven
op dit gebied zoals de Report Card Verzekeraars die momenteel door de
Consumentenbond wordt ontwikkeld, verdienen in dit verband
vermelding.
Meer concurrentie en
invloed voor de zorgverzekeraar
Het wetsvoorstel geeft de
zorgverzekeraars een belangrijke rol in het model van gereguleerde
concurrentie.
Zij treden op als
onderhandelingspartners van de zorgaanbieders als het gaat over de prijs,
inhoud en organisatie van de zorg. Zij mogen bij de uitvoering van de wet
winstbeogend zijn. Naar hun verzekerden hebben zij een wettelijke
zorgplicht, die zij op verschillende manieren kunnen invullen. De
zorgverzekeraars kunnen afspraken maken met zorgverleners en hun verzekerden keuzes
laten binnen het gecontracteerde zorgaanbod. De zorgverzekeraars
kunnen ook de verzekerde geheel zelf laten bepalen tot welke zorgverlener
hij zich wil wenden en de verzekerde de kosten van die zorg vergoeden,
waarbij zij op verzoek van de verzekerde bemiddelen bij het vinden van
zorgverleners. Het gegeven dat alle verzekerden ongeacht leeftijd of gezondheid
jaarlijks van zorgverzekeraar kunnen veranderen, vormt een belangrijke
stimulans voor een goede dienstverlening en een doelmatige zorginkoop en versterkt de concurrentie tussen zorgverzekeraars.
Doordat er geen
risicoselectie mogelijk is, wint het afdwingen van betere prestaties van
zorgaanbieders voor de zorgverzekeraar aanmerkelijk aan belang. De geleidelijke
liberalisering van de zorginkoopmarkt, die voor een belangrijk deel ook
met andere wetgeving wordt ondersteund, zal de positie van de
verzekeraars ten opzichte van de zorgaanbieders versterken.
Door het wegvallen van de
grenzen tussen de verschillende verzekeringsvormen strekt de
verzekerdenmarkt zich voor alle zorgverzekeraars uit tot alle ingezetenen. Dit
betekent voor de huidige ziekenfondsen en particuliere verzekeraars die de
Zorgverzekeringswet willen gaan uitvoeren een aanzienlijke uitbreiding
van het marktpotentieel.
De mogelijkheid voor het
afsluiten van collectieve contracten blijft bestaan. Daarmee kan een
bijdrage geleverd worden aan een geïntegreerd preventie- en
verzuimbeleid en kunnen bijvoorbeeld patiëntenverenigingen afspraken over zorg op
maat maken.
rblz.|5|
Meer maatwerk en
prestatiegerichtheid door zorgaanbieders
De vernieuwing van het
verzekeringsstelsel zal eraan bijdragen dat de verzekeraars hogere eisen
zullen gaan stellen aan hun contracten met zorgaanbieders, zowel
kwalitatief als financieel. Verruiming van de contracteermogelijkheden
voor verzekeraars en aanbieders, prestatiegerichte bekostigingssystemen
(zoals het systeem van diagnose-behandelingcombinaties dat momenteel
wordt ingevoerd) en het beschikbaar komen van vergelijkende
informatie over prestaties van zorgaanbieders ondersteunen deze
ontwikkeling. Zorgaanbieders zullen meer prestatiegericht moeten gaan werken, maar
krijgen ook meer mogelijkheden om zich van elkaar te
onderscheiden en maatwerk te leveren.
Minder bureaucratie en
administratieve lasten
Door genoemde
verschuiving van directe overheidsregulering naar meer verantwoordelijkheid voor
de betrokken partijen in de zorg is het mogelijk onnodige bureaucratie en
de administratieve lastendruk te verminderen. Het huidige stelsel kent
ook veel administratieve rompslomp die voortvloeit uit het "grensverkeer"
tussen ziekenfondsen en particuliere verzekeraars als gevolg van
veranderingen in de inkomenssituatie.
Overheid draagt zorg voor
sociale randvoorwaarden
De regering beoogt een
verzekeringsstelsel te creëren dat enerzijds het nemen van eigen verantwoordelijkheid en marktwerking aanmoedigt en
anderzijds een stevige
verankering geeft aan sociale randvoorwaarden (solidariteit tussen
inkomens en risico’s). Die sociale randvoorwaarden komen tot uitdrukking in
een aantal wettelijke waarborgen.
In de eerste plaats is er
de acceptatieplicht, die een wettelijk verzekerd pakket betreft dat grosso
modo zal overeenkomen met het huidige ziekenfondspakket.
Per verzekeringsmodel dat
een verzekeraar aanbiedt, geldt één nominale premie die voor alle
verzekerden gelijk is, ongeacht hun leeftijd of ziekterisico. Verzekerden jonger dan 18
jaar betalen geen premie. Die wordt voor deze groep uit een
rijksbijdrage gefinancierd. Er komt ook een einde aan de huidige,
willekeurige inkomenseffecten bij grensovergangen tussen ziekenfonds,
particuliere markt en publiekrechtelijke verzekering. Mensen voor wie de hoogte
van de nominale premie gezien hun inkomenssituatie problematisch is, kunnen
op grond van een afzonderlijk wetsvoorstel (Wet op de
zorgtoeslag) voor een zorgtoeslag in aanmerking komen. Met de zorgtoeslag
wordt een belangrijke relatie gelegd tussen draagkracht en de
berekende premielast. Zo krijgt de solidariteit tussen inkomens een duidelijke
en herkenbare plaats in het nieuwe stelsel van ziektekostenverzekering.
Werkgevers dragen bij aan
de financiering door middel van een verplichte werkgeversbijdrage (in de
vorm van een verplichte vergoeding aan hun werknemers over de door
deze werknemers over het loon verschuldigde inkomensafhankelijke
bijdrage). De inkomensafhankelijke bijdragen worden aangewend om een
goed werkend systeem van risicoverevening in stand te houden.
Uitkeringen uit het vereveningsfonds voorkomen dat er voor de
zorgverzekeraar financiële nadelen voortvloeien uit een onevenredige verdeling
van verzekeringsrisico’s.
Het wetsvoorstel voorziet
tevens in een wettelijk geregeld onafhankelijk toezicht op de
zorgverzekeraars, teneinde de overheid de noodzakelijke informatie te verschaffen
om verantwoording af te leggen aan het parlement over het functioneren van
het zorgverzekeringsstelsel als geheel.
rblz.|6|
Tot slot
Tegen de achtergrond van
de hervormingen in het zorgstelsel in de laatste vijftien jaar (zoals
invoering van mededinging in de ziekenfondsverzekering en invoering van
solidariteitsoverdrachten in de particuliere verzekeringen) acht de regering de
wettelijke regeling van de nieuwe zorgverzekering eerder een logische, noodzakelijke vervolgstap dan een breuk met het
verleden. De regering
kiest, gelet op de private elementen die zowel de ziekenfondsverzekering
als de particuliere verzekeringen zijn blijven kenmerken, bewust voor een privaatrechtelijke vormgeving van de zorgverzekering.
Van belang is daarbij dat
de Europese Commissie als vanzelfsprekend aanneemt dat de vrijheid
van de lidstaten van de Europese Unie om hun stelsel van sociale zekerheid naar eigen inzichten in te richten,
ook de vrijheid
impliceert de dekking van het verzekeringsrisico over te laten aan private
verzekeringsondernemingen. Daarbij kunnen in het algemeen belang eisen aan
die ondernemingen worden gesteld. Ruimte voor eigen initiatief en
ondernemerschap gaat in het wetsvoorstel gepaard met sterke
publieke randvoorwaarden. Op deze wijze kunnen de sociale traditie van het
ziekenfonds en de markttraditie van de particuliere verzekering worden
samengebracht. Zowel ziekenfondsen als particuliere ziektekostenverzekeraars
kunnen zich omvormen tot verzekeringsmaatschappijen die als zorgverzekeraars
de
Zorgverzekeringswet uitvoeren. Aldus is de continuïteit
in het functioneren van het zorgstelsel genoegzaam gewaarborgd. Alle
verzekerden zullen onder de paraplu van de Europese
socialezekerheidsverordening komen. De verzekerden die in het buitenland
wonen of
verblijven, kunnen ter plaatse medische zorg genieten ten laste van de
Nederlandse verzekering.
De
Zorgverzekeringswet vervangt de Ziekenfondswet
(Zfw), de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen 1998 (Wtz 1998) en de Wet medefinanciering
oververtegenwoordiging
oudere ziekenfondsverzekerden (Wet MOOZ), die met het
van kracht worden van dit wetsvoorstel worden ingetrokken. Onderstaande
tabel geeft een schematisch overzicht van de belangrijkste hierboven
beschreven veranderingen uit hoofde van dit wetsvoorstel.
| |
Knelpunten huidig stelsel
van zorgverzekeringen |
Aanpak
Zorgverzekeringswet |
| Burger |
Onvoldoende
invloed en keuzemogelijkheden |
•
Zorgverzekering met acceptatieplicht neemt
belemmeringen weg voor keuze uit verzekeraars
(zoals de huidige inkomensgrens, selectie op basis van
gezondheidstoestand, verplichte deelname aan een collectief contract of
publiekrechtelijke regeling)
• Keuze uit divers aanbod
verzekeringsmodellen: natura/restitutie/vrijwillige eigen risico’s
• Grotere transparantie
door zorgverzekering
• Toename concurrentie
stimuleert verzekeraars en aanbieders tot cliëntgericht handelen |
| Ongewenste
inkomenseffecten |
•
Met de Zorgverzekeringswet vervallen inkomenseffecten
voor burgers die moeten overstappen
tussen ziekenfonds en particuliere verzekering en ongelijke behandeling
van kinderen en partners
• Inkomenscompensatie via
zorgtoeslag |
| Onvoldoende eigen
verantwoordelijkheid |
•
Significante nominale premie
• No-claimteruggaveregeling |
| Door
premiestijgingen komt betaalbaarheid zorg in het geding |
•
Prikkels voor
verzekerden, verzekeraars en aanbieders om bij te dragen aan betaalbaarheid zorg |
| Zorgverzekeraar |
Verbrokkelde markt met ongelijk speelveld particulier/ziekenfonds |
•
Creatie van één
homogene, transparante markt met gelijke spelregels voor alle
zorgverzekeraars |
| Zorgverzekeraars treden
richting aanbieders nog onvoldoende op als
contractpartijen die doelmatige, kwalitatief
hoogwaardige zorg afdwingen |
•
Verbod op risicoselectie
geeft alle verzekeraars dezelfde oriëntatie: beter sturen op doelmatigheid
en kwaliteit aanbod
• Alle verzekerden kunnen
stemmen met de voeten en hebben daarbij ook een groter financieel
belang
• Ruimte voor
ondernemerschap wordt groter: de focus van zorgverzekeraars op de doelmatigheid en
kwaliteit van het zorgaanbod maakt geleidelijke deregulering
mogelijk
• Toestaan winstmotief aan
zorgverzekeraars |
| Te veel administratieve
lasten |
•
Zorgverzekering leidt tot vereenvoudiging regelgeving en
wegvallen doelmatigheidstoezicht |
| Zorgaanbieder |
Zorgaanbieders zijn onvoldoende prestatie- en vraaggericht |
•
Versterkte positie
zorgverzekeraar en burger stimuleert zorgaanbieder tot betere prestaties
• Geleidelijke deregulering
vergroot ruimte voor ondernemerschap en mogelijkheid tot leveren
maatwerk |
rblz.|7|
II. Achtergrond van het
wetsvoorstel
Eisen aan het systeem van
gezondheidszorg
De regering acht het een
blijvende overheidsverantwoordelijkheid dat noodzakelijke
gezondheidszorg van goede kwaliteit voor alle Nederlanders toegankelijk is, ongeacht
hun leeftijd, gezondheidstoestand of inkomenspositie. Een
solide borging van dit publieke belang stelt hoge eisen aan het systeem van
gezondheidszorg, zowel op medisch en zorginhoudelijk gebied als vanuit een
oogpunt van doelmatige uitvoering en beheerste
kostenontwikkeling.
De laatste jaren is het
besef toegenomen dat met het huidige stelsel van organisatie en
financiering van de zorg niet langer op een evenwichtige manier aan deze eisen kan
worden voldaan. De geleidelijk gegroeide, gedetailleerde
overheidssturing binnen het zorgstelsel vormt steeds meer een belemmering voor een
kwalitatief goed en doelmatig functionerende zorgsector. Een teveel
aan centrale regelgeving en het ontbreken van adequate (markt)prikkels
staan thans in de weg aan het realiseren van een innovatief zorgaanbod met
een goede prijs-prestatieverhouding. Daarnaast roept ook de aanzienlijke
stijging van de zorguitgaven van de laatste jaren als zodanig vragen
op over de houdbaarheid van het stelsel op langere termijn.¹
1. In 2001 en 2002 groeide
het zorgvolume in totaal met ruim 14%. De reële economische groei bedroeg in die
periode zo’n 1,5%. De zorgquote
(aandeel van de zorguitgaven in het bruto binnenlands product) steeg van zo’n
8,5% in 2000 naar circa 9,7% in 2003.
Toekomstige
ontwikkelingen
De eisen die aan het
gezondheidszorgsysteem worden gesteld, zullen de komende jaren alleen maar
toenemen. De Nederlandse bevolking vergrijst en krijgt daardoor een
steeds grotere zorgbehoefte. Die ontwikkeling zal zich, gezien de
samenstelling van de bevolking, nog tientallen jaren voortzetten.
Langetermijnprognose
vergrijzing Nederlandse bevolking (Bron: CBS, Statline
1 september 2004):
| |
Totaal |
65+ |
75+ |
85+ |
| |
Aantal in
miljoen
personen |
Aantal in
miljoen
personen |
Percentage
van het
totaal |
Aantal in
miljoen
personen |
Percentage
van het
totaal |
Aantal in
miljoen
personen |
Percentage
van het
totaal |
| 2003 |
16,20 |
2,22 |
14% |
1,00 |
v6% |
0,23 |
1% |
| 2010 |
16,67 |
2,49 |
15% |
1,11 |
v7% |
0,29 |
2% |
| 2020 |
17,21 |
3,19 |
19% |
1,30 |
v8% |
0,32 |
2% |
| 2030 |
17,61 |
3,82 |
22% |
1,75 |
10% |
0,40 |
2% |
| 2040 |
17,71 |
4,13 |
23% |
2,06 |
12% |
0,55 |
3% |
rblz.|8|
Ook het profiel van de
zorgvrager is aan verandering onderhevig. De burger heeft meer
uitgesproken wensen ten aanzien van de aard en kwaliteit van de geboden zorg.
Daarnaast is er de voortgaande ontwikkeling in de medische technologie,
die maakt dat er steeds meer mogelijk wordt. Dit alles brengt echter
ook aanzienlijke kosten met zich.
In de periode 1998-2002
is het aandeel van de zorgkosten in het bruto binnenlands product sterk toegenomen, sterker dan in andere Europese
landen. Dit heeft
geresulteerd in een zorgquote ultimo 2003 van circa 9,7%.
Langetermijnverkenningen van de Sociaal-Economische Raad (SER), het Centraal Planbureau
en de Studiegroep begrotingsruimte geven aan dat Nederland er zich op
moet voorbereiden dat deze quote als gevolg van de genoemde
ontwikkelingen kan oplopen naar 13 à 15% in 2040. Deze kostenstijging wordt
niet alleen door de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ)
veroorzaakt, ook de uitgaven aan curatieve zorg nemen toe naarmate meer
mensen ouder worden.
Noodzaak tot herziening
van het zorgstelsel
Met het oog op de
gestelde en soms ook niet goed met elkaar te verenigen huidige en toekomstige
eisen acht de regering een herziening van het stelsel van
organisatie en financiering van de gezondheidszorg noodzakelijk. Immers, de voor een deel
onvermijdelijk oplopende zorgquote vereist des te meer dat
het zorgstelsel met de schaarse beschikbare middelen optimaal
presteert. Om ook in de toekomst de kwaliteit van onze gezondheidszorg te kunnen
waarborgen, dient het veranderend vermogen van de zorgsector te groeien. Met het oog op de
betaalbaarheid van de
gezondheidszorg zijn een
doelmatige verlening van zorg én een gepast zorggebruik nodig. De
organisatie- en financieringsstructuur van de zorg dienen daarvoor meer en
betere stimulansen te verschaffen. Het waarborgen van de
toegankelijkheid van de zorg vereist dat het zorgstelsel wordt geschraagd door een
robuust georganiseerde risico- en inkomenssolidariteit.
Om deze doelstellingen te
bereiken, streeft de regering naar een nieuwe balans in de verdeling
van verantwoordelijkheden tussen overheid en maatschappelijke actoren.
Die balans krijgt gestalte door het geleidelijk verminderen van directe
overheidsregulering van het zorgaanbod, onder het gelijktijdig doen ontstaan van meer vrijheden én verantwoordelijkheden
voor de actoren in de
zorg: zorgaanbieders, zorgverzekeraars en zorgvragers
respectievelijk verzekerden. De regering streeft daarmee naar een stelsel
van
gereguleerde marktwerking, waarin de overheid steeds meer zal optreden als
kadersteller en toezichthouder. Binnen de door de wetgever geformuleerde
kaders krijgen de betrokken actoren meer keuzemogelijkheden, beleids- en
beslissingsruimte én meer concurrentieprikkels. Er treedt aldus een verschuiving op van directe regulering van
het zorgaanbod door de
centrale overheid naar regulering van markten waarop
verzekerden/zorgvragers, zorgverzekeraars en aanbieders van zorg elkaar ontmoeten.
Hierbij past ook dat het
zorgsysteem de burger er, meer dan thans het geval is, toe aanzet zijn
eigen verantwoordelijkheid te nemen voor zijn gezondheid, zijn
gezondheidszorg en de verzekering tegen ziektekosten. Hij dient ook de
mogelijkheid te krijgen aan die verantwoordelijkheid daadwerkelijk invulling
te geven. Tegelijk mag het vergroten van die eigen verantwoordelijkheid niet
met zich brengen dat degenen die minder in staat zijn deze waar te
maken, op enigerlei wijze van de zorg worden uitgesloten.
rblz.|9|
Condities voor
gereguleerde concurrentie
De werking van
concurrentie in de gezondheidszorg is complex. Drie onderling verbonden
marktpartijen moeten ondanks obstakels als kennisasymmetrie en "moral
hazard" een
toegankelijke, kwalitatief hoogwaardige en doelmatige
gezondheidszorg bewerkstelligen. Binnen die driehoeksrelatie kan onderscheid gemaakt
worden tussen de zorgverzekeringsmarkt, de
zorgverleningsmarkt en de zorginkoopmarkt.
De zorginkoopmarkt
bestaat op zijn beurt weer uit verschillende segmenten of deelmarkten
als gevolg van verschillen in de aard van de verleende zorg. Al
naargelang de zorgverlening niet-uitstelbaar of juist planbaar is, complex in
de zin van multidisciplinair of eenvoudig (monodisciplinair), kapitaalintensief of
kapitaalextensief, kunnen de mogelijkheden voor concurrentie
variëren. Omdat de uitkomst van deze marktprocessen in hoge mate afhankelijk
is van het gedrag van genoemde partijen, heeft de
overheid de cruciale rol om de juiste condities te scheppen, de juiste
spelregels op te stellen en daarop toezicht te regelen.
Wil het concept van
gereguleerde marktwerking goed kunnen werken, dan dient het verzekerings-
en financieringssysteem daar qua structuur goed bij aan te sluiten. De
bestaande structuur schiet daarin tekort omdat verschillende
verzekeringsarrangementen, met verschillende en soms tegengestelde prikkels
naast elkaar bestaan. Zo wordt in de particuliere verzekering
risicoselectie beloond, terwijl deze in de ziekenfondsverzekering is uitgesloten. Ook zijn
er verschillen in overstapmogelijkheden en in verantwoordelijkheden
jegens de verzekerden. De regering acht het bestaan van deze
verschillen prohibitief voor de ontwikkeling van een gezonde en volwaardige
ontwikkeling van zowel de zorgverzekerings- als de zorginkoopmarkt. De in
de visie van de regering noodzakelijke versterking van marktprikkels en
checks and balances in de betrekkingen tussen de hoofdrolspelers in de
zorg vergt dat er één homogene markt is voor verzekeraars, in die zin dat alle
verzekeraars aan dezelfde spelregels zijn onderworpen, zowel jegens hun verzekerden als jegens de zorgaanbieders en
de overheid. Dit
wetsvoorstel voorziet daarin. Alhoewel het nieuwe verzekeringsstelsel
evenals het bestaande private en publieke kenmerken combineert, wint het ten
opzichte van het huidige stelsel duidelijk aan transparantie en
homogeniteit.
Zorgverzekeraars zullen
in onderlinge concurrentie voor hun verzekerden optreden. In de visie van
de regering gaat het om een nieuw type verzekeraar dat zowel kenmerken heeft
van de bestaande particuliere verzekeraar als van het huidige
ziekenfonds. De zorgverzekeraars vervullen de door de regering gewenste centrale rol in het model van gereguleerde concurrentie
als zij optreden als
doelmatige, klantgerichte regisseurs van de zorg. Om dat te
bevorderen, hebben de zorgverzekeraars een wettelijke zorgplicht. De financiering van zorgverzekeraars wordt bovendien zo
ingericht dat zij zich
vooral op zorgregie gaan richten en niet op het selecteren van verzekerden op basis
van hun gezondheidsvooruitzichten. Daarvoor is nodig dat ze in
voldoende mate risicodragend zijn, dat er een adequaat
risicovereveningssysteem is en dat er gezonde concurrentieverhoudingen zijn.
Het Centraal Planbureau
heeft in zijn studie "Zorg voor concurrentie" ¹ de belangrijkste voorwaarden
voor concurrentie benoemd. Een eerste is de betwistbaarheid van
marktposities. Zoals de regering de afgelopen jaren in vele nota’s en
wetsvoorstellen heeft uiteengezet, heeft de deregulering van de aanbodkant van de
zorginkoopmarkt in Nederland hoge prioriteit. Het gaat hier met name om
de verruiming van de mogelijkheden voor opleiding tot het
artsenberoep en voor het kunnen starten van ondernemingen die zorg aanbieden. De
voorgestelde vernieuwingen van de rblz.|10|
Wet tarieven
gezondheidszorg (Wtg) en de vervanging van de Wet ziekenhuisvoorzieningen door de
Wet
toelating zorginstellingen zijn hoofdzakelijk hiervoor bedoeld. Deze
wetten maken het mogelijk dat de toelating tot de markt niet afhankelijk is
van een bouwvergunning, dat winstoogmerk kan worden toegestaan en dat
er maatwerk kan worden geleverd bij het prijsbeleid. Deze maatregelen worden
met dit wetsvoorstel nog versterkt door de functionele
omschrijving van de wettelijke aanspraken. Daarmee krijgen verzekeraars en
verzekerden meer mogelijkheden om voor vernieuwende doelmatige oplossingen te
kiezen waarmee nieuwe vormen van zorgaanbod worden
gestimuleerd.
Een andere door het
Centraal Planbureau benadrukte voorwaarde is de transparantie van
markten. Die is nodig om een evenwichtige onderhandelingssituatie tussen de vraag- en
aanbodzijde tot stand te kunnen brengen. De regering bevordert
daarom de noodzakelijke ontwikkeling en invoering van instrumenten voor prestatiemeting, heldere verantwoording over de
geleverde kwaliteit en
consumenteninformatie. Evenals de maatregelen om de concurrentie op de
zorgmarkten te bevorderen, zijn deze maatregelen niet allemaal in extenso
onderwerp van dit wetsvoorstel.
Datzelfde
geldt voor het sectorspecifieke toezicht dat nodig is om de concurrentie in de
gezondheidszorg op een verantwoorde manier te stimuleren en waar nodig
te corrigeren. Cruciaal in dit verband is de oprichting van een sterke
Zorgautoriteit. De regering heeft zich ten doel gesteld de wet die
daarvoor de basis vormt tegelijk met de
Zorgverzekeringswet in werking te doen
treden. Voor een meer uitgebreide beschrijving van doel, taken en
bevoegdheden van de Zorgautoriteit zij verwezen naar de brief van de
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) van 10 september
2004.²
De regering is van mening
dat met hetgeen in de Zorgverzekeringswet is geregeld in samenhang met
wat daarbuiten op de gezondheidszorgmarkten wordt verbeterd op het
terrein van mededinging, transparantie en toezicht, de
voorwaarden kunnen worden vervuld om de gewenste uitkomst van de
marktwerking in de Nederlandse gezondheidszorg te bewerkstelligen. De
regering onderschrijft daarmee de conclusie die het Centraal Planbureau in de
eerder genoemde studie trekt, namelijk "dat het door het kabinet
voorgestane zorgstelsel, meer dan het huidige stelsel, perspectief biedt op zorg
die zowel kosteneffectief als toegankelijk is en dat onzekerheden die met
een nieuw stelsel gepaard gaan de invoering ervan niet in de weg behoeven te
staan".
1. Centraal Planbureau,
"Zorg voor concurrentie, een analyse van het
nieuwe zorgstelsel", januari 2003.
2. Kenmerk Z/PB-2516069.
Stapsgewijze invoering
van concurrentie
De regering acht
bovenstaande conclusie te meer gerechtvaardigd, daar zij kiest voor een
stapsgewijze en weloverwogen aanpak bij de toepassing van concurrentie.
Al naargelang de mogelijkheden de zorgverlening in concrete producten en
diensten te kunnen uitdrukken en afhankelijk van de karakteristieken van
de verschillende deelmarkten, zoals hierboven beschreven, wordt het
concurrentiemechanisme geactiveerd. Door dit stapsgewijs te doen, zijn
de gevolgen overzienbaar en kunnen de opgedane ervaringen bij volgende
stappen worden benut. De eerste stappen zullen worden gezet bij
ongeveer 10% van de ziekenhuiszorg en bij de fysiotherapie. De Tweede
Kamer is hierover separaat geïnformeerd.¹
1. Kamerstukken II 2003-2004, 29 248, nr. 5, en Kamerstukken II 2003-2004,
29 200, XVI, nr. 276.
Ontwikkeling van het
stelsel van ziektekostenverzekeringen voor geneeskundige zorg
Ziektekostenverzekering
is in Nederland heel lang een louter private aangelegenheid geweest. Vanaf het
begin
van de 20e eeuw zijn diverse pogingen gedaan de
ziektekostenverzekering wettelijk te regelen, maar tot 1941 zijn alle pogingen
daartoe steeds mislukt.¹
Nederland kende tot dat
jaar een stelsel van private ziekenfondsen. Naar rblz.|11|
burgerlijk recht waren
ziekenfondsen - overwegend - onderlinge waarborgmaatschappijen. Individuen
konden
vrijwillig lid worden van een ziekenfonds. Tegen een vaste premie
boden de ziekenfondsen hulp in natura. Primair omvatte de hulp
waarop aanspraak bestond huisartsenhulp. Ziekenfondsen betaalden huisartsen een abonnementshonorarium, dat
wil zeggen een vast
bedrag per ingeschreven ziekenfondspatiënt per jaar. Voor dat bedrag kon de
patiënt de huisarts elke keer raadplegen als dat nodig was. Toen in de
medische beroepsuitoefening meer specialisatie ontstond, bepaalden de
ziekenfondsen in hun verzekeringsvoorwaarden dat een medisch
specialist alleen voor rekening van het ziekenfonds mocht worden
geraadpleegd als er een verwijzing van de huisarts was. Het ziekenfonds werd
gezien als een sociale instelling die er vooral moest zijn voor mensen met een
laag inkomen. Tegen een lage premie werd voor de
ziekenfondsverzekerden de toegang tot de gezondheidszorg gewaarborgd. Artsen namen
genoegen met lage tarieven, maar bedongen dat ziekenfondsen mensen
die "particuliere" tarieven konden betalen niet als verzekerde zouden
toelaten. Onder druk van de artsenorganisatie namen de ziekenfondsen in
hun statuten een "welstandsgrens" op. Mensen die meer
verdienden dan deze welstandgrens mochten niet worden toegelaten tot het
ziekenfonds, of moesten, als zij verzekerd waren, bij overschrijding
van de welstandsgrens het ziekenfonds weer verlaten. Het
verschijnsel welstandsgrens (of loongrens/inkomensgrens) speelt tot op de dag van
vandaag een rol in de Nederlandse ziekenfondsverzekering.
Ziekenfondsen waren, als
gezegd, sociale instellingen die zich sterk door solidariteitsoverwegingen
lieten leiden. Het verschijnsel medische selectie kwam nauwelijks voor; de
premies voor jong en oud, ziek en gezond, waren gelijk. Er was wel
concurrentie tussen ziekenfondsen, maar die spitste zich niet toe op risicoselectie. In 1940 was ruim 50% van de bevolking
vrijwillig ziekenfondsverzekerd, en dat was het minst welgestelde deel.
Tijdens de Tweede
Wereldoorlog is de ziekenfondsverzekering alsnog in de publiekrechtelijke
sfeer gekomen. Onder invloed van de Duitse sociale wetgeving van Bismarck
werd de ziekenfondsverzekering verplicht voor werknemers met een loon
onder een bepaalde grens (de loongrens).² De ziekenfondsen behielden
hun privaatrechtelijk karakter, maar moesten om de verplichte verzekering
te kunnen uitvoeren, door de overheid worden toegelaten. Er kwam
overheidstoezicht op de ziekenfondsen. Voor de verplicht verzekerden
werd de hoogte van de premie inkomensafhankelijk. Het naturakarakter van
de verzekering, met daaraan gekoppeld het stelsel van overeenkomsten met
(private) zorgaanbieders, bleef volledig intact. Het Ziekenfondsenbesluit
1941 ³ bleef, ontdaan van ongewenste aspecten uit de bezettingstijd, na
de Tweede Wereldoorlog en het herstel van het democratische
parlementaire stelsel gehandhaafd en heeft tot 1964 gefunctioneerd. Toen kwam
de Zfw tot stand die, hoewel vele malen gewijzigd, nog steeds van
kracht is. De verhouding ziekenfonds-verplicht verzekerde kreeg een
publiekrechtelijk karakter. Ziekenfondsen konden aan niet-verplicht
verzekerden met een inkomen onder de inkomensgrens op vrijwillige (en privaatrechtelijke) basis een ziekenfondsverzekering
blijven aanbieden.
Voor groepen ambtenaren
werkzaam bij lagere overheden kwamen in de jaren ’50 specifieke publiekrechtelijke ziektekostenvoorzieningen tot stand.
1. Zie hieromtrent:
memorie van toelichting bij de ontwerp-Ziekenfondswet:
Kamerstukken II 1961-1962, 6808, nr. 3, blz. 6-8.
2. Hoewel de
premiebetaling verplicht was, gold de verhouding
ziekenfonds-verplicht verzekerde onder de vigeur van het Ziekenfondsenbesluit
toch als een
privaatrechtelijke verzekeringsverhouding;
aldus HR 13 maart 1959, NJ 1962, nr. 339.
3. Besluit van 1 augustus
1941, Verordeningenblad voor het bezette
Nederlandsche gebied, 1941, nr. 160.
Met het stijgen van de
kosten van de gezondheidszorg werd het ook voor hoger betaalden steeds
meer een noodzaak zich tegen ziektekosten te verzekeren. Het was
ziekenfondsen niet toegestaan die hoger betaalden verzekeringen aan te
bieden. En zo ontstonden naast de ziekenfondsen particuliere ziektekostenverzekeraars. Binnen de particuliere ziektekostenverzekering
geldt, naast een nominale premieheffing, een stelsel van restitutie: de verzekerde
krijgt de kosten die hij voor geneeskundige rblz.|12|
verzorging heeft moeten
maken, voor zover door de polis gedekt, van de verzekeraar vergoed. Veel
particuliere ziektekostenverzekeraars zijn in de jaren ’50 van de 20e
eeuw door en vanuit ziekenfondsen opgericht. Die nieuwe verzekeraars
gingen geleidelijk aan meer hun eigen weg, vooral ook omdat het via wetgeving aan ziekenfondsbestuurders verboden
werd
om ook zitting te nemen
in het bestuur van een particuliere verzekeringsinstelling. Aldus voltrok zich een
scheiding tussen het "publieke" ziekenfondssegment en het
"private" ziektekostenverzekeringssegment. Voor particuliere ziektekostenverzekeringen golden lange tijd geen andere
wettelijke regels dan de
algemene regels voor het schadeverzekeringsbedrijf. De overheid bemoeide zich
niet met de inhoud van de verzekeringspakketten, noch met de premie en het
acceptatiebeleid.
Lange tijd volgden de
particuliere verzekeraars het acceptatie- en premiebeleid dat gangbaar was in de
vrijwillige ziekenfondsverzekering. Risicoselectie kwam nauwelijks voor,
evenmin als premiedifferentiatie naar leeftijd. Daarin kwam in
de jaren ’70 en ’80 verandering. Vóór die tijd richtten de particuliere
verzekeraars zich nauwelijks op de groep vrijwillig ziekenfondsverzekerden.
Op den duur werd het voor jongeren steeds aantrekkelijker zich
particulier te verzekeren. Steeds meer particuliere verzekeraars boden jongeren polissen met een lager premieniveau dan
dat van de vrijwillige
ziekenfondsverzekering. Ouderen werden daarentegen met steeds hogere premies
geconfronteerd. Voor hen was het vaak aantrekkelijk om over te
stappen naar het vrijwillig ziekenfonds. Het vrijwillig ziekenfonds kwam in een
spiraal van uitstroom van goede risico’s en instroom van slechte
risico’s. In 1986 besloot de overheid de vrijwillige ziekenfondsverzekering op
te heffen. Sindsdien kennen wij in Nederland nog uitsluitend de
verplichte ziekenfondsverzekering. Een deel van de vrijwillig
ziekenfondsverzekerden werd krachtens wettelijke aanwijzing verplicht verzekerd, een
ander deel was voortaan aangewezen op de particuliere ziektekostenverzekeringsmarkt.
De particuliere verzekeraars kregen een groter aantal
potentiële klanten, maar werden ook met bijzondere wettelijke maatregelen
geconfronteerd. De Wtz deed haar intrede, later opgevolgd door de Wtz
1998.
Ingevolge deze wet zijn
particuliere ziektekostenverzekeraars verplicht naast de
maatschappijpolissen die zij in aanbieding hebben, ook een zogenaamde overeenkomst
van standaardverzekering (Wtz-standaardpakketpolis) aan te bieden, waarvan de
inhoud aan wettelijke voorschriften moet beantwoorden. De
verzekeraars zijn verplicht bepaalde groepen krachtens de wet
aangewezen personen desgevraagd te accepteren voor een
Wtz-standaardpakketpolis. Deze groepen personen omvatten onder meer:
- voormalig vrijwillig
ziekenfondsverzekerden;
- voormalig verplicht
ziekenfondsverzekerden die het ziekenfonds wegens
loongrensoverschrijding hebben moeten verlaten;
- uit het buitenland
afkomstige personen.
Een belangrijke groep die
hieraan later is toegevoegd, betreft alle niet-verplicht verzekerden van
65 jaar of ouder.
De overheid stelt de
premie voor de Wtz-standaardpakketpolis vast. Deze is voor de desbetreffende
risicogroepen niet kostendekkend. Het tekort wordt in de vorm van een
solidariteitstoeslag omgeslagen over de andere particulier verzekerden
(omslagheffing Wtz). Over de risicogroepen die onder het acceptatieregime van de Wtz 1998 vallen, lopen de particuliere
ziektekostenverzekeraars
in het geheel geen risico. In Nederland is ongeveer 35% van de bevolking
particulier verzekerd tegen ziektekosten, maar voor een deel van deze
groep, de Wtz-verzekerden, geldt een regime dat heel dicht in de buurt
van de wettelijke ziekenfondsverzekering komt.
Voor een goed begrip van
het Nederlandse stelsel van ziektekostenverzekeringen is het van belang te
vermelden dat in 1968, naast de Zfw, een belangrijke tweede
sociale ziektekostenverzekeringswet tot stand kwam: rblz.|13|
de AWBZ. Deze wet bracht
een algemene verzekering voor alle ingezetenen van Nederland tegen zware
medische risico’s, die voor alle burgers als privaat
onverzekerbaar golden, zoals verblijf in een inrichting voor gehandicapten, verblijf
in een verpleeghuis en zeer langdurig verblijf in een ziekenhuis. De AWBZ-verzekering is sterk gemodelleerd naar de
ziekenfondsverzekering,
dat wil zeggen: een naturaverzekering, inkomensafhankelijke premie, overheidstoezicht
e.d. Behalve ziekenfondsen konden ook particuliere ziektekostenverzekeraars en uitvoerders van de publiekrechtelijke ziektekostenregelingen voor ambtenaren toelating
vragen als
uitvoeringsorgaan van de AWBZ. De gedachte was dat iemand die als verzekerde
staat ingeschreven bij een ziekenfonds of particuliere
ziektekostenverzekeraar,
bij diezelfde verzekeraar ingeschreven moet kunnen zijn voor wat
betreft de AWBZ-verzekering. De AWBZ heeft er nadrukkelijk voor
gekozen het particuliere ziektekostenbedrijf bij de uitvoering van deze
socialeverzekeringswet te betrekken. Alle op de Nederlandse markt
werkzame particuliere ziektekostenverzekeraars hebben van de
mogelijkheid ook uitvoering te geven aan de AWBZ gebruik gemaakt. De AWBZ
is in de Nederlandse gezondheidszorg, vooral als verzekering voor
langdurige zorg ("care"), steeds belangrijker geworden.
Het huidige
verzekeringsstelsel voor geneeskundige zorg
Nederland kent aldus
sinds vele decennia een duaal bestel in de verzekering voor "normale"
ziektekosten.¹ Twee derde deel van de bevolking (10,2 miljoen mensen) is van
rechtswege verzekerd in een publiekrechtelijke ziektekostenverzekering
die is geregeld in de Zfw. Deze wet omschrijft de kring van verzekerden,
regelt de premie en omschrijft de aanspraken op zorg, in beginsel
verstrekkingen in natura.
Een derde deel van de
bevolking is niet sociaal verzekerd. Van hen is een deel (0,9 miljoen mensen)
verplicht opgenomen in publiekrechtelijke ziektekostenregelingen
voor ambtenaren in dienst van lagere overheden (gemeente-,
provincieambtenaren en personeel in dienst van de politie). De overigen zijn
aangewezen op particuliere verzekeringen. Dit particuliere segment kent een
onderscheid tussen de particuliere ziektekostenpolissen die iedere particuliere
verzekeraar individueel aanbiedt, de zogenaamde maatschappijpolissen (4,2
miljoen mensen), en de wettelijk gegarandeerde verzekering
voor ouderen en degenen die vanwege hun risicoprofiel van een
maatschappijpolis zijn uitgesloten, de zogenaamde Wtz-standaardpakketpolis
(0,7 miljoen mensen). De laatste categorie is verzekerd op grond van de
Wtz 1998. Een groot deel van de particulier verzekerden (circa twee
derde) is verzekerd via een collectief contract dat de werkgever voor zijn
werknemers sluit. Enkele groepen kennen specifieke regelingen, zoals
militairen. Nederland kent voor "normale" ziektekosten de grootste particuliere
verzekeringsmarkt binnen de Europese Unie.
1. Dat wil
zeggen: de ziektekostenverzekeringen die dekking bieden voor
huisartsenzorg, medisch-specialistische
zorg, ziekenhuisopname, geneesmiddelen,
hulpmiddelen, paramedische zorg e.d.
Mede door het
verbrokkelde systeem in de ziektekostenverzekering en de sterk uiteenlopende
sturingsmechanismen in de onderscheiden verzekeringssoorten heeft de overheid zich de
afgelopen decennia in toenemende mate gedwongen gezien,
met name ook met het oogmerk van kostenbeheersing, regulerend op te treden
ten aanzien van aanbieders van zorg (planningswetgeving;
tarievenwetgeving). Er is sterke roep ontstaan tot deregulering en een
verschuiving van directe regulering door de overheid naar regulering van
markten waarop verzekerden/zorgvragers, uitvoerders van de
verzekering/zorgverzekeraars en aanbieders van zorg elkaar ontmoeten.
rblz.|14|
Verschillen tussen
ziekenfonds- en particuliere verzekering
In de huidige
verzekeringsstructuur wordt een verzekerde, afhankelijk van zijn inkomenspositie,
gezondheidstoestand of -vooruitzichten, geconfronteerd met verschillen in
keuzemogelijkheden (voor verzekeraar en verzekerd pakket) en in
verantwoordelijkheden die zijn verzekeringsinstelling jegens hem heeft.
De ziekenfondsverzekerde
heeft de keuze om jaarlijks van verzekeraar te wisselen, maar heeft geen
mogelijkheid om een vrijwillig eigen risico te nemen of te
differentiëren in het pakket.
Een ziekenfonds is
wettelijk verplicht iedereen die aan de wettelijke vereisten voldoet te
accepteren en iedereen dezelfde nominale premie in rekening te brengen.
Tevens heeft een ziekenfonds de verplichting er zorg voor te dragen dat zijn
verzekerden hun aanspraken op zorg ook daadwerkelijk waar kunnen maken. Daartoe moet het ziekenfonds de zorg voor zijn
verzekerden contracteren.
De ziekenfondsverzekering kent een deels inkomensafhankelijke, deels nominale premie.
De particulier verzekerde
heeft meer keuze ten aanzien van het verzekeringspakket, waaronder ook de
keuze
voor een vrijwillig eigen risico, maar ziet zijn mogelijkheden
om van verzekeraar te wisselen snel afnemen met het stijgen van zijn
leeftijd of verslechteren van zijn gezondheidstoestand. Voor de maatschappijpolis
ontbreekt immers een acceptatieplicht en kan de premie worden
vastgesteld afhankelijk van het risicoprofiel van de verzekerde.
Ambtenaren werkzaam bij gemeenten,
provincies en politie zijn verplicht aangesloten bij de publiekrechtelijke ziektekostenregelingen; zij ontberen
de mogelijkheid om van
verzekeraar te veranderen of een eigen risico te nemen.
Als men op de
particuliere markt eenmaal is aangewezen op een Wtz-standaardpakketpolis,
heeft men geen keuze meer
ten aanzien van het verzekeringspakket of een vrijwillig eigen
risico, want dat is door de overheid vastgelegd.
Particuliere verzekeraars
hebben van oudsher niet de verplichting om zorg voor hun verzekerden te contracteren. Zij restitueren de door hun verzekerden
gemaakte kosten, maar
zijn er niet verantwoordelijk voor dat de verzekerden ook
daadwerkelijk de verzekerde zorg kunnen krijgen. De particuliere verzekering
kent een volledig nominale premie.
Ziekenfondsen en
particuliere verzekeraars kennen dus sterk verschillende oriëntaties als het gaat
om premiebeleid en schadelastbeheersing. Ziekenfondsen kunnen hun schadelast
beheersen door een doelmatige zorginkoop en zijn daarom van nature
gericht op de aanbodzijde van de zorg. Particuliere verzekeraars
beheersen hun schadelast vooral op basis van risicoselectie.
Convergentie van
ziekenfonds- en particuliere verzekeringen
De dualiteit
ziekenfonds-particulier heeft een historische achtergrond die inmiddels aan actuele
maatschappelijke betekenis heeft ingeboet. Nagenoeg niemand kan het zich
veroorloven niet tegen ziektekosten verzekerd te zijn. Het hebben van
een ziektekostenverzekering is voor vrijwel alle burgers een noodzaak.
Inmiddels wordt in de
tarifering in de gezondheidszorg ¹ geen onderscheid meer gemaakt tussen hulp
aan ziekenfondsenverzekerden en hulp aan particuliere patiënten.
Ook andere ontwikkelingen
in de afgelopen jaren hebben de materiële verschillen tussen het
ziekenfonds- en het particuliere terrein gaandeweg verkleind. De wettelijk
geldende bestuurlijke scheidslijnen tussen ziekenfondsen en particuliere
verzekeraars zijn begin jaren ’90 opgeheven. Als gevolg van fusies biedt
thans het merendeel van de zorgverzekeraars zowel de ziekenfonds- als
de particuliere verzekering vanuit hetzelfde rblz.|15|
concern aan. Hoewel in
formele en administratieve zin gescheiden, vinden er doorgaans
gecombineerde marketinginspanningen plaats en maken particulier verzekerden
indirect gebruik van de resultaten van zorgcontracten die ziekenfondsen
sluiten. Daarnaast tekent zich af dat particuliere verzekeraars zich steeds
minder beperken tot uitsluitend het vergoeden van gemaakte kosten en
zich evenals ziekenfondsen gaan richten op het aanbieden van diensten in
de sfeer van gezondheidsvoorlichting en wachtlijstbemiddeling.
Wat betreft de
samenstelling van het verzekeringspakket volgt de particuliere verzekeringsmarkt in hoge
mate de ontwikkelingen die plaatsvinden in de
ziekenfondsverzekering, zoals bij medisch-specialistische zorg die het stadium van
ontwikkelingsgeneeskunde is gepasseerd, en tandheelkundige zorg.
1. Met uitzondering van de
huisartsenzorg.
Ook in bedrijfseconomisch
opzicht zijn ziekenfondsen en particuliere verzekeraars de afgelopen
jaren naar elkaar toegegroeid. Waar de ziekenfondsen stapsgewijs steeds meer
risico zijn gaan dragen in de uitvoering van de Zfw
(in 2003 voor
60% van de uitgaven) en onderling steeds meer concurreren, kregen de
particuliere verzekeraars een vangnet in de Wtz 1998. Over risicogroepen
die onder het acceptatieregime van de Wtz 1998 vallen, lopen de
particuliere verzekeraars in het geheel geen risico meer. Het ging daarbij in 2003
om 33% van de uitgaven voor particulier verzekerden.
Tezelfdertijd worden de
premies van particuliere maatschappijpolissen in toenemende mate bepaald
door solidariteitsbijdragen aan de ziekenfondsverzekering en de Wtz
1998.¹
1. De MOOZ-bijdrage,
voortvloeiend uit de Wet medefinanciering
oververtegenwoordiging oudere ziekenfondsverzekerden, die nodig is omdat er meer ouderen
zijn verzekerd in het ziekenfonds dan in de particuliere verzekering, en de
Wtz-omslagbijdrage,
waarmee het tekort dat ontstaat in de
Wtz-verzekering doordat de premie-inkomsten lager
zijn dan de schade wordt omgeslagen
over alle particulier verzekerden jonger dan 65 jaar.
Het samenbrengen van de
verschillende verzekeringsregimes
Bezien vanuit het
perspectief van de hierboven geschetste ontwikkelingen is het samenbrengen van
de bestaande verzekeringsregimes eerder een logische vervolgstap in
een proces dat reeds langere tijd aan de gang is, dan een radicale breuk
met het verleden. Deze constatering doet, zo meent de regering, niets
af aan de noodzaak van deze samenvoeging, noch wil de regering de
ingrijpendheid daarvan kleiner voorstellen dan zij feitelijk is. Wel wil de
regering aangeven dat het blijven bestaan van grote verschillen in wettelijke
regimes op het terrein van acceptatie, keuzemogelijkheden, verantwoordelijkheden en
financiering steeds moeilijker te accepteren is in een
situatie waar de feitelijke ontwikkelingen convergeren in de gewenste richting.
Het ligt voorts in de rede dat de wetgever uiteindelijk
consequenties verbindt aan het niet langer opportuun zijn van de instandhouding van
uiteenlopende wettelijke (en niet-wettelijke) zorgverzekeringsregimes voor onderscheiden
segmenten van de samenleving. Voor het voortbestaan van
de huidige verbrokkelde structuur zijn geen positieve argumenten meer
voorhanden.
Samensmelting van de
verschillende verzekeringsregimes leidt - en dat is een belangrijk volgend
argument voor doorvoering van deze stelselherziening - tot het voor verdere
deregulering noodzakelijke gelijke speelveld voor verzekerden en
verzekeraars. Bedacht moet worden dat in het verleden in het ziekenfondssegment via het contractenstelsel invloed kon
worden uitgeoefend op
kwaliteit, prijs en volume van de voor de verzekerden beschikbare zorg; dit
contractmechanisme was in het particuliere segment in het verleden
non-existent. Juist de divergentie in sturingsinstrumentarium waarvan in de
onderscheiden verzekeringssegmenten van het "duale" bestel
sprake was, heeft bijgedragen aan de ontwikkeling van sturingsinstrumentarium voor de centrale overheid waarmee de
totale zorg, dat wil
zeggen zowel de ziekenfonds gefinancierde als de "privaat
gefinancierde"
zorg, kon worden aangestuurd. Uit oogpunt van kostenbeheersing is de Wtg
bij voorbeeld vooral voor de door de particuliere rblz.|16|
ziektekostenverzekeraars gefinancierde zorg van betekenis geweest. De ziekenfondswetgeving
bevatte voor de ziekenfondsen reeds volop de mogelijkheid tot
betrokkenheid bij de tariefstelling van de zorgaanbieders. De Wtg introduceerde die
mogelijkheid voor de particuliere ziektekostenverzekeraars, maar vergrootte ook de
mogelijkheid voor de centrale overheid om zich met de
tariefsontwikkeling te bemoeien. Juist de doorgeschoten aanbodregulering uit
hoofde van de Wet ziekenhuisvoorzieningen en de Wtg is velen in het
veld van de gezondheidszorg een doorn in het oog. Terugdringing van
deze overheidsregulering vergt dat alle zorgverzekeraars over dezelfde
mogelijkheden beschikken om sturing aan de zorg te geven en door gelijke marktomstandigheden gedwongen worden
tot actief handelen in
het belang van hun verzekerden. Juist om de terugdringing van de
overheidsbemoeienis met het zorgaanbod te bewerkstelligen, is het van groot belang
dat alle zorgverzekeraars onder dezelfde wettelijke condities op
de markt werkzaam zijn.
Ook uit oogpunt van
transparantie, verlaging van transactiekosten, slechten van schotten in
de financiering en het wegnemen van willekeurige inkomenseffecten die
ontstaan bij de overgang van de ziekenfonds- naar een particuliere
verzekering en vice versa heeft de totstandbrenging van één wettelijk
verzekeringsregime aanzienlijke meerwaarde. Zo is het voor de burger een
onbegrijpelijke situatie dat iemand die met zijn inkomen net onder de
ziekenfondsgrens zit meer premie voor zijn ziekenfondsverzekering verschuldigd is
dan
iemand die met zijn inkomen net boven de ziekenfondsgrens
zit voor zijn particuliere verzekering moet betalen. Ook kan het voor
de burger in hoge mate irritant zijn indien hij door een daling van zijn
inkomen ziekenfondsverzekerd moet worden en daardoor zijn
particuliere verzekering kwijtraakt, terwijl die soms bijzondere dekkingsvoorwaarden
omvat. Als hij dan later door een stijging van zijn inkomen weer terug
moet naar de particuliere verzekering, is het vaak niet mogelijk om tegen
dezelfde premievoorwaarden de oude dekking weer terug te krijgen.
Met name mensen die een chronische ziekte hebben, ondervinden veel
hinder van dit gevolg van de dichotomie van het bestaande
verzekeringsstelsel. Werknemers die vanwege een stijging van hun loon boven de
inkomensgrens voor de ziekenfondsverzekering geraken, zullen veelal
slechts eenmaal met dit fenomeen te maken krijgen. Zelfstandigen daarentegen
kan dat, ondanks de voor deze categorie geldende
middelingsregeling voor het inkomen, meer dan eens overkomen doordat zij doorgaans
een
van jaar tot jaar wisselend inkomen hebben. Op basis van een
globale schatting aan de hand van het aantal in- en uitschrijvingen in de
ziekenfondsverzekering kan ervan worden uitgegaan dat ieder jaar opnieuw
enkele tienduizenden personen hiermee te maken hebben. In zijn
evaluatierapport over de invoering van de ziekenfondsverzekering voor
zelfstandigen ¹ heeft
het CVZ [College voor zorgverzekeringen, red.]
op dit aspect gewezen, zowel voor wat betreft
zelfstandigen als voor werknemers.
1. CVZ,
"Evaluatie
zelfstandigen in de ziekenfondsverzekering", publicatienummer 129, Amstelveen, 24 oktober 2002,
blz. 23).
De wenselijkheid van
uniformering van de financiering van de zorg is reeds verwoord in het
rapport van de commissie-Dekker uit 1987.¹ De commissie-Dekker was van
oordeel dat alleen in een werkelijk vernieuwd verzekeringsstelsel alle
wezenlijke elementen waaraan het stelsel zou moeten voldoen op een
evenwichtige wijze hun plaats zouden kunnen krijgen: doelmatigheid,
solidariteit, keuzevrijheid, flexibiliteit en rechtvaardigheid. Ook alle recente
rapporten die door of aan het kabinet zijn uitgebracht wijzen in de richting van
samensmelting van de verschillende verzekeringsregimes. Zij
kennen alle een grote mate van overeenstemming over vormgeving en inhoud
van de tot stand te brengen verzekering. Zo stelt de SER in zijn advies van december
2000 ² vast dat het huidige
stelsel van
ziektekostenverzekeringen in het licht van de vergrijzing niet genoeg solidariteit kan
organiseren en er onvoldoende mogelijkheden zijn om in te spelen op de
voorkeuren van verzekerden en patiënten. Ook rblz.|17|
knelpunten zoals
wachtlijsten, personeelstekorten en de verschraling van de zorg vragen in de ogen
van de SER om een spoedige modernisering van het stelsel van
ziektekostenverzekeringen en gezondheidszorg. De Raad adviseert een
algemene zorgverzekering in te voeren, waarvoor iedereen wettelijk
verplicht is zich te verzekeren. Dit advies is in grote lijnen overgenomen in de
kabinetsnota Vraag aan bod van juli 2001.³ Het onderhavige wetsvoorstel
zet dan ook op hoofdlijnen de koers voort die eerder al werd uitgezet.
1. Commissie Structuur en
Financiering Gezondheidszorg, "Bereidheid tot verandering", Den Haag, 1987 (Kamerstukken II 1986-1987, 19 945, nr. 1).
2. "Naar een gezond stelsel
van ziektekostenverzekeringen", Sociaal-Economische
Raad, december 2000.
3. "Vraag aan bod,
hoofdlijnen van vernieuwing van het zorgstelsel",
Kamerstukken II 2000-2001, 27 855, nrs. 1-2.
De regering beoogt een
verzekeringsstelsel te creëren dat enerzijds een stevige verankering geeft
aan sociale randvoorwaarden (solidariteit tussen inkomens en tussen
risico’s) en anderzijds het nemen van eigen verantwoordelijkheid en
marktwerking aanmoedigt. Dit leidt tot minder regulering van bovenaf en
bevordert de financiële houdbaarheid.
De inrichtingsvraag van
de verzekering kan derhalve als volgt worden omschreven: hoe kan,
onder waarborging van het sociale karakter van het verzekeringsstelsel,
maximaal ruimte worden gecreëerd voor keuzevrijheid van de verzekerden en
(markt)prikkels voor de - onder gelijke uitgangsposities
opererende - zorgverzekeraars om betaalbare, doelmatige zorg van goede kwaliteit
te realiseren?
Vanuit die vraagstelling
komt de regering tot de volgende invulling van de verzekering:
- Het sociale karakter
van de verzekering, die een verplichte verzekering voor de gehele bevolking
is, krijgt vorm door risico- en inkomenssolidariteit. De risicosolidariteit is
geborgd door een plicht voor zorgverzekeraars om alle Nederlandse
ingezetenen als verzekerden te accepteren voor een door de overheid
vastgesteld basispakket, waarbij een verbod op
premiedifferentiatie naar aan de persoon gerelateerde factoren geldt. Daarbij
hoort een risicovereveningssysteem dat verzekeraars compenseert voor verschillen in
risicoprofiel en dat wordt
gevoed met
inkomensafhankelijke bijdragen van verzekeringsplichtigen en rijksbijdragen. De
inkomenssolidariteit wordt vormgegeven door de invoering van genoemde inkomensafhankelijke bijdrage van
verzekeringsplichtigen en
een wettelijke zorgtoeslag. Overigens zullen de werkgevers verplicht
zijn aan hun werknemers een vergoeding over de door deze werknemers
over het loon verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage te verstrekken.
Ook zullen zorgverzekeraars onderworpen zijn aan specifiek
toezicht en daaruit voortvloeiende informatieverplichtingen.
- Marktprikkels,
keuzemogelijkheden en eigen verantwoordelijkheid krijgen gestalte door een
nominale premie, een risicodragende uitvoering van de verzekering, het
toestaan van het winstmotief aan verzekeraars, functiegericht omschreven
aanspraken, eigen betalingen en de mogelijkheid om jaarlijks
van verzekeraar te wisselen en de daarmee gepaard gaande
concurrentie tussen verzekeraars.
Deze basiselementen laten
zich als volgt specificeren:
• een verzekering voor
de gehele bevolking;
• voor een
functiegericht omschreven standaardpakket van noodzakelijke zorg;
• uit te voeren door
private ondernemingen;
• die een
acceptatieplicht hebben;
• en die gefinancierd
worden door middel van:
a. bijdragen ter hoogte
van ongeveer de helft van de totale zorguitgaven, uit een op te richten zorgverzekeringsfonds dat gevuld
wordt met
inkomensafhankelijke bijdragen van verzekeringsplichtigen en rijksbijdragen;
b. een door de
verzekeraar zelf vastgestelde nominale premie voor verzekerden van 18 jaar
of ouder, die niet naar gezondheid, rblz.|18|
leeftijd of andere aan de
verzekerde gerelateerde factoren gedifferentieerd mag worden;
• waarbij de
verzekeraars om verzekerden concurreren;
• waarbij een verplicht
eigen risico geldt in de vorm van een, in de ziekenfondsverzekering al
ingevoerde, no-claimteruggaveregeling; ¹
• waarbij de
verzekeraars de vrijheid krijgen om, boven de no-claimteruggaveregeling,
varianten van vrijwillige
eigen risico’s met daarbij horende kortingen op de
nominale premie aan te bieden;
• waarbij de
verzekeraars winstoogmerk mogen hebben waarbij winst ten goede kan komen aan
aandeelhouders of leden van een onderlinge waarborgmaatschappij;
• waarbij de
zorgaanbieders, die door de verzekeraars gecontracteerd (kunnen) worden, met
elkaar concurreren;
• waarbij objectieve
informatie over de kwaliteit van het aanbod van verzekeraars en
zorgaanbieders beschikbaar is;
• en waarbij
inkomenseffecten in huishoudingen zoveel mogelijk worden gecompenseerd door
een toeslag, ter grootte van het verschil tussen de genormeerde
kosten voor de zorgverzekeringsovereenkomst en de gemiddelde premie
voor een zorgverzekeringsovereenkomst.
1. Kamerstukken II 2003-2004, 29 483
(voorstel van wet tot wijziging van de Ziekenfondswet in
verband met het invoeren van een no-claimteruggaaf voor verzekerden die geen of
weinig gebruik hebben gemaakt van zorg waarop
ingevolge die wet aanspraak bestaat).
De belangrijkste
wijzigingen van de
Zorgverzekeringswet ten opzichte van de bestaande situatie
kunnen schematisch als volgt worden weergegeven:
| |
Overstap-
mogelijk-
heid |
Keuze-
ruimte
polis |
Vrijwillig
eigen risico |
Risico-
dragende
uitvoering |
Winst-
beogende
uitvoering |
Inkomens-
afhankelijke
premies/
bijdragen |
| Particulier |
gering |
ja |
ja |
ja |
ja |
nee |
| Wtz |
ja |
nee |
nee |
nee |
nee |
nee |
| Ziekenfonds |
ja |
nee |
nee |
deels |
nee |
deels |
| Ambtenaren |
nee |
nee |
nee |
nee |
nee |
deels |
| Zorgverzekering |
ja |
deels |
ja |
rdeels
¹ |
ja |
deels |
1. Het risicodragende deel
neemt geleidelijk toe. Kosten die voor zorgverzekeraars echt niet
beïnvloedbaar zijn, zoals die voor bijzondere medische verrichtingen en
topklinische zorg, zullen buiten de risicodragendheid blijven.
III. Consultatie en advies
In het voorjaar van 2004
zijn diverse bestuursorganen en maatschappelijke organisaties
geconsulteerd over de uitgangspunten die ten grondslag liggen aan dit voorstel
van wet. Daarnaast zijn de Raad voor de rechtspraak, het College bescherming
persoonsgegevens, het Adviescollege toetsing administratieve
lasten en de Algemene Rekenkamer gevraagd te adviseren over een
voorstel van de
Zorgverzekeringswet.
Het advies van de Raad
voor de rechtspraak verscheen op 12 mei 2004 ¹ en gaat onder meer in op de
belasting van de rechterlijke macht, de concentratie van zaken bij een
rechterlijke instantie, de bestuurlijke boete en de rechtspraak in twee
feitelijke instanties en de opbrengst van de ingevorderde boetes. Daarnaast
besteedt de Raad aandacht aan de financiële en organisatorische
consequenties van de invoering van dit
wetsvoorstel. Het belangrijkste aspect
uit dit advies betreft de mogelijkheid van het instellen van beroep tegen besluiten tot het opleggen van boetes aan
verzekerden of
verzekeraars. De Raad adviseert in de
Zorgverzekeringswet beroep in twee feitelijke
instanties op te nemen en baseert zich daarbij op de internationale
mensenrechtenverdragen. De regering heeft dit voorstel van de Raad voor de
rechtspraak overgenomen, vanuit de overtuiging dat er geen twijfel mag
bestaan over de verenigbaarheid van het Nederlandse stelsel van rechtspraak
met de internationale mensenrechtenverdragen.
1. Raad voor de
rechtspraak, brief van 12 mei 2004.
rblz.|19|
Het
College bescherming
persoonsgegevens heeft op 12 mei 2004 advies uitgebracht.¹ Het College
besteedt onder meer aandacht aan het gebruik van het sofinummer, het
gebruik van persoonsgegevens door het College voor
zorgverzekeringen (CVZ) voor risicoverevening, de informatiebepalingen, risicoselectie bij de
aanvullende verzekering, collectieve contracten en het
verzekeren van samenhangende risico’s en het toezicht. In het bijzonder vraagt
het college aandacht voor een adequate onderbouwing voor het verzamelen,
vastleggen en verder verwerken van persoonsgegevens. Indien deze toepassing
een wettelijke grondslag heeft, dan moet die voldoende
specifiek omschreven zijn. Naar aanleiding van dit advies is de bedoelde
onderbouwing in dit wetsvoorstel waar nodig verder aangescherpt.
1.
College bescherming
persoonsgegevens, brief van 12 mei 2004.
Ook het Adviescollege
toetsing administratieve lasten heeft geadviseerd over het onderhavige
wetsvoorstel.¹ Op de inhoud en gevolgtrekkingen van dit advies wordt
ingegaan in hoofdstuk XI van deze toelichting.
1. Adviescollege toetsing
administratieve lasten, brief van 17 mei 2004.
Op grond van artikel 96
van de Comptabiliteitswet
2001 is de Algemene Rekenkamer om een reactie gevraagd op
het wetsvoorstel. De Algemene Rekenkamer ¹ constateert
dat de minister geen inzicht nastreeft in de recht- en doelmatige
besteding van de publieke middelen die aan zorgverzekeraars worden verstrekt.
Het wetsvoorstel voorziet
echter wel in wettelijk geregeld onafhankelijk toezicht op de
zorgverzekeraars, zodat de minister informatie krijgt om verantwoording af te
leggen aan de Staten-Generaal over het functioneren van het zorgstelsel als
geheel. Ingevolge het wetsvoorstel heeft de Algemene Rekenkamer geen bevoegdheid om onderzoek te doen naar de
wijze waarop
zorgverzekeraars de opbrengst van bij of krachtens de
Zorgverzekeringswet ingestelde heffingen
besteden. Zodoende onthoudt de minister naar de mening
van de Algemene Rekenkamer de Staten-Generaal de controleur die deze
informatie kan voorzien van - een door onderzoek verkregen - onafhankelijk oordeel. Vanwege haar grondwettelijke positie ziet de Algemene
Rekenkamer doorbreking van dit systeem van bevoegdheden met grote
zorg tegemoet, ook gelet op mogelijke precedentwerking. Op de positie van de
Algemene Rekenkamer wordt ingegaan in hoofdstuk V,
paragraaf i.
1. Algemene Rekenkamer,
brief van 6 juli 2004.
Daarnaast zijn de
volgende bestuursorganen en maatschappelijke organisaties geconsulteerd over de
uitgangspunten van de
Zorgverzekeringswet:
- zelfstandige
bestuursorganen: CVZ, College van toezicht op de zorgverzekeringen
(CTZ), College tarieven
gezondheidszorg (CTG), Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(UWV), Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa), Pensioen- &
Verzekeringskamer (PVK);
- brancheorganisaties
verzekeraars: Kontaktkommissie publiekrechtelijke ziektekostenregelingen
(KPZ), Zorgverzekeraars Nederland (ZN);
- patiënten/consumentenorganisaties: Consumentenbond, Nederlandse Patiënten Consumenten
Federatie (NPCF);
- werkgeversorganisaties: LTO Nederland, MKB
Nederland, VNO-NCW;
- werknemersorganisaties: CNV, FNV,
MHP.
Sommige organisaties
hebben een schriftelijke reactie opgesteld, mede ter voorbereiding op het
hoofdlijnendebat over de stelselherziening in de Tweede Kamer op 15
april
2004.
De reacties op de
uitgangspunten van de beoogde Zorgverzekeringswet zijn in het algemeen
positief. De noodzaak van een stelselherziening, en in dat verband de invoering
van een algemene verzekering voor curatieve zorg, wordt alom
onderkend. De meeste organisaties hebben in hun reactie de reeds gemaakte
politieke keuzen ¹ en de daaruit voortvloeiende consequenties als een
gegeven beschouwd. Uitgangspunten als een acceptatieplicht, een
zorgplicht en introductie van meer keuzemogelijkheden en verantwoordelijkheden
worden met instemming begroet.
rblz.|20|
In
hoofdlijnen houden de
reacties het volgende in:
- Zelfstandige
bestuursorganen zijn vooral ingegaan op de werking van het toekomstige
zorgstelsel en de gevolgen daarvan voor de eigen organisatie. Deze
reacties zijn ten dele ingegeven vanuit de huidige situatie, hoewel de
constellatie van het zorgstelsel in de toekomst (privaat, meer
verantwoordelijkheden voor partijen) anders is en dat ook gevolgen heeft voor
de rol van de toezichthouders. De gewenste nadere uitwerking van het
takenpakket van de toezichthouders komt aan bod in de wet waarmee
ook positie en taken van de Zorgautoriteit worden geregeld.
- De
consumentenorganisaties hebben geen principiële bezwaren tegen het
wetsvoorstel, maar
stellen wel vragen over de concrete uitwerking ervan. Waar mogelijk is
de regering in het definitieve wetsvoorstel hieraan tegemoet gekomen
en daarnaast zal hieraan aandacht worden besteed bij de
implementatie van de wet.
- De
brancheorganisaties van verzekeraars hebben met name oog voor de ondernemingsruimte van
verzekeraars als de beoogde toekomstige uitvoerders van de
Zorgverzekeringswet. Mede in dat kader is nadrukkelijk aandacht gevraagd voor de
mogelijkheid van collectieve contracten.
- Zowel werkgevers- en
werknemersorganisaties nemen in hun reactie het SER-advies
"Naar een
gezond stelsel van ziektekostenverzekeringen" als vertrekpunt en
zien in de Zorgverzekeringswet veel overeenkomsten met dit advies. Ten
aanzien van enkele onderdelen van de Zorgverzekeringswet komt
men onderling echter tot verschillende oordelen. Zo zijn
werkgeversorganisaties en de MHP tegen een verplichte werkgeversbijdrage (die zoals hiervoor is aangegeven, is
vormgegeven als een door
de werkgevers verplicht aan hun werknemers te verstrekken vergoeding
voor de door deze werknemers over het loon verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage), terwijl FNV en
CNV hier voor zijn. De
regering gaat hier nader op in in hoofdstuk V, paragraaf f, van deze
toelichting. VNO-NCW ziet graag meer ruimte voor marktwerking en concurrentie opdat de beoogde effecten daarvan ten
volle benut kunnen
worden. De regering is van opvatting dat de overwegingen die in de hoofdstukken I
en II van deze toelichting zijn weergegeven, aangeven waarom de visie
van het Verbond slechts ten dele kan worden gevolgd.
1. Zoals verwoord in het
Hoofdlijnenakkoord en de brief aan het
parlement over het rechtskarakter van 19 december 2003
(Kamerstukken II 2003-2004, 23 619, nr.
20).
IV. De vormgeving van de
zorgverzekering
Er zijn in beginsel twee
wegen waarlangs een sociale verzekering voor geneeskundige zorg in
juridische zin tot stand kan komen.
1. De verzekering komt
tot stand door het sluiten van een verzekeringsovereenkomst tussen een burger en
een
verzekeraar (privaatrechtelijk model). Deze verzekering is niet
hetzelfde als een zogenaamde particuliere maatschappijpolis. Ook
die komt tot stand door een verzekeringsovereenkomst, maar kent niet de voor
een sociale verzekering cruciale elementen van verplichte
aansluiting voor de burger, acceptatieplicht voor de verzekeraar,
wettelijk vastgestelde verzekeringsdekking en wettelijk vastgelegde
solidaire financiering.¹
2. De verzekering komt
van rechtswege tot stand indien de burger voldoet aan door de wet
gestelde voorwaarden, zoals het ingezetenschap (publiekrechtelijk
model).
1. Kenmerken voor een
sociale verzekering, genoemd door het Europees
Hof van Justitie in de zaak Poucet/Pistre
(C159/91), 17 februari 1993.
Het onderscheid tussen
publiekrechtelijk en privaatrechtelijk betreft in deze context een verschil
in rechtsbetrekking, een verschil in de wijze waarop de verzekering tot
stand komt. Het onderscheid heeft geen betrekking op de uitvoering van de
verzekering. Ook in een publiekrechtelijk rblz.|21|
model kan de verzekering
door private partijen worden uitgevoerd; ook de huidige ziekenfondsen
zijn private rechtspersonen.
De regering is van
oordeel dat een publiekrechtelijke verzekering met private uitvoering
enerzijds en een privaatrechtelijke verzekering met publieke randvoorwaarden
anderzijds elkaar qua materiële werking weinig behoeven te
ontlopen. In beide arrangementen kunnen sociale waarborgen worden
gecombineerd met marktwerking.
De regering heeft
voorkeur voor een privaatrechtelijke vormgeving van de wettelijke
zorgverzekering met sterke publieke waarborgen.¹ Zij is van oordeel dat de gewenste
helderheid van de verantwoordelijkheidsverdeling tussen overheid, burgers
en zorgverzekeraars langs die weg het beste tot haar recht komt. Een
dergelijke vormgeving is verantwoord omdat zo een sociale verzekering
ontstaat waarin de gewenste ruimte voor ondernemerschap in de zorg van een
stevige wettelijke inkadering en publieke waarborgen wordt
voorzien. Op deze wijze kunnen de sociale traditie van het ziekenfonds en de
markttraditie van de particuliere verzekering worden samengebracht.
Door de combinatie van
sterke publieke waarborgen en een privaatrechtelijke inbedding wordt een
stelsel gecreëerd waarin zowel ziekenfondsen als particuliere
verzekeraars zich kunnen herkennen en waarin zij, in hun nieuwe rol als
zorgverzekeraars, hun verantwoordelijkheden zullen kunnen waarmaken. De
regering beoogt hiermee een zo breed mogelijk draagvlak voor de
vernieuwing van het verzekeringsstelsel te creëren.
1. Zie hierover de brief
aan de Tweede Kamer van 19 december 2003
(Kamerstukken II 2003-2004, 23 619, nr. 20).
Bij de vormgeving van het
nieuwe verzekeringsstelsel heeft de regering zorgvuldig gekeken hoe de beleidsmatige uitgangspunten zodanig vorm
kunnen krijgen dat zij
goed aansluiten bij de internationale regelgeving waaraan Nederland
gebonden is.
Daarbij dient acht te
worden geslagen op de door Nederland geratificeerde internationale verdragen
van de International Labour Organisation (ILO) en van de Raad van
Europa. Doel van deze verdragen is het bieden van sociale bescherming
aan betrokken burgers en het bevorderen van een evenwichtige
concurrentiepositie tussen de ratificerende landen door overeenkomende sociale
lasten. Daartoe kennen deze verdragen verplichtingen met betrekking tot onder
meer de omvang van de te verzekeren groepen personen, het te verzekeren
pakket en de uitvoeringsorganisatie.
Een punt van aandacht is
dat de ILO-verdragen nrs. 24 (Verdrag betreffende de ziekteverzekering van
arbeiders in de industrie en de handel en van huispersoneel) en 25
(Verdrag betreffende de ziekteverzekering van landarbeiders) een verbod
bevatten op de uitvoering van de wettelijke ziektekostenverzekering
door verzekeraars met winstoogmerk. Aangezien dit een aspect is van het
nieuwe verzekeringsstelsel dat de regering juist wil introduceren, heeft
het kabinet het voornemen deze verdragen op te zeggen.¹ De regering acht
dat overigens een logische consequentie van het feit dat Nederland
inmiddels de nieuwere, van kracht zijnde, ILO-verdragen nrs. 102 (Verdrag
betreffende minimumnormen van sociale zekerheid) en 121 (Verdrag
betreffende uitkeringen bij bedrijfsongevallen en beroepsziekten) heeft geratificeerd, die
wat betreft de inhoud overeenstemmen met de ILO-verdragen nrs.
24 en 25, maar geen verbod stellen op het maken van winst.
Van groot belang in het
internationale kader zijn ook de regels van de Europese Unie
hieromtrent.
In dat verband is op 10
januari 2001 de Interdepartementale Commissie Europees Recht (ICER)
verzocht te adviseren over de voorwaarden waaraan een nieuw stelsel
van ziektekostenverzekeringen in het licht van de Europese regelgeving
moet voldoen en aan te geven welke ruimte de Nederlandse overheid
heeft om aan een dergelijk stelsel een goede eigen invulling te geven. Op 29
juli en 29 oktober 2002 is aan de landsadvocaat gevraagd te onderzoeken
of de veronderstelling dat het Europese-Gemeenschapsrecht rblz.|22|
voor
een privaatrechtelijk stelsel voldoende ruimte laat juist is. In
december 2002 heeft de Raad voor de Volksgezondheid & Zorg (RVZ) een rapport
uitgebracht over dit zelfde onderwerp.
1. Bij haar definitieve
standpuntbepaling zal de regering de overwegingen
voor het opzeggen van verdragen zoals die
zijn uiteengezet in de brief van de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de
Tweede Kamer naar aanleiding van de motie
van het lid Van Middelkoop (Kamerstukken
II 1994-1995, 23 900, XV, nr. 44, blz. 4-6)
in acht nemen. In overeenstemming met artikel 5, eerste
lid, onderdeel e, van het op 21 juni 1976
te Genève tot stand gekomen Verdrag
betreffende tripartiete raadplegingsprocedures
ter bevordering van de tenuitvoerlegging van
internationale arbeidsnormen, 1976 (ILO-verdrag
nr. 144, Trb. 1976, 177), en de op
basis van dit verdrag gemaakte afspraken zullen
de sociale partners over het voornemen tot
opzegging van beide verdragen geconsulteerd
worden.
De ICER,¹ de
landsadvocaat ² en de RVZ ³ hebben aangegeven dat totstandkoming van het
verzekeringsstelsel langs de weg van de privaatrechtelijke verzekering het risico
meebrengt dat de Europese richtlijnen inzake het schadeverzekeringsbedrijf
(hierna de "schaderichtlijnen") op de zorgverzekering van toepassing zullen
zijn.
Ter bescherming van de
kopers van verzekeringsproducten enerzijds, en anderzijds ter
bevordering van een "level playing field" bij de
grensoverschrijdende mededinging tussen
verzekeringsondernemingen, verbieden deze schaderichtlijnen
het ten algemene om verzekeringsondernemingen te onderwerpen aan wettelijke voorschriften over acceptatie,
verzekeringsdekking en
premiestelling. Toepasselijkheid van de schaderichtlijnen zou meebrengen dat de
door de regering gewenste wettelijke regeling van toegang voor iedereen, het te verzekeren pakket en de
premiestelling niet
mogelijk zijn. Ten slotte stellen de schaderichtlijnen voorschriften over de
solvabiliteitsmarge waarover een privaatrechtelijke verzekeraar dient te
beschikken voor de uitvoering van zijn verzekeringsonderneming. Deze solvabiliteitseis is
aanmerkelijk hoger dan de reserve die noodzakelijk is voor
een onderneming die een sociale verzekering uitvoert.
1. Interdepartementale
Commissie Europees Recht, "Advies inzake
Europeesrechtelijke aspecten van een stelsel
van ziektekostenverzekeringen", 3 april 2001.
2. Advies van de landsadvocaat van 4 december 2002, "Een nieuw stelsel
van zorgverzekering".
3. Raad voor de
Volksgezondheid & Zorg, "Gezondheidszorg en
Europa: een kwestie van kiezen", december 2002.
De
ICER, de RVZ en de
landsadvocaat baseren hun oordeel dat een privaatrechtelijke
verzekering risicovol is op een terughoudende interpretatie van de Europese regels.
Deze terughoudende interpretatie vloeit voort uit de
veronderstelling dat de uitzonderingsbepaling van de schaderichtlijnen, die toestaat dat ter
wille van een sociale beschermingsconstructie inbreuk wordt gemaakt op
de regels van de schaderichtlijnen, niet zodanig veralgemeniseerd
kan worden dat die van toepassing is op een verzekering die de gehele
bevolking omvat. Voorts wordt het problematisch geacht een inbreuk op de
voorschriften van de schaderichtlijnen te rechtvaardigen met een
beroep op het algemeen belang, met name waar het betreft het aantonen
van noodzaak en evenredigheid van de gekozen oplossing. De
terughoudende interpretatie vindt haar oorsprong in de tendens in de rechtspraak
van het Europees Hof van Justitie om uitzonderingen op de Europese regelgeving strikt uit te leggen. Deze terughoudende
interpretatie komt onder
meer naar voren in de recente arresten van het Europees Hof van
Justitie in de zaken Commissie/België ¹ en Commissie/Italië.²
In de zaak
Commissie/België ging het om de vraag in hoeverre bij een privaatrechtelijke
verzekering afgeweken kan worden van de solvabiliteitsvoorschriften van de schaderichtlijnen
omdat die verzekering onderdeel uitmaakt van het stelsel
van sociale verzekering van een land. Het Europees Hof van Justitie oordeelde dat niet mocht worden afgeweken. In de
zaak Commissie/Italië
oordeelde het Europees Hof van Justitie het beroep van de Italiaanse
regering op het algemeen belang om in afwijking van de schaderichtlijnen
premievoorschriften op te leggen aan private verzekeraars ongegrond.
1. Zie het arrest van het
Europees Hof van Justitie in de zaak
Commissie tegen België (C-206/98), 18 mei 2000.
2. Zie het arrest van het Europees Hof van Justitie in de zaak
Commissie tegen Italië (C-59/01), 25 februari
2003.
Niettegenstaande de
waarschuwende toon van de gegeven adviezen, klonk in de meeste
daarvan ook door dat een evident en helder Europeesrechtelijk toetsingskader voor de
voorgenomen stelselherziening ontbreekt en dat
conclusies slechts met grote voorzichtigheid getrokken kunnen worden. In diverse
commentaren op de adviezen klonk door dat ook een minder
terughoudende interpretatie van de Europese regels mogelijk is. Met name in
juridische commentaren uit de hoek van verzekeraars is te lezen dat regelgeving zoals het kabinet noodzakelijk acht ter
borging van het publieke belang zeer wel gerechtvaardigd zou kunnen rblz.|23|
zijn in het licht van de
uitzonderingsbepalingen zoals die in de Europese schaderichtlijnen zijn
geformuleerd.
Inmiddels hebben zich
ontwikkelingen in Europa voorgedaan die aangeven dat er inderdaad ruimte
is voor een meer extensieve interpretatie van de Europese regelgeving
dan die waarvan werd uitgegaan bij het opstellen van de hiervoor genoemde
adviezen. Zo heeft het Europees parlement in het kader van het
rapport Rocard ¹ de wens tot uitdrukking gebracht om overheidsvoorschriften te
kunnen stellen aan de privaatrechtelijke ziektekostenverzekering waar het betreft de
aanvullende verzekering. Voorts hebben nadere
inlichtingen die in de zomer van 2003 zijn ingewonnen bij de Europese
Commissie de
regering geleid tot de conclusie dat het zeer wel mogelijk is te komen
tot een privaatrechtelijke vormgeving van het beoogde
verzekeringsregime die in overeenstemming is met het geldende Europese rechtskader.
Deze visie van de regering vindt bevestiging in de reactie ² die van de zijde
van de Europese Commissie is ontvangen op de brief waarin de
Nederlandse regering haar voornemens ontvouwt over de inrichting van het
stelsel van sociale ziektekostenverzekering. Hierin wijst de Europese Commissie
erop dat het Europees Hof van Justitie duidelijk heeft gesteld dat,
ongeacht de inrichting van het zorgstelsel van een land, het gekozen systeem het
Europese recht dient te respecteren. Ook verplichtingen uit het
secundaire Europese recht, met name uit
Verordening (EEG) nr. 1408/71 over de
coördinatie van socialezekerheidssystemen, moeten worden nageleefd. De
Commissie bevestigt dat het voorgenomen verzekeringssysteem valt onder de
werkingssfeer van de Verordening. Ook private uitvoerders die
de verzekeringsovereenkomst aanbieden, moeten volgens de Commissie
beschouwd worden als bevoegde organen in de zin van de verordening.
1. Europees parlement 1999-2004,
Report on supplementary health
insurance (2000/2009(INI)).
2. Brief van de Europese
Commissie van 25 november 2003, kenmerk CAB/PvB/D(03)0848.
Wat betreft de Europese
schaderichtlijnen stelt de Commissie dat deze richtlijnen de vrijheid
van een lidstaat om zijn verzekeringssysteem naar eigen inzicht in te
richten niet aantasten. De derde schaderichtlijn bepaalt alleen dat, als een
lidstaat de uitvoering van een sociale verzekering overlaat aan private uitvoerders,
deze uitvoering door elke Europese verzekeringsonderneming die in haar eigen
lidstaat is toegelaten ter hand kan worden genomen op basis
van de vrijheid van vestiging en het vrije verkeer van diensten.
In haar reactie stelt de
Commissie onomwonden dat artikel 54 van de derde schaderichtlijn
ruim dient te worden geïnterpreteerd. Dat wil zeggen dat een privaat
systeem als gedeeltelijk, maar ook als geheel alternatief kan fungeren voor een
publiek systeem.
Vanwege de aard en
gevolgen van een privaat ziektekostenverzekeringssysteem staat de derde schaderichtlijn het een lidstaat toe om specifieke
wettelijke voorschriften
op te leggen aan verzekeraars om het algemeen belang te beschermen.
Voor zover dergelijke voorschriften de vrijheid van vestiging en het vrij
verkeer van diensten beperken, moeten ze noodzakelijk en proportioneel zijn. De
door de regering voorgestelde voorschriften op het gebied van
acceptatie, te verzekeren pakket, verbod op premiedifferentiatie en een vereveningssysteem
kunnen volgens de Commissie gerechtvaardigd worden
met een beroep op het algemeen belang.
De Commissie benadrukt
dat de beoogde voorschriften wel moeten worden opgelegd op een
manier die de werking van de interne markt niet in gevaar brengt. Het
zou, volgens de Commissie, daarnaast nodig kunnen zijn om het
vereveningssysteem te toetsen aan de Europeesrechtelijke bepalingen voor
staatssteun.
De Commissie kan niet
uitsluiten dat een verplichting voor verzekeraars om zorg in natura te
leveren in conflict is met de bepalingen over het vrij verkeer van diensten. Een
dergelijke verplichting zou een belangrijke rblz.|24|
barrière kunnen opwerpen
voor niet-Nederlandse verzekeraars, omdat zij dan moeten contracteren
met lokale zorgaanbieders. De verplichting om zorg in natura te leveren
zou, gezien uitspraken van het Europees Hof van Justitie, in strijd
kunnen zijn met de beginselen van proportionaliteit en noodzakelijkheid.
De Commissie geeft aan
dat ook een wettelijke sociale verzekering volgens het Europees Hof
van Justitie onder de schaderichtlijnen valt als er sprake is van "verzekeren" door private verzekeraars voor eigen risico en op basis van
privaatrechtelijke overeenkomsten. Uitvoering van zo’n verzekering door een
onderneming met een andere rechtsvorm dan expliciet genoemd in de
schaderichtlijnen, sluit de toepasselijkheid van die richtlijnen niet zonder
meer uit. Verzekeringsactiviteiten mogen alleen door verzekeraars worden
uitgevoerd. Zou de regering dus een systeem willen opzetten dat
buiten de schaderichtlijnen valt, dan zou zij ervoor moeten zorgen dat er in
ieder geval geen sprake is van "verzekeringsactiviteiten".
De conclusie is dat op
een privaatrechtelijk vormgegeven verzekeringsstelsel de schaderichtlijnen van
toepassing zijn, maar dat op onderdelen inbreuk op de
voorschriften van deze richtlijnen gerechtvaardigd kan worden met een beroep op
het algemeen belang in algemene zin en op grond van artikel 54 van
de derde schaderichtlijn in het bijzonder. Overigens wijst de Commissie erop
dat het Europees Hof van Justitie als enige bevoegd is om hierover te
oordelen en dat de Commissie niet vooruit kan lopen op het
uiteindelijke oordeel van het Europees Hof van Justitie.
Op grond van de
overwegingen van de Europese Commissie komt de regering tot de conclusie
dat er vanuit internationaalrechtelijk kader geen beletselen hoeven te zijn
die in de weg zouden staan aan een keuze voor een privaatrechtelijke
vormgeving van de beoogde verzekering. Deze keuze impliceert dat overheidsingrijpen in zo een zorgverzekering slechts
mogelijk is als dit door
het algemeen belang wordt gerechtvaardigd. Uitgangspunt hierbij is
dat de relaties tussen de partijen in de gezondheidszorg zoveel mogelijk ontstaan
op basis van eigen keuzes. Slechts voor zover er sprake is
van evident onevenwichtige marktverhoudingen, zal de overheid regelend
optreden ter borging van het publieke belang. Dit impliceert in ieder geval
dat de zorgverzekeraar een verzekeringsplichtige burger moet accepteren
voor een wettelijk voorgeschreven verzekeringspakket en voor een premie die
gelijk is voor iedereen die bij zorgverzekeraar een zelfde variant van de
zorgverzekering kiest. Om te voorkomen dat zorgverzekeraars door
deze acceptatieplicht in financiële moeilijkheden raken, is een systeem van
verplichte risicoverevening hierbij noodzakelijk.
V. De inhoud van de
zorgverzekering
Doelstelling van de
regering is om de efficiency in het zorgstelsel te verbeteren door daar waar mogelijk
in het zorgveld marktprikkels in te voeren of te versterken. Wat
betreft het verzekeringsstelsel houdt dit in dat de zorgverzekeraars een
speelveld krijgen waarop zij onder gelijke voorwaarden in onderlinge
concurrentie zoveel mogelijk prikkels krijgen tot een doelmatige uitvoering
van de zorgverzekering. De basiselementen die een zodanig
verzekeringsstelsel dient te bevatten en de internationaalrechtelijke vereisten waaraan zo’n
verzekeringsstelsel dient te voldoen, hebben de regering ertoe
geleid te kiezen voor een stelsel met één wettelijke sociale verzekering voor
geneeskundige zorg, die de gehele bevolking omvat.
rblz.|25|
a. De uitvoering
Private uitvoering
De uitvoering van de
Zorgverzekeringswet wordt in handen gegeven van private
ziektekostenverzekeraars. Deze verzekeraars zijn als schadeverzekeraars in de eerste plaats
onderworpen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Wet
toezicht verzekeringsbedrijf 1993 (Wtv 1993). In de visie van de regering gaat het
bij de uitvoering van de Zorgverzekeringswet echter niet louter om een
schadeverzekering. Het doel van de Zorgverzekeringswet is immers niet alleen
maar ervoor te zorgen dat iedere ingezetene een ziektekostenverzekering heeft die de kosten dekt wanneer hij
medische zorg heeft
genoten. Doel is ook om voor de gehele bevolking tegen acceptabele
voorwaarden de feitelijke toegang tot de noodzakelijke zorg te bewerkstelligen.
Beoogd is daarom een type verzekeraar die de door de regering gewenste
rol in het model van gereguleerde concurrentie vervult, dat wil zeggen
dat hij optreedt als doelmatige, klantgerichte regisseur van de zorg. Zo’n
verzekeraar wordt daarom aangeduid met de term "zorgverzekeraar".
Deze zorgverzekeraars dingen met elkaar om de gunst van de burgers. Zij
moeten er namelijk voor zorgen dat zoveel mogelijk burgers bij hen
een zorgverzekering tegen ziektekosten sluit. Daarbij dienen de zorgverzekeraars zich ervoor in te zetten dat de verzekerden
die zich bij hen hebben verzekerd de zorg kunnen krijgen waarvoor zij verzekerd zijn.
Doelstelling van de
regering is dat concurrentie tussen de zorgverzekeraars uiteindelijk leidt tot
een zo efficiënt en klantvriendelijk mogelijke inrichting van de zorg.
Als extra stimulans voor die concurrentie staat de regering toe dat de
zorgverzekeraars bij de uitvoering van hun taak winst beogen.
Anders dan het geval is
bij de Wtz 1998 zijn in Nederland werkzame ziektekostenverzekeraars
niet verplicht de Zorgverzekeringswet uit te voeren.
Ziektekostenverzekeraars, zowel binnenlandse als buitenlandse, kunnen zelf besluiten of
zij wel of niet de Zorgverzekeringswet willen uitvoeren. Als zij dat
willen, moeten zij allereerst beschikken over een vergunning voor de
uitoefening van het schadeverzekeringsbedrijf voor de juiste branches (te
weten: 1. ongevallen en 2. ziekte). Die vergunning wordt verleend door de
PVK of door een collega-toezichthouder van de PVK in een andere
lidstaat van de Europese Unie. Daarnaast moeten zij zich, ten behoeve van het
toezicht op de uitvoering van de Zorgverzekeringswet en om in aanmerking te
komen voor een uitkering uit het vereveningsfonds, aanmelden bij het CTZ.
Willen zorgverzekeraars ook de AWBZ
uitvoeren, dan moeten zij
op grond van de AWBZ daartoe zijn toegelaten.
Zorgverzekeraars moeten
bij de uitvoering van de
Zorgverzekeringswet onder meer voldoen aan de
volgende voorwaarden:
- uitvoering
zorgplicht;
- de administratie
dient te zijn opgezet overeenkomstig de voorwaarden voor de
vereveningsregeling;
- het werkgebied
beslaat geheel Nederland, alleen ingeval een zorgverzekeraar minder dan 850 000
verzekerden heeft, mag hij zijn werkgebied beperken tot één of
meer gehele provincies;
- de statuten
waarborgen een redelijke mate van invloed van de verzekerden op het beleid.
Werkgebieden
zorgverzekeraars
Een zorgverzekeraar moet
in geheel Nederland werkzaam zijn, tenzij hij een verzekerdenbestand
van minder dan 850 000 personen heeft. In dat geval mag hij zijn
werkgebied beperken tot één of meer gehele provincies. Het is niet toegestaan in
gedeeltes van provincies werkzaam te zijn. Aldus wordt voorkomen dat
"witte vlekken" zouden ontstaan in het dekkingsbereik
van de
Zorgverzekeringswet doordat zorgverzekeraars zich zouden rblz.|26|
concentreren op gebieden
met relatief gezonde mensen, door bijvoorbeeld de grote steden te mijden.
Ofschoon de ziekenfondsen
op één na hebben gekozen voor een werkgebied dat geheel Nederland
beslaat, is het nog steeds zo dat zij vrijwel allemaal een sterke
regionale gerichtheid hebben. De meeste ziekenfondsen hebben in hun regio een
groot marktaandeel. In 2001 was gemiddeld 77% van de ziekenfondsverzekerden verzekerd bij het ziekenfonds in
de "eigen regio".¹ Voor
10,9% van de mensen gold dat zij een bewuste overstap hadden gemaakt,
de rest was verhuisd naar een andere regio zonder van ziekenfonds te
veranderen.
1. Rudo van den Brink,
"Een efficiënte ziekenfondsmarkt", ESB, 9 maart 2001.
Particuliere verzekeraars
hebben allemaal een landelijk werkgebied. Zij hebben nooit aan
zorginkoop hoeven te doen. Zij kennen een restitutiestelsel en hebben over het
algemeen geen rol in de organisatie van de zorg. In de praktijk komt
dit erop neer dat de particuliere verzekeraars overal een zeer klein marktaandeel hebben. Overigens is het wel zo dat de
meeste ziekenfondsen deel
uitmaken van een concern waarbinnen een aparte tak particuliere
verzekeringen aanbiedt, doorgaans met het oog op verzekerden van wie het
inkomen boven de ziekenfondsgrens uitgaat. Het ligt voor de hand dat
deze verzekeraars wel een vrij sterke regionale oriëntatie kennen.
De regering heeft bij de
keuze voor het toestaan van een beperkt werkgebied de volgende overwegingen
betrokken.
Toestaan van een beperkt
werkgebied kent een aantal voordelen. Ten eerste maakt dat het
toetreden tot de markt makkelijker. Voor een nieuwe partij op de
zorgverzekeringsmarkt is het makkelijker om in een bescheiden werkgebied te beginnen
met bijvoorbeeld het sluiten van zorgovereenkomsten met zorgaanbieders en
hierdoor dus met een beperkter aantal zorgaanbieders te
hoeven onderhandelen. Met andere woorden, de zorgverzekeraar kan zo
makkelijker invulling geven aan zijn regiefunctie. Verder is het zo voor de
kleine, vrijwel uitsluitend regionaal actieve ziekenfondsen die bestaan, mogelijk dat
zij hun werkzaamheden kunnen uitvoeren in de nieuwe
zorgverzekeringsmarkt. Ten slotte geldt dat landelijk werken impliceert dat de
zorgverzekeraar voor ten minste een deel van zijn werkgebied (dat deel
waar zijn "verre verzekerden" ¹ wonen, waarvoor het niet mogelijk blijkt
zorg op gecontracteerde basis te arrangeren) op restitutiebasis moet
werken. Zoals Zorgverzekeraars Nederland ² aangeeft, is het werken op
restitutiebasis lang niet altijd de meest efficiënte manier van opereren.
1. "Verre
verzekerden" zijn die verzekerden van een zorgverzekeraar die in
een gebied wonen waar hij slechts enkele verzekerden heeft. Onder de
ziekenfondsverzekering blijken verzekeraars grote moeite te hebben om in
die gebieden zorg voor die enkele verzekerden te contracteren.
2. Brief Zorgverzekeraars
Nederland aan het College voor zorgverzekeringen van 22 september 2003.
Aan de mogelijkheid om
het werkgebied te beperken, zijn ook nadelen verbonden. Ten eerste
bestaat het gevaar dat de concurrentie afneemt ten opzichte van de situatie
met uitsluitend landelijk werkende verzekeraars. De kans dat de - de
facto - regionale monopolies uit de huidige situatie blijven bestaan met
het
risico van economisch machtsmisbruik, is groter. Ten tweede kan het een
manier zijn om aan risicoselectie te doen. Immers, gezondheidsrisico’s
zijn in de ene regio groter dan in de andere. In regio’s met veel slechte risico’s
zal wellicht weinig interesse bestaan. Bovendien bestaat het gevaar dat,
als een verzekeraar in een bepaalde regio heel sterk is, het voor andere
verzekeraars minder aantrekkelijk is om in die regio te gaan
concurreren, en het staat hen vrij om er dan weg te blijven. Dan is het gedaan met de
concurrentie en met de keuzevrijheid voor de verzekerden. Op de korte
termijn lijkt het aantrekkelijk om een verzekeraar te hebben die vanwege
zijn marktaandeel een sterke "countervailing power" kan ontwikkelen, op de lange termijn is dit echter funest, aangezien
dan de
concurrentieprikkel en daarmee de prikkel tot scherp inkopen ontbreekt. Dit stelt ook
weer hogere eisen aan het mededingingstoezicht rblz.|27|
om misbruik van een
machtspositie te voorkomen (inclusief de mogelijkheid om nieuwe partijen van de
markt te weren).
Eén en ander afwegende,
is de regering van mening dat er voldoende grond is om vanuit het
algemeen belang te beredeneren dat zorgverzekeraars de verplichting hebben
landelijk te werken, tenzij zij minder dan 850 000 verzekerden
hebben. Deze grens van 850 000 verzekerden is zodanig gekozen dat,
uitgaande van de huidige marktverhoudingen, bij de invoering van de
Zorgverzekeringswet ten minste een redelijk aantal verzekeraars in heel Nederland zijn
verzekeringen aanbiedt.
Om te bevorderen dat
zorgverzekeraars daar waar zij dat op grond van de geldende
marktomstandigheden wenselijk vinden zorg kunnen contracteren, is het toegestaan dat zij
per provincie verschillende polissen kunnen aanbieden. Zodoende
kunnen zij in één of meer provincies werken op basis van gecontracteerde
zorg en in andere provincies kiezen voor niet-gecontracteerde zorg. Hierbij zijn
uiteraard ook tussenvarianten mogelijk, waarbij een
zorgverzekeraar al naargelang de geldende marktomstandigheden in een bepaalde
provincie
begint met het aanbieden van niet-gecontracteerde zorg en dat geleidelijk
aan steeds meer vormen van zorg wel worden gecontracteerd.
Aan iedere aangeboden polis kan een verschillende premie gekoppeld zijn.
De mogelijkheden tot
variatie in verzekeringsovereenkomsten die de
Zorgverzekeringswet biedt, zijn in beginsel vrijwel onbeperkt. Een zorgverzekeraar kan in theorie duizend
verschillende polissen aanbieden, variërend van volledige
restitutie tot volledige natura met alle tussenliggende vormen, en dat dan ook
nog eens per provincie verschillend. Zo’n situatie acht de regering
ongewenst in het kader van de beoogde transparantie van het systeem en de
informatiebehoefte van de burger. Toch heeft de regering, in
ieder geval tot nu toe, ervan afgezien om op dit punt beperkende voorschriften
aan de zorgverzekeraars op te leggen. Zulke voorschriften kunnen op
basis van het Europees recht slechts worden gerechtvaardigd vanuit het algemeen belang. De zorgverzekeraars hebben
echter aangegeven
geenszins voornemens te zijn om een groot aantal verschillende varianten
in hun zorgverzekeringsovereenkomsten in de markt te gaan zetten. Daarmee valt niet alleen de noodzaak van zulke
regels weg, maar ook de
mogelijke rechtvaardiging daarvoor. Ten behoeve van de transparantie zijn
zorgverzekeraars verplicht de varianten die zij aanbieden vast te leggen
in openbaar te maken modelovereenkomsten. Zie hierover hoofdstuk
VII.
Invloed verzekerden op
het beleid
Invloed van verzekerden
op het beleid van de onderneming die de verzekering uitvoert, is een
belangrijk uitgangspunt van de sociale verzekering. Dit uitgangspunt is
neergelegd in verscheidene door Nederland geratificeerde internationale verdragen
die normen stellen over de vorm en inhoud van de sociale verzekering. Het betreft de ILO-verdragen
nrs. 24
(Verdrag betreffende de
ziekteverzekering van arbeiders in de industrie en de handel en van
huispersoneel), 25 (Verdrag betreffende de ziekteverzekering van landarbeiders), 102
(Verdrag betreffende minimumnormen van sociale zekerheid) en 121
(Verdrag betreffende uitkeringen bij bedrijfsongevallen en beroepsziekten) en de
Europese Code inzake sociale zekerheid van de Raad van Europa.
Voor de huidige ziekenfondsen is dit uitgangspunt verwoord in de Zfw
door
het voorschrift dat ziekenfondsen in de statuten waarborgen
bieden voor een redelijke mate van invloed van de verzekerden op het
beleid. Ziekenfondsen geven hieraan in de praktijk veelal op de volgende
wijze invulling. De meeste ziekenfondsen hebben de rechtsvorm van een
onderlinge waarborgmaatschappij. Daarmee heeft het ziekenfonds de
inbreng van de leden al gewaarborgd.¹ Andere ziekenfondsen rblz.|28|
hebben in hun
statuten een verzekerdenraad geregeld met bevoegdheden om invloed
op het beleid uit te oefenen. Het CVZ toetst bij de toelating of een
aspirant-ziekenfonds voldoende heeft geregeld in zijn statuten. Het CTZ gaat
bij zijn toezicht onder meer na of het ziekenfonds voldoende doet om zijn
verzekerden invloed te laten uitoefenen.
1. Zie Boek
2, titel3, van het Burgerlijk Wetboek.
Bij inwerkingtreding van
de
Zorgverzekeringswet zullen zorgverzekeraars de invloed van
verzekerden op het beleid ook moeten waarborgen. Dit past binnen het concept
van "corporate governance", zoals de regering dat voor ogen heeft.
Zorgverzekeraars Nederland heeft uitgangspunten uitgewerkt van een
dergelijke benadering onder de benaming "Health Insurance Governance".
Deze schenkt aandacht aan het uitgangspunt dat verzekerden als "stakeholders"
invloed moeten kunnen uitoefenen op de verzekeringsuitvoering.
Toepasselijkheid
mededingingsrecht
In de arresten
Poucet/Pistre
en AOK Bundesverband ¹ heeft het Europees Hof van Justitie
uitgesproken dat op uitvoerende instellingen van sociale
ziektekostenverzekeringen
het mededingingsrecht niet van toepassing is, omdat deze instellingen
niet als ondernemingen kunnen worden gekwalificeerd. Het Hof noemt hierbij
een
aantal overwegingen. In relatie tot de
Zorgverzekeringswet is de
meest in het oog springende hiervan dat deze instellingen bij de
uitvoering van hun wettelijke taak niet winstbeogend zijn.
De zorgverzekeraars die
de Zorgverzekeringswet uitvoeren, zijn in de visie van de regering wel
onderworpen aan het mededingingsrecht. In de eerste plaats omdat de
Zorgverzekeringswet slechts kan worden uitgevoerd door rechtspersonen die
als onderneming toelating hebben gekregen tot uitvoering van het verzekeringsbedrijf. In de tweede plaats geldt
dat deze ondernemingen,
ook wat betreft de uitvoering van de Zorgverzekeringswet, het maken van winst mogen
beogen. In de opvatting van de regering dienen zorgverzekeraars dan ook te worden gekwalificeerd als
ondernemingen. Om ieder
misverstand daarover te voorkomen, is in het wetsvoorstel bepaald dat
zij in ieder geval als ondernemingen in de zin van artikel 1 van de Mededingingswet
worden aangemerkt. Een dergelijke wettelijke voorziening
heeft een duidelijke toegevoegde waarde: het enkele feit dat de
Nederlandse regering stelt dat de zorgverzekeraars ondernemingen zijn, heeft
naar Europees recht geen doorslaggevende betekenis. De
interpretatie van het Europese ondernemingsbegrip kan door een uitspraak van
het Hof toch anders uitpakken en dan biedt deze wettelijke bepaling een
vangnet waarmee toch een adequaat mededingingstoezicht wordt gewaarborgd.
1. Zie het arrest van het
Europees Hof van Justitie, Poucet/Pistre, (nrs. C-159/91 en C-160/91, 17 februari
1993) en AOK Bundesverband (nr. C-264/01, 16 maart
2004).
b. De zorgplicht
Een belangrijke
doelstelling van de sociale verzekering die met de
Zorgverzekeringswet wordt gerealiseerd,
is te
waarborgen dat burgers de zorg kunnen krijgen die zij
nodig hebben. De zorgverzekeraars, als uitvoerders van de verzekering,
komen
een belangrijke rol toe bij het realiseren van dat doel. Het gaat er daarbij
niet alleen om dat de betaling van de kosten is gewaarborgd. Het gaat er
ook om dat de burgers de verzekerde zorg in voorkomend geval ook
werkelijk kunnen verkrijgen. Ten aanzien van beide aspecten heeft de
zorgverzekeraar nadrukkelijk een rol, welke hier verder als zorgplicht wordt
aangeduid.
Het wetsvoorstel geeft de
verzekerde recht op de zorg waaraan hij behoefte heeft (naturamodel)
of vergoeding van de kosten van deze zorg alsmede, desgevraagd,
activiteiten ¹ gericht op het verkrijgen van deze zorg of diensten
(restitutiemodel).
rblz.|29|
De
zorgovereenkomst
tussen de zorgverzekeraar en de verzekerde concretiseert de manier waarop de
zorgverzekeraar voor de individuele verzekerde invulling geeft aan zijn
zorgplicht. Hier onderscheiden zich twee hoofdlijnen, namelijk die
van gecontracteerde zorg en die van niet-gecontracteerde zorg.
Bij gecontracteerde zorg
zal de zorgverzekeraar afspraken maken met zorgaanbieders over de
zorgverlening aan zijn verzekerden. Daarbij kunnen allerhande zaken
aan de orde komen, van zowel zorginhoudelijke aard als van
administratieve aard. Zo kunnen afspraken worden gemaakt over de manier van
doorverwijzen naar andere betrokken zorgaanbieders in de zorgketen, over
prijzen, of afspraken over meebetalen door de zorgverzekeraar aan een bepaalde
modernisering van het door de zorgaanbieder gebruikte materiaal. Afgesproken zal ook worden hoe de zorgaanbieder
betaald moet worden:
rechtstreeks door de zorgverzekeraar (naturamodel) of door de
verzekerde, die dan daarna de kosten weer declareert bij de zorgverzekeraar (restitutiemodel).
Bij niet-gecontracteerde
zorg zijn vorenbedoelde afspraken niet aan de orde. Er is geen relatie
tussen de zorgverzekeraar en de zorgaanbieder waar diens verzekerde
zijn noodzakelijke zorg heeft gekregen. De rekening voor de verleende zorg
wordt altijd door de zorgverlener gepresenteerd aan de verzekerde (restitutiemodel).
1. Deze activiteiten, soms
wel aangeduid als zorgbemiddeling, kunnen
afhankelijk van de situatie beperkt tot zeer
omvangrijk zijn en kunnen uiteenlopen van
een simpel telefonisch contact met
doorverwijzing van de verzekerde naar een
aangeduide zorgaanbieder tot het voeren van
besprekingen met een zorgaanbieder om te
bewerkstelligen dat de verzekerde geholpen
wordt.
De regering heeft drie
redenen voor de hiervoor omschreven vrijheid voor de zorgverzekeraar om te
kiezen of hij zijn zorgplicht vorm wil geven door zorg te contracteren of
door het aan de verzekerde over te laten zelf de nodige zorg te zoeken dan
wel te kiezen voor een combinatie van deze mogelijkheden.
In de eerste plaats
krijgt de verzekerde hiermee de mogelijkheid om naargelang zijn eigen
voorkeur te kiezen voor een verzekeringspakket waarbij de zorgaanbieders met de
zorgverzekeraar overeenkomsten hebben gesloten, dan wel voor
een verzekeringspakket waarbij hij zelf, eventueel met hulp van zijn verzekeraar, een zorgaanbieder zoekt. Bij dat laatste
model heeft de verzekerde
waarschijnlijk een grotere keus uit de beschikbare zorgaanbieders, maar daar
staat tegenover dat wellicht zijn nominale premie wat hoger is.
In de tweede plaats
bevordert de keuzevrijheid dat zorgverzekeraars voor het vormgeven van hun
zorgplicht een model kunnen kiezen dat voor hen de minste administratieve
belasting oplevert. De regering wil het maken van keuzes in dit verband
zoveel mogelijk overlaten aan het veld zelf.
Ten slotte sluit de
vrijheid die de zorgverzekeraars hebben om hun zorgplicht te realiseren aan bij
het feit dat de
Zorgverzekeringswet de huidige verschillende
verzekeringswerelden van de ziekenfondsen en de particuliere verzekeraars in zich
verenigt. Die werelden hebben van oudsher een verschillende uitvoeringspraktijk, waarbij de ene het zwaartepunt legt op
het contracteren van zorg
en de andere op het restitueren van gemaakte kosten. Door beide
mogelijkheden open te laten, biedt de Zorgverzekeringswet aan de zorgverzekeraars
de mogelijkheid om zich ten opzichte van de verzekerden te profileren
op de wijze waarmee men vertrouwd is.
In het verslag bij het
voorstel van Wet herziening
overeenkomstenstelsel zorg
(Kamerstukken II
2002-2003, 28 994, nr. 4) vroegen de leden van de PvdA-fractie hoe in een
restitutiesysteem voorkomen kan worden dat mensen met een laag
inkomen hoge zorgkosten voor moeten schieten en hoe voor hen in zo’n
systeem rentenadeel voorkomen wordt. De regering verwacht dat de kwesties
die deze leden aankaarten zich in het systeem van de
Zorgverzekeringswet nauwelijks voor zullen doen. Het gekozen systeem prikkelt de
zorgverzekeraars immers, op straffe van verlies van de klandizie van
verzekerden, tot een cliëntvriendelijke uitvoering. Verzekerden die zeker willen weten
dat ze geen zorgkosten hoeven voor te schieten, kunnen zich allereerst bij een zorgverzekeraar verzekeren die een
naturamodel aanbiedt.
Daarnaast valt te verwachten dat ten minste een rblz.|30|
aantal zorgverzekeraars
die een restitutiemodel aanbieden hoge zorgkosten direct - in naam van de
verzekerde - aan de zorgaanbieder betalen. Ook nu al zijn er
particuliere ziektekostenverzekeraars die dit doen. Een verzekerde die geen
naturapolis wil, maar hoge zorgkosten niet zelf wil voorschieten, kan voor zo’n
restitutieverzekeraar kiezen.
In de praktijk zal de
nieuwe situatie niet veel verschillen van die onder de Zfw
en in de particuliere
ziektekostenverzekering.
In de
ziekenfondsverzekering moeten de ziekenfondsen zorg leveren door tussenkomst van
gecontracteerde zorgaanbieders. Als die echter niet of in onvoldoende aantal
beschikbaar zijn, kan de
Minister van VWS bepalen dat de kosten die door de
verzekerden worden gemaakt bij het inroepen van zorg bij niet-gecontracteerde
zorgaanbieders mogen worden gerestitueerd.
Ook in de huidige
particuliere ziektekostenverzekering is het de laatste jaren meer en meer
gebruikelijk geworden dat verzekeraars hun verzekerden begeleiden bij het zoeken
naar een beschikbare zorgaanbieder in situaties waarbij die
zorg relatief schaars voorhanden is. Sommige particuliere verzekeraars hebben nu al
met zorgaanbieders afgesproken dat de kosten van hun
verzekerden rechtstreeks door de verzekeraar worden betaald. In juridische
zin is er echter een verschil met de huidige situatie in die zin dat de verzekerde
nu een afdwingbaar recht krijgt op bemiddeling door zijn zorgverzekeraar
bij het verkrijgen van de zorg. In die zin kan dan ook, zoals eerder
gesteld, met de invoering van de zorgplicht voor zorgverzekeraars, worden
gesproken van het
doortrekken van een al geruime tijd in gang gezette
ontwikkeling.

Gecontracteerde zorg
De
Zorgverzekeringswet biedt zorgverzekeraars de gelegenheid om in de
zorgverzekeringsovereenkomst
met hun verzekerden te bepalen dat die voor het verkrijgen van
de zorg in beginsel uitsluitend gebruik mogen maken van gecontracteerde
zorgaanbieders. Deze bepaling dient dan overigens de nodige
flexibiliteit te kennen. Dat vindt zijn oorsprong in ontwikkelingen binnen het
Europese recht. In het arrest Müller/Fauré1 ¹ heeft het Europees Hof
van Justitie bepaald dat verzekerden die in beginsel hun zorg moeten
inroepen bij gecontracteerde zorgaanbieders, rblz.|31|
toch de mogelijkheid
hebben om in een andere EU-staat extramurale zorg in te roepen bij een niet-gecontracteerde of een niet in loondienst zijnde
zorgaanbieder. Dit
wetsvoorstel voorziet erin dit EU-aspect te veralgemeniseren. Verzekerden die hebben
gekozen voor een zorgverzekering waarbij zij hun zorg bij
gecontracteerde zorgaanbieders moeten inroepen, hebben de mogelijkheid
toch te kiezen voor het inroepen van zorg bij een niet-gecontracteerde
zorgaanbieder. Het doet er daarbij niet toe of die zorgaanbieder zijn
diensten binnen Nederland aanbiedt of daarbuiten. Die situatie kan zich
bijvoorbeeld voordoen als een verzekerde een specifieke medische behandeling
beslist wil laten verrichten door een bepaalde arts die geen overeenkomst
heeft gesloten met zijn zorgverzekeraar. Omdat de verzekerden daarmee een
administratieve last veroorzaken voor hun zorgverzekeraar, die
immers de noodzakelijke zorg in beginsel al had ingekocht, zullen zij
niet het volledige bedrag dat de zorgaanbieder in rekening brengt, gerestitueerd krijgen. De precieze vormgeving van die
korting wordt overgelaten
aan de zorgverzekeraar. De omvang ervan mag op grond van de
overwegingen van het Europees Hof van Justitie in de zaak Müller/Fauré
niet
zodanig groot zijn dat die een feitelijke hinderpaal vormt voor het inroepen
van zorg bij een niet in loondienst zijnde of niet-gecontracteerde (buitenlandse)
zorgaanbieder. In de situatie waarbij een verzekerde, bijvoorbeeld
tijdens een vakantie, niet met het oogmerk een medische behandeling te
ondergaan, maar als gevolg van een onvoorziene omstandigheid een beroep
moet doen op een niet-gecontracteerde zorgaanbieder, geldt in
beginsel dezelfde uitzonderingsregel. De tekst van de wet laat er overigens
ruimte voor dat zorgverzekeraars in deze gevallen ruimere restitutie
toepassen dan in de situatie waarbij de verzekerde zich met het specifieke
oogmerk om zorg te ondergaan tot een niet-gecontracteerde zorgaanbieder wendt. Een
verplichting hiertoe heeft de zorgverzekeraar niet. Verzekerden die
zich willen indekken tegen de mogelijkheid dat zij in voorkomend geval
te maken krijgen met een voor eigen rekening komend verschil tussen de
gemaakte kosten en de gerestitueerde kosten, kunnen voor deze
situaties een reisverzekering sluiten.
Naast de hiervoor
vermelde mogelijkheid om op grond van de
Zorgverzekeringswet zorg in te roepen bij een
niet-gecontracteerde zorgverlener, gelden nog de
mogelijkheden die daarover zijn opgenomen in de Europese
socialezekerheidsverordening en door Nederland met andere staten gesloten
socialezekerheidsverdragen. De verordening en die verdragen voorzien in
beginsel in twee mogelijkheden. Ten eerste de mogelijkheid dat een
verzekerde toestemming vraagt aan zijn zorgverzekeraar om zich, voor het
ondergaan van een bepaalde behandeling, te wenden tot een
niet-gecontracteerde zorgaanbieder in een EU-lidstaat of een verdragsstaat. Ten
tweede de mogelijkheid om in geval van een onvoorziene omstandigheid
in een EU-lidstaat of een verdragsstaat zorg in te roepen bij een
niet-gecontracteerde zorgaanbieder. In beide gevallen ontvangt de betrokkene in
het verblijfland zorg overeenkomstig de socialeverzekeringswetgeving
van dat land. Eventueel in dat kader bestaande eigen
betalingen komen voor rekening van de verzekerde. De overige kosten komen
volledig voor rekening van de Nederlandse zorgverzekering.
1. Zie het arrest van het
Europees Hof van Justitie, Müller/Fauré, (nr. C-385/99), 13 mei 2003.
Uit de jurisprudentie die
zich heeft ontwikkeld in het kader van de ziekenfondsverzekering is gebleken dat
een zorgverzekeraar die kiest voor het contracteermodel, aan de
verzekerde de zorg op een redelijke afstand van zijn woonplaats moet
aanbieden. De vraag wat in dit verband onder een redelijke afstand moet worden verstaan, is niet eenduidig te beantwoorden;
dat is sterk afhankelijk
van de zorgsoort waarom het gaat. Topklinische zorg zal
doorgaans niet "om de hoek" beschikbaar zijn; eerstelijnszorg
daarentegen wel. De normen die zich hierover in de loop der tijd, mede onder
invloed van jurisprudentie, hebben ontwikkeld in de huidige
ziekenfondsverzekering, kunnen naar de opvatting van de regering rblz.|32|
integraal van
toepassing worden geacht in het kader van de
Zorgverzekeringswet.
Het contracteren van zorg
is voor zorgverzekeraars een aantrekkelijke optie. Door de afspraken
die zij met de zorgaanbieders maken, kunnen zij bijdragen aan een zo
efficiënt mogelijke zorgverlening. Daardoor besparen zij rechtstreeks op hun
zorgkosten. Voorts is het een gegeven dat de administratieve kosten
bij het afwikkelen van de declaraties van individuele verzekerden aanmerkelijk
hoger liggen dan in het geval de kosten bulksgewijze rechtstreeks
met de zorgaanbieder worden afgerekend. Tenslotte kan een zorgverzekeraar bij het contracteermodel proberen een
prijsvoordeel te behalen
door een wat lager tarief met de zorgaanbieder af te spreken dan het tarief
dat door de zorgaanbieder wordt toegepast "in de losse verkoop". Naar
de mening van Zorgverzekeraars Nederland kan dan ook worden uitgegaan
van de vooronderstelling dat veel zorgverzekeraars het contracteersysteem
zullen koesteren.¹
Vastgesteld moet echter
worden dat het contracteren van zorg in de praktijk niet altijd in het hele
land voor alle vormen van zorg mogelijk is. Dat blijkt in het huidige
verzekeringsstelsel, waarbij ziekenfondsen op grond van de Zfw
verplicht zijn
hun verzekerden gecontracteerde zorg aan te bieden. Landelijke
werkende ziekenfondsen merken dat zij niet in het gehele land iedere
zorgaanbieder kunnen contracteren. Als zij in een bepaalde regio slechts
enkele verzekerden hebben ingeschreven, zien zij zich regelmatig geconfronteerd met zorgaanbieders die weigerachtig
blijken om voor dat zeer
geringe aantal verzekerden een contract met het ziekenfonds te sluiten.
Deze situatie, die bekend is als de "verre-verzekerdenproblematiek", leidt in
toenemende mate tot conflicten tussen enerzijds de ziekenfondsen die
landelijk wensen te werken en anderzijds de toezichthouder. De
ziekenfondsen krijgen te maken met verzekerden die bijvoorbeeld een huisarts
hebben gekozen die niet met hun ziekenfonds wil contracteren. Om die verzekerden tegemoet te komen, gaan ziekenfondsen
dan in sommige gevallen
over tot door de Zfw niet-toegestane restitutie van de door
hun verzekerden gemaakte kosten. De toezichthouder echter is gehouden de wet
te handhaven en moet daarom dergelijke restitutiekosten in
beginsel als niet-verantwoord aanmerken.
De
Zorgverzekeringswet biedt voor deze problematiek een oplossing doordat de
zorgverzekeraars zelf kunnen bepalen of zij de verzekerde zorg wel of niet contracteren
en in een modelovereenkomst aanbieden. Mengvormen zijn ook mogelijk,
waarbij zorgverzekeraars bijvoorbeeld ziekenhuiszorg wel contracteren, maar
fysiotherapie niet. Zodoende kunnen zorgverzekeraars voor het
contracteren van zorg groeistrategieën ontwikkelen.
1. Brief Zorgverzekeraars
Nederland aan het College voor zorgverzekeringen van 22 september 2003.
Contracteerplicht
Een inbreuk op de
vrijheid van zorgverzekeraars om zelf de manier te bepalen waarop zij
invulling willen geven aan hun zorgplicht wordt gevormd door de in het
wetsvoorstel voorziene mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur
bepaalde zorgvormen aan te wijzen die uitsluitend op
gecontracteerde basis aan de verzekerden mogen worden geleverd.
Zorgverzekeraars, respectievelijk aanbieders van de aangewezen zorgvorm, hebben daarbij
de verplichting om onder gelijke voorwaarden te contracteren met iedere aanbieder van die zorgvorm, respectievelijk
iedere zorgverzekeraar
die dat wenst. Deze maatregel kan op grond van overwegingen
van algemeen belang worden toegepast. Daarbij zal met betrekking tot iedere aangewezen zorgvorm, gelet op noodzaak en
proportionaliteit, dienen
te worden aangetoond of de desbetreffende inbreuk op de Europese
regels inzake vrije dienstverlening gerechtvaardigd is. Men kan in dit verband denken aan de noodzaak om de distributie
van bepaalde vormen van
topklinische zorg die slechts in beperkte mate beschikbaar zijn aan de
gehele bevolking zeker te stellen. Ook kan men rblz.|33|
denken aan de noodzaak om
te voorkomen dat de financiële houdbaarheid van het stelsel in gevaar
komt vanwege extreme kostenontwikkelingen.¹ De regering heeft
overigens bij gelegenheid van de parlementaire behandeling van het
voorstel van Wet herziening
overeenkomstenstelsel zorg
aangegeven te streven naar een fasegewijze afschaffing van zorgvormen
waarvoor binnen de
ziekenfondsverzekering nog contracteerplicht geldt.² De
Zorgverzekeringswet biedt ook de mogelijkheid om, daar waar de marktomstandigheden
dat toelaten, ervoor te kiezen dat zorgvormen worden aangewezen die op gecontracteerde basis aan verzekerden
moeten worden geleverd,
zonder dat daarbij voor zorgverzekeraars respectievelijk
zorgaanbieders de verplichting geldt dat zij met iedere partij die dat wil een
zorgcontract overeenkomen.
1. Zie in dit verband de
criteria die door het Europees Hof van Justitie
zijn geformuleerd in de zaak Smits/Peerbooms
(C-157/99, 12 juli 2001) ter zake van de
verplichting aan verzekerden om zorg in te roepen bij
gecontracteerde zorgaanbieders.
2. Kamerstukken II 2002-2003, 28 994.
Niet-gecontracteerde zorg
In het geval een
zorgverzekeraar ervoor kiest bepaalde zorgvormen niet te contracteren, mag hij
niet zelf een maximum stellen aan de hoogte van het door hem aan zijn
verzekerden te restitueren bedrag. In dat geval zou hij daarmee de wettelijk
vastgelegde rechten van de verzekerden kunnen beperken. Dezen zouden
dan immers zelf het verschil moeten betalen tussen het aan hen door
de zorgaanbieder in rekening gebrachte tarief en het aan hen
gerestitueerde tarief. Met een dergelijk systeem zou de prikkel voor zorgverzekeraars om
zich in te zetten voor een efficiëntere en minder kostbare zorgverlening
verloren gaan. Zij kunnen dan achteroverleunend toezien hoe de zorgkosten
oplopen ten laste van hun verzekerden zonder dat zij daarvan zelf
financieel nadeel ondervinden. Aldus zou de rol van de zorgverzekeraar worden
teruggebracht tot die van schadeverzekeraar. De doelstelling van de
regering om het verzekeringssysteem te laten fungeren als "motor" voor de
totstandkoming van een efficiënter en meer klantvriendelijk zorgstelsel
zou aldus
verloren gaan. Om de betrokkenheid van de zorgverzekeraars te
handhaven, is bepaald dat zij in beginsel de volledige kosten die de verzekerden
hebben gemaakt, moeten restitueren.
Zolang er sprake is van
een zorgmarkt waarbij aan de zorgtarieven een wettelijk maximum is
gesteld op grond van de Wtg, is het risico van de zorgverzekeraars in dit
opzicht overzichtelijk. Zij kunnen nooit worden geconfronteerd met
buitensporig hoge tarieven. De regering streeft er echter naar de thans
wettelijk vastgestelde tarieven geleidelijk te laten verdwijnen naar de mate
waarin zich voor de desbetreffende zorgvormen een functionerende markt
heeft ontwikkeld die aan het ontstaan van prijsexcessen in de weg zal staan. Ook
in die nieuwe situatie moet worden voorkomen dat een
zorgverzekeraar te maken kan krijgen met zorgrekeningen die in geen enkel opzicht
conform de geldende marktsituatie zijn. Daarom zal bij
algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat de zorgverzekeraar geen
hogere kosten hoeft te restitueren dan een tarief dat in redelijkheid
passend is in de in Nederland gebruikelijke marktomstandigheden. De vraag
wat in het kader
van de geldende marktomstandigheden als gebruikelijk mag
worden gekwalificeerd, zal in de praktijk
uitkristalliseren, onder meer naar aanleiding van uitspraken van de toezichthoudende
instantie en eventueel te vormen jurisprudentie. Het is dan aan een
zorgverzekeraar om aan te tonen dat een voor vergoeding ingediende rekening in
een individueel geval onredelijk hoog is.
In het geval overigens
dat zou blijken dat zorgverzekeraars herhaaldelijk een beroep moeten doen op
deze "veiligheidsbepaling", komt de vraag aan de orde of er wel
daadwerkelijk sprake is van een functionerende zorgmarkt en of
aanvullende maatregelen nodig zijn.
Zekerheid voor de
verzekerden
Ongeacht de vorm die
wordt gekozen om inhoud te geven aan de zorgverzekering, staat voorop dat de
zorgverzekeraar de zorgkosten zal moeten betalen en zich
ervoor zal moeten inspannen dat aan de zorgbehoefte rblz.|34|
van zijn
verzekerden wordt voldaan. Als de verzekerde de zorg heeft verkregen, bij een
gecontracteerde zorgaanbieder of bij een zelfgekozen zorgaanbieder, is er geen
probleem. Als de verzekerde de zorg echter niet kan
verkrijgen bij een gecontracteerde zorgaanbieder of zelf geen zorgaanbieder kan
vinden, heeft hij recht op bemiddeling van zijn zorgverzekeraar bij het
verkrijgen van de zorg. Dan zal de zorgverzekeraar - ongeacht de
overeengekomen prestatiewijze - de verzekerde dus te hulp moeten schieten.
Ook een zorgverzekeraar
die het contracteermodel hanteert, zal, indien er geen of onvoldoende zorgaanbieders bereid blijken met hem een overeenkomst
te sluiten om zijn
verzekerden te helpen, op grond van zijn zorgplicht desgevraagd
toch in actie moeten komen om voor de verzekerde te bemiddelen bij het verkrijgen van die zorg bij een niet-gecontracteerde
zorgaanbieder. In dat
geval zal hij alle marktconforme kosten van de zorg aan zijn
verzekerde voor zijn rekening moeten nemen. Voor een korting, zoals die kan
worden toegepast als een verzekerde ondanks zijn keuze voor
gecontracteerde zorg er toch zelf voor kiest de zorg in te roepen bij een
niet-gecontracteerde zorgaanbieder, is in deze situatie geen plaats.
Zoals reeds aangegeven,
heeft de zorgverzekeraar in beginsel de vrije keuze wat betreft de
wijze waarop hij invulling geeft aan zijn zorgplicht. Hij kan daarbij kiezen voor
een naturamodel, een restitutiemodel of een mengvorm daarvan. Eén en
ander wordt vastgelegd in de met de verzekerde te sluiten zorgverzekeringsovereenkomst.
Als het naturamodel is
overeengekomen, zal de verzekerde, tenzij daarover specifiek iets anders is
overeengekomen, in voorkomend geval terstond levering van de zorg
kunnen vorderen, zij het uiteraard met inachtneming van de eisen van
redelijkheid en billijkheid. De zorgverzekeraar zal bij het maken van afspraken met
zorgaanbieders daarmee rekening moeten houden.
Bij het restitutiemodel
zal de verzekerde kunnen verlangen dat de zorgverzekeraar overgaat tot prompte
vergoeding van de kosten die de verzekerde heeft gemaakt, één en
ander uiteraard behoudens het geval dat daaromtrent een
afwijkende afspraak is gemaakt. Als de verzekerde zich tot de zorgverzekeraar
wendt met een verzoek om bemiddelingsactiviteiten, zal de verzekerde kunnen
verlangen dat de zorgverzekeraar voortvarend actie onderneemt. De
zorgverzekeraar zal daarmee in zijn interne organisatie rekening
moeten houden. Ook hier geldt uiteraard dat daarbij tussen partijen de eisen
van redelijkheid en billijkheid in acht genomen moeten worden.
Bij het bepalen van het
tijdstip waarop de verzekerde in een concreet geval zo nodig een
bepaalde prestatie van de zorgverzekeraar kan vorderen, spelen allerlei factoren
een rol. De aard van de overeengekomen prestatie, maar ook alle
omstandigheden van ieder concreet geval, zoals de gezondheidstoestand
van de patiënt en diens antecedenten, kunnen van belang zijn.¹
Uiteraard spelen ook de ter zake geldende jurisprudentie en de hieromtrent door de
zorgaanbieders en zorgverzekeraars zelf ontwikkelde normen ² een belangrijke rol.
1. Zie het arrest van het
Europees Hof van Justitie in de zaak
Smits/Peerbooms (C-157/99), 12 juli 2001.
2. Zorgaanbieders en
zorgverzekeraars hebben in de zogenoemde
Treeknormen streefnormen geformuleerd waarbinnen
voor de verzekerden de verzekerde zorg
beschikbaar dient te zijn.
Uitzonderlijke situaties
van overmacht daar gelaten, zal het resultaat in alle gevallen zijn dat de
verzekerde de zorg krijgt waaraan hij behoefte heeft en dat de
zorgverzekeraar de kosten daarvan voor zijn rekening neemt. Tot het
onmogelijke is echter ook een verzekeraar niet gehouden. Als eenvoudigweg geen
arts te vinden is die de verzekerde zorg kan verlenen, kan van een
zorgverzekeraar niet worden verlangd dat hij toch regelt dat zijn
verzekerden die zorg kunnen ontvangen. Op de zorgverzekeraar rust de verplichting om
in voorkomend geval aan te tonen dat het onmogelijk is de
verzekerde zorg voor zijn verzekerden te organiseren.
rblz.|35|
c. De verzekerden
Verzekeringsplicht
De
Zorgverzekeringswet legt in beginsel een verzekeringsplicht op iedereen die verzekerd is
ingevolge de AWBZ. Dat komt erop neer dat iedereen die legaal in Nederland
woont verplicht wordt om een zorgverzekering tegen ziektekosten te
hebben. Vaak zal dat betekenen dat mensen voor zichzelf een zorgverzekering sluiten. Maar het kan ook gebeuren dat
iemand anders de
zorgverzekering voor de verzekerde sluit. Iemand kan bijvoorbeeld voor zijn
partner of voor zijn kinderen een verzekering sluiten of een werkgever kan dat
voor zijn personeel doen. Voor degenen die niet zelf de overeenkomst tot
verzekering kunnen of mogen sluiten, zal de wettelijk
vertegenwoordiger of de curator dit moeten regelen. In bepaalde situaties waarin de
Europese socialezekerheidsverordening of door Nederland met andere staten
gesloten socialezekerheidsverdragen van toepassing zijn, kan het voorkomen
dat mensen die buiten Nederland wonen de verplichting hebben om in
Nederland een zorgverzekering te sluiten. Hierop wordt verder ingegaan in
Hoofdstuk VI (Grensoverschrijdende
zorg).
De zorgverzekering staat
gelijkelijk open voor iedereen; voor jong en oud, werknemer of
zelfstandige, uitkeringsgenietende of werkende.
Niemand kan zich aan de
zorgverzekeringsplicht onttrekken; dit is een belangrijke voorwaarde
voor de verankering van de risicosolidariteit. Wel kunnen mensen die op
grond van hun geloofsovertuiging bezwaar hebben tegen elke vorm van
verzekering als zodanig, van deze verzekeringsplicht worden uitgezonderd. In
plaats van de inkomensafhankelijke bijdrage van
verzekeringsplichtigen zijn deze mensen een verhoogd bedrag aan
inkomstenbelasting verschuldigd. Deze zogenaamde gemoedsbezwaarden kunnen wel op hun
gemoedsbezwaren terugkomen en zich alsnog verzekeren.
De regering acht het
wenselijk dat eventuele gemoedsbezwaren alleen worden gehonoreerd
wanneer die gelden met betrekking tot zowel de AWBZ als de
Zorgverzekeringswet. De uitwerking is nochtans verschillend. Bij gemoedsbezwaren
blijft in het geval van de AWBZ de verzekering van rechtswege als zodanig bestaan, maar wordt de betrokkene vrijgesteld
van de verplichting tot
premiebetaling. In het geval van de Zorgverzekeringswet vervalt de verplichting
tot het sluiten van een zorgverzekeringsovereenkomst. Uiteraard ontstaat dan
ook niet de verplichting tot het betalen van de nominale
premie. Er ontstaat dan wel, evenals in de AWBZ, de verplichting tot
het betalen van een, de wettelijke inkomensafhankelijk bijdrage vervangende,
belasting. De hoogte van de vervangende belasting in de
Zorgverzekeringswet is gelijk aan de inkomensafhankelijke bijdrage die de
gemoedsbezwaarde zou hebben moeten betalen indien hij wél verzekeringsplichtig zou zijn geweest.
Bij het sluiten van een
zorgverzekering moet de burger bepaalde keuzes maken. Om te beginnen
kiest hij een zorgverzekeraar. De burgers hebben bij het verplichte
sluiten van de zorgverzekering de vrije keuze uit alle zorgverzekeraars die deze
verzekering in hun provincie uitvoeren.
De zorgverzekeraar is
wettelijk verplicht de burger die zich bij hem aanmeldt voor de
zorgverzekering te accepteren. Overigens mag een zorgverzekeraar niet de
verplichting opleggen dat het hele gezin bij die zorgverzekeraar een
overeenkomst sluit. De verzekerde is verplicht aan de gekozen zorgverzekeraar
de nominale premie te voldoen, die de zorgverzekeraar over het algemeen telkens
voor één jaar vaststelt.
De verzekerde kan ten
minste eenmaal per kalenderjaar voor een andere zorgverzekeraar kiezen,
maar bij tussentijdse verhoging van de premie is directe overstap
mogelijk. Deze bepaling in de
Zorgverzekeringswet laat onverlet dat de
zorgverzekeraar en de verzekerde in de zorgpolis meer overstapmomenten kunnen
overeenkomen. Naar verwachting zal echter rblz.|36|
in de praktijk van die
mogelijkheid hoegenaamd geen gebruik worden gemaakt. De facto biedt
de Zorgverzekeringswet hiermee de mogelijkheid van mobiliteit voor de verzekerden die gelijk is aan die in de huidige
ziekenfondsverzekering en
veel groter dan de praktijk is in de huidige particuliere
ziektekostenverzekering.
Bij zijn keuze voor een
zorgverzekeraar kan de burger zich laten leiden door de wijze waarop deze
zorgverzekeraar invulling geeft aan zijn zorgplicht, aan het wettelijk
omschreven te verzekeren pakket (zie hierover hoofdstuk V,
paragraaf b),
de nominale premie die de zorgverzekeraar aan zijn verzekerden in rekening brengt en de service die de zorgverzekeraar
aan zijn verzekerden
verleent.
Daarnaast is voor de
verzekerde een punt van overweging of hij ervoor kiest om een eigen risico
te nemen.
De verzekerden kunnen in
beginsel ieder jaar opnieuw hun keuze bepalen uit de door de
zorgverzekeraar in hun provincie aangeboden verzekeringsmodellen. De zorgverzekeraar is
verplicht iedere verzekerde te accepteren voor elk door hem
aangeboden verzekeringsmodel, zonder onderscheid naar gezondheidsrisico’s.
Om calculerend gedrag tegen te gaan, is evenwel bepaald dat de
zorgverzekeraar een wachttijd van maximaal één jaar mag hanteren als
verzekerden het door hen gekozen eigen risico willen verlagen.
Als de zorgverzekeraar
een wachttijd hanteert bij het verlagen van eigen risico, moet hij dat in
zijn algemeenheid doen en niet jegens een afzonderlijke verzekerde.
De regel dat de
verzekering ten minste één keer per jaar, namelijk per 1 januari, kan worden
opgezegd, kan worden gezien als een regel die de vrijheid van de
verzekeraar belemmert, maar deze is ter bescherming van het algemeen belang
noodzakelijk. Zonder deze regel bestaat er immers een risico dat
verzekerden niet vaak genoeg van zorgverzekeraar kunnen wisselen (de verzekeraars
zijn immers niet verplicht om zelf nog andere opzegmogelijkheden in hun
polissen op te nemen), met als gevolg dat de door de regering beoogde concurrentie tussen zorgverzekeraars onvoldoende
tot stand komt.
De vrijheid voor de
verzekerde wordt beperkt doordat hij bij een door de wetgever gedurende een
kalenderjaar opgelegde pakketverslechtering niet mag opzeggen. De
reden daarvan is dat opzegging in dit geval weinig zin zou hebben, aangezien
alle verzekeraars de nieuwe pakketvoorwaarden in hun zorgverzekeringen
zullen moeten verwerken, zodat de verzekerde ook bij iedere andere
verzekeraar met de pakketbeperking geconfronteerd zou worden.
Met
betrekking tot
het veranderen van zorgverzekeraar ontstaat een bijzondere situatie in
geval van faillissement van de zorgverzekeraar. Uiteraard gaat het hier
om een zeer onwaarschijnlijke situatie, gezien het toezicht dat op de
financiële situatie van de zorgverzekeraars wordt uitgeoefend. Wanneer een
faillissement
zich nochtans toch zou voordoen, kunnen verzekerden
onderdak vinden bij iedere andere zorgverzekeraar. Om te voorkomen dat zo’n
andere zorgverzekeraar in solvabiliteitsproblemen zou komen door een
plotselinge toevloed van een groot aantal verzekerden, kan een bijzondere
uitkering worden gedaan uit het vereveningsfonds.
Burgers zijn wettelijk
verplicht ervoor te zorgen dat zij zo snel mogelijk, doch uiterlijk binnen
vier maanden nadat zij verzekeringsplichtig zijn geworden, een
zorgverzekering hebben. Indien dat binnen die voorgeschreven termijn gebeurt, bestaat
de verzekering vanaf het moment waarop zij ingezetene
zijn geworden of onderworpen zijn geraakt aan de Nederlandse
loonbelasting. De premie is dan vanzelfsprekend verschuldigd rblz.|37|
vanaf het moment
waarop de verzekeringsplicht ontstond. Eventuele ziektekosten die zich gedurende die vier maanden voordoen, komen ten
laste van de
zorgverzekering.
Door de invoering van de
Zorgverzekeringswet groeit het aantal mensen dat zelf verantwoordelijk
is voor de totstandkoming van een verzekering, zoals dat thans het geval
is bij de mensen die aangewezen zijn op een particuliere verzekering.
Daardoor kan worden verondersteld dat het aantal onverzekerden zou
kunnen toenemen. Om deze ontwikkeling tegen te gaan, voorziet de
Zorgverzekeringswet in een aantal sancties die het voor burgers
onaantrekkelijk maken zich aan de verzekeringsplicht te onttrekken. Mensen die
zich niet binnen de voorgeschreven termijn verzekeren, zijn een boete
verschuldigd ter hoogte van 130% van de premie die zij hadden moeten betalen
over de termijn waarover zij hebben nagelaten zich te verzekeren. Hiervoor geldt een maximum van vijf jaar. Iemand die
nalaat een
zorgverzekering te sluiten, is zelf aansprakelijk voor de kosten van zorg die aan hem is
verleend tijdens de periode van nalatigheid. Daarenboven verliest een burger die
zich niet verzekert daarmee zijn eventuele aanspraak op een
uitkering ingevolge de Wet op de zorgtoeslag voor de niet-verzekerde periode.
De boete en het vervallen van het recht op de zorgtoeslag gelden niet
indien men niet-verwijtbaar heeft nagelaten zich te verzekeren. Dit
laatste dient te worden vastgesteld door het CVZ.
Collectieve contracten
De
Zorgverzekeringswet legt op de burgers een individuele verplichting om een zorgverzekering
tegen ziektekosten te hebben. De mogelijkheid dat burgers een
zorgverzekering hebben als deelnemer in een collectief contract blijft ook in de
toekomst bestaan. Evenmin staat de wet eraan in de weg dat werkgevers deelname aan een collectieve verzekering van het
bedrijf aantrekkelijk
maken door een bijdrage aan de nominale premie die door de werknemer
verschuldigd is. Hierbij blijft de keuzevrijheid van de individuele verzekeringsplichtige overigens overeind.
Het voordeel van een
collectief contract is dat door een zekere "massa" aan verzekerden een
aantal additionele voordelen, zoals een betere service voor de
verzekerden in het collectief, kunnen worden uitonderhandeld met verzekeraars. Daarmee
kan een collectief makkelijker dan een individuele burger een vuist maken tegenover de zorgverzekeraar. Collectieve
contracten bieden
verzekeringnemers dus "countervailing power" tegenover de
verzekeraars.
Voor werkgevers biedt het
nieuwe zorgstelsel de mogelijkheid om een collectief contract voor
alle medewerkers af te sluiten. In het huidige stelsel is dit
gebruikelijk voor werknemers met inkomens boven de ziekenfondsgrens. De
mogelijkheid in het nieuwe zorgstelsel kan zich daarmee tot een
belangrijke secundaire arbeidsvoorwaarde ontwikkelen. Een werkgever kan zich
voor zijn bestaande en toekomstige personeel hiermee profileren.
Voordeel van collectieve contracten voor werkgevers is de mogelijkheid van
bundeling van verzekeringen met samenhangende risico’s, zoals
loondoorbetaling en reïntegratiemaatregelen bij ziekte en arbeidsongeschiktheid. De
werkgever kan bij de keuze voor een verzekeraar dan selecteren op
adequate dienstverlening bij ziekteverzuim, bijvoorbeeld in geval van arbeidsrelevante aandoeningen.
Verzuim- en
arbeidsongeschiktheidsverzekeraars hebben in de afgelopen jaren al concepten
ontwikkeld gericht op preventie. Ook de ziektekostenverzekeraars richten zich meer en meer
op de keten van verzuimpreventie en -bestrijding. Hun
kracht ligt op het terrein van snelle medische interventie en wachtlijstbemiddeling.
Collectiviteiten zijn voor inkomens- en zorgverzekeraars
interessant omdat de zorgverzekering kan worden aangeboden in combinatie
met andere verzekeringen. Hiermee kan een rblz.|38|
werkgever een belangrijke
slag maken in het effectief aanpakken van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid. De dienstverlening aan werkgevers
en werknemers kan daarbij
aanzienlijk verbeteren, waarbij mogelijk ook substantiële
kostenbesparingen zijn te realiseren. Met de mogelijkheid van combinatiekortingen
en een hoogwaardige dienstverlening voor werkgevers en werknemers
kunnen de ziektekosten- en inkomensverzekeraars het aantrekkelijk maken
om collectieve contracten af te sluiten.
Om het ook voor
werknemers aantrekkelijk te maken aan een dergelijk contract deel te nemen,
zijn behalve garanties over snelle en kwalitatief goede zorg (ook op de
werkplek) ook financiële voordelen denkbaar. Deze kunnen komen uit de
besparing die de werkgever of de inkomensverzekeraar boekt dankzij een geïntegreerd preventie- en verzuimbeleid.
De wet voorziet in de
mogelijkheid dat de zorgverzekeraar een korting geeft op de nominale
premie. Met het oog op de transparantie van de verzekeringsvoorwaarden
dient dit voordeel voor het publiek kenbaar te zijn.
De premiekorting voor een
collectief contract mag slechts gerelateerd zijn aan het aantal deelnemers
aan het collectief, in die zin dat bij collectieve verzekeringen met een
vergelijkbare omvang een zelfde premie dient te gelden. De korting mag
niet gerelateerd zijn aan het verzekeringsrisico van het collectief.
Daarmee zou de door de
Zorgverzekeringswet beoogde solidariteit in het
gedrang komen. Dit laat uiteraard onverlet de mogelijkheid dat collectiviteiten een
financieel voordeel kunnen behalen in andere verzekeringen die de desbetreffende zorgverzekeraar aanbiedt, zoals de
aanvullende verzekering.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften
worden gesteld met betrekking tot de relatie tussen de omvang van het collectief en de daarbij toe te passen premiekorting
om tegen te gaan dat de
door de Zorgverzekeringswet beoogde solidariteit wordt uitgehold.
Uitgangspunt van de regering is dat hiertoe slechts wordt overgegaan wanneer
de toezichthouder constateert dat één of meer zorgverzekeraars de
mogelijkheid van collectieve contracten gebruiken voor ongewenste
risicoselectie. Bijvoorbeeld omdat een zorgverzekeraar een aanbieding voor een
collectieve verzekering zodanig toespitst op een bepaald collectief dat
het in de praktijk niet mogelijk zal blijken dat ook andere collectieven voor
die collectieve verzekering met bijbehorende korting in aanmerking
komen.
Wanneer uit de
bevindingen van de toezichthouder blijkt dat geconstateerde uitholling van de beoogde
solidariteit noopt tot nadere regelstelling, acht de regering daarmee
tevens de noodzakelijke Europeesrechtelijke rechtvaardiging
aangetoond.
d. Het te verzekeren
pakket
De verzekerde zorgvorm
In het verleden is
meerdere malen gediscussieerd over de gronden om bepaalde vormen van zorg
in het verzekeringspakket op te nemen of juist eruit te laten. In 1987
noemde de commissie-Dekker twee criteria voor opname in het collectief
gefinancierde verzekeringspakket:
• onverzekerbare of
financieel niet te dragen risico’s;
• substitutiegevoelige
voorzieningen.
In 1991 kwam de
commissie-Dunning tot vier criteria voor toelating tot het collectief
gefinancierde verzekeringspakket: noodzakelijke zorg, werkzame zorg, doelmatige zorg en
zorg die niet voor eigen rekening kan komen. Naast het
verzekeringstechnische aspect noemde deze commissie ook
medisch-inhoudelijke
argumenten: is de zorg wel noodzakelijk, werkt de behandeling en wordt
deze doelmatig uitgevoerd? Binnen de beperkte rblz.|39|
financiële middelen zou
gekozen moeten worden (volgens de "trechter van Dunning") voor de
aanspraken die het hoogste scoren op deze aspecten.
Het
CVZ heeft in 2001 een
rapport geschreven naar aanleiding van tien jaar pakketdiscussie.¹
Volgens het college hangt de mate waarin een bepaalde vorm van zorg
noodzakelijk is af van het toepassingsdoel en geldt dat niet altijd
voor alle zorgvragers op dezelfde wijze. De grens tussen noodzakelijk en
niet noodzakelijk loopt dwars door de onderscheiden zorgvormen heen.
Hetzelfde geldt voor de doelmatigheid van zorgvormen. Er zijn volgens het CVZ
geen grote gebieden binnen het huidige ziekenfondspakket aan te wijzen die in totaliteit
"niet noodzakelijk" of "niet doelmatig" zijn.
Het CVZ concludeert dat het enkele criterium van de noodzakelijkheid van zorg
als zodanig niet bruikbaar is om grote zorggebieden niet op te nemen in het
verzekeringspakket. De begrenzing van het verzekeringspakket
kan beter plaatsvinden via de toepassing van verzekeringsrechten. Zo
hebben de verschillende beroepsgroepen in de gezondheidszorg inmiddels
enkele honderden richtlijnen en protocollen ontwikkeld, die in
toenemende mate leiden tot doelmatig gebruik en doelmatig voorschrijven van zorg.
1. College voor
zorgverzekeringen, "Het basispakket: inhoud en grenzen,
rapport naar aanleiding van de evaluatie van 10 jaar
pakketdiscussie"
(publicatienummer 01/46, 25 januari 2001).
Op 3 februari 2003 heeft
de Gezondheidsraad een rapport uitgebracht ¹ over de contouren van het basispakket, waarin ook aandacht wordt
geschonken aan criteria
over opneming in het basispakket. De Gezondheidsraad kiest voor de criteria
"ziektelast", in plaats van "noodzakelijke zorg", en
"kosteneffectiviteit" als minimale randvoorwaarden voor een
solidair pakket. De
Gezondheidsraad benadrukt dat maatschappelijke opvattingen en keuzes,
ongeacht de gekozen criteria of indeling, een grote rol spelen bij de
pakketdiscussie.
Ook internationale
verdragen over sociale verzekeringen waarbij Nederland partij is, bepalen in
hoge mate de inhoud van het verzekeringspakket. In zijn advies van 30
oktober 1990 over de zorgvormen die in een sociale verzekering moeten zijn
opgenomen, heeft de Raad van State aangegeven dat in dit verband de volgende verdragen relevant zijn:
1. Verdrag betreffende
minimumnormen van sociale zekerheid (ILO-verdrag nr. 102) (Trb. 1953, 69)
en het Europees Sociaal Handvest (Trb. 1962, 3); ²
2. Verdrag betreffende de
ziekteverzekering van arbeiders in de industrie en de handel en van
huispersoneel (ILO-verdrag nr. 24) (Trb. 1957, 27) en Verdrag betreffende de
ziekteverzekering van landarbeiders (ILO-verdrag nr. 25) (Trb. 1957,
28); ³
3. Europese Code inzake
sociale zekerheid (Trb. 1965, 47);
4. Verdrag betreffende de
prestaties bij arbeidsongevallen en beroepsziekten (ILO-verdrag nr. 121)
(Trb.
1966, 137).
1. Gezondheidsraad,
"Contouren van het basispakket"
(publicatienummer 2003/02).
2. Een wetsvoorstel tot
ratificatie van het herziene Europees Sociaal
Handvest is in voorbereiding. De verplichtingen op het gebied van de sociale
ziektekostenverzekering ingevolge het herziene
Europees Sociaal Handvest komen overeen
met die van het Europees Sociaal
Handvest.
3. Zie hetgeen betreffende
de ILO-verdragen nrs. 24 en 25 is opgemerkt
in hoofdstuk III.
De zorgvormen die op
grond van deze verdragen in een sociale verzekering moeten zijn opgenomen,
zijn de volgende:
I. preventieve zorg;
II. verloskundige zorg en
kraamzorg;
III. verpleging, behandeling en verzorging van langdurig zieken en
verzorging hulpbehoevenden
(intramuraal, semi-muraal en thuiszorg);
IV. revalidatie van
zieken/gehandicapten (intramuraal, dagbehandeling en behandeling in de
thuissituatie);
V. reactivering
(intramuraal en dagbehandeling);
VI. genees- en
heelkundige behandeling en, indien noodzakelijk, daarmee verband houdende
kortdurende verpleging en verzorging;
VII. psychosociale
hulpverlening;
VIII. verpleging,
behandeling en verzorging van psychiatrische patiënten (intramuraal,
semi-muraal, ambulant, beschermd wonen);
rblz.|40|
IX. verpleging,
behandeling en verzorging van lichamelijk gehandicapten (intramuraal,
semi-muraal, dagbehandeling, thuiszorg);
X. verpleging,
behandeling en verzorging van geestelijk gehandicapten (intramuraal,
semi-muraal, dagverpleging/dagopvang, thuiszorg);
XI. hulp aan zintuiglijk
gehandicapten;
XII. tandheelkundige hulp
voor verzekerden tot en met 18 jaar;
XIII. kunst- en
hulpmiddelen.
Vooralsnog blijven de
genoemde zorgvormen verdeeld over de
Zorgverzekeringswet en de AWBZ. Hoofdlijn
daarbij is dat de Zorgverzekeringswet betrekking heeft op de
zorg die is gericht op genezing, terwijl de in de AWBZ opgenomen zorgvormen
betrekking hebben op langdurige verzorging. Het kabinet heeft in een
brief aan de Tweede Kamer van 23 april 2004 zijn visie gegeven
over de verdere toekomst van de AWBZ, onder meer wat betreft de
daarin opgenomen zaken die niet noodzakelijkerwijs in een verzekering
thuishoren.¹
1. Kamerstukken II 2002-2003, 26 631, nr. 56.
De regering concludeert
dat het te verzekeren pakket van de
Zorgverzekeringswet betrekking moet hebben
op
noodzakelijke zorg, getoetst aan aantoonbare werking,
kosteneffectiviteit en noodzaak van collectieve financiering. Om dit te
bereiken, sluit de regering aan bij de criteria van de commissie-Dunning.
Daarmee worden de gelijke toegang en de solidariteit in de zorg gewaarborgd.
De pakketsamenstelling is op deze wijze uitkomst van een
politieke weging waarin ook de betaalbaarheid van het stelsel op langere
termijn is betrokken. In de afgelopen jaren zijn de criteria van de commissie-Dunning gehanteerd bij zowel de toetsing van nieuwe behandelingen als
bij verwijdering en beperking van verstrekkingen uit het pakket. De consequentie hiervan is dat het verzekeringspakket
steeds meer betrekking
zal hebben op zorg waarvan de noodzakelijkheid, de werking en de
effectiviteit zijn aangetoond. Tevens brengt dit met zich dat voortdurende
toetsing van het verzekeringspakket geboden is. Dit acht ik bij
uitstek een taak van het College voor zorgverzekeringen
(CVZ), gelet op diens
taak op het terrein van het beheer van pakket.
Op grond van het
voorgaande heeft de regering besloten om het te verzekeren pakket van de
Zorgverzekeringswet in grote trekken te laten aansluiten bij het
verzekeringspakket van de ziekenfondsverzekering en de Wtz-verzekering. Het te
verzekeren pakket zal periodiek worden getoetst aan de bovenvermelde
criteria teneinde te bepalen of zorgvormen moeten worden toegevoegd
of verwijderd. In dit verband is inmiddels besloten om onderdelen
van de geestelijke gezondheidszorg (ggz) (curatieve zorgvormen) over te
hevelen van de AWBZ naar het pakket van de Zorgverzekeringswet.
Aanpassingen van de hoofdlijnen van het op grond van de
Zorgverzekeringswet te verzekeren pakket zullen plaatsvinden bij wetswijziging en dus in
dialoog met het parlement.
De mogelijkheid is
onderzocht om verzekerden in verband met hun geloofsovertuiging of
ethische opvattingen een verzekeringspakket te bieden waarin geen
zorgvormen voorkomen waartegen zij onoverkomelijke gewetensbezwaren hebben.
Mogelijke voorbeelden van uit te sluiten zorgvormen zijn abortus
provocatus, euthanasie en geslachtsaanpassende ingrepen. In zijn rapport
van 25 september 2003 stelt het CVZ ¹ dat een specifieke regeling,
analoog aan de Regeling gemoedsbezwaarden
socialeverzekeringswetten, voor
deze problematiek geen oplossing biedt. De voornoemde regeling biedt
een voorziening voor degenen die tegen iedere vorm van
verzekering gemoedsbezwaren hebben, terwijl het hier gaat om verzekerden die
tegen bepaalde in het pakket opgenomen zorgvormen gewetensbezwaren hebben.
Verder geeft het College aan dat naar zijn mening het naast
elkaar laten bestaan van een volledig pakket en een pakket waaruit een
beperkt aantal zaken is geschrapt, inbreuk maakt op de voorgestane solidariteit
in de verzekering. Rekening houdend met de rblz.|41|
overwegingen van het CVZ
heeft de regering besloten genoemde verzekerden in de gelegenheid te
stellen om de vormen van zorg waartegen zij bezwaren hebben niet
onder de dekking van hun zorgverzekering te laten vallen, maar daaruit geen
korting op de premie te laten voortvloeien. Dit om aantasting van de solidariteit te voorkomen. In de
Zorgverzekeringswet is een bepaling opgenomen
dat een verzekerde op zijn overeenkomst kan laten aantekenen dat
een bepaalde dekking niet op hem zal worden toegepast, zonder consequenties voor de door hem verschuldigde premie.
1. College voor zorgverzekeringen, "Onderscheid in basispakket
zorgverzekering op grond van geloofsovertuiging", 25 september 2003.
Om reden van de
instandhouding van de solidariteit in de verzekering volgt de regering niet
het advies van de SER ¹ om de burgers ruimte te bieden om in plaats van
de door de SER zogenoemde "standaardpolis" een smallere
"basispolis" te sluiten waaruit sommige, niet-noodzakelijke zorgvormen weggelaten
zouden kunnen worden. Het mag zo zijn dat er wellicht
verzekeringsvormen zijn die een individuele verzekerde als overbodig beschouwt. Ook de
Gezondheidsraad suggereert in zijn eerder genoemde advies een
dergelijk onderscheid. De SER adviseert om van verzekerden die kiezen
voor deze smallere polissen een solidariteitsbijdrage te vragen die
vergelijkbaar is met wat zij zouden betalen als zij voor de
standaardpolis
met volledige dekking zouden hebben gekozen. Het ligt in de lijn der
verwachting dat de omvang van die bijdrage óf volstaat om de
solidariteit te waarborgen, maar in dat geval het smallere pakket nauwelijks
goedkoper maakt, óf een aantrekkelijk premieverschil tussen smallere en
standaardpolis mogelijk maakt, maar in dat geval afbreuk doet aan de
voorgestane solidariteit. Deze zienswijze vindt bevestiging in het onderzoek van
Nyfer van november 2003.²
1. Sociaal-Economische
Raad, "Naar een gezond stelsel van ziektekostenverzekeringen",
15 december 2000.
2. Nyfer, "Stelselwijziging
in de zorg: geef verzekeraars de ruimte", november 2003.
Functiegericht omschreven
verzekeringsrechten
Zoals hiervoor is
aangegeven, acht de regering het van belang dat de directe
overheidsregulering van het zorgaanbod vermindert. Binnen de door de wetgever
geformuleerde kaders krijgen de betrokken actoren meer keuzemogelijkheden,
beleids- en beslissingsruimte én meer concurrentieprikkels. Eén
van de instrumenten om daartoe te komen, is de zogenaamde
functiegerichte omschrijving van de verzekeringsrechten. Uitgangspunt daarbij is
dat de wetgever, net als in het verleden, strikt regelt welke aanspraken
de verzekerden hebben. De functiegerichte omschrijving houdt in dat
niet langer bij de wettelijke formulering van de aanspraak precies wordt
aangegeven welke medische persoon of instelling bepaalde zorg moet
verlenen, maar dat iedere persoon of instelling die daartoe op medische
gronden bevoegd is bepaalde zorg mag leveren. Een voorbeeld: thans
bestaat aanspraak op "huisartsenzorg, te verlenen door een huisarts". De
omvang van de zorg wordt bepaald door hetgeen in de kring der
huisartsen gebruikelijk is. Daartoe kunnen, zeer vereenvoudigd uitgedrukt, bijvoorbeeld
behoren:
a. het geven van een
tetanusprik; en
b. doorverwijzing naar
specialistische zorg.
Onder de
Zorgverzekeringswet maakt "huisartsenzorg" onderdeel uit van
"geneeskundige zorg".
Doordat de functiegerichte omschrijving van de verzekeringsrechten openlaat door wie "huisartsenzorg" mag worden verleend, is er ruimte
voor zorgverzekeraars om samen met zorgaanbieders en verzekerden te komen
tot een doelmatige uitvoering. Dit kan resulteren in het opnemen
in de polis dat de verzekerde bijvoorbeeld voor het geven van een
tetanusprik zich wendt tot een doktersassistent en voor de doorverwijzing is
aangewezen op een huisarts. Ook een bedrijfsarts die zorginhoudelijk bevoegd
is tot het verlenen van "huisartsenzorg" kan in dit verband alle genoemde
aspecten van de verzekeringsaanspraak voor zijn rekening nemen.
Indien een zorgverzekeraar in zijn polis geen nadere specificaties opneemt,
staat het de verzekerde vrij om alle aspecten van "huisartsenzorg", voor
zover die tot de wettelijke aanspraken behoren, in te roepen bij ieder die
daartoe medisch bevoegd is. De functiegerichte rblz.|42|
aanspraak laat tevens
open waar een bepaalde aanspraak geleverd wordt. Dat wil zeggen dat niet
is voorgeschreven dat een bepaalde behandeling uitsluitend binnen een
bepaald type medische instelling gegeven mag worden. Bijvoorbeeld een
MRI-onderzoek kan straks onder de Zorgverzekeringswet ook buiten de muren van
een ziekenhuis plaatsvinden. De zorgverzekeraar kan dan zaken doen met
een instelling die gespecialiseerd is in MRI-onderzoek zonder
dat hij daarvoor, zoals in de Zfw, een overeenkomst moet sluiten met een
ziekenhuis met alles erop en eraan.
De functiegerichte
omschrijving van de aanspraken leidt er dus toe dat de zorgverzekeraar uitmaakt,
in samenspraak met zijn verzekerde, welke persoon of instelling
invulling geeft aan een bepaalde verzekeringsaanspraak. De functiegerichte
omschrijving van de aanspraken leidt niet tot een zorginhoudelijke
wijziging van die aanspraken, in die zin dat een zorgverzekeraar
bijvoorbeeld zou kunnen bepalen dat in zijn polis het geven van een tetanusprik
niet zou worden opgenomen. Hij dient alle aspecten van "huisartsenzorg" in zijn polis te dekken.
Het feit dat de
functiegerichte omschrijving van de verzekeringsrechten openlaat welke
zorgaanbieder bepaalde zorg verleent, betekent niet dat er onduidelijkheid bestaat
over de vraag wat de aard en de omvang van de verzekeringsaanspraken
zijn. Het is de (formele of gedelegeerde) wetgever die, eventueel op advies
van het CVZ, het te verzekeren pakket vaststelt. Vaak kan een omschrijving
van het verzekeringsrecht worden gehanteerd waarbij de omvang ervan
wordt overgelaten aan "hetgeen in de kring der beroepsgenoten
gebruikelijk is". In dat geval stelt dan feitelijk de desbetreffende beroepsgroep de omvang
van het verzekeringsrecht vast doordat deze zelf kan
uitmaken wat binnen de beroepsgroep gebruikelijk is. Deze potentiële
onbegrensdheid van het verzekeringsrecht kan worden ingeperkt met een
preciezere omschrijving door de wetgever. Die kan bijvoorbeeld regelen dat
de aanspraak geneeskundige zorg bestaat uit "huisartsenzorg" met
uitzondering van bepaalde, met name genoemde handelingen. Deze wijze
van inperking laat ontwikkelingen van de aanspraak open, doordat
vernieuwingen op het gebied van het medisch handelen van een
beroepsgroep automatisch binnen de verzekeringsaanspraak vallen, tenzij deze
met
name worden uitgezonderd.
Een verdergaande
mogelijkheid tot inperking van de verzekeringsaanspraak is de mogelijkheid om de
aanspraak zodanig te formuleren dat uitsluitend met zoveel
woorden genoemde handelingen onder de aanspraak vallen.
Samenvattend kan worden
gesteld dat de wetgever bepaalt wat tot het pakket behoort. Het
behoort tot de bevoegdheid van de zorgverzekeraar, in samenspraak met de
verzekerde, te bepalen door wie en waar de verzekerde zorg verleend wordt. De
functiegerichte omschrijving van de aanspraken leidt niet tot
een grotere omvang van de aanspraken.
Van belang in dit verband
is de vaststelling dat de vraag of verzekerde zorg daadwerkelijk aan
een verzekerde geleverd moet worden niet door de zorgverzekeraar, maar
altijd op medisch-inhoudelijke gronden dient te worden beantwoord.
Kwaliteit van zorg
Een aantal aspecten van
de zorgverlening trekt de aandacht als de nieuwe zorgverzekering wordt vergeleken met de ziekenfondsverzekering. Bereikbaarheid
voor de verzekerde,
veiligheid, tijdigheid en kwaliteit van zorg zijn daar voorbeelden
van. Voor de kwaliteit van zorg waarvoor primair de aanbieder van zorg
verantwoordelijkheid draagt, wordt ook in de nieuwe situatie het nodige van
de zorgverzekeraar verwacht. Hieronder volgt daarvan een schets.
rblz.|43|
Voorop staat dat iemand
die zorg nodig heeft, moet kunnen rekenen op kwalitatief goede,
tijdige en veilige zorg. De aanbieder van zorg moet daarvoor instaan, hetgeen
ook wordt bevorderd door de Wet
op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet Big) en de Kwaliteitswet
zorginstellingen.
Professioneel medisch handelen op basis van hedendaagse standaarden,
zorgverlening op basis van de meest recente inzichten en wetenschappelijk
onderbouwd alsmede een veilige omgeving voor de patiënt zijn
kenmerken van die verantwoorde zorg.
In het geval de polis
voorziet in niet-gecontracteerde zorg is er vanuit de verzekering bezien alleen
een relatie tussen verzekerde en zijn zorgverzekeraar. Vanuit de zorg bezien, is
er alleen een relatie tussen de zorgaanbieder en de verzekerde, waar de
zorgverzekeraar buiten staat. De zorgaanbieder moet verantwoorde zorg
leveren en voldoen aan de eisen die de Wet Big respectievelijk de
Kwaliteitswet zorginstellingen stellen. In deze situatie van zorglevering
is er vanuit kwaliteitsbewaking alleen een rol weggelegd voor de
Inspectie voor de Gezondheidszorg. Bij de levering van zorg moet ervan
worden uitgegaan dat de verzekerde er ook zelf op let dat hij zich voor
zijn zorg wendt tot een daartoe gekwalificeerde beroepsbeoefenaar of
instelling.
Voor de zorgverzekeraar
geldt wel de verplichting na te gaan of de zorg waarvoor hij een
declaratie van zijn verzekerde krijgt naar zijn inhoud gezien past in de dekking
van de polis. Daarmee is zorgverlening door kwakzalvers op zichzelf
niet uit te sluiten, maar wel de bekostiging ervan ten laste van de
verzekering. Overigens is in de Wet Big bepaald dat voorbehouden handelingen alleen door
bepaalde beroepsbeoefenaren mogen worden verricht. Andere
handelingen mogen op grond van die
wet door iedereen worden verricht,
mits deze handelingen niet direct op het lichaam ingrijpen en mits
de hulpverlener zich onthoudt van handelingen die onnodig
gezondheidsschade kunnen toebrengen.
Als een verzekerde op
zijn zorgverzekeraar een beroep doet om te bemiddelen ten behoeve van het
verkrijgen van zorg, mag van de verzekeraar worden verwacht dat deze
hem niet stuurt naar een hulpverlener die kwalitatief ondeugdelijke
zorg levert. Een zorgverzekeraar moet daarop letten. Een norm daarvoor
vloeit voort uit het normale maatschappelijk verkeer en wordt niet
afzonderlijk in de
Zorgverzekeringswet geregeld. Als een zorgverzekeraar in
dit opzicht in de fout gaat en een verzekerde zich benadeeld voelt, kan de
verzekerde naar de rechter stappen.
In het geval de polis
voorziet in gecontracteerde zorg heeft de zorgverzekeraar door de zorginkoop een
directe rol bij de kwaliteit van die zorg. Ieder mag ervan
uitgaan dat als een zorgverzekeraar het leveren van zorg regelt voor zijn
verzekerden, hij zich ervan vergewist dat hij inkoopt wat conform de dekking
van de polis moet worden geleverd en dat wat geleverd zal worden in
principe als "goed" kan worden gekwalificeerd. Dat betekent dat het
inkopen van zorg meer inhoudt dan het afspreken van alleen een prijs. Het
kwaliteitsaspect speelt duidelijk ook een belangrijke rol. Bij kwaliteit gaat
het ook om veiligheid, bereikbaarheid, tijdigheid en de noodzaak van
voortdurende innovatie van de zorg. Die aspecten van kwaliteit
zijn te waarborgen door een systeem van voortdurende bewaking van
kwaliteitsverbetering en sluit zodoende aan op de werking van de al
geldende kwaliteitswetgeving.
Voor de zorgverzekeraar
als inkoper ligt er ook een belang. Door zorg in te kopen die hoog scoort op
bovengenoemde kwaliteitsaspecten kan hij zich onderscheiden van andere
zorgverzekeraars, zeker als die kiezen voor niet-gecontracteerde zorg
en het zoeken naar gekwalificeerde zorgaanbieders overlaten aan hun
verzekerden.
Hij kan zich niet alleen
onderscheiden van andere zorgverzekeraars door goede zorg in te kopen.
Hij is daartoe in het systeem van de
Zorgverzekeringswet ook gehouden. Het is hem
niet toegestaan een dusdanig beperkte rblz.|44|
invulling te geven aan
de te contracteren zorg dat daarmee een goede zorgverlening aan de verzekerde onmogelijk wordt. De zorgverzekeraar
moet dus in voldoende
mate invulling geven aan zijn zorgplicht ten opzichte van zijn
verzekerden. Hij sluit daartoe overeenkomsten met aanbieders. Het is hem
niet toegestaan te treden in de arts-patiëntrelatie. Daar staat hij buiten. De
patiënt wordt daarbij beschermd door de patiëntenwetgeving zoals
de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst. De behandelend arts
bepaalt vanuit zijn professionele autonomie, dat wil zeggen
op basis van zijn kennis en kunde, welke zorg voor de patiënt
aangewezen is. De zorgaanbieder dient zich daarbij ook bewust te zijn van de
kosten van zijn handelen. Echter, dit mag niet ten koste gaan van een goede
zorgverlening aan zijn patiënt.
Een zorgverzekeraar die
de
Zorgverzekeringswet uitvoert, moet in de zorgpolis aangeven hoe
hij aan zijn zorgplicht zal voldoen en hoe hij met de verwachtingen om zal
gaan die men van zijn gecontracteerde zorg zal hebben. Voorts moet hij
aangeven hoe hij invulling heeft gegeven aan de code van goed zorgverzekeraarschap. Er is daarnaast ook een eigen
belang van de
zorgverzekeraar om uit te leggen hoe hij met verscheidene belangen die hij heeft,
is omgegaan. Een niet onbelangrijke belangengroep is daarbij die van de
verzekerden. Er zijn verscheidene aangrijpingspunten voor de zorgverzekeraar
om hierbij de weg te volgen van de "good governance"-benadering.
Zorgverzekeraars kennen
op dit moment twee gedragscodes. Enerzijds is er de code "Health
Insurance Governance" (aanbevelingen voor goed bestuur, goed toezicht en
adequate verantwoording door zorgverzekeraars; mei 2002), anderzijds de
"Gedragscode van de zorgverzekeraar" van december 1997. De code
"Health Insurance
Governance" ziet vooral op eisen die aan
zorgverzekeraars gesteld mogen worden over hun interne en externe
verantwoording en de gevolgen hiervan voor het bestuur van en het
toezicht op de zorgverzekeraar. De regels van de "Gedragscode van de
zorgverzekeraar" zorgen er, meer dan die van de "Health Insurance
Governance", voor dat de zorgverzekeraars bij het uitvoeren van hun taak
rekening houden met de sociale component van hun werk. Het belang van
zo’n code zal onder de
Zorgverzekeringswet, die in principe uitgaat van
elkaar om verzekerden beconcurrerende, privaatrechtelijke verzekeraars die winst
mogen beogen, nog aanzienlijk toenemen.
Het ligt voor de hand dat
een zorgverzekeraar verantwoording aflegt over het nakomen van zijn
zorgplicht en de manier waarop hij daarbij is omgegaan met aspecten van zorg als
de kwaliteit, de bereikbaarheid, de tijdigheid en de veiligheid ervan.
Juist ook op dit soort aspecten kan hij zich op de verzekerdenmarkt profileren.
De aanvullende
verzekering
Bovenop het
verzekeringspakket van de
Zorgverzekeringswet en de AWBZ kan de verzekerde een
aanvullende verzekeringsovereenkomst sluiten. In zo’n aanvullende
verzekering zitten alleen die voorzieningen waarvan de regering vindt dat die
voor rekening en verantwoordelijkheid van de verzekerde zelf kunnen
komen. Of dergelijke voorzieningen vervolgens via een afzonderlijke
aanvullende verzekering verzekerd worden, rekent de regering niet tot haar
verantwoordelijkheid. Als voor deze voorzieningen verzekeringen worden
aangeboden, maakt de burger zelf de afweging of hij daar al dan niet
gebruik van wil maken. Aanvullende verzekeringen zijn particuliere
verzekeringen, die een verzekerde kan sluiten bij een andere of dezelfde verzekeraar
als die welke de Zorgverzekeringswet uitvoert. Pakketsamenstelling, polisvoorwaarden, acceptatiebeleid en premiestelling
van zo’n aanvullende
verzekering behoren tot de eigen bevoegdheden rblz.|45|
van de verzekeraar
die de aanvullende verzekering aanbiedt. Wettelijke voorwaarden daarover
kunnen op grond van de Europese schaderichtlijnen niet
worden gesteld.
Een aandachtspunt is dat
de verzekerdenmobiliteit die de regering wenst ten behoeve van een
optimale werking van de mededinging onder druk kan komen te staan als de
pakketomvang van de aanvullende verzekering te groot wordt in relatie
tot de pakketomvang van de zorgverzekering. De algemene veronderstelling
is dat er een verband is tussen de omvang van de aanvullende
verzekeringen en de keuzevrijheid van de burgers. De keuzevrijheid kan in de
praktijk zijn beperkt indien de verzekerden naast de zorgverzekering ook
aanvullende verzekeringen hebben bij dezelfde verzekeraar. Omdat voor
een aanvullende verzekering geen acceptatieplicht kan gelden, kunnen
verzekerden daarvoor te maken krijgen met pakketverschillen, met
gehele of gedeeltelijke uitsluitingen of met hogere dan gemiddelde premies.
Naar de opvatting van de
regering is evenwel de gekozen verhouding tussen het pakket van de
voorgestelde zorgverzekering en een eventuele aanvullende verzekering
zodanig dat zich geen overwegende problemen zullen voordoen, omdat de
kosten van zorg die niet in de
Zorgverzekeringswet is opgenomen normaal
gesproken door de betrokkene zelf gedragen kunnen worden.
Wel zal de
Minister van VWS de toezichthouder op de uitvoering van de
Zorgverzekeringswet vragen eventuele problemen betreffende aanvullende
verzekeringen te monitoren.
e. Rechtsbescherming
De zorgverzekering die is
geregeld in deze wet is een privaatrechtelijke verzekering die tot stand
komt door het sluiten van een overeenkomst door enerzijds een burger
en anderzijds een zorgverzekeraar. Voor de geschillenbeslechting bij
een privaatrechtelijke overeenkomst is de burgerlijke rechter
bevoegd. Dat betekent dat een verzekerde het geschil afhankelijk van de hoogte
van zijn vordering kan voorleggen aan de kantonrechter of aan de
rechtbank. Voor de rechtbank is professionele rechtsbijstand verplicht.
Indien een verzekerde het niet eens is met de uitspraak van de rechter,
kan hij veelal hoger beroep instellen en ten slotte via een cassatieberoep de
zaak voorleggen aan de Hoge Raad. Er zijn nadelen verbonden aan
deze burgerlijke rechtsbescherming; toegang tot de rechter is kostbaar,
procederen bij de rechtbank moet veelal met gebruikmaking van
deskundigen en de termijnen die ermee gemoeid zijn, kunnen in sommige
gevallen heel lang zijn.
Om deze bezwaren te
ondervangen en ook om de belasting van het rechterlijk apparaat zoveel mogelijk
te beperken, voorziet het wetsvoorstel in een laagdrempelige
mogelijkheid voor de verzekerde om geschillen met zijn zorgverzekeraar aan
een onafhankelijke instantie voor te leggen. Daartoe legt het
wetsvoorstel de zorgverzekeraars de verplichting op om aangesloten te zijn bij
een onafhankelijke geschillencommissie die klachten van verzekerden
over de uitvoering van de
Zorgverzekeringswet in behandeling neemt. Die verplichting sluit aan bij de thans reeds
bestaande
geschillenregeling van het Klachteninstituut Verzekeringen, die verzekerden de
mogelijkheid biedt om klachten over zorgverzekeraars voor te leggen aan de
Ombudsman Zorgverzekeringen. De verzekerde moet zich tevoren met
zijn klacht hebben gewend tot zijn zorgverzekeraar. De uitspraken van de
ombudsman zijn weliswaar niet bindend, maar worden in de praktijk
nagenoeg altijd gevolgd. Als de zorgverzekeraar een formeel advies van de
ombudsman naast zich neerlegt, kan de verzekerde dat ter toetsing
voorleggen aan de Raad van Toezicht. Een verzekerde die het niet eens is met de
ombudsman, kan zich altijd alsnog tot de burgerlijke rechter wenden.
rblz.|46|
Er is geen rechtstreekse
relatie tussen de rechtsbescherming van de burger zoals hiervoor
omschreven en het hierna beschreven toezicht op het functioneren van de
zorgverzekeraars. Wel is het zo dat de mate waarin zich geschillen
voordoen, voor de toezichthoudende instantie een indicatie kan zijn dat de
zorgverzekeraar mogelijk niet naar behoren functioneert.
De consequenties voor de
rechterlijke macht zijn onderscheiden. In relatie tot de huidige ziekenfondsverzekering en de publiekrechtelijke ziektekostenregelingen
voor ambtenaren zal naar verwachting een vermindering optreden van de belasting van de
rechterlijke macht, omdat er een verschuiving plaatsvindt van een
beroep op de relatief laagdrempelige administratieve rechter naar een beroep
op de relatief hoogdrempelige burgerlijke rechter. In relatie tot de huidige
particuliere verzekeringsmarkt treedt geen verschil op. Alles bijeen genomen,
ontstaat derhalve een verlichting voor de rechterlijke macht.
f. De financiering
De financiering van de
zorgverzekering vindt plaats langs verscheidene wegen.
Nominale premie
Om te beginnen zijn alle
verzekerden van 18 jaar of ouder voor wie een zorgverzekering is
gesloten een door de zorgverzekeraar vastgestelde nominale premie
verschuldigd. Die premie is niet afhankelijk van het inkomen van de
verzekerde. De zorgverzekeraars zijn vrij in het bepalen van de hoogte van
de premie. De hoogte kan verschillen voor de verschillende varianten
van de verzekeringsovereenkomsten die zij op de markt aanbieden, maar
moet voor ieder die kiest voor hetzelfde model gelijk zijn.
Gelet op de hierna te
beschrijven vereveningsregeling zal in totaal, 50% van de totale
macropremielast, minus de rijksbijdrage en de omvang van het niet-uitgekeerde bedrag van de no-claimteruggaveregeling door de zorgverzekeraars
door middel van de nominale premie moeten worden opgebracht.
Hiertoe hanteert de regering een rekenpremie. Deze rekenpremie geeft
het bedrag aan dat zorgverzekeraars bij hun verzekerden gemiddeld
in rekening zouden moeten brengen om in beginsel alle kosten te
dekken. De
Minister van VWS maakt jaarlijks in de begroting een inschatting
van de totale kosten van de
Zorgverzekeringswet. De Minister van VWS
stelt, gegeven bovenstaande uitgangspunten, jaarlijks het percentage
van de inkomensafhankelijke bijdrage van verzekeringsplichtigen (zie hierna) en de hoogte
van de rijksbijdrage vast. In tegenstelling tot de
huidige situatie is de hoogte van de rekenpremie niet vrij vast te stellen,
maar volgt deze uit het uitgangspunt dat 50% van de financiering
geschiedt uit de inkomensafhankelijke bijdragen van
verzekeringsplichtigen.
De inbreuk op de
contractvrijheid die wordt veroorzaakt door de wettelijk voorgeschreven
premievrijstelling voor personen jonger dan 18 jaar acht de regering in
Europeesrechtelijke zin gerechtvaardigd, omdat deze plaatsvindt ter
voorkoming van ongewenste inkomenseffecten voor de verzekerden. Ongewenste
effecten tengevolge van deze premievrijstelling voor de zorgverzekeraars
worden goeddeels gecompenseerd door een rijksbijdrage.
De nominale premie
vervult een functie als prikkel voor een doelmatige zorgverlening, en wel in
twee opzichten. Zorgverzekeraars kunnen zich daarmee qua prijs ten
opzichte van hun concurrenten onderscheiden. Hoe doelmatiger een
zorgverzekeraar zijn bedrijfsvoering regisseert en zorg inkoopt, hoe aantrekkelijker de premiestelling voor zijn verzekerden kan
rblz.|47|
zijn. Daarnaast brengt de
hoogte van de premie bij verzekerden het effect teweeg dat men scherper
wordt geconfronteerd met de kosten van de zorg. Verzekerden en
patiënten worden zo geprikkeld tot een kritische opstelling ten aanzien
van prijs en kwaliteit van de geleverde diensten. De regering is van mening
dat de nominale premiecomponent een voldoende omvang moet
hebben om effectief te zijn als prikkel voor concurrentie tussen
zorgverzekeraars en kostenbewustzijn bij de burgers.
Zorgverzekeraars hebben
de keuze het pakket aan verzekerde zorg aan te bieden onder
verschillende varianten. Deze varianten zien op de keuze voor de verzekerde voor
een eventueel eigen risico en de keuze tussen restitutie- of een
naturamodel dan wel een combinatie daarvan. De zorgverzekeraar dient aan al zijn
verzekerden die de keuze hebben gemaakt voor een bepaalde variant hetzelfde bedrag aan nominale premie in rekening te brengen.
De zorgverzekeraars
bepalen zelf de hoogte van de nominale premie per variant die zij
aanbieden. Dus als zij een zorgverzekering aanbieden waarbij alle zorg in
natura wordt geleverd, geldt voor iedere burger die opteert voor dat
verzekeringsmodel een zelfde nominale premie. Als dezelfde zorgverzekeraar
tevens een zorgverzekering aanbiedt met het restitutiemodel, dan kan
de nominale premie voor dat verzekeringsmodel anders zijn dan die voor
de zorgverzekering met zorg waartoe met zorgaanbieders overeenkomsten zijn
gesloten, maar wel voor alle burgers die voor deze vorm opteren
gelijk.
Zoals eerder aangegeven,
kunnen mensen voor wie de hoogte van de nominale premie gezien
hun inkomenssituatie problematisch is, op grond van de Wet op de
zorgtoeslag voor een zorgtoeslag in aanmerking komen. Deze zorgtoeslag
waarborgt dat niemand een groter deel van zijn inkomen aan ziektekostenpremie
hoeft te betalen dan wat aan de hand van het voorstel als aanvaardbaar
wordt berekend.
De inkomensafhankelijke
bijdrage
Naast de nominale premie
kent de
Zorgverzekeringswet als financieringsbron een bij de verzekeringsplichtige geheven inkomensafhankelijke
bijdrage. Deze bijdrage
dekt in totaal 50% van de totale macropremielast. De inkomensafhankelijke
bijdrage van verzekeringsplichtigen is verschuldigd over het
loon en over daarmee gelijkgestelde inkomensbestanddelen. De inkomensafhankelijke
bijdrage van verzekeringsplichtigen wordt geheven en geïnd
door de belastingdienst. Bij de inkomensafhankelijke bijdrage over het in de
loonheffing betrokken loon zal de werkgever deze
inkomensafhankelijke bijdrage inhouden op het loon en afdragen aan de belastingdienst. Deze heffing en inning is vergelijkbaar met de systematiek die
wordt gevolgd bij de heffing en inning van premies voor de
volksverzekeringen. De inkomensafhankelijke bijdrage van
verzekeringsplichtigen dient als voornaamste financieringsbron voor de vereveningsregeling
(zie paragraaf g van dit hoofdstuk), naast de rijksbijdragen.
Werkgeversbijdrage
De
Zorgverzekeringswet voorziet erin dat werkgevers bijdragen aan de financiering van de
verzekering door middel van een verplichte vergoeding aan hun werknemers van de
door deze werknemers verschuldigde inkomensafhankelijke
bijdrage over nader aangewezen loon. Deze verplichting tot het
verstrekken van een vergoeding geldt eveneens voor uitkeringsinstanties met
betrekking tot de door de uitkeringsgerechtigden verschuldigde
inkomensafhankelijke bijdrage over nader aan te wijzen uitkeringen.
De bovengenoemde
werkgeversbijdrage is gebaseerd op de burgerrechtelijke rblz.|48|
verantwoordelijkheid die werkgevers jegens hun werknemers dragen voor, onder meer,
de kosten van medische zorg die nodig is als gevolg van omstandigheden
die voortvloeien uit hun dienstbetrekking. De SER
hanteert in zijn
advies over een nieuw stelsel van ziektekostenverzekeringen als werkhypothese een
werkgeversbijdrage van 50% van de premiesom. Daarbij
stelde de SER dat groepen burgers er door de invoering van het nieuwe verzekeringsstelsel niet onbedoeld financieel op
achteruit mogen gaan. De
invulling die in de Zorgverzekeringswet aan de werkgeversbijdrage is
gegeven, past binnen de kaders van het SER-advies, doordat de
huidige werkgeversbijdrage voor de ziekenfondsverzekering en de gemiddelde
werkgeversbijdrage in de particuliere ziektekostenverzekeringen zo goed mogelijk worden
overgezet naar de nieuwe verzekering. Deze
invulling van de werkgeversbijdrage beperkt de inkomensgevolgen van de stelselwijziging en beperkt daarmee ook de
kosten van de
compensatiemaatregelen met betrekking tot negatieve inkomenseffecten.
De werkgeversbijdrage
heeft een verplicht karakter. Een vrijwillige werkgeversbijdrage zou leiden tot
aanmerkelijk grotere inkomenseffecten, doordat deze per
werknemer sterk uiteen kan gaan lopen. Het gevolg van één en ander zou zijn dat
de premiestructuur voor iedere verzekerde verschillend zou zijn, hetgeen het
socialeverzekeringskarakter van de
Zorgverzekeringswet zou
aantasten.
Voorkomen moet worden dat
werkgevers te maken krijgen met dubbele lasten doordat zij naast
de wettelijke werkgeversbijdrage ook nog in het kader van een
arbeidsovereenkomst verplichtingen hebben op het vlak van bijdragen in de
ziektekostenverzekering van hun werknemers. Daartoe zullen zodanige
overeenkomsten tijdig moeten worden herzien. Daarom is de Stichting van de
Arbeid door de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, mede namens de
Minister van VWS, schriftelijk op de hoogte gesteld van het voornemen tot invoering van de
Zorgverzekeringswet per
1 januari 2006. Bestaande
CAO’s lopen doorgaans niet tot 2006 door. In de meeste sectoren zal dus
in elk geval één keer opnieuw worden onderhandeld alvorens de Zorgverzekeringswet wordt ingevoerd. Bij zodanige
onderhandelingen zal de
tegemoetkoming in de ziektekosten van werknemers aan de orde kunnen komen.
In het verleden hebben zich vergelijkbare situaties voorgedaan bij
de invoering van de Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen
(Pemba)
en de afschaffing van de
zogeheten overhevelingstoeslag. Het is aan de sociale partners om te
bezien of zij het wenselijk vinden nieuwe afspraken over tegemoetkoming in de
ziektekosten van werknemers te maken.
De werkgeversbijdrage
geldt in fiscale zin als inkomen voor de werknemer en zal dienovereenkomstig
aan belastingheffing en premieheffing sociale verzekeringen zijn
onderworpen.
Rijksbijdragen
De
Zorgverzekeringswet kent een aantal rijksbijdragen ter medefinanciering van de verzekering.
Voorzien wordt in een rijksbijdrage van vooralsnog €|1,5 mld ter
financiering van de premie van kinderen tot 18 jaar. Verder wordt de
mogelijkheid geopend van een rijksbijdrage ter dekking van eventuele kosten
voortvloeiend uit molestsituaties zoals oorlogsomstandigheden of terrorisme. Ten slotte
is in de Zorgverzekeringswet de mogelijkheid opgenomen
van een rijksbijdrage bij betalingsonmacht van een zorgverzekeraar.
Financiële gevolgen voor
verzekerden
Buiten de premie en de
eventueel door hen zelf af te dragen inkomensafhankelijke bijdrage van verzekeringsplichtigen kent de
Zorgverzekeringswet nog andere financiële
gevolgen voor de verzekerden. In de eerste rblz.|49|
plaats geldt hier de
zogenaamde no-claimteruggaveregeling. Op basis daarvan ontvangen verzekerden een deel van de door hen betaalde
premie terug indien zij
geen of weinig zorg consumeren. De regering acht het in
Europeesrechtelijke zin gerechtvaardigd deze regeling, die haar oorsprong vindt in de
publiekrechtelijke ziekenfondsverzekering,¹ over te nemen in de
privaatrechtelijke zorgverzekering, vanuit het oogpunt van handhaving van de
financiële houdbaarheid van het verzekeringsstelsel. Proportioneel is de
maatregel naar de mening van de regering, omdat deze, zoals uiteengezet
bij de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel betreffende het invoeren
van de no-claimteruggave in de ziekenfondsverzekering, een adequate mix biedt
tussen enerzijds beoogde solidariteit en anderzijds gewenste
eigen verantwoordelijkheid.
Voorts kunnen verzekerden
te maken krijgen met een eigen betaling van een deel van de rekening.
Dit is het geval als zij hebben gekozen voor een naturapolis en in plaats
daarvan incidenteel kiezen voor de wettelijk geregelde mogelijkheid om zorg in
te roepen bij een zorgaanbieder die geen overeenkomst heeft
gesloten met de zorgverzekeraar. Daarnaast dienen verzekerden in sommige
gevallen een zorggebonden eigen bijdrage te betalen, zoals die welke
in de huidige ziekenfondsverzekering geldt bij geneesmiddelen en bepaalde hulpmiddelen.
Ten slotte kunnen
verzekerden van 18 jaar of ouder opteren voor een eigen risico. De
Zorgverzekeringswet bepaalt de mogelijke niveaus daarvan. Hiermee wordt
bewerkstelligd dat de door de zorgverzekeraars aangeboden varianten
makkelijk met elkaar zijn te vergelijken. Naar de opvatting van de regering
rechtvaardigt de aldus bewerkstelligde transparantie deze inbreuk op de
contracteervrijheid, terwijl de maatregel proportioneel mag worden geacht, omdat
deze nog altijd een grote mate van vrijheid aan partijen
laat.
1. Het betreft het bij koninklijke boodschap van 22 maart 2004 ingediende
voorstel van wet tot wijziging van de
Ziekenfondswet in verband met het invoeren van een
no-claimteruggaaf voor verzekerden die geen
of weinig gebruik hebben gemaakt van zorg
waarop ingevolge die wet aanspraak bestaat
(Kamerstukken II 2003-2004, 29 483).
De eigen bijdragen die de
verzekerde verschuldigd is, bijvoorbeeld als hij opteert voor
zorgverlening door een niet-gecontracteerde zorgaanbieder terwijl zijn polis voor
die zorgvorm voorziet in zorg door een zorgaanbieder met wie een overeenkomst
is gesloten bij een zorgverzekeraar die het naturamodel toepast, tellen niet mee in de
no-claimteruggave en het eigen
risico van een
verzekerde.
g. De vereveningsregeling
De
acceptatieplicht die
door de
Zorgverzekeringswet aan de zorgverzekeraars wordt opgelegd, kan ertoe
leiden dat er zorgverzekeraars zijn die een onevenredig groot aantal
mensen met een slecht verzekeringsrisico in hun
verzekeringsportefeuille krijgen. Om te voorkomen dat hieruit voor de zorgverzekeraar een
financieel nadeel voortvloeit, acht de regering een goed systeem van
risicoverevening onmisbaar. Daardoor wordt bewerkstelligd dat iedere door de
zorgverzekeraar te accepteren burger voor hem een gelijk
verzekeringsrisico vormt.
De regering houdt er
rekening mee dat de vereveningsbijdrage in Europeesrechtelijk
opzicht als een steunmaatregel gezien zou kunnen worden en dat deze
aangemeld moet worden bij de Europese Commissie. De Europese Commissie zal
op korte termijn gevraagd worden hierover een opvatting uit te spreken. Uiteraard zal geen vereveningsbijdrage
uitgekeerd worden zonder
dat de Europese Commissie zich over het karakter hiervan heeft
uitgesproken. Overigens heeft de Europese Commissie in een
beschikking inzake het Ierse stelsel van particuliere
ziektekostenverzekeringen ¹ uitgesproken dat betalingen in het kader van het
risicovereveningssysteem geen staatssteun in de zin van artikel 87, eerste lid,
EG-verdrag
behelzen, maar kunnen worden gezien als een noodzakelijke compensatie
voor door de overheid opgelegde publieke dienstverplichtingen.
rblz.|50|
De
financiële
overdrachten dienen daarbij niet meer te zijn dan nodig om risicoverschillen te
neutraliseren.
1. State Aid Nr.
46/2003-Ireland. Inmiddels is tegen deze beschikking
door de verzekeraar beroep ingesteld bij het
Gerecht van eerste aanleg van de Europese
Gemeenschappen, waarbij verzoekster zich
er onder meer op beroept dat de Commissie
ten onrechte niet heeft onderzocht of de
bestreden risicoverdelingsregeling inbreuk maakt op de derde schaderichtlijn.
Verschillen tussen de
premies die zorgverzekeraars in rekening brengen, hangen samen met de
organisatie van de interne bedrijfsvoering van de zorgverzekeraars zelf en
met de wijze van uitvoering van de zorgplicht. Om ervoor te zorgen dat
zorgverzekeraars zo doelmatig mogelijk werken en dus een lage premie kunnen heffen, wordt bij de verdeling van de
beschikbare
premiemiddelen een systeem van ex-anterisicoverevening gehanteerd waarbij
verzekeraars in grote mate risicodragend zijn. Dit ex-antesysteem is een
belangrijke stimulans voor kostenbeheersing. Het prikkelt zorgverzekeraars
tot doelmatige zorginkoop, omdat zij zich anders, gegeven hun
beschikbare middelen, door hogere nominale premies uit de markt zouden prijzen.
De ervaringen die zijn
opgedaan in meer dan tien jaar risicoverevening in de
ziekenfondsverzekering hebben aangetoond dat het gehanteerde systeem van
ex-anterisicoverevening in staat is om min of meer gelijke verzekeringsrisico’s te
bewerkstelligen. In het kader van de
Zorgverzekeringswet zal een vereveningssysteem worden toegepast dat vergelijkbaar
is met het
vereveningssysteem in de huidige ziekenfondsverzekering. De hoofdlijnen van het
vereveningssysteem zijn de volgende.
Het fonds waaruit aan de
zorgverzekeraars gelden worden verstrekt ter verevening van ongelijke
risico’s, het Zorgverzekeringsfonds, wordt gevoed door de
inkomensafhankelijke bijdrage van verzekeringsplichtigen en de rijksbijdragen.
Jaarlijks worden de middelen uit het Zorgverzekeringsfonds verdeeld over de
zorgverzekeraars. Deze wijze van verdelen wordt geregeld in een
jaarlijkse ministeriële regeling. In de regeling wordt uitgegaan van de
kostenramingen van de
Zorgverzekeringswet, zoals opgenomen in de rijksbegroting, en een risicomodel voor de totale kosten
van de
Zorgverzekeringswet. Met dit model is het mogelijk - rekening houdend met de relevante
achtergrondkenmerken van verzekerden - voor een zorgverzekeraar een
inschatting te maken van zijn te verwachten kosten van de
Zorgverzekeringswet. Deze uitkomst is de basis voor zijn uitkering uit het
Zorgverzekeringsfonds. Door bij alle zorgverzekeraars op de verwachte kosten de
opbrengst van de rekenpremie in mindering te brengen, wordt bereikt
dat alle verzekeraars in min of meer gelijke uitgangsposities worden
geplaatst.
De middelen uit het
Zorgverzekeringsfonds worden over de zorgverzekeraars verdeeld op basis van een
risicomodel met vooraf kenbare en voor iedere zorgverzekeraar
gelijke criteria die volgens statistische methoden tot stand komen. Het gaat
hier in ieder geval om leeftijd, geslacht, woonplaats en gezondheidscriteria
gebaseerd op medicijngebruik en ziekenhuisopnamen in het verleden. Door het
opnemen van gezondheidskenmerken hebben zorgverzekeraars
er geen financieel nadeel van als ze zich door goed zorg te
verlenen aan chronisch zieken aantrekkelijk maken voor deze groepen. Anders
geformuleerd: bewuste of onbewuste selectie van gunstige risico’s
wordt hiermee ontmoedigd dan wel ondervangen. De uitkering uit het
Zorgverzekeringsfonds zorgt er dus voor dat kostenverschillen tussen zorgverzekeraars
als gevolg van verschillen in kenmerken van verzekerden zoveel
mogelijk worden weggenomen, terwijl kostenverschillen tussen zorgverzekeraars
die voortvloeien uit bijvoorbeeld minder doelmatige zorginkoop niet worden gecompenseerd.
In relatie tot
onvolkomenheden in het risicomodel worden compensatiemechanismen toegepast. Op grond
van
de jarenlange ontwikkeling van het risicomodel, zoals
toegepast in de ziekenfondsverzekering, en de mogelijkheden van
zorgverzekeraars om kosten te beïnvloeden, is rblz.|51|
besloten de
compensatiemechanismen beperkt te houden zodat zorgverzekeraars in hoge mate
risicodragend zullen zijn.
De mate waarin
zorgverzekeraars kosten van hun verzekerden kunnen beïnvloeden, verschilt
sterk per zorgvorm. Het financiële risico dat zorgverzekeraars lopen, zal daarom
verschillen per kostensoort. Zo maakt het risicomodel bijvoorbeeld
onderscheid tussen kosten voor onder andere huisartsenhulp, genees-
en hulpmiddelen, variabele kosten van ziekenhuisverpleging en
vaste kosten van ziekenhuisverpleging.
h. Beheer
In het kader van de
Zorgverzekeringswet wordt een instantie aangewezen die is belast met het
dagelijks beheer van de uitvoering van de zorgverzekering. Het gaat hierbij om de
volgende taken:
- pakketbeheer, in die
zin dat de
Minister van VWS wordt geadviseerd over ontwikkelingen in
het medisch veld die wijzigingen in het te verzekeren pakket gewenst
zouden kunnen maken;
- uitvoering van de
vereveningsregeling;
- registratie van
verzekeraars die de Zorgverzekeringswet uitvoeren;
- beheer van het
Zorgverzekeringsfonds;
- onderhouden van de
administratieve en financiële relaties met andere staten die voortvloeien
uit de toepassing van de Europese socialezekerheidsverordening nr. 1408/71 en bilaterale
socialezekerheidsverdragen;
- verstrekken van
subsidies en beheer van de uitgaven ten behoeve van gesubsidieerde zorg;
- informatievoorziening
aan zorgverzekeraars zoals over ontwikkelingen in de (internationale)
jurisprudentie.
Deze beheerstaak wordt
opgedragen aan de instantie die deze taak in het kader van de ziekenfondsverzekering al vervulde en deze taak in het kader
van de uitvoering van de AWBZ blijft vervullen; te weten het CVZ. Het CVZ functioneert onder
politieke verantwoordelijkheid van de Minister van VWS.
i. Toezicht
De noodzaak van een
adequaat toezichtinstrumentarium spreekt vanzelf in een verzekeringssysteem
waarin een belangrijke rol wordt toegekend aan de eigen
verantwoordelijkheid van de betrokken partijen. Die verantwoordelijkheid
moet tot uitdrukking
komen in maatschappelijk verantwoord handelen, in verantwoording en verslaglegging over het gevoerde beleid
en in een toetsbare
opstelling. De verzekeraars en aanbieders geven daarmee inzicht in de
wijze waarop zij uitvoering geven aan de wet respectievelijk zorg
leveren aan degenen die op zorg zijn aangewezen. Voor de aanbieders van
zorg is dit overigens niet in deze wet geregeld. Een wettelijk geregeld
onafhankelijk toezicht op de verzekeraars en aanbieders van zorg is
van belang voor het kunnen afleggen van verantwoording aan het parlement over
het functioneren van het zorgstelsel als geheel. Dat toezicht
verschaft de
Minister van VWS, die verantwoordelijk is voor het functioneren
van het zorgsysteem, immers de noodzakelijke informatie om zich over
het functioneren van het stelsel als geheel een oordeel te kunnen vormen.
Een toezicht overigens, dat waar het de verzekeraars betreft, een ander
karakter heeft dan het bestaande toezicht dat zo kenmerkend is voor het
publiekrechtelijke systeem van ziekenfondsen. De privaatrechtelijke
vormgeving van het stelsel en meer marktwerking als belangrijk
sturingsinstrument voor een doelmatig en op de vraag van de verzekerden en
zorggebruikers afgestemd zorgstelsel stellen eigen eisen aan de inrichting van het
toezicht. Het kabinet heeft zich dan ook beraden op de wenselijkheid van
een herijking en herschikking van taken en rblz.|52|
bevoegdheden van de toezichthouders in de zorgsector om te komen tot
een logische clustering
van functies en taken die hieruit voortvloeien.
1. Algemene
uitgangspunten voor het toezicht
In het kader van de zorg
is een viertal toezichtdomeinen aan de orde. Er is sprake van toezicht op
financiële markten, toezicht op verzekeraars bij de uitvoering van de
Zorgverzekeringswet, het toezicht op het ontwikkelen van markten en de
mededinging bij zorgverzekeraars en zorgaanbieders, en tot slot het toezicht
op de kwaliteit van de (verleende) zorg. In de beschrijving van de
algemene uitgangspunten voor het toezicht is waar nodig een onderscheid
gemaakt in toezicht op verzekeraars en toezicht op aanbieders van zorg.
Toezicht op de
financiële markten
De verzekeraars die de
Zorgverzekeringswet uitvoeren, zijn private verzekeringsondernemingen.
Op deze verzekeraars is dan ook de wetgeving voor het toezicht op de
particuliere verzekeraars, zoals vastgelegd in de Wtv
1993, van
toepassing. Dat omvat in de eerste plaats het verlenen van een vergunning tot
het uitoefenen van het verzekeringsbedrijf in de branches ongevallen en
ziekte, en het prudentieel toezicht. Dit toezicht bewerkstelligt dat er
solide private zorgverzekeraars zijn.
Het prudentieel toezicht
op private verzekeringsondernemingen is opgedragen aan de PVK.¹ Als het een
verzekeringsonderneming betreft met een zetel in een andere
lidstaat van de EU, wordt het toezicht uitgeoefend door de toezichthoudende
instantie in de lidstaat van de zetel. Het gaat bij deze toezichtvorm vooral
om de vraag of de financiële positie van de verzekeraars voldoende is
om de aangegane verplichtingen te dekken. Daarnaast gaat het om de
vraag of bedrijfsprocessen dusdanig zijn ingericht dat de continuïteit van
de zorgverzekeraars gewaarborgd is, zodat deze ook in de toekomst
aan deze verplichtingen zullen kunnen voldoen. Hiervoor worden de
administratieve organisatie en de interne controlemechanismen getoetst en van
voorschriften voorzien. De administratie van de verzekeraars is
daardoor ingericht op een zodanige wijze dat deze voldoende inzicht geeft
om het toezicht te kunnen uitoefenen.
1. De Minister van Financiën
is verantwoordelijk voor de PVK. Het is de
bedoeling dat de PVK in de loop van 2004
zal samengaan met De Nederlandsche Bank.
Zie hiervoor Kamerstukken II 2003-2004, 29 411.
Het toezicht op
particuliere verzekeraars omvat in de tweede plaats ook het toezicht op een
deugdelijke financiële dienstverlening, zowel voor zorgverzekeraars als
assurantietussenpersonen en andere distributiekanalen. Dit zogeheten
financiëlemarktengedragstoezicht is opgedragen aan de Autoriteit Financiële Markten
(AFM). Bij deze toezichtvorm gaat het
om de basisvereisten
waaraan financiëlemarktpartijen moeten voldoen om een fatsoenlijk
distributiekanaal van financiële producten te waarborgen. Het gaat dan vooral om de
vraag of de verzekeraar verzekerden goed voorlicht over de
verzekeringspolis en of hij bij de verkoop van de verzekeringspolis de
aspirant-verzekerde goed informeert over onder meer de mogelijkheden en
de verschuldigde premies bij de verschillende polissen. Hiermee is
wettelijk geborgd dat de distributie van zorgverzekeringen op een goede manier
plaatsvindt.¹ De Minister van Financiën draagt de politieke
verantwoordelijkheid voor het toezicht op particuliere verzekeraars. Deze
aspecten hoeven niet apart in de
Zorgverzekeringswet te worden geregeld, maar
vloeien direct voort uit de uitvoering van de zorgverzekering door
private zorgverzekeraars waardoor de Wtv
1993 van toepassing is.
1. Daarnaast is de AFM
verantwoordelijk voor het effectentypische
gedragstoezicht met waarborgen voor een integere inrichting van het beleggingsbedrijf van
- in dit geval - zorgverzekeraars.
Toezicht op de uitvoering
van de wet door de zorgverzekeraars: borging van publieke belangen
De
Minister van VWS is
verantwoording verschuldigd aan de Tweede Kamer over de opzet en de
werking van de
Zorgverzekeringswet. Hij zend rblz.|53|
daarom
verantwoordingsinformatie naar de Kamer die vooral betrekking heeft op de behartiging
van de publieke belangen die met de Zorgverzekeringswet zijn gewaarborgd. Bij de
uitvoering van de Zorgverzekeringswet door de zorgverzekeraar
gaat het daarbij in hoofdzaak om het nakomen van de acceptatieplicht,
het verbod op premiedifferentiatie, de zorgplicht en om de vraag of de
polis, de privaatrechtelijke overeenkomst tussen de verzekeraar en de
verzekerde, niet meer, maar ook niet minder biedt dan wat ingevolge de
Zorgverzekeringswet verzekerd dient te zijn. Andere relevante aspecten zijn
de vraag of de opgave van het verzekerdenbestand in verband met de
verevening en de vraag of het gedrag ten aanzien van collectieve contracten
correct is. Gelet op deze verantwoordelijkheid van de minister
en zijn informatieverplichting aan de Kamer kan dit alleen
goed worden vormgegeven
vanuit een vastgelegde visie van de
Minister van VWS op het uit te
oefenen toezicht. Zoals hiervoor al aan de orde is gekomen, kiest de regering voor een privaatrechtelijke standaardverzekering
voor curatieve zorg die
wordt uitgevoerd door onderling concurrerende verzekeraars. De regering
is van mening dat het door de keuze voor een privaatrechtelijke
verzekering waarbij een grotere verantwoordelijkheid is ingeruimd voor
verzekeraars die winst mogen maken, niet past toezicht uit te oefenen
op de doelmatigheid van de uitvoering van de verzekering. Er kan in
dit opzicht geen taak voor de overheid liggen om de ondernemer bij de hand te
nemen om tot een succesvolle bedrijfsvoering te komen. De tucht van de
markt wijst uit of de zorgverzekeraar al dan niet doelmatig werkt.
Daarnaast impliceert dit dat de overheid in de sfeer van het rechtmatigheidstoezicht niet langer een soortgelijke financiële
verantwoording van verzekeraars kan
vergen als van de huidige ziekenfondsen wordt verlangd. Kernpunt
in de sfeer van het rechtmatigheidstoezicht op de nieuwe zorgverzekering
is daarom dat de overheid zich ervan vergewist dat de zorgverzekeraar
zijn plicht nakomt om de verzekerde te leveren waar hij volgens de
Zorgverzekeringswet recht op heeft (dit is het toezicht op de naleving van de
publieke waarborgen). Inzicht in de rechtmatige besteding van de middelen
door de verzekeraars wordt niet langer nagestreefd. Juridisch gezien ziet het
kabinet hiervoor een grond in de privaatrechtelijke sfeer waarin de
feitelijke verzekering tot stand komt. De uitvoering van de verzekering hangt
af van private overeenkomsten. Zodoende is sprake van een domein
waar de overheid niet dieper moet kijken dan wat de wet regelt. Dit
uitgangspunt leidt tot een andere inrichting van het rechtmatigheidtoezicht
onder de Zorgverzekeringswet dan thans bestaat onder de Zfw. Voor de toezichthouder betekent dit een andere wijze van
werken. De consequenties
van het door de regering gekozen uitgangspunt blijven echter niet
beperkt tot de werkwijze van de toezichthouder. Ook de positie van de Algemene
Rekenkamer dient in dit verband te worden bezien. De Comptabiliteitswet
2001 geeft de Algemene Rekenkamer de bevoegdheid om onder meer
onderzoeken in te stellen bij zorgverzekeraars, gelet op het feit dat zij
rechtspersonen met een wettelijke taak zijn. Deze onderzoeken kunnen
zich uitstrekken tot het handelen van de zorgverzekeraars en tot de rechtmatigheid
van de bij de zorgverzekeraars inkomende en uitgaande
geldstromen. Waar de toezichthouder onder de Zorgverzekeringswet niet
wordt geacht de rechtmatigheid van alle uitgaven van de
zorgverzekeraars vast te stellen, acht de regering het ongewenst dat de Algemene
Rekenkamer dat op grond van zijn bevoegdheden uit hoofde van een andere
wet wél zou gaan doen. Om ieder mogelijk misverstand over de
reikwijdte van het toezicht op de zorgverzekeraars te vermijden, worden
daarom in dit wetsvoorstel de bevoegdheden van de Algemene Rekenkamer
aangepast.
Bij het hiervoor
beschreven uitgangspunt past dat niet de beoordeling van inkomsten en uitgaven van
zorgverzekeraars, maar een beoordeling van hun prestaties een
centrale plaats zal innemen in de toezichtvisie van de
Minister van VWS. Deze
wijze van invulling van het rechtmatigheidstoezicht rblz.|54|
wordt ondersteund door een samenhangend geheel van checks
and balances in het
zorgstelsel. Daarbinnen hebben verzekeraars en verzekerden immers een grote mate van
eigen verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de
verzekering. Verzekeraars moeten in onderlinge concurrentie als belangenbehartiger
voor hun verzekerden optreden. Dit vereist dat zij zich van elkaar
kunnen onderscheiden door de aangeboden polissen en de daarbij horende
nominale premies, door de kwaliteit van het eigen verzekeringsbedrijf
en door doelmatige zorginkoop. Verzekerden dienen kritisch te zijn
over de prijs en de kwaliteit van de geleverde diensten door verzekeraars. Door
de introductie van onder andere de Report Card Verzekeraars kunnen
verzekerden gemakkelijker de prestaties van verzekeraars met elkaar
vergelijken. Mochten de resultaten uit die Report Card daar aanleiding toe
geven, dan kunnen verzekerden mede op grond hiervan besluiten om van
zorgverzekeraar te wisselen. Dat kan jaarlijks. Dit prikkelt verzekeraars
op hun beurt tot een efficiënte bedrijfsvoering en de reeds genoemde
doelmatige zorginkoop.
Het ligt voor de hand om
bij het uitoefenen van toezicht zoveel mogelijk gebruik te maken van of
aan te sluiten op horizontale verantwoordingslijnen. Hiermee wordt gedoeld op
de verantwoording aan een intern toezichtorgaan en de
informatievoorziening aan de eigen verzekerden. Aan de branche zal worden
gevraagd met een voorstel voor een uitwerking van "corporate governance" in de zorgverzekeringssector te
komen. Hierdoor ontstaan ook
betere mogelijkheden de informatievraag richting de zorgverzekeraar in de
vorm van een uitvoeringsverslag, dat de zorgverzekeraars op grond van deze wet
moeten opstellen, specifiek te richten op het presteren van de
zorgverzekeraar. De Minister van VWS baseert vervolgens zijn oordeel over werking van de zorgverzekering op de
oordelen van de
toezichthouders. Daarnaast geldt overigens de voor deze branche gebruikelijke
financiële verantwoording.
Voor de aspecten die
cruciaal zijn voor het borgen van de publieke belangen moet dit oordeel
komen van een sectorspecifieke toezichthouder die het veld van
zorgverzekeraars en de zorgverzekering goed kent. Deze taak ligt thans bij het
CTZ.
Toezicht op het
ontwikkelen van markten en mededingingstoezicht
Het algemene
mededingingstoezicht is geregeld in de Mededingingswet
(Mw) en betreft zowel de
zorgverzekeraars als de aanbieders van zorg. De NMa is belast met het
toezicht op de naleving door zorgverzekeraars van de Mw. Een belangrijke
taak en verantwoordelijkheid voor de overheid betreft het wegnemen van
de barrières die marktwerking in de weg staan, dan wel het "maken" van
markten waar die markten nog niet voldoen aan de criteria voor
marktwerking. Het gaat hier om het bevorderen van marktwerking door het
versterken van de positie van de verzekerde, alsook door het slechten
van toetredingsbelemmeringen en het vergroten van transparantie. Meer
in algemene zin is het zaak om de transparantie op de zorgmarkt zodanig
te bevorderen dat de burgers keuzes die zij in het kader van de
Zorgverzekeringswet moeten maken goed kunnen afwegen.
Voor de werking van het
systeem is het immers van groot belang dat verzekerden gaan "stemmen met de
voeten". Om dit te bevorderen, zal de nog op te richten
Zorgautoriteit worden opgedragen om deze specifieke "marktmeestertaak" te
gaan vervullen. Deze taak zal worden vastgelegd in de wet waarmee deze
instantie wordt ingesteld.
Toezicht op de kwaliteit
van de zorg
Kwaliteit is een begrip
met verschillende dimensies. Dat uit zich ook in de wijze waarop toezicht op
de kwaliteit vorm en inhoud krijgt.
De eerste dimensie is de
kwaliteit van de volksgezondheid. Het gaat hierbij onder meer om de
staat van de volksgezondheid in het algemeen en om wettelijke
voorschriften ten aanzien van de hygiëne, het voorkomen van infecties
e.d.
die aanbieders van zorg moeten rblz.|55|
naleven. Toezicht op het
bestaan en de naleving van deze voorschriften door de zorgaanbieders
is bij uitstek het terrein van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) als
bewaker van de volksgezondheid.
De tweede dimensie is de
kwaliteit van het medisch professioneel handelen. Het gaat hierbij om zaken
als de bevoegdheid tot het verrichten van medische handelingen, de
ontwikkeling van "evidence based" behandelprotocollen en richtlijnen en de
inzet en het gebruik van medische apparatuur. Voor deze aspecten legt
de wetgever de zorgaanbieders kwaliteitscriteria op, gericht op het
leveren van verantwoorde zorg van goed niveau, die doeltreffend
en doelmatig moet worden verleend en die zijn afgestemd op de wensen
van de zorgvrager.¹ Ook daarop ziet de IGZ toe. Een zorgverzekeraar zal
de klachten van zijn verzekerden over de zorglevering serieus moeten nemen. Hij
zal daaruit lering trekken voor zijn opstelling jegens de zorgaanbieders. Dit kan bijvoorbeeld van invloed zijn
op zijn beleid om
overeenkomsten te sluiten en op de inhoud van die overeenkomsten.
1. Onder andere Kwaliteitswet
zorginstellingen.
2. Regeling van de
uitoefening van het toezicht op de zorgverzekeraars
Een nieuwe structuur voor
de uitoefening van het toezicht
Zoals hiervoor al is
opgemerkt, heeft het kabinet zich gebogen over de vraag wat een logische
clustering van functies en taken zou zijn voor de aansturing en het
toezicht op de uitvoerders van de
Zorgverzekeringswet. Een belangrijk
uitgangspunt daarbij is een transparante organisatie van het toezicht.
De PVK zal vergunningen
verlenen aan verzekeraars die de
Zorgverzekeringswet willen uitvoeren.
Daarnaast zal de PVK het prudentieel toezicht uitoefenen. Het
uitoefenen van het toezicht op verzekeraars dat betrekking heeft op het borgen van
publieke belangen beschouwt het kabinet als een natuurlijke metgezel van
het toezicht op het ontwikkelen van markten. Het kabinet is daarom van
mening dat het toezicht op de borging van de publieke belangen samen
met het toezicht op marktgedrag moet worden uitgevoerd door de Zorgautoriteit. De Zorgautoriteit wordt bovendien
volledig verantwoordelijk
voor het uitoefenen van het zorgspecifieke gedragstoezicht op de
zorgverzekeraars. Indien het zorgspecifieke gedragstoezicht van de Zorgautoriteit en
het generieke financiëlemarktengedragstoezicht van de AFM elkaar toch
zouden dreigen te raken met risico’s voor onnodige administratieve
lasten of inconsistenties vanuit de overheid, zullen zij zorgdragen
voor de noodzakelijke afstemming. Het toezicht van de Zorgautoriteit op de
zorgverzekeraars bevat dus de volgende vormen van toezicht: het
sectorspecifieke markttoezicht, het toezicht op de uitvoering van de
Zorgverzekeringswet en tot slot het zorgspecifieke gedragstoezicht. Deze vormen van toezicht
komen hierdoor bij de Zorgautoriteit in één hand. Door de
bundeling van deze functies ontstaat een goede garantie voor een
evenwichtige invulling van de erbij betrokken taken. Het kabinet heeft besloten om
de regeling van dit toezicht en de organen die daarmee zullen worden
belast vast te leggen in een wet waarmee de Zorgautoriteit wordt
ingesteld. Het toezicht op de mededinging zal worden uitgeoefend door
de NMa.
Volledigheidshalve zij
erop gewezen dat het toezichtdomein van de Zorgautoriteit niet alleen de verzekeringsmarkt omvat, maar ook de zorgverleningsmarkt
en de zorginkoopmarkt. De Zorgautoriteit oefent op al deze markten het
sectorspecifieke markttoezicht uit. Eenvoudig geformuleerd kunnen daarbij twee
situaties worden onderscheiden. In de eerste plaats gaat het om het
bevorderen en bewaken van de concurrentie in die delen van de zorg waar al
sprake is van vrije prijsvorming. In de tweede plaats gaat het om het
verbeteren van de prestaties in die delen van de zorg waar (nog) geen
vrije prijsvorming bestaat en het voorbereiden op een rblz.|56|
situatie waarin wel
sprake is van vrije prijsvorming. Zoals hiervoor al aan de orde is geweest,
kijkt de Zorgautoriteit bij het toezicht op de zorgverzekeringsmarkt bovendien naar de
uitvoering van de
Zorgverzekeringswet door de zorgverzekeraars
en oefent ze het zorgspecifieke gedragstoezicht uit.¹ Het voorgaande
betekent dat de Zorgautoriteit ook naar de verhoudingen tussen de
actoren op de onderscheiden markten in de zorg zal kijken.
1. Brief van de
Minister van VWS van 10 september 2004, kenmerk
Z/PB-2516069.
Schematisch ziet
één en
ander er als volgt uit (daarbij is volledigheidshalve ook de organisatie van
het huidige toezicht opgenomen):
| |
Huidige
situatie:
Zfw, particuliere verzekeringen en
publiekrechtelijke regelingen |
Situatie
2006:
Zorgverzekeringswet (1) |
| |
|
Nieuwe
structuur |
| Categorie |
Functiexxxxxxxxxxx |
xxWiexx |
Functiexxxxxxxxxxx |
Wie |
| Toelating |
Vergunning
particuliere zorgverzekeraars |
PVK |
Vergunning
zorgverzekeraars |
PVK |
| Toelating
ziekenfondsen |
CVZ |
|
|
| Soliditeit |
Prudentieel
toezicht op de particuliere zorgverzekeraars |
PVK |
Prudentieel toezicht
op de zorgverzekeraars (2) |
PVK |
| Toezicht
op de soliditeit van ziekenfondsen |
CTZ |
|
|
| Gedrag |
Gedragstoezicht
op particuliere verzekeraars in verband met informatiebelangen van de
klant (3) |
AFM |
Zorgspecifiek
gedragstoezicht op zorgverzekeraars in verband met informatiebelangen
van de klant |
Zorgautoriteit |
| Rechtmatigheid |
Toezicht
op rechtmatige uitvoering van de Zfw: rechtmatige besteding
(aanvaardbaarheid) van middelen |
CTZ |
Toezicht
op "rechtmatige" uitvoering van de Zorgverzekeringswet (4):
naleving van de zorgplicht, acceptatieplicht en andere wettelijke eisen |
Zorgautoriteit |
| Doelmatigheid |
Toezicht
op doelmatige uitvoering van de Zfw |
CTZ |
Geen
doelmatigheidstoezicht |
--- |
| Marktontwikkeling |
|
|
Toezicht
op het ontwikkelen van de verzekeraarsmarkt |
Zorgautoriteit |
| Mededinging |
Toezicht
op zorgverzekeraars op basis van de Mededingingswet |
NMa |
Toezicht
op zorgverzekeraars op basis van de Mededingingswet |
NMa |
1. Volledigheidshalve zij
erop gewezen dat de twee kolommen onder het kopje "situatie 2006: Zorgverzekeringswet" louter weergeven welke toezichthouder
verantwoordelijk is voor
de onderscheiden functie. De taken van de genoemde toezichthouders
worden niet in de Zorgverzekeringswet geregeld, maar elders.
2. Met ingang van 2005 wordt het toezicht op zorgverzekeraars (en andere financiële
dienstverleners) gesplitst in structuurtoezicht (solvabiliteit, integriteit en
bekwaamheid bestuurders, etc.) en gedragstoezicht.
3. Het gedragstoezicht is
primair gericht op het verschaffen van adequate informatie aan (aspirant-)verzekerden
over producten en risico’s.
4. Alsmede de AWBZ.
Afstemming
Zorgverzekeringswet en wetsvoorstel instelling Zorgautoriteit
Het kabinet streeft
ernaar het wetsvoorstel dat de instelling van de Zorgautoriteit regelt op 1 januari 2006
in werking te laten treden. De aanbieding aan het parlement van dit
wetsvoorstel zal echter op een later tijdstip liggen dan het moment van
aanbieding van de
Zorgverzekeringswet. Van de eventuele gevolgen van
een latere behandeling van het voorstel van wet inzake de instelling
van de Zorgautoriteit heeft het kabinet zich rekenschap gegeven. Mocht die
situatie zich onverhoopt voordoen, dan zal de PVK het prudentieel
toezicht uitoefenen en het CTZ het toezicht op de uitvoering van de
Zorgverzekeringswet door verzekeraars en zorgspecifieke gedragstoezicht. Het CTZ
beschikt uit hoofde van zijn toezichthoudende taak op grond van de Zorgverzekeringswet over verschillende
maatregelen, die
uiteenlopen van het opleggen van een bestuurlijke boete tot het geven van een
aanwijzing of het opleggen van een last onder dwangsom. Waar nodig
zullen het CTZ, CVZ en de PVK hun activiteiten op elkaar afstemmen.
Bovendien zullen het CTZ en de AFM zorgdragen voor de noodzakelijke
afstemming van het uitoefenen van het gedragstoezicht op de zorgverzekeraars.
Het kabinet ziet erop toe
dat het toezicht op de verzekering op basis van de AWBZ
op de juiste
wijze wordt gecontinueerd.
Na inwerkingtreding van
de wet inzake de instelling van de Zorgautoriteit rblz.|57|
zullen het
sectorspecifieke toezicht, het toezicht op het marktfunctioneren en het zorgspecifieke
gedragstoezicht door de Zorgautoriteit worden behartigd.
In praktische zin
betekent deze verandering dat de taken van het CTZ, zoals die in deze wet
zijn gemoderniseerd ten opzichte van de situatie zoals die gold voor de
ziekenfondsverzekering, worden geïntegreerd in de werkzaamheden van de
Zorgautoriteit. Ook het CTG gaat na wetswijziging op in de Zorgautoriteit.
VI. Grensoverschrijdende
zorg
Door de inwerkingtreding
van de
Zorgverzekeringswet wordt de gehele bevolking opgenomen in
een sociale ziektekostenverzekering. Daarmee komt een einde aan de in
Europa unieke positie van Nederland waarbij circa 30% van de
bevolking voor de geneeskundige zorg is aangewezen op het sluiten van een
particuliere verzekering op de vrije markt. De Zorgverzekeringswet zal
bij de Europese Commissie worden aangemeld als
socialeverzekeringswet in de zin van de Europese
socialezekerheidsverordening nr. 1408/71. Daaruit kan
voortvloeien dat mensen die buiten Nederland wonen,
onderworpen raken aan de Nederlandse socialezekerheidswetgeving en daardoor de
verplichting krijgen om een zorgverzekering te sluiten. Dat betreft
de categorie van personen die in Nederland werken. Deze personen
zijn op grond van de Nederlandse wetgeving premie verschuldigd.
Daarnaast is er een
categorie van personen die niet in Nederland werken, maar die als
rechthebbende op een Nederlands pensioen als gevolg van de toepassing van de
Europese socialezekerheidsverordening of een socialezekerheidsverdrag
in het woonland, recht hebben op zorg ten laste van Nederland. Tegenover
dit verdragsrecht op zorg is in de desbetreffende internationale regelingen
bepaald dat de staat die de kosten voor de medische zorg voor zijn
rekening moet nemen daarvoor premie in rekening mag brengen. In het wetsvoorstel is de basis voor deze premieheffing
gelegd. Beoogd wordt voor
deze categorie een nominale premie vast te stellen, gebaseerd op
de gemiddeld in Nederland in rekening gebrachte premie. De inkomensafhankelijke bijdrage van verzekeringsplichtigen
wordt op dezelfde wijze
geheven als het geval is bij mensen die in Nederland wonen.
De Europese
socialezekerheidsverordening en de door Nederland gesloten
socialezekerheidsverdragen schrijven voor dat de medische zorg waarop iemand op grond
van de verordening of een verdrag recht heeft, wordt verleend
overeenkomstig de regels die gelden krachtens de sociale ziektekostenverzekering
van het land waar die zorg wordt verleend. Dus een Nederlandse
verzekerde die woont of verblijft in bijvoorbeeld Frankrijk krijgt van de Franse
sociale ziektekostenverzekering medische zorg overeenkomstig de Franse wetgeving. De kosten van die zorg komen ten
laste van de Nederlandse
zorgverzekering. Voor de voormalig ziekenfondsverzekerden is dit een bekend
fenomeen, voor de voormalig particulier verzekerden is dit een nieuwe situatie.
Voor mensen die in het
buitenland wonen en op grond van een door Nederland met een ander
land gesloten socialezekerheidsverdrag of de Europese
socialezekerheidsverordening recht hebben op medische zorg ten laste van Nederland,
wordt geregeld dat zij zich moeten registreren bij het CVZ. Dat College
regelt vervolgens met het andere land de afwikkeling van de kosten die dat
andere land maakt voor de medische verzorging van de betrokkene. Deze
situatie wijkt af van de huidige situatie in de ziekenfondsverzekering, waarbij de betrokkenen de
verplichting hebben zich in te schrijven bij een
aangewezen ziekenfonds. Omdat een zodanige aanwijzing in de nieuwe situatie van
de
Zorgverzekeringswet gezien kan worden rblz.|58|
als een verstoring van de
marktverhoudingen en een zorgverzekeraar geen invloed kan
uitoefenen op de zorgconsumptie en de kosten daarvan in het andere land, is
gekozen voor registratie bij het CVZ. Hiermee is een "marktneutrale"
oplossing gevonden waarbij, wat betreft de premie die betrokkenen moeten
betalen, de winstcomponent buiten beschouwing kan blijven. Het College
heeft hiertoe desgevraagd geadviseerd in het rapport "Internationale
aspecten Zorgverzekeringswet" van 29 januari 2004, volgnummer
23098110.
Daarnaast is het nodig om
op internationaal niveau een regeling te treffen voor de situatie waarin
buitenlandse sociaal verzekerden medische zorg nodig hebben in
Nederland. Ook hier geldt de regel dat die buitenlandse verzekerden in Nederland
zorg krijgen volgens de Nederlandse wetgeving. De
Zorgverzekeringswet biedt echter een scala van mogelijkheden aan de burger om zelf een
variant van de zorgverzekering te kiezen, zodat niet zonder meer duidelijk is
wat de regels zijn volgens welke de medische zorg in Nederland aan een
buitenlandse verzekerde moet worden verleend. Zo zal onder
meer bepaald moeten worden op welke manier de functiegericht omschreven
verzekeringsrechten moeten worden geduid en of de zorg in natura moet
worden verleend dan wel dat aan de betrokkene de kosten moeten worden terugbetaald voor de zorg die hij zelf heeft
ingeroepen. Om te bepalen
waarop de buitenlandse verzekerden in Nederland aanspraak hebben, zal
Nederland aan de andere lidstaten van de Europese Unie en de
landen waarmee Nederland bilaterale socialezekerheidsverdragen over het verlenen van
medische zorg heeft gesloten, voorstellen om een
modelovereenkomst in het kader van de met die landen geldende internationale regelingen vast te stellen. Daarbij zal
worden aangesloten aan de
internationale oplossingen die zijn gevonden door Zwitserland, dat een
verzekeringssysteem kent dat sterk overeenkomt met dat van de Zorgverzekeringswet.
VII. Transparantie in het
verzekeringsstelsel
De
Zorgverzekeringswet biedt de burgers een scala van keuzemogelijkheden om daarmee hun eigen verantwoordelijkheid in het zorgstelsel tot
uitdrukking te brengen.
Het gaat om:
- keuze voor een
zorgverzekeraar;
- keuze uit premie en
eigen risico;
- keuze voor natura of
restitutie;
- keuze van
zorgaanbieders.
Om zijn keuze bewust te
kunnen maken, moet het de burger mogelijk zijn heldere afwegingen te
maken. Op grond van de Zorgverzekeringswet moet een zorgverzekeraar
daarom alle varianten van de zorgverzekering die hij op de markt
brengt in modelovereenkomsten neerleggen, die hij aan de (aspirant-)verzekerden en aan het CTZ beschikbaar stelt. Op grond van de
Zorgverzekeringswet geldt bovendien dat een verzekering pas een zorgverzekering
is
indien de verzekering aan het bij of krachtens de Zorgverzekeringswet geregelde
voldoet. In
combinatie leiden deze twee voorwaarden ertoe dat in de
modelovereenkomsten aan alle in de hoofdstukken 2 en
3 van de
Zorgverzekeringswet aan zorgverzekeringen gestelde eisen moeten voldoen (anders is een volgens zo’n model gesloten overeenkomst
immers geen
zorgverzekering).
Het is niet nodig om in
lagere regelgeving te bepalen wat in de modelovereenkomsten moet staan. Wat er in
die
modellen moet staan, volgt immers al uit de wet.
Bovendien zou dit, voor zover in de algemene maatregel van bestuur ook eisen
zouden worden gesteld die verder gaan dan wat uit de wet volgt
(eisen aan de administratieve procedures, aan de volgorde van in het model
op te nemen onderwerpen e.d.), in rblz.|59|
strijd kunnen komen met
de Europese schaderichtlijnen, omdat de vrijheid van zorgverzekeraars
zonder goede rechtvaardigingsgrond wordt belemmerd.
Via deze systematiek
wordt gewaarborgd dat (aspirant-)verzekerden kunnen beschikken over
alle op de markt gebrachte polissen. Dat sluit nog niet uit dat er een
groot aantal verschillende varianten van de zorgverzekering op de markt wordt
gebracht. Dat dit kan, vloeit echter voort uit de beleidsruimte die de verzekeraar met de Zorgverzekeringswet wordt
gegeven (bijvoorbeeld ten
aanzien van natura/restitutie, aanbieden eigen risico, aanbieden
collectiviteitskortingen). Het is echter nog maar de vraag of er werkelijk
een
onoverzichtelijk woud aan verschillende varianten zal ontstaan. Zou de
regering, zonder af te wachten of intransparantie werkelijk zal optreden, nu al
regels gaan stellen die de vrijheid in het aantal op de markt te brengen
varianten zou beperken, dan zou dat in strijd komen met de Europese
schaderichtlijnen.
Bovendien regelt de
Zorgverzekeringswet dat er voor de verzekeringsplichtigen een vergelijkend
overzicht beschikbaar komt met de kerngegevens die voor hen van belang
zijn bij het bepalen van een keuze voor een zorgverzekeraar. Daarbij
gaat het om aspecten van de zorgverzekeringsovereenkomst als de premie die de
verschillende zorgverzekeraars voor onderscheiden varianten
in rekening brengen, de snelheid waarmee ze de verzekerde zorg leveren
indien er van gecontracteerde zorg sprake is dan wel de snelheid waarmee
zij restitueren indien er van een restitutiepolis sprake is. Ook de
publieksvriendelijkheid in algemene zin zoals telefonische bereikbaarheid,
afwikkeling van klachten en bejegening van verzekerden behoort hier toe. Deze
taak wordt vooralsnog opgedragen aan het CTZ en zal met de
inwerkingtreding van de Wet op de Zorgautoriteit komen te berusten bij de
Zorgautoriteit.
Ook particuliere
initiatieven op het gebied van de consumenteninformatie zoals de Report Card
Verzekeraars die momenteel door de Consumentenbond wordt ontwikkeld,
verdienen in dit verband vermelding. Verder is de Consumentenbond nu al
bezig een website op te zetten waarin verschillende ziektekostenverzekeringen
met elkaar vergeleken kunnen worden.
Bij
het bepalen van zijn
keuze kan de burger zoals gezegd steun vinden bij de vergelijkingen die
door de Consumentenbond worden gemaakt van de pakketten van de
zorgverzekeraars. Het ministerie van VWS ondersteunt financieel de
ontwikkeling van deze vergelijkende overzichten door de Consumentenbond. Het
CTZ
(later de Zorgautoriteit) heeft tot taak om, eventueel in aanvulling
op particuliere initiatieven, aan de burger vergelijkende overzichten ter
beschikking te stellen met betrekking tot de inhoud van de door de onderscheiden zorgverzekeraars aangeboden modelovereenkomsten.
VIII. Gegevensuitwisseling
Teneinde de diverse
actoren die bij de uitvoering van de
Zorgverzekeringswet zijn betrokken van de
benodigde informatie voor beleidsvorming en uitvoering van de wet te
voorzien, is een aantal informatiebepalingen opgenomen. Hierin wordt
voorgeschreven dat informatie moet worden verstrekt en wie deze
informatie aan wie dient te leveren. De informatiebepalingen zijn in algemene termen
gesteld. In lagere regelgeving kunnen, zo nodig, nadere
specificaties worden gegeven van de noodzakelijke gegevensuitwisseling.
In de zorgsector, met een
groot aantal grotere en kleinere actoren, wordt nog veel informatie
uitgewisseld via papieren informatiestromen. Wel wordt steeds vaker
gebruik gemaakt van elektronische gegevensuitwisseling. Het uiteindelijke streven
is dat informatievoorziening binnen de zorgsector en van en naar andere
sectoren zoveel mogelijk plaatsvindt door rblz.|60|
elektronische
uitwisseling van gegevens. Een bijkomend effect van elektronische gegevensuitwisseling is
dat zij bijdraagt tot administratieve lastenvermindering. Niet
alleen vanwege een beperkter aantal handelingen en automatisering van die
handelingen, maar ook doordat gegevens die eenmaal geleverd zijn, voor meerdere doeleinden gebruikt kunnen worden.
Onderscheid dient te
worden gemaakt tussen gegevens die samenhangen met de declaratie van
verleende zorg en gegevens die samenhangen met de verzekering.
Gegevensuitwisseling die samenhangt met verleende zorg en met de betaling
ervan,
doet zich met name voor tussen zorgaanbieders onderling, tussen zorgaanbieders en zorgverzekeraars en in het kader van
de financiële
verantwoording. Ook kan gegevensuitwisseling plaatsvinden tussen zorgverzekeraars
onderling die samenhangt met de overstap van een verzekerde naar een
andere zorgverzekeraar, zoals informatie over de hoogte van het voormalige
eigen risico. Verder vindt gegevensuitwisseling plaats in het kader van
financiële en beleidsmatige verantwoording aan de minister
en het CVZ, zoals bijvoorbeeld met betrekking tot de ramingen voor de
zorguitgaven, de vaststelling van het EMU-saldo [EMU: Economische en
Monetaire Unie, red.] en de BKZ-uitgaven, de
budgetcyclus en de raming van opbrengsten van budgettaire maatregelen en met
actoren buiten de sector, zoals de belastingdienst
en de gemeentelijke basisadministratie (GBA).
De verschillende
informatiestromen zijn bij elektronische gegevensuitwisseling naar de aard van de
gegevens veelal van elkaar gescheiden. Voor de onderscheiden
gegevensstromen worden verschillende infrastructurele voorzieningen gebruikt.
Intersectorale
informatievoorziening
In
de
Zorgverzekeringswet is geregeld dat zorgverzekeraars gebruik dienen te maken van een
elektronische infrastructuur. Deze infrastructuur is noodzakelijk om (inter)sectorale
(elektronische) uitwisseling van gegevens binnen het sofinummerdomein mogelijk te maken en is al voor de ziekenfondsverzekering
opgezet. Deze infrastructuur wordt overigens ook gebruikt voor
intrasectorale gegevensuitwisseling. Het CVZ
kan regels stellen omtrent de aard,
de omvang, de structuur en het beheer van de gegevensuitwisseling. In beginsel is het mogelijk dat voor elke verschillende
gegevensuitwisseling
tussen zorgverzekeraars onderling, binnen en buiten de zorgsector,
regels worden gesteld. Welke gegevens tussen de verschillende actoren uitgewisseld zullen worden, wordt nog nader geregeld.
Uiteraard is dit
onderhevig aan de noodzakelijkheid om deze gegevens uit te wisselen in het
kader van de uitvoering van een wettelijke taak. Uitwisseling van gegevens
buiten de zorgsector dient plaats te vinden aan de hand van het
sofinummer van de verzekerde. Daartoe is in de Zorgverzekeringswet geregeld dat het
sofinummer van de verzekerde in de administratie van
zorgverzekeraars wordt opgenomen. Gegevens worden op basis van het
sofinummer naar behoefte geleverd aan een centrale database, formeel onder
beheer van CVZ, waaruit verschillende actoren, naargelang de
noodzakelijke gegevensbehoefte en voor zover tot die gegevens gerechtigd,
gegevens kunnen opvragen.
De aard van de gegevens
De intersectorale
gegevensuitwisseling is in de eerste plaats nodig voor het vaststellen (en
controleren) van de verzekeringsplichtigheid en ten behoeve van de
financiering. Gegevens daaromtrent kunnen worden verkregen uit de
polisadministratie die door het UWV beheerd wordt, van de
belastingdienst en uit
de GBA. Daarnaast zullen gegevens voor beleidsmatige informatie uit de
genoemde administraties verstrekt dienen te worden. Ook dienen
zorgverzekeraars gegevens in het kader van financiële verantwoording en
statistische gegevens te verstrekken.
rblz.|61|
Hergebruik van gegevens
De infrastructuur die
gebruikt wordt voor de intersectorale gegevensuitwisseling biedt de mogelijkheid
geleverde gegevens te distribueren naar verschillende actoren, afhankelijk van de gegevensbehoefte. Bovendien is het mogelijk om
gegevens die in een bepaalde administratie vastgelegd zijn te hergebruiken.
Een voorbeeld daarvan is het gebruik van gegevens uit de "polisadministratie" die door het
UWV wordt beheerd en waarin gegevens zijn
vastgelegd van arbeids- en uitkeringsverhoudingen. Ten behoeve van bijvoorbeeld de controle op de verzekeringsplichtigheid
kunnen gegevens uit deze
administratie worden geraadpleegd. Ook voor beleidsmatige informatie
kunnen uit deze administratie gegevens worden verkregen. Daarnaast
kunnen zorgverzekeraars reeds geverifieerde gegevens uit de
polisadministratie, bijvoorbeeld het sofinummer en de verblijfstatus,
overnemen.
Voor de gegevens van
verzekerden die niet in de polisadministratie zijn opgenomen, zal daarnaast
informatie-uitwisseling nodig zijn met andere gegevensleveranciers,
zoals de belastingdienst.
IX. Financiële
sturingsmogelijkheden
Met het oog op de
bestendigheid van het zorgstelsel en het gegeven dat het opbrengen van de
financiële middelen voortvloeit uit een wettelijk opgelegde verplichting,
heeft de overheid er belang bij dat de kosten van de gezondheidszorg zich
niet buitenproportioneel ontwikkelen en binnen het Budgettair Kader Zorg
(BKZ) blijven. Er is een viertal instrumenten om de uitgaven in de zorg te
beheersen, te weten: eigen betalingen (risico en bijdragen),
pakketmaatregelen, tariefmaatregelen alsmede doelmatigheidsprikkels zoals het
ex-antesysteem
van risicoverevening.
Met de
Zorgverzekeringswet beoogt de regering de doelmatigheid te vergroten door de positie
van zorgverzekeraars ten opzichte van het totale veld van de geneeskundige
gezondheidszorg te versterken en ook hun onderlinge concurrentie
aan te wakkeren. Tezamen met maatregelen gericht op de
zorgaanbieders moet dit uiteindelijk de meest doelmatige en vraaggerichte wijze van
functioneren opleveren. Tussen de uiteindelijk beoogde situatie en de
huidige werkelijkheid is naar verwachting nog een lange weg te gaan. Om te
voorkomen dat de kosten van de zorg door een hogere dan geraamde
toename van zorgconsumptie of prijsontwikkeling te sterk zouden groeien,
biedt de Zorgverzekeringswet de overheid de mogelijkheid de grens van
de no-claimteruggaveregeling te verhogen en van het opleggen van een
verplichting aan zorgverzekeraars om voor bepaalde zorgvormen
overeenkomsten te sluiten en daarbij financiële arrangementen overeen te
komen. Verder dienen verzekerden in sommige gevallen een zorggebonden eigen bijdrage te betalen.
Ten slotte wordt het
wettelijke pakket in de Zorgverzekeringswet vastgelegd. Met dit instrument is de
overheid in staat haar permanente verantwoordelijkheid voor het bewaken van de
doelmatigheid van het te verzekeren pakket te realiseren en
kan bovendien gedurende de transitiefase via ingrepen in het
pakket zo nodig een bijdrage aan de financiële houdbaarheid worden geleverd.
X. De financiële gevolgen
De overgang van het
huidige pluriforme stelsel van ziektekostenverzekeringen voor geneeskundige zorg
(en daarmee gepaard gaande financiering) naar een
standaardverzekering met een uniforme premiestructuur heeft financiële
gevolgen voor burgers en werkgevers. Deze gevolgen worden hieronder zo goed
mogelijk in kaart gebracht. Daarbij wordt de financiering van de
Zorgverzekeringswet in 2006 vergeleken met de financiering van het huidige stelsel,
zoals deze bij ongewijzigd beleid in 2006 geweest zou zijn. Er
dient te worden aangetekend dat alle cijfers gebaseerd rblz.|62|
zijn op de huidige
inzichten en daarom noodzakelijkerwijs een voorlopig karakter hebben. In
onderstaande tabel staat een overzicht van de huidige financiering van
de geneeskundige zorg, zoals deze er in 2006 bij ongewijzigd beleid zou
uitzien. Daarbij is ook de financiering van het over te hevelen deel van de
ggz, te weten de gehele extramurale ggz en het eerste jaar van de intramurale
ggz, in 2006 in beeld gebracht. Deze zorg wordt nu nog vanuit de AWBZ
vergoed, maar zal in 2006 worden overgeheveld naar de zorgverzekering.
De particuliere verzekeringen zijn een optelsom van de publiekrechtelijke regelingen voor ambtenaren,
Wtz-standaardpakketpolissen en maatschappijpolissen. Uitgaven voor geneeskundige
zorg die buiten het Zfw-pakket vallen (zorg verzekerd in aanvullende verzekeringen, zoals een
belangrijk deel van de tandheelkundige zorg), blijven buiten
beschouwing.
De uitgaven voor
curatieve zorg kennen vóór de invoering van de
Zorgverzekeringswet de volgende
financieringsbronnen:
• verplichte
premiebetalingen voor de Zfw (dit is inclusief de
no-claimteruggave);
• particuliere
verzekeringspremies;
• omslagbijdragen;
• eigen betalingen van
burgers.
Tabel 1. Financiering
geneeskundige zorg in 2006 conform oude systeem (in mln. euro,
indicatief):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
Zfw |
Particulier |
Totaal |
In
% |
| Procentuele premie
(inclusief exploitatietekort) |
10 771xxx |
788xxxx |
11 559xxx |
xx |
| Rijksbijdragen |
3 027xxx |
0xxxx |
3
027xxx |
xx |
| Over te hevelen delen
ggz-zorg |
0xxx |
0xxxx |
1 819xxx |
xx |
| Exploitatietekort Zfw |
1
179xxx |
1 179xxxx |
xx |
xx |
| Subtotaal
inkomensafhankelijk |
14 977xxx |
788xxxx |
17 584xxx |
64%xxxx |
| x |
| Nominale premie |
1 032xxx |
4
882xxxx |
5
914xxx |
xx |
| Eigen betalingen |
1 390xxx |
781xxxx |
2 171xxx |
xx |
| Omslagbijdragen |
533xxx |
1 471xxxx |
2
004xxx |
xx |
| Overige baten |
0xxx |
10xxxx |
10xxx |
xx |
| Subtotaal
inkomensonafhankelijk |
2 955xxx |
7 144xxxx |
10 099xxx |
36%xxxx |
| x |
| Totaal |
17 932xxx |
7 933xxxx |
27
684xxx |
100%xxxx |
Uit tabel 1 blijkt dat
64% van de curatieve zorg op inkomensafhankelijke wijze wordt betaald;
daarbij is het voor 2006 geraamde exploitatietekort in de Zfw
aan het
inkomensafhankelijke deel toegerekend. De overige 36% van de zorgkosten is
nominaal gefinancierd.
Op
microniveau zien de
betalingen in 2006 er als volgt uit:
Tabel 2. Premie
ziektekostenverzekering op niveau 2006 (euro per jaar) verdeeld over de financieringsbronnen
voor 2006 conform oude systeem (indicatief): ¹
| |
xxxxxZfwxxxxx |
| Procentuele premie
werkgever |
6,75%xxxx |
| Procentuele premie
werknemer |
1,25%xxxx |
| Nominale premie |
€|412,-xxxx |
| Gemiddelde
no-claimteruggave |
–€|83,-xxxx |
| Maatschappijpolis: |
| Gemiddelde
premie (inclusief MOOZ/Wtz) |
€|1595,-xxxx |
| Gemiddelde eigen bijdrage |
€|163,-xxxx |
1. De premies hebben
betrekking op het huidige stelsel, dus exclusief de overheveling ggz.
rblz.|63|
De overgang van het
hierboven weergegeven bestaande stelsel - met uiteenlopende
premiestructuren voor de onderscheiden verzekeringssoorten - naar een
standaardverzekering voor geneeskundige zorg heeft financiële effecten voor
burgers en werkgevers.
Deze effecten worden
veroorzaakt omdat:
a. de premiestructuur
(procentueel/nominaal) voor alle verzekerden gelijk wordt;
b. werkgevers op uniforme
wijze gaan bijdragen in de kosten;
c. sprake is van
wijziging van de rijksbijdrage;
d. de gehele extramurale
ggz en het eerste jaar van de intramurale ggz van de AWBZ
naar de
Zorgverzekeringswet wordt overgeheveld;
e. de premies in het
nieuwe stelsel lastendekkend worden;
f. financiële reserve.
a. Premiestructuur wordt
gelijk
In het huidige stelsel
betalen ziekenfondsverzekerden een procentuele en een nominale premie, medeverzekerde kinderen betalen niets en medeverzekerde
partners betalen alleen
een nominale premie. In de particuliere verzekeringsmarkt betalen
alle verzekerden (dus ook partners en kinderen) een nominale premie.
In de
Zorgverzekeringswet wordt de premiestructuur voor alle verzekerden boven de 18 jaar gelijk,
terwijl kinderen geen nominale premie betalen.
Ziekenfondsverzekerden met een laag inkomen en meeverzekerde gezinsleden gaan dan meer
betalen en particulier verzekerden met kinderen gaan minder
betalen.
b. Werkgevers gaan op
uniforme wijze meebetalen
In het huidige stelsel
betalen werkgevers voor werknemers die ziekenfondsverzekerd zijn een procentuele
premie die wordt afgedragen aan de Algemene Kas. Particulier
verzekerde werknemers krijgen van hun werkgever veelal een tegemoetkoming
voor de ziektekostenpremie. Bij elkaar belopen de werkgeversbetalingen
in het huidige systeem 49% van de premielast. Dit percentage is
inclusief het aandeel van burgers (zoals zelfstandigen en gepensioneerden) die
geen werkgever hebben en zodoende hun eigen "werkgeversbijdrage" betalen.
In het uniforme systeem
van de
Zorgverzekeringswet gaan de werkgevers de helft van de totale macropremielast betalen via een verplichte vergoeding
aan werknemers van de
door deze werknemers verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage over nader
aangewezen loon. Verzekeringsplichtigen zonder werkgever of met
inkomensbestanddelen waarover wel een inkomensafhankelijke
bijdrage is verschuldigd, maar waarvoor geen recht bestaat op een
vergoeding door een werkgever, ontvangen geen (volledige) tegemoetkoming van de werkgever. Deze verzekeringsplichtigen
betalen de
inkomensafhankelijke bijdrage dus (gedeeltelijk) zelf. In de berekeningen is de
door de verzekeringsplichtige zelf betaalde inkomensafhankelijke bijdrage meegenomen als
door de werkgevers betaalde macropremielast. Ten opzichte van de huidige situatie zal het werkgeversdeel
in de lasten licht
stijgen. Dit komt overigens geheel voor rekening van de hiervoor genoemde
verzekeringsplichtigen die geen (volledige) tegemoetkoming ontvangen
voor de inkomensafhankelijke bijdrage. Werkgevers in het
bedrijfsleven betalen per saldo €|0,1 mld minder dan in het huidige
stelsel het geval zou zijn.
c. Wijziging
rijksbijdrage
De rijksbijdrage in de
ziekenfondsverzekering van circa €|3 mld wordt vervangen door een
rijksbijdrage in de
Zorgverzekeringswet. Die bedraagt vooralsnog €|1,5
mld ter
financiering van de premie van kinderen tot 18 jaar.
rblz.|64|
d. Overheveling van delen
van de ggz van de AWBZ naar de Zorgverzekeringswet
Door de overheveling van
een deel van de ggz van de AWBZ naar de
Zorgverzekeringswet daalt
de procentuele AWBZ-premie. In de premie voor de
Zorgverzekeringswet is ook deze overgehevelde zorg verdisconteerd; deze premie wordt dus
hoger.
e. Lastendekkende premies
De premie voor de
ziekenfondsverzekering zou in 2006 niet lastendekkend zijn. Het tekort in de
Algemene Kas zou circa €|1 mld bedragen. Naar de huidige inzichten zou de
premie voor werkgevers en werknemers ongeveer 0,4% te laag zijn
vastgesteld. De
Zorgverzekeringswet gaat uit van lastendekkende premies.
Alleen al daardoor treden er inkomenseffecten op.
De totale uitgaven voor
Zfw, publiekrechtelijke ziektekostenverzekeringen voor ambtenaren en
particuliere verzekeringen plus het over te hevelen deel van de ggz zijn
gelijk aan de uitgaven in de
Zorgverzekeringswet; deze bedragen €|27 684
mln. In de uitgavenraming is rekening gehouden met een
no-claimteruggaveregeling. Omdat wordt uitgegaan van een 50%-bijdrage van werkgevers
(inclusief burgers die hun inkomensafhankelijke bijdrage niet vergoed
krijgen) betalen deze €|13 842 mln.
Tabel 3. Financiering van
de
Zorgverzekeringswet in 2006 (in mln euro, indicatief):
| |
Aandeel
Zorgverzekeringswet |
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
Totaal |
Werknemer |
Werkgever |
| Zfw |
17 932 |
v |
v |
| Particulier |
v7 933 |
v |
v |
| Overheveling delen ggz |
v1
819 |
v |
v |
| Totaal |
27 684 |
v |
v |
| v |
| Fifty-fiftyverdeling
macrolasten |
v |
13 842 |
13 842 |
| Financieringsverschuiving
no-claimteruggave |
v |
–2 171 |
v |
| Rijksbijdrage premie
kinderen |
v |
–1 508 |
v |
| Totaal nominaal te
financieren |
v |
10 163 |
v |
De werkgevers betalen hun
aandeel in de vorm van een vergoeding van de inkomensafhankelijke
bijdrage van verzekeringsplichtigen. De definitie van de grondslag voor
deze inkomensafhankelijke bijdrage is niet hetzelfde als van de
grondslag die nu voor de Zfw wordt gebruikt. Aanvankelijk zal het tarief voor de
inkomensafhankelijke bijdrage over inkomensbestanddelen die niet tot de grondslag
voor de Zfw behoren, maar wel tot de grondslag voor de
Zorgverzekeringswet, in beginsel echter op nihil worden gesteld. In
dit hoofdstuk wordt mede om die reden uitgegaan van een gelijkblijvende
grondslag. Gegeven een Zfw-grondslag van €|232 mld komt de
inkomensafhankelijke bijdrage van verzekeringsplichtigen uit op 5,96%.
De verzekerden betalen
een nominale premie, met het recht op een no-claimteruggave van €|250,- per persoon. De financieringsverschuiving van de
no-claimteruggave,
te weten het bedrag dat uiteindelijk voor de eigen
verantwoordelijkheid van verzekerden komt, is per verzekerde gelijk aan het verschil tussen
de €|250,- en de gemiddeld uitgekeerde
no-claimteruggave (€|75,-). De optelsom van
deze financieringsverschuiving (macro €|2171
mln) en de
rijksbijdrage ter financiering van de kinderpremie (€|1508
mln) zijn in
mindering gebracht op het rechtstreeks door de burger te financieren
bedrag. Het uiteindelijk via nominale premies te rblz.|65|
financieren bedrag is dan €|10 163 mln. Per volwassen verzekerde komt dat neer op gemiddeld €|817,- per jaar.
Tabel 4. Gemiddelde
premie per volwassene (euro per jaar, 2006) en procentuele
werkgeverspremie (indicatief): ¹
Nominale premie
(exclusief kinderen):
- nominale rekenpremie (incl. €|250 no claim)
- nominale opslagpremie |
xxxxxxxxxxxxxxx
€|1067,-xxxxx
€|38,-xxxxx |
| Gemiddelderno-claimteruggavexxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
–€|75,-xxxxx |
| Totaal gemiddelde
nominale betaling |
€|1030,-xxxxx |
| x |
| Door werkgever te
vergoeden inkomensafhankelijke bijdragen van verzekeringsplichtigen |
5,96%xxxxx |
1. De premies en de
gemiddelde no-claimteruggave zijn inclusief de overheveling van de gehele
extramurale ggz en het
eerste jaar van de intramurale ggz.
Lastenbeeld
De invoering van de
Zorgverzekeringswet betekent een lastenverzwaring voor gezinnen van €|4,3
mld en een kleine lastenverlichting voor "echte" werkgevers (€|0,1
mld).
De lastenverzwaring is een gevolg van de overheveling van delen van de ggz (€|1,8
mld), de terugtrekking van een deel van de rijksbijdrage (€|1,5
mld) en het lastendekkend maken van het zorgstelsel (€|0,8
mld).
Ter compensatie van de
lastenverzwaring voor gezinnen als gevolg van de stelselherziening worden
vooralsnog de volgende compensatiemaatregelen voorgesteld:
• Zorgtoeslag
De invoering van de
nominale premie voor verzekerden wordt gecompenseerd door de gelijktijdige
invoering van een zorgtoeslag. De zorgtoeslag relateert de standaardpremie aan de draagkracht van mensen. Waar in het nieuwe
stelsel met de nominale premie de kosten van de gezondheidszorg zichtbaar
worden gemaakt, maakt de zorgtoeslag de solidariteit tussen
inkomens zichtbaar. Zo ontstaat een systeem met enerzijds een grotere rol
voor de eigen verantwoordelijkheid, maar tegelijkertijd ook een
zichtbare waarborg voor toegankelijkheid en solidariteit.
De zorgtoeslag is gelijk
aan het verschil tussen de standaard verschuldigde premie en de normpremie.
De normpremie voor een meerpersoonshuishouden bedraagt 6,5% van het
belastbare wettelijk minimumloon inclusief
vakantietoeslag en 4% van het meerinkomen. Voor alleenstaanden en
alleenstaande ouders wordt gerekend met 4% van het belastbare
wettelijk minimumloon inclusief vakantietoeslag en 4% van het meerinkomen.
Het relevante inkomensbegrip voor de berekeningen van het meerinkomen is,
evenals bij de bestaande kinderkortingen, het gezamenlijke
verzamelinkomen.
• Ggz-schuif
De gehele extramurale ggz
en het eerste jaar van de intramurale ggz wordt van de AWBZ
overgeheveld naar de
Zorgverzekeringswet. De overheveling leidt tot €|1,8 mld minder lasten in de AWBZ en als gevolg daarvan kan de
procentuele premie dalen.
• Fiscaal pakket
Dit pakket bestaat uit
een mix van aanpassingen van de tarieven eerste en tweede schijf, de
kinderkortingen, de combinatiekorting en de ouderenkorting. De
definitieve vormgeving van het compensatiepakket zal zomer 2005 worden
bezien op basis van het dan voorliggende koopkrachtbeeld voor
2006.
rblz.|66|
Tabel 5.
Compensatiemaatregelen 2006 (indicatief, budget €|0,9 mld per jaar):
| |
xxxxBudgetxxxx |
| Premies zorg
ten opzichte van oude
systeem |
4,1xxxxx |
| waarvan gezinnen |
4,2xxxxx |
| waarvan werkgevers |
–0,1xxxxx |
| Overheveling delen ggz |
–1,8xxxxx |
| Subtotaal
lastenverzwaring |
2,2xxxxx |
| x |
| Zorgtoeslag |
–2,1xxxxx |
| Fiscaal pakket |
–0,9xxxxx |
| Compensatie
ambtenaren/studenten |
–0,2xxxxx |
| Algemene
lastenverlichting werkgevers |
0,1xxxxx |
| x |
| Subtotaal
lastenverlichting |
–3,1xxxxx |
| x |
| Saldo |
–0,9xxxxx |
| waarvan gezinnen |
–0,9xxxxx |
| waarvan bedrijven |
0xxxxx |
Inkomenseffecten
De invoering van de
stelselherziening leidt als gevolg van de overgang van een heterogene
premiestructuur naar een homogene premiestructuur tot inkomenseffecten. De
instrumenten die ter compensatie ingezet kunnen worden, hebben een
globaler karakter. Gevolg is dat er na compensatie plussen en minnen in de
inkomenseffecten zitten.
Zoals hiervoor al aan de
orde kwam, zijn de in dit hoofdstuk gepresenteerde cijfers voorlopig van
aard. In de zomer van 2005 zal het kabinet zich over het integrale
inkomensbeeld voor 2006 buigen. Daarbij kijkt het kabinet niet alleen naar
de effecten van de invoering van de
Zorgverzekeringswet en de Wet op de zorgtoeslag, maar bijvoorbeeld ook naar de
verwachte loon- en
prijsontwikkeling. Mocht het resulterende integrale inkomensbeeld daar
aanleiding toe geven, dan zal het kabinet met het oog op evenwichtige inkomensverhoudingen aanvullende maatregelen
treffen.
Bij het analyseren van de
gevolgen van de invoering van de
Zorgverzekeringswet is ook gekeken naar de
effecten van bijzondere groepen. Binnen deze groepen bestaan
grote verschillen in effecten. Er is een bedrag van 0,2 mld gereserveerd voor
de compensatie van inkomenseffecten bij ambtenaren en studenten.
Voor chronisch zieken en
personen met een handicap die vóór de invoering van de
Zorgverzekeringswet ziekenfondsverzekerd waren, zullen (vrijwel) geen specifieke
effecten optreden. Zij betalen en betaalden als ziekenfondsverzekerde
dezelfde nominale premie en dezelfde inkomensafhankelijke premie als gezonde
burgers betalen. Daarnaast zullen zij dezelfde zorgtoeslag
ontvangen. Ook bij de no-claimteruggaveregeling treden er bij
ziekenfondsverzekerden in 2006 geen wijzigingen op. Deze regeling heeft in 2006
voor ziekenfondsverzekerden dezelfde vormgeving als in 2005, zodat
daarvan geen effecten uitgaan. Daarom is deze categorie niet apart in
onderstaande tabel opgenomen.
Voor chronisch zieken en
personen met een handicap die voorheen een particuliere verzekering
hadden, zijn er wel verschillen. Deze groep kan nu vrijwel niet van
verzekeraar wisselen, omdat particuliere verzekeraars hen niet hoeven te
accepteren. Hun polissen zullen daardoor in een deel van de gevallen duurder zijn
dan de gemiddelde particuliere polis. Daarnaast is een deel van deze
personen, ook onder de 65 jaar, aangewezen op een standaardpakketpolis, die
een hogere dan gemiddelde premie kent. In 2006 krijgen deze personen een polis in het
kader van de Zorgverzekeringswet
waarvan de premie
hetzelfde is als een vergelijkbare polis voor rblz.|67|
gezonde mensen. Hierdoor
zullen de inkomenseffecten voor (een deel van) deze personen naar
verwachting positiever zijn dan de effecten voor mensen in vergelijkbare
sociaal-economische omstandigheden en een vergelijkbaar inkomen.
In de
standaardinkomenseffecten wordt geen rekening gehouden met de buitengewone uitgaven
(BU)
en tegemoetkoming buitengewone uitgaven (TBU). In tabel 6 zijn de
inkomenseffecten inclusief compensatiepakket weergegeven exclusief de
BU en TBU en tussen haakjes de inkomenseffecten inclusief de BU en TBU.
Het budgettaire beslag van de BU zal met enkele tientallen
miljoenen euro's toenemen.
Tabel 6. Inkomenseffecten
stelselherziening 2006 na compensatie (percentage per jaar) volgens huidige inzichten
(indicatief):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
Standaardeffecten,
inclusief BU en TBU |
Standaardeffecten |
| Actieven: |
| Alleenverdiener
met kinderen: |
| minimumloon |
–0,40% |
(–0,80%) |
|
modaal
|
–0,20% |
(–0,20%) |
| 2x modaal |
x3,00% |
x(3,00%) |
|
Tweeverdiener met
kinderen:
|
| modaal +
1⁄2 modaal met kinderen |
–0,30% |
(–0,30%) |
| 2x modaal
+ 1⁄2 modaal met
kinderen |
x2,00% |
x(2,00%) |
| modaal +
modaal zonder kinderen |
x0,30% |
x(0,30%) |
| 2x modaal
+ modaal zonder kinderen |
–0,50% |
(–0,50%) |
|
Alleenstaande:
|
| minimumloon |
x0,40% |
x(0,40%) |
| modaal |
x0,30% |
x(0,30%) |
| 2x modaal |
–1,00% |
(–1,00%) |
|
Alleenstaande ouder:
|
| minimumloon |
–1,00% |
(–1,00%) |
| modaal |
x2,20% |
x(2,20%) |
| Inactieven: |
|
Sociale minima:
|
| paar met
kinderen |
x1,20% |
x(0,90%) |
| alleenstaande |
–0,80% |
(–0,80%) |
| alleenstaande ouder |
x1,30% |
x(1,30%) |
|
AOW (alleenstaand):
|
| sociaal minimum |
x0,90% |
x(0,80%) |
| AOW + 5000 |
x1,10% |
x(1,00%) |
| AOW + 10 000 |
x0,50% |
x(0,10%) |
|
AOW (paar zonder
kinderen):
|
| sociaal minimum |
–0,80% |
(–1,00%) |
| AOW + 5000 |
–0,10% |
(–0,20%) |
| AOW + 10 000 |
x6,50% |
x(8,00%) |
f. Financiële reserves
De overgang naar een
nieuw verzekeringsstelsel heeft verschillende consequenties op het vlak
van de financiële reserves van ziekenfondsen, particuliere en
publiekrechtelijke verzekeraars en toekomstige zorgverzekeraars. Hierbij onderscheiden
zich de vragen:
• welk reserveniveau
dienen de toekomstige zorgverzekeraars aan te houden opdat deze in overeenstemming zijn met de voorschriften van
de Europese
schaderichtlijnen; en
• kunnen de huidige
ziekenfondsen hun opgebouwde reserves behouden zonder dat daarbij een
situatie ontstaat van ontoelaatbare staatssteun?
rblz.|68|
De regering is ervan
uitgegaan dat de zorgverzekeraars bij de uitvoering van de
Zorgverzekeringswet een adequate reserve dienen aan te houden die niet op hetzelfde
niveau hoeft te liggen als die welke een particuliere ziektekostenverzekeraar
thans moet aanhouden. De Europese schaderichtlijnen bieden hiertoe mogelijkheden.
De eerste mogelijkheid
betreft een verlaging van de solvabiliteitsmarge tot een derde als de
zorgverzekering wordt beheerd als een levensverzekering. Belangrijke voorwaarde
hierbij is dat leeftijdsrisico’s voldoende zijn afgedekt, zodat er geen
vergrijzingsreserve hoeft te worden aangehouden. De regering gaat in de Zorgverzekeringswet uit van een
ex-anterisicovereveningssysteem. Dit systeem corrigeert
voor leeftijd en geslacht. Uit de nominale premie die
zorgverzekeraars vragen, hoeft dan geen voorziening voor vergrijzingseffecten
te worden gecreëerd.
Ook speelt het volgende.
In de huidige Zfw is sprake van een systeemkenmerk dat
ertoe leidt dat het
financiële risico waaraan ziekenfondsen zijn blootgesteld, wordt
beperkt. Ziekenfondsen lopen immers alleen risico over die uitgaven
waarop zij invloed kunnen uitoefenen met de instrumenten waarover zij
beschikken. Ziekenfondsen kunnen de hoogte van sommige uitgaven niet
door onderhandelingen in betekenende mate beïnvloeden. Het betreft
in het bijzonder de uitgaven voor de in de ziekenhuistarieven
opgenomen vergoeding van de zogenaamde vaste kosten van de
ziekenhuizen. Die kosten komen immers tot stand als gevolg van door de
overheid genomen beslissingen inzake de planning en bouw van ziekenhuisvoorzieningen. Het vereveningssysteem dat bij de
budgettering van de
ziekenfondsen wordt toegepast, voorziet in verband hiermee in nacalculatie
op de uitgaven van de ziekenfondsen die verband houden met dergelijke
niet-beïnvloedbare kosten. Deze nacalculatie heeft als effect dat de
ziekenfondsen niet over hun totale uitgaven risico lopen, maar slechts over het als
beïnvloedbaar aangemerkte deel daarvan. Ook onder de
Zorgverzekeringswet zullen niet alle uitgaven van de zorgverzekeraars door henzelf
beïnvloedbaar zijn. De overheid zal nog altijd regels stellen met
betrekking tot de capaciteit van en de investeringen in bepaalde typen
(bijzondere) zorgvoorzieningen en het gebruik dat zorgverzekeraars van die
voorzieningen
moeten maken (contracteerplicht). Voor zover en naar de
mate waarin dat het geval is, zullen zorgverzekeraars geen financiële risico’s
lopen over de voor hen daaruit voortvloeiende uitgaven. Het onder de
Zfw geldende systeem van nacalculatie zal ook worden toegepast
in het vereveningssysteem onder de Zorgverzekeringswet. Ook onder die wet zal dus
sprake zijn van een financieel risico over minder dan de volledige schade van een zorgverzekeraar. Naar
de mening van de regering
dient de aan de zorgverzekeraars op te leggen minimumsolvabiliteitseis
hiermee rekening te houden. Met de PVK wordt daarom overleg gevoerd om
aan het bestaan van het verschijnsel nacalculatie in het vereveningssysteem
consequenties te verbinden vergelijkbaar met wat zou worden gedaan
in het geval van beperking van het financiële risico indien sprake was
van herverzekering. Uiteraard is hiervoor vereist dat de nacalculatie juridisch voldoende is verankerd. Dit zal in een algemene
maatregel van bestuur
worden uitgewerkt.
Het door de
zorgverzekeraars gedragen risico afwegende is de regering tot het oordeel gekomen
dat het aanhouden van een reserve en voorziening tot aan het totale niveau
dat thans voorgeschreven is in de ziekenfondsverzekering voldoende moet worden
geacht om bij de overgang te voldoen aan de regels die hieromtrent in Europees verband zijn gesteld.
Deze lijn vloeit voort
uit het overleg dat tot dusverre met de PVK is gevoerd.¹
1. PVK, brief van 17
juni 2004.
In 1991 is in het kader
van de destijds voorgenomen invoering van een basisverzekering
verplichte reservevorming voor ziekenfondsen ingevoerd. Bij die introductie van
een wettelijk voorgeschreven reserve (de minimaal vereiste
solvabiliteitsmarge) speelden twee overwegingen een rblz.|69|
rol. In de eerste plaats
moesten ziekenfondsen gaan beschikken over reserves, omdat zij
financiële risico’s zouden gaan lopen bij het uitvoeren van de Zfw. In de tweede
plaats moesten ziekenfondsen met het oog op de invoering van een
basisverzekering in een met particuliere ziektekostenverzekeraars vergelijkbare
financiële
uitgangspositie worden gebracht (creëren van een "level
playing field"). Destijds bestond immers het voornemen om ziekenfondsen,
particuliere ziektekostenverzekeraars en uitvoerders van publiekrechtelijke ziektekostenregelingen voor ambtenaren
in staat te stellen om de
beoogde basisverzekering in onderlinge concurrentie te gaan
uitvoeren. De basisverzekering is er uiteindelijk niet gekomen, maar de
verzekering die de regering met dit wetsvoorstel beoogt tot stand te
brengen, schept opnieuw de noodzaak van het creëren van vergelijkbare
financiële uitgangsposities tussen de verschillende soorten verzekeraars die
de in dit wetsvoorstel geregelde zorgverzekering gaan uitvoeren. In dat
kader is de regering van mening dat ziekenfondsen die besluiten tot
uitvoering van de
Zorgverzekeringswet de inmiddels opgebouwde wettelijke
reserve moeten kunnen inbrengen bij de start van de uitvoering van de Zorgverzekeringswet. Hiermee wordt naar de opvatting
van de regering het
beoogde "level playing
field" voor de huidige ziekenfondsen ten
opzichte van de huidige particuliere ziektekostenverzekeraars bewerkstelligd. De
regering gaat ervan uit dat bij het inbrengen van bestaande wettelijke
reserves er geen sprake is van ontoelaatbare staatssteun. Overeenkomstig de
hiervoor geldende procedures zal dit punt overigens worden gemeld
bij de Europese Commissie.
De regering verbindt
overigens wel een belangrijke voorwaarde aan de mogelijkheid om de
bestaande wettelijke reserves in te brengen bij de start van de uitvoering
van de privaatrechtelijke zorgverzekering. Die voorwaarde houdt in dat
het inbrengen van bestaande wettelijke reserves alleen kan zolang de
betreffende ziekenfondsen ervoor kiezen de Zorgverzekeringswet zonder winstoogmerk uit
te voeren. Indien bij de start van de zorgverzekering of
binnen tien jaar daarna alsnog wordt gekozen voor uitvoering van de zorgverzekering met winstoogmerk, dan wel het
bedrijf wordt beëindigd,
moeten de oude wettelijke reserves worden afgerekend. Zou dit niet
worden bepaald, dan zouden in de publieke sfeer opgebouwde reserves op het moment van inwerkingtreding van de Zorgverzekeringswet
worden omgezet in private
middelen, zonder dat op enigerlei wijze zou zijn
gegarandeerd dat de betreffende middelen bestemd zouden blijven
voor de doeleinden waarvoor ze in het kader van de publiekrechtelijke
ziekenfondsverzekering waren opgebouwd.
XI. De administratieve
lasten
De
Zorgverzekeringswet vervangt een drietal wetten: de Zfw, de Wtz 1998 en de Wet
MOOZ. Van deze
drie wetten en van de daaraan gekoppelde uitvoeringsregelingen
vervallen de administratieve lasten. De Wet MOOZ valt onder de
verantwoordelijkheid van de Minister van Financiën
en wordt hier niet verder
genoemd. De Zorgverzekeringswet en de hierop geënte
uitvoeringsregelingen veroorzaken echter "nieuwe" administratieve lasten. Daarnaast is er
in het transitieproces sprake van een omzettingsinspanning die gepaard gaat met
incidentele administratieve lasten. Op 17 mei 2004 heeft het
Adviescollege toetsing administratieve lasten zijn advies uitgebracht
over de Zorgverzekeringswet wat betreft de administratieve lastendruk.
Bedrijfsleven
In het kader van de
administratieve lasten vinden er in de
Zorgverzekeringswet twee belangrijke
verschuivingen plaats. Ten eerste treedt een verschuiving op van
directe regulering van het zorgaanbod door de centrale overheid naar
regulering van markten waarop verzekerden/zorgvragers,
zorgverzekeraars en aanbieders van zorg elkaar ontmoeten.
rblz.|70|
Ten
tweede vindt er een
verschuiving plaats van sturing van het administratieve proces en daarop gerichte
informatie naar verantwoording over behaalde resultaten. Door
deze verschuivingen verminderen de informatieverplichtingen die de overheid oplegt
aan het bedrijfsleven en daardoor dus de administratieve lasten. Vooral op de onderdelen toezicht/verantwoording
en
verzekerdenadministratie vinden besparingen plaats. Een aantal van de besparingen
heeft geen relatie met de
Zorgverzekeringswet, maar met andere reeds bij
de Tweede Kamer ingediende wetsvoorstellen, zoals de Wet
toelating zorginstellingen en de Wet herziening
overeenkomstenstelsel zorg.
Het Adviescollege
toetsing administratieve lasten constateert dat een aantal recente
wetsvoorstellen die gevolgen hebben voor de administratieve lasten niet bij de
kwantificering betrokken is. Er is volgens het College geen rekening
gehouden met de toename van het aantal verzekerden in de
Zorgverzekeringswet.
Besparingen op de
administratieve lasten die door andere wetten ontstaan, zijn niet aan
de Zorgverzekeringswet toegerekend. Als dat wel zou zijn gedaan, zou dat
leiden tot een dubbeltelling. Verder is bij de kwantificering van de administratieve
lasten in het kader van de Zorgverzekeringswet, anders dan het College
verondersteld, wel rekening gehouden met een groter aantal
verzekerden en verzekeraars dan er waren in de Zfw
en de Wtz 1998.
Door het schrappen van
een wettelijke verplichting kunnen, conform de definitie, de
administratieve lasten voor het bedrijfsleven weliswaar verminderen, terwijl dit
niet hoeft te betekenen dat zorgverzekeraars geen administratieve
handelingen hoeven te verrichten. Een verzekeraar zal immers zijn
verzekerdenadministratie op orde willen hebben om goed te functioneren. Ook al
verplicht de regering een zorgverzekeraar op grond van de
Zorgverzekeringswet bijvoorbeeld niet meer een financieel jaarverslag op te stellen, de
verzekeraar zal deze handeling voor andere doeleinden moeten blijven uitvoeren
en zijn administratie daarop blijven inrichten. Het
Adviescollege toetsing administratieve lasten heeft in zijn advies opgemerkt dat op
dit punt afgeweken wordt van de kabinetsdefinitie. De handelingen worden
bewust en consequent als "gemengde functie" weergegeven.
Wanneer wel was uitgegaan van de kabinetsdefinitie voor administratieve
lasten, zou een aanzienlijk grotere, maar naar de mening van de
regering, niet-reële besparing worden ingeboekt. Ook het omgekeerde kan
zich voordoen. Bij de risicoverevening onder de Zfw wordt de benodigde
informatie door de ziekenfondsen op vrijwillige basis geleverd. In de
Zorgverzekeringswet wordt de informatieverstrekking wettelijk voorgeschreven.
Dit betekent dus voor de ziekenfondsen geen toename van de
lasten.
Om zicht te krijgen op de
wijziging van de administratieve lasten, die samenhangt met het
vervallen van de Zfw en de Wtz 1998 en de invoering van de
Zorgverzekeringswet, zijn de administratieve lasten in de huidige situatie geclusterd en
vervolgens per cluster vergeleken met die van de Zorgverzekeringswet. In
totaal betekent dit een verlaging met €|28 mln. Door het overhevelen van
een deel van de onder de AWBZ
vallende zorg nemen de administratieve
lasten echter met €|17 mln toe. Per saldo resteert een daling met €|11 mln per jaar.
De incidentele lasten die
samenhangen met de Invoerings- en aanpassingswet Zvw zullen in die wet worden
weergegeven.
Het is op dit moment nog
niet duidelijk welk bedrag aan administratieve lasten rechtstreeks
voortvloeit uit de
Zorgverzekeringswet en welk deel voorvloeit uit lagere
regelgeving. Dit wordt pas duidelijk bij de invulling van de nadere
regelgeving. Het Adviescollege toetsing administratieve lasten heeft hierover in
zijn advies opgemerkt dat het van belang is om inzicht te hebben in de
gevolgen voor de administratieve lasten. Dit inzicht rblz.|71|
kan verkregen worden door
te werken met scenario’s. De Zorgverzekeringswet geeft de structuur aan
wat betreft maatregelen die administratieve lasten veroorzaken. In
lagere regelgeving worden deze maatregelen nader ingevuld. Door deze
nadere invulling komen de administratieve lasten nader in beeld. Hoe de
verdeling van administratieve lasten tussen wet, algemene maatregel van
bestuur, ministeriële regeling en beleidsregels er exact uit komt te zien,
zal bij die nadere regelgeving worden aangegeven. Bij de invulling hiervan
wordt de raming van de administratieve lasten aan het Adviescollege
toetsing administratieve lasten voorgelegd.
Onderstaande tekst geeft
een toelichting op de gehanteerde clusters. Per cluster is beschreven wat
de oorzaak is van de toe- of afname van de administratieve lasten.
Verzekeraarsadministratie
In de
Zfw is de
verzekeraarsadministratie wettelijk voorgeschreven. In die wet zijn bepalingen
opgenomen over de inrichting van de administratie in het kader van het
toezicht en verantwoording op de doelmatigheid en de rechtmatigheid van de
uitvoering van de wet. In de
Zorgverzekeringswet wordt voor de
verantwoording slechts rechtmatigheidsinformatie verlangd van de
zorgverzekeraars. Hoe de administratie wordt ingericht, wordt overgelaten aan de
zorgverzekeraars en is ingevolge de Zorgverzekeringswet niet meer wettelijk
voorgeschreven.
Met de invoering van de
Zorgverzekeringswet verdwijnt het onderscheid tussen
ziekenfondsverzekerden en particulier verzekerden. In de gemeten administratieve lasten
kwamen slechts de lasten voortvloeiende uit de Zfw
en de Wtz 1998 tot
uitdrukking. Onder de Zorgverzekeringswet zijn onder meer alle
ingezetenen van Nederland verzekeringsplichtig. Hierdoor gelden de administratieve
verplichtingen voortvloeiende uit de Zorgverzekeringswet voor meer mensen en nemen
de administratieve lasten voor het bedrijfsleven
toe.
De besparing van de
administratieve lasten vanwege geautomatiseerde gegevensverwerking, te
denken valt aan de declaratiecasus en het traject voor intersectorale
gegevensuitwisseling via het netwerk van het Routeringsinstituut (Inter)nationale
Informatiestromen (RINIS-traject), levert wel een feitelijke daling
van de kosten op, maar deze wordt niet aan de Zorgverzekeringswet
toegerekend.
Verevening
In de
Zorgverzekeringswet hebben de zorgverzekeraars een acceptatieplicht ten aanzien van
verzekeringsplichtigen. Dit kan ertoe leiden dat zij een groot aantal mensen
met een slecht verzekeringsrisico in hun verzekeringsportefeuille krijgen. Omdat hieruit
financieel nadeel voortvloeit voor de zorgverzekeraar, is
een goed systeem van risicoverevening noodzakelijk.
In de Zfw is het
verstrekken van de informatie die nodig is voor de uitvoering van de risicoverevening
verplicht. Om voor de vereveningsbijdrage in aanmerking te komen,
moeten ziekenfondsen opgave doen van de aantallen verzekerden, de kenmerken
die ze hebben en de kosten die ze declareren. Om de tijdigheid van
aanlevering en de betrouwbaarheid en kwaliteit van de gegevens te
waarborgen, is in de Zorgverzekeringswet de wijze van risicoverevening
wettelijk vastgelegd.
De benodigde informatie
voor de verevening in de Zorgverzekeringswet is dezelfde als die onder de
Zfw, maar zoals eerder aangegeven, betreft de verzekerdenpopulatie de
gehele Nederlandse bevolking. Dit betekent derhalve een beperkte
stijging van de administratieve lasten.
Toezicht en
verantwoording
In de
Zfw is
voorgeschreven hoe de administratie van een ziekenfonds rblz.|72|
ingericht dient te worden
om zodoende toezicht op de doelmatigheid en de rechtmatigheid van de
uitvoering van de wet te houden. In de Zfw vindt al een vermindering
van administratieve lasten plaats door het stellen van voorschriften
over de te hanteren procedures en het toezien op het hebben en toepassen
van procedures. Niet de administratie zelf wordt gecontroleerd, maar het
administratieve proces (single audit). In de
Zorgverzekeringswet staan regels
over de
verantwoording van de resultaten. Het wettelijk verplicht
voorschrijven van het administratieve proces is daarom niet meer nodig.
Er vindt een verschuiving plaats van toezicht naar verantwoording; van input naar output. Voor de toekomst wordt
gestreefd naar een
verdere besparing op de administratieve lasten door het volstaan met de
verantwoording via de jaarrekening.
In de private setting van
de Zorgverzekeringswet vindt geen verantwoording meer plaats over de doelmatigheid van het handelen, maar alleen
over het rechtmatig
uitvoeren van de wet.
Er vindt een besparing
van de administratieve lasten plaats vanwege geautomatiseerde gegevensuitwisseling.
Dit cluster valt onder de
zogenaamde "gemengde functie".
Transparantie
In de
Zorgverzekeringswet krijgt de verzekerde de mogelijkheid geboden om zelf bepaalde keuzes
te maken. Hij kan zijn keuze voor een zorgverzekeraar laten bepalen door de
verschillende modelovereenkomsten die de zorgverzekeraar biedt:
natura of restitutie of een mengvorm daarvan, en daarbij behorende premie,
alsmede een eigen risico. Om een heldere afweging te kunnen maken,
verplicht de Zorgverzekeringswet de zorgverzekeraars om de varianten van de
zorgverzekering die zij aanbieden vast te leggen in
openbaar te maken modelovereenkomsten. Deze verplichting maakt het de
verzekeringsplichtige makkelijker om te kiezen voor een zorgverzekeraar
en voor één van de geboden modelovereenkomsten als ze de overstap naar
een andere zorgverzekeraar overwegen. Verder moeten de
zorgverzekeraars aan de Zorgautoriteit gegevens aanleveren voor een
vergelijkend overzicht met de kerngegevens die voor de verzekeringsplichtigen
van belang zijn bij het bepalen van een keuze voor een zorgverzekeraar.
In de Zorgverzekeringswet wordt erop toegezien dat de zorgverzekeraar de
betreffende informatie voldoende verschaft. In de Zfw
keek
de toezichthouder bij het oordelen over het functioneren van het
ziekenfonds daar ook naar.
Rechtsbescherming van de
verzekerde
In de
Zorgverzekeringswet gaat het niet langer om een publiekrechtelijke verzekering, zoals in de
Zfw, maar om een privaatrechtelijke. Daarom is de
Algemene wet
bestuursrecht met de regels van bezwaar en beroep zoals die gelden bij geschillen
tussen een ziekenfondsverzekerde en het ziekenfonds niet langer van toepassing. Op geschillen tussen een verzekerde en
de zorgverzekeraar zijn
de normale regels van civiel recht van toepassing. In de Zorgverzekeringswet
wordt zorgverzekeraars de verplichting opgelegd om aangesloten te zijn
bij een onafhankelijke geschillencommissie, die de klachten van de
verzekerden over de uitvoering van de Zorgverzekeringswet in behandeling neemt.
Evaluatie
De
Zorgverzekeringswet bevat een evaluatiebepaling waarbij de minister
binnen vijf jaar na
inwerkingtreding van de wet een verslag zendt aan de Staten-Generaal over de
doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Op advies
van het Adviescollege toetsing administratieve lasten wordt het aspect
van de administratieve lasten uitdrukkelijk meegenomen in de evaluatie.
rblz.|73|
XII. Overgangssituatie
De rechtsgevolgen die
voortvloeien uit de invoering van de
Zorgverzekeringswet, de daarmee samenhangende
intrekking van de Zfw, de Wtz 1998 en de Wet
MOOZ, alsmede
de noodzakelijke overgangsregelingen, worden geregeld in een
afzonderlijke Invoerings- en aanpassingswet Zvw.
XIII. Inwerkingtreding en
voorlichting
De regering streeft
ernaar de
Zorgverzekeringswet in werking te doen treden met ingang van 1
januari 2006. Ter voorbereiding hiervan zal een uitgebreide
voorlichtingscampagne in gang worden gezet waarbij de vertegenwoordigende
organisaties van de huidige ziekenfondsen, particuliere ziektekostenverzekeraars
en publiekrechtelijke ziektekostenregelingen voor ambtenaren intensief
zullen worden betrokken. Daarbij zal tevens een belangrijke rol
worden toebedeeld aan vertegenwoordigende organisaties van consumenten en
patiënten. Ruim vóór de inwerkingtreding van de Zorgverzekeringswet
zullen verzekeraars hun verzekerden aanschrijven met de mededeling dat er
een nieuw verzekeringsstelsel komt, hetgeen ertoe leidt dat hun bestaande verzekering komt te vervallen. Indien de
verzekeraar of zijn
rechtsopvolger aan de uitvoering van de Zorgverzekeringswet gaat deelnemen, bericht
hij zijn verzekerde welke polissen hij in het kader van de Zorgverzekeringswet voert en welke daarvan het meest
overeenkomt met de
verzekering die de betrokken verzekerde op dat moment heeft. De
verzekerde kan worden voorgelegd dat, bij het uitblijven van een andersluidende
reactie, voor hem de meest met zijn bestaande verzekering
overeenkomende zorgverzekeringspolis zal gelden. Indien een verzekeraar niet
voornemens is de Zorgverzekeringswet te gaan uitvoeren, zal hij zijn
verzekerden hiervan op de hoogte stellen en hen verwijzen naar andere verzekeringsmogelijkheden. Aldus kan worden
voorkomen dat bij de
inwerkingtreding van de Zorgverzekeringswet veel mensen min of meer
onbewust onverzekerd zouden raken.
rblz.|74|
Artikelsgewijze toelichting
Vooraf
Bij het schrijven van
voorliggend wetsvoorstel is ervan uitgegaan dat de volgende wetsvoorstellen
in werking zijn getreden voordat deze wet (verder afgekort als: Zvw) in werking treedt:
a. het wetsvoorstel tot vereenvoudiging van het stelsel van overheidsbemoeienis met het aanbod van
zorginstellingen (Wet
toelating zorginstellingen; Kamerstukken II, 27 659, nrs. 1-3 e.v.);
b. het wetsvoorstel tot vaststelling van titel 7.17 (verzekering) en titel 7.18 (lijfrente) van het
nieuwe Burgerlijk
Wetboek (Kamerstukken I 2002-2003, 19 529, nr. 206) alsmede
de nog bij de Tweede Kamer in te dienen wet waarmee de
inwerkingtreding van die wet zal worden geregeld;
c. het wetsvoorstel tot wijziging van de Coördinatiewet Sociale Verzekering en andere
wetten in
verband met een administratieve lastenverlichting inzake de vaststelling
van het premieloon en het uitkeringsloon (Wet administratieve lastenverlichting
en vereenvoudiging in socialezekerheidswetten, Stb. 2004, 311; ook wel
Walvis
genoemd), alsmede het
wetsvoorstel tot wijziging van de Wet
op de loonbelasting 1964 in het kader van administratieve lastenverlichting
en vereenvoudiging in
socialeverzekeringswetten (Aansluitingswet Walvis; Stb. 2004, 312),
wat betreft het loonbegrip voor de zogenoemde "collecterende
functie";
d. het wetsvoorstel Wet
financiering sociale verzekeringen (Wfsv; Kamerstukken I 2003-2004,
29 529, A), alsmede de bijbehorende Invoeringswet Wet
financiering sociale verzekeringen (Invoeringswet Wfsv; Kamerstukken I
2003-2004, 29 531, A).
Het onder b genoemde
wetsvoorstel kent nog geen doorlopende artikelnummering. Nadat de doorlopende
nummering in die wetsvoorstellen is opgenomen, zullen de
verwijzingen in voorliggend wetsvoorstel worden aangepast.
Het wetsvoorstel
Bepalingen in verband met de fusie van De Nederlandsche Bank NV en de Stichting
Pensioen- & Verzekeringskamer (Kamerstukken II 2003-2004, 29 411,
nrs. 1-3), dat op 30 januari 2004 bij de Tweede Kamer is gediend,
regelt de fusie van de PVK en De Nederlandsche Bank (DNB). De gekozen constructie
is dat de PVK zo spoedig mogelijk
opgaat in de DNB, zonder
echter in de diverse wetten verwijzingen naar de PVK te wijzigen
in verwijzingen naar DNB. Dit laatste zal pas geschieden met het wetsvoorstel
Wet op het financieel
toezicht (Kamerstukken
II 2003-2004, 29 708) [verder: wetsvoorstel Wft, red.] en
met de herziening van de Pensioen-
en spaarfondsenwet. Hierbij
aansluitend is besloten ook in dit wetsvoorstel nog te spreken van de
PVK.
Het wetsvoorstel Wet op het financieel
toezicht zal vijf delen tellen (algemeen deel,
prudentieel toezicht, gedragstoezicht, toezicht infrastructuur en
aanpassings-, overgangs- en slotbepalingen) en zal naar verwachting op 1 juli
2005 de inhoud
van het toezicht op de financiële markten, waaronder de verzekeringsmarkt, wijzigen. De
Wtv
1993 zal tegelijkertijd
worden ingetrokken. Bij
het schrijven van voorliggend wetsvoorstel was de tekst van dit
wetsvoorstel nog niet beschikbaar. Via de invoeringswetgeving, behorende bij dit
wetsvoorstel, bij het wetsvoorstel Wet op het financieel toezicht, of
via de Wet op de Zorgautoriteit zullen verwijzingen in voorliggend
wetsvoorstel naar de Wtv 1993 en de PVK worden vervangen door verwijzingen naar de
Wet op het financieel toezicht en DNB. Voorts zullen via deze invoeringswetgeving of via de Wet op de Zorgautoriteit
waar nodig de
toezichtsbepalingen van voorliggend wetsvoorstel op het in de Wet op het
financieel toezicht geregeld toezicht worden afgestemd.
rblz.|75|
Hoofdstuk 1. Algemene
bepaling
Artikel 1
(begripsbepaling)
Onderdeel a. Verzekeraar
Deze wet draagt
verzekeringsplichtigen (zie onderdeel e) op zich privaatrechtelijk tegen het risico van
behoefte aan zorg te (laten) verzekeren bij een zorgverzekeraar. Een
zorgverzekeraar is allereerst een verzekeraar. Een verzekeraar is een
verzekeringsonderneming als bedoeld in de eerste richtlijn schadeverzekering (zie onderdeel
p). Zo’n verzekeringsonderneming
mag op de Europese markt
slechts schadeverzekeringen aanbieden indien zij een vergunning
heeft tot het uitoefenen van het schadeverzekeringsbedrijf. Het uitoefenen van het
schadeverzekeringbedrijf wordt in artikel 1, onderdeel c, van de
Wtv
1993, met welke wet de drie richtlijnen
schadeverzekeringen zijn
geïmplementeerd, gedefinieerd als: "het als bedrijf sluiten van
overeenkomsten van schadeverzekering voor eigen rekening, met inbegrip van het afwikkelen van de in dat bedrijf gesloten
overeenkomsten van
schadeverzekering, ook al wordt daarmee niet beoogd het maken van winst". Vergunningen tot uitoefening van het schadeverzekeringsbedrijf worden per branche verleend (zie voor de
branches de bijlage bij
de eerste richtlijn schadeverzekering of artikel 15 van Wtv
1993).
Onderdeel b. Zorgverzekeraar
Een verzekeraar wordt
zorgverzekeraar zodra hij aspirant-verzekeringnemers aanbiedt met hem een
zorgverzekering te sluiten. Hij blijft zorgverzekeraar zolang hij ten minste
één verzekerde op basis van een zorgverzekering verzekerd houdt - en
dus de zorgverzekering voor ten minste één verzekerde uitvoert - ook al biedt hij inmiddels geen nieuwe zorgverzekeringen meer aan.
Zoals bij onderdeel
a
aangegeven, dient een verzekeraar die bepaalde soorten
schadeverzekeringen wil aanbieden over een vergunning voor de juiste branches te
beschikken. Een rechtspersoon die zorgverzekeringen wil afsluiten, dient een
vergunning te hebben voor "branche 1. ongevallen (inclusief arbeidsongevallen en
beroepsziekten)" alsmede voor "branche
2. ziekte". Onder
branche 2 vallen namelijk geen beroepsziekten, terwijl de zorgverzekering
zorgbehoeften bij dergelijke ziekten wel dient te dekken. Dit sluit overigens niet
uit dat de vergunning van de verzekeraar daarnaast ook geldt voor het
uitoefenen van andere branches van schadeverzekering. In dat geval kan de
verzekeraar naast zorgverzekeringen ook andere
schadeverzekeringen aanbieden. In Nederland worden de vergunningen tot het uitoefenen van
het (schade)verzekeringsbedrijf verleend door de PVK (artikel 24 Wtv
1993). Ook schadeverzekeraars met zetel of bijkantoor in een andere
lidstaat van de EU kunnen echter zorgverzekeraar worden. Zij dienen dan
wel een vergunning tot uitoefening van (ten minste) "branche 1.
ongevallen (inclusief arbeidsongevallen en beroepsziekten)" en
"branche 2. ziekte" te hebben van het toezichthoudende orgaan dat in hun lidstaat de vergunningen tot uitoefening van het schadeverzekeringsbedrijf
verstrekt.
Een verzekeraar is
slechts zorgverzekeraar voor zover hij zorgverzekeringen aanbiedt of uitvoert.
Voert hij naast zorgverzekeringen ook andere verzekeringen uit, dan
wordt hij voor die werkzaamheden niet als zorgverzekeraar beschouwd.
Onderdeel c. Verzekeringnemer
De verzekeringnemer is de
persoon die met een zorgverzekeraar een zorgverzekering sluit.
Omdat zorgverzekeringen slechts kunnen worden gesloten ten behoeve van
verzekeringsplichtigen (onderdeel e), zal de rblz.|76|
verzekeringnemer slechts
verzekeringsplichtigen voor een zorgverzekering kunnen verzekeren. Vaak zal de verzekeringnemer zichzelf verzekeren.
Iemand kan echter ook op
eigen naam een andere verzekeringsplichtige persoon - bijvoorbeeld
zijn partner, kind, huisgenoot of werknemer - verzekeren. In dat geval
is de verzekeringnemer een ander dan de verzekerde.
Handelingsonbekwamen
(minderjarigen, ondercuratelegestelden) of handelingsonbevoegden
(onder bewind of mentorschap gestelde meerderjarigen als bedoeld in de titels
19 en 20 van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek (BW)) in wier
naam de wettelijke vertegenwoordiger een zorgverzekering sluit, worden zelf
verzekeringnemer (artikelen 1:253i, 337, 386, 441 BW
juncto artikelen 3:78 en
3:66, eerste lid, BW). Hetzelfde geldt indien een vertegenwoordiger op
basis van een volmacht iemand verzekert die wél handelingsbekwaam en handelingsbevoegd is
(artikel 3:66 BW). Deze situatie
verschilt derhalve van de
in de vorige alinea beschreven situatie waarin een verzekeringnemer een
derde verzekert zonder dat die derde verzekeringnemer wordt.
Onderdeel d. Zorgverzekering
Een zorgverzekering is
een overeenkomst van schadeverzekering
"De zorgverzekering is
een tussen een zorgverzekeraar en een verzekeringnemer ten behoeve van een
verzekeringsplichtige gesloten schadeverzekering, die voldoet aan hetgeen
daarover bij of krachtens deze wet is geregeld en waarvan de verzekerde prestaties het bij of krachtens deze
wet geregelde niet te
boven gaan", zo bepaalt onderdeel d. Aangezien artikel 10 van
voorliggend wetsvoorstel regelt dat het te verzekeren risico is
"de behoefte aan
zorg
van de verzekerde", is de benaming "zorgverzekering" voor de
schadeverzekeringen die op grond van de Zvw gesloten moeten
worden
toepasselijk.
Wat een schadeverzekering
is, is geregeld in artikel 7.17.2.1 BW: "Schadeverzekering is de verzekering
strekkende tot vergoeding van vermogensschade die de verzekerde zou
kunnen leiden". Het begrip verzekering is gedefinieerd in het
eerste lid van artikel 7.17.1.1 BW: "Verzekering is een overeenkomst waarbij de
ene partij, de verzekeraar, zich tegen het genot van premie jegens haar
wederpartij, de verzekeringnemer, verbindt tot het doen van één of meer
uitkeringen, en bij het sluiten der overeenkomst voor partijen geen
zekerheid bestaat, dat, wanneer of tot welk bedrag enige uitkering moet
worden gedaan, of ook hoe lang de overeengekomen premiebetaling zal
duren".
Kortom, de
zorgverzekering is een bijzondere vorm van de schadeverzekering en de schadeverzekering
is een bijzondere vorm van de verzekering, die op zich weer een
overeenkomst is. Daarmee staat tevens vast dat de zorgverzekering een
overeenkomst is.
De
Zvw gaat ervan uit dat
er per verzekeringsplichtige een zorgverzekering wordt gesloten.
Gezinspolissen passen niet goed bij het elders in deze wet bepaalde. Eén en
ander sluit natuurlijk niet uit dat een zorgverzekeraar bevoegd is onnodige
administratieve lasten te voorkomen. Heeft een vrouw voor
zichzelf, haar partner en haar twee kinderen vier keer voor een
zorgverzekering volgens eenzelfde modelovereenkomst gekozen, dan zou de
verzekeraar bijvoorbeeld kunnen volstaan met het verzenden van vier
polisbladen, met daaraan toegevoegd eenmaal de gehele zorgpolis
(inclusief de algemene voorwaarden en dergelijke).
Een overeenkomst van
schadeverzekering is geen zorgverzekering indien deze niet met of ten behoeve van een verzekeringsplichtige is gesloten
Een zorgverzekering is
geen zorgverzekering indien deze niet met of ten rblz.|77|
behoeve van een verzekeringsplichtige (zie onderdeel
e) is gesloten. De Zvw verbiedt de
zorgverzekeraar niet om andere personen te verzekeren op basis van een pakket
dat geheel gelijk is aan dat van de zorgverzekering. De definitie, in
onderdeel d, van "zorgverzekering" leidt er echter toe dat een dergelijke
privaatrechtelijke schadeverzekering dan geen zorgverzekering in de zin
van de Zvw is. Dergelijke verzekeringsovereenkomsten dienen volgens het
commune privaatrecht te worden afgewikkeld, zij doen niet mee in de
risicoverevening en er wordt dus ook geen bijdrage uit het
Zorgverzekeringsfonds voor gegeven.
Een overeenkomst van
schadeverzekering is geen zorgverzekering indien de
verzekeringsvoorwaarden niet voldoen aan hetgeen bij of krachtens deze wet geregeld
is
Een
verzekeringsovereenkomst is geen zorgverzekering indien de
verzekeringsvoorwaarden niet voldoen aan hetgeen
daarover bij of krachtens deze wet is geregeld.
Hetgeen bij of krachtens deze wet is geregeld, geeft de zorgverzekeraars
echter ruimte tot nadere invulling. Zij kunnen - binnen de grenzen bij of
krachtens de wet bepaald - meerdere varianten van de zorgverzekering
aanbieden. De Zvw
verplicht de zorgverzekeraars alle varianten in
modelovereenkomsten neer te leggen. Een aspirant-verzekeringnemer kan vervolgens de
zorgverzekeraar verzoeken een zorgverzekering volgens één van de door
de verzekeraar aangeboden modellen te sluiten. De
zorgverzekeraar legt de inhoud van de gesloten zorgverzekeringsovereenkomst
neer in de zorgpolis (zie onderdeel h). Het vereiste dat een verzekeringsovereenkomst slechts een zorgverzekering is
indien de
verkeringsvoorwaarden voldoen aan het bij of krachtens de Zvw geregelde, betekent
derhalve dat niet alleen eenmaal gesloten zorgverzekeringen aan deze bepalingen
dienen te voldoen, maar ook de modelovereenkomsten waarop deze zijn
gebaseerd, alsmede de zorgpolissen die de schriftelijke
neerslag van de individuele zorgverzekering vormen.
De eis dat een
verzekeringsovereenkomst pas een zorgverzekering is indien deze aan het
gestelde bij of krachtens de Zvw voldoet betekent
voorts dat niet alleen
de bepalingen over de te verzekeren prestaties en de premie in de
zorgverzekering (en derhalve ook in de modelovereenkomsten en de zorgpolissen)
verwerkt dienen te zijn (hoofdstuk 3), maar ook alle in
hoofdstuk 2
genoemde bepalingen die voor opname in aanmerking komen. Zo zullen de daar
genoemde gronden waarop de zorgverzekering van rechtswege eindigt of
door opzegging kan eindigen, in de overeenkomst moeten staan. Een
overeenkomst waarin dat niet gebeurt, is geen zorgverzekering, maar een
gewone schadeverzekering.
Het voorgaande brengt met
zich dat een zorgverzekeraar die verzekeringsplichtigen en -gerechtigden
verzekeringen aanbiedt die minder verzekeren dan het bij en krachtens
artikel 11 (juncto 10) geregelde Zvw-pakket, geen zorgverzekeringen
aanbiedt. Als gezegd, is zo’n verzekeringsovereenkomst geen zorgverzekering,
geldt er slechts het commune privaatrecht voor en valt zij buiten de
risicoverevening. Voor zover het gaat om een verzekering die de uit de
zorgverzekering voortvloeiende prestaties slechts aanvult, zal dit geen enkel probleem
opleveren. Anders wordt het indien de verzekeringnemer met de verzekeringsovereenkomst meende een zorgverzekering af
te sluiten. Aangezien de
gesloten verzekeringsovereenkomst de verzekerde niet ontslaat van zijn
wettelijke verplichting een zorgverzekering te hebben, dient voor hem
naast deze verzekeringsovereenkomst alsnog een zorgverzekering te worden
gesloten. De verzekeringnemer kan dan komen te staan voor dubbele
premiebetaling, terwijl hij (of de verzekerde) bij het zich voordoen van het
verzekerd risico geen dubbele prestatie krijgt (dit is in het geval van een
naturazorgverzekering fysiek niet mogelijk en volgt voor een
restitutieverzekering uit de artikelen 7.17.2.24 en 7.17.2.24a BW).
rblz.|78|
De
zorgverzekeraar zal
deze situatie door middel van het opstellen van modelovereenkomsten die
aan het bij en krachtens deze wet geregelde voldoen, dienen te
voorkomen. Overigens bepaalt artikel 25 dat een verzekeraar voorafgaande aan het
aanbieden van zorgverzekeringen zijn modelovereenkomsten aan
het CTZ dient over te leggen. Hetzelfde geldt voor wijzigingen in die
overeenkomsten. Het CTZ verstrekt deze modellen in afschrift aan het CTZ
[het CVZ, zie artikel
26, derde lid, red.].
Indien de verzekeraar zijn modelovereenkomsten tijdig overlegt, zal het CTZ de verzekeraar kunnen waarschuwen indien hij
een modelovereenkomst op
de markt wil brengen die naar zijn oordeel geen zorgverzekering op
zal leveren. Een verzekeraar die een dergelijke waarschuwing in de wind
slaat of kort na de overlegging, zonder de reactie van het CTZ af te
wachten, modelovereenkomsten op de markt brengt die achteraf geen
zorgverzekeringen blijken te genereren, komt voor op grond van het desbetreffende modellen gesloten verzekeringen
niet in aanmerking voor
vereveningsbijdragen uit het Zorgverzekeringsfonds en is voorts op grond van
artikel 27 schadeplichtig jegens de verzekeringsplichtige of degene die een
verzekeringsplichtige op basis van zo’n model heeft verzekerd.
Deze personen gingen er immers van uit een zorgverzekering te hebben gesloten. Een
verzekeraar die voldoende klanten wil behouden, zal
daarnaast naar verwachting open staan voor omzetting - met terugwerkende
kracht - van de eerder gesloten verzekeringsovereenkomst in een zorgverzekering.
Dit zal veelal ook uit het vereiste van redelijkheid en billijkheid (artikel
6:248 BW) voortvloeien.
Het is ook mogelijk dat
een verzekeraar een overeenkomst aanbiedt die meer verzekert dan op
grond van de Zvw verzekerd moet worden. De clausule
"en waarvan de
verzekerde prestaties het bij of krachtens deze wet geregelde niet te
boven gaan" in de definitie van "zorgverzekering" leidt
ertoe dat ook zo’n
verzekering geen zorgverzekering in de zin van de Zvw is. De reden voor
deze uitsluiting is niet zozeer dat via het gedeelte dat het verplichte
Zvw-pakket aan zou vullen risicoselectie zou kunnen plaatsvinden. Artikel
3,
tweede lid, Zvw zou daar immers aan in de weg staan. Echter, de premie
die voor een dergelijke verzekeringsovereenkomst zou worden gevraagd, zou
door de bank genomen hoger zijn dan de premie die zou moeten
worden gevraagd voor een zorgverzekering die zich tot verzekering van
het wettelijke pakket beperkt. Gezien de macrokoppeling tussen de premie en de
inkomensafhankelijke bijdragen, inhoudende dat de werkgevers en
bepaalde andere groepen (zie hoofdstuk 5) de helft van de totale
macropremielast dienen te dragen, zou het toestaan van zorgverzekeringen die
meer verzekeren dan het wettelijke pakket betekenen dat werkgevers
en die andere personen indirect zouden gaan bijdragen in de kosten
van dit meerdere. Omdat het hier gaat om zorg waarvan de regering
opname in het wettelijke pakket niet noodzakelijk acht, is dit ongewenst.
Voorts zou het meer verzekeren dan het wettelijk verplichte pakket tot een
stijging van de (nominale) premie ¹ en - omdat deze premie tot de
collectieve lasten wordt gerekend - daarmee van de collectieve lasten
leiden. Ook dat vindt de regering niet wenselijk.
1. In het algemene deel
van deze toelichting wordt de aan de
zorgverzekeraar te betalen premie aangeduid als "nominale premie". Aldus wordt aangesloten
bij het in de praktijk levende begrippenkader.
In de wetsartikelen en in deze
artikelsgewijze toelichting wordt de vanuit wetgevingsoptiek
iets betere term "premie" gebruikt. Het
woord "nominale" voor "premie" wordt
weggelaten omdat de inkomensafhankelijke bijdragen geen premies zijn, zodat een
onderscheid tussen nominale en inkomensafhankelijke
premies niet aan de orde is.
De
Zvw verbiedt de
zorgverzekeraar echter niet om op andere punten dan de verzekerde prestaties
meer te regelen. Zo bevat de Zvw geen bepalingen over de administratieve
afhandeling van claims. Het is derhalve aan de verzekeraar om
hierover regels te stellen. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor het geval de
zorgverzekeraar meer opzeggings- of ontbindingsgronden wil regelen dan in de Zvw
zijn geregeld (de in de Zvw geregelde gronden zullen in ieder
geval in de zorgverzekeringsovereenkomst moeten worden opgenomen)
en voor de vraag of, en voor welke vormen van zorg de verzekerde,
op straffe van verlies van het recht op een verzekerde prestatie, vooraf een
verwijzing van een arts of een toestemming van zijn zorgverzekeraar
dient te hebben. Dergelijke bijkomende onderwerpen zal de verzekeraar zelf
in de zorgverzekeringsovereenkomst (en rblz.|79|
derhalve in de zorgpolis
alsmede in de modelovereenkomst) kunnen regelen. Natuurlijk mogen
deze regels niet in strijd zijn met hetgeen op grond van deze wet en de
daarop gebaseerde regelgeving in de zorgverzekeringen opgenomen dient te
worden.
Onderdeel e. Verzekeringsplichtige
Een verzekeringsplichtige
is een natuurlijk persoon die op grond van artikel 2 verplicht is
zich door middel van het (laten) sluiten van een zorgverzekering te (laten) verzekeren.
Onderdeel f. Verzekerde
De verzekerde is degene
wiens behoefte aan geneeskundige zorg door de zorgverzekering wordt
gedekt. Vaak zal de verzekerde dezelfde persoon zijn als de
verzekeringnemer. Dit hoeft echter niet altijd het geval te zijn. Zie voor meer hierover de
toelichting op onderdeel c.
Onderdeel g. Eigen risico
In
artikel 19 wordt de
verzekeraars de mogelijkheid gegeven om verzekeringnemers te laten kiezen tussen
bepaalde tranches eigen risico. In onderdeel g wordt "eigen
risico" gedefinieerd als: een door de verzekeringnemer met de zorgverzekeraar
als onderdeel van de zorgverzekering overeengekomen bedrag aan
kosten van zorg of overige diensten als bedoeld bij of krachtens
artikel 11 dat de verzekerde voor zijn rekening zal nemen.
Onderdeel h. Zorgpolis
Artikel
9, eerste lid,
verplicht de zorgverzekeraar de verzekeringnemer zo spoedig mogelijk na het
tot stand komen van een zorgverzekering en vervolgens voorafgaande
aan ieder kalenderjaar een zorgpolis af te geven. In aansluiting op
artikel 7.17.1.8, eerste lid, BW
regelt onderdeel h dat de zorgpolis een akte
is, waarin de tussen een verzekeringnemer en de zorgverzekeraar
afgesloten zorgverzekering is vastgelegd. Een akte is een ondertekend geschrift,
bestemd om tot bewijs te dienen (artikel 156 Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering).
Een zorgpolis is dus een
schriftelijk stuk, waaruit de rechten en plichten van de zorgverzekeraar,
de verzekeringnemer en, indien dit een ander dan de verzekeringnemer is,
de verzekerde, blijken. Het vereiste van het zijn van akte brengt met
zich
dat de zorgverzekeraar het document dient te ondertekenen. Onder zorgpolis is ook begrepen de akte waarin de overeenkomst
niet volledig is
omschreven, maar die naar één of meer bijbehorende documenten verwijst,
bijvoorbeeld algemene voorwaarden, een reglement of een mantelpolis bij een collectieve verzekering.
Zorgverzekeringen kunnen
regelen dat de verzekerde de zorg slechts van bepaalde (door de
zorgverzekeraar gecontracteerde) zorgaanbieders mag betrekken (zie het
algemene deel van deze toelichting en de toelichting op artikel
11). In dat geval
behoort de lijst van zorgaanbieders waar de verzekerde terecht kan tot de
zorgverzekeringsovereenkomst. Indien deze lijst niet zo lang is of
slechts met ingang van het kalenderjaar wijzigt, is het meezenden van de lijst
niet zo’n probleem. Echter, bij lange lijsten of lijsten die vaak wijzigen
(bijvoorbeeld voor naturacontracten krachtens welke de verzekerde voor
alle vormen van zorg bij zorgaanbieders in het hele land terecht kan) is
het voor de verzekeraar niet te doen om alle wijzigingen telkens toe
te zenden. De verzekerde zou daar overigens ook weinig aan hebben. In zo’n
geval vloeit uit de redelijkheid en billijkheid waarmee overeenkomsten
moeten worden uitgevoerd (artikelen 6:2 en 6:248 BW) voort dat de
zorgverzekeraar in zijn polis mag verwijzen naar op zijn website vindbare
lijsten
en dat hij - bijvoorbeeld voor verzekerden die geen computer hebben - desgevraagd een uitdraai maakt en verzendt.
rblz.|80|
Onderdeel i. Sociaal-fiscaal
nummer [zie art.
1, onderdeel j, Zvw,
red.]
Het
sociaal-fiscaal nummer (sofinummer) van de verzekerden speelt in deze wet een belangrijke
rol. Zo zal op zorgdeclaraties het sofinummer van de patiënt moeten
worden aangegeven (artikel 117 [118] juncto
artikel
86 [87]) en zal een zorgverzekeraar, wil
hij een bij hem verzekerde persoon mee laten tellen voor zijn
vereveningbijdrage, het sofinummer van die verzekerde aan het CVZ
dienen door
te geven (artikel 32 juncto artikel
35).
Onderdeel j.
Inhoudingsplichtige [zie
art. 1, onderdeel k, Zvw,
red.]
De inhoudingsplichtige
wordt op grond van artikel 46 verplicht de inkomensafhankelijke bijdrage die een
verzekeringsplichtige over door de
Minister van VWS aan te
wijzen loon in de zin van de Wet
op de loonbelasting 1964 (Wet LB)
verschuldigd is, aan die verzekeringsplichtige te vergoeden. Inhoudingsplichtige is de inhoudingsplichtige in de zin van
de Wet LB dan wel in
de zin van de Wfsv, dat wil, samengevat, zeggen: werkgevers en
instanties die bepaalde uitkeringen verstrekken.
Onderdeel k. Instelling
[zie art.
1, onderdeel l, Zvw,
red.]
Eén van de mogelijkheden
voor zorgverzekeraars om aan hun uit de zorgverzekering voortvloeiende verplichtingen te voldoen, is om zorgverleners
te contracteren die voor
hun rekening aan hun verzekerden de verzekerde zorg of andere verzekerde
dienst leveren waar die verzekerden behoefte aan hebben. Artikel 12
van deze wet bevat de mogelijkheid om met het oog op het algemeen
belang bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) vormen van zorg of andere
diensten aan te wijzen waarvoor een dergelijke contractsluiting de enige
toegestane wijze is waarop de verzekeraar aan zijn verplichtingen
kan voldoen. Daarnaast kunnen in die AMvB vormen van zorg of andere
diensten worden aangewezen waarvoor niet alleen geldt dat deze via
een contract worden geleverd, maar waarvoor tevens geldt dat de
zorgverzekeraar alle zorginstellingen die om zo’n overeenkomst verzoeken,
dient te contracteren (ook wel "contracteerplicht" genoemd) en, andersom,
dat bepaalde zorginstellingen desgevraagd zo’n overeenkomst met
een zorgverzekeraar moeten sluiten (ook wel "omgekeerde
contracteerplicht" genoemd). Onderdeel k definieert met het oog daarop het
begrip "zorginstelling". Allereerst gaat het om instellingen die op grond
van de Wet
toelating zorginstellingen zijn toegelaten. Dit zijn in Nederland
gevestigde rechtspersonen en in het buitenland gevestigde rechtspersonen
die in Nederland zorg verlenen. Daarnaast kunnen ook buitenlandse rechtspersonen die aldaar zorg verlenen
zorginstelling zijn. Zij
dienen dan echter wel in het kader van het in hun vestigingsland geldende
socialezekerheidsstelsel dan wel aan specifieke groepen van publieke functionarissen zorg te verlenen. Aldus wordt
gewaarborgd dat de zorg
van een buitenlandse instelling waarmee een contract wordt gesloten
in ieder geval het kwaliteitsniveau heeft dat in het desbetreffende land
acceptabel is.
Onderdeel l. Onze
Minister [zie art.
1, onderdeel m, Zvw,
red.]
In
deze wet wordt met
"Onze Minister" de
Minister van VWS bedoeld.
Onderdeel m. College
toezicht [zie art.
1, onderdeel n, Zvw,
red.]
Het CTZ houdt toezicht op
de uitvoering van deze wet door de zorgverzekeraars, voor zover althans dit
toezicht niet door de PVK wordt uitgeoefend.
Onderdeel n. College
zorgverzekeringen [zie
art. 1, onderdeel o, Zvw,
red.]
Het
CVZ vervult zowel in
de ABWZ als in deze wet
een belangrijke rol. De belangrijkste
Zvw-taken
van het CVZ betreffen bevordering van een eenduidige uitleg van de
inhoud en omvang van de op grond van deze wet te verzekeren
prestaties, beheer van het Zorgverzekeringsfonds en toekenning van vereveningsbijdragen. Daarnaast krijgt het CVZ op grond
rblz.|81|
van deze wet nog enkele
andere taken, zoals het opleggen van boeten aan verzekeringsplichtigen
die zich niet tijdig (laten) verzekeren.
onderdeel o.
Zorgverzekeringsfonds [zie
art. 1, onderdeel p, Zvw,
red.]
De financiering van de
uitvoering van de Zvw geschiedt gedeeltelijk vanuit het
Zorgverzekeringsfonds. Het CVZ beheert dit fonds.
Onderdeel p. Eerste richtlijn
schadeverzekering [zie
art. 1, onderdeel q, Zvw,
red.]
In
onderdeel p wordt geregeld wat in deze wet
onder de "eerste richtlijn
schadeverzekering" wordt verstaan. Gekozen is voor dynamische
verwijzing.
Hoofdstuk 2. De plicht
tot het sluiten van een zorgverzekering
Algemeen
De zorgverzekering is een
bijzondere, op grond van voorliggend wetsvoorstel gereguleerde vorm van de
schadeverzekering. Op de zorgverzekering zijn dan ook niet alleen
de bij en krachtens deze wet te stellen regels van toepassing, maar tevens
de artikelen van de afdelingen 1 (algemene bepalingen) en 2 (schadeverzekering)
van titel 7.17 (verzekering) van het BW, voor zover daarvan
althans niet via deze wet wordt afgeweken. Voorts zijn de bepalingen van
Boek 6
(algemeen gedeelte van het verbintenissenrecht) BW van toepassing, voor
zover daarvan niet op grond van titel 7.17 BW
of voorliggende wet
wordt afgeweken, terwijl, ten slotte, Boek 3 (vermogensrecht in het
algemeen) BW van toepassing is voor zover daarvan niet in Boek 6
BW, titel 7.17 BW
of voorliggende wet wordt afgeweken. Uiteraard
zullen in de hiernavolgende artikelsgewijze toelichting afwijkingen van het
BW worden gemotiveerd. Om het beeld van de voorliggende verzekering
compleet te maken, zullen echter ook de meest relevante bepalingen van
het BW worden aangestipt die, zonder dat er in voorliggend wetsvoorstel
aan wordt gerefereerd, hun invloed op voorliggende verzekering doen gelden.
§
2.1. De
verzekeringsplicht
Artikel 2 (verzekeringsplichtigen)
Eerste lid
In
artikel 2 wordt
bepaald welke natuurlijke personen krachtens een zorgverzekering verzekerd dienen te
zijn,
oftewel wordt bepaald wie "verzekeringsplichtig" zijn. De kring van
verzekeringsplichtigen is gelijk aan de kring van verplicht
verzekerden voor de AWBZ: is men verplicht
AWBZ-verzekerd, dan dient men derhalve
een zorgverzekering te (laten) sluiten. De verzekeringsplichtige
is niet verplicht zichzelf te verzekeren. Hij kan ook een ander vragen dit te
doen. De verzekeringsplicht houdt derhalve in dat de
verzekeringsplichtige ervoor zorg dient te dragen dat hij verzekerd is. Verzekert een ander
de verzekeringsplichtige in naam van die laatste, dan wordt de
verzekeringsplichtige niet alleen verzekerde, maar ook verzekeringnemer. Verzekert de ander de verzekeringsplichtige echter op
eigen naam, dan wordt de
verzekeringsplichtige verzekerde, maar wordt de ander
verzekeringnemer.
Hoofdregel ingevolge
artikel 5 van de AWBZ (en overigens ook ingevolge de overige
volksverzekeringen) is dat verplicht AWBZ-verzekerd zijn:
a. ingezetenen;
b. niet-ingezetenen die
ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de
loonbelasting zijn onderworpen.
rblz.|82|
Op
deze hoofdregel zijn
bij en krachtens de AWBZ diverse uitzonderingen getroffen. Ten eerste
zijn op grond van de AWBZ niet verzekerd en derhalve op grond van de Zvw
niet verzekeringsplichtig vreemdelingen, tenzij zij rechtmatig in
Nederland verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onderdeel a tot en met
e of l,
van de Vreemdelingenwet
2000 (artikel 5, tweede lid,
AWBZ). Het gaat in eerder genoemde onderdelen van artikel 8 van de
Vreemdelingenwet
2000 om
onderdanen van de overige lidstaten van de Europese Unie (EU), van
de Europese Economische Ruimte (EER) of om Turken die op grond van
het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije in Nederland
mogen verblijven, alsmede om andere vreemdelingen die op grond van een
verblijfsvergunning "regulier" of "asiel" voor bepaalde of onbepaalde
tijd in Nederland mogen verblijven.
Ten tweede zijn in het op
artikel 5, derde en vierde lid, AWBZ
gebaseerde Besluit uitbreiding en
beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (Bubkvv 1999) zowel
uitbreidingen als beperkingen op de in de AWBZ
geregelde kring van
verplicht verzekerden geregeld. Door gebruik van de woorden "die
ingevolge de AWBZ en de daarop gebaseerde regelgeving verzekerd is" in artikel
2, eerste lid, wordt bereikt dat deze uitbreidingen en beperkingen ook gelden
voor de verzekeringsplicht ingevolge de Zvw.
Ten slotte kan men op
grond van toepassing van een verdrag, van de Overeenkomst betreffende
de EER of van een besluit van een internationale organisatie, zo nodig in
afwijking van de AWBZ-hoofdregels, wel (of juist niet) verzekerd
zijn. Dat wordt in artikel 5b AWBZ
nog eens bevestigd, zodat gesteld kan worden
dat ook een ingevolge dit internationale recht voor de verplichte
AWBZ-verzekering in aanmerking komende persoon (mede) ingevolge de AWBZ
verzekerd is en derhalve ingevolge artikel 2 voor de
Zvw verzekeringsplichtig is.
Tweede lid
Er zijn twee afwijkingen
van de in het eerste lid opgenomen regel dat diegenen
verzekeringsplichtig zijn die behoren tot de kring van verplicht AWBZ-verzekerden.
Allereerst gaat het om militairen in werkelijke dienst (onderdeel a). Zij zijn
wel AWBZ-verzekerd, maar niet verzekeringsplichtig op grond van voorliggende
wet. Militairen in werkelijke dienst zijn namelijk aangewezen op de
zorgverlening door of vanwege de militair geneeskundige diensten. Dit geldt niet
alleen bij inzet in binnen- en buitenland, maar ook binnen en buiten werktijd in de vredessituatie. Deze specifieke
zorgverlening door de
militair geneeskundige diensten, alsmede de plicht van de militairen in
werkelijke dienst om hier gebruik van te maken, dient in stand te worden
gehouden. Dit is nodig omdat de krijgsmacht voor het uitvoeren van haar grondwettelijke taak te allen tijde moet kunnen beschikken over voldoende
aantallen direct inzetbaar personeel. Vanuit geneeskundig oogpunt
betekent dit dat de militair geneeskundige diensten inzicht moeten kunnen
hebben in de gezondheidstoestand van de individuele militair, om
diens operationele inzetbaarheid te kunnen beoordelen. In het kader van de
zorgverlening door of vanwege de militair geneeskundige diensten
beschikt het ministerie van Defensie dan ook over een eigen
zorgverlenersapparaat van onder meer eerstelijnsartsen, verpleegkundigen,
fysiotherapeuten, medisch specialisten, een revalidatiecentrum, alsmede een ziekenhuis.
De zorgverlening omvat al de maatregelen, voorzieningen en
geneeskundige verstrekkingen in het belang van de bescherming, het
behoud, het herstel en de bevordering van de gezondheid van de
militair, alsmede in het belang van het behoud, het herstel en de bevordering
van de geschiktheid van de militair voor de dienst. Eén en ander
houdt ook in dat militairen zich te allen tijde voor het verkrijgen van zorg
dienen te wenden tot de militaire eerstelijnsarts. Het rblz.|83| uitgangspunt is derhalve
het volledig in eigen beheer verlenen van zorg van een zodanige omvang
dat onder alle omstandigheden optimale voorzieningen ter beschikking staan
zowel in het belang van de gezondheid als van de inzetbaarheid van
de militair. Dat kan binnen deze wet, die uitsluitend is gericht op het
verzekeren van alle ingezetenen voor een basispakket aan zorg, niet worden
gerealiseerd. Om die reden zijn militairen niet verzekeringsplichtig
ingevolge deze wet.
Daarnaast gaat het om
personen die op grond van de AWBZ en de Wfsv
door de Sociale verzekeringsbank (SVB) wegens gemoedsbezwaren op hun verzoek zijn ontheven
van de verplichtingen voortvloeiende uit de AWBZ (artikel 32
AWBZ
juncto
hoofdstuk 5 Wfsv). Omdat deze personen desalniettemin wel van
rechtswege AWBZ-verzekerd zijn, dienen ze voor de Zvw
van de kring van
verzekeringsplichtigen te worden uitgezonderd. Dat gebeurt in het tweede
lid, onderdeel b.
Het staat een persoon met
een ontheffing overigens te allen tijde vrij om de SVB te vragen de
ontheffing in te trekken. Nadat dat is gebeurd, heeft hij op grond van het
eerste lid van voorliggend artikel weer de plicht tot - en op grond van artikel 3
vervolgens het recht op - het (laten) sluiten van een zorgverzekering. Hij
zal dan overigens ook weer aan zijn uit de AWBZ voortvloeiende
verplichtingen moeten voldoen.
Derde lid
Ook
kinderen en onder
curatele, bewind of mentorschap gestelde meerderjarigen zijn
verzekeringsplichtig. Van hen kan echter niet worden verwacht dat zij
zichzelf verzekeren of ervoor zorgen dat hun wettelijke vertegenwoordigers dat
doen. Daarom legt het derde lid deze wettelijke vertegenwoordigers de
plicht op ervoor te zorgen dat degene die zij vertegenwoordigen
verzekerd is. Dat kan op drie manieren. Allereerst kan de wettelijke
vertegenwoordiger namens degene die hij vertegenwoordigt een zorgverzekering
sluiten. De verzekerde wordt daarmee automatisch verzekeringnemer (zie ook
de toelichting op het eerste lid). Dat wil
overigens niet zeggen dat de
verzekerde de rechtshandelingen kan verrichten die een verzekeringnemer op grond van
deze wet kan of moet verrichten. De
verzekerde zal immers
doorgaans handelingsonbekwaam of handelingsonbevoegd zijn. Ook laatstbedoelde
rechtshandelingen worden in dit geval derhalve door de
wettelijke vertegenwoordiger verricht. Dit volgt uit het Burgerlijk
Wetboek en hoeft derhalve in deze wet niet afzonderlijk geregeld te worden. Ten
tweede kan de wettelijke vertegenwoordiger zelf als verzekeringnemer
degene die hij vertegenwoordigt, verzekeren. Verzekerde en verzekeringnemer zijn
dan niet dezelfde persoon (zie ook de toelichting op het eerste
lid). Ten slotte is het mogelijk dat de wettelijke vertegenwoordiger degene
die hij vertegenwoordigt zelf een verzekeringsovereenkomst laat sluiten, waarbij hij,
indien de verzekerde handelingonbekwaam is, de rechtshandeling
bevestigt of afziet van een beroep op vernietigbaarheid (zie onder andere de
artikelen 3:32, tweede lid, en 3:49 tot en
met 3:55 BW), als de
verzekerde onder bewind staat, de medewerking, bedoeld in artikel 1:438,
tweede lid, BW
verleent, en als hij mentor is, de toestemming, bedoeld in
artikel 1:453, tweede lid, genoemde toestemming geeft. Net als in het
eerste geval, is in dit derde geval de verzekeringnemer dezelfde persoon als de
verzekerde. Of de verzekeringnemer in dit geval rechtshandelingen kan verrichten, hangt af van de ruimte die de
wettelijke
vertegenwoordiger hem hiervoor geeft.
Kinderen die nog geen
18 jaar zijn, zullen meestal minderjarig zijn. Dit lijdt echter
uitzondering voor kinderen die gehuwd of geregistreerd zijn, gehuwd of
geregistreerd zijn geweest dan wel op grond van artikel 1:253ha BW
door de
kinderrechter meerderjarig zijn verklaard omdat zij hun kinderen wensen te
verzorgen en op te voeden (artikel 1:233 BW). Artikel
2, rblz.|84| derde lid, Zvw geldt
niet voor kinderen jonger dan 18 jaar die op grond van één van deze
uitzonderingen meerderjarig zijn.
Ten slotte het volgende.
Er zullen ook meerderjarigen zonder curator, bewindvoerder of voogd
zijn die niet in staat zijn om zichzelf tijdig te (laten) verzekeren.
Hebben deze verzekeringsplichtigen op enig moment zorg nodig, dan zullen
zij zich bij de zorgaanbieder vervoegen. Een zorgaanbieder die constateert dat zijn
patiënt niet verzekerd is, zal er verstandig aan doen de patiënt erop te wijzen dat hij zich met onmiddellijke ingang alsnog moet
verzekeren of, indien de patiënt hier naar zijn oordeel echt niet toe in staat
is, familieleden of instanties moeten verzoeken de patiënt per direct te
verzekeren. Uit artikel 3 volgt dat de zorgverzekeraar zo’n
verzekeringsplichtige niet mag weigeren. Indien het feit dat de
verzekeringsplichtige zich niet (tijdig)
verzekerd heeft niet aan de (alsnog) verzekerde te verwijten
is (bijvoorbeeld omdat hij hiertoe al jaren geestelijk niet in staat was), wordt
er geen boete wegens te laat verzekeren (artikel
95 [96]) opgelegd.
§ 2.2. De
acceptatieplicht
Artikel 3 (de
acceptatieplicht van de zorgverzekeraar)
Eerste lid
Artikel
3, eerste lid,
regelt, als spiegelbeeld van verzekeringsplicht, de acceptatieplicht van de
zorgverzekeraar: desgevraagd dient hij voor alle personen wier behoefte
aan zorg overeenkomstig artikel 2 verzekerd dient te worden
- dat wil
zeggen alle verzekeringsplichtigen - die in zijn werkgebied wonen een
zorgverzekering te sluiten. Selectie op medisch risico of andere
verzekerdenkenmerken is niet toegestaan, en ook personen die op het moment dat het
verzoek de verzekeraar bereikt reeds zorg nodig hebben, dienen voor de
zorgverzekering geaccepteerd te worden. De acceptatieplicht geldt
voor alle zorgverzekeraars die werken in de provincie waar de
verzekeringsplichtige woont, waardoor de verzekeringnemer een vrije keuze
tussen
die zorgverzekeraars krijgt.
Vaak zal een
verzekeringsplichtige zichzelf willen verzekeren. Het is echter ook mogelijk dat iemand
anders de verzekeringsplichtige verzekert. Voor de situaties waarin dat
het geval kan zijn, en de positie die de verzekerde dan binnen de gesloten
zorgverzekering inneemt, wordt verwezen naar de toelichting op artikel
2.
Omdat derhalve niet altijd de verzekeringsplichtige de verzekeringnemer is,
is in artikel 3, eerste lid, geregeld dat "met of ten behoeve
van" in plaats
van "met" iedere verzekeringsplichtige desgevraagd een zorgverzekering wordt
gesloten.
Het eerste lid van
artikel 3 brengt met zich dat een zorgverzekeraar alle personen die in zijn
werkgebied wonen, dient te accepteren. Het werkgebied van zorgverzekeraars is
in principe heel Nederland, maar als een zorgverzekeraar minder
dan 850 000 verzekerden heeft, mag hij zijn werkgebied beperken tot één of
meer gehele provincies van Nederland (artikel 29).
In het buitenland wonende
personen die ter zake van in Nederland in dienstbetrekking
verrichte arbeid aan de loonbelasting zijn onderworpen (te denken valt onder
meer aan grensarbeiders), zijn van rechtswege AWBZ-verzekerd en
derhalve verzekeringsplichtig. Gezien het relatief geringe aantal van deze
verzekeringsplichtigen is het mogelijk commercieel onaantrekkelijk hen te
verzekeren. Om te voorkomen dat zij geen zorgverzekeraar kunnen
vinden, is in het eerste lid bepaald dat iedere rblz.|85| zorgverzekeraar in het buitenland wonende verzekeringsplichtigen moet
accepteren. Deze personen
kunnen derhalve kiezen uit alle zorgverzekeraars.
Zoals reeds in de
toelichting op artikel 1, onderdeel d, is aangegeven, kunnen zorgverzekeraars
schadeverzekeringen sluiten voor niet-verzekeringsplichtige personen. Deze
verzekeringen kunnen wat betreft de verzekerde prestaties gelijk zijn
aan de zorgverzekering; het is aan de verzekeraar en degene die zo’n
verzekering sluit om dat desgewenst af te spreken. Dergelijke
overeenkomsten dienen echter buiten de bescherming van de Zvw
- en met
name buiten het recht op een bijdrage uit het Zorgverzekeringsfonds en de
risicoverevening - te blijven. De definitie van "zorgverzekering"
in
artikel 1, onderdeel d, zorgt daar voor: een zorgverzekering kan slechts worden
gesloten voor een verzekeringsplichtige persoon. Het is daarom
niet nodig in artikel 3 te bepalen dat de zorgverzekeraar geen zorgverzekeringen
sluit met andere personen dan personen die zich op grond van de
Zvw moeten verzekeren.
Samengevat kunnen
zorgverzekeraars geen zorgverzekering sluiten voor:
- niet-verzekeringsplichtigen;
- personen die in een
andere provincie van Nederland wonen dan de provincie(s) waarover hun
werkgebied zich uitstrekt (dit kan slechts aan de orde zijn voor "kleine" verzekeraars).
Voor de beoordeling van
de vragen of de aspirant-verzekerde wel verzekeringsplichtig is en of hij in het
werkgebied van de verzekeraar woont - en dus dient te worden
geaccepteerd - heeft de zorgverzekeraar bepaalde informatie nodig. Het is
niet nodig daarvoor in voorliggende wet regels te stellen, aangezien
één
en
ander reeds afdoende wordt geregeld in afdeling 1 van titel 7.17 BW.
Artikel 7.17.1.4, eerste
lid, BW
verplicht een (aspirant-)verzekeringnemer vooraf aan de verzekeraar
alle hem betreffende feiten mee te delen die van belang zijn voor het
sluiten van de verzekeringsovereenkomst. Verzekert hij derden tegen hun
behoefte aan geneeskundige zorg, dan dient hij, indien die derden ouder
zijn dan 15 jaar, ook de relevante feiten over die derden aan de
verzekeraar te melden, zo kan op grond van het derde lid van dat artikel
worden geconcludeerd. Medische gegevens of andere kenmerken van de aspirant-verzekerden zijn voor de acceptatie niet van
belang. De verzekeraar
mag daar in het kader van de acceptatie, wil hij niet in strijd komen met
het privacyrecht, dan ook niet naar te vragen. Zoals gezegd, is echter
wel van belang dat de zorgverzekeraar de gegevens binnenkrijgt op grond
waarvan hij kan beoordelen of de aspirant-verzekerde
verzekeringsplichtig is en in zijn werkgebied woont. Gezien de tweede volzin van het
vierde lid, alsmede het zesde lid, van artikel 7.17.1.4 BW
doet een
zorgverzekeraar er verstandig aan een vragenlijst op te stellen waarin de daartoe
strekkende vragen expliciet worden gesteld, en om aanvulling te vragen
indien de aspirant-verzekeringnemer bepaalde vragen niet beantwoordt.
Het risico van afsluiten van een verzekering op basis van een onvolledig
ingevuld vragenformulier komt namelijk voor rekening van de
verzekeraar.
Indien een
zorgverzekeraar, óf omdat de (aspirant-)verzekeringnemer onjuiste informatie heeft
verschaft, óf omdat hij zelf onvoldoende heeft opgelet, een overeenkomst
heeft gesloten voor een niet-verzekeringsplichtige of een overeenkomst heeft
gesloten voor een verzekeringsplichtige die niet in zijn werkgebied woont, is een geldige verzekeringsovereenkomst
ontstaan, zij het geen
zorgverzekering. Alle zorgverzekeraars zullen dergelijke overeenkomsten
willen beëindigen, aangezien de premie die is overeengekomen veelal te
laag zal zijn. Bij het vaststellen van de premie ging de verzekeraar er
immers - naar later bleek, ten onrechte - van uit rblz.|86| dat hij een bijdrage zou
ontvangen uit het Zorgverzekeringsfonds. Ook de meeste verzekeringnemers
zullen van de verzekering af willen. De verzekeringsovereenkomst ontslaat degenen die zij verzekerd hebben
immers, nu deze geen
zorgverzekering is, niet van de plicht alsnog een zorgverzekering te
sluiten. Gevolg zal zijn dubbele premie (behalve voor kinderen jonger dan
18 jaar), maar geen dubbele uitkering (zie de toelichting op artikel 1,
onderdeel d). De artikelen 7.17.1.5 en 7.17.1.6 BW
regelen wie in welke
gevallen de verzekeringsovereenkomst mag opzeggen indien de verzekeringnemer niet aan zijn mededelingsplicht
heeft voldaan, en wat de
gevolgen zijn indien het verzekerd risico zich in de periode gelegen tussen
het sluiten van de overeenkomst en de opzegging heeft voorgedaan. Daarbij
wordt onderscheid gemaakt tussen de situatie waarin de
verzekeringnemer de zorgverzekeraar met opzet heeft misleid en andere
situaties waarin onjuiste mededelingen zijn gedaan. Indien het aan de
zorgverzekeraar te wijten is dat er een verzekering is gesloten die achteraf
geen zorgverzekering blijkt te zijn, heeft hij in principe geen opzeggingsrecht.
Echter, als gezegd, zullen veelal ook de verzekerden belang bij beëindiging
hebben, zodat in dit geval veelal met wederzijds goedvinden zal kunnen
worden beëindigd. Slechts niet-verzekeringsplichtige personen (en in theorie
ook ouders van kinderen jonger dan 18 jaar)
kunnen belang hebben bij het voortbestaan van de verzekeringsovereenkomst. Ook hier bieden de artikelen 7.17.1.5en
7.17.1.6 BW echter
uitkomst.
Tweede en
derde lid
Met
voorliggend
wetsvoorstel krijgen de zorgverzekeraars de mogelijkheid om verschillende
varianten van de zorgverzekering aan te bieden. Deze varianten kunnen
allereerst op het punt van de verzekerde prestaties van elkaar verschillen:
de zorgverzekeraar kan zelf per verzekerde vorm van zorg of daarmee
verband houdende andere dienst bepalen of hij deze levert of laat leveren
(natura) dan wel of hij de kosten daarvan vergoedt (restitutie), waarbij hij
ook mag besluiten op dit onderdeel meerdere varianten aan te bieden (artikel
11). Daarnaast kunnen deze varianten verschillen naar het
aantal zorgaanbieders waarbij de verzekerde terecht kan. Is sprake van
restitutie zonder overeenkomsten tussen de zorgverzekeraar en zorgaanbieders,
dan
zal een verzekerde een vrije keuze tussen zorgaanbieders
hebben. Heeft de zorgaanbieder daarentegen contracten met bepaalde
zorgaanbieders gesloten, dan zal de zorgverzekeraar doorgaans eisen dat de
verzekerde zijn zorg van die zorgaanbieders betrekt. De verzekeraar
mag de premie zelf vaststellen en mag deze af laten hangen van
de verhouding tussen natura en restitutie of van de mate van
keuzevrijheid, van de verzekerde, tussen zorgaanbieders (zo zal de premie indien een
verzekerde slechts naar bepaalde gecontracteerde zorgaanbieders mag gaan
- de zogenoemde "preferred providerpolis" - lager kunnen zijn dan indien de verzekerde een vrije keuze tussen
alle of tussen alle
gecontracteerde zorgaanbieders heeft). Daarnaast mag de verzekeraar besluiten
aan deelnemers van collectiviteiten een premiekorting te verstrekken (artikel
18)
en kan hij besluiten tranches eigen risico, met daartegenoverstaande
premiekortingen aan te bieden (artikelen 19 tot en met
21). Zo kan hij een
zorgverzekering aanbieden waarvan de verzekerde prestaties volledig in
natura zijn en de verzekerde bij bepaalde zorgaanbieders terecht kan, zonder eigen
risico, alsmede een zelfde naturaverzekering waarbij de verzekerde bij dezelfde zorgaanbieders terecht kan, maar dan met een
eigen risico van €|300,-. Dit zijn twee varianten
van de zorgverzekering.
Uit het tweede lid van
artikel 3 blijkt allereerst dat de zorgverzekeraar de vrijheid krijgt in de ene
provincie een andere set varianten aan te bieden dan in de andere. Aldus
kan een zorgverzekeraar - bijvoorbeeld omdat hij rblz.|87| meer dan 850 000
verzekerden heeft - besluiten in bepaalde provincies, bijvoorbeeld daar waar de
meeste van zijn verzekerden wonen, zorgaanbieders te contracteren en met
een naturastelsel te werken, en in de overige provincies
slechts verzekeringen op restitutiebasis aan te bieden, zonder dat verzekerden
daarbij naar een gecontracteerde zorgaanbieder toe hoeven te gaan. Aldus
kan de zorgverzekeraar de voor hem meest efficiënte manier van
werken kiezen.
Tegenover deze vrijheid
voor de zorgverzekeraar staat de vrijheid van de
aspirant-verzekeringnemer om uit alle varianten te kiezen die alle zorgverzekeraars in de woonprovincie van
de verzekeringsplichtige aanbieden. Ook dat volgt uit het
tweede lid. Niet alleen is hiervoor gekozen met het oog op de bevordering
van
de concurrentie tussen verzekeraars, maar ook zouden zorgverzekeraars
op risico kunnen selecteren indien zij bepaalde varianten van de
zorgverzekering zouden kunnen voorbehouden aan bepaalde groepen
verzekeringsplichtigen. Spiegelbeeld van deze keuzevrijheid van de
aspirant-verzekeringnemer is dat de verzekeraar de
verzekeringsplichtige voor alle varianten dient
te accepteren die hij in diens woonprovincie aanbiedt.
(Indien de verzekeringnemer niet dezelfde persoon is als de
verzekeringsplichtige, is de woonplaats van deze laatste, als verzekerde en
derhalve potentieel op zorg aangewezen persoon voor wie de verzekeraar
mogelijk zorg moet inkopen, bepalend).
Het tweede lid zal niet
het gewenste effect hebben indien de aspirant-verzekeringnemers niet op de hoogte
zijn
van de varianten waaruit zij kunnen kiezen. Het derde
lid van artikel 3 verplicht de zorgverzekeraars daarom hun varianten van
de zorgverzekering neer te leggen in modelovereenkomsten, waaruit de aspirant-verzekeringnemer kan kiezen. De
verzekeraar dient alle
modellen die hij in de woonprovincie van de verzekeringsplichtige aanbiedt, aan de
aspirant-verzekeringnemer ter beschikking te stellen. Aldus wordt
voorkomen dat bepaalde voor de
aspirant-verzekeringnemer
mogelijk interessante modelovereenkomsten buiten zijn blikveld komen te
vallen (bijvoorbeeld omdat de verzekeraar slechts voor andere modelovereenkomsten reclame maakt).
De wijze waarop de
modelovereenkomsten beschikbaar worden gesteld, wordt door de verzekeraar
bepaald. Een voor de hand liggende vorm is plaatsing van alle
modelovereenkomsten op een website, met toezending via de post aan degenen
die daar om vragen.
Overigens betekent het
voorgaande niet dat voor iedere variant een aparte modelovereenkomst
hoeft te worden ingericht. Voor varianten die op het punt van de
verhouding natura/restitutie van elkaar verschillen of die van elkaar
verschillen wat betreft de keuzevrijheid van de verzekerde tussen zorgaanbieders
(wel/niet beperkt tot gecontracteerde zorg) zal dit, wil één en ander voor de
verzekeringnemer voldoende transparant blijven, waarschijnlijk
niet vermeden kunnen worden. Het is echter heel goed mogelijk om in een modelovereenkomst die
- bijvoorbeeld - regelt
dat de intramurale zorg
in natura zal worden verleend en de extramurale zorg zal worden vergoed,
aan te geven dat de verzekerde niet alleen voor een dergelijk model zonder eigen risico kan kiezen, maar ook kan kiezen
voor een eigen risico van €|100,-, €|200,-, €|300,-, €|400,- of €|500,-. Aldus kan één modelovereenkomst
in wezen zes door de zorgverzekeraar aangeboden varianten bevatten.
Een modelovereenkomst is
een model voor een individuele zorgverzekering en dient daarom alle bepalingen te bevatten die op grond van het
bij of krachtens deze wet geregelde voor de zorgverzekering moeten gelden en, aangezien de
zorgpolis de schriftelijke neerslag van een gesloten zorgverzekering is, in
de
zorgpolis moeten staan. Anders gezegd: de modelovereenkomst moet
een volledig beeld geven van de rechten en rblz.|88| plichten van de
verzekeringnemer en verzekerde indien zij voor (een variant binnen) dat model
kiezen.
Het na onderhandeling met
een individuele aspirant-verzekeringnemer afsluiten van een op de
persoon van de verzekerde toegesneden verzekeringsovereenkomst is - zelfs als het
resultaat binnen de grenzen van het bij of krachtens de Zvw
geregelde zou blijven - niet toegestaan. Hiermee zou immers een voor de
overige verzekeringnemers niet kenbare verzekeringsovereenkomst
tot stand komen, hetgeen de kans op risicoselectie te veel zou vergroten. Wel
kunnen organisaties die de belangen van bepaalde groepen aspirant-verzekerden
vertegenwoordigen de verzekeraar
vragen een overeenkomst
met bepaalde kenmerken aan te gaan bieden. Doordat deze dan
in de vorm van een modelovereenkomst aan alle aspirant-verzekeringnemers in de desbetreffende
provincie(s) bekend moet worden gemaakt, zal
ook voor andere verzekerden dan de verzekerden wier belangen eerder
bedoelde organisatie behartigt vervolgens voor deze overeenkomst
kunnen worden gekozen.
Ook de personen die reeds
bij een zorgverzekeraar verzekerd zijn, dienen te kunnen profiteren van
nieuwe of gewijzigde verzekeringsproducten. De tekst van het tweede lid
leidt ertoe dat ook verzekeringnemers die reeds een zorgverzekering met
de zorgverzekeraar hebben gesloten voor een nieuwe variant in het assortiment van de zorgverzekeraar kunnen kiezen.
De laatste zinsnede van
het derde lid zorgt ervoor dat zij van nieuwe varianten of wijziging in
bestaande varianten op de hoogte worden gesteld.
Vierde lid
Is een zorgverzekering
wegens fraude door de verzekeringnemer of de verzekerde dan wel wegens
het niet betalen van de premie opgezegd of ontbonden, dan is de
zorgverzekeraar waar de zorgverzekering liep bevoegd een binnen vijf
jaar na de opzegging of ontbinding ingediend verzoek tot het sluiten
van een nieuwe zorgverzekeringsovereenkomst (volgens welke door die
verzekeraar aangeboden variant dan ook) te weigeren. De reden
hiervoor is dat in dit soort gevallen de vertrouwensrelatie tussen de zorgverzekeraar
en de betrokkene zodanig geschonden kan zijn dat het niet
realistisch is de verzekeraar te verplichten die betrokkene binnen een periode van
vijf jaar na de opzegging of de ontbinding opnieuw te accepteren. Overigens geldt het artikellid niet alleen indien de
zorgverzekeraar de
zorgverzekering wegens fraude of het niet betalen van premie heeft opgezegd,
maar ook als de verzekeringnemer dit heeft gedaan. Aldus wordt voorkomen dat een verzekeringnemer op het
moment dat hij vermoedt
dat de verzekeraar de verzekering op zal zeggen of zal ontbinden (zie
bijvoorbeeld het toekomstige artikel 7.17.1.5, eerste lid, BW), zelf snel
opzegt of ontbindt (zie het derde lid van laatstgenoemd BW-artikel en artikel
7.17.1.13, derde lid, BW) om aan de gevolgen van artikel
3, vierde lid, te
ontkomen.
De acceptatieplicht van
de andere verzekeraars blijft bestaan. Gedurende die periode zal de verzekeringsplichtige derhalve bij een andere verzekeraar
verzekerd moeten worden.
Vijfde en
zesde lid
Ook voor in het
buitenland wonende verzekeringsplichtigen dient tussen de verschillende
varianten van de zorgverzekering van een zorgverzekeraar gekozen te kunnen worden.
Zonder nadere bepaling is dat echter niet mogelijk, aangezien het
tweede en derde lid slechts gelden voor inwoners van een Nederlandse provincie die behoort tot het werkgebied van de
rblz.|89|
zorgverzekeraar. Het
vijfde lid regelt daarom dat voor hen uit alle modelovereenkomsten gekozen kan worden die de
zorgverzekeraars aanbieden, terwijl het zesde lid ervoor zorgt dat de (aspirant-)verzekeringnemer deze
keuzemogelijkheid ook
werkelijk zal kunnen benutten. Opgemerkt wordt dat met het eerste en
vijfde lid voor in het buitenland wonende personen een ruimere keuze wordt
gecreëerd dan voor in Nederland wonende verzekeringsplichtigen.
Dit valt echter niet te vermijden, aangezien andere oplossingen het risico in
zich dragen dat de regering aangesproken wordt op (mogelijke)
discriminatie van inwoners van andere EU-lidstaten.
Overigens geven de
artikelen 19 en 20 van de Europese socialezekerheidsverordening nr. 1408/71
(Vo. 1408/71)
de in een andere EU-lidstaat wonende personen soms ook de
mogelijkheid te kiezen voor de prestaties van hun woonland.
Artikel 4
(sofinummer,
vaststellen identiteit verzekerde)
Het eerste lid legt op de
aspirant-verzekeringnemer de plicht het sofinummer van de te verzekeren
persoon te melden. Op grond van artikel 85 [86]
dient de zorgverzekeraar
dit nummer ook te registreren en te verifiëren.
Het
tweede tot en met
vijfde lid leiden ertoe dat de zorgverzekeraar waar hij dat nodig acht de
identiteit van de te verzekeren persoon vaststelt.
Vijfde lid
Met de inwerkingtreding
op 1 juli 1998 van de Wet tot wijziging van de Vreemdelingenwet en enige
andere wetten teneinde de aanspraak van vreemdelingen jegens
bestuursorganen op verstrekkingen, voorzieningen, uitkeringen, ontheffingen
en vergunningen te koppelen aan het rechtmatig verblijf van de
vreemdeling in Nederland (Stb. 1998, 203) (hierna te noemen: Koppelingswet)
heeft de regering uitwerking gegeven aan het uitgangspunt dat
vreemdelingen die niet onvoorwaardelijk tot Nederland zijn toegelaten in
beginsel geen toegang hebben tot de collectieve sociale voorzieningen, waaronder
de sociale ziektekostenverzekeringen.
Op grond van dit Koppelingsbeginsel geldt als hoofdregel bij verblijf in Nederland dat
vreemdelingen die hier geen rechtmatig verblijf genieten, geen aanspraak hebben op
verstrekkingen, voorzieningen of uitkeringen.
In afzonderlijke
materiewetten, waaronder de Zfw, AWBZ
en Wtz 1998, is uitgewerkt welke concrete
aanspraken de verschillende categorieën vreemdelingen hebben. De
belangrijkste consequentie van de Koppelingswet
voor de sociale
ziektekostenverzekeringen is dat sinds juli 1998 de verzekeringsgerechtigdheid
mede afhankelijk is van de verblijfsrechtelijke status van een
betrokkene. Voor de Zvw, een sociale ziektekostenverzekering, is het koppelingsbeginsel
ook van toepassing.
Zoals hiervoor bij de
toelichting op artikel 2, eerste lid, van deze wet is aangegeven, is voor de
kring van verzekeringsplichtigen voor de Zvw aangesloten bij de kring
van verplicht verzekerden voor de AWBZ. Hierdoor is de
verzekeringsplichtigheid op grond van de Zvw voor vreemdelingen beperkt tot degenen die
hier verblijven op grond van een besluit tot toelating op grond van de
Vreemdelingenwet of op grond van toelating als EU of EER-onderdaan
dan wel vreemdelingen die verblijfsrecht ontlenen aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije.
Artikel
4, vijfde lid,
van de Zvw regelt dat een zorgverzekeraar indien hem wordt verzocht voor een
vreemdeling een zorgverzekering te sluiten, een kopie vraagt van het
document of de schriftelijke verklaring, bedoeld in artikel 9, eerste lid,
van de Vreemdelingenwet
2000. Deze kopie kan hij gebruiken bij de vaststelling van de verzekeringsplicht.
rblz.|90|
Voor vaststelling van de
verzekeringsgerechtigdheid voor de verplichte verzekering ingevolge de AWBZ
is een AWBZ-uitvoeringsorgaan gehouden te controleren of de
desbetreffende persoon rechtmatig in Nederland verblijft. Degene die
ingevolge de AWBZ verplicht verzekerd is, is verzekeringsplichtig voor de
Zorgverzekeringswet. Is een zorgverzekeraar tevens uitvoeringsorgaan voor de
AWBZ, dan kan hij beide controles combineren. In de uitvoeringspraktijk
is geregeld dat met betrekking tot de controle van rechtmatig verblijf van EU- of EER-onderdanen een
AWBZ-uitvoeringsorgaan
overigens (in eerste
instantie) kan worden volstaan met het opvragen van een
kopie van het paspoort of van de Europese identiteitskaart. Deze lijn zal
worden
doorgetrokken bij de Zorgverzekeringswet.
Vreemdelingen die niet in
Nederland wonen, doch die ter zake van in Nederland in
dienstbetrekking verrichte arbeid aan de Nederlandse loonbelasting zijn onderworpen, zijn op
die grond AWBZ-verzekerde en daarom verzekeringsplichtig voor de
Zvw. Deze zogeheten grensarbeiders
hebben ingevolge het Vreemdelingenbesluit
2000 geen verblijfsvergunning voor bepaalde tijd nodig.
Daarom is het bepaalde in artikel 4, vijfde lid, van de
Zvw niet op hen
van toepassing.
§ 2.3. Begin en
einde van de zorgverzekering
Artikel 5 (ingangsdatum
van de zorgverzekering)
Eerste en tweede lid
De zorgverzekering gaat
in principe in op de dag waarop de zorgverzekeraar het verzoek ontvangt een
zorgverzekering te sluiten. Indien de zorgverzekeraar in de woonprovincie van
de aspirant-verzekerde meerdere varianten van de
zorgverzekering aanbiedt of indien de aspirant-verzekerde in het buitenland
woont
en de zorgverzekeraar meer dan één variant aanbiedt, zal de
aspirant-verzekeringnemer hem ook kenbaar moeten maken welke variant hij
kiest.
Vaak zal het verzoek
vergezeld gaan van een ingevulde vragenlijst. Zijn de vragen naar het oordeel
van de zorgverzekeraar voldoende beantwoord, dan gaat de
zorgverzekering in met ingang van de dag waarop het verzoek is ontvangen. Het risico
van een trage afhandeling van het verzoek komt aldus bij de zorgverzekeraar te berusten. Voor de verzekerde is dit van
belang, omdat tijdig
gesloten zorgverzekeringen terugwerken (zie hierna), terwijl te laat
afgesloten zorgverzekeringen tot een boete leiden. Gaat het verzoek niet vergezeld
van een ingevulde vragenlijst of zijn de vragen naar de mening van de
zorgverzekeraar zo onvolledig beantwoord dat hij niet kan vaststellen of
de te verzekeren persoon verzekeringsplichtig is of binnen zijn werkgebied
woont, dan kan hij de verzekeringnemer om aanvulling vragen. De
zorgverzekering gaat dan pas in op het moment waarop de zorgverzekeraar
de noodzakelijke aanvullende informatie heeft ontvangen.
De vraag zou kunnen
worden gesteld of de zorgverzekering ook ingaat indien de zorgverzekeraar
op basis van de antwoorden op zijn vragen tot de conclusie komt dat
betrokkene niet verzekerd kan worden. Dat is niet het geval. Uit artikel 3
volgt in welke gevallen een zorgverzekeraar geen zorgverzekering kan
afsluiten. Als geen zorgverzekering kan worden afgesloten, kan deze ook niet op een
ingevolge artikel 5 bepaalde datum ingaan.
Derde lid
Omdat de datum waarop het
verzoek een verzekering te sluiten, respectievelijk rblz.|91| de datum waarop (voldoende) nadere gegevens ontvangen zijn,
bepalend is voor de datum
met ingang waarvan de verzekering ingaat, schrijft het derde lid de
zorgverzekeraar voor de ontvangst van het verzoek respectievelijk
van de nadere gegevens onverwijld te bevestigen, onder vermelding van de
datum van ontvangst. Een verzekeringnemer die enkele dagen na
verzending van zijn verzoek of van de nadere gegevens niets van zijn
zorgverzekeraar hoort, doet er verstandig aan bij de zorgverzekeraar te informeren
of zijn
documenten wel zijn ontvangen.
De ontvangstbevestigingen
zeggen niets over de vraag óf de verzekering tot stand komt. Daarvoor
zijn het eerste en tweede lid bepalend. Komt de zorgverzekering echter
tot stand, dan kan de ontvangstbevestiging dienen als bewijsmiddel voor de
datum met ingang waarvan deze tot stand is gekomen. Daarnaast laat artikel
5, derde lid, uiteraard onverlet dat de
zorgverzekeraar de
informatie op het bewijs vrijwillig uit kan breiden. Zou hij op het bewijs,
bedoeld in artikel 5, derde lid, onderdeel a, bijvoorbeeld vermelden dat hij
weliswaar een verzoek heeft ontvangen, maar dat hij de aspirant-verzekeringnemer
om nadere informatie heeft gevraagd, dan kan de
aspirant-verzekeringnemer daaruit afleiden dat de verzekering nog niet tot stand
is gekomen.
Vierde lid
Het vierde lid ziet op de
situatie waarin een verzekeringnemer aansluitend op het einde van een oude
zorgverzekering een nieuwe zorgverzekering wenst te sluiten. Het
verzoek hiertoe zal hij veelal doen op een moment waarop de oude
zorgverzekering nog niet is afgelopen (hij dient de zorgverzekeringen immers,
indien hij een
boete wegens te laat verzekeren wenst te voorkomen, op
elkaar aan te laten sluiten). Om een periode van dubbele verzekering (en
derhalve dubbele premiebetaling) te voorkomen, geeft het vierde lid hem
de mogelijkheid de verzekering in te laten gaan op een door hem te
bepalen latere datum dan de datum waarop hij de zorgverzekeraar verzoekt
een zorgverzekering te sluiten.
Vijfde lid
Het vijfde lid bepaalt
dat zorgverzekeringen afgesloten binnen vier maanden na het ontstaan
van de verzekeringsplicht terugwerken tot en met de dag waarop die
verzekeringsplicht ontstond. Dit heeft twee gevolgen: ten eerste is
de verzekeringnemer tot en met laatstbedoelde dag premie verschuldigd
en ten tweede is hij tot en met die dag verzekerd. Heeft een verzekerde in
de periode waarover de zorgverzekering terugwerkt derhalve zorg
of overige diensten genoten die tot het krachtens de zorgverzekering te
verzekeren pakket behoren, dan bestaat jegens zijn zorgverzekeraar
recht op vergoeding van die kosten.
Het sociale karakter van
de zorgverzekering brengt met zich dat dit zelfs geldt indien een
verzekeringnemer op het moment waarop hij een zorgverzekeraar verzoekt een
zorgverzekering te sluiten reeds weet dat over de periode waarover de
verzekering moet terugwerken te vergoeden zorgkosten zijn gemaakt.
Dit is bijvoorbeeld voor ouders met kinderen die al bij de geboorte op
zorg zijn aangewezen van belang. In juridische zin werpt deze terugwerkende
kracht echter wel de vraag op of, indien op het moment van het sluiten
van de verzekering reeds duidelijk is dat met terugwerkende kracht
recht op een verzekerde prestatie bestaat, er over die periode nog wel
sprake is van een verzekeringsovereenkomst. Het voor een verzekeringsovereenkomst kenmerkende element van onzekerheid
ontbreekt over die
periode immers in ieder geval voor zover het die prestatie betreft.
Artikel 7.17.1.1, eerste lid, BW
waarin het begrip "verzekering"
in het algemeen wordt
gedefinieerd, sluit terugwerkende kracht op zich niet uit, mits op
het moment van het sluiten van de verzekering rblz.|92| nog onzekerheid bestaat
of over de periode waarover de verzekering terugwerkt, moet worden
uitgekeerd. De regering is van mening dat het feit dat artikel
5,
vijfde lid, de zorgverzekeraar verplicht ook reeds op het moment van het sluiten
van de zorgverzekering bekende, over de periode waarover deze terugwerkt
opgekomen zorgbehoeften te dekken, in casu in het geheel van de verzekering van dusdanig ondergeschikt belang
is dat
deze niet aan het
verzekeringskarakter van de zorgverzekering afdoet. De clausule "zo
nodig in
afwijking van artikel 7.17.1.1, eerste lid, van Boek
7 BW" brengt dit tot
uitdrukking.
Verzekeringsplichtigen
die later dan vier maanden na het ontstaan van de verzekeringsplicht
verzekerd worden of die een nieuwe zorgverzekering niet laten aansluiten op
een oude, krijgen op grond van artikel 95 [96]
een boete over de periode
gelegen tussen het ontstaan van de verzekeringsplicht respectievelijk het einde
van de eerdere zorgverzekering en de datum waarop hun (nieuwe)
zorgverzekering ingaat. Hun zorgverzekering werkt niet terug, zodat
zij over eerder bedoelde periode niet - althans, niet op grond van een zorgverzekering
- verzekerd zijn geweest.
Artikelen 6 tot en met 8
De
artikelen 6 tot en met
8 bevatten regels over het eindigen van de zorgverzekering. Omdat de zorgverzekering
een bijzondere vorm van schadeverzekering is en slechts in bij of
krachtens de Zvw omschreven gevallen gesloten kan worden, is
het noodzakelijk om ook bij of krachtens de Zvw te omschrijven wanneer
deze verzekeringen (in ieder geval) eindigen. Artikel 6 voorziet hier
in. Artikel 7 bepaalt in welke gevallen de verzekerde (in ieder geval) de
mogelijkheid heeft om de zorgverzekering op te zeggen. (Naast deze
mogelijkheden kennen ook het BW
en de Wtv
1993 nog
opzeggingsmogelijkheden; zie daarover de toelichting op artikel
6). Artikel 8 leidt ertoe dat
een zorgverzekeraar bij het uitblijven van premiebetaling de zorgverzekering
slechts voor de toekomst mag ontbinden.
De
artikelen 6 tot en met
8 sluiten niet uit dat de zorgverzekeraar en de verzekeringnemer in hun
zorgverzekering nog andere opzeggings- of ontbindingsmogelijkheden
opnemen.
Op dergelijke andere opzeggings- of ontbindingsmogelijkheden zijn dan wel de artikelen
7.17.1.10, 7.17.1.12a en 7.17.1.13, eerste, derde, vierde en vijfde lid,
BW van
toepassing. Deze artikelen bepalen, kort gezegd, dat:
- het niet betalen van
de vervolgpremie pas kan leiden tot beëindiging of schorsing van de verzekeringsovereenkomst of de
dekking indien
de verzekeringnemer na de
premievervaldag tot betaling is aangemaand (onder vermelding van de
gevolgen van het verder uitblijven van de betaling) en
desondanks niet binnen veertien dagen na die aanmaning heeft betaald (artikel
7.17.1.10);
- bij tussentijdse
opzegging de lopende premie naar billijkheid wordt verminderd (artikel
7.17.1.12a);
- bij opzegging tegen
het einde van een verzekeringsperiode teneinde verlenging van de
overeenkomst te verhinderen, een opzegtermijn van twee maanden in acht
wordt genomen (artikel 7.17.1.13, eerste lid). Dit artikel heeft slechts
gevolg voor het geval de zorgverzekeraar zich deze opzeggingsmogelijkheid
zou voorbehouden, nu de opzegging tegen het einde van een
kalenderjaar voor de verzekeringnemer wordt geregeld in artikel
7, eerste lid,
van voorliggend wetsvoorstel;
- indien de
zorgverzekeraar een tussentijdse opzeggingsmogelijkheid heeft bedongen, de
verzekeringnemer een gelijke bevoegdheid toekomt. Daarbij wordt,
tenzij de verzekeringnemer heeft gehandeld met de opzet tot
misleiding, een termijn van twee maanden in acht genomen (artikel 7.17.1.13,
derde lid);
- indien de
zorgverzekeraar de voorwaarden van de zorgverzekering ten rblz.|93| nadele van de
verzekeringnemer of de verzekerde wijzigt, de verzekeringnemer
gerechtigd is de overeenkomst op te zeggen tegen de dag waarop de
wijziging ingaat, en in ieder geval gedurende één maand nadat de wijziging
hem is meegedeeld (artikel 7.17.1.13, vierde lid). Artikel
7, derde
lid, van voorliggend wetsvoorstel, regelt echter enkele afwijkingen op dit
artikellid;
- een verzekeraar een
persoonsverzekering - en de uit de Zvw
voortvloeiende verzekering is zo’n
verzekering! - niet kan beëindigen of wijzigen op grond van
verzwaring van gezondheidsrisico van de verzekerde (7.17.1.13, vijfde lid).
Artikel 7.17.1.13, tweede
lid, BW kan, gezien artikel 7, eerste lid, Zvw, op de zorgverzekering niet
van toepassing zijn. Van de artikelen 7.17.1.12a en 7.17.1.13 BW
mag niet ten
nadele van de verzekeringnemer of verzekerde worden afgeweken, zo
volgt uit artikel 7.17.1.16 BW.
Het voorgaande betekent
onder andere dat de zorgverzekeraar die zijn verzekerden een goed
overzicht van hun opzeggingsmogelijkheden wil geven, ook de inhoud van
artikel 7.17.1.13, vierde lid, BW
in de modelovereenkomst, in de zorgverzekering en
derhalve in de zorgpolis zal opnemen (voor zover daar
althans niet in artikel 7, derde lid, van wordt afgeweken; waar dit
laatste het geval is, zal in de zorgpolis, op straffe van verlies van het karakter
van zorgverzekering, de inhoud van laatstgenoemd artikellid moeten worden
weergegeven).
Wat betreft de wijze van
opzeggen of ontbinden van de overeenkomst: gaat het initiatief uit
van de zorgverzekeraar, dan dient dit schriftelijk te gebeuren. Dat volgt uit
artikel 7.17.1.9, eerste volzin, BW. De wijze waarop de verzekeringnemer kan
opzeggen of ontbinden, wordt in de Zvw niet geregeld. Het staat de zorgverzekeraar derhalve vrij hier desgewenst zelf
iets over in de
modelovereenkomst en daarmee ook in de zorgverzekering en in de zorgpolis op te
nemen.
Artikel 6
(einde van
rechtswege van de zorgverzekering)
Eerste en tweede lid
In
artikel 6, eerste en
tweede lid, worden de gevallen geregeld waarin de zorgverzekering van
rechtswege eindigt. De eerste twee onderdelen van het eerste lid betreffen
het eindigen tengevolge van wijzigingen in de sfeer van de
zorgverzekeraar, de laatste twee leden van het eerste lid alsmede het tweede lid
het eindigen tengevolge van wijzigingen in de sfeer van de verzekerde.
Onderdeel
a bepaalt dat
de zorgverzekering van rechtswege eindigt indien een vergunning tot het uitoefenen van het schadeverzekeringsbedrijf
wordt ingetrokken of
zodanig wordt gewijzigd dat de verzekeraar geen zorgverzekeringen meer
mag aanbieden of uitvoeren. De zorgverzekering is immers een bijzondere
vorm van een schadeverzekering en de richtlijnen schadeverzekeringen
(zoals voor in Nederland zetelende verzekeraars geïmplementeerd in
artikel 24, eerste lid, Wtv
1993) brengen met zich dat het directe verzekeringsbedrijf zonder een vergunning voor de
branches waarin de
verzekeraar werkzaam wil zijn niet mag worden uitgeoefend. Overigens
zullen zorgverzekeraars wier vergunning wordt ingetrokken of zodanig wordt
gewijzigd dat zij geen zorgverzekeringen
meer mogen aanbieden in
de praktijk veelal hun rechten en plichten uit de zorgverzekering, met
inachtneming van hetgeen daarover bij of krachtens hoofdstuk V van de Wtv
1993 is bepaald, voordien aan een andere zorgverzekeraar overdragen. In dat geval
eindigt de zorgverzekering niet, maar loopt hij bij de
zorgverzekeraar waaraan is overgedragen verder, tenzij de rblz.|94| verzekeringnemer gebruik
heeft gemaakt van zijn in artikel 123 Wtv
1993 geregelde
opzeggingsmogelijkheid.
In
artikel 29 is geregeld
dat een zorgverzekeraar die minder dan 850 000 verzekerden heeft zijn
werkterrein kan beperken tot één of meer gehele provincies van Nederland.
Zo’n zorgverzekeraar kan besluiten zijn werkterrein te verplaatsen of te
verkleinen. Daarnaast is het mogelijk dat een zorgverzekeraar die
gezien zijn grootte in eerste instantie landelijk moest werken, besluit op
provinciaal niveau te gaan werken nadat zijn verzekerdenaantal beneden de 850 000 is
gedaald. In beide gevallen kan het gebeuren dat verzekerden buiten het werkgebied van de verzekeraar
komen te wonen.
Zorgverzekeringen gesloten voor verzekerden die in de provincie(s) wonen waar
de verzekeraar besluit niet meer te werken, zullen van rechtswege
komen te vervallen met ingang van de dag volgende op de dag waarop
het werkterrein wordt gewijzigd (onderdeel b).
Uiteraard eindigt de
zorgverzekering de dag na de dag waarop de verzekerde overlijdt (onderdeel
c).
Door het overlijden komt immers de verzekerde persoon aan de
zorgverzekering te ontbreken. Premies betaald voor periodes na het eindigen
van de verzekering dient de zorgverzekeraar als onverschuldigd betaald
terug te storten, met dien verstande dat hij op grond van artikel
7.17.1.12, eerste lid, BW
een billijk bedrag voor administratiekosten mag aftrekken. Overigens
eindigt de zorgverzekering niet van rechtswege indien de verzekeringnemer een ander is dan de verzekerde
en niet de verzekerde,
maar de verzekeringnemer overlijdt. Indien een gezin door één van
de ouders is verzekerd, zou dat namelijk het ongewenste gevolg hebben dat de
verzekering van de partner en kinderen zou eindigen zodra de ouder
die verzekeringnemer was, zou overlijden. De positie van de
verzekeringnemer zal in dit geval doorgaans overgaan op de partner. Dit laat
onverlet dat verzekeringnemer en verzekeraar wel zelf kunnen afspreken dat de
verzekeringsovereenkomst bij overlijden van de verzekeringnemer eindigt.
Onderdeel
d, ten slotte,
bepaalt dat de zorgverzekering eindigt met ingang van de dag waarop de verzekerde niet meer verzekeringsplichtig is. Dit is
bijvoorbeeld het geval
indien hij buiten Nederland gaat wonen, zonder alhier in
dienstbetrekking te blijven werken.
Tweede lid
Ook indien een
verzekerde, zonder dat zijn verzekeringsplicht eindigt, gaat wonen in een provincie
waar zijn zorgverzekeraar de voor die verzekerde gesloten variant van de
zorgverzekering niet aanbiedt of uitvoert, eindigt die zorgverzekering van
rechtswege, zo bepaalt het tweede lid. Dit lid kan in twee soorten gevallen
van toepassing zijn. Allereerst is het mogelijk dat de verzekerde verhuist
naar een provincie waarin zijn verzekeraar in het geheel niet werkzaam is.
In artikel 29 is immers neergelegd dat een zorgverzekeraar met minder dan 850 000
verzekerden zijn werkgebied mag beperken tot één of
meerdere provincies. Indien een bij zo’n zorgverzekeraar verzekerde verhuist naar
een provincie waar zijn verzekeraar niet werkt, zal hij zich bij
een andere zorgverzekeraar moeten (laten) verzekeren. Daarnaast is het mogelijk
dat een verzekerde verhuist naar een provincie waarin zijn
zorgverzekeraar wél werkt, maar niet de verzekeringsvariant aanbiedt of uitvoert die
voor de verzekerde gesloten is. In dat geval kan met dezelfde
zorgverzekeraar een nieuwe zorgverzekering - naar een variant die hij
wél in de nieuwe woonprovincie van de verzekerde aanbiedt - worden
gesloten, maar natuurlijk kan ook besloten worden naar een andere
zorgverzekeraar over te stappen.
rblz.|95|
Het
gaat te ver om te
bepalen dat in de hier genoemde gevallen de zorgverzekering eindigt met ingang van
de
dag volgende op de dag van verhuizing. Soms wordt er
plotseling verhuisd, en dan dient de verzekeringnemer daarna enige tijd te
worden gegund om een nieuwe zorgverzekeraar te zoeken. Met het oog
daarop bepaalt het tweede lid dat de zorgverzekering bij
verhuizing eindigt met ingang van de eerste dag van de tweede maand volgende
op de dag van verhuizing. Dit staat er overigens niet aan in de weg dat
de verzekeraar in zijn polis de mogelijkheid voor de verzekeringnemer
opneemt om eerder op te zeggen, bijvoorbeeld met ingang van de dag van
verhuizing.
Omdat
verzekeraar al zijn
verzekeringsvarianten aan in het buitenland wonende
verzekeringsplichtigen dient aan te bieden (artikel
3, eerste en vijfde lid), eindigt de
zorgverzekering niet van rechtswege indien de verzekerde naar het buitenland
verhuist, mits hij verzekeringsplichtig blijft.
Derde lid
Het is van belang dat de
verzekeringnemer tijdig op de hoogte wordt gesteld van het naderende
einde van de zorgverzekering op grond van de in onderdeel a of b
genoemde redenen. Voor de verzekerde zal immers aansluitend een nieuwe
zorgverzekering met een andere zorgverzekeraar moeten worden afgesloten.
Met het oog hierop legt het tweede lid de zorgverzekeraar de plicht
op de verzekeringnemer van het einde van de zorgverzekering op de
hoogte te stellen, en wel uiterlijk twee maanden voor dat einde. Gezien
het belang van de zorgverzekering dient de zorgverzekeraar iedere verzekeringnemer
persoonlijk op de hoogte te stellen. De zorgverzekeraar kan
dus niet volstaan met een algemene mededeling in dagbladen,
tijdschriften of op een website. Het niet nakomen van de in het derde lid geregelde
verplichting maakt de zorgverzekeraar (onderdeel b) dan wel de
overblijvende verzekeraar of een eventuele rechtsopvolger (onderdeel a) jegens de
verzekeringnemer of de verzekerde schadeplichtig wegens het niet nakomen
van een (door de wet voorgeschreven) contractuele verplichting (artikel 6:74
BW; de inhoud van artikel 6, tweede lid, dient immers in de
zorgverzekeringsovereenkomst te zijn verwerkt). Indien derhalve de
zorgverzekering van rechtswege is geëindigd zonder dat de verzekeringnemer daarvan
tijdig op de hoogte is gesteld en de verzekerde daarna zorg nodig heeft
gehad, kunnen de kosten daarvan op de zorgverzekeraar of diens rechtsopvolger
worden verhaald. Slechts indien de zorgverzekeraar failliet
is gegaan, is dit niet mogelijk. Faillissement zal echter, gezien de uit de
Wtv
1993 voortvloeiende solvabiliteitseisen en het toezicht van de PVK,
nauwelijks voorkomen.
Vierde lid
De in het eerste lid,
onderdeel c en d, en in het tweede lid genoemde gronden voor het einde
van de zorgverzekering liggen in de sfeer van de verzekerde. Omdat de
verzekeringnemer de wederpartij is van de zorgverzekeraar, dient deze dergelijke
wijzigingen tijdig aan de zorgverzekeraar mede te delen. (Heeft een werkgever zijn werknemers verzekerd, dan
zal hij derhalve van die
werknemers dienen te verlangen dat zij een verhuizing aan hem opgeven). Hij dient dit zowel uit eigen initiatief te
doen als op basis van
een verzoek daartoe van zijn zorgverzekeraar.
Overigens zal de
mededelingsplicht van de verzekeringnemer ter zake van het overlijden van de
verzekerde natuurlijk alleen dan vervuld kunnen worden indien de
verzekeringnemer een ander dan de verzekerde was. Was de verzekeringnemer
tevens de - overleden - verzekerde, dan zullen de nabestaanden de
melding doen. Omdat zij geen belang bij voortzetting van de verzekering hebben
zodat zij altijd wel snel zullen melden, is afgezien rblz.|96| van het regelen van
een afzonderlijke mededelingsplicht voor nabestaanden.
Het niet voldoen aan de
in het derde lid geregelde verplichting maakt de verzekeringnemer
schadeplichtig. Overigens is het uiteraard wel wenselijk dat de zorgverzekeraar in
de zorgpolis een indicatie geeft van de feiten en omstandigheden die tot
het van rechtswege eindigen van de verzekering kunnen leiden en dus gemeld moeten worden.
Vijfde lid
Soms zal de
verzekeringnemer, gezien de inhoud van de gegevens die hij op grond van het vierde
lid doorgeeft (bijvoorbeeld het overlijden van de verzekerde, of een
verhuizing), wel weten dat de zorgverzekering geëindigd is of zal eindigen. Dit
hoeft echter niet altijd het geval te zijn. Een verzekeringnemer kan een
verhuizing doorgeven zonder dat hij weet of hij hiermee buiten het
werkgebied van zijn zorgverzekeraar komt te wonen. En het is, gezien de
complexiteit van de uit internationale regelgeving voortvloeiende regels,
heel goed mogelijk dat een verzekeringnemer wijziging in zijn
omstandigheden doorgeeft zonder dat hij weet of dat tot het eindigen van de
verzekeringsplicht leidt. Daarom dient de zorgverzekeraar zodra hij een mededeling
als bedoeld in het vierde lid binnenkrijgt, na te gaan of dit tot het
van rechtswege eindigen van de zorgverzekering leidt. Zo ja, dan meldt
de zorgverzekeraar dit onverwijld aan de verzekeringnemer, onder vermelding van de
reden daarvan en de datum waarop de verzekering eindigt.
Artikel 7
(wettelijke
opzeggingsmogelijkheden van de verzekeringnemer)
Eerste lid
Het wetsvoorstel laat in
het midden of de zorgverzekering een overeenkomst voor bepaalde of
onbepaalde tijd is. (De huidige particuliere ziektekostenverzekeraars
sluiten overeenkomsten voor bepaalde tijd, die steeds stilzwijgend met
één jaar worden verlengd). Of de zorgverzekering nu een overeenkomst voor
onbepaalde tijd is of voor bepaalde tijd, steeds heeft de verzekerde het
recht tegen het eind van ieder kalenderjaar op te zeggen. Artikel
7, eerste
lid, lijkt hetzelfde te regelen als artikel 7.17.1.13, eerste lid, BW, maar dat
is niet zo. Artikel 7.17.1.13, eerste lid, BW
regelt wat geldt indien de
mogelijkheid tot opzegging tegen het einde van een verzekeringsperiode is
overeengekomen, teneinde (automatische) verlenging te verhinderen. Artikel
7, eerste lid, gaat verder: het regelt dat de verzekeringnemer het
recht heeft om tegen het einde van zo’n periode op te zeggen, waarbij de
periode op een kalenderjaar wordt bepaald. De mogelijkheid om tegen het
eind van ieder kalenderjaar op te zeggen in combinatie met de in
artikel 3 geregelde acceptatieplicht, zal er overigens in de praktijk toe leiden
dat zorgverzekeraars die meerdere varianten van de zorgverzekering
aanbieden hun verzekeringnemers de mogelijkheid geven de zorgverzekering
met ingang van het begin van ieder kalenderjaar in een andere variant om
te zetten. Aldus zal een formele opzegging met vervolgens een nieuwe
acceptatie (maar dan voor een andere variant) bij dezelfde
zorgverzekeraar voorkomen kunnen worden.
Tweede, vierde en
vijfde
lid
Zoals in de
toelichting
op artikel 2 is aangegeven, kan het voorkomen dat een verzekeringsplichtige
die met zijn medeweten door een ander verzekerd is later voor zichzelf
een verzekering wenst af te sluiten (dan wel zich door een ander dan de
bestaande verzekeringnemer wenst te laten verzekeren). rblz.|97| Te denken valt
aan gevallen van echtscheiding, het uit huis gaan van kinderen of, indien
een werkgever zijn werknemers heeft verzekerd, het eindigen van de
dienstbetrekking. De verzekeringsplichtige kan er altijd voor kiezen zelf
een zorgverzekering te (laten) afsluiten. Indien zijn oorspronkelijke
verzekering doorloopt, zal hij vervolgens tweemaal verzekerd zijn. Deze wet verbiedt
dubbele verzekering van dezelfde verzekerde niet. Verzekert de verzekeringsplichtige zich opnieuw of laat hij dat doen,
dan verschaft dit zijn
oorspronkelijke verzekeringnemer echter wel een opzeggingsbevoegdheid, zo
bepaalt artikel 7, tweede lid. Voor die oorspronkelijke
verzekeringnemer is dit van belang, omdat hij anders de premie moet blijven
doorbetalen terwijl in de praktijk waarschijnlijk zelden aanspraak op de door hem
gesloten zorgverzekering zal worden gedaan. De verzekerde zal immers
de neiging hebben de nieuwe zorgverzekeraar aan te spreken. En voor de zorgverzekeraars is dit van belang, omdat zij
anders de kosten (artikel 7.17.2.24a, derde lid, BW) en de voor de verzekerde geldende
vereveningsbijdrage zullen moeten delen.
Constateert het CVZ
dat
een verzekerde meerdere malen verzekerd is, dan zal het de betrokken
verzekeraars daarvan op de hoogte brengen (artikel
35, vierde lid). Deze kunnen
vervolgens de oorspronkelijke verzekeringnemer op de hoogte brengen van
het feit dat zijn verzekerde inmiddels nogmaals verzekerd is en
hem wijzen op zijn opzeggingsmogelijkheid.
Artikel
7, tweede lid,
geeft de oorspronkelijke verzekeringnemer de mogelijkheid de zorgverzekering op te
zeggen indien de verzekerde een andere zorgverzekering heeft. In
de praktijk zal een verzekeringnemer echter bij het opzeggen veelal niet
afhankelijk willen zijn van het moment waarop zijn verzekerde zich opnieuw verzekert of laat verzekeren. Heeft de ene
partner de andere
verzekerd en komt het tot een echtscheiding, dan zal de verzekeringnemer
waarschijnlijk niet willen doorbetalen totdat zijn ex-partner opnieuw
verzekerd is. En een werkgever zal niet willen doorbetalen totdat zijn ex-werknemer
opnieuw verzekerd is. Bij een kind dat uit huis gaat, zal de
situatie echter weer anders liggen en is de ouder-verzekeringnemer mogelijk bereid in ieder
geval door te betalen tot het eind van het kalenderjaar. Het is
niet mogelijk om bij wet alle gevallen te regelen waarin de
verzekeringnemer die een ander heeft verzekerd, mag opzeggen indien in zijn relatie
tot de verzekerde wijzigingen optreden of deze relatie geheel vervalt.
Het is derhalve aan de verzekeraar om hier desgewenst clausules voor op te
stellen. Artikel 7, tweede lid, regelt slechts dat de oorspronkelijke
verzekeringnemer het contract in ieder geval kan opzeggen indien de
verzekerde een nieuwe zorgverzekering krijgt. De dag met ingang waarvan kan
worden opgezegd, is de dag waarop de nieuwe zorgverzekering ingaat,
indien de opzegging voor die ingangsdatum bij de zorgverzekeraar binnen is
(vijfde lid). In andere gevallen (bijvoorbeeld indien de
verzekeringnemer pas van de tweede verzekering op de hoogte komt nadat deze reeds
gesloten is) is de dag waarop de eerste verzekering eindigt gelijk aan de
eerste dag van de tweede maand volgende op de opzegging (vierde lid). Daarnaast kan de verzekeringnemer uiteraard,
tegen de daar genoemde
data, gebruik maken van de andere wettelijke opzegmogelijkheden.
Derde en vierde lid
Artikel 7.17.1.13, vierde
lid, BW bepaalt: "Indien de verzekeraar de voorwaarden van de overeenkomst ten
nadele van de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde
wijzigt, is de verzekeringnemer gerechtigd de overeenkomst op te zeggen
tegen de dag waarop de wijziging ingaat, en in ieder geval gedurende
één maand nadat de wijziging hem is meegedeeld." Van dit lid kan niet
ten nadele van de verzekeringnemer of verzekerde worden afgeweken (artikel
7.17.1.16, derde lid BW). Dit artikel is, met twee in artikel
7, derde
lid, opgenomen afwijkingen, ook van toepassing rblz.|98| op de zorgverzekering. De
eerste afwijking betreft het regelen van een andere opzegtermijn, voor
het geval de grondslag van de premie - en daarmee ook onmiddellijk
de werkelijk te betalen premie; zie artikel 17
- wordt verhoogd. Artikel
7.17.1.13, vierde lid, BW
sluit niet uit dat een wijziging ten nadele van
de verzekeringnemer - waaronder een premieverhoging valt - uiterlijk op de
datum waarop deze ingaat aan de verzekeringnemer wordt
medegedeeld. In dat geval kan de verzekerde nog gedurende één maand
daarna opzeggen. De regering acht zowel de mogelijkheid van een zo
late mededeling als een zo korte opzegtermijn ongewenst. In artikel
17,
zevende lid, staat dat wijzigingen in de grondslag van de premie niet eerder
in werking treden dan met ingang van de eerste dag van de tweede kalendermaand volgende op de maand waarin deze
aan de verzekeringnemers
is medegedeeld. Dat artikel verplicht de zorgverzekeraar dus al om
premieverhogingen ruim van te voren bekend te maken. In aansluiting
hierop is in artikel 7, derde lid, onderdeel a, juncto het vierde lid, geregeld
dat de verzekeringnemer in de periode tussen de mededeling en de
inwerkingtreding van de verhoging kan opzeggen, en wel met ingang van de
eerste dag van de tweede kalendermaand volgende op de dag waarop de verzekerde opzegt.
De tweede afwijking van
artikel 7.17.1.13, vierde lid, BW
betreft beperkingen in het verzekerde pakket.
Indien deze louter het gevolg zijn van overheidsingrijpen, heeft
de verzekerde geen opzeggingsrecht. Een dergelijk recht zou ook niet zoveel
zin hebben, daar alle zorgverzekeraars naar aanleiding van dergelijke
regelgeving hun pakket zullen moeten beperken.
Artikel 8 (beperking
ontbindings- en opzeggingsmogelijkheden zorgverzekeraar)
Eerste lid
De belangrijkste
verplichting die voor de verzekeringnemer uit de zorgverzekering voortvloeit, is het
tijdig betalen van de premie. Als een verzekeringnemer een
vervolgpremie niet heeft voldaan, kan de zorgverzekeraar, indien hij zich deze
mogelijkheid in de zorgverzekering heeft voorbehouden, zijn
plichten uit de overeenkomst (het leveren van de verzekerde prestatie
indien het verzekerde risico zich voordoet) opschorten of de overeenkomst
opzeggen of ontbinden.
Ontbinding heeft geen
terugwerkende kracht (artikel 6:259 BW), maar partijen dienen de over
en weer ontvangen prestaties wel ongedaan te maken (artikel 6:271 BW).
Het spreekt voor zich dat deze ongedaanmakingsplicht bij het ontbinden van
zorgverzekeringen ongewenst is: zij zou betekenen dat verzekerde de waarde
van de hem verleende zorg aan de zorgverzekeraar zou moeten terugbetalen
en dat de zorgverzekeraar de premies - voor zover in
het verleden wél betaald - zou moeten restitueren. Hoewel beargumenteerd zou
kunnen worden dat in dit geval artikel 6:265 BW
reeds met
zich brengt dat slechts gedeeltelijke ontbinding (namelijk slechts voor de
toekomst) gerechtvaardigd is, wordt, gezien het grote belang ervan voor
de verzekeringnemer en de verzekerde, in artikel 8 toch met zoveel woorden
geregeld dat wegens het niet betalen van premies de
zorgverzekering slechts voor de toekomst kan worden ontbonden. Dit betekent derhalve dat
de overeenkomst om eerdergenoemde reden slechts
gedeeltelijk kan worden ontbonden, dat de verzekeringnemer gehouden blijft de
achterstallige premies over de periode dat de zorgverzekering nog
bestond alsnog te voldoen en dat de zorgverzekeraar zorgkosten over die
periode - behalve eventueel over de in de volgende alinea bedoelde periode
- alsnog zal moeten vergoeden.
Artikel 7.17.1.10, eerste
lid, BW regelt onder welke voorwaarden en op welke termijn opgezegd,
ontbonden of opgeschort kan worden: "Het niet rblz.|99| nakomen van de
verplichting tot betaling van de vervolgpremie kan eerst leiden tot beëindiging
of schorsing van de verzekeringsovereenkomst of de dekking, nadat de schuldenaar na de vervaldag onder vermelding van
de gevolgen van het
uitblijven van betaling vruchteloos is aangemaand tot betaling binnen een
termijn van veertien dagen, aanvangende de dag na aanmaning". Derhalve kan
de zorgverzekering op zijn vroegst veertien dagen na een aanmaning
door middel van opzegging of ontbinding worden beëindigd. Dat
sluit echter niet uit dat de opzegging of ontbinding terugwerkende kracht
wordt gegeven tot en met de dag waarop de meest recente
niet-betaalde premie betaald had moeten worden. Op grond van artikel 8 wordt
echter ook het opzeggen of ontbinden met terugwerkende kracht over
deze relatief korte periode verboden. De reden daarvan is niet zozeer
dat het alsnog teruggeven van (de waarde van) gedurende deze periode
genoten zorg onwenselijk wordt geacht. Over deze periode is immers in
ieder geval geen premie is betaald, en voorts zou de verzekerde bij de aanmaning, bedoeld in artikel 7.17.1.10
BW,
ervoor kunnen worden
gewaarschuwd dat de verzekering bij het niet alsnog voldoen van de
premie met terugwerkende kracht beëindigd wordt. De reden om
terugwerkende kracht te verbieden is echter dat in dat geval voor de
verzekerde niet aansluitend een nieuwe verzekering zou kunnen worden gesloten.
Derhalve zou de verzekerde (of de persoon, bedoeld in artikel
2,
derde lid) bij de volgende zorgverzekeraar altijd met een boete wegens te laat
verzekeren (artikel 95 [96]) worden geconfronteerd.
Is opzegging of
ontbinding met terugwerkende kracht verboden, opschorten van de dekking is dat
niet. Een verzekeraar kan derhalve in zijn aanmaning melden dat hij de
zorgverzekeraar zal opzeggen of ontbinden indien niet binnen veertien
dagen alsnog alle openstaande premies zijn voldaan en dat hij de dekking van
de verzekering voor dat geval met terugwerkende kracht tot en met de
meest recente premievervaldag opschort. (Opschorten tot een
eerdere premievervaldag - bijvoorbeeld omdat de verzekerde al een halfjaar zijn premies niet heeft voldaan - is gezien artikel 7.17.1.10
BW echter niet mogelijk. Van de verzekeraar wordt een actieve opstelling
verwacht. Hij mag derhalve niet maandenlang wachten met het verzenden van
een aanmaning, om vervolgens, indien de openstaande premies niet alsnog
binnen veertien dagen na de uiteindelijk verzonden aanmaning
worden voldaan, met terugwerkende kracht over al die maanden de dekking op
te schorten).
Overigens zal de
zorgverzekeraar in zijn modelovereenkomst moeten opnemen wat hij bij het
niet tijdig betalen van premies met ingang van wanneer zal doen.
Tweede lid
Voor een toelichting op
het tweede lid wordt verwezen naar de toelichting op artikel
24.
Artikel 9
(de inhoud van
de zorgpolis; bewijs van einde van de zorgverzekering)
Eerste lid
Aansluitend bij artikel
7.17.1.8, eerste lid, BW
bepaalt artikel 9, eerste lid, dat de zorgverzekeraar de
verzekeringnemer en, indien deze een ander is dan de verzekeringnemer,
de verzekerde zo spoedig mogelijk na het sluiten van een
zorgverzekering een zorgpolis verstrekt. Dat deze verplichting hier toch
wordt herhaald,
hangt samen met het feit dat het, met het oog op de transparantie
voor de verzekeringnemers (en de verzekerden), wenselijk is dat ieder
jaar een bijgewerkte polis wordt verstrekt. Dat rblz.|100| laatste wordt in titel
7.17 BW niet, en in artikel 9, eerste lid, wel, voorgeschreven. De zorgpolis geeft de
inhoud weer van de met de verzekeringnemer gesloten zorgverzekering.
Indien de zorgverzekeraar in de provincie waar de verzekerde woont
meerdere varianten van de zorgverzekering aanbiedt, zal derhalve de inhoud van de gekozen variant in de polis
moeten worden opgenomen,
naast de persoonlijke gegevens van de verzekerde en - indien
dit een ander is dan de verzekerde - de verzekeringnemer. Uit de polis -
waarvan,
zoals in de toelichting op artikel 1, onderdeel h, reeds is
aangegeven, ook algemene voorwaarden, een reglement of een
mantelpolis deel uit kunnen maken - dient de verzekeringnemer al zijn rechten en
plichten uit de zorgverzekering af te kunnen leiden. Hetzelfde geldt
voor de verzekerde indien dit niet dezelfde persoon als de
verzekeringnemer is. Indien de verzekeraar voor sommige vormen van zorg het
naturasysteem hanteert en voor andere het restitutiesysteem, dient dan ook uit de
polis te blijken welke vormen van zorg in natura worden geleverd
en voor welke vormen rekeningen vergoed worden. Voorts dient in
principe uit de polis te blijken voor welke vormen van zorg de verzekerde
naar gecontracteerde zorgaanbieders moet en voor welke hij uit alle
zorgaanbieders kan kiezen (zie ook de artikelen 11 e.v.), al kan in geval van lange
lijsten met zorgaanbieders in de zorgpolis naar een website worden
verwezen. Indien de verzekeringnemer van mening is dat de hem verstrekte
zorgpolis niet overeenstemt met de zorgverzekering waar hij voor gekozen
heeft, dient hij dit zo spoedig mogelijk aan de zorgverzekeraar te melden. De
zorgpolis
dient immers voor hem, voor de verzekerde en voor de
zorgverzekeraar als bewijsstuk van de inhoud van de zorgverzekering.
Verliest de
verzekeringnemer of de verzekerde zijn zorgpolis, dan verstrekt zijn zorgverzekeraar
tegen vergoeding van de kosten een nieuwe, zo regelt artikel 7.17.1.8, derde
lid, BW. Overigens bepaalt artikel 7.17.1.9, eerste volzin,
BW dat alle
mededelingen waartoe de bepaling van titel 7.17 BW
of de overeenkomst de
verzekeraar aanleiding geven schriftelijk moeten geschieden, terwijl op
grond van artikel 7.17.1.8, tweede lid, wijzigingen in de zorgverzekering altijd
via een wijzigingspolis (of, klantvriendelijker, een nieuwe, geconsolideerde
polis zoals op grond van artikel 9, eerste lid, in ieder geval wordt
voorgeschreven tegen ieder nieuw kalenderjaar) aan de verzekeringnemer dienen
te worden verstrekt.
Uit artikel 2:10 BW
volgt dat zorgverzekeraars de polis zeven jaar dienen te bewaren. Dat is mede
van belang met het oog op het toezicht op de rechtmatigheid van uit
het Zorgverzekeringsfonds aan de zorgverzekeraars verstrekte bijdragen.
Tweede lid
Titel 7.17
BW regelt
niets over het verstrekken van bewijzen van het einde van een verzekeringsovereenkomst. Dat is begrijpelijk, want die titel is niet
met het oog op verplichte
verzekeringen geschreven. Voor de uitvoering van de Zvw
is een
dergelijk bewijs echter wenselijk. Daarom schrijft het tweede lid van artikel 9
voor dat de zorgverzekeraar bij het einde van de zorgverzekering een eindigingsbewijs afgeeft, en wat daar in dient te
staan. Het bewijs dient
te worden verstrekt aan de verzekeringnemer en, indien deze een ander is
dan de verzekeringnemer, daarnaast ook aan de verzekerde. Het bewijs is
niet alleen nodig met het oog op de duidelijkheid voor de verzekeringnemer
en verzekerde (zij weten uit het bewijs dat en met ingang van wanneer de
zorgverzekering bij de desbetreffende zorgverzekeraar afloopt en kunnen er,
indien de verzekerde verzekeringsplichtig blijft, vervolgens
rekening mee houden bij het tijdig sluiten van een nieuwe
zorgverzekering), maar is ook van belang voor de zorgverzekeraars en voor het
CVZ (respectievelijk, in zijn rol van toezichthouder op de juistheid van de
voor de verevening verstrekte gegevens, het CTZ). De door het CVZ
aan de zorgverzekeraars toegekende vereveningsbijdrage rblz.|101| is immers
afhankelijk van het aantal bij een zorgverzekeraar ingeschreven verzekerden.
Daarom bepaalt artikel 35, tweede lid, dat de zorgverzekeraar daarnaast
het CVZ een afschrift van het eindigingsbewijs zendt. Uit artikel 2:10 BW
volgt voorts dat de zorgverzekeraar gedurende zeven jaren een kopie van
het bewijs van eindiging in zijn administratie dient te bewaren.
Ten slotte is ook voor de
zorgverzekeraar aan wie vervolgens gevraagd wordt voor de
desbetreffende verzekeringsplichtige een zorgverzekering te sluiten het
eindigingsbewijs van de vorige zorgverzekering van belang. De nieuwe zorgverzekeraar
kan er namelijk allereerst uit afleiden of, en zo ja, met ingang van wanneer de zorgverzekering met de eerdere zorgverzekeraar
ten einde zal komen of is
gekomen. Dit is van belang voor de beantwoording van de
vraag of de vorige en de nieuwe zorgverzekering op elkaar aansluiten. Is
dat niet het geval en is dit aan de verzekeringsplichtige te verwijten, dan dient
de nieuwe verzekeraar een boete op te leggen over de
tussenliggende periode (zie artikel 95 [96]; anders dan na aanvang van de verzekeringsplicht
geldt bij overstap van een verzekeringsplichtige van de ene naar de andere
zorgverzekeraar geen termijn van vier maanden). Voorts kan de
nieuwe zorgverzekeraar uit het bewijs afleiden of de zorgverzekering bij
de vorige zorgverzekeraar geëindigd was wegens het niet meer verzekeringsplichtig zijn van de verzekerde. Dat
vloeit voort uit artikel 9, derde lid. Is dat het geval, dan zal hij er verstandig aan doen extra zorgvuldig
te onderzoeken of de verzekerde op het moment dat hij een nieuwe
zorgverzekering wil afsluiten opnieuw verzekeringsplichtig is geworden.
Een verzekeringnemer die
ondanks het gerichte verzoek daartoe een bewijs van het einde van
een overeenkomst niet aan een nieuwe zorgverzekeraar overlegt, voldoet niet
aan zijn mededelingsplicht, met alle bij artikel 3 omschreven
gevolgen van dien.
De bepaling, in
artikel 9, tweede lid, onderdeel e, dat op het bewijs van uitschrijving de hoogte
van het eigen risico wordt aangetekend, hangt samen met het feit dat
een zorgverzekeraar voor een verzekerde bij overgang van een hoog naar een
laag eigen risico een wachttijd kan hanteren (zie artikel
20).
Hanteert zowel de oude als de nieuwe verzekeraar zo’n wachttijd, dan wordt via
onderdeel e voorkomen dat een verzekerde aan een wachttijd kan
ontkomen door naar een nieuwe zorgverzekeraar over te stappen.
Hoofdstuk 3. De inhoud
van de zorgverzekering
§ 3.1. Het te
verzekeren risico
Artikel 10 (het
verzekerde risico)
Artikel 10 regelt het in
de zorgverzekering op te nemen, derhalve het te verzekeren risico: de
behoefte aan bepaalde vormen van zorg of met die zorg verband houdende
diensten (verpleging, verzorging, verblijf en vervoer). Onder "geneeskundige
zorg" wordt in dit verband zowel algemene geneeskundige zorg als
medisch-specialistische zorg verstaan. Ook medisch onderzoek en
paramedische zorg vallen daar onder. Door opname in de polis wordt
het te verzekeren risico het verzekerde risico. Alleen indien een in
artikel 10 genoemd verzekerd risico zich bij de verzekerde voordoet, kan de
verzekeringnemer of de verzekerde rechten aan de zorgverzekering ontlenen.
Daarmee staat echter nog niet vast dat recht bestaat op een prestatie
waarmee de behoefte aan zorg of de overige diensten vervuld kan
worden. De inhoud en de omvang van de prestaties die op grond van de
zorgverzekering dienen te worden geleverd, wordt bij en krachtens de artikelen
11 tot en met 14 bepaald. Anders gezegd: het rblz.|102| zich voordoen van het
verzekerde risico is wél een noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarde
voor het recht op een verzekerde prestatie.
Het te verzekeren pakket
wordt bij en krachtens artikel 11 geregeld.
Artikel 12 geeft de mogelijkheid
bij AMvB te bepalen dat bepaalde te verzekeren vormen van zorg of
overige diensten slechts mogen worden verstrekt of vergoed indien daaraan
overeenkomsten tussen de zorgverzekeraars en de desbetreffende zorgaanbieders of de aanbieders van de overige diensten
ten grondslag liggen.
Tevens kan op grond van laatstgenoemd artikel voor aangewezen vormen
van zorg of diensten de plicht voor de zorgverzekeraar en de aanbieder van die
zorg of dienst worden ingevoerd om met elkaar te
contracteren. Artikel 13 geeft de verzekerde de mogelijkheid om, zelfs als hij
krachtens zijn zorgverzekering zorg van een gecontracteerde aanbieder dient te
betrekken, de zorg van een niet-gecontracteerde aanbieder te betrekken.
Daar staat dan wel tegenover dat zijn kosten slechts gedeeltelijk
zullen worden vergoed. Artikel 14 ten
slotte geeft een regel waarmee rekening
moet worden gehouden bij de beantwoording van de vraag of een
verzekerde wel op een verzekerde prestatie is aangewezen. De andere twee leden
regelen welke zorg of andere diensten bij te late verzekering zijn
uitgesloten.
§ 3.2. De te
verzekeren prestaties
Artikel 11 (de te
verzekeren prestaties)
Bij en krachtens
artikel 11 wordt geregeld in welke prestaties de zorgverzekering dient te voorzien (de te
verzekeren prestaties, na opname ervan in de zorgpolis
zijn dit tevens de "verzekerde" prestaties). Artikel 11 is daarmee één van de
kernbepalingen van de Zvw: het regelt de zorgplicht van de zorgverzekeraar,
zoals deze in de verzekerde prestaties tot uitdrukking dient te
komen. Gezien het grote belang van deze wijzigingen is een veelomvattende
toelichting op artikel 11 geboden.
De te verstrekken of te
vergoeden zorg: algemeen
De hoofdregel voor het te
verzekeren pakket staat in artikel 11, eerste lid. Doet het verzekerd risico
zich bij de verzekerde voor en heeft deze derhalve behoefte aan een
bepaalde vorm van zorg of een andere dienst, dan dient hem deze zorg
of deze dienst door of namens de zorgverzekeraar geleverd te worden (natura), dan wel heeft de verzekerde jegens de zorgverzekeraar recht op
vergoeding - restitutie - van de rekening voor de genoten zorg of dienst
alsmede, desgevraagd, recht op activiteiten gericht op het verkrijgen van
deze zorg of diensten ("zorgbemiddeling").
Voor de zorg of andere
diensten die voor verstrekking of vergoeding in aanmerking komen, wijst
artikel 11, eerste lid, terug naar de in artikel 10 opgesomde vormen van zorg
en de (daarmee samenhangende) overige diensten.¹ Daarbij dient
overigens hier al te worden aangetekend dat dit zeker niet betekent dat
alle behoeften aan de in artikel 10 genoemde zorg volledig worden gedekt.
Allereerst niet, omdat bij of krachtens de in het derde lid bedoelde
AMvB beperkende regels zullen worden gesteld aan de inhoud, maar vooral ook aan de omvang van de te verstrekken of te
vergoeden zorg. Zo zullen
mondzorg voor volwassenen of fysiotherapie slechts in zeer beperkte
mate vergoed worden. Ten tweede niet, omdat voor sommige vormen van
zorg eigen bijdragen zullen worden gevraagd. En ten derde niet, omdat
een verzekeringnemer, indien de zorgverzekeraar dat aanbiedt, kan kiezen
voor een eigen risico. Gesteld kan derhalve worden dat met artikel
11, eerste lid, juncto artikel 10 de aard van de te verzekeren prestaties
volledig is bepaald, maar niet de inhoud of de omvang van die prestaties.
1. Te weten: verzorging,
verpleging, verblijf en vervoer. Voor de
leesbaarheid zal in het vervolg van deze toelichting niet
telkens apart naar deze "overige diensten" worden verwezen. Spreekt de toelichting derhalve bijvoorbeeld
over "verzekerde zorg", "te verstrekken of te vergoeden
zorg" of
"te verlenen zorg", dan vallen daaronder,
tenzij iets anders is aangegeven, tevens de
verzekerde overige diensten, de te verstrekken of te vergoeden overige diensten of de te
verlenen overige diensten.
rblz.|103| De
totale omvang van het
pakket verzekerde zorg en overige diensten dat de zorgverzekeraar op
grond van de Zvw zal moeten verzekeren, verschilt weinig van de omvang van
het pakket dat op grond van de Zfw of de Wtz 1998 verzekerd is.
De enige afwijking
betreft een uitbreiding. Onder de Zvw zullen, anders dan onder de
Zfw of Wtz
1998, ook de ambulante geestelijke gezondheidszorg (ggz) en het eerste jaar
klinische ggz vallen. Dit zal nader worden geregeld in de in artikel
11, derde lid, bedoelde AMvB en gelijktijdig zullen die onderdelen van de
ggz-zorg, die van de AWBZ naar de Zvw worden overgeheveld, uit het
Besluit zorgaanspraken AWBZ (BZA) worden gehaald.
Is er derhalve ten
opzichte van de Zfw en de Wtz 1998 weinig verschil in de totale omvang van het
pakket ("de buitengrenzen van het pakket"), veel verschil is er in de
wijze waarop de diverse onderdelen van het pakket omschreven worden.
De
Zfw en het daarop
gebaseerde Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering beschrijven de verzekerde
zorg nog veelal als zorg die door een in die wet of
dat
besluit genoemde hulpverlener moet worden verleend. Krachtens de Zvw
zal echter zoveel mogelijk worden afgezien van het aanduiden van de hulpverlener of instelling die de zorg dient te
verlenen. Artikel 11,
eerste lid, juncto artikel 10 bevat dan ook "functiegerichte" rechten, en ook in de
AMvB die op grond van artikel 11, derde lid, getroffen zal
worden, zal deze functiegerichte omschrijving zoveel mogelijk aangehouden
worden.
De tweede belangrijke
wijziging is dat het recht op verpleging of verblijf (Zfw: verzorging) is
losgekoppeld van door of vanwege een ziekenhuis te verlenen
medisch-specialistische zorg.
Ten slotte zal een
instelling of hulpverlener, wil deze door een zorgverzekeraar gecontracteerd kunnen
worden, niet meer alle zorg binnen een bepaalde basisvorm
van zorg - of, in Zfw-terminologie, binnen een gehele verstrekking - hoeven te kunnen leveren. (Voor die zorgaanbieders, die op grond van de
Wet
toelating zorginstellingen over een toelating dienen te beschikken,
volgt dat overigens al uit die
wet). Anders gezegd: wil een huisarts op dit
moment door een ziekenfonds gecontracteerd kunnen worden, dan moet
hij alle huisartsenzorg kunnen leveren. In de toekomst is het niet
nodig dat een hulpverlener of instelling die voor rekening van de
zorgverzekering "geneeskundige zorg" wil
verlenen het gehele gebied van die
zorg bestrijkt.
De te verstrekken of te
vergoeden zorg: nadere regeling bij AMvB
Zoals in het voorgaande
reeds is aangestipt, zullen de rechten op zorg of andere diensten zoals
deze uit artikel 11, eerste lid, juncto artikel 10 voortvloeien, via de in het derde lid
bedoelde AMvB wat betreft inhoud en omvang nader worden
omschreven, waarbij, met uitzondering van de ambulante ggz en het
eerste jaar klinische ggz, de buitengrenzen van het Zfw-pakket aangehouden
zullen worden. Zo zullen, conform hetgeen reeds onder de Zfw geldt,
het recht op mondzorg voor volwassenen of het recht op fysiotherapie
(als onderdeel van algemene geneeskundige zorg) een beperkte omvang
krijgen. Ook in de AMvB en de daarop mogelijk weer te baseren
ministeriële regelingen zal zoveel mogelijk aan de functiegerichte omschrijving
van de
rechten worden vastgehouden.
De artikelen 64, tweede
lid en 89, tweede lid, Wtv
1993 bepalen dat verzekeraars met zetel in Nederland of
buiten de EU geen "oorlogsmolest" (gewapend conflict,
burgeroorlog, opstand, binnenlandse onlusten, oproer of muiterij) mogen
verzekeren. Hetzelfde geldt op grond van de rblz.|104|
Noodwet financieel
verkeer voor de schaden tengevolge van terrorisme, voor zover althans de
Minister van Financiën heeft bepaald dat deze niet vergoed mogen worden
(artikelen 18b tot en met 18d van die
wet). De Minister van Financiën kan overigens
ook bepalen dat schaden tengevolge van terrorisme gedeeltelijk worden
vergoed. In de AMvB op grond van artikel 11, derde lid, Zvw
zal
hierbij worden aangesloten: bepaald zal worden dat geen (dan wel geen volledige) rechten bestaan indien de behoefte aan
zorg of aan de overige in
artikel 10 genoemde diensten is ontstaan tengevolge van oorlog of,
indien de Minister van Financiën tot eerder bedoelde regeling is overgegaan,
terrorisme. Wel wordt in artikel 55 van deze wet geregeld dat in
geval van dergelijk molest bij ministeriële regeling een bedrag uit het
Zorgverzekeringsfonds beschikbaar kan worden gesteld dat door de zorgverzekeraars aan de personen die zorg nodig
hebben gehad, uitgekeerd
kan worden. Aldus kan in geval van dergelijke rampen gebruik worden
gemaakt van het bestaande netwerk van zorgverzekeraars, zonder dat eerst een
noodwet getroffen hoeft te worden. Aangezien verzekeraars
hierbij geen risico zullen lopen, is het uitkeren van dergelijke gelden niet te
zien als een verboden nevenactiviteit als bedoeld in artikel 64, eerste
lid, Wtv
1993 of artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de eerste richtlijn
schadeverzekering.
Schaden tengevolge van
kernexplosies of natuurrampen vallen wel onder de zorgverzekering. Voor
het geval dit zou leiden tot een onacceptabel hoge schadelast voor een
of meerdere zorgverzekeraars, bestaat de mogelijkheid van een
extra bijdrage uit het Zorgverzekeringsfonds (artikel
33).
Zonder nadere maatregelen
zal er enige overlapping dreigen tussen de Zvw-rechten en de
AWBZ-aanspraken. Ook de AWBZ kent bijvoorbeeld een recht op verpleging
en verblijf. In de in het derde lid bedoelde AMvB zal de grens tussen de
aanspraken op grond van de Zvw enerzijds en de AWBZ anderzijds getrokken
worden. Leidende gedachte daarbij zal zijn dat de krachtens de Zvw te
verzekeren zorg en diensten op herstel of genezing zijn gericht.
Bij of krachtens de in
artikel 11, derde lid, bedoelde AMvB zullen ook zorggebonden eigen bijdragen kunnen
worden geregeld. Eigen bijdragen zullen blijven gelden
voor kraamzorg, hulpmiddelen, geneesmiddelen en ziekenvervoer alsmede
voor de uit de AWBZ over te hevelen psychotherapie.
De
AMvB, bedoeld in het
derde lid, geeft de mogelijkheid niet alleen regels te stellen over de inhoud
en omvang van de te verstrekken of te vergoeden zorg, maar ook over de inhoud
en de omvang van de in het eerste lid bedoelde prestaties in
het algemeen. Dit betekent dat het ook mogelijk is de mate van restitutie te
beperken zonder dat daar regels over de inhoud of de omvang van de zorg
aan ten grondslag liggen. Zo zou kunnen worden geregeld dat in
geval van restitutie slechts een deel van de door de verzekeringnemer gemaakte kosten worden vergoed. Nu is het, gezien
de beoogde nevenstelling
van de prestatiewijzen "natura" en "restitutie", niet de bedoeling ten
algemene van deze mogelijkheid gebruik te maken. Het recht op restitutie
zal (behalve in het in artikel 13 bedoelde geval) derhalve in principe zijn
een recht op volledige vergoeding van de voor het halen van de
verzekerde zorg gemaakte kosten. Voor zover voor de desbetreffende vorm van
zorg geen Wtg-(maximum)tarief meer zal gelden en de
zorgverleners derhalve zelf hun prijs kunnen bepalen, zou dat echter kunnen leiden
tot een vergoedingsplicht van onredelijk hoge rekeningen. Daarom zal in
de hier bedoelde AMvB worden bepaald dat recht op vergoeding van
kosten van zorg slechts bestaat voor zover het door de verlener van de
zorg in rekening gebrachte bedrag in verhouding tot de door de overige
zorgaanbieders voor gelijksoortige activiteiten rblz.|105| berekende bedrag niet
onredelijk hoog is. Er wordt derhalve een marktconform bedrag vergoed. Het is
aan een zorgverzekeraar om aan te tonen dat een voor vergoeding
ingediende rekening in een individueel geval onredelijk hoog is.
Natura en restitutie
versus gecontracteerde en niet-gecontracteerde zorg
Artikel
11, eerste lid,
bepaalt dat de verzekerde recht heeft op de verzekerde zorg of dienst waarop hij
is aangewezen ("zorg in natura"), dan wel op vergoeding van de
kosten voor de verzekerde zorg of dienst die hij nodig heeft gehad
(restitutie) plus, desgevraagd, bemiddeling. Een combinatie van beide (bijvoorbeeld
voor de ene vorm van zorg natura en voor de andere restitutie met
bemiddeling) is ook mogelijk, zo volgt uit het tweede lid. Op welke
verzekerde prestatie een verzekerde bij een bepaalde zorgbehoefte precies
recht heeft ("zorg" of "vergoeding en bemiddeling"), hangt af van de inhoud
van de zorgverzekeringsovereenkomst, zoals deze in de zorgpolis tot
uitdrukking komt (en overigens ook reeds in de aan de zorgverzekeringsovereenkomst
ten grondslag liggende modelovereenkomst tot uitdrukking dient te komen).
Is een vorm van zorg in
natura verzekerd, dan betekent dit dat de zorgverzekeraar de desbetreffende zorg
aan die verzekerden dient te laten leveren die daarop zijn
aangewezen. Hij zal daartoe zorgaanbieders contracteren of zelf
hulpverleners in dienst nemen. Ook in het laatste geval is sprake van
gecontracteerd zorgaanbod: er is immers sprake van een arbeidsovereenkomst
tussen de zorgverzekeraar en de hulpverlener. In principe is de keuze
van de verzekerde tussen zorgaanbieders bij in natura verzekerde prestaties beperkt tot deze gecontracteerde zorgaanbieders
(zie voor een
uitzondering op dat principe artikel 13).
Is een vorm van zorg op
basis van restitutie verzekerd, dan zal de verzekerde doorgaans zelf een vrije
keuze hebben tussen alle aanbieders die de desbetreffende vorm van
zorg kunnen leveren. Echter, een wet van Meden en Perzen is dit niet.
Het is namelijk mogelijk dat de zorgverzekeraar met aanbieders afspraken over
de omvang en de prijs van de te leveren zorg heeft gemaakt en in de
zorgverzekering is overeengekomen (en dus in de zorgpolis heeft
opgenomen) dat de verzekerde de zorg bij die zorgaanbieders dient te betrekken. De
verzekerde heeft dan een beperkte keuze en dient toch de rekening in
eerste instantie (tenzij er een betalingsafspraak is, zie onder) zelf te
betalen, waarna vergoeding door de zorgverzekeraar volgt.
Geconstateerd kan worden
dat de vraag of een verzekerde vrij kan kiezen tussen zorgaanbieders
niet zozeer samenhangt met het antwoord op de vraag of de verzekerde
prestatie "zorg in natura" of "kostenvergoeding" is, maar meer met de
vraag of hij krachtens zijn zorgverzekering de zorg dient te betrekken van
zorgaanbieders met wie de verzekeraar een contract omtrent omvang
en prijs heeft gesloten, of niet. Het onderscheid tussen natura en
restitutie enerzijds en gecontracteerde en niet-gecontracteerde zorg anderzijds is van
belang met het oog op een goed begrip van de artikelen
12, 13 en 17.
Overigens komt het bij
restitutieverzekeringen ook wel voor dat de rekening direct naar de
zorgverzekeraar kan. De verzekeraar betaalt dan in naam van de verzekerde.
Aan een dergelijke afspraak kan een betalingsovereenkomst tussen de aanbieder en de
zorgverzekeraar ten grondslag liggen. Waar in het hiernavolgende over
"gecontracteerde zorg" wordt
gesproken, worden
dergelijke betalingsafspraken niet bedoeld. Met "gecontracteerde
zorg"
wordt derhalve bedoeld zorg waarover de zorgverzekeraar met de zorgaanbieder
afspraken omtrent te leveren hoeveelheid rblz.|106| en prijs heeft
gemaakt, of zorg geleverd door zorgaanbieders die bij de zorgverzekeraar in
dienst zijn.
Keuzemogelijkheden
verzekeraar tussen natura en restitutie
De zorgverzekeraar mag
per vorm van zorg of andere dienst en - tenzij hij slechts in één
provincie werkt - zelfs per provincie kiezen of hij de desbetreffende
zorg of dienst in natura
aanbiedt dan wel de kosten vergoedt die voor het afnemen van de
zorg of dienst, bijvoorbeeld door het betalen van de rekening van de zorgaanbieder, door de verzekerde zijn gemaakt. Deze
keuzemogelijkheid volgt
reeds uit de redactie van het eerste lid, maar is, voor de helderheid, in
het tweede lid geëxpliciteerd. Te verwachten is dat de meeste zorgverzekeringen een combinatie van in natura en op
restitutiebasis
verzekerde prestaties zullen kennen. Zo zou een verzekeraar er bijvoorbeeld voor
kunnen kiezen een zorgverzekering aan te bieden op grond waarvan intramurale
zorg in natura wordt verzekerd en voor extramurale zorg kosten worden
vergoed.
Onder "vorm van zorg"
of "dienst" hoeft niet een heel onderdeel van
artikel 10 te worden
verstaan. Het is dus bijvoorbeeld mogelijk dat de zorgverzekeraar kraamzorg
(onderdeel van "geneeskundige zorg") restitueert en "huisartsenzorg"
(tevens onderdeel van "geneeskundige zorg") gedeeltelijk bij een
callcenter onderbrengt en in natura laat leveren. Ook op nog lager niveau mag
worden gedifferentieerd. Zo zouden door de zorgverzekeraar te
bepalen delen van de ziekenhuiszorg in natura kunnen worden geleverd, terwijl
hij voor de overige ziekenhuiszorg de kosten zou kunnen vergoeden. Zelfs
een individuele diagnose-behandelingcombinatie (DBC) kan als een "vorm
van zorg" worden
beschouwd en in theorie is het dus mogelijk dat
de zorgverzekeraar de ene DBC vergoedt en de andere in natura
verstrekt. Wel is het natuurlijk met het oog op de transparantie voor - en derhalve
klandizie van - de verzekeringnemers verstandig om het aantal
keuzemogelijkheden in de verhouding natura/restitutie beperkt te houden en een
logische indeling aan te houden in wat verstrekt en wat vergoed
wordt.
Voorts mag een
zorgverzekeraar varianten van de zorgverzekering aanbieden waarin de
verzekerde naar gecontracteerde zorgaanbieders moet, maar waarin het
aantal zorgaanbieders waar men naar toe mag per variant verschilt (preferred-providerovereenkomsten). Doorgaans zal een variant met meer keuzemogelijkheden daarbij gepaard gaan met een
hogere premie.
Uit het voorgaande kan
worden afgeleid dat de zorgverzekeraar een zeer grote vrijheid heeft in
de wijze waarop hij te verzekeren pakket invult. Steeds gelden echter wel
de volgende voorwaarden:
- indien de
zorgverzekeraar in een provincie meerdere varianten van de zorgverzekering aanbiedt,
dat wil zeggen verzekeringen aanbiedt met verschillende combinaties
van natura en restitutie of met een grote of juist een beperkte
keuzemogelijkheid tussen zorgaanbieders, dient hij alle varianten in een (of
meer) modelovereenkomst(en) op te nemen en dienen alle
aspirant-verzekeringnemers voor de in die provincie wonende
verzekeringsplichtigen uit alle modellen te kunnen kiezen (artikel
3, tweede en derde
lid; in het buitenland wonende verzekeringsplichtigen hebben op grond van
artikel 3, vijfde lid, zelfs de keuze uit alle modelovereenkomsten
die de zorgverzekeraar aanbiedt);
- geen verstrekking (natura) of vergoeding (restitutie) is mogelijk van zorg of diensten die niet
op grond van artikel 11, eerste lid, (juncto
artikel 10) en de AMvB op
grond van het derde lid van artikel 11 verzekerd zijn, aangezien de
verzekeringsovereenkomst daarmee haar karakter van
zorgverzekering zal verliezen (zie artikel 1, onderdeel d);
- de verzekeringnemer
dient uit de zorgpolis te kunnen opmaken voor welke vormen van zorg en
andere diensten natura geldt en voor welke rblz.|107| vormen van zorg en andere
diensten gemaakte kosten worden vergoed, en dient voorts
uit de polis op te kunnen maken in welke gevallen zijn keuze
beperkt is tot gecontracteerde zorgaanbieders en hoe hij te weten komt om
welke zorgaanbieders het dan gaat (zie ook de toelichting op artikel
1, onderdeel h).
Dat de zorgverzekeraar
per vorm van zorg én per provincie mag bepalen of de zorg in natura
wordt geleverd, dan wel kosten worden vergoed, hoeft niet expliciet
geregeld te worden. Het blijkt reeds uit artikel
11, eerste lid, waaruit volgt
dat recht bestaat op een prestatie in natura of op vergoeding van kosten
(plus bemiddeling), al naargelang hetgeen in de zorgverzekeringsovereenkomst
is opgenomen, juncto artikel 3, waarin de differentiatiemogelijkheid
per provincie is geregeld, alsmede de verplichting alle verzekeringnemers
dezelfde keuzemogelijkheden te geven.
Vierde [gewijzigd,
red.] en vijfde lid [vervallen, red.]
Op grond van het vierde
en vijfde lid kan een verzekeringnemer die niet zozeer bezwaren heeft
tegen de verzekering an sich (deze persoon wordt door artikel
2, tweede
lid, onderdeel b, bediend), maar wel tegen bepaalde onderdelen van het te
verzekeren pakket, de zorgverzekeraar vragen die onderdelen buiten de zorgverzekering te houden. Te denken valt onder
meer aan personen die in
verband met hun geloofsovertuiging of ethische opvatting bezwaar hebben
tegen dekking van abortus of euthanasie. Om te voorkomen dat langs
deze weg de solidariteit binnen de zorgverzekering wordt uitgekleed, is door
middel van artikel 17, derde lid, bepaald dat de nominale premie voor
zo’n zorgverzekering gelijk is aan de premie die voor een volledige
dekking betaald zou moeten worden. Aldus wordt voorkomen dat
verzekeringnemers er om financiële redenen voor kiezen bepaalde prestaties niet
te verzekeren.
De mogelijkheid om op
zorgpolis aan te laten tekenen dat bepaalde vormen van zorg of andere
diensten buiten de dekking vallen, geldt slechts voor een
verzekeringnemer die zichzelf verzekert of die een kind van jonger dan
12 jaar verzekert. De grens van 12 jaar is ontleend aan de Wet op de
geneeskundige behandelingsovereenkomst. Vanaf het bereiken van die leeftijd
kan een kind zonder toestemming van zijn ouders of voogd met een
verrichting instemmen indien die verrichting kennelijk nodig is om hem ernstig
gezondheidsnadeel te besparen of indien het daartoe, zelfs indien de
toestemming van de wettelijke vertegenwoordiger geweigerd is, de
verrichting weloverwogen blijft wensen (artikel 7:450 BW).
Door de bepaling, in het
vierde lid, dat de dekking niet alleen in afwijking van het krachtens het
eerste en derde lid te verzekeren (volledige) pakket wordt beperkt, maar ook
in afwijking van de modelovereenkomst, wordt bereikt dat het de
zorgverzekeraar niet is toegestaan een modelovereenkomst op de markt te brengen
waarin het pakket reeds vooraf is ingeperkt. Zou dit worden
toegestaan, dan zou immers niet na te gaan zijn of de in zo’n overeenkomst
aangeboden premie werkelijk niet lager is dan de premie voor een
verzekering met volledige dekking. De modelovereenkomsten die de zorgverzekeraars
op de markt brengen, dienen derhalve alle bij en krachtens
artikel 11, eerste en derde lid, te bepalen prestaties te dekken. Het is (slechts)
aan de verzekeringnemer om desgewenst actie te ondernemen om daar, door
middel van een aantekening op de polis, een uitzondering op te laten
maken.
rblz.|108|
Artikel 12
(overeenkomstenplicht respectievelijk (omgekeerde) contracteerplicht voor
bij AMvB aan te wijzen vormen van zorg)
Eerste lid
Artikel 12 maakt het
mogelijk vormen van zorg aan te wijzen waarvoor de zorgverzekeraar de keuzemogelijkheden van de verzekerde dient te
beperken tot
gecontracteerde zorg (ook wel "overeenkomstenplicht" genoemd; derhalve:
verzekerde prestatie in natura, of in restitutie met overeenkomsten, tussen
zorgverzekeraar en zorgaanbieders, over omvang en prijs van de te
leveren zorg). Omdat een plicht om zorgcontracten te sluiten het buitenlandse
zorgverzekeraars in de praktijk moeilijker maakt tot de met deze wet
gecreëerde zorgverzekeringsmarkt toe te treden en daarmee het vrij verkeer
van diensten en de vrijheid van vestiging zou kunnen belemmeren, zal
van deze mogelijkheid alleen gebruik worden gemaakt indien dit nodig
is ter bescherming van het algemeen belang als bedoeld in het Europese recht.
Een aanwijzing van een
vorm van zorg als zorg die slechts op basis van een zorgcontract mag
worden verstrekt of vergoed, zal in de modelovereenkomsten, in de zorgverzekeringen
en derhalve ook in de zorgpolissen moeten worden verwerkt.
Gebeurt dat niet, dan is de verzekeringsovereenkomst waarvan de polis de
weerslag vormt namelijk geen zorgverzekering meer. Hij
voldoet dan immers niet meer aan het bij of krachtens deze wet
geregelde (zie de definitie van "zorgverzekering" in artikel
1, onderdeel
d).
Tweede en derde lid
Het tweede lid bevat een
verplichting voor de zorgverzekeraar om voor bij AMvB aan te wijzen vormen
van zorg desgevraagd een contract te sluiten met iedere instelling die
die zorg kan leveren. Dit wordt wel de "contracteerplicht" genoemd. De instelling
dient dan overigens wel in het werkgebied van de verzekeraar te liggen dan wel naar verwachting regelmatig
door verzekerden van de
desbetreffende zorgverzekeraar te worden bezocht.
Het derde lid regelt de
"omgekeerde contracteerplicht", dat wil zeggen de plicht van de instelling
die voor bij AMvB aan te wijzen vormen van zorg waarvoor de
contracteerplicht geldt een contract met een zorgverzekeraar heeft gesloten, op
verzoek van een andere zorgverzekeraar een gelijke overeenkomst te sluiten.
Omdat in het buitenland gevestigde zorginstellingen die louter in het
buitenland zorg verlenen niet de plicht kan worden opgelegd desgevraagd met
zorgverzekeraars te contracteren, beperkt de omgekeerde contracteerplicht zich tot instellingen in de zin van de Wtzi
[Wet
toelating zorginstellingen, red.] (dat wil zeggen in
Nederland gevestigde zorginstellingen en in het buitenland gevestigde
zorginstellingen die (mede) in Nederland zorg verlenen).
De (omgekeerde)
contracteerplicht geldt slechts jegens respectievelijk voor zorginstellingen. De
(omgekeerde) contracteerplicht jegens respectievelijk van individuele
beroepsbeoefenaren is namelijk reeds op 1 januari 1992 uit de Zfw
geschrapt. En voorts zal de (omgekeerde) contracteerplicht niet worden opgelegd
voor zorg verleend door instellingen voor wie reeds op grond van
het Besluit erkenning categorieën van instellingen Ziekenfondswet geen
contracteerplicht meer gold.
Vierde lid
Geldt voor een bepaalde
vorm van zorg de (omgekeerde) contracteerplicht, dan kan een
zorgverzekeraar een instelling die die zorg kan leveren rblz.|109| toch een contract
weigeren indien hij ernstige bezwaren tegen het contracteren met die instelling heeft.
Andersom kan zo’n instelling wegens ernstige bezwaren
weigeren een bepaalde zorgverzekeraar te contracteren. Dat staat in het vierde
lid. In artikel 79 Zfw
is voor zo’n geval geregeld dat de geweigerde partij
het CVZ
kan vragen over een dergelijk geschil te beslissen.
Binnen de Zfw
is dit verdedigbaar, nu één der partijen, te weten het
ziekenfonds, een bestuursorgaan is. De zorgverzekeraars zullen echter geen
bestuursorgaan zijn. Daarom ligt civielrechtelijke weging van de ernst van
een bezwaar meer voor de hand. Artikel 79 Zfw
keert
daarom in dit wetsvoorstel niet terug. Wel staat er uiteraard niets aan in de
weg dat de desbetreffende zorgverzekeraar en instelling vóór een
eventuele gang naar de civiele rechter het CVZ verzoeken te adviseren of
te bemiddelen.
Omdat de vormen van zorg
of andere diensten waarvoor de (omgekeerde) contracteerplicht kan
worden opgelegd tevens op grond van het eerste lid moeten zijn aangewezen,
geldt automatisch dat ook de (omgekeerde) contracteerplicht slechts
ter bescherming van het algemeen belang kan worden opgelegd. In het
algemene deel van deze toelichting is aangegeven in welke gevallen hiervan
sprake kan zijn.
Artikel 13
(recht verzekerde die krachtens zijn zorgverzekering naar een
gecontracteerde zorgaanbieder moet om toch tegen vergoeding zorg van een
niet-gecontracteerde zorgaanbieder te betrekken)
Het is mogelijk dat een
bepaalde vorm van zorg op grond van de zorgverzekering door een gecontracteerde
zorgaanbieder moet worden verschaft, maar dat de
verzekerde op het moment dat de behoefte aan die zorg zich voordoet de
zorg toch van een niet door zijn zorgverzekeraar gecontracteerde
zorgaanbieder af wil nemen. Hierbij kan worden gedacht aan tijdens een vakantie
ontstane behoeften aan zorg, maar ook aan gevallen waarin de
verzekerde de zorg per se bij een bepaalde, niet door zijn zorgverzekeraar
gecontracteerde aanbieder wil halen. Artikel 13 verschaft de verzekerde
in zo’n geval het recht de zorg, tegen een door de zorgverzekeraar te
bepalen vergoeding, toch van zo’n andere zorgaanbieder te betrekken. Daarbij
wordt geen onderscheid gemaakt tussen Nederlandse zorgaanbieders en in het
buitenland gevestigde zorgaanbieders. Het recht geldt zelfs
indien de desbetreffende vorm van zorg of de dienst opgenomen is in een op
artikel 12, eerste lid, gebaseerde AMvB.
De vergoeding zal veelal
niet volledig zijn. De hier bedoelde verzekerde veroorzaakt voor zijn zorgverzekeraar immers extra kosten. Deze is er bij
het in dienst nemen of
contracteren van zorgaanbieders namelijk van uitgegaan dat al zijn
naturaverzekerden voor de desbetreffende vormen van zorg of overige diensten verstrekking in plaats van vergoeding
wensen en heeft de
omvang van zijn contracten daarop afgestemd.
Opdat een verzekerde die
voor een (al dan niet gedeeltelijke) naturaverzekering (of voor een restitutieverzekering krachtens welke hij desalniettemin
naar gecontracteerde
zorgaanbieders moet) kiest duidelijk is waar hij recht op heeft
indien hij toch naar een niet-gecontracteerde zorgaanbieder wil, bepaalt
het tweede
lid dat de zorgverzekeraar in zijn modelovereenkomst moet aangeven hoe hij de
vergoeding berekent. Daarbij dient hij rekening te
houden met verplichte eigen bijdragen (derde lid). Voor het overige heeft de
verzekeraar alle vrijheid, met dien verstande dat de wijze van berekenen
uiteraard niet afhankelijk mag worden gemaakt van verzekerdenkenmerken
(vierde lid). Wel staat het vierde lid het de zorgverzekeraar overigens
toe de hoogte van de vergoeding afhankelijk te maken van de situatie
waarin de verzekerde zich bij het inroepen van de rblz.|110| niet-gecontracteerde zorg
bevond. Een zorgverzekeraar kan aldus besluiten noodhulp volledig te
vergoeden en andere hulp slechts gedeeltelijk. Overigens heeft de verzekerde op grond van artikel 22, eerste lid, onderdeel
a, van de Europese socialezekerheidsverordening nr. 1408/71 bij een verblijf op het
grondgebied van een andere lidstaat van de Europese Unie recht op verstrekkingen
die tijdens dat verblijf noodzakelijk worden. Op grond van de Overeenkomst
tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en
de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen
geldt dit ook voor noodzakelijke medische zorg tijdens een verblijf in
Zwitserland. De zorgverzekeraar zal hier in zijn modelovereenkomsten en
polissen rekening mee dienen te houden.
Voorts mag een
verzekeraar op grond van het EU-recht de vergoeding ook bij niet-noodgevallen
niet zo vaststellen dat er een feitelijke hinderpaal ontstaat voor het in het
buitenland betrekken van zorg. Daarmee zouden immers buitenlandse
zorgaanbieders ten opzichte van Nederlandse zorgaanbieders worden gediscrimineerd,
met als gevolg een niet-gerechtvaardigde belemmering van het vrije
verkeer van diensten (zie ook het arrest "Müller-Fauré/Van Riet" van het Hof van Justitie; HvJ 13 mei 2003, C-385/99,
r.o. 107).
Doordat de wijze waarop
de vergoeding wordt berekend in de modelovereenkomst moet worden opgenomen,
wordt deze onderdeel van een op grond van dat model
gesloten zorgverzekering. Dat brengt met zich dat ook in de zorgpolis, die
de weergave van de zorgverzekering is, deze berekeningswijze opgenomen dient te worden.
Artikel 14
(beoordeling
recht op verzekerde prestatie)
Op grond van
artikel 11
- en de verdere invulling van de daar geregelde rechten in de
modelovereenkomst, de zorgverzekeringsovereenkomst en daarmee in de zorgpolis
- wordt geregeld waar de verzekerde recht op heeft indien het
verzekerde risico zich voordoet. Artikel 14 bevat de regels op grond waarvan wordt
vastgesteld óf een individuele verzekerde op de verzekerde zorg is
aangewezen, en zo ja, op welke zorg in welke mate.
De
Zvw kent geen
mogelijkheid om bij of krachtens AMvB of ministeriële regeling vormen van
verzekerde zorg aan te wijzen waarvoor verwijzing, voorafgaande toestemming
of een andere vorm van toetsing of de verzekerde wel op bepaalde zorg is
aangewezen verplicht is, wil deze ten laste van de zorgverzekering kunnen worden gebracht. Het is aan de zorgverzekeraar
om in zijn
modelovereenkomsten op te nemen (en derhalve ook in de zorgverzekering
overeen te komen en vervolgens in de zorgpolis op te nemen) voor welke
vormen van zorg (en voor welke van de andere op grond van de artikel
11 te verzekeren diensten) hij een vorm van toetsing wenst. Zo kan
hij voor bepaalde medisch-specialistische zorg een verwijzing van een andere
zorgaanbieder eisen of kan hij regelen dat de verzekerde voor bepaalde
vormen van zorg zijn voorafgaande toestemming behoeft (het verzoek tot
toestemming dient dan te worden bezien door een bij de verzekeraar werkende verzekeringsarts). Eist een zorgverzekeraar
in de ogen van zijn
verzekerden te vaak verwijzing of voorafgaande toestemming van die
verzekeraar zelf, dan zullen zijn verzekerden bij hem weggaan.
Artikel 14 bepaalt dat de
vraag of een verzekerde behoefte heeft aan een bepaalde vorm van zorg of
een bepaalde andere dienst slechts wordt beoordeeld op basis van
zorginhoudelijke criteria. Hiermee wordt bedoeld: bij deze
beoordeling mag slechts de zorgbehoefte van de verzekerde worden afgezet tegen de
beschikbare mogelijkheden om die behoefte te lenigen. Het
categorisch weigeren van bepaalde zorg op rblz.|111| grond van algemene
verzekerdenkenmerken (bijvoorbeeld leeftijd) of uit financiële
overwegingen
is derhalve niet toegestaan.
Het is een
zorgverzekeraar dus verboden om alle verzekerden van 100 jaar of ouder
louter op grond van hun leeftijd een operatie te weigeren. Wel kan hij op
grond van zorginhoudelijke criteria - daarin afgaand op het oordeel
van een zorginhoudelijk deskundige, zie onder - besluiten dat een
bepaalde operatie voor een oudere niet is aangewezen. Zo kan het zijn dat een
operatie, gelet op de gezondheidssituatie van een specifieke oudere, zo
belastend is dat deze diens situatie eerder zal verergeren dan verbeteren.
Bij de vraag of een
verzekerde behoefte heeft aan een bepaalde vorm van zorg of een andere tot
het verzekerde pakket behorende dienst zullen veelal
medisch-inhoudelijke criteria bepalend zijn. De wet hanteert echter het bredere begrip
"zorginhoudelijke criteria" om te bewerkstelligen dat waar nodig ook andere
zorggebonden criteria een rol kunnen spelen, bijvoorbeeld het oordeel
van een verpleegkundige over de thuissituatie indien een beslissing
moet worden genomen over de vraag of een patiënt naar huis kan of eerst in
een revalidatie-instelling moet worden opgenomen.
Artikel 14 is een aan
(het uitvoeren van) de zorgverzekering gestelde eis en richt zich derhalve in
eerste instantie tot de zorgverzekeraar. Uiteraard dient de zorgverzekeraar
de vraag of een verzekerde op grond van zorginhoudelijke criteria behoefte heeft
aan zorg op deskundige wijze te (laten) beantwoorden. Indien de
zorgverzekeraar zich het recht van toestemming heeft voorbehouden,
betekent dit derhalve dat hij verzekeringsartsen of andere deskundigen op
zorgterrein in dienst zal moeten nemen (of anderszins in zijn opdracht zal moeten laten werken) om een verzoek om
toestemming te
beoordelen. Heeft de verzekeraar het recht op een prestatie afhankelijk gesteld van
een verwijzing door of een oordeel van een behandelend arts, dan
geldt artikel 14 indirect ook voor hen. Een verzekeraar kan derhalve een
eerstelijnsarts niet opdragen slechts naar bepaalde vormen van zorg door te
verwijzen op grond van andere criteria dan zorginhoudelijke. Overigens vloeit het
slechts in aanmerking nemen van zorginhoudelijke criteria ook reeds voort
uit de professionele verantwoordelijkheid van artsen.
Artikel 15
(uitsluiting
enkele artikelen van het BW)
Eerste lid
Artikel 7.17.1.14, eerste
lid, BW legt de verzekeringnemer of de verzekerde de plicht op de
verzekeraar op de hoogte te stellen van het intreden van het verzekerde risico
zodra hij daarvan op de hoogte is of had behoren te zijn. Eén en ander dient
zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is te geschieden. Deze plicht past niet
goed bij een zorgverzekering. Het is immers gebruikelijk dat een
verzekerde die meent zorg nodig te hebben zich niet tot zijn verzekeraar,
maar tot een hulpverlener wendt. Deze stelt niet alleen vast of er daadwerkelijk
behoefte aan zorg bestaat (derhalve: of het verzekerde risico zich voordoet),
maar levert vaak ook onmiddellijk daarop de benodigde zorg, dan wel
verwijst de verzekerde door naar een andere hulpverlener. Geldt voor
de desbetreffende vorm van zorg of dienst het naturasysteem of het
restitutiesysteem met een achterliggende overeenkomst tussen de zorgverzekeraar
en de zorgaanbieder, dan hoeft de verzekerde gewoonlijk zelfs nooit
iets aan zijn zorgverzekeraar te melden. De zorgverzekeraar komt van
het intreden van het verzekerde risico op de hoogte door de rekening
die hij ter voldoening van de zorgaanbieder ontvangt, dan wel - indien de zorgaanbieder bij hem in dienst is
- komt rblz.|112| daar in het kader van de
interne financiële administratie achter. Geldt een zuiver restitutiesysteem,
dan zal de verzekeraar doorgaans pas na afloop van de zorgverlening
worden gevraagd de kosten te vergoeden. Sommige van de huidige
particuliere verzekeraars hanteren daarbij voor de verzekeringnemers een
termijn van langer dan één jaar waarbinnen zij hun rekeningen nog mogen
indienen. Ook dan is derhalve van het melden van het intreden van het verzekerd risico zodra de verzekerde daarvan
weet geen sprake. Hoewel
van artikel 7.17.1.14, eerste lid, BW
in het voordeel van de verzekeringnemer
of verzekerde mag worden afgeweken, is toch besloten dit lid, gegeven het feit dat het bij de hier geregelde zorgverzekering
(vrijwel) nooit
toepasbaar zal zijn, bij wet buiten toepassing te verklaren. Anders zouden
alle zorgverzekeraars immers in hun polissen zo’n afwijking moeten
regelen.
Overigens zijn de overige
leden van artikel 7.17.7.14 BW
wél gewoon van toepassing. Het tweede
lid verplicht de verzekeringnemer en de verzekerde binnen redelijke termijn
de zorgverzekeraar alle inlichtingen en bescheiden te verschaffen
die voor hem van belang zijn om zijn prestatieplicht te beoordelen. Gebeurt
dat niet en leidt de zorgverzekeraar daardoor schade, dan kan hij zijn
prestatie verminderen of zelfs laten vervallen, zo volgt uit het derde en
vierde lid van dat artikel. Het vijfde lid van artikel 7.17.7.14 leidt ertoe dat een zorgverzekeraar
in geval van fraude
door de verzekeringnemer
of verzekerde (opzettelijk niet, niet volledig of onjuist verstrekken van
voor een vergoeding relevante inlichtingen of bescheiden aan de verzekeraar) kan besluiten een door die verzekeringnemer
of verzekerde ingediende
rekening niet te vergoeden, behoudens voor zover de fraude het
volledig weigeren van vergoeding niet rechtvaardigt. Dit laatste - gedeeltelijke vergoeding
- zal echter, gezien de opzet tot misleiding, alleen in
bijzondere gevallen aan de orde zijn; uitgangspunt is het geheel verval van het
recht op vergoeding (Kamerstukken II 1999-2000, 19 529 nr. 5, blz. 27 en
28).
Ook artikel 7.17.2.18
BW wordt via artikel 15 buiten toepassing verklaard. Eerstgenoemd artikel
verplicht de verzekeringnemer of de verzekerde bij optreden van het
verzekerde risico of de dreiging daarvan de schade zoveel mogelijk te
beperken. Maatregelen daartoe mogen op kosten van de verzekeraar worden
genomen. Komt de verzekeringnemer of verzekerde deze verplichting niet
na, dan kan de verzekeraar zijn prestatie verlagen.
Toepasselijkheid van dit artikel zou ten eerste de indruk kunnen wekken dat verzekerden,
op straffe van een vermindering van een latere prestatie, verplicht zijn
hulp te zoeken zodra zij zorg nodig hebben of vermoeden deze in de
nabije toekomst nodig te zullen hebben. Daar waar vele verzekerden op dit
moment vaak wachten om te kijken "of het niet vanzelf over gaat"
zouden zij bij eerder genoemde verplichting vaker het zekere voor het onzekere
nemen en ook voor kwaaltjes die zich niet serieus voordoen de
dokter kunnen gaan bezoeken. Mocht de kwaal later uitgroeien tot een
serieuze ziekte, dan kunnen zij in dat geval immers jegens hun
zorgverzekeraar aantonen dat zij getracht hebben de schade te beperken. Dit
terwijl het
gros van dergelijke kwaaltjes inderdaad vanzelf overgaat. Niet alleen zou
dit tot een extra druk op de (beperkte) capaciteit van de zorgaanbieders
leiden, de zorgkosten zullen er ook onnodig door groeien. Ten tweede kan
deze bepaling de indruk wekken dat verzekerden zich op straffe van een
vermindering van een latere prestatie ook tegen hun wil moeten laten
behandelen. De regering acht dat ongewenst. Een werknemer met lichte
rugklachten die besluit door te werken en vervolgens een hernia krijgt, dient
hier in het kader van de voor de hernia te verlenen zorg niet
gestraft te worden. Ten derde kan toepasselijkheid van artikel 7.17.2.18 leiden
tot ingewikkelde discussies over causaliteit tussen verzekeringnemer/verzekerde
en zorgverzekeraar. Bij het buiten toepassing verklaren van artikel
7.17.1.18 heeft de regering voorts laten meewegen rblz.|113| dat verzekerden, nu
het om hun eigen gezondheid gaat, de schadelast toch al nooit erg hoog zullen laten oplopen. Overigens is ook de
Hoge
Raad, gezien zijn
arrest van 11 september 1998, NJ 1999/664, de mening toegedaan dat een
verplichting tot schadebeperking niet strookt met de aard van een zorgverzekering.
Tweede lid
Artikel 7.17.2.9
BW stelt
dat de verzekeraar geen schade aan de verzekerde vergoedt die deze met
opzet of door roekeloosheid heeft veroorzaakt. Dit artikel is van regelend
recht. Hoe redelijk op het eerste gezicht ook, een dergelijke bepaling dient
niet te gelden voor de wettelijke zorgverzekering. Het recht op zorg is daarvoor te belangrijk. Voorkomen dient bijvoorbeeld
te worden dat een fietser
die door rood rijdt, wordt aangereden en een gebroken been oploopt,
vervolgens de benodigde zorg zelf moet betalen. In het tweede lid wordt
daarom bepaald dat de verzekeraar een verzekerde prestatie niet mag
weigeren indien de behoefte aan zorg aan hem zelf is te wijten. De
formulering is breder dan de formulering "opzet of roekeloosheid" in
artikel 7.17.2.9. Ook lichtere schuldvormen dan opzet en roekeloosheid dienen
immers niet tot weigering van de verzekerde prestatie te leiden. Dit - alsmede de wens om duidelijk te maken dat voor de zorgverzekering
artikel 15, tweede lid, boven artikel 7.17.2.9
BW gaat
- is dan ook de reden voor de
clausule "Zo nodig in afwijking van artikel 7.17.2.9. van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek". Het in dit lid bepaalde is in lijn met wat de
Hoge
Raad in eerder genoemd arrest van 11 september 1998 heeft besloten.
§ 3.3. De premie
Artikel 16
(verschuldigdheid premie)
Voor de zorgverzekering
van alle verzekerden van 18 jaar of ouder is aan de zorgverzekeraar
premie verschuldigd. Voor de zorgverzekering voor personen jonger dan 18
jaar is, in afwijking van artikel 7.17.1.1 BW, geen premie
verschuldigd (tweede lid). De financiering van de verzekering voor deze jongeren
geschiedt uit het Zorgverzekeringsfonds. Wordt een verzekerde in een
bepaalde maand 18, dan is premie verschuldigd met ingang van de eerste
dag van de daaropvolgende kalendermaand.
De premie is verschuldigd
door de verzekeringnemer. Zoals in de toelichting op artikel 1, onderdeel
c,
is opgemerkt, is dit meestal de verzekerde zelf, maar een
verzekeringnemer kan een ander verzekerd hebben.
Vormt de premie in
verhouding tot het inkomen van de verzekerde en zijn eventuele partner een te
zware last, dan zal hij op grond van de Wet op de
zorgtoeslag, welk
wetsvoorstel gelijktijdig met voorliggend wetsvoorstel aan Uw Kamer zal worden
aangeboden, aanspraak kunnen maken op een financiële tegemoetkoming.
De
Zvw laat het de
zorgverzekeraar vrij om te bepalen in welke termijnen hij de premie int. Dat
kan zijn per maand, maar bijvoorbeeld ook per jaar. Ook kan de
zorgverzekeraar bepalen of de premie vooraf of achteraf moet worden betaald. De
uitbetaling van de zorgtoeslag wordt geregeld in het wetsvoorstel Algemene
wet inzake rijksbelastingen (Awr), dat (ongeveer) op hetzelfde
moment bij de Tweede Kamer zal worden ingediend als voorliggend
wetsvoorstel en het wetsvoorstel Wet op de
zorgtoeslag. Op grond van
de Awr
zal de zorgtoeslag - bij een tijdige aanvraag - jaarlijks in
twaalf termijnen worden uitbetaald, te beginnen in de maand december
voorafgaande aan het berekeningsjaar. Indien de rblz.|114| verzekerde kiest voor een
zorgverzekering ingevolge welke de premie per maand verschuldigd is,
zal dat in de praktijk doorgaans betekenen dat de betaling van de
zorgtoeslag over het algemeen iets eerder plaatsvindt dan de betaling van
de premie
aan de zorgverzekeraar.
Artikel 17
(hoogte
premie)
Artikel 17 bepaalt hoe de
premie die voor verzekerden van 18 jaar of ouder verschuldigd is,
wordt berekend.
Eerste tot en met vijfde
lid
In de
toelichting op
artikel 3 is aangegeven dat de zorgverzekeraar de mogelijkheid krijgt om
verschillende varianten van de zorgverzekering aan te bieden. Deze varianten
kunnen allereerst op het punt van de te verzekeren prestaties van elkaar
verschillen: in de ene variant kan meer zorg in natura worden aangeboden
dan in de andere variant (zie artikel 11, eerste en tweede lid). Daarnaast
kunnen deze varianten verschillen naar de mate waarin een verzekerde
tussen zorgaanbieders kan kiezen: een naturacontract krachtens welke de verzekerde voor specialistische geneeskundige
zorg bij alle
ziekenhuizen in de provincie terecht kan, is een andere zorgverzekeringsvariant
dan een naturacontract waarbij de verzekeraar slechts bij twee
ziekenhuizen terecht kan. En een restitutieverzekering waarin de verzekerde de
vrije keuze heeft tussen alle zorgaanbieders is een andere variant van de
zorgverzekering dan een restitutieverzekering krachtens welke de
verzekerde naar bepaalde, gecontracteerde zorgaanbieders moet. Voorts kunnen de
varianten van elkaar verschillen wat betreft het aangeboden
eigen risico (artikelen 19 tot en met 21) en ook kan een verzekeraar premiekortingen voor deelnemers aan collectiviteiten aanbieden
(artikel 18). Een
zorgverzekering krachtens welke alle zorg in natura wordt verleend zonder
eigen risico is een andere variant dan een zorgverzekering krachtens welke alle zorg
in natura wordt verleend met een eigen risico van €|300,-.
Om risicoselectie te voorkomen, dient de zorgverzekeraar iedere verzekerde voor
iedere variant die hij in de woonprovincie van de verzekerde aanbiedt te accepteren (artikel 3, tweede lid). Een dergelijk gebod heeft
niet het gewenste effect indien de verzekeraar vervolgens de premie per
variant wél zou mogen laten afhangen van verzekerdenkenmerken en
derhalve voor personen met een slechte gezondheid een hogere
premie zou mogen vragen dan voor personen met een goede gezondheid.
Daarom dient voor iedere variant van de zorgverzekering dezelfde premie te worden
gevraagd. Tussen de varianten mag de premie echter wél verschillen.
Om het voorgaande te
kunnen regelen, wordt in het eerste tot en met vierde lid het begrip
"grondslag van de premie" geïntroduceerd. De grondslag van de premie
is in wezen de premie voor een verzekering met een bepaalde verhouding
natura/restitutie, die geldt indien geen collectiviteitskorting of
korting voor een eigen risico van toepassing is (vierde lid juncto het
eerste en tweede lid). De grondslag van de premie wordt door de
zorgverzekeraar vastgesteld en mag verschillen tussen varianten die op het punt
van de te verzekeren prestaties van elkaar afwijken. Dat volgt uit
het eerste lid. Het tweede lid bepaalt dat voor varianten die op het punt
van de te verzekeren prestaties niet van elkaar verschillen (dus dezelfde
verhouding natura/restitutie hebben), maar van elkaar verschillen omdat
voor de ene variant een eigen risico of een collectiviteitskorting geldt en voor een andere niet, een zelfde grondslag
voor de nominale premie
moet worden vastgesteld. Daarbij bepaalt het derde lid dat de
grondslag voor de premie voor een zorgverzekering waarbij de verzekeringnemer bepaalde prestaties heeft laten
uitsluiten
gelijk is aan de
grondslag die zou gelden indien het gehele pakket gedekt rblz.|115| zou zijn. Zonder deze
bepaling zou de met de Zvw te bereiken solidariteit
te veel worden uitgehold.
In
artikel 18 is geregeld
in welke gevallen een zorgverzekeraar voor de verzekering van een
deelnemer aan een collectiviteit een korting op de premiegrondslag mag
geven; de artikelen 19 tot en met 21 bevatten de regels voor kortingen op
de premiegrondslag wegens het eigen risico.
Het vijfde lid bepaalt
vervolgens dat de premie die een verzekeringnemer (voor een verzekerde van
18 jaar of ouder) verschuldigd is gelijk is aan de grondslag van de
premie behorende bij de variant van de zorgverzekering die hij gekozen heeft,
verminderd met een premiekorting voor deelname aan een collectiviteit of voor een eigen risico, voor zover
althans dergelijke
premiekortingen van toepassing zijn (zie daarvoor de artikelen
18 en 19 tot
en met 21). Kiest een verzekeringnemer voor een variant zonder eigen
risico en biedt de verzekeraar bij die variant geen
collectiviteitskorting
aan dan wel is een dergelijke korting op de verzekerde niet van toepassing, dan
is de verschuldigde premie gelijk aan de grondslag van de premie.
In alle andere gevallen is de verschuldigde premie lager dan deze
grondslag.
In de
toelichting op
artikel 3, tweede en derde lid, is reeds aangegeven dat de zorgverzekeraar niet
verplicht is om voor iedere variant van de zorgverzekering een aparte
modelovereenkomst op te stellen. Hij kan ook een modelovereenkomst
opstellen voor iedere groep varianten die wat betreft te verzekeren prestaties
gelijk zijn en daarbij - bijvoorbeeld - in afzonderlijke artikelen aangeven dat de
in die overeenkomst geregelde verzekering zonder eigen risico of
met een eigen risico van €|100,-, €|300,- of €|500,- genomen kan
worden en
dat hij bij de variant met een eigen risico van €|300,- bovendien nog de
in artikel 18 geregelde collectiviteitskorting aanbiedt. In dat geval
zijn vier varianten van de zorgverzekering in één modelovereenkomst
neergelegd. De grondslag van de premie voor alle vier de varianten moet op
een zelfde bedrag worden vastgesteld (tweede lid) en dient in de
modelovereenkomst opgenomen te worden (eerste lid). Doordat in het eerste lid
daarnaast geregeld is dat de voor de desbetreffende variant geldende premiekorting(en) in de modelovereenkomst moet
worden opgenomen, is de
zorgverzekeraar tevens verplicht aan te geven wat de premiekortingen
bij ieder eigen risico zijn en wat de premiekorting is indien een verzekerde
die voor een eigen risico van €|300,- heeft
gekozen ook nog deelnemer is aan
een collectiviteit. Aldus zal de verzekeringnemer aan de hand van de
modelovereenkomst uit kunnen rekenen welke premie hij, gegeven
bepaalde door hem te maken keuzes, verschuldigd zal zijn.
Zesde lid
Indien een verzekeraar
een zorgverzekering met een bepaalde combinatie van natura- en
restitutieprestaties aanbiedt met, naar keuze van de verzekeringnemer,
één of meer
eigenrisicobedragen en ook met een collectiviteitskorting, is het voor hem van
belang te weten hoe de korting voor een eigen risico en de
korting voor de deelname aan de collectiviteit op elkaar inwerken. Indien,
bijvoorbeeld, beide soorten kortingen worden gegeven in de vorm van een
percentage van de premiegrondslag, maakt het voor de uiteindelijk te betalen premie uit of de verzekeraar het kortingspercentage
voor het eigen risico en
het kortingspercentage voor de deelname aan de collectiviteit
eerst bij elkaar optelt en vervolgens de premiegrondslag met het resultaat
vermindert, dan wel of hij eerst het ene percentage op de
premiegrondslag toepast en vervolgens op het restant het tweede percentage. De
eerste wijze van berekening leidt tot een lagere premie dan de tweede.
Iets dergelijks geldt ook indien één van de twee rblz.|116| kortingen in de vorm van
een percentage is gegoten en de andere in de vorm van een nominaal
bedrag. Gezien het voorgaande bepaalt het zesde lid dat de
zorgverzekeraar de wijze waarop hij de verschuldigde premie van de premiegrondslag
afleidt in zijn modelovereenkomst weergeeft.
De uiteindelijk door de
verzekeringnemer te betalen premie vormt een (belangrijk) onderdeel
van de tussen hem en zijn zorgverzekeraar gesloten zorgverzekering en moet
derhalve in de zorgpolis worden opgenomen (zie artikel
1, onderdeel d). Met het oog op de transparantie en controleerbaarheid voor de
verzekerde
regelt het zesde lid dat in de zorgpolis tevens moet worden
opgenomen hoe de verschuldigde premie van de grondslag van de premie
wordt afgeleid. Derhalve zullen ook de toegepaste premiekortingen moeten
worden aangegeven.
Zevende lid
Artikel
7, derde lid,
onderdeel a, geeft de verzekeringnemer de mogelijkheid de zorgverzekering
voorafgaande aan een verhoging van de grondslag van de premie - en
daarmee automatisch ook van de door hem te betalen premie - op te
zeggen. Dit onderdeel kan zijn beoogde werking slechts hebben indien zo’n
premieverhoging van te voren aan de verzekeringnemers wordt
medegedeeld, en wel zo tijdig dat deze een redelijke termijn heeft
om te besluiten of hij wil opzeggen of niet (en om een nieuwe
zorgverzekering aan te gaan). Het zevende lid van artikel 17 regelt dat een wijziging
in de grondslag van de premie niet eerder in werking treedt dan met
ingang van de eerste dag van de tweede kalendermaand volgende op de maand
waarin deze aan de verzekeringnemers is medegedeeld. De
verzekeringnemer heeft derhalve ten minste één maand om te besluiten of hij
wil opzeggen. Het zevende lid brengt overigens met zich dat een verhoging
van de grondslag van de premie sowieso niet in werking treedt indien
deze niet aan de verzekeringnemers is medegedeeld.
Het vereiste dat de
wijziging "aan de verzekeringnemer" wordt medegedeeld, impliceert een
individuele mededeling aan alle verzekeringnemers waarvoor de
premieverhoging geldt. Dit kan via een aan de verzekeringnemers gerichte brief of e-mail.
Indien de zorgverzekeraar zijn verzekeringnemers periodiek een bulletin
toestuurt, kan de wijziging ook daarin worden aangekondigd, mits
dat op een wijze geschiedt die voldoende de aandacht trekt. De
zorgverzekeraar kan niet volstaan met een algemene publicatie in dagbladen
of op een website. Een dergelijke mededeling is immers niet specifiek aan
de verzekeringnemer, maar aan "de hele wereld" gericht.
Artikel 18
(premiekorting
bij deelname aan collectiviteit)
Eerste en tweede lid
[beide gewijzigd, red.]
Een zorgverzekeraar kan
deelnemers aan een collectiviteit een korting op de grondslag van de
premie verlenen. Risicoselectie wordt voorkomen door het eerste en het
tweede lid van artikel 18. Het eerste lid verplicht de zorgverzekeraar in zijn
modelovereenkomst aan te geven of en, indien de modelovereenkomst meerdere varianten van de zorgverzekering bevat
(dat wil in de praktijk
zeggen: de mogelijkheid bevat om voor één of meer eigenrisicobedragen te
kiezen), voor welke variant(en) van de zorgverzekering de collectiviteitskorting
geldt. Daarmee is voor iedereen kenbaar in welke gevallen de
verzekeraar korting verleent en krijgt iedere aspirant-verzekerde die tot een
collectiviteit van voldoende omvang behoort de mogelijkheid te kiezen
voor de variant of één van de varianten waarvoor de korting geldt (zie ook
artikel 3, tweede lid). Echter, daarmee zou nog rblz.|117| niet uitgesloten
zijn
dat de verzekeraar het begrip "collectiviteit" in zijn modelovereenkomst nader
invult, bijvoorbeeld door te bepalen dat slechts werknemers tot
een collectiviteit kunnen behoren. Dit laatste wordt echter in het
eerste gedeelte van het tweede lid verboden: zorgverzekeraars mogen de vraag of zij al
dan niet korting verlenen niet laten afhangen van kenmerken
van de collectiviteit of zijn deelnemers.
De hoogte van de korting
mag slechts afhangen van het aantal deelnemers dat voor de
desbetreffende variant(en) kiest, waarbij voor vergelijkbare verzekerdenaantallen een
zelfde korting dient te gelden. De verzekeraar kan derhalve besluiten
voor deelnemers aan grote collectiviteiten een hogere korting te verlenen dan voor deelnemers aan kleine collectiviteiten,
maar heeft hij
vastgesteld dat bij een deelname van tussen de 50 en 250 deelnemers een
korting van 2% geldt, dan geldt dat ongeacht de vraag of het gaat om een
collectiviteit van werknemers of een collectiviteit van - bijvoorbeeld -
een patiëntenvereniging. De verplichting voor vergelijkbare aantallen
verzekerden een zelfde korting aan te bieden, is opgenomen om te voorkomen
dat een verzekeraar die 128 werknemers van een bedrijf heeft
verzekerd tegen een premiekorting van 5%, een zelfde premiekorting kan
weigeren als 129 inwoners van een verzorgingstehuis voor dezelfde
verkeringsvariant(en) dezelfde korting wensen, louter op het feit dat het
verzekerdenaantal niet precies gelijk is.
De zorgverzekeraar is
volledig vrij om te bepalen aan welke varianten hij een premiekorting voor
collectiviteiten verbindt. Indien binnen een modelovereenkomst inderdaad meerdere
varianten van de zorgverzekering zijn geregeld (het verschil
tussen de varianten zal hem dan, als gezegd, zitten in het verschil tussen
eigenrisicobedragen), kan hij de korting hechten aan alle binnen dat model
geregelde varianten (bijvoorbeeld: indien de zorgverzekeraar voor een collectiviteit
van 50 deelnemers een korting van 2% verleent, geldt deze al
zodra 30 deelnemers kiezen voor de variant zonder eigen risico en 20 voor
de variant met eigen risico) of kan hij besluiten deze slechts voor één
of enkele varianten binnen de modelovereenkomst te laten gelden. Steeds
blijft echter gelden dat uit de desbetreffende modelovereenkomst
duidelijk dient te blijken voor welke varianten de korting geldt.
Personen die deel
uitmaken van een bepaalde collectiviteit kunnen in verschillende provincies
wonen. Om de premiekorting voor collectiviteiten transparant en werkbaar
te houden, is het de verzekeraar niet toegestaan voor één en dezelfde
variant van de zorgverzekering in de ene provincie wel en in de andere geen
premiekorting voor collectiviteiten aan te bieden. Een bij een
variant aangeboden collectiviteitskorting geldt derhalve voor alle
provincies waarin die variant wordt aangeboden.
Indien de
verzekeringnemer niet dezelfde persoon is als de verzekerde, is bepalend of de verzekerde
van de collectiviteit deel uitmaakt. Voor het bepalen van de omvang van
de collectiviteit tellen ook verzekerden jonger dan 18 jaar mee. Aangezien voor hen geen premie verschuldigd is,
is de premiekorting voor
hun zorgverzekeringen uiteraard niet van toepassing. Hun deelname aan een
variant waarvoor de zorgverzekeraar de collectiviteitskorting aanbiedt, levert de zorgverzekeraar evenveel administratief
voordeel op als deelname
van personen van 18 jaar of ouder. Daarom is het
redelijk hun verzekeringen mee te laten tellen voor het bereiken van het voor
de korting gevergde aantal.
Derde lid [gewijzigd, red.]
Indien een verzekerde
deelneemt aan meerdere collectiviteiten en uit dien hoofde voor een bepaalde
verzekeringsvariant voor meerdere collectiviteitskortingen rblz.|118| in
aanmerking zou kunnen komen, wordt slechts eenmaal korting verleend, en wel
de hoogste.
Vierde lid [zie
art. 18, zesde lid, Zvw,
red.]
Dit lid geeft de
mogelijkheid bij AMvB nadere regels te stellen, om te voorkomen dat afbreuk wordt gedaan
aan het sociale karakter van de zorgverzekering. Zoals uit het voorgaande
reeds blijkt, strekt het tweede lid ertoe te voorkomen dat
een zorgverzekeraar een premiekorting slechts aanbiedt aan
collectiviteiten van personen met een goed gezondheidsprofiel. Mocht blijken dat
één of
meer zorgverzekeraars niet aan de strekking van dat artikellid
voldoen (of anderszins tot risicoselectie komen), bijvoorbeeld door een aangeboden premiekorting via het aantal deelnemers
waar deze voor wordt aangeboden toch toe te snijden op een bepaalde collectiviteit,
dan zal daaraan bij de hier bedoelde AMvB paal en perk kunnen worden gesteld. Zo zouden in het hier genoemde voorbeeld
bandbreedtes van
aantallen tot een collectief behorende verzekerden (100-499 verzekerden,
500-999 verzekerden, enz.) vast kunnen worden gesteld waarvoor een zelfde korting moet worden verleend.
§ 3.4. Het eigen
risico
Artikel 19 (premiekorting
bij eigen risico)
In het voorafgaande is
uiteengezet dat een zorgverzekeraar zorgverzekeringen kan aanbieden die wat
betreft de te verzekeren prestaties (artikel 11, eerste lid) verschillen.
Deze verzekeringen dienen ten minste zonder eigen risico te worden
aangeboden, zo volgt uit het eerste lid.
De verzekeraar kan de
verzekeringnemer echter daarnaast ook aanbieden een eigen risico te
nemen, waartegenover een korting op de premiegrondslag staat. Om uitholling van
de zorgverzekering en risicoselectie te voorkomen en
transparantie (vergelijkbaarheid van polissen) te bevorderen, zijn de tranches
eigen
risico die de verzekeraar mag aanbieden in het tweede lid opgenomen.
Het gaat om bedragen van € 100,-, €|200,-, €|300,-, €|400,- of €
500,-. De premiekorting die daar bij hoort, wordt door de zorgverzekeraar bepaald
en in de modelovereenkomst opgenomen.
Aangezien voor de
verzekering van personen jonger dan 18 jaar geen premie verschuldigd
is (artikel 16, tweede lid), is voor hen geen korting op de premie mogelijk.
Derhalve kan voor hun verzekering ook geen eigen risico worden aangeboden.
Voor de duidelijkheid is dit nog eens expliciet in het tweede lid
bepaald. Zodra voor de verzekering van een achttienjarige premie moet worden
betaald (zie artikel 16, tweede lid), kan voor hem ook een eventueel
gekozen eigen risico ingaan. Wordt daadwerkelijk van deze mogelijkheid gebruik gemaakt, dan betekent
dat dat gekozen
wordt voor een andere
variant van de zorgverzekering. De verzekeraar zal dan een nieuwe zorgpolis
(of een wijziging van de bestaande polis) moeten toezenden.
De Zvw gaat ervan uit dat
voor iedere verzekerde een individuele zorgverzekering wordt gesloten (zie ook
de toelichting op artikel 1, onderdeel d). Ook het eigen risico
geldt derhalve per verzekerde. Het is dus niet mogelijk om één eigen
risico voor een heel gezin af te spreken.
Het tweede lid maakt
duidelijk dat de zorgverzekeraar die voor het aanbieden van eigen
risico’s kiest niet alle tranches hoeft aan te bieden.
Het in
artikel 19
opgenomen eigen risico is zowel ten opzichte van de zorgverzekeraar als ten
opzichte van de verzekeringnemer optioneel: de rblz.|119| zorgverzekeraar hoeft het
niet aan te bieden en de verzekeringnemer hoeft er, indien
aangeboden, niet voor te kiezen.
Een zorgverzekering
krachtens welke alle zorg in natura wordt verleend (100% naturapolis) met
een eigen risico van €|200,- is een andere variant van de zorgverzekering
dan een 100% naturapolis met een eigen risico van €|300,-. Aangezien
artikel 3, tweede lid, bepaalt dat iedere verzekeringnemer voor iedere verzekerde de
keuze heeft uit alle varianten van de zorgverzekering die de
zorgverzekeraar in de woonprovincie van de verzekerde aanbiedt, heeft iedere
verzekeringnemer hiermee automatisch ook de keuze uit alle in die provincie aangeboden eigen risico’s en de bijbehorende
premiekorting.
Artikel 19 staat het de
zorgverzekeraar toe om - bijvoorbeeld - bij een zorgverzekering met een
combinatie van natura en restitutie alle tranches eigen risico aan te
bieden en bij een zorgverzekering krachtens welke volledig in natura zal
worden gepresteerd geen of slechts enkele tranches. Voorts is de
zorgverzekeraar bevoegd om voor een zorgverzekering die wat betreft de te
verzekeren prestaties in twee of meer provincies gelijk is, in de ene
provincie andere tranches eigen risico aan te bieden dan in de andere. Anders
dan bij de korting voor collectiviteiten zal dit namelijk geen onwerkbare
situatie opleveren. Wat echter niet mag, is voor exact dezelfde variant
van de zorgverzekering de bijbehorende eigenrisicokorting naar provincie te
laten
variëren.
De mogelijkheid om voor
een eigen risico te kiezen, zal, indien die modelovereenkomst meerdere varianten
van de
zorgverzekering bevat, veelal uit die modelovereenkomst
blijken (de variatie zal hem nu juist in de te kiezen eigen risico’s
liggen). Indien een verzekeraar per variant van de zorgverzekering een modelovereenkomst heeft opgesteld, is het met het
oog op de
klantvriendelijkheid wenselijk in modelovereenkomsten voor varianten met een eigen
risico er ten minste op te wijzen dat er ook een variant zonder eigen
risico bestaat.
Artikel 20
(overgang naar
lager eigen risico)
Eerste lid
[gewijzigd, red.]
Verzekerden met een hoog
eigen risico zullen waarschijnlijk op een zorgverzekering zonder of met een
lager
eigen risico willen overstappen vanaf het moment waarop zij
verwachten in de toekomst regelmatig zorg nodig te zullen hebben. Artikel
3, tweede lid, leidt ertoe dat zo’n overstap niet geweigerd kan worden.
Om
dergelijk calculerend gedrag enigszins te kunnen inperken, geeft
het eerste lid de zorgverzekeraar de bevoegdheid een wachttijd in te
stellen waarin hij, nadat de verzekeringnemer heeft aangegeven een zorgverzekering zonder eigen risico of met een (door de
zorgverzekeraar
aangeboden) lager eigen risico te wensen en ook daadwerkelijk zo’n zorgverzekering is
gesloten, nog het eerdere eigen risico hanteert. Gedurende de
wachttijd geldt ook de bij dit eerdere eigen risico horende premiekorting.
Tweede lid
[gewijzigd, red.]
De verzekeraar mag de
wachttijd zelf bepalen, maar deze mag niet langer zijn dan één jaar. Met
het oog op de transparantie voor verzekeringnemers regelt het tweede lid dat
een door de zorgverzekeraar ingestelde wachttijd geldt voor alle varianten
van de zorgverzekering die hij aanbiedt. Voorts dient, om risicoselectie
te voorkomen, een eenmaal door de zorgverzekeraar ingestelde wachttijd
jegens iedere verzekeringnemer in acht te worden genomen. Derhalve
zowel jegens verzekeringnemers die bij rblz.|120| dezelfde verzekeraar overstappen op een zorgverzekering met een lager
eigen risico als voor
verzekeringnemers die zich nieuw bij een verzekeraar aansluiten en daarbij
aangeven een lager eigen risico te wensen dan bij de vorige verzekeraar
gold. Doordat de hoogte van het eigen risico op het bewijs van het einde
van de zorgverzekering moet worden gezet (artikel
9, tweede lid, onderdeel
e), weet een nieuwe verzekeraar die een wachttijd hanteert of deze jegens
de desbetreffende verzekerde moet worden ingeroepen of niet. Het tweede lid
bepaalt verder nog dat de wachttijd voor alle verzekeringnemers
even lang is en dat deze in de modelovereenkomst (en derhalve ook in de
zorgverzekering en in de zorgpolis) moet worden opgenomen. Door
dit laatste vereiste kunnen verzekerden berekenen hoe lang zij moeten
wachten voordat voor hen daadwerkelijk een lager eigen risico in
acht wordt genomen.
Derde lid [gewijzigd, red.]
Indien een
zorgverzekeraar besluit één of meer tranches eigen risico te schrappen (derhalve het
aantal door hem aangeboden varianten van de zorgverzekering te
beperken), krijgen de verzekeringnemers die die tranche(s) hadden
gekozen het recht te kiezen voor een door de zorgverzekeraar aangeboden variant met
lager eigen risico of zonder eigen risico, en wel zonder dat
een wachttijd mag worden gehanteerd. Het ligt in deze gevallen immers aan
de zorgverzekeraar en niet aan de verzekeringnemer dat het overeengekomen
eigen risico niet kan blijven gelden. Overigens zal de
verzekeringnemer ook kunnen kiezen voor een hoger eigen risico (mits dat
door de zorgverzekeraar wordt aangeboden). Aangezien hiervoor geen wachttijd
geldt, hoeft daarover niets geregeld te worden. Tenslotte zal
een verzekeringnemer, gezien artikel 7.17.1.13, vierde lid, BW, kunnen
besluiten naar een andere zorgverzekeraar over te stappen.
Artikel 21
(wijziging
eigen risico gedurende een kalenderjaar)
Artikel 21 is geschreven
voor gevallen waarin gedurende het kalenderjaar wijzigingen in het eigen
risico plaatsvinden. Het eerste lid geeft de hoofdregel. Indien een
zorgverzekering gedurende het kalenderjaar ingaat of eindigt, is het in dat
kalenderjaar voor die overeenkomst geldende bedrag van het eigen risico gelijk aan het voor dat kalenderjaar overeengekomen
bedrag, vermenigvuldigd
met een breuk waarvan de teller wordt gevormd door het aantal dagen in
dat kalenderjaar waarover de zorgverzekering zal lopen of heeft gelopen
en de noemer door het aantal dagen in het desbetreffende kalenderjaar. Voordeel
van deze regel voor de zorgverzekeraar bij wie de overeenkomst
gedurende het kalenderjaar eindigt of bij wie de overeenkomst gedurende
het kalenderjaar ingaat, is dat hij tengevolge van deze regel geen
rekening hoeft te houden met een eigenrisicobedrag of geconsumeerde zorg bij
een volgende zorgverzekeraar respectievelijk bij een vorige
zorgverzekeraar. Was het afgesproken eigen risico derhalve €|300,- en eindigt
de
verzekering op 1 maart 2007 van rechtswege omdat de verzekerde buiten het
werkgebied van de verzekeraar gaat wonen, dan gaat de verzekeraar voor
2007 uit van een eigen risico van:
(59 x €|300,-) : 365 = €|48,49
(welk bedrag op grond van het derde lid wordt afgerond tot €|48,-).
Al naargelang de wijze
waarop de verzekeraar de bedragen aan eigen risico verrekent of
invordert (zie artikel 23), kan dit, indien de verzekerde in de eerste twee maanden
van 2007 zorg heeft geconsumeerd, betekenen dat de verzekeraar de
verzekeringnemer alsnog een bedrag uitbetaalt ter zake van te veel ingevorderd of verrekend eigen
risico.
rblz.|121|
Indien voor deze
verzekerde bij de nieuwe zorgverzekeraar geen eigen risico wordt
overeengekomen en die nieuwe verzekeraar in de toepasselijke modelovereenkomst
heeft
opgenomen een wachttijd van één jaar te hanteren, is het eigen
risico bij die nieuwe verzekeraar over de maanden maart tot en met december
2007:
(306 x €|300,-) : 365 = €|251,51 (welk bedrag op grond van
het derde lid wordt afgerond tot €|252,-).
Ten opzichte van de
verzekerde die gedurende het gehele jaar 2007 op een zelfde zorgverzekering
met een eigen risico van €|300,- verzekerd is, kan de hierboven beschreven
verzekerde een voordeel hebben. Heeft hij in de eerste twee maanden van
2007 voor €|450,- aan zorg geconsumeerd en daarna niets meer, dan
neemt zijn eerste zorgverzekeraar daarvan €|402,- voor zijn rekening. De
verzekeraar van de verzekerde die het gehele jaar krachtens dezelfde
verzekering verzekerd was, neemt echter slechts €|150,- voor zijn rekening. (In
dit voorbeeld is geabstraheerd van de werking van de
no-claimteruggaveregeling). Het opheffen van dit voordeel zou echter te
veel administratieve
lasten voor de verzekeraars met zich brengen.
Indien een wijziging in
het eigen risico gedurende het kalenderjaar plaatsvindt en de verzekerde reeds
direct voorafgaande aan die wijziging bij de zorgverzekeraar verzekerd
was, is het, anders dan voor een nieuwe verzekeraar, minder moeilijk om
rekening te houden met het bedrag van het eerdere eigen risico. Het tweede lid van
artikel 21 regelt hoe dat dient
plaats te vinden. Stel
dat de verzekerde een eigen risico heeft van €|300,-, dat hij met ingang van 1
oktober 2007 wenst te verlagen tot €|100,-. Stel voorts dat de verzekeraar
een wachttijd van één jaar hanteert. In dat geval wordt het eigen risico
over het jaar 2008 als volgt berekend:
(273 x €|300,- + 92 x €|100,-) : 365 = €|249,59 (op grond van het derde
lid af te ronden tot €|250,-).
Overigens zal van het
tweede lid niet vaak gebruik worden gemaakt. Te verwachten valt namelijk
dat zorgverzekeraars wijzigingen in tranches eigen risico vrijwel
steeds met ingang van 1 januari van een kalenderjaar zullen invoeren.
Wijzigingen ten nadele van de verzekeringnemer (het schrappen van tranches)
dienen immers te worden medegedeeld en geven hem voorts het
recht van opzegging (artikel 7.17.1.13, vierde lid, BW). Wordt niet opgezegd,
dan zal een ander eigen risico gaan gelden, hetgeen op grond van artikel
21, tweede lid, omrekening vergt en derhalve
tot administratieve
lasten leidt. Kortom, het is een zorgverzekeraar weliswaar niet verboden
om gedurende het jaar tranches eigen risico te schrappen, maar onaantrekkelijk is het wel. Datzelfde geldt overigens ook
voor andere - niet door
de overheid opgelegde - gedurende het jaar ingevoerde wijzigingen ten nadele
van de verzekeringnemer of verzekerde. Ook dan mag immers worden
opgezegd, hetgeen betekent dat dan ook bij dezelfde verzekeraar op
een andere variant mag worden overgestapt. Gebruikt de
verzekeringnemer deze gelegenheid om een ander eigen risico te vragen, dan zal
(na de eventuele wachttijd) ook omgerekend moeten worden.
rblz.|122|
§ 3.5. De
no-claimteruggave bij beperkt zorggebruik
Artikel 22 (no-claimteruggave
bij beperkt zorggebruik)
Op 22 maart 2004 is bij
de Tweede Kamer ingediend een voorstel van wet tot wijziging van de
Ziekenfondswet in verband met het invoeren van een no-claimteruggaaf voor
verzekerden die geen of weinig gebruik hebben gemaakt van zorg waarop
ingevolge die wet aanspraak bestaat (Kamerstukken II 2003-2004, 29 483,
nrs. 1-3). De inhoud van artikel 22 sluit grotendeels aan bij
hetgeen bij en krachtens eerder genoemd wetsvoorstel geregeld zal worden. De
regering wenst een no-claimteruggave in te voeren om aldus de eigen verantwoordelijkheid van de burger te bevorderen
en de collectieve
verantwoordelijkheid te doen afnemen. De verwachting is dat
verzekerden door de no-claimteruggave een meer afgewogen gebruik gaan
maken van de gezondheidszorg, met als gevolg een afname van de
kostenstijging die de gezondheidszorg de laatste jaren kenmerkt. De
no-claimteruggave past daarmee binnen het - overigens ook met de rest van de
Zvw
nagestreefde - regeringsbeleid om het Nederlandse zorgstelsel op langere
termijn veilig te stellen door de toegankelijkheid, solidariteit en
betaalbaarheid beter met elkaar in balans te brengen en het systeem doelmatiger te maken. Daarbij geeft de regering de voorkeur
aan het invoeren van een
no-claimteruggave boven het invoeren van een verplicht eigen
risico, omdat met een no-claimteruggave lage inkomensgroepen niet te maken krijgen met
een liquiditeitsdrempel, die bij een verplicht eigen
risico wel optreedt. Voorts vormt de no-claimteruggave een beloning bij beperkt
zorggebruik, hetgeen de regering verkiest boven de "bestraffing"
van zorggebruik die kleeft aan een eigen risico. Voor een nadere
toelichting op de redenen voor de no-claimteruggave wordt verwezen naar de
memorie van toelichting op eerder genoemd wetsvoorstel.
Het eerste lid bepaalt
dat indien de waarde van de verzekerde prestaties die in een kalenderjaar
ten behoeve van een verzekerde zijn verstrekt lager is dan een bij AMvB te
bepalen bedrag, de verzekerde jegens zijn zorgverzekeraar recht heeft op een
no-claimteruggave die gelijk is aan het verschil tussen laatstbedoeld bedrag en die waarde. Zijn de prestaties alle
in de vorm van een
kostenvergoeding verstrekt, dan zal de in het eerste lid bedoelde berekening
gemakkelijk te maken zijn. Voor zover de prestaties in natura zijn verstrekt,
zal eerst de waarde van de prestaties moeten worden vastgesteld.
Onderdeel a van het vijfde lid geeft de mogelijkheid om hierover bij
AMvB regels te stellen.
Geen no-claimteruggave
wordt toegekend aan verzekerden die in het gehele jaar waarover de no-claimteruggave wordt uitgekeerd jonger dan
18 jaar waren. De
reden hiervoor is dat de no-claimteruggave wordt betaald uit de voor de
verzekerden te betalen premies. Aangezien voor verzekerden jonger dan 18
jaar geen premie verschuldigd is (artikel
16, tweede lid), geldt voor
hen bij beperkt gebruik van de verzekerde prestaties ook geen
no-claimteruggave.
Het derde en vierde lid
regelen de berekening van de no-claimteruggave indien de verzekerde op
een andere dag dan 1 januari van het desbetreffende kalenderjaar 18 is
geworden. In wezen wordt de no-claimteruggave dan tijdsevenredig
verlaagd en wordt slechts rekening gehouden met de waarde van de verzekerde
prestaties genoten in de periode waarover
ook de no-claimteruggave
wordt berekend. Hetzelfde geldt indien de zorgverzekering op een
andere dag dan 1 januari van dat jaar is ingegaan of geëindigd. Voor verzekerden die gedurende het kalenderjaar naar een
andere zorgverzekeraar
overstappen, kan dit een voordeel met zich brengen ten opzichte van
verzekerden die niet overstappen. Het opheffen van dit voordeel weegt
echter niet op tegen de toename van de administratieve rblz.|123| lasten die
daarvan voor de zorgverzekeraars het gevolg zou zijn (zie ook de toelichting
op artikel 21). Evenredige vermindering geldt echter niet indien de verzekerde
op basis van verschillende zorgverzekeringen het gehele jaar bij
dezelfde zorgverzekeraar verzekerd is geweest. Aangezien de no-claimteruggave niet
afhankelijk is van de variant van de zorgverzekering die voor de verzekerde
geldt, kan in dit geval gewoon de in het eerste lid
neergelegde hoofdregel gelden.
In de
AMvB, bedoeld in
het vijfde lid, zal in ieder geval worden geregeld dat de waarde van genoten
verloskundige zorg en kraamzorg niet meetelt voor het bepalen van de
waarde van de genoten prestaties. Hetzelfde geldt voor 75% van de
waarde van huisartsenzorg (met dien verstande dat deze zorg gezien de functiegerichte aanspraken in de
AMvB op grond van artikel 11, derde lid,
anders zal worden omschreven). De Europese Code inzake sociale zekerheid
met bijbehorend protocol van de Raad van Europa en de Verdragen 102, 103 en 121 (alsmede de
tengevolge van de
Zvw op te zeggen Verdragen 24 en 25) van de Internationale Arbeidsorganisatie geven hier aanleiding
toe. Voorts zal geregeld worden dat niet meetellen zorggebonden eigen bijdragen die de verzekerde direct aan de
zorgaanbieder dient te
betalen (zie artikel 11, derde lid). Op dit moment gaat het om bijdragen
voor vervoer, hulpmiddelen en geneesmiddelen.
In het voorgaande is
reeds aangegeven dat de wijze waarop de waarde van in natura verleende
prestaties wordt berekend, in de in het vijfde lid bedoelde AMvB zal worden
geregeld (vijfde lid, onderdeel a). Ook zal de AMvB regelen binnen welke
termijn en op welke wijze de no-claimteruggave wordt betaald (vijfde
lid, onderdeel b). Het is mogelijk dat de rekening van de zorgaanbieder over
enig kalenderjaar de verzekeraar pas bereikt nadat hij de
no-claimteruggave over dat jaar heeft uitgekeerd. In de AMvB, bedoeld in het
vijfde lid, zal worden geregeld hoe hier mee om te gaan (onderdeel c).
Het bedrag van de no-claimteruggave zal in ieder geval ieder jaar worden
geïndexeerd. Ook de wijze waarop die indexering plaatsvindt, zal in de
AMvB worden geregeld. De indexering zelf zal bij ministeriële regeling
plaatsvinden (vijfde lid, onderdeel d).
§ 3.6. Overige
bepalingen
Artikel 23 (verhouding
tussen eigen betalingen; volgorde en wijze waarop eigen betalingen
in mindering worden gebracht op no-claimteruggave of
eigen risico)
Eerste lid [zie tweede lid,
red.]
Zorggebonden eigen
bijdragen dienen niet te worden meegeteld voor de beantwoording van de
vraag of een overeengekomen bedrag aan eigen risico is bereikt (boven
welk de zorgverzekeraar gaat betalen). Hetzelfde geldt voor de kosten die
op grond van artikel 13, eerste lid, voor rekening van de verzekerde
blijven. Dit wordt in het eerste lid geregeld.
Tweede lid [zie derde
lid, red.]
Heeft een verzekerde
behoefte aan tot het verzekerde pakket behorende zorg, dan kunnen de
kosten daarvan om drie redenen toch, al dan niet gedeeltelijk, voor zijn
rekening blijven:
1. er geldt een
zorggebonden eigen bijdrage (artikel 11, derde lid);
2. de verzekerde heeft
krachtens zijn zorgpolis slechts recht op een gedeeltelijke
kostenvergoeding, aangezien hij krachtens die polis naar een gecontracteerde
zorgaanbieder moest, maar naar een niet-gecontracteede zorgaanbieder is gegaan
(artikel 13);
rblz.|124|
3. krachtens de
zorgverzekering geldt een eigen risico en dit bedrag is nog niet overschreden
(artikel
17 e.v.).
De wijze waarop
dergelijke "eigen betalingen" in mindering worden gebracht op de
no-claimteruggave of een eigen risico hangt af van de vraag of de zorgpolis
uitgaat van betaling van de rekening van de zorgaanbieder door de zorgverzekeraar
(natura, restitutie met betalingsovereenkomsten) of uitgaat van betaling
van de rekening door de verzekerde, die vervolgens van zijn
zorgverzekeraar de kosten vergoedt krijgt (restitutie zonder
betalingsovereenkomsten). Het volgende voorbeeld, waarin ervan wordt
uitgegaan dat voor de genoten zorg geen zorggebonden eigen bijdrage geldt en
waarin ook de situatie, bedoeld in artikel 13, niet speelt, maar waarin
wel voor een eigen risico is gekozen, moge dit verhelderen.
Betaalt de
zorgverzekeraar krachtens de in de zorgpolis verwoorde zorgverzekering de rekening van de
zorgaanbieder (dat wil zeggen, de verzekerde prestaties zijn in natura
of er is sprake van restitutie met een betalingsovereenkomst),
dan is te verwachten dat de zorgverzekeraar de waarde van de verzekerde prestaties die hij in een kalenderjaar aan de
verzekerde verleent
eerst in mindering wenst te brengen op de no-claimteruggave (dit vermindert immers
het aantal vorderingen op de verzekerde). Is de no-claimteruggave geheel
"geconsumeerd", dan zal de
verzekeraar de waarde van
de verleende zorg, tot aan het door de verzekeringnemer voor de desbetreffende
verzekerde gekozen eigen risico, bij de verzekeringnemer in rekening brengen. Heeft de verzekerde dan nog meer
zorg nodig, dan levert of
betaalt de zorgverzekeraar zonder dat er nog vorderingen op de
verzekeringnemer zijn.
Worden krachtens de
zorgverzekering slechts kosten gerestitueerd (restitutie zonder betalingsovereenkomsten), dan zal de verzekeraar waarschijnlijk
eerst een eigen risico
willen aanspreken. Door de verzekerde ingediende rekeningen
vergoedt hij dan niet, totdat de som van de rekeningen het eigenrisicobedrag dat
van toepassing is, overschrijdt. Het meerdere gaat hij
vervolgens vergoeden, maar tegelijkertijd brengt hij de vergoede bedragen in
mindering op de no-claimteruggave. Pas indien aldus ook de
no-claimteruggave geheel is "geconsumeerd", zal de verzekeraar niet anders meer doen dan
het volledig vergoeden van de ingediende rekeningen.
Uit het voorgaande blijkt
dat de volgorde waarin de no-claimteruggave en het eigen risico worden
aangesproken afhankelijk is van de mate waarin
de verzekeraar direct de
zorgaanbieder betaalt. Dit is aan de zorgverzekeraar en, via de keuze voor een
bepaalde zorgverzekering en via artikel 13, in zekere mate ook aan de
verzekerde. Dit maakt het de wetgever onmogelijk om bij of krachtens de wet
de wijze te bepalen waarop het recht op verzekerde prestaties,
eigen risico en de no-claimteruggave op elkaar inwerken. De enige
uitzondering hierop betreft het eerste lid van artikel
23: zorggebonden eigen
bijdragen en uit artikel 13 voortvloeiende eigen betalingen mogen niet
meetellen bij de vraag of een eventueel eigen risico wordt
overschreden. Omdat het aan de andere kant van groot belang is dat de
verzekeringnemer weet welke rechten en verplichtingen hij heeft, bepaalt
artikel 23, tweede lid, dat de zorgverzekeraar in iedere modelovereenkomst regelt
hoe de eigen betalingen voor het overige op het eigen risico en de no-claimteruggave inwerken.
rblz.|125|
Artikel 24
(opschorting
rechten en plichten uit de zorgverzekering gedurende
detentie)
Een verzekerde die
tengevolge van een rechterlijke uitspraak gedetineerd wordt, is gedurende zijn
detentie aangewezen op de geneeskundige zorg die hem door of namens de
Minister van Justitie voor rekening van die minister wordt verstrekt.
Zonder nadere maatregelen zou de verzekerde gedurende zijn detentie
premie blijven betalen, zonder dat hij van zijn rechten uit de
zorgverzekering gebruik zou hoeven te maken. Met het oog hierop bepaalt het
voorliggende artikel dat de rechten en plichten uit de zorgverzekering van
rechtswege worden opgeschort over de perioden waarover de Minister van
Justitie verantwoordelijk is voor de zorgverlening. Zodra de detentie
eindigt, herleven deze rechten en plichten derhalve weer.
Voor opschorting van de
verzekering in plaats van beëindiging van de verzekeringsplicht (en
daarmee automatisch beëindiging van een zorgverzekering, zie artikel
6, eerste
lid, onderdeel d) is gekozen om de kring van
verzekeringsplichtigen niet nodeloos te verkleinen. Bovendien heeft dit voor de gedetineerde
verzekerde het voordeel dat hij geen nieuwe verzekering hoeft te
sluiten zodra hij vrij is gekomen.
Op grond van het tweede
lid dient de verzekerde (of zijn verzekeringnemer) het begin en einde van
zijn detentie aan de zorgverzekeraar te melden. De
zorgverzekeraar weet dan over welke periode hij geen premie heft en geen verzekerde
prestaties hoeft te verstrekken. Is het einde van de detentie niet gemeld
en meldt de verzekerde zich alsnog voor een verzekerde prestatie bij
zijn zorgverzekeraar, dan kan de verzekerde (of zijn verzekeringnemer) een
vordering ter zake van achterstallige premie tegemoet zien ter hoogte
van de
gemiste premies te rekenen vanaf het moment waarop de detentie
eindigde. Het moment van herleving van de verzekering - en daarmee van de
premieplicht - is ingevolge het eerste lid immers de dag waarop de
detentie eindigt, niet de dag waarop de verzekerde het einde van de detentie
aan zijn verzekeraar meldt. De periode waarover de
achterstallige premie van ex-gedetineerden kan worden gevorderd, bedraagt vijf
jaar, te rekenen van iedere premievervaldag (zie artikel 3:308 BW). Aldus is
er voldoende belang bij de (voormalig) gedetineerde gecreëerd om het einde
van zijn detentie tijdig te melden.
Artikel
8, tweede lid,
verbiedt het de zorgverzekeraar een zorgverzekering gedurende de periode van
detentie te beëindigen. Dat zou immers betekenen dat de gedetineerde
gedurende zijn detentie een nieuwe zorgverzekering zou moeten sluiten (zijn
verzekeringsplicht loopt immers door) en met een boete
zou worden geconfronteerd indien hij dit niet aansluitend op het einde
van de eerdere verzekering doet (artikel 95 [96]). Mede gezien het feit dat de
rechten en plichten uit de nieuwe zorgverzekeringsovereenkomst gedurende de
rest van
zijn detentie onmiddellijk weer zouden worden opgeschort,
zal het belang bij het aansluitend sluiten van een nieuwe overeenkomst
bij de gedetineerde echter niet altijd duidelijk zijn. Om de gedetineerde
niet onnodig met het risico van een boete te belasten, mag de
verzekeraar de "slapende" zorgverzekering voor een gedetineerde niet
opzeggen.
Het slapend houden van de
verzekering levert de zorgverzekeraar enige extra administratieve
lasten op. Dat wordt echter ruimschoots gecompenseerd door het feit dat hij
voor iedere zorgverzekeringsovereenkomst - derhalve ook voor de
slapende overeenkomst van de gedetineerde - een bijdrage uit het Zorgverzekeringsfonds ontvangt
(artikelen 32 en 35).
rblz.|126|
Hoofdstuk 4. De
zorgverzekeraars
§ 4.1. De
aanmelding, de statuten en het werkgebied
Vooraf
Zoals in het voorgaande
- en met name in de toelichting op artikel 1, onderdeel a
en b - reeds aan de orde is geweest, is een zorgverzekeraar een
verzekeringsonderneming als bedoeld in de eerste richtlijn schadeverzekering.
Dat heeft twee gevolgen.
Ten eerste betekent dit dat een rechtspersoon die zorgverzekeringen wil
aanbieden en uitvoeren, dient te beschikken over een vergunning tot
uitoefening van het schadeverzekeringsbedrijf voor "branche 1.
ongevallen (inclusief arbeidsongevallen en beroepsziekten)" alsmede
voor "branche 2. ziekte". Ten tweede betekent dit dat het niet is
toegestaan verzekeringsondernemingen die in het bezit zijn van zo’n
vergunning voor deze branches nog andere voorwaarden voor toetreding tot de
zorgverzekeringsmarkt op te leggen. De EU-richtlijnen schadeverzekeringen gaan
namelijk uit van het beginsel dat één vergunning - te weten
de in die richtlijnen geregelde vergunning tot uitoefening van het
schadeverzekeringsbedrijf - dient te volstaan voor toegang tot alle
EU-schadeverzekeringsmarkten voor de branches waarvoor de vergunning geldt.
Het verbod om extra
voorwaarden voor toetreding tot de zorgverzekeringsmarkt op te leggen, laat echter
onverlet dat verzekeraars op grond van het algemeen belang
voorwaarden kunnen worden opgelegd waaraan zij zich bij de uitvoering
van zorgverzekeringen dienen te houden. Deze
uitvoeringsvoorwaarden worden voor een belangrijk deel in voorliggend hoofdstuk geregeld.
Voordat deze
artikelsgewijs worden besproken, wordt hier echter ingegaan op het eerste gevolg van
de toepasselijkheid van de richtlijnen schadeverzekeringen. Oftewel: aan welke eisen
moet een rechtspersoon voldoen, wil hij een
vergunning tot uitoefening van het schadeverzekeringsbedrijf kunnen krijgen en
derhalve - mits de vergunning is afgegeven voor de
schadeverzekeringsbranches 1 en 2 - zorgverzekeringen kunnen aanbieden en uitvoeren?
Duidelijk zal worden dat de geldende eisen reeds een behoorlijk
aantal waarborgen bieden op een correcte uitvoering van de krachtens deze wet
te sluiten zorgverzekeringen.
Verlening vergunning tot
uitoefening van het schadeverzekeringsbedrijf
Op grond van de
EU-richtlijnen schadeverzekering mogen rechtspersonen binnen de EU slechts het
schadeverzekeringsbedrijf uitoefenen indien zij beschikken over een
vergunning die het hen toestaat in die branche van het
schadeverzekeringsbedrijf werkzaam te zijn waarin zij willen werken (zie voor de
verschillende branches de bijlage bij de eerste richtlijn
schadeverzekering). Zorgverzekeraars zullen
een vergunning moeten hebben voor de uitoefening van
het schadeverzekeringsbedrijf "branche 1. ongevallen (inclusief
arbeidsongevallen en beroepsziekten)" alsmede voor "branche 2.
ziekte".
Voor
(aspirant-)verzekeraars
met zetel in Nederland en voor verzekeraars met zetel buiten de EU
maar met een bijkantoor in Nederland, wordt de vergunning verleend door
de PVK (artikelen 24 e.v. Wtv
1993). Voor (aspirant-)verzekeraars met zetel in
een andere EU-lidstaat dan wel met zetel buiten de EU maar met een bijkantoor in een andere
EU-lidstaat, wordt de
vergunning verleend door
de autoriteit die krachtens de richtlijnen schadeverzekering in de desbetreffende
lidstaat toezicht houdt op de daar gevestigde verzekeraars.
Een verzekeraar met een vergunning van een toezichthoudende
autoriteit van een andere lidstaat zal overigens nog wel aan bepaalde, bij en
krachtens de Wtv
1993 gestelde voorwaarden moeten rblz.|127| voldoen, wil hij in
Nederland het verzekeringsbedrijf rechtmatig kunnen uitoefenen. Deze
voorwaarden zijn afhankelijk van de vraag of hij zijn werkzaamheden verricht
vanuit een bijkantoor, en zo ja, waar de vestigingsplaats van dat kantoor is (in
Nederland, in een andere lidstaat of buiten de EU).
Het hebben van een
vergunning van een toezichthoudende autoriteit van één der lidstaten van
de EU is van belang, omdat het een waarborg geeft dat de verzekeraar aan
toezicht is onderworpen. Dit toezicht beoogt ervoor te zorgen dat een
verzekeraar aan zijn uit zijn verzekeringsovereenkomsten voortvloeiende verplichtingen zal kunnen voldoen.
De belangrijkste
voorwaarden waaraan een aspirant-schadeverzekeraar met zetel in Nederland
moet voldoen, wil de PVK hem een vergunning verlenen, kunnen als
volgt worden omschreven:
- de aanvrager moet
rechtspersoon zijn, en wel een naamloze vennootschap (NV), een onderlinge
waarborgmaatschappij of, zodra deze bestaat, een Europese
vennootschap (artikel 28, eerste lid, Wtv
1993);
- een NV of Europese
vennootschap heeft ten minste drie commissarissen als bedoel in artikel
2:140 BW (artikel 28, derde lid, Wtv
1993);
- het dagelijks beleid
van de rechtspersoon wordt bepaald door ten minste twee personen (artikel
28, tweede lid, Wtv
1993);
- de deskundigheid van
de personen die het dagelijks beleid van de verzekeraar (zullen)
bepalen, alsmede, indien de verzekeraar deel zal uitmaken van een groep
als bedoeld in de Wtv
1993, de personen die het dagelijks beleid van
die groep bepalen voor zover dat beleid het dagelijks beleid van de verzekeraar mede bepaalt of zal bepalen, dient voldoende te zijn (artikel
29, eerste en derde lid, Wtv
1993);
- de voornemens,
handelingen of antecedenten van de personen die het beleid van de verzekeraar
(mede) (zullen) bepalen respectievelijk, in geval van een groep, het
beleid van de groep (mede) bepalen voor zover daarmee het beleid
van de verzekeraar mede wordt of zal worden bepaald, dienen
geen twijfel te laten bestaan over de vraag of de verzekeraar aan zijn
uit de verzekeringsovereenkomsten voortvloeiende verplichtingen zal kunnen
voldoen (artikel 29, tweede en vierde lid, Wtv
1993);
- indien de
aspirant-verzekeraar onderdeel is van een groep, dient de formele en feitelijke
zeggenschapsstructuur zo te zijn ingericht dat de PVK adequaat toezicht op
de verzekeraar kan houden (artikel 28, vijfde lid, Wtv
1993);
- de
aspirant-verzekeraar legt een programma van werkzaamheden over dat voldoet aan bij
ministeriële regeling gestelde regels (artikel 25 Wtv
1993);
- de
aspirant-verzekeraar is voldoende solvabel (artikel 32, onderdeel a,
Wtv
1993);
- de
aspirant-verzekeraar beschikt over de financiële middelen om de inrichting van de
administratie en van het productienet te financieren (artikel 32, onderdeel
b, Wtv
1993).
Indien voor de eerste
maal een vergunning wordt aangevraagd, dient de aanvrager (opdat de PVK
aan de bovengenoemde voorwaarden kan toetsen) op grond van
artikel 26, eerste lid, Wtv
1993 naast het programma van werkzaamheden aan de
PVK over te leggen:
a. een authentiek
afschrift van de akte van oprichting, een exemplaar van zijn statuten, alsmede
een lijst met namen en adressen van zijn bestuurders en
commissarissen;
b. een lijst met namen en
adressen van de personen die het dagelijks beleid bepalen van de
groep waartoe de aanvrager behoort en tevens uit dien hoofde het
dagelijks beleid van de aanvrager mede bepalen;
c. een lijst met namen en
adressen van de personen die het beleid rblz.|128| bepalen of mede bepalen
van de groep waartoe de aanvrager behoort en tevens uit dien hoofde
het beleid van de aanvrager mede bepalen;
d. gegevens over de
identiteit van degenen die een gekwalificeerde deelneming houden in de onderneming
van de aanvrager alsmede over de omvang van die
deelneming;
e. gegevens over de
formele en de feitelijke zeggenschapsstructuur van de groep waartoe de
aanvrager behoort.
De PVK vraagt de AFM in
het kader van zijn toetsing van de deskundigheid en betrouwbaarheid van
degenen die het (dagelijks) beleid van de verzekeraar - al dan
niet vanuit de groep - zullen (mede) bepalen of haar informatie over de
betrokken personen bekend is, en zo ja, betrekt deze in haar toetsing. Dat hebben
de PVK en de AFM afgesproken in het Convenant tussen de AFM, de
Nederlandsche Bank en de PVK van 9 september 2002 (Stcrt. 2002, 179).
Hetzelfde geldt voor de vraag of de voorgenomen bedrijfsvoering aan de
daarvoor geldende gedragsregels (zie hierna) zal voldoen.
Indien aan de
vergunningsvoorwaarden is voldaan, dient de PVK de vergunning voor de door
de verzekeraar gevraagde branche(s) te verstrekken (artikel 35 Wtv
1993).
Voor de voorwaarden
waaraan de PVK toetst ingeval een rechtspersoon met zetel buiten de EU in
Nederland een bijkantoor wil openen, wordt verwezen naar de
artikelen 39 tot en met 49 Wtv
1993.
Toezicht op
schadeverzekeraars
Heeft een verzekeraar
eenmaal een vergunning tot het uitoefenen van het verzekeringsbedrijf voor
één of meer branches van schadeverzekering, dan dient hij bij de
daadwerkelijke uitoefening van dat verzekeringsbedrijf te voldoen aan de eisen
van de schaderichtlijnen, zoals deze in de wetgeving van de diverse
lidstaten
is geïmplementeerd. Voor verzekeraars met zetel in Nederland en
voor verzekeraars met zetel buiten de EU maar met een bijkantoor in
Nederland gaat het derhalve om de eisen die de Wtv
1993 stelt. Eén van de
belangrijkste voorwaarden die de Wtv 1993 met het oog op de financiële
soliditeit aan verzekeraars stelt, is dat zij toereikende technische voorzieningen
aanhouden die volledig door waarden zijn gedekt (artikelen 66 en 94 Wtv
1993). Aldus wordt beoogd zeker te stellen dat de verzekeraar aan zijn
toekomstige verplichtingen jegens zijn verzekerden kan voldoen. In het
Besluit technische voorzieningen verzekeringsbedrijf 1994 zijn regels gesteld
over de berekening en de belegging van de technische voorzieningen.
Voorts dienen de verzekeraars te beschikken over de vereiste
solvabiliteitsmarge.
Zowel de PVK als de AFM
zien toe op de navolging, door de verzekeraars, van de bij en krachtens
de Wtv
1993 gestelde eisen. In eerder genoemd convenant geldt als
uitgangspunt dat de PVK de bedrijfsvoering integraal toetst en een specifieke
toets verricht op het onderdeel dat tot zijn specifieke toezichtsterrein
behoort,
te weten het prudentiële toezicht (dat wil zeggen het toezicht op de
financiële soliditeit van de verzekeraars). In dat verband houdt hij
toezicht op:
- het management
(deskundigheid en betrouwbaarheid - zowel individueel als collectief -
structuur, besluitvormingsproces, strategisch planningsproces en
risicohouding);
- de organisatie
(organisatiestructuur inclusief groepsrelaties, rapportagelijnen en verantwoordelijkheidsstructuur);
- het beheerssysteem
(risicobeheer, ICT/EDP, AO/IC, verslaggeving en rapportage, integere
bedrijfsvoering, compliance en personeelsbeleid).
rblz.|129|
De Wtv
1993 kent de PVK
diverse toezichts- en sanctiemogelijkheden toe. Zo kan de PVK een
verzekeraar een aanwijzing geven en de verzekeraar, indien deze de aanwijzing
onvoldoende opvolgt, onder stille curatele plaatsen of de aanwijzing
in de Staatscourant en andere dagbladen publiceren (artikel 54 Wtv
1993) en
kan
de PVK de verzekeraar de vrije beschikking over (een gedeelte van)
zijn waarden ontzeggen of hem opdragen een herstelplan of een
saneringsplan voor zijn solvabiliteitsmarge in te dienen (artikelen 137 tot en met
140a en 143 tot en met 146a Wtv
1993). Voorts kan de PVK lasten onder dwangsom
of bestuurlijke boeten opleggen (artikelen 188b tot en met 188m
Wtv
1993). In geval van dreigende betalingsonmacht van een verzekeraar kan de
PVK de rechtbank vragen de noodregeling uit te spreken of het
faillissement aanvragen (artikelen 155 tot en met 172 Wtv
1993). En uiteraard kan de PVK
de vergunning, al dan niet slechts voor een bepaalde branche,
intrekken (artikel 148 Wtv
1993).
De AFM houdt, zo is in
het convenant neergelegd, toezicht op de gedragstypische aandachtsgebieden van de
bedrijfsvoering, te weten - wat betreft verzekeraars - op:
- de marktintegriteit
(deskundigheid en betrouwbaarheid, functiescheiding en "Chinese walls",
gebruik voorwetenschap en koersmanipulatie);
- de
consumenteninformatie en -advisering (presentatie productkenmerken, beschikbaarstelling).
Zolang de Wet op het financieel
toezicht niet in werking is getreden en de positie van de AFM in het
toezicht op de verzekeraars nog nauwelijks - namelijk slechts wat
betreft het toezicht op de uitvoering van artikel 51 van die wet - bij of
krachtens de Wtv
1993 is verankerd,¹ is de situatie in vrijwel alle gevallen
zo
dat de AFM een door haar geconstateerde overtreding aan de PVK mededeelt,
waarna de PVK een toezichtsinstrument - bijvoorbeeld in geval van
een ernstige overtreding het intrekken van de Wtv-vergunning - kan
toepassen. De AFM kan derhalve - behalve bij overtreding van artikel
51 Wtv
1993 - de verzekeraar niet zelf een sanctie opleggen.
1. Zie echter ook het wetsvoorstel
houdende regels voor de
financiële dienstverlening (Wet
financiële dienstverlening), Kamerstukken II
2003-2004, 29 507, nrs. 1-3.
Intrekking vergunning tot
uitoefening van het schadeverzekeringsbedrijf
Een vergunning tot
uitoefening van het schadeverzekeringsbedrijf kan worden ingetrokken of zo
worden gewijzigd dat de verzekeraar bepaalde branches van het
schadeverzekeringsbedrijf niet meer mag uitoefenen. Deze intrekking geschiedt
door het orgaan dat de vergunning heeft verleend, voor in
Nederland zetelende verzekeraars en voor verzekeraars met zetel buiten de EU
maar met een bijkantoor in Nederland derhalve door de PVK. Artikel 148 Wtv
1993 bepaalt dat de PVK een vergunning - al dan niet slechts voor bepaalde branches
- kan intrekken indien de verzekeraar:
a. daar om vraagt;
b. niet meer voldoet aan
de eisen die voor het verkrijgen van de vergunning zijn gesteld;
c. niet tijdig de
solvabiliteitsmarge op de vereiste omvang heeft gebracht;
d. ernstig in gebreke
blijft aan de verplichtingen hem bij of krachtens de wet opgelegd te voldoen;
e. de bedrijfsuitoefening
in de betrokken branche gedurende meer dan zes maanden heeft
gestaakt; of
f. binnen twaalf maanden
na de verlening van de vergunning daarvan geen gebruik heeft
gemaakt.
Artikel 151
Wtv
1993 bepaalt dat de Wtv-vergunningen van rechtswege vervallen indien de
verzekeraar ophoudt te bestaan.
rblz.|130|
Samenvattend
Een rechtspersoon kan de
zorgverzekeringsmarkt betreden zodra hij in het bezit is van een
vergunning tot uitoefening van het schadeverzekeringsbedrijf voor "branche 1.
ongevallen (inclusief arbeidsongevallen en beroepsziekten)" alsmede
voor "branche 2. ziekte". De PVK of het zusterorgaan van de PVK in de
lidstaat waar de verzekeraar zijn zetel heeft, houdt er toezicht op dat
de verzekeraar aan zijn verzekeringsverplichtingen kan voldoen en kan
maatregelen treffen indien een verzekeraar daar niet aan voldoet. Als
uiterste sanctie kan de vergunning tot uitoefening van het
schadeverzekeringsbedrijf worden ingetrokken.
Artikel 25
(aanmelding en
overlegging modelovereenkomsten)
Zoals in het voorgaande
reeds is aangestipt, verbieden de EU-richtlijnen schade het een
verzekeraar die een vergunning heeft tot uitoefening van het
schadeverzekeringsbedrijf voor branches 1 en 2 nog nadere voorwaarden op te leggen, willen zij
zorgverzekeringen mogen aanbieden.
De voorafgaande melding
en overlegging van de modelovereenkomsten, waartoe de eerste twee
leden van artikel 25 de schadeverzekeraar verplichten, zijn dan ook geen
toetredingsvoorwaarden tot de zorgverzekeringsmarkt. Anders gezegd: een
verzekeraar die zich hier niet aan houdt, kan - mits hij over de juiste
vergunning tot uitoefening van het verzekeringsbedrijf beschikt - toch
zorgverzekeringen aanbieden en sluiten. Hij is dan toch zorgverzekeraar (zie
de definitie in artikel 1, onderdeel b), hetgeen overigens tevens betekent
dat de bepalingen in deze wet die zorgverzekeraars verplichtingen
opleggen
op hem van toepassing zijn. Zo zal ook een zorgverzekeraar die zich
niet heeft gemeld zijn statuten overeenkomstig de in artikel 29 gestelde
eisen moeten inrichten of een uitvoeringsverslag (artikel
38) moeten
opstellen.
De regering vindt het
onvoldoende om het toezicht op de zorgverzekeraars te beperken tot het verzekeringsinhoudelijke toezicht van de PVK en
de AFM. Naast dit
toezicht zal, totdat het in de algemene toelichting aangekondigde
wetsvoorstel dat de instelling van de Zorgautoriteit zal regelen in werking zal
zijn getreden, het CTZ worden belast met die toezichtstaken die
specifiek uit voorliggende wet voortvloeien (zie ook hoofdstuk
7). Sluiten zij
een verzekering die geen zorgverzekering blijkt te zijn, dan voldoen zij
niet aan hun verzekeringsplicht. Dat brengt allereerst met zich dat zij alsnog
een echte zorgverzekering moeten sluiten (met als gevolg dubbele
premiebetaling totdat de eerste verzekering kan worden opgezegd). Voorts
kunnen
zij geconfronteerd worden met een boete (artikel
95 [96]) indien zij hierdoor
te laat verzekerd zijn. (Overigens zullen zij wat betreft die boete
waarschijnlijk veelal een beroep kunnen doen op de in dat artikel opgenomen
uitzonderingsmogelijkheid wegens niet-verwijtbaarheid, maar dit zal hen toch
extra inspanningen kosten). Daarnaast dient dit toezicht het
belang van de maatschappij in het algemeen, omdat aldus kan worden
voorkomen dat vereveningsbijdragen worden verstrekt voor verzekeringen die
geen zorgverzekeringen zijn.
Een belangrijke
mogelijkheid om na te gaan of onder de naam "zorgverzekering" gesloten verzekeringen
ook werkelijk zorgverzekeringen zijn, is na te gaan of de
modelovereenkomsten die de verzekeraars voor hun zorgverzekeringen
hanteren wel voldoen aan de bij en krachtens de hoofdstukken 2 en
3 van
de Zvw gestelde regels. Alleen in dat geval zal een volgens zo’n model
gesloten verzekeringsovereenkomst immers een zorgverzekering zijn.
Met het oog hierop
bepaalt artikel 25 dat een verzekeraar die als zorgverzekeraar wenst te gaan
werken
zich bij het CTZ meldt, onder overlegging van de modelovereenkomst
of modelovereenkomsten volgens welke rblz.|131| hij zorgverzekeringen wil
gaan sluiten. Het CTZ zal voor ieder model nagaan of een volgens dat
model gesloten overeenkomst een zorgverzekering zal zijn. Is dat niet het
geval, dan zal hij de verzekeraar vragen zijn modelovereenkomst aan te
passen. Gebeurt dat niet en brengt de verzekeraar verzekeringen volgens dat
model toch als zorgverzekeringen op de markt, dan zal het CTZ op
grond van artikel 93 [94] Zvw
een aanwijzing kunnen geven of volgens artikel
94 [95] Zvw
een last onder dwangsom op kunnen leggen om dit gedrag te beëindigen. Bovendien komt de schade van
verzekeringsplichtigen
die zo’n verzekering hebben afgesloten in de veronderstelling dat het
om een zorgverzekering ging voor rekening van de verzekeraar (artikel 27
Zvw). Ten slotte krijgt de verzekeraar voor deze verzekering geen
vereveningsbijdrage. Deze verzekeringen zijn immers geen
zorgverzekeringen
en derhalve zijn de door op grond van dergelijke polissen verzekerde personen geen verzekerden in de zin van de
Zvw
(zie
de artikelen 32 en 34 juncto
artikel 1, onderdeel f).
Een verzekeraar die de
zorgverzekeringsmarkt betreedt zonder de in artikel
25 geregelde melding te
hebben gedaan of zijn modelovereenkomsten te hebben overgelegd, kan
een bestuurlijke boete van het CTZ tegemoet zien (artikel 96 [97]
Zvw) en
bovendien krijgt hij geen vereveningsbijdrage (artikel
32, eerste lid, Zvw). Dit
geldt ongeacht de vraag of een op grond van de desbetreffende
modelovereenkomsten gesloten verzekering nu wel of geen zorgverzekering
oplevert. Door middel van een last onder dwangsom (artikel 94 [95]
Zvw) kan het CTZ
ervoor zorgen dat de melding alsnog wordt gedaan en de
modelovereenkomsten alsnog worden overgelegd. Komt het CTZ daarna tot de
conclusie dat één of meer overgelegde modellen geen goede modellen voor
een zorgverzekering zijn, dan geldt weer hetgeen in de voorgaande
alinea beschreven is.
Een verzekeraar is
overigens niet verplicht het oordeel van het CTZ over zijn overgelegde modelovereenkomsten af te wachten. Hij kan derhalve na
de melding en de
overlegging van zijn modelovereenkomst(en) direct de markt betreden. Wel loopt
hij dan een risico. Komt het CTZ op basis van de overgelegde stukken
tot de conclusie dat één of meer modelovereenkomsten geen goede modellen voor
een zorgverzekering zijn, dan wordt hij schadeplichtig jegens
de desbetreffende verzekerden of verzekeringnemers, krijgt hij voor de
desbetreffende verzekeringen geen vereveningsbijdrage en kan het CTZ een
aanwijzing of een last onder dwangsom geven.
Het vooraf melden van de
modelovereenkomsten zou weinig zin hebben indien de
zorgverzekeraars vervolgens zonder voorafgaande melding wijzigingen in die
overeenkomsten zouden kunnen aanbrengen of nieuwe overeenkomsten zouden
kunnen introduceren. Daarom verplicht het derde lid van artikel
25 hen ook wijzigingen in hun modelovereenkomsten of nieuwe
modelovereenkomsten vooraf bij het CTZ aan te melden.
Zoals uit het
voorafgaande reeds kan worden afgeleid, dient het melden en overleggen van de
modelovereenkomsten een algemeen belang als bedoeld in artikel 54 van
de derde schaderichtlijn, te weten consumentenbescherming alsmede het tegengaan van
fraude met vereveningsbijdragen en daarmee het financieel
houdbaar houden van het stelsel. Voorts is de plicht tot melden en
overleggen van de modelovereenkomsten in de ogen van de regering voor
deze doelen objectief noodzakelijk en proportioneel. Overigens dient dit ook
het belang van de verzekeraars, aangezien zij anders niet weten of
en voor welke verzekeringen zij een vereveningsbijdrage kunnen ontvangen.
Om de administratieve
lasten voor zorgverzekeraars te beperken, is in artikel
25 geregeld dat de
melding bij en de overlegging van de modelovereenkomsten rblz.|132| aan het
CTZ dient te geschieden. Het CTZ zal afschriften van de melding aan het CVZ
zenden (artikel 26, derde lid).
De wet schrijft niet voor
hoe lang de termijn moet zijn die ligt tussen een melding of de overlegging
van de modelovereenkomsten en het daadwerkelijk aanbieden van
verzekeringen volgens die modellen. Aangezien de verzekeraar er belang bij
heeft pas modelovereenkomsten aan te bieden op het moment dat hij
weet dat het CTZ deze als goede modellen voor een zorgverzekering
beschouwt, wordt ervan uitgegaan dat de verzekeraar vanzelf zodanig vroeg zal
melden en overleggen dat het CTZ voldoende tijd voor de toetsing is gegund. Het CTZ zal de verzekeraars kenbaar
moeten maken hoeveel tijd
hij doorgaans voor de toetsing nodig heeft.
Artikel 26
(ontvangst van
de melding en van de modelovereenkomsten)
Het niet melden van het
voornemen zorgverzekeringen aan te bieden en uit te voeren, of van
(wijzigingen in) modelovereenkomsten, kan leiden tot een aanwijzing, een last
onder dwangsom of een bestuurlijke boete van het CTZ (artikelen
93 [94], 94 [95]
en 96 [97]). Met het oog op de rechtszekerheid voor de (zorg)verzekeraar regelt
artikel 26 daarom dat het CTZ na een melding een ontvangstbevestiging
zendt. Hetzelfde geldt voor de ontvangst van (wijzigingen in) de
modelovereenkomsten.
De verplichting van het CTZ om in de ontvangstbevestiging de ontvangstdatum te noemen, hangt samen
met het feit dat het te laat melden (namelijk nadat de verzekeraar
reeds verzekeringen als zorgverzekering is gaan verkopen) of het niet
overleggen van (wijzigingen in) modelovereenkomsten kan leiden tot een bestuurlijke boete en tot weigering van de vereveningsbijdrage
voor volgens de
desbetreffende modellen gesloten verzekeringen.
Het derde lid verplicht
het CTZ onverwijld een afschrift van de ontvangen stukken door te zenden
aan het CVZ. Voor het CVZ is dit van belang, aangezien uit
artikel 32,
eerste lid, Zvw volgt dat het slechts een vereveningsbijdrage aan de verzekeraar mag
toekennen indien deze aan de verplichtingen, bedoeld
in artikel 25 Zvw, heeft voldaan. Overigens is het voldoen aan die
verplichtingen een noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarde voor een
vereveningsbijdrage. Immers, voor een vereveningsbijdrage moeten de op grond van
artikel 25 aan het CTZ toegezonden modelovereenkomsten
tevens zorgverzekeringen opleveren (zie de artikelen
32, derde lid,
en 34, tweede lid, juncto de definitie van "verzekerde" in
artikel 1,
onderdeel f, Zvw).
Indien het CTZ in het
kader van zijn toetsing van de overgelegde modelovereenkomsten tot de conclusie
komt dat
bepaalde modelovereenkomsten geen zorgverzekeringen op
zullen leveren, zal hij het CVZ moeten waarschuwen. Het CVZ zal
dan kunnen besluiten om geen vereveningsbijdragen toe te kennen (indien de
verzekeraar tot de zorgverzekeringsmarkt wenst toe te treden en
volgens het CTZ geen van zijn modelovereenkomsten aan het gestelde bij of
krachtens de hoofdstukken 2 en 3 van de
Zvw
voldoet), slechts een
gedeeltelijke bijdrage toe te kennen (indien sommige modelovereenkomsten van
de zorgverzekeraar wel en andere niet aan de eisen die de Zvw
daaraan
stelt, voldoen), de bijdrage op een lager bedrag vast te stellen dan is
toegekend dan wel bijdragen terug te vorderen (indien reeds bijdragen
zijn toegekend of vastgesteld voor verzekeringen die achteraf geen
zorgverzekeringen blijken te zijn; dit zal bijvoorbeeld het geval zijn indien een
reeds op de zorgverzekeringsmarkt aanwezige zorgverzekeraar een model aan zijn
aanbod
toevoegt dat geen zorgverzekering blijkt op te leveren).
rblz.|133|
Het CVZ zal de
modelovereenkomsten overigens ook kunnen gebruiken bij zijn taken in het kader
van het pakketbeheer (zie hoofdstuk 6).
Artikel 27
(schadeplichtigheid jegens verzekeringnemers indien verzekering geen
zorgverzekering is)
Een verzekeraar die niet
voldoet aan de uit artikel 25
voortvloeiende verplichtingen kan
desalniettemin zorgverzekeringen op de markt brengen. Echter, niet
alleen loopt hij daarmee een (gedeelte van zijn) vereveningsbijdrage mis
en kan hij een aanwijzing, last onder dwangsom (om de melding alsnog te verrichten en zijn modelovereenkomsten alsnog
over te leggen) of een
boete van het CTZ krijgen, maar ook loopt hij daarmee een risico.
Indien de verzekeringen die hij als zorgverzekering op de markt bracht namelijk
achteraf geen zorgverzekeringen blijken te zijn, heeft hij op grond van
artikel 27 een risicoaansprakelijkheid jegens de verzekeringsplichtige die
volgens zo’n verzekering verzekerd is, dan wel, indien dit een ander is,
degene die zo’n verzekeringsplichtige krachtens die overeenkomst
verzekerd heeft. Hetzelfde geldt uiteraard indien de verzekeraar zijn
modelovereenkomsten wel op grond van artikel 25
heeft overgelegd, maar zich
niets heeft aangetrokken van waarschuwingen van het CTZ dat
overeenkomstig die modellen gesloten verzekeringen geen zorgverzekeringen zullen
opleveren.
De schade kan bestaan
uit:
- de zorg(kosten) die
op grond van de ten onrechte door de verzekeraar als zorgverzekering
betitelde verzekering voor rekening van de verzekeringnemer of
verzekerde blijven, terwijl deze niet voor rekening van de verzekeringnemer
of verzekerde zouden zijn gekomen indien de verzekering werkelijk een zorgverzekering zou zijn geweest;
- de premie voor de ten
onrechte als zorgverzekering aangemerkte verzekering, zolang deze
niet kan worden opgezegd.
Omdat het te laat sluiten
van een zorgverzekering de verzekeringsplichtige in dit geval doorgaans
niet verweten kan worden (hij dacht immers met de eerste verzekering aan
zijn verzekeringsplicht te hebben voldaan), zal een boete wegens te laat
verzekeren (artikel 95 [96]) doorgaans niet aan de orde zijn. In het waarschijnlijk zeer beperkte aantal gevallen waarin de verzekeringnemer
of de verzekerde er
jegens de tweede verzekeraar niet in slaagt aannemelijk te maken dat
het te laat verzekeren niet aan hem te wijten is, komen echter ook deze
kosten voor rekening van de eerste verzekeraar. Artikel 27 introduceert
immers een risicoaansprakelijkheid voor de eerste verzekeraar.
Artikel 28
(eisen aan de
statuten van de zorgverzekeraar)
In het kader van het
algemeen belang (consumentenbescherming) stelt artikel 28 enkele eisen
aan de statuten van de zorgverzekeraars en daarmee aan hun
werkwijze.
Eerste lid, onderdeel a
Onderdeel
a eist dat de
statuten van de verzekeraar voorzien in intern toezicht. Wat betreft
Nederlandse verzekeraars gaat het hierbij om een raad van commissarissen.
Grote onderlinge waarborgmaatschappijen en grote NV’s dienen op
grond van de artikelen 2:63f en 2:158 BW
al een raad van commissarissen met
ten minste drie leden te hebben. Op grond van artikel 28, derde lid, Wtv
1993 dienen daarnaast ook andere NV’s die het verzekeringsbedrijf
willen uitvoeren ten minste drie commissarissen te hebben. Onderdeel a zal
er naar verwachting toe leiden dat ook "kleine" onderlinge
waarborgmaatschappijen, die daar anders dan grote onderlinge rblz.|134|
waarborgmaatschappijen en NV’s niet al op grond van het BW
of de Wtv
1993 toe verplicht
zijn, zo’n raad zullen instellen. Deze kan uit één of meer natuurlijke personen
bestaan (artikel 2:57, eerste lid, BW). De reden waarom de regering
voorstelt om ook voor "kleine" onderlinge waarborgmaatschappijen die als zorgverzekeraar
willen gaan werken een vorm van intern toezicht te eisen,
is dat zij, net als het CVZ
in zijn rapport "Goed verzekeraarschap en
toelatingsvoorwaarden voor ziekenfondsen" (26 oktober 2000, publicatienummer 00/34), het wenselijk vindt dat iedere
zorgverzekeraar een vorm
van intern toezicht op het bestuur kent. Voor grote onderlinge
waarborgmaatschappijen brengt onderdeel a met zich dat het CTZ zelf toetst
of de op grond van het BW reeds verplichte raad ook daadwerkelijk in de
statuten is voorzien; hetzelfde geldt voor de "kleine" onderlinge
waarborgmaatschappijen. Voor NV’s kan het CTZ afgaan op het oordeel van
de PVK dat in de afgifte van de vergunning tot het uitoefenen van het
schadeverzekeringsbedrijf besloten ligt.
Overeenkomstig hetgeen in
de artikelen 2:57 en 2:140 BW
ten aanzien van de raad van
commissarissen is geregeld, is in onderdeel a opgenomen dat het intern toezicht in
moet houden toezicht op het beleid van het bestuur en op de algemene gang
van zaken in de rechtspersoon en de daarmee verbonden onderneming. Voor Nederlandse rechtspersonen gelden daarnaast
uiteraard ook nog de
overige uit eerder genoemde BW-artikelen voortvloeiende taken
alsmede, voor grote onderlinge waarborgmaatschappijen en grote NV’s, de taken
die uit de artikelen 2:63j respectievelijk 2:164 BW
voortvloeien. Ook de
overige in het BW geregelde bepalingen inzake de (raden van)
commissarissen (benoeming, bezoldiging, ontslag, enz.) zijn uiteraard van
toepassing.
Rechtspersonen naar het
recht van een andere EU-lidstaat zullen, willen zij rechtmatig als
zorgverzekeraar kunnen werken, moeten zorgen voor intern toezicht dat ten minste
aan de in onderdeel a genoemde eisen voldoet. Dit laat onverlet dat zij
naar het recht van de lidstaat waar zij hun zetel hebben mogelijk ook nog
aan andere eisen moeten voldoen.
Eerste lid, onderdeel b,
alsmede tweede lid
Invloed van verzekerden
op het beleid van de zorgverzekeraar is één van de wijzen waarop kan
worden gewaarborgd dat de zorgverzekering een sociale verzekering
blijft. Zoals in het algemene deel van deze toelichting is aangegeven,
verplichten ook diverse verdragen tot het regelen van een invloed van de
verzekerden. Zo nodig kunnen bij AMvB regels worden gesteld over de mate van
invloed die verzekerden ten minste dienen te hebben.
Eerste lid, onderdeel c
Een onderlinge
waarborgmaatschappij moet zich ten doel stellen met haar leden verzekeringsovereenkomsten te sluiten
(artikel 2:53, tweede lid, BW). Indien de onderlinge waarborgmaatschappij ontbonden wordt, zijn
personen die op dat
moment lid waren, dan wel wier lidmaatschap minder dan één jaar tevoren is
geëindigd, aansprakelijk voor een tekort (artikel 2:55 BW).
Zonder nadere regeling
zouden derhalve (gewezen) verzekeringnemers bij een onderlinge waarborgmaatschappij bij ontbinding verplicht zijn in
tekorten bij te dragen.
Dit vindt de regering onwenselijk. Zij wenst de hier bedoelde
aansprakelijkheid uit te sluiten. Dit vormt de eerste reden om in onderdeel
c te bepalen
dat de statuten iedere verplichting van (gewezen) verzekeringnemers om in
eventuele tekorten bij te dragen uit moeten sluiten
rblz.|135|
Daarnaast is het zo, dat
de onderlinge waarborgmaatschappijen ook met niet-leden verzekeringen
mogen sluiten, mits dit niet in een zodanige mate geschiedt dat de
overeenkomsten met de leden van ondergeschikte betekenis worden en mits
in de statuten wordt bepaald dat iedere verplichting van leden of oud-leden om in de tekorten bij te dragen, is
uitgesloten (artikel
2:53, derde en vierde lid, BW). Dit vormt een tweede reden voor onderdeel
c.
Onderlinge
waarborgmaatschappijen zullen derhalve aan het slot van hun naam de letters
UA
(uitsluiting van aansprakelijkheid; artikelen 2:54, tweede lid, en 2:56 BW) moeten
dragen.
Hoewel het minder voor de
hand ligt dat de statuten van NV’s iets regelen over een bijdrageplicht
van verzekeringnemers, leidt onderdeel c er voorts toe dat ook dat niet is
toegestaan. Hetzelfde geldt indien krachtens de statuten niet (gewezen)
verzekeringnemers, maar de (gewezen) verzekerden aansprakelijk zouden
(kunnen) worden gesteld.
Artikel 29
(werkgebied)
Zorgverzekeraars dienen
alle verzekeringsplichtigen die in hun werkgebied wonen als verzekerde te
accepteren (artikel 3, eerste lid). In principe is het werkgebied van een
zorgverzekeraar heel Nederland (artikel 29, eerste lid). Het onverkort
vasthouden aan deze eis zou echter een belemmering kunnen vormen voor het
toetreden tot de markt en daarnaast acht de regering het onwenselijk
kleinere verzekeraars het regionaal werken te verbieden. Daarom is in
het tweede lid bepaald dat een zorgverzekeraar zijn werkgebied tot één
of meer gehele provincies van Nederland mag beperken indien hij
minder dan 850 000 verzekerden heeft. Dit aantal is vooral ingegeven door de
verhoudingen in de huidige markt van zorg- en ziektekostenverzekeringen.
De ervaring leert dat goede en slechte risico’s niet gelijkelijk over
Nederland zijn verspreid: gemiddeld genomen zijn mensen in de (grote)
steden ongezonder dan mensen die elders in Nederland wonen. Om risicoselectie
te voorkomen, moet een kleine verzekeraar wel steeds een gehele provincie bedienen.
De beantwoording van de
vraag of in enig jaar landelijk moet worden gewerkt, geschiedt aan de
hand van het gemiddelde aantal verzekerden in het tweede jaar
voorafgaande aan het jaar waarvoor de beantwoording geschiedt. Aangezien het
CVZ in het kader van het berekenen van de vereveningsbijdrage van
iedere zorgverzekeraar op sofinummer de verzekerden binnenkrijgt (artikel
35), is
voor het CTZ door middel van navraag bij het CVZ (hoeveel
verzekerden heeft zorgverzekeraar x?) gemakkelijk na te gaan of een verzekeraar
zich wel aan artikel 29 houdt.
Het vierde lid schept een
mogelijkheid om oneigenlijk gebruik tegen te gaan. Het is bijvoorbeeld
niet de bedoeling dat een regionaal werkende verzekeraar die het
aantal van 850 000 verzekerden dreigt te overschrijden aan de plicht tot
landelijk werken ontkomt door zijn werkzaamheden geheel over te dragen aan
een nieuw opgerichte zorgverzekeraar (die zonder de in het vierde
lid bedoelde ministeriële regeling vanwege het vertragingseffect in de
telling van verzekerden dan vervolgens ten minste twee jaar regionaal zou
kunnen gaan - of in wezen: blijven - werken).
Ten slotte wordt
opgemerkt dat iedere zorgverzekeraar, of hij nu landelijk of regionaal werkt, alle
in het buitenland wonende verzekeringsplichtigen die een zorgverzekering
met hem willen sluiten, zal moeten accepteren. Dat volgt uit artikel
3,
eerste lid. Voor de reden hiervoor wordt verwezen naar de toelichting op dat
artikel.
rblz.|136|
Artikel 30
(afmelding)
Een zorgverzekeraar die
zijn werkzaamheden als zorgverzekeraar wil beëindigen, dient dit
aan het CTZ te melden, onder vermelding van de dag waarop al zijn
zorgverzekeringen geëindigd zullen zijn (eerste lid). Vanaf die dag zal geen toezicht
van het CTZ meer nodig zijn en komt de voormalige zorgverzekeraar niet meer
in aanmerking voor de vereveningsbijdrage. Het CTZ zal de afmelding
dan ook aan het CVZ moeten doorgeven (tweede lid). Een
verzekeraar die de afmelding nalaat, zal geconfronteerd kunnen worden met
forse
terugvorderingen van ten onrechte betaalde vereveningsbijdragen,
onder omstandigheden verhoogd met een bestuurlijke boete op grond van
artikel 97 [98]. Voorts zal het CTZ op grond van artikel 96
[97] een bestuurlijke boete
op kunnen leggen.
Omdat niet of te laat
afmelden kan leiden tot een bestuurlijke boete van het CTZ, verplicht het
tweede lid het CTZ om van een ontvangen afmelding een ontvangstbevestiging
te zenden, waarop de datum van ontvangst van de
afmelding is aangegeven.
Artikel 31
(garantiebepaling jegens verzekeringnemers/verzekerden)
De
Wtv
1993 en het
krachtens
die
wet geregelde toezicht is er in hoofdzaak op gericht te
voorkomen
dat een verzekeraar niet aan zijn verzekeringsverplichtingen kan voldoen.
Desalniettemin is een (dreigend) faillissement van een verzekeraar nooit
helemaal uit te sluiten. Voor dat soort gevallen geeft artikel
156 Wtv
1993 de PVK de mogelijkheid de bevoegde rechtbank te vragen
jegens de verzekeraar "de noodregeling" uit te spreken. Tegelijkertijd
benoemt de rechtbank dan één of meer bewindvoerders, die hij machtigt tot
vereffening van het geheel of van een gedeelte van de
portefeuille en/of tot overdracht van de rechten en plichten uit de
verzekeringsovereenkomsten aan een andere verzekeraar, alsmede, zolang niet
blijkt dat de verzekeraar een negatief eigen vermogen heeft, tot vereffening
van het vermogen.
Zowel indien de
noodregeling wordt uitgesproken als indien de zorgverzekeraar (alsnog) failliet gaat,
is, zonder nadere regeling, de kans groot dat zorgaanbieders die de
verzekerden van deze zorgverzekeraar zorg hebben verleend en
verzekerden die rekeningen van zorgaanbieders hebben voldaan, jegens de verzekeraar geldende vorderingen tot niet of
niet volledig voldaan
krijgen. Daarbij komt dat zorgaanbieders en verzekerden, om hun vorderingen
althans nog gedeeltelijk uitbetaald te krijgen, hun vorderingen tijdig
bij de bewindvoerders respectievelijk curator zouden moeten indienen en
ook overigens in de procedures van de noodregeling respectievelijk het
faillissement zouden moeten gaan meedraaien. Met name voor
de verzekerden is dit geen sinecure.
Het sociale karakter van
de Zvw komt onder meer hierin naar voren dat artikel 31 bepaalt dat in
dit soort gevallen het CVZ de vorderingen die de verzekerden op de
zorgverzekeraar hebben volledig voldoet (eerste lid). Anders dan in artikel
1t van
de Zfw is bepaald, geldt dit niet voor de vorderingen die zorgaanbieders op de
zorgverzekeraar hebben. De reden hiervoor is dat de Zfw ervan
uitgaat dat de ziekenfondsen hun verzekerden de zorg laten leveren door
die ziekenfondsen gecontracteerde zorgaanbieders en dat die zorgaanbieders
hun rekeningen direct aan het ziekenfonds zenden. In dat licht
bezien is het logisch dat indien het ziekenfonds niet meer bij machte is
te betalen, de vorderingen van de zorgaanbieders alsnog door het CVZ
worden voldaan. In de Zvw, daarentegen, staat de relatie tussen de
verzekeringnemer/verzekerde en de zorgverzekeraar voorop. De
zorgverzekeraar dient er zich voor in te spannen dat de verzekerde de benodigde zorg krijgt
en dient deze zorg te financieren, maar hoe rblz.|137| hij dit doet (hij levert
de zorg zelf, laat deze leveren door gecontracteerde zorgaanbieders dan wel
vergoedt de kosten die een verzekerde voor de zorg heeft gemaakt) is - behalve voor zover op grond van
artikel 12 is voorgeschreven dat de
verzekerde prestatie door gecontracteerde zorgaanbieders wordt geleverd
- aan de
zorgverzekeraar. De positie van een eventueel gecontracteerde
zorgaanbieder dient daarom niet anders te zijn dan die van andere
leveranciers van de zorgverzekeraar. In de nieuwe constellatie ligt het
derhalve wél in de rede te bepalen dat het CVZ de vorderingen van
verzekerden betaalt, maar ligt het niet in de rede te bepalen dat het CVZ
vorderingen van zorgaanbieders op de zorgverzekeraar voldoet.
Het risico dat
zorgaanbieders worden meegesleurd in een faillissement van een zorgverzekeraar
waarmee zij hebben gecontracteerd, is uiterst beperkt. Immers,
allereerst is de kans dat zij te maken krijgen met een faillerende
zorgverzekeraar zeer beperkt. Voorts is van belang dat de zorgaanbieders
veelal overeenkomsten zullen sluiten met meerdere zorgverzekeraars, zodat een
deconfiture
van een zorgverzekeraar niet direct tot faillissement hoeft te
leiden van de zorgaanbieder die met hem heeft gecontracteerd. Voorts is
het aan de zorgaanbieders om in de overeenkomsten met de zorgverzekeraars
afspraken te maken over de wijze en het tijdstip van betalen en
eventueel bevoorschotten. Het risico voor een zorgaanbieder om
meegesleurd te worden in het faillissement van een zorgverzekeraar is
derhalve naar de mening van de regering dermate gering dat er geen reden
is om een afzonderlijke, niet goed binnen de uitgangspunten van de Zvw
passende, bepaling op te nemen volgens
welke zorgaanbieders bij
faillissement de verzekeraar met wie zij gecontracteerd hebben schadeloos zouden
kunnen worden gesteld.
Het tweede lid zorgt
ervoor dat het CVZ in de rechten van de verzekerden op de (voormalige) zorgverzekeraar treedt, voor zover het hun vorderingen
heeft voldaan. Het CVZ
neemt derhalve ook hun (beperkte) voorrangspositie op het verhaal op de
boedel van de verzekerde over (artikel 171, tweede lid, onderdeel e,
Wtv
1993). Het is vervolgens aan het CVZ om
als schuldeiser van de (ex-)zorgverzekeraar
in het kader van de noodregeling of de
faillissementsprocedure nog zoveel mogelijk van zijn vorderingen voldaan
te krijgen.
In
artikel 39 is bepaald
dat betalingen op grond van het eerste lid ten laste van het
Zorgverzekeringsfonds worden gebracht en dat gelden die het CVZ
in het kader van de
noodregeling of de faillissementsprocedure uitwint aan dat fonds
ten goede komen. Artikel 56 zorgt ervoor dat in het verschil wordt voorzien
via de rijksbijdrage aan het Zorgverzekeringsfonds.
§ 4.2. De
vereveningsbijdrage
Artikel 32 (toekenning
vereveningsbijdragen)
Eerste lid
De zorgverzekeraar die
aan zijn verplichtingen voortvloeiend uit artikel 25 heeft voldaan, ontvangt
op grond van het eerste lid van artikel 32 ieder jaar van het CVZ
een
bijdrage in de kosten voor het uitvoeren en aanbieden van de zorgverzekeringen.
Doel van de bijdrage is
risicoverevening en (gedeeltelijke) financiering van kinderverzekeringen. Dat
wil echter niet zeggen dat de zorgverzekeraar de bijdrage daar ook
daadwerkelijk voor moet gebruiken. Zoals in het algemene deel van deze toelichting
is uiteengezet, is het aan de verzekeraar rblz.|138| om te bepalen wat hij met de premies, de vereveningsbijdrage, maar ook
met eventuele reserves of
door derden gefinancierd kapitaal doet, mits hij ervoor zorgt dat zijn
verzekerden bij wie het verzekerde risico zich voordoet tijdig de verzekerde
prestaties ontvangen. (Hetgeen op zijn beurt weer betekent dat de
zorgverzekeraar voldoende technische voorzieningen aanhoudt en over de
juiste solvabiliteitsmarge beschikt). Om deze reden is in het eerste
lid niet geregeld dat het CVZ de vereveningsbijdrage verstrekt
"voor" of "ter dekking van de kosten van" het aanbieden en uitvoeren van de
zorgverzekeringen. De enige voorwaarde is dat een zorgverzekeraar in het
desbetreffende jaar dergelijke verzekeringen aanbiedt en uitvoert.
Anders gezegd, de PVK en het CTZ zullen niet nagaan of de
vereveningsbijdrage gebruikt wordt voor de financiering van de zorgverzekeringen.
Tweede lid
De hoofdlijnen voor de
berekening van de vereveningsbijdragen (zowel in de toekennings- als in de
vaststellingsfase, zie voor dit laatste artikel
34, derde lid) zullen bij
AMvB worden bepaald.
Derde lid
In de
AMvB, bedoeld in
het tweede lid, zullen in ieder geval de criteria op basis waarvan de hoogte
van de bijdrage wordt berekend, worden neergelegd. Zij zullen voor alle
verzekeraars gelijk zijn. In ieder geval zal het aantal verzekerden van de
zorgverzekeraar van belang zijn. Daarnaast zal een aantal verzekerdenkenmerken worden opgenomen die, zo leert de
praktijk, al dan niet in
bepaalde combinaties een goede indicatie geven van de verwachte
schadelast die deze verzekerden voor de verzekeraar zullen genereren. Op dit
moment wordt in ieder geval gedacht aan de volgende criteria:
- leeftijd;
- geslacht;
- woonregio (een
verdeelcriterium waarbij verzekerden worden ingedeeld in categorieën op basis
van de postcode van het adres waarop zij wonen);
- farmaceutische
kostengroepen (een verdeelcriterium waarbij verzekerden worden ingedeeld in
categorieën chronische aandoeningen op basis van
geneesmiddelengebruik in het verleden);
-
diagnose-kostengroepen (een verdeelcriterium waarbij verzekerden worden ingedeeld in
clusters van aandoeningengroepen op grond van zorggebruik in
ziekenhuizen).
Vierde tot en met zevende
lid
Het vierde tot en met
zevende lid beschrijven de procedure om tot bepaling van de individuele
bijdrage voor een zorgverzekeraar te komen. Bij de vaststelling van de in
deze leden opgenomen data is er rekening mee gehouden dat de
zorgverzekeraars de premie die zij voor het komende jaar voor de verzekering
zullen vragen mede zullen baseren op de omvang van de
vereveningsbijdrage die hen voor dat jaar wordt toegekend en dat de
verzekeringnemers, indien de verzekeraar mede op grond daarvan zou besluiten de
premie te verhogen, voldoende tijd moeten hebben om desgewenst een
andere zorgverzekeraar te zoeken.
Allereerst stelt de
Minister van VWS vast welk bedrag voor het komende jaar in totaal over de
zorgverzekeraars verdeeld kan worden. Tegelijkertijd bepaalt de minister
op
welke wijze dit macrobedrag over de verzekeraars wordt verdeeld. In de
ministeriële regeling zal derhalve worden aangegeven hoe met het aantal
verzekerden en hun verzekerdenkenmerken bij rblz.|139| een zorgverzekeraar,
rekening wordt gehouden. Op grond van het derde lid, onderdeel a, wordt
bij ministeriële regeling het bedrag bepaald dat voor alle verzekeraars
tezamen voor het komende jaar beschikbaar is. Vervolgens wordt
statistisch onderbouwd aan elk criterium een bijdrage gekoppeld (derde lid,
onderdeel c). De in totaal beschikbare middelen worden volledig verdeeld
op basis van de criteria leeftijd en geslacht. Aan elk ander
verdeelcriterium, waaronder in ieder geval het aantal verzekerden bij een zorgverzekeraar
en een aantal verzekerdenkenmerken, wordt een bijdrage
gekoppeld die positief of negatief kan zijn. Als een verdeelcriterium volgens
statistische berekeningen gemiddeld genomen tot een reductie van
schade aanleiding geeft, is de bijdrage van dat criterium aan de
vereveningsbijdrage negatief. Indien een verdeelcriterium volgens statistische
berekeningen tot meer dan gemiddelde schade aanleiding geeft, is de
bijdrage positief. Aldus wordt, om risicoselectie te voorkomen, door middel
van de vereveningsbijdragen rekening gehouden met het risicoprofiel van
de verzekerdenportefeuilles. Overigens sluit bovenbedoelde systematiek
voor de berekening van de vereveningsbijdragen niet uit dat voor een
bepaalde zorgverzekeraar op een negatief bedrag aan vereveningsbijdrage wordt uitgekomen (hetzelfde geldt overigens
voor de herberekening van
de bijdrage, bedoeld in artikel 34). De kans dat zich dit in
werkelijkheid voordoet, is echter uiterst klein, aangezien dit zou betekenen dat de
portefeuille aan verzekerden van een bepaalde zorgverzekeraar voor een
zeer groot deel uit goede risico’s zou bestaan, hetgeen gezien de
acceptatieplicht zoals deze in artikel 3 geregeld
is niet voor de hand ligt.
Ook zal
- op grond van
het derde lid, onderdeel d - worden geregeld dat indien een verzekerde
meerdere malen verzekerd is, per zorgverzekering een evenredig deel van de
voor die verzekerde toe te kennen vereveningsbijdrage wordt toegekend. Dit past
goed bij de in artikel 7.17.2.24a BW
opgenomen regel dat ingeval een verzekerde voor een zelfde schade bij
meerdere verzekeraars
verzekerd is, de schadeverzekeraars (uiteindelijk) ieder een evenredig deel
van de schade dienen te dragen. Tevens zal in de ministeriële regeling
worden geregeld hoe de toegekende bedragen worden betaald. Gedacht
wordt aan maandelijkse betalingen. De desbetreffende ministeriële regeling
wordt vóór 1 oktober van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de
bijdragen worden toegekend, getroffen.
Vervolgens stelt het
CVZ vóór 15 oktober van datzelfde jaar beleidsregels vast waarin wordt
aangegeven hoe de in de ministeriële regeling neergelegde bepalingen zullen worden
toegepast. De beleidsregels behoeven de goedkeuring van de
Minister van VWS.
Op basis van de
ministeriële regeling, zijn eigen beleidsregels, alsmede het aantal verzekerden
van de zorgverzekeraar en hun kenmerken, berekent het CVZ
de bijdrage per
zorgverzekeraar. Vóór 1 november van ieder kalenderjaar zendt het
CVZ iedere zorgverzekeraar een beschikking waarin de hoogte van de bijdrage
die verzekeraar voor het komende jaar tegemoet kan zien, wordt vermeld.
Deelt de zorgverzekeraar
vervolgens de nieuwe grondslag van de premie (en daarmee de nieuwe
premie) voor het komende jaar vóór 1 december aan de verzekeringnemers
mee, dan kan deze per 1 januari van het nieuwe jaar in werking
treden (artikel 17, zevende lid). Besluit de verzekeringnemer naar aanleiding hiervan
de zorgverzekering op te zeggen, dan eindigt de verzekering,
afhankelijk van de dag waarop hij de mededeling heeft ontvangen en de dag
waarop hij opzegt, op 1 januari of 1 februari (artikel
7, derde lid,
onderdeel a, en vierde lid).
rblz.|140| Onderdeel
b van het
vierde lid vraagt mogelijk nog enige toelichting. Het is mogelijk dat de
Minister van VWS en het CVZ in de zomer van het jaar waarin de
vereveningsbijdragen voor het volgende kalenderjaar moeten worden
toegekend tot de
conclusie komen dat het voor dat kalenderjaar zeer wenselijk is om een extra vereveningscriterium te gebruiken. Zonder
het vierde lid, onderdeel b, zou dat echter niet kunnen, aangezien de
AMvB, bedoeld in het
tweede en derde lid, hiervoor niet tijdig zou kunnen worden aangepast. Daarom
bepaalt laatstgenoemd onderdeel dat zo’n extra criterium voor het
berekenen van de vereveningsbijdragen over één kalenderjaar bij
ministeriële regeling kan worden geregeld. Ook hier geldt uiteraard
weer dat het
criterium voor alle zorgverzekeraars gelijk is.
Aangezien het belang van
de vereveningscriteria groot is en deze derhalve zo mogelijk ruim vóór het
jaar waarover de vereveningsbijdrage wordt toegekend kenbaar moeten
zijn, geldt dat deze in principe bij AMvB geregeld dienen te worden (derde
lid). Een bij ministeriële regeling toegevoegd criterium geldt dan ook
uitdrukkelijk slechts voor één vereveningsjaar. Indien het wenselijk
blijkt het criterium ook voor de berekening van de vereveningsbijdragen
over het daaropvolgende jaar te gebruiken, zal dit criterium voordien in
de AMvB, bedoeld in het derde lid, moeten zijn opgenomen.
Artikel 33
(tussentijdse
toekenning extra middelen)
Artikel 33 geeft de
Minister van VWS de mogelijkheid na aanvang van een kalenderjaar extra
middelen voor bijdragen aan zorgverzekeraars ter beschikking te stellen.
Hier zal slechts in bijzondere gevallen gebruik van worden gemaakt. Te denken
valt aan kernexplosies en natuurrampen. Omdat de gevolgen van
dergelijke rampen vaak in bepaalde regio’s groter zullen zijn dan in
andere en - zeker de eerste jaren na inwerkingtreding van deze
wet - zorgverzekeraars in bepaalde provincies veel verzekerden zullen hebben en in
andere minder, kan in de ministeriële regeling worden bepaald dat de extra
middelen slechts aan bepaalde verzekeraars beschikbaar worden gesteld. Voorts
zou op grond van dit artikel een bijdrage kunnen worden toegekend
aan een zorgverzekeraar die gedurende het jaar zoveel verzekerden
van een faillerende zorgverzekeraar overneemt dat hij daardoor zelf in
financiële moeilijkheden dreigt te geraken.
Het
CVZ verdeelt de extra
bijdragen over de in de ministeriële regeling aangewezen
zorgverzekeraars (tweede lid). De wijze waarop de extra bijdrage per
zorgverzekeraar wordt berekend, wordt door de
Minister van VWS vastgesteld (derde
lid). Vervolgens verdeelt het CVZ deze, volgens zijn eigen beleidsregels
(die door de Minister van VWS moeten worden goedgekeurd), over de in
de ministeriële regeling aangewezen zorgverzekeraars (vierde lid).
Artikel 34
(vaststelling
vereveningsbijdragen)
De toekenning van de
jaarlijkse bijdragen, bedoeld in artikel 32, geschiedt vooraf. Het CVZ
kan
daarbij derhalve geen rekening houden met de werkelijke aantallen
verzekerden die een zorgverzekeraar in het desbetreffende jaar had of met hun
werkelijke verzekerdenkenmerken. Voorkomen dient echter te worden dat een verzekeraar die in enig jaar veel extra
klanten krijgt,
bijvoorbeeld doordat bekend is geworden dat hij de benodigde zorg zeer snel voor zijn
verzekerden regelt en claims heel goed afwikkelt, voor deze toestroom pas via de vereveningsbijdrage voor een
veel later jaar
gecompenseerd wordt. Daarom is in artikel 34
geregeld dat alle vooraf toegekende
jaarlijkse bijdragen uiterlijk in het tweede jaar na het jaar waarvoor zij
gegeven zijn, worden vastgesteld (eerste lid). Het tweede lid van artikel 34
stelt zeker dat bij deze vaststelling in ieder geval rblz.|141| rekening wordt gehouden
met de werkelijke verzekerdenaantallen per verzekeraar en hun
kenmerken. Dit sluit andere, bij of krachtens AMvB (derde lid) te bepalen
elementen, bijvoorbeeld de zogenoemde hogekostenverevening, niet uit. Dergelijke
andere gronden waarop wordt herberekend, zullen echter
zo beperkt mogelijk worden gehouden. Anders dan op dit moment op
grond van de Zfw geschiedt, zal in ieder geval niet meer worden nagegaan of
de toegekende bijdragen verantwoord of onverantwoord zijn
gebruikt. Deze wet stelt immers niet meer
verplicht dat een zorgverzekeraar
de vereveningsbijdragen voor de financiering van de uitvoering van de
zorgverzekeringen gebruikt, zodat een onderscheid tussen verantwoord en
onverantwoord gebruik niet meer aan de orde is (zie verder de toelichting
op artikel 32).
Het
CVZ deelt het
resultaat van de herberekening in de vorm van een vaststellingsbeschikking,
inclusief het aan de verzekeraar na te betalen of van de verzekeraar terug te
vorderen bedrag, mee. Indien de uitkomst is dat de zorgverzekeraar nog
geld tegoed heeft, kent het CVZ een rentevergoeding over het verschil toe.
Andersom dient het CVZ indien de verzekeraar geld dient
terug te betalen, de verzekeraar rente over het verschil in rekening te
brengen. Eén en ander geschiedt overeenkomstig door het CVZ vast te
stellen beleidsregels (vierde lid). Het CVZ betaalt het verschil aan de
zorgverzekeraar of, indien deze inmiddels met zijn werkzaamheden is gestopt, diens
rechtsopvolger respectievelijk vordert dat van de verzekeraar of
zijn rechtsopvolger terug, met dien verstande dat het CVZ ook kan
verrekenen met een voor een komend jaar toe te kennen vereveningsbijdrage
(vijfde en zesde lid).
Ook eventuele op grond
van artikel 33 toegekende bijdragen worden overigens vastgesteld.
Aangezien de criteria op grond waarvan deze worden verstrekt heel
andere kunnen zijn dan verzekerdenaantallen en verzekerdenkenmerken,
gelden deze elementen echter niet als verplichte vaststellingsgronden.
Ten slotte nog het
volgende. Het CVZ moet de finale herberekening uiterlijk in het tweede jaar na het
jaar waarover de bijdragen zijn toegekend, hebben verricht. Dit
sluit echter tussentijdse berekeningen, met bijbehorende tussentijdse af- of
verrekeningen, niet uit. Het CVZ is bevoegd in zijn beleidsregels te
regelen
wanneer de benodigde gegevens uiterlijk binnen dienen te zijn. In de
ministeriële regeling, bedoeld in het derde lid, of in de beleidsregels van het CVZ
zal worden bepaald op basis van welke gegevens de bijdrage wordt
vastgesteld indien de zorgverzekeraar de benodigde gegevens niet tijdig
heeft aangeleverd.
Artikel 35
(gegevens ten
behoeve van de vereveningsbijdragen)
De vereveningsbijdrage is
afhankelijk van het aantal verzekerden en van de verzekerdenkenmerken
van iedere individuele verzekerde van de zorgverzekeraar. Een deel van deze
kenmerken zal door de zorgverzekeraars geleverd moeten worden.
De eerste twee leden van artikel 35
verplichten de zorgverzekeraars het
begin en het einde van iedere zorgverzekering aan het CVZ
mede te
delen. Aangezien het CVZ op grond van het derde lid, onderdeel a, bevoegd
is tot gebruik van het sofinummer, de zorgverzekeraars op grond van de artikelen
4 en 85 [86], eerste lid, dat zijn, en artikel
85 [86], derde lid,
ertoe leidt dat uitwisseling van verzekerdengegevens tussen zorgverzekeraars
en het CVZ op basis van het sofinummer plaatsvindt, zal de in het eerste en
tweede lid bedoelde gegevensverstrekking door de zorgverzekeraars
op basis van het sofinummer (en na invoering van het burgerservicenummer: dat nummer) dienen te geschieden.
rblz.|142|
Dit is om een viertal
redenen wenselijk. Ten eerste worden fouten, die onherroepelijk gepaard
zouden gaan met aanlevering op basis van naam, adres en woonplaats,
voorkomen. Ten tweede wordt bij het CVZ aldus niet
bekend om welke
individuele verzekerden het precies gaat. Het CVZ heeft immers niet het recht om
sofinummers te herleiden tot individuele personen. Ten derde kan
het CVZ aldus gemakkelijk achterhalen of iemand meerdere malen tegelijk
verzekerd is. Voor de toekenning van de vereveningsbijdragen is dat van belang, omdat
bij dubbele verzekering de vereveningsbijdrage over de verzekeraars
verdeeld zal moeten worden (zie de toelichting op artikel
32, vierde lid, onderdeel d). En ten vierde is het sofinummer ook praktisch
een geschikt
nummer, omdat het bij de ingezetenen bekend is en het reeds
veelvuldig bij de uitvoering van de belastingen en de overige sociale
verzekeringen gebruikt wordt.
Het derde lid bepaalt wat
ten behoeve van de berekening van de vereveningsbijdrage in de administratie
van
het CVZ moet worden opgenomen. Dit laat
onverlet dat
het CVZ de hier bedoelde administratie kan uitbesteden aan een andere instantie,
bijvoorbeeld het zogenoemde "sectoraal aanspreekpunt" (SAP). In termen van de
Wet
bescherming persoonsgegevens (Wbp) zal deze dan te
zien zijn als bewerker van de gegevens; het CVZ is de
verantwoordelijke voor de desbetreffende verwerking van persoonsgegevens.
Indien het
CVZ constateert dat een bepaalde verzekerde meerdere malen verzekerd is, zal dat
niet alleen leiden tot evenredige vermindering van de voor iedere
zorgverzekering toe te kennen (en vast te stellen) vereveningsbijdrage, maar leidt dat, indien
althans verschillende verzekeraars betrokken zijn, tevens tot een mededeling, door het
CVZ, aan alle betrokken
verzekeraars (vierde
lid). Voor de verzekeraars is dit van belang, omdat artikel 7.17.2.24a, derde
lid, BW de zorgverzekeraar die de zorg of andere verzekerde diensten
initieel heeft betaald (omdat de verzekerde hem en niet de andere
zorgverzekeraar aanspreekt) de mogelijkheid geeft de kosten voor een evenredig
deel te verhalen op de andere zorgverzekeraar. Op basis van het bericht
van het CVZ kunnen de zorgverzekeraars overigens tevens besluiten de
verzekerde of de verzekeringnemers van de dubbele verzekering op de
hoogte te stellen.
Onderdeel
a van het
vijfde lid geeft de mogelijkheid te bepalen welke verzekerdenkenmerken op
persoonsniveau in de administratie van het CVZ
worden opgenomen.
Onderdeel b geeft de mogelijkheid regels te stellen over de
inrichting van die administratie.
Artikel 36
(buiten
toepassing verklaren subsidietitel Awb)
Titel 4.2 van de
Algemene
wet bestuursrecht (Awb) regelt de verstrekking van subsidies door een bestuursorgaan.
"Subsidie" wordt in artikel 4:21,
eerste lid, Awb als volgt
gedefinieerd: de aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan
verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders
dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of
diensten. Het CVZ is een (zelfstandig)
bestuursorgaan en hoewel
de vereveningsbijdrage niet hoeft te worden gebruikt voor de financiering van de zorgverzekering, wordt deze wel
verstrekt onder de
voorwaarde dát er zorgverzekeringen worden aangeboden en uitgevoerd (artikel
32,
eerste lid). Het is de vraag of de vereveningsbijdrage daarmee een subsidie in
de zin van de Awb zou zijn. De bepalingen van
titel 4.2
Awb passen echter slecht bij de beoogde vereveningssystematiek. Zo gaan deze uit van een
subsidieverlening op aanvraag (in plaats van de beoogde
ambtshalve toekenning) en van gebruik van de subsidies voor
concrete, in de verleningsbeschikkingen omschreven doelen, waarover ook
verantwoord moet worden (daar waar de vereveningsbijdrage rblz.|143| niet per
se voor de uitvoering van de zorgverzekering hoeft te worden
gebruikt). Ook overigens zijn de bepalingen van titel 4.2
Awb te gedetailleerd voor
de beoogde vereveningssystematiek. Daarom regelt artikel 36 met
zoveel woorden dat de bepalingen van die titel niet van toepassing zijn.
§ 4.3. De
verslaglegging
Artikel 37 (jaarrekening
en jaarverslag)
Zorgverzekeraars met
zetel in Nederland moeten onderlinge waarborgmaatschappijen of NV’s (of Europese
vennootschappen) zijn (artikel 28 Wtv
1993; zie ook de
inleidende toelichting op dit hoofdstuk). De bepalingen uit Boek
2 BW over
onderlinge waarborgmaatschappijen en NV’s gelden dan ook onverminderd voor
de zorgverzekeraars. De artikelen 2:58 en 2:101 BW
leiden ertoe dat
het bestuur van een zorgverzekeraar binnen zes (onderlinge
waarborgmaatschappijen) respectievelijk vijf (NV’s) maanden na afloop van het
boekjaar een jaarrekening en een jaarverslag opmaakt. Deze termijn kan door de
algemene vergadering op grond van bijzondere omstandigheden met ten
hoogste vijf (onderlinge waarborgmaatschappijen) respectievelijk zes (NV’s)
maanden worden verlengd. De jaarrekening wordt vastgesteld door de
algemene vergadering die het bestuur uiterlijk één maand na
afloop van de termijn doet houden (onderlinge waarborgmaatschappijen)
dan wel, bij een NV, door de algemene vergadering van aandeelhouders of,
bij een grote NV, de raad van commissarissen onder goedkeuring van de
algemene vergadering van aandeelhouders.
Titel 9
("De
jaarrekening en het jaarverslag") van Boek
2 BW bevat gedetailleerde regels over de inrichting
van deze jaarrekeningen en jaarverslagen. De titel bevat een groot
aantal bepalingen over de wijze waarop (geconsolideerde)
jaarrekeningen (onderscheiden in balansen en winst- en verliesrekeningen) moeten
worden opgesteld, alsmede over de verplichte toelichtingen op deze
stukken, de waarderingsgrondslagen voor activa en passiva, jaarverslagen,
het deskundigenonderzoek door een accountant en de openbaarmaking.
Deze titel implementeert hiermee een viertal EEG-richtlijnen geheel
en enkele andere EEG-richtlijnen gedeeltelijk. Afdeling 15 van titel 9
bevat specifieke bepalingen voor verzekeringsmaatschappijen en implementeert
daarmee Richtlijn nr. 91/674/EEG van de Raad van 19 december 1991
betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van
verzekeringsondernemingen (PbEG L 374). Aangezien
zorgverzekeraars verzekeringsmaatschappijen zijn, zijn de bepalingen van deze
afdeling, voor zover zij althans hun zetel in Nederland hebben, op hen van
toepassing. Zorgverzekeraars met een zetel in één der overige
lidstaten zullen aan vergelijkbare bepalingen moeten voldoen, nu ook die
andere lidstaten eerder genoemde richtlijn geïmplementeerd zullen moeten hebben.
De
Wtv
1993 regelt voor
verzekeraars met zetel in Nederland hiernaast nog dat een verzekeraar
binnen vier maanden na afloop van elk boekjaar bij de PVK staten indient die tezamen een duidelijk beeld geven van het door de verzekeraar
gevoerde beheer en van zijn financiële toestand (artikel 72, eerste lid,
Wtv
1993). Eén van de staten dient het actuariële verslag te behelzen en moet worden
voorzien van een verklaring van de actuaris (artikel 72, derde lid, Wtv
1993). Bovendien moeten alle staten vergezeld gaan van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een
accountant als bedoeld in
artikel 2:393, eerste lid, BW
(artikel 72a, eerste lid, Wtv
1993). Op grond van
artikel 72, tweede lid, Wtv
1993 dient de accountant de PVK zo spoedig mogelijk op de hoogte te stellen van iedere
omstandigheid bij de
verzekeraar wiens staten hij controleert die:
rblz.|144|
- in strijd is met de
eisen die voor het verkrijgen van de Wtv-vergunning zijn gesteld;
- in strijd is met de bij of krachtens de Wtv 1993 opgelegde
verplichtingen;
- het voortbestaan van
de verzekeraar bedreigt; of
- leidt tot weigering
van het afgeven van een verklaring omtrent de getrouwheid of tot het
maken van voorbehouden.
Artikel
72b Wtv
1993 breidt deze verplichting uit tot omstandigheden die de accountant ter kennis
komen bij het bestuderen van de jaarrekening, bedoeld in het BW.
Artikel 73, eerste lid,
Wtv
1993 regelt dat een verzekeraar binnen zes maanden na afloop van het
boekjaar zijn jaarverslag bij de PVK indient. Hoewel de staten de
informatie uit de jaarrekening meestal (meer dan) dekken, wordt in de
praktijk ook de jaarrekening overgelegd. In het wetsvoorstel tweede tranche
Wet op het financieel
toezicht zal de verplichting de jaarrekening aan de
PVK over te leggen expliciet geregeld worden.
Ook deze in de
Wtv
1993 neergelegde verplichtingen zijn op de zorgverzekeraars van toepassing.
De conclusie uit het
voorgaande is derhalve dat de zorgverzekeraars op grond van het BW
en de
Wtv
1993 al verplicht zijn diverse stukken op te stellen. De vragen die
bij het schrijven van voorliggende Zvw-paragraaf aan de orde zijn gekomen,
zijn dan ook geweest:
a. welke van de hiervoor
genoemde stukken dienen ook aan het CTZ en het CVZ
te worden
gezonden;
b. kan met deze stukken
worden volstaan?
Vraag a wordt in het
hiernavolgende beantwoord, vraag b in de toelichting op artikel
38.
De vraag is onder ogen
gezien of in de Zvw geregeld moet worden dat de jaarrekening, het
jaarverslag en de Wtv-staten ook naar het CTZ en het CVZ
gezonden worden. Dit
hangt enerzijds af van de taakverdeling tussen de PVK en het CTZ,
anderzijds van de inhoud van deze stukken. Ervan uitgaande dat de PVK op
zorgverzekeraars geen ander soort toezicht houdt dan op andere
schadeverzekeraars, lijkt het toezenden van de Wtv-staten aan het CTZ en
het CVZ niet nodig. De staten bevatten immers slechts die informatie
die voor de PVK noodzakelijk is om na te kunnen gaan of de verzekeraar
aan zijn (financiële) verzekeringsverplichtingen zal kunnen voldoen.
Anders is dit voor de
jaarrekening en het jaarverslag. Zoals in het voorgaande reeds is aangestipt,
zullen de zorgverzekeraars meer doen dan het aanbieden en uitvoeren
van zorgverzekeringen. Zo is in artikel 95 [96]
geregeld dat het CVZ
hen kan
mandateren tot het opleggen van boeten en in de AWBZ
zal worden geregeld
dat zorgverzekeraars ook die wet kunnen uitvoeren. (Deze
activiteiten zijn niet te zien als het verrichten van een handelsactiviteit in de
zin van artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de eerste richtlijn schadeverzekering respectievelijk artikel 64, eerste lid,
Wtv
1993 en kunnen derhalve
naast het aanbieden en uitvoeren van zorgverzekeringen worden verricht). Deze
activiteiten zullen niet in de staten, maar wel in de
jaarrekening en het jaarverslag tot uitdrukking komen. Alleen hierom is het
derhalve al van belang dat het CTZ en het CVZ de jaarrekening en het
jaarverslag ontvangen. Uiteraard zullen het CTZ en het CVZ deze stukken ook
gebruiken om na te gaan of de zorgverzekeringen rechtmatig worden
aangeboden en uitgevoerd, voor zover althans deze taak niet bij de PVK
berust. Met het oog hierop is in artikel 37, eerste lid,
rblz.|145| geregeld dat de
verzekeraars de jaarrekening en het jaarverslag naar het CTZ zenden.
Indien de zorgverzekeraar
deel uitmaakt van een groep en een andere maatschappij uit die
groep schriftelijk heeft verklaard zich hoofdelijk aansprakelijk te stellen
voor de uit rechtshandelingen van de zorgverzekeraar voortvloeiende schulden,
behoeft de zorgverzekeraar zijn jaarrekening niet
overeenkomstig de voorschriften van Boek
2, titel 9, BW in te richten (artikel 2:403 BW). In plaats daarvan zal de andere groepsmaatschappij zorgen voor een
geconsolideerde jaarrekening, waarin de financiële gegevens van
de zorgverzekeraar zijn opgenomen. Artikel 2:403 BW
bepaalt wat er voor de
jaarrekening van de zorgverzekeraar nog resteert. Veel is dat
niet. In artikel 37, tweede lid, is bepaald dat in zo’n geval ook de
geconsolideerde jaarrekening aan het CTZ wordt gezonden en tevens is,
overeenkomstig hetgeen in artikel 73, eerste lid, tweede volzin, Wtv
1993 hierover
is geregeld, bepaald wanneer dat geschiedt.
Het derde lid zorgt
ervoor dat accountantsverklaringen die het BW
(zie met name artikel 2:393 BW) en de Wtv
1993 (zie artikel 73, tweede lid, Wtv
1993) ten aanzien van de
jaarrekening en de jaarverslagen verplicht stellen, in afschrift aan
het CTZ worden gezonden.
Om de administratieve
lasten van zorgverzekeraars te beperken, wordt hen niet opgelegd zowel
het CTZ als het CVZ van de jaarstukken en de accountantsverklaringen
te voorzien. In plaats daarvan dienen zij alles in tweevoud bij het CTZ aan
te leveren, welk college de stukken onverwijld aan het CVZ doorstuurt (artikel
37, vierde lid).
Artikel 38
(uitvoeringsverslag en goed zorgverzekeraarschap)
Ervan uitgaande dat,
gezien de eisen die het BW
en de Wtv
1993 aan de stukken stellen alsmede
de doelen van die wetten:
- de staten, de
jaarrekening en het jaarverslag de PVK voldoende informatie verschaffen om na te
kunnen gaan of de zorgverzekeraar aan zijn financiële
verzekeraarsverplichtingen zal kunnen voldoen;
- de jaarrekening en
het jaarverslag voldoende informatie bevatten om de leden (bij een
onderlinge waarborgmaatschappij), de aandeelhouders (bij een NV), de
commissarissen en de samenleving in het algemeen voldoende in te lichten
over de handel en wandel van de zorgverzekeraar; en
- de jaarrekening en
het jaarverslag zien op alle activiteiten van de zorgverzekeraar, derhalve ook de
niet-verzekeringsactiviteiten zoals het uitvoeren van de AWBZ,
het verstrekken van subsidies en het uitvoeren van
boetebesluiten van het CVZ,
- is de vraag onder
ogen gezien of het nodig is in de Zvw in het kader van de verantwoording
door zorgverzekeraars nog een extra rapportageplicht op te
nemen.
Het antwoord op deze
vraag luidt bevestigend. In de staten, de jaarrekening of het jaarverslag zal
zonder nadere regeling immers niet uitgebreid ingegaan worden op
datgene wat de zorgverzekeraars van gewone ziektekostenverzekeraars
onderscheidt. Te weten: de uitvoering van de sociale aspecten van de
verzekering, zoals deze vooral tot uitdrukking komen in de
acceptatieplicht voor een wettelijk pakket en met een verbod van premiedifferentiatie
naar verzekerdenkenmerken, met als "tegenprestatie" de ontvangst van de
vereveningsbijdrage. Met het oog hierop is in artikel 38 geregeld dat
de zorgverzekeraars ieder jaar een verslag over de uitvoering van de Zvw
in
het voorbije kalenderjaar aan het CTZ moeten zenden. De datum van 1
maart is enerzijds gekozen met het oog op de verantwoording aan het
parlement in het kader van "van beleidsbegroting rblz.|146| tot
beleidsverantwoording". Anderzijds is deze gekozen met het oog op de mogelijkheid
van
inhoudelijke koppeling met de financiële gegevens die op grond van op
artikel 89 [90] van deze wet te baseren regels ook uiterlijk 1 maart geleverd zullen
moeten worden. Zoals ook in de toelichting op laatstgenoemd artikel is
aangegeven, zal het in dat verband vooral gaan om informatie van
zorgverzekeraars die van belang is voor het EMU-saldo, de
vaststelling van de vereveningsbijdragen en de budgetcyclus van het Rijk.
De verplichting om een
uitvoeringsverslag in te zenden, is ook in artikel
43e Zfw opgenomen. Omdat
het - overigens ook reeds op grond van laatstgenoemd artikel - de bedoeling is dat niet alleen een verslag over de uitvoering in het
voorbije kalenderjaar wordt gezonden, maar ook wordt ingegaan op de voornemens
voor het komende kalenderjaar, is dit nu - net zoals dat artikel
2:393, tweede lid, BW
ten aanzien van het jaarverslag is gebeurd - expliciet
in artikel 38 bepaald.
Corporate governance en
goed verzekeraarschap
De inhoud van het
jaarverslag staat de laatste jaren ter discussie onder invloed van
ontwikkelingen in het kader van maatschappelijk verantwoord ondernemen en gewijzigde
opvattingen over het openbaar maken van het beleid rond bezoldiging
en optieregelingen. Steeds vaker wordt ook aangedrongen op een
paragraaf waarin wordt aangegeven dat een bepaalde gedragscode
wordt onderschreven of waarom men (onderdelen van) zo’n code niet
onderschrijft, zoals bepleit door de commissie-Tabaksblat. De
concept-code-Tabaksblat en de Mededeling van de Europese Commissie over herziening
van het ondernemingsrecht en corporate governance van 21 mei
2003 (COM (2003) 284 final) laten zien dat behoefte bestaat aan het
kunnen stellen van nadere voorschriften aan het jaarverslag. Daarom is
bij tweede nota van wijziging op het wetsvoorstel houdende wijziging van
Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek in verband met aanpassing van de structuurregeling (Kamerstukken II
2002-2003,
28 179, nr. 31)
voorgesteld aan artikel 2:391 BW
een vierde lid toe te voegen, inhoudende dat
bij AMvB voorschriften kunnen worden gesteld omtrent de inhoud van
jaarverslagen en dat die voorschriften in het
bijzonder betrekking
zullen hebben op naleving van een in de AMvB aan te wijzen gedragscode. Aldus
kan zelfregulering in de vorm van een "corporate-governancecode" ondersteund worden. Het aantrekkelijke hiervan is
dat op deze wijze
bestuurders en commissarissen van ondernemingen verplicht worden
verantwoording af te leggen over de naleving van door het bedrijfsleven zelf
ontwikkelde gedragsregels en bovendien een instrument wordt geschapen dat het
mogelijk maakt die regels regelmatig aan te passen aan nieuwe
ontwikkelingen. Het afleggen van verantwoording over de toepassing van de
gedragsregels kan geschieden in het jaarverslag.
Zorgverzekeraars kennen
op dit moment twee gedragscodes. Enerzijds is er de code "Health
Insurance Governance" (aanbevelingen voor goed bestuur, goed toezicht en
adequate verantwoording door zorgverzekeraars; mei 2002), anderzijds de
"Gedragscode van de zorgverzekeraar" van december 1997. De code
"Health Insurance
Governance" ziet vooral op eisen die aan
zorgverzekeraars gesteld mogen worden met betrekking tot hun interne en
externe verantwoording en de gevolgen hiervan voor het bestuur van en het
toezicht op de zorgverzekeraar. Deze code kan derhalve gezien worden
als een voorloper - en dan specifiek voor zorgverzekeraars - van de code of codes
die in de toekomst op grond van artikel 2:391, vierde lid, BW
aangewezen zou(den) kunnen worden.
De
"Gedragscode van de zorgverzekeraar" bevat gedragsregels ten opzichte van verzekerden, zorgaanbieders en andere zorgverzekeraars.
rblz.|147|
Aanwijzing van deze
regels in een op artikel 2:391 BW
te baseren AMvB ligt gezien het doel van
de in het BW geregelde jaarverslag (helderheid ten behoeve van commissarissen en leden/aandeelhouders) minder in de
rede. Deze regels zijn
echter wel van groot belang. Zij zorgen er, meer dan de andere gedragscode,
voor dat de zorgverzekeraars bij het uitvoeren van hun taak rekening
houden met de sociale component van hun werk. Het belang van zo’n
code zal onder de Zvw, die in principe uitgaat van elkaar om verzekerden
beconcurrerende, privaatrechtelijke verzekeraars die winst mogen beogen,
nog aanzienlijk toenemen. Met het oog hierop bevat artikel
38, tweede
en derde lid, de mogelijkheid om bij ministeriële regeling nadere
voorschriften te stellen over de inhoud van het uitvoeringsverslag en daarin een gedragscode
aan te wijzen die nageleefd moet worden. Overigens ben ik voornemens van deze mogelijkheid een terughoudend
gebruik te maken.
Ten slotte wordt nog
gewezen op artikel 70a Wtv
1993 en het (mede) daarop gebaseerde Besluit
integere bedrijfsvoering kredietinstellingen en verzekeraars, alsmede op
artikel 51 Wtv
1993 en de daarop gebaseerde Regeling
informatieverstrekking aan verzekeringnemers 1998.
Tezamen zorgen de bij en
krachtens het BW, de Wtv
1993 en artikel 38 van
deze wet gestelde of nog
te stellen regels ervoor dat de verzekeraars die zorgverzekeringen
aanbieden en uitvoeren zich als goed zorgverzekeraar dienen te gedragen.
Het vierde lid van
artikel 38 zorgt ervoor dat een accountant een verslag met bevindingen over het
uitvoeringsverslag dient uit te brengen. Net als in artikel 2:393 BW
ten
aanzien van de betrokkenheid van de accountant bij het jaarverslag is
geregeld, is in onderdeel a bepaald dat de accountant nagaat of het uitvoeringsverslag conform de daarvoor geldende
regels is opgesteld.
Onderdeel b leidt ertoe dat de accountant in zijn verslag in moet gaan op
de vraag of de uitvoering wel voldeed aan de bij of krachtens deze wet
gestelde eisen, dat wil zeggen, vanuit de Zvw bezien rechtmatig was.
Het gaat hier om vragen als "bood de zorgverzekeraar geen verzekeringen als
zorgverzekering aan die meer bevatten dan het wettelijk te
verzekeren pakket?" en "verleende de zorgverzekeraar dezelfde korting voor
collectieven van een zelfde omvang", oftewel, louter om de vraag of aan bij of
krachtens de Zvw gestelde eisen wordt voldaan. Het gaat hier dus niet om
de vraag of tevens aan de eisen van de Wtv
1993 wordt voldaan; op
dat punt gelden de in die
wet neergelegde regels.
Net als in
artikel 37 is
er ook hier met het oog op de beperking van de administratieve lasten
voor de zorgverzekeraars voor gekozen de stukken in tweevoud aan het CTZ
te laten zenden, waarna het college één set aan het CVZ
doorzendt (artikel 38, vijfde lid).
Maatschappelijke
verslaggeving
Nationaal en
internationaal krijgt de beweging om te komen tot maatschappelijke verslaggeving
- met
invulling van de gemeenschappelijke informatiebehoefte van
belangrijke stakeholders, hier met name verzekerden, patiënten, personeel,
statistiekbureaus en toezichthouders - sterke aandacht. In Nederland heeft de Raad voor de Jaarverslaggeving in 2003
een "Handreiking voor
maatschappelijke verslaggeving" gepubliceerd. Het informeren van
belanghebbenden (stakeholders) en het afleggen van maatschappelijke verantwoording wordt gezien als een vorm van
"horizontaal" toezicht. De
informatie die de zorgverzekeraars op grond van het BW, de Wtv
1993 en deze
wet moeten leveren, zou bij elkaar en met elkaar in verband gebracht een
heel behoorlijke maatschappelijke verslaggeving vormen. Er is dan ook overwogen een bepaling op te nemen die verplicht
deze informatie te
integreren in één maatschappelijke verantwoording.
rblz.|148| Omdat met name de
Europese richtlijnen voor het jaarrekeningenrecht verhinderen nadere eisen
te stellen aan jaarrekeningen en jaarverslagen van buitenlandse
(zorg)verzekeraars, is hiervan afgezien. De wet staat een maatschappelijke
verantwoording op basis van vrijwilligheid niet in de weg en hopelijk zal op
die wijze toch een maatschappelijke verantwoording tot stand komen (zie ook
de opmerkingen over de code "Health Insurance Governance" hierboven).
Hoofdstuk 5. Het
Zorgverzekeringsfonds, de inkomensafhankelijke bijdrage, de
rijksbijdragen en de belasting van gemoedsbezwaarden
§ 5.1. Het
Zorgverzekeringsfonds
Artikel 39 (instelling,
inkomsten en uitgaven Zorgverzekeringsfonds)
Eerste lid
Het eerste lid stelt het
Zorgverzekeringsfonds in. Het CVZ beheert het fonds
(artikel 40).
Tweede lid
In
het tweede lid worden
de inkomsten van het Zorgverzekeringsfonds geregeld. De
belangrijkste inkomsten betreffen de door de belastingdienst
geheven
inkomensafhankelijke bijdragen, bedoeld in paragraaf
5.2, en de in verband daarmee door
de belastingdienst geïnde boeten en renten (onderdeel a; zie ook
artikel 52). Een andere belangrijke bron betreft de jaarlijkse rijksbijdrage in de
financiering van de verzekering voor personen jonger dan 18 jaar
(onderdeel b; zie ook artikel 54). Artikel 55 bevat de mogelijkheid in geval van
molest een rijksbijdrage ter beschikking te stellen. Ook deze
rijksbijdrage zal in het Zorgverzekeringsfonds worden gestort (onderdeel
c).
Hetzelfde geldt voor het geld waarvoor het Rijk ingevolge artikel
31,
derde lid, aansprakelijk is: in geval van toepassing van de noodregeling of
van faillissement van de zorgverzekeraar wordt een rijksbijdrage, ter
hoogte van het verschil tussen de door het CVZ
aan de verzekerde voldane
vorderingen en het bedrag dat het CVZ op de (boedel van de)
zorgverzekeraar uitwint, in het Zorgverzekeringsfonds gestort (onderdeel
c, zie
ook artikel 56). Daarnaast worden de bijdragevervangende belastingen, geheven van
personen die wegens gemoedsbezwaren van de verzekeringsplicht
zijn ontheven (artikel 57), in het Zorgverzekeringsfonds gestort (onderdeel
d). Op
grond van onderdeel e dient het CVZ uiteraard ook de
door hem uitgewonnen bedragen in het fonds te storten. Voorts worden in
het fonds gestort de bijdragen die het CVZ op grond van artikel
69,
tweede lid, heft van in het buitenland wonende niet-verzekeringsplichtigen
die op grond van het
internationale recht aanspraak hebben op
geneeskundige zorg of vergoeding van de kosten daarvan, zoals voorzien
in de wetgeving over de verzekering voor geneeskundige zorg van hun woonland
(onderdeel f). De situatie kan zich voordoen dat iemand in Nederland woont en op grond van een internationale
overeenkomst,
bijvoorbeeld een bilateraal verdrag inzake sociale zekerheid, een zogenaamde
verdragsaanspraak heeft op tot het Zvw-pakket behorende zorg of andere diensten in Nederland (zie ook
hoofdstuk VI van
de algemene toelichting).
In de regel zal het land ten laste waarvan betrokkene verstrekkingen inroept
premie inhouden bij de betrokkene en aan Nederland een bedrag
betalen dat bestaat uit de gemiddelde kosten van de zorgconsumptie per
verzekerde. Dit bedrag komt op grond van onderdeel g aan het
Zorgverzekeringsfonds ten goede. Onderdeel h, ten slotte, rblz.|149| bepaalt dat op
grond van deze
wet opgelegde en geïnde dwangsommen en boeten (hoofdstuk
9)
in het Zorgverzekeringsfonds worden gestort.
Derde lid
Het derde lid regelt de
uitgaven van het Zorgverzekeringsfonds. Allereerst worden uit het Zorgverzekeringsfonds de vereveningsbijdragen, bedoeld
in artikel 32 en 34,
betaald. Hetzelfde geldt voor eventuele tussentijdse bijdragen, als bedoeld in
artikel 33 (onderdeel a). Ook door het CVZ te verstrekken subsidies als
bedoeld in artikel 68 komen ten laste van het Zorgverzekeringfonds
(onderdeel b), alsmede het bedrag aan vorderingen op de zorgverzekeraar die
het CVZ op grond van artikel 31, eerste lid, voldoet (onderdeel c).
Deze uitgaven worden op een later moment weer door inkomsten gedekt
(zie het tweede lid, onderdeel c en e). Op grond van het tweede lid,
onderdeel c, van voorliggend artikel juncto artikel
55 kan in geval van molest
een rijksbijdrage in het Zorgverzekeringsfonds worden gestort. Onderdeel
d van het derde lid zorgt er vervolgens voor dat uitgaven in verband
met dergelijk molest ten laste van het Zorgverzekeringsfonds kunnen worden gebracht.
Onderdeel e vormt het spiegelbeeld van onderdeel g van het
tweede lid. In deze gevallen gaat het om vaste bedragen die
Nederland aan een ander land betaalt omdat iemand in een verdragsland ten
laste van Nederland een zogenaamde verdragsaanspraak heeft.
Vierde lid
Het vierde lid bepaalt,
net als dat in artikel 1q, derde lid, onderdeel d,
Zfw is gedaan, dat uit het
Zorgverzekeringsfonds volgens bij ministeriële regeling te stellen regels
middelen worden gebruikt voor het vormen en in stand houden van een
reserve.
Artikel 40
(beheer
Zorgverzekeringsfonds en geïntegreerd middelenbeheer)
Bij de
Wet houdende wijziging
van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 en enige andere
wetten in
verband met het integreren van het middelenbeheer van de sociale fondsen
(geïntegreerd middelenbeheer; Stb. 1997, 706) is het geïntegreerd
middelenbeheer ingevoerd voor de middelen van de Algemene Kas in de Zfw. De destijds in de Zfw opgenomen bepaling is later overgenomen in
artikel 1r van de Zfw en is thans opgenomen in voorliggend
artikel. De
enige meer dan redactionele wijziging is dat, conform hetgeen is
bepaald in artikel 7.4.2, vierde lid, Wfsv, in het zesde lid van
artikel 40 is
bepaald dat het CVZ uitsluitend gebruik maakt van de kredietfaciliteiten van
de Minister van Financiën.
Voor een uitgebreide
toelichting op de werking van de bepaling moge volstaan worden met
verwijzing naar de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat tot
eerder genoemde wet heeft geleid (Kamerstukken II 1996-1997, 25 342, nr. 3).
Daaraan is het volgende ontleend. Met het geïntegreerde middelenbeheer blijft de
beschikkingsmacht over het saldo in de rekening-courant geheel
bij de fondsbeheerder. Het ministerie van Financiën is niet bevoegd
zelfstandig bedragen van de rekening-courant op te nemen, met uitzondering
van het op afgesproken momenten belasten van de rekening met
debetrente. Andere betalingen kunnen uitsluitend geschieden bij opdracht
van de fondsbeheerder. Het Rijk zal de betalingsopdrachten van de fondsbeheerders,
gegeven het feit dat de beschikkingsmacht te allen tijde bij de
fondsbeheerders blijft, steeds zonder voorbehoud uitvoeren. De
fondsbeheerders blijven gehouden aan de verplichting tot het afleggen van
rekening en verantwoording. Op deze wijze blijven de fondsbeheerders
verantwoordelijk voor het fondsbeheer als geheel, rblz.|150| echter de
beleggingsactiviteiten maken geen deel meer uit van het fondsbeheer. (Zoals uit het eerste lid
blijkt, is de fondsbeheerder in casu het CVZ).
§ 5.2. De
inkomensafhankelijke bijdrage
Algemeen
Naast de (nominale)
premie die de verzekeringnemer verschuldigd is aan de zorgverzekeraar is
iedere verzekeringsplichtige een inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd
over diens zogenoemde bijdrage-inkomen. Het gaat hierbij in beginsel
om de belastbare winst uit onderneming, de inkomsten uit tegenwoordige of vroegere arbeid, het belastbare resultaat
uit overige werkzaamheden
en de belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen. Indien er
geen sprake is van zodanige inkomsten, is er geen bijdrage
verschuldigd. De bijdrage is verschuldigd ongeacht of de verzekeringsplichtige
werkelijk een zorgverzekering heeft. De verschuldigde bijdrage wordt geheven
door de belastingdienst.
Met de heffing van de
inkomensafhankelijke bijdrage wordt aangesloten bij de
heffingssystematiek van de Wfsv. Inhoudingsplichtigen geven de te betalen bijdrage over de
aan de loonheffing onderworpen inkomsten aan via één gecombineerde
aangifte van loonbelasting, premie volksverzekeringen, bijdrage Zvw
en premies
werknemersverzekeringen. De inhoudingsplichtige berekent zelf de
verschuldigde belasting en premies en draagt deze per
aangiftetijdvak af aan de belastingdienst. Voor de te betalen bijdrage over de
overige inkomsten (winst, resultaat overige werkzaamheden, periodieke uitkeringen en
niet aan de loonheffing onderworpen loon) wordt - net zoals
voor de premieheffing volksverzekeringen is geregeld in de Wfsv
- voor de heffing aangesloten bij de systematiek voor de
inkomstenbelasting.
De voor de
zorgverzekering verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage is verschuldigd door de
verzekeringsplichtige die de desbetreffende inkomsten geniet. Het
kabinet heeft in zijn Hoofdlijnenakkoord vastgelegd dat de helft van de
lasten van de zorgverzekering worden gefinancierd door een inkomensafhankelijke bijdrage. Net als in de huidige
Zfw moeten
de werkgevers hier aan
bijdragen. Daarom is bepaald dat de werknemer jegens zijn werkgever
recht heeft op vergoeding van de bijdrage die de betreffende werknemer
over het nader aan te wijzen deel van zijn loon verschuldigd is.¹ Op deze
wijze dragen de werkgevers bij aan de financiering van de Zvw. Voor personen
die bepaalde aangewezen uitkeringen ontvangen, geldt dat zij
recht hebben op vergoeding van de bijdrage door de uitkeringsinstantie.
De door de
werkgever/uitvoeringsinstantie aan de werknemer/uitkeringsgerechtigde betaalde vergoeding
behoort tot het fiscale loon van de werknemer/uitkeringsgerechtigde.
De werknemer/uitkeringsgerechtigde is daar loonheffing over
verschuldigd, die net als de bijdrage door de werkgever/uitkeringsinstantie
wordt ingehouden en afgedragen aan de belastingdienst.
In andere dan de hiervoor
genoemde gevallen draagt de verzekeringsplichtige de inkomensafhankelijke
bijdrage zelf.
1. In het algemene deel
van deze toelichting wordt deze vergoeding van
de werkgever "de werkgeversbijdrage"
genoemd.
Hoogte van de bijdrage
De bijdrage bedraagt een
percentage van het bijdrage-inkomen. Het percentage wordt
jaarlijks door de Ministers van VWS, van
Financiën en van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid (SZW) tezamen vastgesteld en kan voor daarbij aan te geven
inkomensbestanddelen in hoogte verschillen. Ter voorkoming van
ongewenste inkomenseffecten zal in beginsel voor alle inkomensbestanddelen
waarover thans geen Zfw-premie is verschuldigd tijdelijk een lager
percentage gelden. In 2006 zal dit percentage op nihil worden gesteld.
Gelet op de uit het Verdrag van Seattle voortvloeiende rblz.|151| verplichting
van de reder om de geneeskundige verzorging voor zijn werknemers aan
boord van het schip te betalen, ligt het in de rede om ook voor de
inkomensafhankelijke bijdrage over het loon van deze zeelieden een lager
percentage vast te stellen.
Heffingsgrondslag en
wijze van heffing
Als gezegd, wordt de voor
de zorgverzekering verschuldigde bijdrage geheven door de belastingdienst. Waar mogelijk vindt zogenaamde bronheffing plaats. Dit houdt in dat
de uitbetalende instantie (werkgever of uitkeringsinstantie) de
verschuldigde bijdrage inhoudt en afdraagt aan de belastingdienst.
Er is voor gekozen om
niet helemaal van dezelfde grondslag uit te gaan als in de huidige Zfw. De
heffingssystematiek van de Zfw sluit niet aan bij die van de
belastingheffing. De aansluiting bij de premiegrondslag van de Zfw zou -
gelet op de
uitbreiding van de kring van verzekerden - bovendien rechtsongelijkheid met
zich brengen. Met het oog op de eenvoud van de uitvoering en het
voorkomen van rechtsongelijkheid is voor de vaststelling van de grondslag in
beginsel uitgegaan van de bestanddelen van het inkomen uit werk,
overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de Wet
inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001), waarbij derhalve is aangesloten op bestaande begrippen in
de belastingheffing.
Indien er een inhoudingsplichtige is voor de loonbelasting dan wel voor de premieheffing sociale
verzekeringen, wordt de verschuldigde bijdrage geheven overeenkomstig de
regels die gelden voor de loonheffing. De inkomensgerelateerde
bijdrage wordt in dat geval geheven over het overeenkomstig de wettelijke bepalingen
van de loonbelasting vastgestelde belastbare loon,
verminderd met de van de werkgever/uitkeringsinstantie ontvangen vergoeding van
de bijdrage en met uitzondering van loonbestanddelen die in de zogenoemde
eindheffing zijn betrokken.
Deze heffing loopt samen
met de heffing van de loonbelasting, premie volksverzekeringen en werknemersverzekeringen in één gecombineerde
aangifte.
Indien het gaat om ander
inkomen dan het bovengenoemde looninkomen, wordt de verschuldigde
bijdrage geheven overeenkomstig de regels die gelden voor de heffing
inkomstenbelasting. Dit geldt voor de inkomensgerelateerde bijdrage over:
1. het overeenkomstig de
wettelijke bepalingen van de loonbelasting vastgestelde belastbare
loon, verminderd met de van de werkgever/uitkeringsinstantie
ontvangen vergoeding van de bijdrage en met uitzondering van
loonbestanddelen die in de zogenoemde eindheffing zijn betrokken, voor
zover dit inkomen niet van een inhoudingsplichtige in de zin van de
loonbelasting dan wel de Wfsv is ontvangen (van een buitenlandse
werkgever ontvangen loon);
2. loon, bepaald volgens
de regels van artikel 3.82 van de Wet
IB 2001 (auto van de zaak,
buitenlandse pensioenen);
3. belastbare winst uit
onderneming, bepaald volgens de regels van afdeling 3.2 van de Wet
IB 2001 (zelfstandige ondernemers, vrije beroepsbeoefenaren);
4. belastbaar resultaat
uit overige werkzaamheden, bepaald volgens de regels van afdeling 3.4
van de Wet
IB 2001 (freelancers, alfahulpen, enz.);
5. periodieke uitkeringen
en verstrekkingen, bepaald volgens de regels van afdeling 3.5 van de Wet
IB 2001, zoals alimentatie-uitkeringen.
Deze heffing loopt in
beginsel samen met de heffing op grond van de Wet
IB 2001. Net als bij de
heffing van de inkomstenbelasting wordt er geen rblz.|152| aanslag voor de Zvw
opgelegd indien de in beginsel op aanslag verschuldigde bijdrage niet hoger is
dan de zogenoemde aanslaggrens (in 2004: €|217,-).
De verzekeringsplichtige
is ook geen bijdrage op aanslag verschuldigd indien via de loonheffing
reeds de voor dat jaar vastgestelde maximumbijdrage is ingehouden
(zie hierna).
Ook indien iemand in
Nederland niet aan de loon- en inkomstenbelasting is onderworpen, maar wel
verzekeringsplichtig is, vindt de inhouding respectievelijk de
heffing op de bovengenoemde wijze plaats. Met de in artikel 43 gehanteerde
formulering is het voor de vaststelling van de grondslag voor de inkomensafhankelijke bijdrage niet van belang of deze
wel of (in verband met
het ontbreken van de belastingplicht) niet daadwerkelijk in aanmerking is genomen
bij de belastingheffing.
Maximering
inkomensgerelateerde bijdrage
De bijdrage is
verschuldigd tot ten hoogste een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag
per jaar. De hoogte komt ongeveer overeen met de huidige premiegrens Zfw
en het bedrag zal vervolgens jaarlijks worden aangepast.
Indien in één
tegenwoordige of vroegere dienstbetrekking meer loon wordt verdiend dan het
maximumbedrag waarover bijdrage verschuldigd is, mag de
werkgever/uitkeringsinstantie stoppen met het inhouden en afdragen van de bijdrage
over het meerdere.
Bij samenloop van loon
uit meerdere dienstbetrekkingen kan de inhoudingsplichtige of de verzekerde zich
na
afloop van het kalenderjaar tot de belastingdienst
wenden om
teruggave van te veel betaalde bijdrage te vragen. Indien het een
teruggave betreft van een bijdrage die de inhoudingsplichtige op grond van
artikel 46
dient te vergoeden, vindt de teruggave plaats aan de inhoudingsplichtige. Voor zover het gaat om inkomen dat onder de loonheffing
valt, waarbij geen recht bestaat op vergoeding van de bijdrage, vindt
teruggave plaats aan de werknemer. Naar analogie van hetgeen is geregeld
ten aanzien van de teruggave van te veel betaalde premies
werknemersverzekeringen in de Wfsv, voert de belastingdienst deze teruggaveregeling
uit. Het is eveneens mogelijk om vooraf aan de belastingdienst
toestemming te vragen om de inhoudingsplichtige geen bijdrage meer te laten
inhouden zodra - rekening houdend met de door de andere inhoudingsplichtigen ingehouden bijdrage
- de maximumbijdrage
is of zal zijn
ingehouden. Indien de maximumbijdrage reeds is betaald in de sfeer van
de loonheffing, is de verzekeringsplichtige geen Zvw-bijdrage op aanslag
verschuldigd.
Artikel 41
(verplichte
bijdrage van verzekeringsplichtigen)
Artikel 41 bepaalt dat de
verzekeringsplichtige ingevolge de Zvw een inkomensafhankelijke
bijdrage verschuldigd is (naast de premie die de verzekeringnemer op grond
van de artikelen 16 en 17 aan de zorgverzekeraar verschuldigd is).
Artikel 42
(grondslag van
de bijdrage)
Artikel 42 geeft aan dat
de inkomensafhankelijke bijdrage geheven wordt over het (krachtens
artikel 43 nader vast te stellen) bijdrage-inkomen.
rblz.|153|
Artikel 43
(bijdrage-inkomen) en artikel 44 (herziening
maximumbijdrage-inkomen)
In
artikel 43 wordt het
bijdrage-inkomen bepaald. Het wordt in zijn algemeenheid gevormd door het inkomen
uit tegenwoordige en vroegere arbeid.
Zoals in het algemene
deel van deze toelichting is aangegeven, wordt geheven over:
a. het overeenkomstig de
wettelijke bepalingen van de loonbelasting vastgestelde belastbare
loon, verminderd met de van de werkgever/uitkeringsinstantie
ontvangen vergoeding van de bijdrage en met uitzondering van
loonbestanddelen die in de zogenoemde eindheffing zijn betrokken, voor
zover dit inkomen niet van een inhoudingsplichtige in de zin van de
loonbelasting dan wel de Wfsv is ontvangen (van een buitenlandse
werkgever ontvangen loon);
b. loon, bepaald volgens
de regels van artikel 3.82 van de Wet
IB 2001 (auto van de zaak,
buitenlandse pensioenen);
c. belastbare winst uit
onderneming, bepaald volgens de regels van afdeling 3.2 Wet
IB 2001 (zelfstandige ondernemers, vrije beroepsbeoefenaren);
d. belastbaar resultaat
uit overige werkzaamheden, bepaald volgens de regels van afdeling 3.4 Wet
IB 2001 (freelancers, alfahulpen, enz.);
e. periodieke uitkeringen
en verstrekkingen, bepaald volgens de regels van afdeling 3.5 van de Wet
IB 2001, zoals alimentatie-uitkeringen.
Het bijdrage-inkomen
wordt ten minste op nihil gesteld. Dat betekent dat geen verrekening over de
jaargrens plaatsvindt indien de som van de bovengenoemde
inkomensbestanddelen per saldo tot een negatief resultaat leidt. Wel kunnen
negatieve inkomensbestanddelen worden verrekend met het in hetzelfde jaar
genoten positieve inkomensbestanddelen. Volledigheidshalve wordt
opgemerkt dat geen verrekening kan plaatsvinden tussen
inkomensbestanddelen die in de inhoudingsfeer worden meegenomen enerzijds en
inkomensbestanddelen die in de aanslagsfeer worden meegenomen
anderzijds.
De bijdrage wordt ten
hoogste geheven over een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag.
Het kabinet stelt zich voor daarbij de huidige premiegrens van de
ziekenfondsverzekering als uitgangspunt te nemen. Het bedrag zal jaarlijks
worden bijgesteld aan de hand van het indexcijfer der lonen. Deze aanpassingssystematiek wordt in de huidige ziekenfondsverzekering
gebruikt voor de
jaarlijkse aanpassing van de loongrens, waarvan het maximumpremie-inkomen wordt afgeleid.
Artikel 45
(tarief)
Op grond van
artikel 45,
tweede lid, wordt bij ministeriële regeling het percentage van de inkomensgerelateerde bijdrage
vastgesteld.
Artikel 45, derde lid,
opent de mogelijkheid om het percentage in eerder bedoelde ministeriële regeling
naar inkomensbestanddelen te differentiëren. Zoals eerder is aangegeven, zal ter voorkoming van ongewenste
inkomenseffecten voor
bepaalde inkomensbestanddelen waarover thans geen Zfw-premie is
verschuldigd tijdelijk een lager percentage gelden. In 2006 zal dit percentage
op nihil worden gesteld.
Verder zou van de in dit
artikel opgenomen delegatiebevoegdheid gebruik kunnen worden gemaakt
voor het loon van werknemers voor wie, buiten de in deze
wet geregelde
verzekering om, al een substantieel deel van de zorg die op grond van
deze wet dient te worden voorzien, wordt betaald door hun werkgever.
Hierbij wordt op dit moment vooral aan de redersverplichting gedacht. Tengevolge van
het in 1946 gesloten Verdrag van Seattle geldt voor reders
namelijk dat zij de kosten van geneeskundige verzorging die hun
zeelieden tijdens het verrichten van hun werk nodig hebben op zich nemen.
Indien de reders deze zorg voor eigen rekening rblz.|154| blijven verlenen, ligt
een lagere werkgeversbijdrage (en dus een lagere inkomensafhankelijke bijdrage) voor de hand.
Het vierde lid verwoordt
het in het Hoofdlijnenakkoord weergegeven uitgangspunt dat
werkgevers de helft van de totale macropremielast van deze wet betalen. Het
begrip "totale macropremielast" kan zoveel elementen bevatten (te
weten in ieder geval: de inkomensafhankelijke bijdragen, de (nominale)
premies, de eigen betalingen en de rijksbijdrage voor de kinderen) dat
het niet goed mogelijk is dit begrip bij de wet te regelen. De totale
macropremielast - welke, om verwarring met de (nominale) premie te voorkomen, in
het vierde lid "de som van bij ministeriële regeling te bepalen, ten
gunste van het Zorgverzekeringsfonds of van de zorgverzekeraars komende
inkomsten" wordt genoemd
- zal daarom bij ministeriële regeling
worden bepaald. Het vierde lid regelt dat de bijdragepercentages, en
daarmee de som van de inkomensafhankelijke bijdragen, zodanig worden
vastgesteld dat deze som 50% van de bij ministeriële regeling te
bepalen macropremielast bedraagt.
Het is mogelijk dat de
bedragen waar in de ministeriële regeling, bedoeld in het vierde lid, van
wordt uitgegaan achteraf gezien niet juist waren. Zo kunnen verzekeraars
andere (nominale) premies blijken te hebben vastgesteld dan waar de
Minister van VWS, in overeenstemming met de
Ministers van SZW en van
Financiën,
voor de vaststelling van het bijdragepercentage van was uitgegaan. In dat
geval zal achteraf blijken dat de som van de inkomensafhankelijke
bijdragen over het desbetreffende jaar niet 50% van de werkelijke
macropremielast heeft bedragen. Het vijfde lid regelt dat er dan gecorrigeerd wordt
door middel van verrekening met het bijdragepercentage voor een later jaar. Het
doel van hetgeen vermeld is in het vierde en vijfde lid is
enerzijds zeker stellen dat de verhouding tussen het deel van de lasten van de
Zvw dat wordt gedragen door burgers en bedrijven in evenwicht
blijft. Daarnaast heeft met name het vijfde lid ten doel om aan verzekeraars
zekerheid te geven over het deel van de kosten dat zij via nominale
premies moeten dekken. Door de bijdragepercentages en daarmee de som van de
inkomensafhankelijke bijdragen op bovenvermelde wijze vast te stellen, is
het immers mogelijk om de bijdrage uit het Zorgverzekeringsfonds
op een zodanig wijze vast te stellen dat de verzekeraar weet waaraan
hij toe is. De totale macropremielast wordt bij ministeriële regeling
vastgesteld om het corrigeren van oude jaren eenvoudig mogelijk te
maken. Via deze ministeriële regeling worden dus niet de kosten van de
zorg beheerst, anders dan via het bieden van zekerheid aan verzekeraars.
Artikel 46
(vergoeding
door inhoudingsplichtige)
Artikel 46 regelt de
tegemoetkoming van de inhoudingsplichtige werkgever in de bijdragelasten van
zijn werknemer. Bij ministeriële regeling zal worden bepaald over welke
bestanddelen van het tot het bijdrage-inkomen behorende loon de
werkgever of uitkeringsinstantie een vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage aan de verzekeringsplichtige moet
betalen. Het zal daarbij
in beginsel gaan om loon uit tegenwoordige dienstbetrekking en om
uitkeringen waarvan de uitkeringsinstantie in het kader van de huidige
ziekenfondsverzekering het werkgeversdeel van de procentuele
ziekenfondspremie verschuldigd is.
Artikel 47
(aanvullende
regeling)
Artikel 47 bevat een
delegatiebepaling op grond waarvan nadere regels met betrekking tot de inkomensafhankelijke bijdrage kunnen worden
gesteld. Deze zullen met
name ook betrekking hebben op de uitvoeringsaspecten van de
inkomensafhankelijke bijdrage.
rblz.|155|
§ 5.3. De heffing
en invordering van de inkomensafhankelijke bijdrage
Artikel 48 (heffing door
belastingdienst), artikel 49 (heffing via inhouding of
bij wege van
aanslag) en artikel 51 (invordering)
In de
artikelen 48, 49 en
51 wordt bepaald dat de verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage door de
belastingdienst wordt geheven en ingevorderd. Evenals dat voor de
Ziektewet, de Werkloosheidswet en de
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering in de Wfsv is geregeld, geschiedt dit overeenkomstig het
systeem voor de heffing en de invordering van loonbelasting en de
daarbij geldende regels voor zover het bijdrage-inkomen aan loonheffing is
onderworpen. Daarbij gaat het in het bijzonder om de regels van
hoofdstuk IV van de Wet
LB, de bepalingen van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen (Awr) en de Invorderingswet
1990. Dit betekent met
name dat de verschuldigde bijdrage na afloop van het aangiftetijdvak op
aangifte door de inhoudingsplichtige wordt afgedragen. Voor zover de bijdrage op
het loon van de werknemer wordt ingehouden, vindt deze
inhouding conform de inhouding van de loonbelasting per loontijdvak plaats en
worden de in een aangiftetijdvak ingehouden bijdragen vervolgens op
aangifte afgedragen. Indien de inhoudingsplichtige niet aan zijn
verplichtingen voldoet door op het loon geen bijdrage in te houden en
af te dragen, wordt de verzekeringsplichtige niet zelf door de belastingdienst voor de betaling van de bijdrage over het loon aangeslagen. Ingeval
de belastingdienst bij controle vaststelt dat de inhoudingsplichtige te
weinig bijdrage heeft afgedragen, zal de bijdrage bij de
inhoudingsplichtige worden nageheven.
Voor zover het
bijdrage-inkomen niet onderworpen is aan loonheffing, geschiedt de heffing en
invordering overeenkomstig het systeem voor de heffing en invordering
van inkomstenbelasting.
Hiermee wordt aansluiting
gezocht bij de Wfsv, waarin is bepaald dat, voor zover de premieplichtige
geen loon geniet in de zin van de Wet
LB, de premie bij wege van
aanslag wordt geheven met overeenkomstige toepassing van de voor de
heffing van de inkomstenbelasting geldende regels. Door de voor de
heffing van de inkomstenbelasting geldende regels van
overeenkomstige toepassing te verklaren, wordt tevens bewerkstelligd dat er
geen heffing en invordering van de Zvw-bijdrage plaatsvindt, indien de bijdrage Zvw niet meer bedraagt dan het op grond
van artikel 9.4 van de Wet
IB 2001 vastgestelde bedrag (in 2004 €|217,-). De
belastingdienst zal de
eerste (voorlopige) aanslagen op grond van de Zvw vanaf medio 2006 opleggen.
De verzekeringsplichtige
is ook geen bijdrage op aanslag verschuldigd indien via de loonheffing
reeds de voor dat jaar vastgestelde maximumbijdrage is voldaan.
Artikel 50
(inhouding
bijdrage over een te hoog bijdrage-inkomen)
Artikel 50 betreft de
situatie dat een verzekeringsplichtige gelijktijdig bijdrage-inkomen geniet
van verschillende werkgevers of uitkeringsinstanties. Bijvoorbeeld een
verzekeringsplichtige ontvangt een pensioen en heeft daarnaast nog
een dienstbetrekking. Indien blijkt dat voor de Zvw
in totaal meer procentuele bijdrage is ingehouden en afgedragen dan op
grond van artikel 43,
tweede lid, verschuldigd is, wordt de te veel betaalde bijdrage op aanvraag van
de inhoudingsplichtige dan wel de verzekeringsplichtige terugbetaald. De
belastingdienst voert deze terugbetalingsregeling uit. De
verzekeringsplichtigen met meer inkomensbronnen waarop inhouding van de
inkomensafhankelijke bijdrage plaatsvindt, moeten zelf goed opletten of voor hen
in totaal te veel bijdrage is ingehouden en afgedragen. rblz.|156| Indien dat het
geval is, kunnen zij een verzoek tot terugbetaling van te veel betaalde
bijdrage indienen bij de belastingdienst. Indien het een teruggave
betreft van een bijdrage die de inhoudingsplichtige op grond van artikel 46
dient te vergoeden, vindt de terugbetaling van de te veel betaalde
bijdrage in lijn met de Wfsv aan de inhoudingsplichtige plaats.
Bij terugbetaling van te
veel afgedragen bijdrage wordt een rangorde aangehouden. In
voorkomende gevallen wordt eerst de bijdrage die door de werkgever(s)/uitkeringsinstantie(s)
is ingehouden en afgedragen, naar evenredigheid aan de door
die werkgever(s)/uitkeringsinstantie(s) ingehouden bedragen toegerekend.
Daarbij wordt de te veel ingehouden bijdrage zoveel mogelijk
toegerekend aan de inkomensafhankelijke bijdrage over
bijdrage-inkomen waarvoor de verzekeringsplichtige geen recht heeft op een
vergoeding van de werkgever/uitkeringsinstantie.
Op grond van het vierde
lid is het eveneens mogelijk om toestemming te vragen om de
inhoudingsplichtige geen bijdrage meer te laten inhouden zodra - rekening
houdend met de door andere inhoudingsplichtigen ingehouden bijdragen - de
maximumbijdrage is ingehouden.
De beschikkingen die de
inspecteur van de rijksbelastingdienst in het kader van de Zvw
op grond
van de Wet
LB of de Wet
IB 2001 zal nemen, vallen onder het
rechtsbeschermingsregime van de Awr. Dat regime houdt in dat
alleen de in de Zvw expliciet als zodanig aangemerkte beschikkingen voor
bezwaar vatbaar zijn. In de Zvw betreft het de twee beschikkingen,
genoemd in artikel 50, eerste en vierde lid, van de Zvw.
Artikel 52
(bijdrageafdracht
en toerekening)
In
artikel 52 is een
delegatiebepaling opgenomen in verband met de afdracht door de belastingdienst
van bijdragen, bestuurlijke boeten en renten aan het
Zorgverzekeringsfonds. Door de
Minister van VWS en de Minister van Financiën
worden regels gesteld omtrent de afdracht en de wijze van toerekening.
Artikel 53
(aanvullende
regeling)
Artikel 53 geeft de
Minister van VWS de mogelijkheid om in overeenstemming met de Ministers van
Financiën en van SZW nadere regels met betrekking tot de heffing
en de invordering van de inkomensafhankelijke bijdragen te stellen. Ook
deze nadere regels zullen met name betrekking hebben op de
uitvoeringsaspecten.
§ 5.4. De
rijksbijdragen aan het Zorgverzekeringsfonds
Artikel 54 (rijksbijdrage
voor de zorgverzekering van personen jonger dan 18 jaar)
De belangrijkste
rijksbijdrage aan het Zorgverzekeringfonds is de jaarlijkse bijdrage die gegeven
wordt in de financiering van de zorgverzekering voor verzekerden jonger dan
18 jaar. Voor hun verzekering is immers geen premie verschuldigd.
Macro gezien zal de rijksbijdrage ongeveer gelijk zijn aan de helft
van de jaarlijks te ramen gemiddelde premie, vermenigvuldigd met het
aantal personen jonger dan 18 jaar.
rblz.|157|
Artikel 55
(mogelijkheid
rijksbijdrage bij molest)
Zoals in de
toelichting
op artikel 11 is aangegeven, mogen schaden wegens oorlogsmolest niet privaatrechtelijk verzekerd worden. Schaden
tengevolge van
terrorisme mogen wel verzekerd worden, voor zover althans de Minister van Financiën
niet heeft bepaald dat dat niet of slechts gedeeltelijk mag. De Zvw
sluit hier op aan. Dat betekent dat zorgbehoeften ontstaan tengevolge van
oorlogsmolest niet verzekerd zijn en dat zorgbehoeften ontstaan tengevolge van
terrorisme, na een ingreep van de Minister van Financiën, niet of slechts voor een deel verzekerd kunnen
zijn.
Voorliggend artikel opent
de mogelijkheid om in geval van oorlogsmolest of terrorisme toch geld beschikbaar te stellen om behoeften aan zorg te
lenigen. Dit geschiedt
buiten de verzekering om. De beschikbaarstelling geschiedt in de vorm van
een rijksbijdrage aan het Zorgverzekeringsfonds. De hoogte van de bijdrage
wordt door de
Minister van VWS, in overeenstemming met de Minister van Financiën, bepaald. De reden voor de betrokkenheid van
laatstgenoemde minister is dat er in geval van oorlogsmolest of (zwaar)
terrorisme naar verwachting meer soorten schaden zullen zijn dan
schaden aan de gezondheid van burgers. Denk bijvoorbeeld aan schade
aan de infrastructuur of schade aan woningen. Het is in dergelijke
gevallen een belangrijke taak van de Minister van Financiën om, tezamen
met de ministers van de betrokken vakdepartementen, te bepalen voor welke
schaden in welke mate met welke prioriteit overheidsmiddelen dienen
te worden aangewend.
Gegeven de beschikbare
bijdrage is het vervolgens aan de
Minister van VWS om te bepalen voor
welke zorg of andere diensten deze mag worden gebruikt, hoe de betaling
geschiedt (direct aan de zorgaanbieder of anders) en onder welke
voorwaarden en op welke wijze die betaling geschiedt (tweede lid).
De ministeriële regeling wordt in principe uitgevoerd door het CVZ, dat immers
ook het Zorgverzekeringsfonds beheert. Echter, het is van belang
dat zo nodig gebruik kan worden gemaakt van de infrastructuur die met deze
wet voor de uitvoering van de zorgverzekering is gecreëerd. Daarom is
in het derde lid geregeld dat via de ministeriële regeling tevens de
zorgverzekeraars kunnen worden ingeschakeld. Het zal hier voor de zorgverzekeraars niet om het uitvoeren van een verzekering
gaan, maar om het
uitvoeren van nevenactiviteiten. Aangezien in de eerste richtlijn
schadeverzekering is bepaald dat verzekeraars op het verrichten van
nevenactiviteiten geen risico mogen lopen, is in het derde lid geregeld dat in de
ministeriële regeling tevens wordt bepaald tegen welke vergoeding een
dergelijke inschakeling geschiedt. Daarbij wordt hier wel al direct
opgemerkt dat het, gezien de situaties waarin dit artikel zal worden toegepast,
niet uitgesloten is dat de minister zich in een bepaalde situatie
gedwongen kan voelen in het kader van het algemeen belang de medewerking van
de zorgverzekeraars te vorderen zonder dat daar volledige voldoening
van de uitvoeringskosten tegenover staat. Het Europese recht staat dit,
mits aan de voorwaarden van objectieve noodzakelijkheid en proportionaliteit
wordt voldaan, toe.
Artikel 56
(mogelijkheid
rijksbijdrage bij betalingsonmacht zorgverzekeraar)
In
artikel 31, eerste
lid, is bepaald dat het CVZ bij (dreigend) faillissement van een
zorgverzekeraar
de vorderingen voldoet die verzekerden jegens die zorgverzekeraar
hebben. In het derde lid van dat artikel staat dat het Rijk tegenover het CVZ
aansprakelijk is voor de dientengevolge ontstane kosten. Voorliggend artikel zorgt ervoor dat hiertoe aan het Zorgverzekeringsfonds
een bijdrage kan worden
verstrekt. De hoogte van de bijdrage rblz.|158| is gelijk aan de voldane
vorderingen, verminderd met het bedrag dat het CVZ als schuldeiser van
de (overgenomen) vorderingen op (de boedel van) de zorgverzekeraar
heeft weten uit te winnen.
§ 5.5.
Bijdragevervangende belasting gemoedsbezwaarden
Artikel 57
(bijdragevervangende belasting gemoedsbezwaarden)
De persoon die op zijn
verzoek is ontheven van de verplichtingen op grond van de AWBZ is
niet verzekeringsplichtig ingevolge de Zvw. Doordat voor de kring van
verzekeringsplichtigen op grond van de Zvw is aangesloten aan de kring
van verzekerden ingevolge de AWBZ, is een afzonderlijk verzoek aan
de SVB tot ontheffing van de verzekeringsplicht ingevolge
deze wet niet
nodig. Evenals geldt voor de premie ingevolge de AWBZ, wordt van de
gemoedsbezwaarde persoon belasting geheven. Die heffing geschiedt met overeenkomstige toepassing van die bepalingen,
bedoeld in hoofdstuk 5 van
de Wfsv, die zien op de heffing van premievervangende belastingen voor de
volksverzekeringen (hoofdstuk 5 van de Wfsv
verwijst wat dat betreft naar artikel 4.1.2
Wfsv). De hoogte van de
belasting is gelijk aan
de inkomensafhankelijke bijdrage die de gemoedsbezwaarde zou hebben moeten
betalen indien hij wél verzekeringsplichtig zou zijn geweest. De gemoedsbezwaarde werknemer heeft jegens zijn
inhoudingsplichtige
werkgever recht op vergoeding van de door hem in dit kader te betalen
belasting. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat de over die vergoeding
verschuldigde belasting wel voor rekening van de gemoedsbezwaarde
werknemer komt.
Hoofdstuk 6. Het CVZ
§ 6.1. Algemene
bepalingen
Artikel 58 (instelling,
algemene taakomschrijving)
In de
Zvw is het
CVZ gehandhaafd als zelfstandig bestuursorgaan
(ZBO). In de
paragrafen 6.1 en 6.3
is de inhoud van de Zfw-artikelen met betrekking tot de samenstelling, de
algemene taakomschrijving, de werkwijze, de planning en de
verslaglegging van het CVZ grotendeels ongewijzigd overgenomen.
Het eerste en tweede lid
bepalen dat er een CVZ is, dat rechtspersoonlijkheid bezit en dat gevestigd is
in een door de minister te bepalen plaats. Het
College wordt in en
buiten rechte (zowel in privaatrechtelijke als in publiekrechtelijke zaken)
vertegenwoordigd door de voorzitter (vierde lid).
In
artikel 58, derde lid,
is de algemene taak van het CVZ opgenomen: het uitvoeren van de taken
die hem bij of krachtens de wet of internationale overeenkomst zijn
opgedragen. Bij het eerste gaat het allereerst om taken die op grond van de
Zvw aan het CVZ worden opgedragen. Een deel van deze taken is geregeld in
paragraaf 6.2 van de Zvw, maar ook in
hoofdstuk
4 (onder andere toekenning
vereveningsbijdragen), hoofdstuk 5 (beheer Zorgverzekeringsfonds),
hoofdstuk 8
(gegevensverstrekking) en hoofdstuk 9 (opleggen van bestuurlijke boeten)
zijn taken van het CVZ geregeld. Daarnaast gaat het om taken in het kader
van andere wetten, waarvan de belangrijkste de AWBZ
en de Wfsv zijn. Bij taken opgelegd bij of krachtens internationale
overeenkomsten kan
gedacht worden aan de taak als internationaal verbindingskantoor, die voortvloeit uit door Nederland gesloten socialezekerheidsverdragen
en Vo. 1408/71.
rblz.|159|
Artikel 59
(samenstelling)
Het
CVZ zal, net als
thans, bestaan uit ten hoogste negen door de minister
te benoemen leden (eerste
en tweede lid). Gebleken is dat dit aantal voldoende is voor een
goede taakvervulling.
Benoeming geschiedt op
basis van het bezitten van de deskundigheid die nodig is voor het
uitvoeren van de taken van het College (derde lid). Ook maatschappelijke kennis
en ervaring spelen uiteraard een rol. Hierbij kan gedacht worden aan
deskundigheid, kennis en ervaring op het terrein van verzekeren, sociale
zekerheid en gezondheidszorg.
Het vierde lid beperkt
het aantal zittingsperioden van de leden tot ten hoogste drie. Daarmee is
een evenwicht gezocht tussen de noodzaak van behoud van deskundigheid
en continuïteit en de op zich ook wenselijke doorstroming, zodat
nieuwe inzichten ook een kans krijgen.
In het vijfde lid is
bepaald dat de minister zich bij de benoeming van bestuursleden dient in te
spannen om te komen tot een evenredige vertegenwoordiging van vrouwen en personen
uit minderheidsgroepen in het College.
In het zesde lid is met
het oog op het voorkomen van de schijn van belangenverstrengeling of
gebrek aan onafhankelijkheid bepaald dat een lid van het CVZ
niet
tevens lid kan zijn van het CTZ of de PVK. De onverenigbaarheid met het lidmaatschap van
het CTZ is eerder al opgenomen in artikel 1b, derde lid,
Zfw. Omdat de PVK, net als het CTZ, toezicht zal houden op de
zorgverzekeraars (de PVK zal erop toezien dat de zorgverzekeraars aan hun uit de
zorgverzekeringen voortvloeiende financiële verplichtingen kunnen voldoen, terwijl het CTZ erop zal toezien dat de
zorgverzekeraars aan de
bij en krachtens deze wet geregelde (overige) verplichtingen voldoen),
is ook het lidmaatschap van de PVK met het CVZ-lidmaatschap onverenigbaar. Daarnaast wordt het onwenselijk
geacht dat een
CVZ-bestuurslid tevens directeur-generaal van de NMa is dan wel, indien de NMa
zelfstandig bestuursorgaan (ZBO) wordt, lid van het bestuur van de NMa
is. De onverenigbaarheid van het CVZ-bestuurslidmaatschap met een beleidsbepalende
functie bij de NMa zal, gezien de thans nog bestaande
onduidelijkheid over de vraag of de NMa met ingang van 1 januari 2006 wel of
geen ZBO zal zijn, in de ministeriële regeling, bedoeld in het negende
lid, onderdeel c, worden geregeld. In het algemene deel van deze toelichting
is aangegeven dat er bij een afzonderlijke wet een Zorgautoriteit
zal worden ingesteld. Zo nodig zal, bij die wet of bij de ministeriële
regeling, bedoeld in het negende lid, onderdeel c, geregeld worden dat het
lidmaatschap van het CVZ onverenigbaar is met dat van de Zorgautoriteit.
De leden van het
College
zijn niet in dienst van het College en worden derhalve niet uit dien
hoofde bezoldigd. Op grond van het negende lid, onderdeel a, zullen zij
voor hun werkzaamheden een vergoeding ontvangen; ook leden van door het
College ingestelde commissies komen voor een vergoeding in aanmerking. De vergoeding wordt ten laste gebracht
van ’s Rijks kas (artikel 71 [72], zevende lid). De bepalingen over de vergoeding van reis- en
verblijfkosten en verdere vergoedingen zijn ontleend aan de Kaderwet
adviescolleges.
rblz.|160|
Artikel 60
(bestuursreglement, commissies, openbaarheid vergaderingen)
In het in het eerste lid
voorgeschreven bestuursreglement, dat goedkeuring van de minister
behoeft,
zal het CVZ onder andere de wijze en frequentie van vergaderen
moeten regelen, alsmede hoe besluiten worden voorbereid,
genomen en uitgevoerd. Ook dient te worden bepaald hoe werkafspraken met het
CTZ, de PVK en - in de toekomst - de Zorgautoriteit worden gemaakt. Aangezien
de bestuursreglementen van het CVZ en van het CTZ aan
goedkeuring door de minister zijn onderworpen, is tevens verzekerd dat
de minister op dit punt een vinger aan de pols kan houden.
Het spreekt voor zich dat
het CVZ bij zijn werk zorgdraagt voor een goed contact met de
uitvoeringspraktijk, bij voorkeur door bij zijn werkzaamheden de inbreng van
praktijkdeskundigheid te waarborgen. Het bestuursreglement zal daarbij echter de
onafhankelijke besluitvorming van het College moeten
waarborgen; er mogen geen zodanige bestuurlijke bindingen met
maatschappelijke organisaties ontstaan dat vermenging van belangen optreedt.
In het tweede lid is
bepaald dat het CVZ zich voor de uitvoering van zijn taken van commissies kan
bedienen, voor zover het bestuursreglement dat bepaalt. Als er
commissies worden ingesteld, dienen in het bestuursreglement ingevolge het tweede lid
bepalingen te worden opgenomen over de samenstelling en taken van de ingestelde commissies. Bevoegdheden
van het College kunnen
niet aan commissies worden overgedragen, maar wel kan het CVZ de
commissies bij of krachtens het bestuursreglement mandaat verlenen om
namens hem te besluiten. In het reglement zal daarnaast kunnen
worden bepaald hoe met mandaatverlening aan leden van het College en
medewerkers wordt omgegaan.
Leden van een commissie
hoeven niet tevens lid te zijn van het College (derde lid).
In het vierde lid is
vastgelegd dat de vergaderingen van het College in beginsel openbaar zijn.
In het bestuursreglement kan worden bepaald welke vergaderingen niet
openbaar zijn.
Artikel 61
(personeel
CVZ)
Het personeel van het
CVZ, het CTZ, het College bouw zorginstellingen (CBZ), het College
sanering zorginstellingen (CSZ) en het CTG is van oudsher ambtenaar in de
zin van de Ambtenarenwet, maar ingevolge de Ambtenarenwet is het
materieel ambtenarenrecht (titel III van de Ambtenarenwet) niet op
hen van toepassing (zie artikel 2, eerste lid, onderdeel r, s en
u, van de Ambtenarenwet; wat betreft onderdeel s zoals dat onderdeel is komen te
luiden na inwerkingtreding van de Wet
toelating zorginstellingen). Deze situatie strookt niet met het in
Aanwijzing voor de
regelgeving (Ar) 124u
gecodificeerde kabinetsbeleid, dat vergt dat ook het materiële
ambtenarenrecht op het personeel van ZBO’s van toepassing is. Daarom wordt de
rechtspositie van het personeel van het CVZ en het CTZ in voorliggend
wetsvoorstel geregeld conform de eisen van Ar 124u. Via de Invoerings- en aanpassingswet Zvw
zal hetzelfde worden geregeld voor het personeel van
het CBZ, het CSZ en het CTG en zullen eerder genoemde onderdelen van artikel 2
van de Ambtenarenwet
worden aangepast.
In de Invoerings- en
aanpassingwet Zvw zal worden voorzien in een overgangsperiode van vier jaar.
Gedurende
deze periode zullen de besturen van de vijf colleges de
arbeidsvoorwaarden van het personeel nog mogen vaststellen.
Tegelijkertijd zal echter de omzetting van de arbeidsvoorwaarden naar ambtelijke
arbeidsvoorwaarden worden voorbereid.
rblz.|161|
Artikel 62
(bevoegdheid
stellen beleidsregels minister)
De mogelijkheid voor de
minister om zo nodig beleidsregels vast te stellen omtrent de uitvoering van
de taken van het CVZ
is noodzakelijk om, indien de ministeriële
verantwoordelijkheid daarom vraagt, het College algemene aanwijzingen te kunnen
geven. Het is niet de bedoeling dat deze bevoegdheid wordt gebruikt om invloed
uit te oefenen op concrete besluiten in individuele gevallen,
zoals de toekenning van de vereveningsbijdrage aan een bepaalde
zorgverzekeraar.
Artikel 63
(vernietigingsbevoegdheid minister)
De
bevoegdheid om
besluiten van het CVZ te vernietigen wegens strijd met het geschreven en
ongeschreven recht kan met het oog op de ministeriële verantwoordelijkheid niet
worden gemist. Bij de formulering is aangesloten bij de in de
Awb getroffen regeling. Uiteraard zal van de
vernietigingsbevoegdheid
een zeer terughoudend gebruik worden gemaakt.
§ 6.2. Taken en
bevoegdheden
Vooraf
In de
Zfw worden zowel de
taken die het CVZ in het kader van de uitvoering van de Zfw
heeft als
zijn taken in het kader van de AWBZ geregeld. Voorgesteld wordt deze
systematiek te verlaten en de taken van het CVZ ter zake van de
uitvoering van de AWBZ in de toekomst in laatstgenoemde wet te regelen. Hiertoe
zal de AWBZ via de Invoerings- en aanpassingswet Zvw
worden gewijzigd. De
taken die het CVZ in voorliggend wetsvoorstel worden toebedeeld,
betreffen derhalve slechts taken in verband met de Zvw. De taken van het
CVZ
in het kader van de te verzekeren prestaties zijn te vinden in deze
afdeling. Daarnaast worden het CVZ ook in andere artikelen van de Zvw
taken toebedeeld. Zo kent het CVZ de zorgverzekeraars vereveningsbijdragen toe
(artikelen 32 tot en met 35), voldoet het CVZ bij (dreigend) faillissement
van de zorgverzekeraar vorderingen op die verzekeraar van verzekeringnemers of
verzekerden (artikel 31), beheert het CVZ het Zorgverzekeringsfonds
(artikel 40) en legt het CVZ bestuurlijke boeten op
(artikel 95 [96]). Tevens heeft
het CVZ bepaalde informatierechten en -verplichtingen (hoofdstuk
8).
Artikel 64
(bevordering
eenduidige uitleg te verzekeren en verzekerde prestaties)
Een belangrijke taak van
het CVZ is te bevorderen dat de zorgverzekeraars het te verzekeren pakket,
zoals dat bij en krachtens artikel 11 geregeld zal worden, eenduidig
interpreteren. Hetzelfde geldt voor de uitleg van het pakket nadat dat
eenmaal in de polissen is opgenomen. Mede gezien de ontwikkelingen
op medisch en ander zorginhoudelijk terrein zal immers zo nu en dan de
vraag opkomen of een bepaald zorgproduct binnen de grenzen van het
in de zorgverzekeringen opgenomen verzekerde pakket valt, en zo nee, of
dat product dan, door middel van wijziging van de op grond van
artikel 11 getroffen regelgeving, in het te verzekeren pakket (en daarmee ook in
de verzekerde pakketten van de op dat moment lopende zorgverzekeringen) zou moeten worden opgenomen.
Het
CVZ kan eenduidige
uitleg bevorderen door middel van het opstellen van tot de
zorgverzekeraars gerichte richtlijnen. Deze richtlijnen zijn niet bindend, maar een
zorgverzekeraar die hier zonder goede reden of goed alternatief van afwijkt,
zal hier door het CTZ op kunnen worden aangesproken.
rblz.|162|
Artikel 65
(voorlichting
omtrent de te verzekeren prestaties)
In dit artikel is
geregeld dat het CVZ voorlichting geeft over de krachtens de zorgverzekeringen te
verzekeren prestaties.
Artikel 66
(uitvoeringstoetsen over en signaleren ontwikkelingen met betrekking tot te
verzekeren prestaties)
Het
CVZ moet desgevraagd
rapporteren over voornemens omtrent het te verzekeren pakket,
waarbij met name kan worden gedacht aan voornemens om dat pakket door middel
van wijziging van regelgeving (artikelen 10 en
11 en de onder artikel 11
hangende regelgeving) aan te passen.
In het tweede lid van
artikel 66 krijgt het CVZ tot taak ook eigener beweging feitelijke ontwikkelingen
die aanleiding kunnen geven tot wijzigingen in het te verzekeren
pakket bij de minister te signaleren. Bij deze taak kijkt het CVZ overigens niet
alleen naar de ontwikkelingen op medisch en ander zorginhoudelijk
terrein, maar ook naar de eventuele gevolgen van wijzigingen in het te
verzekeren pakket voor de uitvoering van de vereveningsregeling en het beheer van het
Zorgverzekeringsfonds.
In dit verband zij
gewezen op de artikelen 87 [88], 88 [89]
en 89 [90], op grond waarvan de zorgverzekeraars
verplicht zijn aan het CVZ de inlichtingen te verstrekken die het voor de
vervulling van zijn taak nodig acht.
Artikel 67
(afstemming
met overige sociale verzekeringen)
Het
CVZ heeft een
coördinerende taak die gezien moet worden als een verbijzondering van de
meer algemene taak om sturing te geven aan de uitvoering. Bij de
coördinatietaak gaat het om de afstemming van de uitvoering van de Zvw
en
de AWBZ, maar ook om afstemming tussen de uitvoering van deze
wetten enerzijds en de uitvoering van het beleid op andere terreinen van de
volksgezondheid, onderscheidenlijk op andere terreinen van de sociale
zekerheid, anderzijds. Hieronder wordt begrepen dat het College reageert
op signalen die hem uit het veld of van burgers bereiken.
Artikel 68
(subsidies)
Het
CVZ is op grond van
artikel 68 belast met het verstrekken van subsidies indien dat bij
ministeriële regeling is bepaald. De subsidies komen ten laste van het
Zorgverzekeringsfonds (artikel 39, derde lid, onderdeel b). Ten opzichte van
artikel 1p Zfw
bevat artikel 68 twee wijzigingen. Allereerst gaat het artikel niet
meer in op subsidies in de AWBZ-sfeer (die uit het in
artikel 7.2.2.1 Wfsv
bedoelde Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten worden gefinancierd). Een
basis voor dergelijke subsidies zal via de Invoerings- en aanpassingswet Zvw
in de AWBZ
zelf worden opgenomen.
Daarnaast is het aantal
doelen waarvoor subsidie kan worden verstrekt in de Zvw
beperkt tot één: subsidie kan worden verstrekt voor zorg of andere diensten
ten aanzien waarvan het voornemen bestaat deze op te nemen in het pakket
te verzekeren prestaties. Hiermee is aangesloten bij het subsidiebeleid
zoals dat in de brief van 13 november 2003 aan de Voorzitter van de
Tweede Kamer is meegedeeld (Kamerstukken II 2003-2004, 29 214, nr. 5).
Omdat beoogd wordt de subsidie te geven voorafgaande aan opneming van de
desbetreffende zorg of diensten in het te verzekeren pakket, is in
het eerste lid van artikel 68 bepaald dat de subsidies tijdelijk zijn.
In de subsidieregeling
kan worden neergelegd voor welke activiteiten en onder welke voorwaarden
tot welke bedragen subsidie kan of moet worden verleend.
rblz.|163|
De
huidige
subsidieregelingen kennen vaak een constructie volgens welke het CVZ
subsidie
verstrekt aan ziekenfondsen, die deze vervolgens weer verstrekken aan de
uiteindelijk beoogde subsidieontvangers. Zeker indien de uiteindelijke
subsidieontvangers verzekerden zijn, is dit een praktische manier van subsidieverstrekking. Echter, deze wijze van subsidieverstrekking
past niet goed bij de
nieuwe situatie, aangezien zij ertoe zou leiden dat de zorgverzekeraars
door de verstrekking van subsidies ZBO zouden worden. Voor
ziekenfondsen was dat geen bezwaar, aangezien zij ook in het kader van de
uitvoering van de ziekenfondsverzekering reeds ZBO waren. De
zorgverzekeraars zullen echter als gevolg van het uitvoeren van hun hoofdtaak
- te
weten het aanbieden en uitvoeren van zorgverzekeringen - geen ZBO worden en
voorkomen dient te worden dat zij dit tengevolge van het
uitvoeren van een Zvw-subsidieregeling alsnog worden. Aangezien aan de
andere kant voor sommige subsidies verdeling door zorgverzekeraars de
beste uitvoeringsmethode kan zijn, is in het tweede lid geregeld dat
in de ministeriële regeling kan worden bepaald dat zorgverzekeraars het
CVZ bij de verstrekking van een bepaalde subsidie bijstaan. Tevens
zal in die ministeriële regeling dan de vergoeding worden geregeld die daar
voor de zorgverzekeraars tegenover staat.
Het derde lid legt vast
dat de minister per categorie van subsidies een plafond kan vaststellen.
De vergoedingen voor door zorgverzekeraars verleende bijstand als
bedoeld in het tweede lid dienen te worden meegerekend voor de
beantwoording van de vraag of het plafond is bereikt.
Het vierde lid kent de
mogelijkheid het CVZ de bevoegdheid toe te kennen nadere regels te stellen.
Te denken valt daarbij aan op de subsidiepraktijk toegespitste uitwerking
van in de ministeriële regeling gestelde regels. Die nadere regels
behoeven goedkeuring van de minister (vijfde lid). De goedkeuring kan niet
alleen wegens strijd met het geschreven of ongeschreven recht, maar ook wegens
strijdigheid met het belang van de volksgezondheid worden
onthouden (zesde lid).
Artikel 69
(innings- en
administratiekantoor in het buitenland wonende niet-verzekerden)
In het buitenland wonende
personen met recht op een Nederlands pensioen of (langlopende)
uitkering hebben, indien zij niet op grond van de wetgeving van hun
woonland voor ziektekosten verzekerd zijn, recht op (vergoeding van)
geneeskundige zorg indien zij - nadat zij zich verzekerd zouden hebben -
recht
op Zvw-prestaties zouden
hebben indien zij in Nederland zouden hebben
gewoond. In het woonland worden dan de verstrekkingen verleend
naar het recht van dat woonland, voor rekening van Nederland. Hiertoe wordt jaarlijks een bedrag aan het desbetreffende
woonland betaald.
Artikel 69 belast het
CVZ met de administratie van deze regeling. Zo zal het CVZ voor de
desbetreffende personen een formulier dienen af te geven op grond waarvan
de verzekeraar in de woonstaat kan zien dat betrokkene inderdaad
recht heeft op prestaties ten laste van Nederland. Het eerste lid draagt de
desbetreffende personen dan ook op zich bij het CVZ aan te melden,
terwijl het derde lid het CVZ opdraagt de benodigde administratieve
werkzaamheden te verrichten.
De betrokken personen
zijn voor de verzekering een bijdrage verschuldigd, die bij ministeriële
regeling wordt bepaald (tweede lid). Aangezien de desbetreffende
personen niet verzekerd zijn, wordt niet gesproken van een premie. Het recht op
de prestaties bestaat derhalve louter op grond van het internationale
recht. Het derde lid belast het CVZ met de heffing
rblz.|164| en de inning van de
bijdrage, met dien verstande dat ingevolge onderdeel a van het vierde
lid bij
ministeriële regeling kan worden bepaald dat de organen die het pensioen
of de rente uitkeren de bijdrage direct op dat pensioen of die rente
inhouden en het ingehouden bedrag in het Zorgverzekeringsfonds storten.
Onderdeel b van het
vierde lid zorgt ervoor dat er regels kunnen worden gesteld over de wijze
waarop het CVZ de in dit artikel geregelde taak vervult. Tevens kunnen
regels gesteld over de wijze waarop de instanties die het pensioen of de
rente uitkeren de bijdrage daarop inhouden en aan het Zorgverzekeringsfonds
afdragen.
§ 6.3. Planning,
verslaglegging en financiering
Algemeen
De artikelen 70 tot en
met 75 [71-76] gaan over de planning, verslaglegging en financiering van het CVZ,
alsmede over de verslaglegging over het Zorgverzekeringsfonds. Anders dan de artikelen
in paragraaf 6.2 beperken de paragrafen over de
planning en verslaglegging van het CVZ zich niet tot de werkzaamheden of
kosten van het CVZ in verband met de Zvw. De stukken die het CVZ op
grond van paragraaf 6.2 dient op te stellen, dienen derhalve ook te zien op
de taken die het CVZ in het kader van de AWBZ of eventuele andere wetten
uitvoert. Wat dit laatste betreft, valt in ieder geval te denken aan de
toelating van zorgaanbieders als bedoeld in de Wet
toelating zorginstellingen.
Op het gebied van het
afleggen van verantwoording heeft zich een groot aantal ontwikkelingen
voorgedaan. De Algemene Rekenkamer heeft een aantal rapporten over
rechtspersonen met een wettelijke taak gepubliceerd en daarnaast de
"Handreiking voor verslaggeving van rechtspersonen met een wettelijke
taak". Door de
Minister van Financiën is de
regeringsnota "Van
beleidsbegroting tot beleidsverantwoording" aan de Tweede Kamer gezonden
(Kamerstukken II 1998-1999, 26 573, nrs. 1-2). Deze publicaties zijn het
uitgangspunt voor het in de Zvw vastgelegde verantwoordingsproces.
De
wet bevat de hoofdlijnen van het verantwoordingsproces. Nadere uitwerking vindt
plaats in ministeriële regelingen. Kern van het verantwoordingsproces is dat het
CVZ
zich verantwoordt
over de door hem
uitgevoerde taken en geleverde prestaties. De verantwoording wordt
afgelegd in de jaarverantwoording (jaarrekening plus jaarverslag), waarin
onder meer wordt ingegaan op rechtmatigheid en doelmatigheid van de taakuitoefening van het
CVZ en op de bedrijfsvoering.
Het jaarplan en de
jaarverantwoording zijn beide zogenoemde verantwoordingsdocumenten.
De
verantwoordingsdocumenten vormen voor de
Minister van VWS een belangrijk element in de
sturing op hoofdlijnen van het CVZ als ZBO. Door middel van deze
documenten geeft het CVZ aan op welke wijze het de aan hem opgedragen taken
denkt te vervullen en welke middelen daarvoor nodig zijn. Achteraf
wordt verantwoording afgelegd over de vervulling van de aan hem opgedragen
taken en het gebruik van de daarvoor beschikbaar gestelde
middelen.
De
verantwoordingsdocumenten zijn voorts van belang in de relatie tussen de
minister en de
beide kamers der Staten-Generaal. Gezien zijn verantwoordelijkheid voor
het beleid en het stelsel vormt de minister zich, mede aan de hand van de
verantwoordingsdocumenten, een oordeel over het functioneren van het CVZ. Hij brengt dat oordeel vervolgens ter kennis van de beide kamers der
Staten-Generaal.
rblz.|165|
De
artikelen van deze
paragraaf brengen, met uitzondering van artikel
71 [72], zevende lid, vergeleken
met de bestaande praktijk in de toepassing van de Zfw weinig nieuws. De
artikelen zijn wel opnieuw geformuleerd om beter aan te sluiten bij die
praktijk.
Artikel 70
(jaarplan) [zie
art. 71 Zvw, red.]
Werkprogramma, begroting
en meerjarenraming zijn samengevoegd tot één document, het
jaarplan. De reden daarvoor is het benadrukken van het verband tussen
werkprogramma en begroting. De begroting is de financiële vertaling van
het werkprogramma. Evenzo zijn jaarverslag en jaarrekening samengevoegd
tot jaarverantwoording (zie artikel 72 [73]), daar de jaarrekening de
financiële weerslag van de uitgevoerde werkzaamheden is.
Artikel 71
(budget,
financiering) [zie
art. 72 Zvw, red.]
Als bekostigingssysteem
werd in het verleden al gekozen voor budgettering. Deze keuze is nu in de
wet vastgelegd. Budgettering is een geschikt instrument om het niveau
van de uitvoeringskosten te sturen in relatie tot de te verrichten taken en
de te realiseren output/resultaten. Het CVZ kent geen concurrentie. Door
budgettering kan de efficiency binnen de eigen organisatie worden
geprikkeld. Het is van belang dat de budgetteringssystematiek niet alleen wordt gericht
op inputfactoren, maar waar mogelijk juist ook op de te leveren output en de te leveren resultaten.
In de krachtens artikel 74 [75], vierde lid, te stellen nadere regels zal voor het CVZ de mogelijkheid
worden opgenomen een niet-besteed deel van het budget binnen bepaalde grenzen te reserveren in een egalisatiereserve.
Een eventueel
exploitatietekort kan ten laste van de reeds gevormde egalisatiereserve worden gebracht, voor
zover deze toereikend is.
Het eerste lid van
artikel 71 [72] regelt de bevoegdheid van de minister
om het budget voor de
beheerskosten van het CVZ vast te stellen. Het tweede lid geeft de
minister de
mogelijkheid om het budget te wijzigen. Deze bevoegdheid is vooral
bedoeld om ook het CVZ bij eventuele rijksbrede of departementsbrede
bezuinigingen te kunnen betrekken. In het derde lid wordt het CVZ opgedragen
aanmerkelijke verschillen tussen begroting en uitvoering aan de minister te melden, opdat de
minister desgewenst kan bijsturen. Het CVZ mag
volgens het vierde lid geen verplichtingen aangaan of uitgaven doen
die tot gevolg hebben dat het budget wordt overschreden. Om te
voorkomen dat de werkzaamheden van de organisatie stil komen te liggen
indien het budget niet tijdig is vastgesteld, zijn het vijfde lid en zesde
lid opgenomen.
Het zevende lid, ten
slotte, bepaalt dat de beheerskosten van het CVZ
(en daarmee ook van het CTZ,
zie artikel 84 [85]) ten laste van ’s Rijks kas, de begroting van het ministerie van
VWS, komen. Dit is een wijziging ten opzichte van de in de Zfw
geldende
situatie, waarin de beheerskosten van het CVZ en het CTZ ten laste van de Algemene Kas en het Algemeen Fonds Bijzondere
Ziektekosten werden
gebracht. Ook de beheerskosten van het CTG, CBZ en het CSZ zullen ten
laste van de begroting van het ministerie van VWS worden gebracht. Dat
laatste zal in de Invoerings- en aanpassingswet Zvw
worden geregeld.
Aanleiding hiervoor vormt
het streven het Budgettair Kader Zorg om te vormen tot een financieel
kader waartoe slechts de uitgaven behoren die rechtstreeks voortvloeien
uit het op grond van de Zvw
of de AWBZ
geldende
verzekeringspakket. Het CVZ, CTZ, CTG, CBZ en CSZ zijn te beschouwen als
organisaties van de overheid voor ordening en toezicht op het terrein van de
zorg. De beheerskosten van deze zelfstandige bestuursorganen staan in
een verder verwijderd verband met de uitgaven rblz.|166| in verband met de verzekeringsaanspraken. Daarom is besloten tot financiering
ten laste van ’s Rijks
kas. De financiering uit die kas geschiedt overigens rechtstreeks en
niet via (een rijksbijdrage aan) het Zorgverzekeringsfonds.
Opgemerkt
wordt dat
onder de beheerskosten van het CVZ ook vallen de kosten die dit
bestuursorgaan maakt in zijn functie van verbindingskantoor in internationaal
verband. De taken die het CVZ als verbindingskantoor heeft, hoeven echter in
dit hoofdstuk niet geregeld te worden, aangezien deze reeds uitputtend in
Vo. 1408/71 en de bijbehorende uitvoeringsverordening,
dan wel in de EER of de desbetreffende socialezekerheidsverdragen, zijn geregeld.
Artikel 72
(jaarverantwoording) [zie
art. 73 Zvw, red.]
De uiterste datum voor
indiening van de jaarverantwoording is van 1 juli teruggebracht naar 15
maart, in lijn met de versnelling van de verantwoording bij de rijksoverheid. De
jaarverantwoording bestaat uit de jaarrekening en het jaarverslag.
Volgens het tweede lid
moet het CVZ in het jaarverslag in elk geval ingaan op het door hem gevoerde
beleid, de doeltreffendheid van dat beleid, de bedrijfsvoering en de
uitvoering van het werkprogramma.
Nieuw is het voorschrift
dat het CVZ in de jaarrekening rekening en verantwoording aflegt
over de rechtmatigheid en doelmatigheid van het beheer (derde lid). Het
is minder juist, zoals onder de Zfw, alleen de accountant zijn oordeel
over deze twee onderwerpen te laten uitspreken. Het CVZ zelf is immers de
verantwoordingsplichtige, en niet de accountant.
De overeenkomstige
toepassing van titel 9 van Boek
2 BW op de jaarrekening van het CVZ is nu in
de
wet vastgelegd (derde lid).
Het vierde tot en met
zesde lid regelen de bij de jaarrekening te voegen accountantsverklaring
inzake de getrouwheid en rechtmatigheid, en het verslag van de
bevindingen van de accountant over de vraag of het beheer en de organisatie
van het CVZ voldoen aan eisen van rechtmatigheid, ordelijkheid, controleerbaarheid en doelmatigheid. Deze eisen zijn
vergelijkbaar met die
welke in de Comptabiliteitswet
2001 worden gesteld aan het beheer en de
organisatie van de ministeries.
Artikel 74 [75], derde lid,
onderdeel d, maakt het mogelijk nadere regels te stellen ten aanzien van
zowel de verklaring en het verslag van bevindingen van de accountant als
het aan verklaring en verslag ten grondslag liggende onderzoek. De
ervaring heeft geleerd dat dergelijke regels door alle partijen worden
gewaardeerd, omdat zij de bedoelingen verduidelijken, problemen oplossen en de
inspanningen optimaal op elkaar afstemmen.
Artikel 73
(jaarrekening
Zorgverzekeringsfonds) [zie
art. 74 Zvw, red.]
Deze bepaling bevat de
regels over het afleggen van verantwoording door het CVZ
over het door hem
gevoerde beheer van het Zorgverzekeringsfonds. De voorschriften rond de
jaarrekening van het Zorgverzekeringsfonds zijn identiek aan die
rond de jaarrekening betreffende de beheerskosten van het CVZ, zie artikel
72 [73].
Onder de Zfw dient te
worden aangegeven in welke mate gebruik is gemaakt van
controleresultaten van derden die betrokken zijn bij de totstandkoming van de
ontvangsten en, in mindere mate, de uitgaven van de Algemene Kas (vertaald
naar de Zvw zou het dan bijvoorbeeld gaan om de
rechtmatigheidsverklaring van de interne accountantsdienst van de belastingdienst
omtrent
de inning van de inkomensafhankelijke bijdragen, bedoeld in hoofdstuk
5).
Die bepaling is vervangen door het voorschrift rblz.|167| dat in de jaarrekening
rekening en verantwoording wordt afgelegd over de rechtmatigheid en
doelmatigheid van het beheer (tweede lid). In die rekening en
verantwoording zal het CVZ moeten aangegeven op welke wijze gebruik wordt
gemaakt van de controleresultaten van de bedoelde derden.
De verantwoording met
betrekking tot het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten zal via de Invoerings- en aanpassingswet Zvw
in de AWBZ worden geregeld.
Artikel 74
(goedkeuring
Minister VWS, nadere regels) [zie
art. 75 Zvw, red.]
Het eerste lid regelt
welke stukken de goedkeuring van de minister
behoeven: de onderdelen "werkprogramma" en "begroting" van het jaarplan, het onderdeel
"jaarrekening" van de jaarverantwoording en de jaarrekening met
betrekking tot het Zorgverzekeringsfonds. Het onderdeel "meerjarenraming" van
het jaarplan behoeft die goedkeuring niet. De meerjarenraming voorziet
uitsluitend in een informatiebehoefte van de minister. Het is niet de
bedoeling dat de meerjarenraming als zodanig financiële
verplichtingen creëert, noch voor de minister, noch voor het CVZ.
Het stuurmiddel van de
minister voor de beheerskosten is vooral het
budget, en in mindere
mate de begroting van het CVZ. Goedkeuring van de begroting door de
minister is niettemin wenselijk. Het is gebruikelijk en wordt aanbevolen in de
rapporten van de Algemene Rekenkamer over rechtspersonen met een
wettelijke taak. Bovendien kan het CVZ zo worden opgedragen in een
voorkomend geval bepaalde uitgaven niet of juist wel te verrichten.
Nadat de
minister het
werkprogramma en de begroting, of onderdelen daarvan, heeft
goedgekeurd, zijn deze stukken voor het CVZ taakstellend. Een afwijking van het
werkprogramma of een begroting behoeft op grond van het eerste lid
wederom de goedkeuring van de minister. Om te voorkomen dat het CVZ voor elke
afwijking van een begrotingspost de goedkeuring van de minister zou
moeten vragen, maakt het tweede lid hierop een uitzondering voor
begrotingsafwijkingen die per groep van kostensoorten en baten 5% van het
budget niet te boven gaan, mits de totale omvang van de begroting
gelijk blijft. Hiermee wordt bereikt dat het CVZ zonder tussenkomst van de
minister ruimte heeft voor het compenseren van
begrotingsoverschrijdingen met onderschrijdingen binnen zijn begroting en dat de
minister alleen
op hoofdlijnen hoeft te sturen.
Van de jaarverantwoording
behoeft het onderdeel "jaarrekening" wel en het onderdeel "jaarverslag" geen goedkeuring. Goedkeuring van de jaarrekening is gebruikelijk en wordt
aanbevolen in de rapporten van de Algemene Rekenkamer over
rechtspersonen met een wettelijke taak. Deze argumenten gelden niet
voor het jaarverslag. De minister betrekt het jaarverslag uiteraard wel
bij zijn oordeel over het functioneren van het CVZ
(artikel 75 [76], tweede
lid).
Het derde lid geeft de
onderwerpen waarbij de minister nadere regels kan stellen. Het ligt in de
bedoeling van deze bevoegdheid terughoudend gebruik te maken.
Artikel 75
(verkrijgbaarstelling,
oordeel Minister VWS) [zie
art. 76 Zvw, red.]
De
Zfw bepaalt dat de
minister het werkprogramma, het verslag van werkzaamheden (nu het jaarverslag
genoemd) en de jaarrekening van het CVZ, alsmede de jaarrekening
van de Algemene Kas aan beide kamers der Staten-Generaal zendt.
Dit keert in de Zvw niet terug. In plaats daarvan
rblz.|168| wordt in artikel 75
[76],
eerste lid, bepaald welke stukken door het CVZ algemeen verkrijgbaar moeten
gesteld, bijvoorbeeld via het internet (eerste lid). Voorts geeft de minister aan de beide
kamers der Staten-Generaal zijn oordeel over het functioneren van het CVZ (tweede lid).
Hoofdstuk 7. Het College
toezicht
§ 7.1. Algemene
bepalingen
Vooraf
Het CTZ is in de
Zvw vooralsnog als zelfstandig bestuursorgaan gehandhaafd. In
hoofdstuk V, paragraaf
i, van het algemene deel van deze toelichting is geschetst langs welke
wegen het toezicht op de zorgverzekeraars zal worden
gemoderniseerd. Zo zal bij afzonderlijke wet een Zorgautoriteit worden ingesteld. De
taken van het CTZ zullen in die Zorgautoriteit worden geïntegreerd.
Omdat de tekst van het wetsvoorstel dat tot laatstgenoemde wet moet leiden nog niet
beschikbaar is, wordt in de artikelen van hoofdstuk 7 en in de hiernavolgende toelichting uitgegaan van de
situatie zolang deze
Zorgautoriteit nog niet werkzaam is. Te zijner tijd zal het wetsvoorstel tot
instelling van de Zorgautoriteit de Zvw wijzigen, waarbij met name het hierna gepresenteerde
hoofdstuk 7
- dat immers
gaat over het CTZ - naar verwachting belangrijke wijziging zal ondergaan of mogelijk zelfs geheel
zal komen te vervallen.
Artikel 76
(instelling,
algemene taakomschrijving) [zie
art. 77 Zvw, red.]
De eerste twee leden van
artikel 76 [77] bepalen dat er een CTZ is, dat rechtspersoonlijkheid bezit en dat
gevestigd is
in een door de
Minister van VWS te bepalen plaats.
Het derde lid, onderdeel
a, belast het CTZ allereerst met het toezicht op de rechtmatige uitvoering
van de Zvw. In het algemene deel van deze toelichting is aangegeven waarom het
CTZ, anders dan dit het geval is onder de Zfw, niet meer belast is
met het toezicht op een doelmatige uitvoering. Voorts wordt opgemerkt
dat het toezicht van het CTZ in principe beperkt is tot de vraag of de bij en
krachtens de Zvw gestelde bepalingen door de zorgverzekeraars in acht
worden genomen en niet geldt voor zover het toezicht aan andere toezichthouders is opgedragen. Het CTZ gaat derhalve
niet na of de
verzekeraars zich houden aan hetgeen hen bij of krachtens de Wtv
1993 is opgelegd.
Of de verzekeraar aan zijn financiële verplichtingen zal kunnen voldoen (het
prudentiële toezicht), wordt door de PVK bekeken, en of de
verzekeraar aan de voor hem geldende, uit de Wtv 1993 voortvloeiende
gedragsregels voldoet (het gedragstoezicht) door de AFM. Wat betreft de
consumenteninformatie en -advisering geschiedt dit in samenwerking met het CTZ
(zie artikel 81 [82]). In wezen wordt het door het CTZ te houden toezicht
hiermee derhalve beperkt tot de vraag of aan de publieke randvoorwaarden
die deze
wet aan de zorgverzekeringen en de zorgverzekeraars stelt,
wordt voldaan.
Zoals in de
toelichting
op de artikelen 32, 33 en 34 is uiteengezet, worden vereveningsbijdragen en
in artikel 33 bedoelde extra bijdragen vooraf aan zorgverzekeraars
toegekend en achteraf, op grond van artikel 34, vastgesteld, waarna het
CVZ zo nodig
tot terugvordering van het te veel betaalde (of bijbetaling van het
te weinig betaalde) overgaat. Het is mogelijk dat een zorgverzekeraar in
een jaar waarover een bijdrage is toegekend met zijn werkzaamheden is
gestopt en dus op het moment van het vaststellen van de bijdragen als
bedoeld in artikel 34 geen zorgverzekeraar meer is. Dat zal hij op grond van
artikel 30 aan het CVZ dienen te melden, waarna CVZ deze melding aan het
CTZ doorgeeft. Uiteraard is het wél de bedoeling dat de toegekende en
inmiddels uitbetaalde bijdragen nog netjes rblz.|169| worden afgewikkeld.
Onderdeel b van het derde lid geeft het CTZ de taak om hier toezicht op te
houden. Op grond van artikel 87 [88] zal het CTZ hiertoe bij de rechtsopvolger van
de zorgverzekeraar de nodige informatie kunnen opvragen.
Het derde lid, onderdeel
c, belast het College toezicht met toezicht op de uitvoering van andere
wetten, volgens bij of krachtens die wetten te bepalen criteria. Hoewel
dit onderdeel vanuit wetgevingstechniek bezien gemist kan worden, is het
hier toch opgenomen om aan te geven dat het CTZ nog meer taken kan hebben dan het toezicht op de rechtmatige
uitvoering, door de zorgverzekeraars van de Zvw. In ieder geval zal, via de
Invoerings- en aanpassingswet Zvw, geregeld worden dat het CTZ toezicht houdt op de doelmatige uitvoering van de AWBZ.
Artikel 77
(samenstelling) [zie
art. 78 Zvw, red.]
Het CTZ zal uit ten
hoogste vijf leden bestaan. Verder zijn de bepalingen in paragraaf 6.2 over de
samenstelling, algemene taakomschrijving en werkwijze van het CVZ
van
overeenkomstige toepassing verklaard. Anders dan onder de Zfw zal nu ook
het CTZ commissies kunnen instellen. In dergelijke commissies kunnen ook
personen deelnemen die geen lid van het CTZ zijn. Een voor de
hand liggende commissie is een commissie waarin zowel leden van het CTZ
als leden van de PVK deelnemen.
Artikel 78
(aanwijzing
natuurlijke personen als toezichthouders) [zie
art. 79 Zvw, red.]
Deze bepaling draagt het
CTZ op personeelsleden aan te wijzen die toezichthouder zijn in de
zin van de Awb en derhalve de in afdeling 5.2
Awb geregelde
toezichtsbevoegdheden hebben.
Artikel 184
Wetboek van
Strafrecht (Sr) stelt het niet verlenen van medewerking aan een toezichthouder
strafbaar.
§ 7.2. Taken en
bevoegdheden
Vooraf
Anders dan dit in de
Zfw het geval is, regelt de Zvw
niet meer de taken die het CTZ (totdat de
Zorgautoriteit met zijn werkzaamheden start) in het kader van de AWBZ
heeft (recht-
en doelmatigheidstoezicht). Het toezicht op de uitvoering van de
AWBZ zal via de Invoerings- en aanpassingswet Zvw
of via de wet waarmee de Zorgautoriteit wordt ingesteld, worden
geregeld.
Artikel 79
(rapportage
rechtmatigheid uitvoering door zorgverzekeraars) [zie
art. 80 Zvw, red.]
Het CTZ zendt op grond
van het eerste lid jaarlijks vóór 1 november een samenvattend rapport aan
de minister. De rapportage moet ingaan op de rechtmatigheid van de
uitvoering van de Zvw door de zorgverzekeraars in het voorafgaande
kalenderjaar. De rechtmatige uitvoering omvat de vraag of en in hoeverre de
zorgverzekeraars de
wet naar letter en strekking (met inbegrip van de
zorgplicht) juist hebben uitgevoerd.
Zoals in de toelichting
op artikel 76 [77] reeds is gesteld, dient het CTZ zich in zijn toezicht te beperken
tot de vraag of de Zvw rechtmatig is uitgevoerd. De vraag of de Wtv
1993 rechtmatig wordt uitgevoerd - en dus of de verzekeraar aan zijn
verplichtingen jegens zijn verzekerden of verzekeringnemers kan voldoen
- wordt
door de PVK beantwoord.
Het CTZ kan zijn oordeel
baseren op de jaarrekening en het (geconsolideerde) jaarverslag, die de zorgverzekeraar hem ieder jaar moet zenden
(artikel 37), op het
uitvoeringsverslag (artikel 38), op de accountantsverklaringen
rblz.|170| en -verslagen over deze
stukken en uiteraard ook op eigen onderzoek bij de zorgverzekeraar.
De
Minister van VWS zendt
het samenvattende rapport aan de Staten-Generaal en legt aldus
verantwoording af (derde lid). Het CTZ stelt het samenvattende rapport
algemeen verkrijgbaar (vierde lid).
Artikel 80
(gebruik
controleresultaten van derden) [zie
art. 81 Zvw, red.]
Eerste lid [zie
art. 81, eerste lid, Zvw,
red.]
In dit artikel is, ter
beperking van de administratieve lasten en uit het oogpunt van efficiency,
het uitgangspunt neergelegd dat het CTZ niet steeds zelf onderzoek
verricht, maar zoveel mogelijk gebruik maakt van door anderen verrichte
controles. Hierbij moet vooral gedacht worden aan de interne controles van
de zorgverzekeraars en de controles van hun externe accountants.
Tweede lid [zie
art. 81, tweede lid, Zvw,
red.]
Het is van belang dat het
CTZ in staat wordt gesteld zich tussentijds reeds een oordeel te vormen
over de voortgang en de voorlopige resultaten van de controles die bij de
zorgverzekeraars plaatsvinden. Het kan namelijk op basis hiervan bepalen of,
en zo ja, welke aanvullende werkzaamheden het moet verrichten. Dit bevordert de ontwikkeling van een dynamisch controleproces
("tijdens de rit") en
maakt het mogelijk de noodzakelijke controles tijdig na afloop van het
boekjaar af te ronden. De woorden "hen die met de controle zijn
belast"
in het tweede lid omvatten zowel de interne controleurs van de
zorgverzekeraars als de door hen ingeschakelde externe accountants.
Omdat de extern accountant werkt in opdracht en ten behoeve van de
zorgverzekeraar, is de verplichting over het verstrekken van de gevraagde
informatie neergelegd bij de zorgverzekeraar. Het CTZ kan de
zorgverzekeraar erop aanspreken indien deze in zijn opdrachtverlening
aan zijn externe
accountant niet heeft geregeld dat de gevraagde informatie aan dat College verstrekt moet worden.
Artikel 81
(toezichtstoetsen,
onderzoek op verzoek van de minister of van het CVZ) [zie
art. 82 Zvw, red.]
Eerste lid [zie
art. 82, eerste lid, Zvw,
red.]
Het CTZ dient op verzoek
van de
Minister van VWS toezichtstoetsen te verrichten. De taken en
bevoegdheden van een toezichthouder, maar ook de inhoud van zijn
toezicht, zijn sterk afhankelijk van het veld waarop toezicht moet worden
gehouden. De inrichting van het veld en de voorschriften waaraan het veld zich
moet houden, bepalen de wensen en mogelijkheden ten aanzien
van het toezicht. Artikel 82 [83] leidt ertoe dat het CTZ vanuit
toezichtperspectief aan kan geven of voorgenomen beleid uitvoerbaar, doeltreffend
en doelmatig is. Ten opzichte van artikel 1x6
Zfw is de term "doeltreffend" toegevoegd. Aldus wordt aangesloten bij de
Comptabiliteitswet
2001 (zie artikel 20, eerste lid, van die
wet).
Tweede en derde lid [zie
art. 82, tweede en derde
lid, Zvw, red.]
De
Minister van VWS kan
het CTZ tussentijds vragen een dringend toezichtsonderzoek te
verrichten, waarmee in het werkprogramma nog geen rekening is
gehouden, bijvoorbeeld indien zich plotseling een calamiteit voordoet of dreigt voor
te doen bij een zorgverzekeraar. Ook het CVZ
zou in het kader van
zijn taakuitoefening behoefte kunnen hebben aan onderzoek door het CTZ. Omdat het werkprogramma van het
CTZ rblz.|171| instemming van de minister behoeft en omdat beide colleges aan elkaar nevengeschikte organen
zijn, kan het niet zo zijn dat een verzoek van het CVZ verplichtend is voor
het toezichtcollege. Het toezichtcollege zal bij een verzoek van het CVZ
moeten overwegen of het de onderzoeksvraag van het CVZ kan "meenemen" in al voorgenomen onderzoek, dan wel in
zijn volgende
werkprogramma kan opnemen. Zowel voor een verzoek van de minister als van het
College voor zorgverzekeringen geldt uiteraard dat de bevoegdheden van het
CTZ toereikend moeten zijn om het gevraagde onderzoek te doen. Indien
het CTZ een onderzoek op verzoek van de minister of het CVZ
uitvoert, laat dit onverlet dat het zo’n onderzoek onder eigen
verantwoordelijkheid uitvoert.
Artikel 82
(aanvullende
transparantietaak CTZ) [zie
art. 83 Zvw, red.]
De met de
Zvw beoogde
resultaten kunnen alleen worden bereikt indien zorgverzekeraars met
elkaar concurreren om de klandizie van verzekeringsplichtigen. Dat vereist dat
verzekeringsplichtigen de mogelijkheid hebben om van
zorgverzekeraar te wisselen indien zij verwachten dat een nieuwe zorgverzekeraar
meer aan hun wensen tegemoet komt dan de zorgverzekeraar bij wie
zij verzekerd zijn. Deze mogelijkheid tot wisselen is in artikel 7 geregeld
(dat artikel laat overigens onverlet de uit artikel 7.17.1.13 BW
of uit de zorgpolis
voortvloeiende extra opzegmogelijkheden van de verzekeringnemer). Van de
mogelijkheid tot wisselen zal echter weinig gebruik worden gemaakt
indien een verzekeringsplichtige niet over informatie beschikt op grond waarvan
hij de prijs-prestatieverhouding van zijn eigen verzekeraar af kan zetten tegen die van andere verzekeraars. Artikel
82 [83] draagt het CTZ op
dergelijke informatie over de zorgverzekeraars bekend te maken, voor
zover hier althans naar zijn mening niet reeds in voldoende mate in wordt
voorzien door anderen (te denken valt, zoals uit het algemene deel van
deze toelichting kan worden afgeleid, aan de Consumentenbond).
De informatieverstrekking
betreft twee hoofdonderdelen. Allereerst gaat het om het publiceren van kernelementen uit de modelovereenkomsten
die de zorgverzekeraars
hanteren (het CTZ krijgt de modelovereenkomsten op grond van artikel
25 binnen). Daarnaast gaat het om de dienstverlening van zorgverzekeraars aan
verzekerden en verzekeringnemers indien de verzekering
eenmaal gesloten is. Het gaat hierbij om vragen die met de invulling van de
zorgplicht te maken hebben, zoals de vraag welke activiteiten de
zorgverzekeraar verricht om de verzekerde van de benodigde zorg te voorzien en hoe
lang dat gemiddeld duurt, maar ook om meer basale vragen, zoals
de vraag naar de telefonische bereikbaarheid van de verzekeraars en
hoe lang een restitutieverzekeraar erover doet om ingediende rekeningen aan
de verzekerde te vergoeden.
Aangezien doel van de
hier geregelde (aanvullende) taak van het CTZ is het transparant maken van
de prijs-prestatieverhouding van de zorgverzekeraars om het de
verzekeringsplichtigen gemakkelijker te maken te kiezen, is het wenselijk
dat het CTZ zijn publicaties (op papier of op een website) als
vergelijkende overzichten vormgeeft.
Krachtens het derde lid
kan bij ministeriële regeling worden bepaald over welke aspecten van de
modelovereenkomsten en de dienstverlening het CTZ dient te publiceren.
Dit is vooral van belang met het oog op de kenbaarheid voor de
zorgverzekeraars. Een dergelijke regeling zal in overleg met het CTZ tot
stand komen.
rblz.|172|
Artikel 83
(bevoegdheid
regelstelling CTZ en CVZ) [zie
art. 84 Zvw, red.]
Het
CVZ krijgt in het
eerste lid de bevoegdheid om in overeenstemming met het CTZ voorschriften
te geven aan de zorgverzekeraars over de inrichting van hun
administratie. Hierdoor wordt bevorderd dat de zorgverzekeraars hun administratie op
vergelijkbare wijze inrichten. Dit is uit het oogpunt van het CTZ
van belang in verband met de efficiency van zijn werk. Aangezien ook de
PVK op grond van artikel 70, tweede lid, Wtv
1993 aanbevelingen en algemene
richtlijnen omtrent de administratieve organisatie en interne controle van
(zorg)verzekeraars kan geven, doet het CVZ er verstandig aan zijn
voorschriften met de PVK af te stemmen.
Op grond van het tweede
lid kan het CTZ regels stellen met betrekking tot de controle door de zorgverzekeraars en de inhoud en de inrichting van
het accountantsverslag
over het uitvoeringsverslag alsmede over het aan dat accountantsverslag
ten grondslag liggende onderzoek.
Ten
slotte
De
Zfw geeft het CTZ nog
drie extra toezichtsinstrumenten, die in de Zvw
niet terugkeren.
Allereerst heeft het CTZ op grond van artikel
1x5 Zfw onder meer de taak
desgevraagd of uit eigen beweging het CVZ te adviseren over de intrekking van
een toelating als ziekenfonds. Aangezien deze
wet niet meer
voorziet in afzonderlijke toelatingen - van verzekeraars - tot de
zorgverzekeringsmarkt, dient dit instrument te vervallen.
Op grond van
artikel 1x9 Zfw
kan het CTZ een ziekenfonds onder bewind stellen indien volgens
het CTZ sprake was van wanbeheer of een toestand dreigde te ontstaan
waarin het ziekenfonds zijn taak niet naar behoren zou vervullen. Op grond van
artikel 1x10 Zfw kan het CTZ schadevergoeding vorderen van een (gewezen) bestuurder van een
ziekenfonds veroorzaakt
door diens nalatigheid of
wanbeheer.
De
Wtv
1993 kent de PVK
de bevoegdheid toe verzekeraars onder (stil) bewind te plaatsen (artikel
54, derde lid, onderdeel a, Wtv
1993), terwijl de aansprakelijkstelling van
bestuurders op grond van artikel 54, zevende lid, Wtv
1993 kan
plaatsvinden. Daarnaast kent de Wtv 1993 nog een aantal andere mogelijkheden voor
de PVK om bij wanbeheer van de verzekeraar of een dreigende
onmogelijkheid om aan zijn financiële verplichtingen uit de verzekeringen te
voldoen, in te grijpen. Handhaving, voor het CTZ, van de in de artikelen
1x9 en 1x10 Zfw
neergelegde toezichtsinstrumenten, naast de in de Wtv 1993
neergelegde instrumenten, acht de regering onnodig. Dergelijke
instrumenten zouden immers de facto vooral worden toegepast bij (dreigende)
financiële onregelmatigheden, en het is nu juist de PVK die erop moet
toezien dat de zorgverzekeraar aan zijn uit zijn zorgverzekeringen
voortvloeiende financiële verplichtingen moet voldoen en daar de juiste
instrumenten voor heeft.
Constateert het CTZ dat
een zorgverzekeraar in ernstige mate in strijd handelt met het bij of
krachtens de Zvw geregelde, dan kan het CTZ
één van de in
hoofdstuk 9
geregelde maatregelen treffen.
§ 7.3. Planning en
verslaglegging, financiering
Artikel 84
(overeenkomstige toepassing van voor CVZ geldende regels) [zie
art. 85 Zvw, red.]
De regels waaraan het
CVZ wat betreft zijn eigen planning en verslaglegging moet voldoen, zijn van
overeenkomstige toepassing op het CTZ. Hetzelfde geldt voor de
financiering. Uiteraard is de plicht tot het opstellen van een financieel
verslag over het Zorgverzekeringsfonds, die in artikel 73 [74]
rblz.|173| aan het CVZ als
beheerder van het Zorgverzekeringsfonds is opgedragen, niet van overeenkomstige
toepassing.
Hoofdstuk 8.
Gegevensverstrekking
Artikel 85 (gebruik
sofinummer) [zie art.
86 Zvw, red.]
Algemeen
Artikel
85 [86] bepaalt dat
zorgverzekeraars het sofinummer van hun verzekerden en hun gewezen
verzekerden, dat hen op grond van artikel 4 bij het verzoek tot het sluiten
van een verzekering dient te worden medegedeeld, in hun administratie
opnemen. Voorts regelt artikel 85 [86] dat zij persoonsgegevens van hun verzekerden op
basis van het sofinummer met de in artikel 87 [88]
en 88 [89] genoemde
personen en instanties uitwisselen, voor zover althans die personen en
instanties op hun beurt bevoegd zijn tot gebruik van het sofinummer.
Declaraties van zorgaanbieders zullen op basis van het sofinummer geschieden
(artikel 117 [118]) en voorts zullen de zorgverzekeraars aan de hand van het
sofinummer de voor de risicoverevening noodzakelijke persoonsgegevens aan het
CVZ (of een door het CVZ aangewezen bewerker) dienen te verstrekken
(artikel 85 [86], derde lid, juncto
artikel 35).
Zoals bekend, bereidt het
kabinet introductie van het "burgerservicenummer" (BSN) voor. Dit nummer
is een uniek identificerend nummer voor iedere burger,
waarmee de burger bij elk (digitaal) loket in de publieke sector terecht
kan. Het BSN zal in de plaats komen van enkele bestaande nummers,
waaronder het sofinummer. Het kabinet is enige tijd van mening geweest dat
het wenselijk was om naast het BSN voor de zorgsector een
sectorspecifiek "zorgidentificatienummer" in te voeren.
Van dit uitgangspunt is
het kabinet, zoals blijkt uit de brief die de Minister voor Bestuurlijke
Vernieuwing en Koninkrijksrelaties en de
Minister van VWS op 14 mei 2004 aan de
Tweede Kamer hebben gestuurd (Kamerstukken II 2003-2004, 29 362, nr.
15), inmiddels teruggekomen. Het BSN zal, indien het gebruik ervan
met voldoende waarborgen blijkt te kunnen worden omkleed, ook voor
de zorgsector gaan gelden. Op dit moment worden deze waarborgen,
die kunnen liggen op technisch, juridisch, organisatorisch of gedragsspecifiek vlak,
nader uitgewerkt. In het najaar van 2004 zal één en ander aan
het CBP [College bescherming persoongegevens, red.]
worden voorgelegd.
Het is de bedoeling dat
het BSN met ingang van 1 januari 2006, derhalve met ingang van dezelfde
dag als de dag waarop de regering voorliggend wetsvoorstel in werking
zou willen laten treden, gebruikt wordt. Het is echter niet wenselijk in
de Zvw zelf reeds het gebruik van het BSN te regelen. Immers, het
BSN kan pas worden gebruikt indien daarvoor een algemene wettelijke basis
is geschapen. De Minister van Bestuurlijke Vernieuwing en
Koninkrijksrelaties zal hiervoor een wetsvoorstel ontwerpen. Vervolgens zal
het BSN door middel van aanpassing van diverse wetten of
wetsvoorstellen - waaronder de AWBZ en de Zvw - in de zorgsector worden
ingevoerd.
Dit
betekent dat de
Zvw nog dient uit te gaan van een situatie waarin het
BSN niet bestaat.
Bijkomend voordeel daarvan is dat een eventuele vertraging in de invoering van het
BSN niet automatisch tot vertraging van de invoering van de Zvw
hoeft te leiden.
Nu het kabinet het niet
meer wenselijk vindt naast het BSN een zorgidentificatienummer te gebruiken, zou het
onwenselijk zijn om tot aan de invoering van het BSN in
de Zvw wél uit te gaan van een zorgidentificatienummer. Omdat in de sector van de
sociale verzekeringen en de belastingen tot aan de invoering van
het BSN met het sofinummer wordt gewerkt, is daarom
besloten in de Zvw te regelen dat de zorgverzekeraars rblz.|174| met het sofinummer
werken. Uit het advies van het CBP op de Zvw blijkt dat het CBP het gebruik
van het sofinummer door zorgverzekeraars weliswaar minder wenselijk vindt
dan gebruik van een zorgsectorspecifiek zorgidentificatienummer,
maar dat het CBP dit, mits daar voldoende waarborgen voor worden gegeven, niet
onacceptabel vindt.
De redenen om (mocht het
BSN pas na inwerkingtreding van de Zvw worden geïntroduceerd)
het sofinummer te laten gebruiken in plaats van een apart
zorgidentificatienummer, zijn in hoofdlijnen gelijk aan de in bovengenoemde brief
opgesomde redenen om niet naast het BSN een afzonderlijk
zorgidentificatienummer in te voeren:
a. de burger wordt niet
belast met meerdere nummers;
b. er hoeft geen nieuwe
nummergenerator te worden opgetuigd;
c. voor de noodzakelijke
gegevensuitwisseling hoeven de zorgverzekeraars niet naast het
sofinummer (dat zij tot in ieder geval in hun rol van uitvoeringsorganen
voor de AWBZ dienen te gebruiken, zie artikel
40a van die wet) ook nog
een ander nummer te gaan gebruiken, hetgeen administratieve
lasten bespaart.
Uiteraard is het kabinet
met het CBP van mening dat met het sofinummer zeer zorgvuldig moet
worden omgegaan. In de Zvw (dus op het niveau van de formele wet) is
daarom bepaald dat:
- de zorgverzekeraars
het sofinummer gebruiken voor de zorgverzekeringen en voor de uitvoering van
de Zvw (artikelen 4, eerste lid, en
85 [86], eerste lid);
- de zorgaanbieders het sofinummer op hun declaraties zetten (artikel 117
[118], vierde
lid); en
- het CVZ het sofinummer in de administratie ten behoeve van de risicoverevening (laat)
opnemen (artikel 35);
- de zorgverzekeraars
en het CVZ op sofinummer persoonsgegevens uitwisselen met de
personen en instanties, genoemd in de artikelen 87 [88]
en 88 [89], voor zover deze
personen en instanties althans zelf bevoegd zijn om het sofinummer te
gebruiken.
Dat gebruik van dit
nummer door de zorgverzekeraars, zorgaanbieders en het CVZ
beperkt blijft
tot deze doelen, volgt uit artikel 24, eerste lid, van de Wet
bescherming persoonsgegevens (Wbp). Dat artikellid luidt: "Een nummer dat ter
identificatie van een persoon bij wet is voorgeschreven, wordt bij de verwerking
van persoonsgegevens slechts gebruikt ter uitvoering van de
betreffende wet dan wel voor doeleinden bij de wet bepaald". Verder dan
voor de bij de Zvw bepaalde doelen mag het sofinummer derhalve niet worden
gebruikt.
Specifiek wat betreft de
zorgverzekeraars betekent dit dat het gebruik van het sofinummer beperkt
blijft tot uitvoering van de Zvw en de zorgverzekeringen en van de
AWBZ (aangezien
zorgverzekeraars tevens uitvoeringsorganen voor de AWBZ zullen worden en artikel 40 AWBZ
het sofinummergebruik - of, per 1 januari
2006: het BSN - voor uitvoeringsorganen AWBZ voorschrijft). Dat
betekent derhalve ook dat het nummer niet mag worden gebruikt bij
eventuele werkzaamheden van de zorgverzekeraar in het kader van andere
schadeverzekeringen (waaronder aanvullende ziektekostenverzekeringen). Ook is het uiteraard niet
toegestaan met het oog op andere verzekeringen - bijvoorbeeld levensverzekeringen
- persoonsgegevens op sofinummer
te
verstrekken aan andere privaatrechtelijke verzekeraars. Dergelijke
verzekeraars mogen het sofinummer
immers niet gebruiken (behalve voor
zover ook zij een publieke taak zouden hebben en zij daarenboven bij wet
of bij de AMvB, bedoeld in artikel 24 Wbp, tot het gebruik van het nummer
bevoegd zouden zijn gemaakt). Daarboven komt dat dergelijke
verzekeraars niet behoren tot de in artikel 87 [88]
genoemde rblz.|175| instanties, zodat
verzekeraars hen geen gegevens op sofinummer
mogen verstrekken.
Krachtens artikel 51
Wbp houdt het CBP toezicht op de verwerking van persoonsgegevens. Het CTZ
houdt daarnaast toezicht op de rechtmatigheid van de uitvoering van de Zvw
door zorgverzekeraars. De werkterreinen van beide toezichthouders
overlappen elkaar daar waar het gaat om de rechtmatigheid van
de verwerking van persoonsgegevens zoals bij of krachtens de Zvw
geregeld. Uiteraard is het wenselijk dat de toezichthouders elkaar op de hoogte
houden van overtredingen die zij op dit terrein constateren, en
ook overigens samenwerken.
Artikel 24 van de
Wbp leidt er echter toe dat slechts die personen en instanties het
sofinummer mogen gebruiken aan wie dat gebruik bij wet is voorgeschreven dan wel
aan wie dat gebruik op grond van de AMvB, bedoeld in het tweede lid
van dat artikel, is toegestaan. Om deze redenen wordt bij de Zvw
bepaald
welke personen en instanties in de Zvw-sfeer het sofinummer gebruiken, te weten: zorgverzekeraars
(artikelen 4 en 85 [86]), het
CVZ (artikel 35) en
zorgaanbieders (artikelen 86 [87] en 117 [118]).
Eerste lid
[zie art.
86, eerste lid, Zvw, red.]
Het eerste lid bepaalt
dat de zorgverzekeraar het sofinummer van zijn verzekerden - dat hij
op grond van artikel 4 bij het sluiten van de verzekering zal moeten vragen
- in
zijn administratie opneemt (en daarmee ook mag gebruiken). Gezien
zijn uit artikel 2:10 BW
voortvloeiende bewaarplicht bewaart hij dit nummer
nog zeven jaar na het einde van de verzekering, tezamen met de verlopen
zorgpolis.
Tweede lid
[zie art.
86, tweede lid, Zvw, red.]
Het tweede lid draagt de
zorgverzekeraar op bij de polisadministratie zoals deze in artikel 33b,
tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
(Wet SUWI)
geregeld is, te verifiëren of het opgegeven sofinummer hoort bij de
(overige) persoonsgegevens van de verzekerde. De zorgverzekeraar verricht de verificatie bij aanvang van de
verzekering
en vervolgens indien
daartoe aanleiding is. Indien van de persoon wiens gegevens worden opgenomen
in de polisadministratie geen sofinummer bekend is, kan toch een
sofinummer worden toegekend. De AMvB, bedoeld in het vierde lid,
kan daar betrekking op hebben.
Derde lid
[zie art.
86, derde lid, Zvw, red.]
Het derde lid bepaalt dat
bij uitwisseling van (persoons)gegevens tussen de in de artikelen 87 [88]
en
88 [89] genoemde personen en instanties, gebruik wordt gemaakt van het
sofinummer, voor zover die personen en instanties althans op grond van
hetgeen bij wet is geregeld of op grond van de AMvB, bedoeld in artikel
24, tweede lid, Wbp, dat nummer mogen gebruiken. Aldus wordt onder meer
bewerkstelligd dat de levering van verzekerdengegevens door de verzekeraars aan
het CVZ, benodigd voor het berekenen van de vereveningsbijdragen
(artikel 35), op
sofinummer plaatsvindt.
Ten slotte wordt
opgemerkt dat het sofinummer ook gebruikt zal worden bij de
gegevensuitwisseling en betaling van de inkomensafhankelijke bijdragen als bedoeld in
paragraaf 5.2. Omdat de heffing en invordering van deze bijdragen met
overeenkomstige toepassing van de regels voor de heffing en invordering
van de loon- of inkomstenbelasting geschiedt (artikelen
48, 49 en 51) en
in dat kader het gebruik van het sofinummer reeds geregeld is, hoeft het
gebruik van het sofinummer bij de heffing en invordering rblz.|176| van de
inkomensafhankelijke bijdragen niet apart geregeld te worden.
Vierde lid
[zie art.
86, vierde lid, Zvw, red.]
Op grond van het vierde
lid kunnen bij AMvB nadere regels worden gesteld over de opname
van het sofinummer in de administratie van de zorgverzekeraar en over
de verificatie van dat nummer. De voorbereiding van een dergelijke AMvB
zal in overeenstemming met de Minister van Financiën
geschieden.
Artikel 86
(verstrekking
gezondheidsgegevens door zorgaanbieders) [zie
art. 87 Zvw, red.]
Eerste, tweede en vierde
lid [zie
art. 87, eerste, tweede
en vierde lid, Zvw,
red.]
Krachtens de
zorgverzekering kan de zorgverzekeraar de zorgaanbieder voor de verleende,
verzekerde zorg direct zelf betalen of kan hij de verzekerde (of verzekeringnemer) de
kosten vergoeden die deze tengevolge van het betalen van de
rekening van de zorgaanbieder heeft gemaakt. In beide gevallen zal de zorgverzekeraar moeten weten welke zorg aan welke
verzekerde is geleverd.
Anders kan hij immers de volgende vragen, die beantwoord moeten zijn,
wil de verzekeraar overeenkomstig de bepalingen in de zorgverzekering
kunnen betalen, niet beantwoorden:
1. is de persoon aan wie
de zorg of dienst is geleverd wel bij de desbetreffende zorgverzekeraar
verzekerd?
2. is de gedeclareerde
zorg of dienst wel op grond van de zorgverzekering verzekerd?
3. indien krachtens de
zorgverzekering de verzekerde de desbetreffende zorg bij een
gecontracteerde zorgaanbieder dient te betrekken: is over de gedeclareerde zorg of
dienst wel met de zorgaanbieder gecontracteerd?
4. zo ja, is de
gecontracteerde prijs gedeclareerd?
5. indien de zorg van een
niet-gecontracteerde zorgaanbieder is betrokken, is de declaratie in
verhouding tot de door de overige zorgaanbieders voor gelijksoortige
activiteiten berekende bedrag redelijk (zie de toelichting op artikel
11)?
6. indien de verzekerde
voor de desbetreffende behandeling voorafgaande toestemming van de zorgverzekeraar nodig had: valt de gedeclareerde
zorg of dienst wel onder
de reikwijdte van de gegeven toestemming?
Voorts zal hij zonder
deze gegevens fraude minder goed kunnen bestrijden.
Aan de andere kant
betreffen deze gegevens per definitie bijzondere gegevens, te weten gezondheidspersoonsgegevens, in de zin van de
Wbp. Dergelijke gegevens mogen
slechts verwerkt worden door de in artikel 21 Wbp
genoemde personen
voor de daar genoemde doelen en dat dan nog slechts voor zover dat
noodzakelijk is voor het daar genoemde doel. Zelfs al mogen persoonsgegevens
op grond van laatstgenoemd artikel verwerkt worden, dan kan het
medisch beroepsgeheim van zorgaanbieders daar via artikel 9, vierde
lid, Wbp
nog aan in de weg staan. De uit het medisch beroepsgeheim
voortvloeiende zwijgplicht kan, zo volgt uit artikel 7:457 BW, in casu slechts opzij
worden gezet indien een wettelijk voorschrift de zorgaanbieder tot spreken
verplicht.
Artikel 21, eerste lid,
onderdeel a, Wbp
bepaalt dat hulpverleners, instellingen of voorzieningen voor
gezondheidszorg gezondheidspersoonsgegevens mogen verwerken voor
zover dat met het oog op een goede behandeling of verzorging
van de betrokkene dan wel het beheer van de rblz.|177| desbetreffende instelling
of beroepspraktijk noodzakelijk is. Aangezien zorgaanbieders hun
rekeningen slechts vergoed zullen krijgen indien zij de verleende zorg op de
rekening specificeren, kan gesteld worden dat het verantwoorden van welke
zorg aan welke verzekerde is geleverd, voor de zorgaanbieder
noodzakelijk is met het oog op het beheer van zijn instelling of beroepspraktijk.
Artikel 21, eerste lid,
onderdeel b, Wbp
bepaalt onder meer dat verzekeraars als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onderdeel h, van de Wtv
1993 (waartoe de
zorgverzekeraars behoren) gezondheidspersoonsgegevens mogen verwerken voor
zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de
verzekeringsovereenkomst. In de eerste alinea van de toelichting op voorliggend artikel is
reeds beargumenteerd waarom het noodzakelijk is dat zorgverzekeraars
bepaalde gezondheidsgegevens van hun verzekerden kennen.
Aangezien onder
"verwerken" in de zin van de Wbp
mede wordt verstaan "verstrekken", kan
geconcludeerd worden dat de Wbp het reeds mogelijk maakt dat zorgaanbieders
bepaalde gezondheidspersoonsgegevens verstrekken aan de
zorgverzekeraars van de verzekerden aan wie zij zorg of andere diensten hebben
verleend. Desalniettemin wordt dit hier in voorliggend artikel nog
eens met zoveel woorden bepaald. De reden hiervoor is allereerst dat aldus
op dit privacygevoelige punt expliciet in de Zvw
wordt geregeld wat mag en wat niet mag: zorgaanbieders mogen
gezondheidspersoonsgegevens
aan een zorgverzekeraar verstrekken voor zover dat voor die
zorgverzekeraar noodzakelijk is voor het uitvoeren van de zorgverzekering of de
Zvw. De tweede reden is dat aldus bij wettelijk voorschrift (te weten bij
voorliggend wetsartikel zelf) de zwijgplicht van artikel 7:457 BW
opzij
wordt gezet. Wat betreft de zwijgplicht van instellingen of individuele
beroepsbeoefenaren geschiedt dit in het eerste, tweede en derde lid; wat
betreft de zwijgplicht van beroepsbeoefenaren die werkzaam zijn voor
een instelling die de rekeningen verzendt, geschiedt dat in het
vierde lid. De derde reden, ten slotte, is de mogelijkheid, in het zesde lid van
voorliggend artikel, om bij ministeriële regeling te bepalen om welke
gegevens het in ieder geval gaat of om nadere, bijvoorbeeld uit
privacyoverwegingen voortkomende, voorwaarden aan de gegevensverwerking te
stellen.
Het eerste lid ziet
hierbij op de situatie waarin de zorgverzekeraar de rekening van de zorgaanbieder
direct betaalt (naturaverzekering of restitutieverzekering met betalingsovereenkomst
tussen zorgverzekeraar en zorgaanbieder). Het tweede lid ziet op de
situatie waarin de verzekerde of de verzekeringnemer eerst de rekening voldoet, waarna hij deze ter vergoeding
bij de zorgverzekeraar
indient (restitutieverzekering zonder betalingsovereenkomst tussen de zorgverzekeraar
en de zorgaanbieder).
Derde lid [zie
art. 87, derde lid, Zvw,
red.]
Het derde lid geeft de
juridische basis voor verstrekking, door de zorgaanbieders, van DBC-gezondheidspersoonsgegevens aan een door de
Minister van VWS aan te wijzen "informatie-
en onderhoudsorgaan DBC’s".
Hoewel artikel 86
[87] geldt
voor alle zorgaanbieders die tot het wettelijke pakket behorende zorg
leveren, is de invoering van het beleid inzake de "diagnose-behandelingcombinaties"
(DBC’s) voor - met name - de medisch-specialistische
zorg aanleiding voor de opneming van artikel 86 [87]. Ziekenhuizen en enkele
andere zorginstellingen hebben hun werkzaamheden de afgelopen jaren
onderverdeeld in ongeveer 30 000 DBC’s. Het is de bedoeling dat zij in
de toekomst per DBC of DBC-cluster met zorgverzekeraars prijs- en
productieafspraken maken en vervolgens per geleverde DBC declareren. Daarbij
zal altijd ook moeten worden gemeld aan welke rblz.|178| patiënt de
DBC
geleverd
is, aangezien de zorgverzekeraar anders niet kan nagaan of de patiënt wel
bij hem verzekerd is. Een DBC
bevat informatie over de diagnose en
behandeling van de patiënt. In termen van het privacyrecht kan dan ook
worden geconcludeerd dat een zorgaanbieder die op zijn declaratie
zet aan welke patiënt welke DBC
geleverd is, een gezondheidspersoonsgegeven
op die declaratie zet. Zorgdeclaraties komen direct (natura en
soms ook restitutie) of indirect (restitutie) bij de zorgverzekeraar terecht.
Mede gezien het grote
aantal DBC’s is het CBP
van mening dat de meeste DBC’s meer
gezondheidsinformatie over een patiënt/verzekerde bevatten dan voor de
zorgverzekeraar noodzakelijk is om de Zvw
(of, vóór het jaar 2005: de Zfw) goed uit te
kunnen voeren. In overleg met het CBP en alle betrokken partijen is het afgelopen jaar een (voorlopig) toetsingsinstrument
opgesteld aan de hand
waarvan per DBC zal worden bepaald of melding, op de
declaratie, van de aan de patiënt geleverde DBC noodzakelijk is, dan wel kan
worden
volstaan met melding van het (minder gezondheidsgegevens
bevattende) cluster waartoe de geleverde DBC behoort.
Voor het systeem van
risicoverevening is het echter noodzakelijk dat gegevens over DBC-consumptie worden gekoppeld aan verzekerdengegevens van de zorgverzekeraars.
Dit dient altijd op DBC-niveau te gebeuren, koppeling op DBC-clusterniveau volstaat niet. Het eenvoudigst zou een dergelijke
koppeling kunnen plaatsvinden als de zorgaanbieders telkens op de declaratie
zouden mogen vermelden welke DBC aan welke patiënt is geleverd.
Zoals in het voorgaande is aangegeven, is het CBP
echter van mening dat het
privacyrecht dit niet toelaat. Daarom streeft het kabinet ernaar deze
koppeling op te dragen aan een op grond van artikel
86 [87], derde lid, Zvw
aan te
wijzen (rechts)persoon (trusted third party), te weten het "DBC-informatie-
en onderhoudsorgaan" (DIS). Het is de bedoeling dat de ziekenhuizen
iedere geleverde DBC op persoonsniveau aan het DIS melden en dat de
zorgverzekeraars op persoonsniveau hun verzekerden, met bepaalde bijbehorende
verzekerdenkenmerken, melden (artikel 88 [89], eerste lid,
bevat voor dit laatste de basis, terwijl verdere invulling op grond van het vijfde
lid van dat artikel mogelijk is). Het DIS zal deze gegevens op
persoonsniveau koppelen. De informatie die daaruit resulteert, zal zo worden
gepresenteerd dat deze niet meer tot personen herleidbaar is en
vervolgens naar degene die deze nodig heeft (CVZ, de
Minister van VWS) worden
doorgeleid. Aangezien (a) koppeling op persoonsniveau
noodzakelijk is voor een goede uitvoering van het
risicovereveningssysteem en daarmee van de Zvw en
(b) koppeling door de zorgverzekeraars zelf
volgens het CBP in strijd komt met het privacyrecht omdat dat zou betekenen
dat deze zorgverzekeraars alle DBC’s op persoonsniveau zullen krijgen, kan de
conclusie niet anders luiden dan dat er een (rechts)persoon moet
worden aangewezen die deze koppeling zal verzorgen. Het kabinet is derhalve
van mening dat verwerking van persoonsgegevens door het op grond van
artikel 86 [87], derde lid, aan te wijzen DIS past binnen de kader van
de Wbp.
Ten slotte merk ik op dat
het DIS nog heel wat andere functies heeft dan "koppelaar met het oog
op het risicovereveningsstelsel". Daarvoor wordt verwezen naar de brief
van de
Minister van VWS van 29 juni 2004 "Invoering Diagnose
Behandeling Combinaties (DBC's)", Kamerstukken II 2003-2004, 29 248, nr. 6.
Vijfde lid [zie
art. 87, vijfde lid, Zvw,
red.]
Het vijfde lid legt het
personeel van de zorgverzekeraar of van degene die de zorgverzekeraar voor
de verwerking van de gezondheidspersoonsgegevens rblz.|179| heeft
ingeschakeld, alsmede het personeel van het "informatie- en onderhoudsorgaan
DBC’s",
een zwijgplicht op. Dit is nodig nu artikel 2:5
Awb voor het personeel van zorgverzekeraars, die geen bestuursorgaan
zijn, niet geldt en
artikel 21, tweede lid, Wbp
niet garandeert dat een in een arbeidsovereenkomst
te formuleren geheimhoudingsplicht beperkt genoeg wordt geformuleerd. De in het vijfde lid neergelegde geheimhoudingsplicht
sluit juridisch uit dat gezondheidspersoonsgegevens die met het oog op de uitvoering
van de zorgverzekering zijn binnengekomen voor andere
privaatrechtelijke werkzaamheden van de verzekeraar (bijvoorbeeld het beoordelen van het verzekerd risico voor aanvullende
verzekeringen) worden
gebruikt. Daarnaast zullen zorgverzekeraars uiteraard maatregelen moeten
treffen om ervoor te zorgen dat dit ook in de praktijk niet gebeurt.
Het CBP
zal, in samenwerking met het CTZ, toezicht houden op de naleving van
het derde lid.
Zesde lid [zie
art. 87, zesde lid, Zvw,
red.]
Artikel
86 [87], zesde lid,
onderdeel a, van de Zvw geeft de mogelijkheid te regelen welke gegevens in
ieder geval moeten worden uitgewisseld. De mogelijkheid tot het
treffen van een ministeriële regeling zal in ieder geval worden gebruikt om te
bepalen welke (DBC-)gegevens DBC-instellingen op persoonsniveau aan zorgverzekeraars dienen te verstrekken. Het is de
bedoeling de reikwijdte
van de ministeriële regeling stapsgewijs uit te breiden voor de
gegevensverstrekking van aanbieders op andere zorgdeelmarkten (farmacie, hulpmiddelen,
etc.).
Artikel 87
(verstrekking
gegevens, waaronder persoonsgegevens, aan zorgverzekeraars en
publiekrechtelijke uitvoerders) [zie
art. 88 Zvw, red.]
Artikel 87
[88] verplicht een
ieder - derhalve onder meer verzekeringnemers, verzekerden en
werkgevers - aan in het eerste lid genoemde zorgverzekeraars en instanties kosteloos
de gegevens en inlichtingen te verstrekken die voor die
zorgverzekeraars en instanties noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de
zorgverzekeringen of van deze wet. Het kan hierbij zowel om persoonsgegevens
in de zin van de Wbp
gaan als om andere gegevens en inlichtingen.
De tekst van het artikel
is grotendeels ontleend aan artikel 73b
Zfw. Een wijziging ten opzichte
van artikel 73b Zfw
is dat de plicht tot gegevensverstrekking niet meer beperkt is tot
de gegevens over een aantal personen. Deze opsomming
bleek in de praktijk een efficiënte uitvoering te belemmeren en komt ook
in het "zuster-artikel 56" van de
AWBZ
niet voor. Het weglaten van
deze opsomming betekent niet dat de privacy minder is gewaarborgd.
Deze vindt borging in de beperking dat slechts die gegevens hoeven te
worden verstrekt die voor de vrager noodzakelijk zijn voor de uitvoering
van de zorgverzekering of de Zvw. Voor de wijze waarop dit
noodzakelijkheidsbegrip dient te worden ingevuld, zij verwezen naar de Wbp.
De verhouding tussen de
artikelen 86 [87] en 87 [88]
is deze dat artikel 86 [87] kan worden beschouwd als een
specialis - de verstrekking van persoonsgegevens
door zorgaanbieders aan
zorgverzekeraars regelende - op artikel 87 [88]. Derhalve
kunnen zorgaanbieders op grond van artikel 87 [88]
verplicht worden om
andere gegevens dan persoonsgegevens aan zorgverzekeraars te leveren.
Op grond van het vierde
lid kunnen nadere regels aan de in dit artikel voorgeschreven
gegevensverstrekking worden gesteld.
rblz.|180|
Artikel 88
(verstrekking
gegevens, waaronder persoonsgegevens, tussen zorgverzekeraars
en publiekrechtelijke uitvoerders) [zie
art. 89 Zvw, red.]
Artikel
88 [89], eerste lid,
regelt, in navolging van artikel 73c
Zfw, de (persoons)gegevensuitwisseling
tussen de zorgverzekeraars en instanties, genoemd in artikel
87 [88].
Het vijfde lid kan onder
meer worden gebruikt om te bewerkstelligen dat de zorgverzekeraars de
voor de berekening van hun vereveningsbijdrage noodzakelijke
persoonsinformatie overdragen aan het zogenoemde "informatie- en
onderhoudsorgaan DBC’s". Voor zover op grond van artikel 88 [88]
persoonsgegevens
zullen worden uitgewisseld, kan het vijfde lid tevens - dit mede naar
aanleiding van het advies van het CBP
- worden gebruikt om
privacywaarborgen in te bouwen.
Artikel 89
(periodieke
gegevensverstrekking door zorgverzekeraar) [zie
art. 90 Zvw, red.]
Artikel
89 [90], eerste lid,
bepaalt dat het CTZ onderscheidenlijk het CVZ
na overleg met het CVZ onderscheidenlijk het CTZ kan bepalen welke gegevens
en inlichtingen
regelmatig door de zorgverzekeraars moeten worden verstrekt. Het gaat
hierbij niet om persoonsgegevens in de zin van de Wbp. Het tweede lid regelt dat het CTZ respectievelijk het CVZ tevens
kunnen bepalen wanneer en
op welke wijze de inlichtingen worden verstrekt en dat zij
kunnen vragen dat een externe accountant de juistheid van de verstrekte gegevens bevestigt. Het woord
"regeling" in het eerste
lid en het woord "regels" in het tweede lid geven aan dat de door het CTZ en CVZ in zijn
regeling op te nemen voorschriften algemeen verbindende voorschriften zullen zijn
en de zorgverzekeraars derhalve zullen binden.
Onder de
Zfw heeft het
CTZ onder meer tot taak na te gaan of de ziekenfondsen hun middelen rechtmatig
besteed hebben. In dat verband wordt van hen gevergd jaarlijks
door middel van een financieel verslag vóór 1 maart verantwoording af
te leggen over de besteding van hun middelen (artikel
43f Zfw). Dit
financieel verslag dient vergezeld te gaan van een accountantsverklaring. Nu
het CTZ onder de Zvw geen toezicht meer houdt op de wijze waarop
de zorgverzekeraars hun middelen besteden, wordt hen in het kader
van hun verantwoording (paragraaf 4.3 van deze
wet) niet meer opgedragen
een financieel verslag aan het CTZ of CVZ te zenden.
Echter, de financiële
informatie in het financieel verslag wordt onder de Zfw
niet alleen gebruikt
om na te gaan of het ziekenfonds zijn middelen rechtmatig heeft besteed,
maar wordt tevens onder meer gebruikt voor het vaststellen van de
vereveningsbijdragen en voor het vaststellen - door de
Minister van VWS - van de hoogte van premies of bijdragen aan de Algemene Kas. Om dezelfde
redenen is onder de Zvw dergelijke financiële informatie nodig, zij het
dat voor "Algemene Kas" uiteraard "Zorgverzekeringsfonds"
moet worden gelezen
en voor "ziekenfonds" "zorgverzekeraar". Op grond van artikel
89 [90] kunnen het CVZ
of het CTZ (in onderling overleg) daarom regelen
welke financiële informatie de zorgverzekeraars vóór 1 maart moeten
leveren en in welke mate de juistheid van de aan te leveren gegevens van een
oordeel van een accountant voorzien moeten zijn. Op grond van
artikel 90 [91], tweede lid, zal de minister
het CVZ of CTZ vervolgens verzoeken die
financiële informatie aan hem door te geven die voor zijn werk
noodzakelijk is. De minister kan laatstgenoemd artikellid ook gebruiken om zijn
wensen ten aanzien van de aan te leveren informatie vooraf aan het CVZ of CTZ
kenbaar te maken.
rblz.|181|
Overigens
kunnen het CTZ en het CVZ artikel 89 [90] ook gebruiken om op andere data dan 1 maart
periodieke informatie op te vragen.
Op grond van de Europese
regelgeving dient het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) in het
kader van de EMU-rapportage informatie aan te leveren. Wat betreft de
uitgaven en inkomsten van ziekenfondsen baseert het CBS zich thans
voornamelijk op informatie van het CVZ. Die informatie is onder andere afkomstig
uit de jaar- en kwartaalstaten. De te verstrekken informatie op grond van
artikel 89 [90] zal in de toekomst mede de basis voor de rapportages van het
CBS vormen. Voorts kan op grond van artikel 89 [90]
informatie worden opgevraagd die nodig is
voor het risicovereveningssysteem
en voor de budgetcyclus
van het Rijk.
Met het oog op beperking
van de administratieve lasten voor zorgverzekeraars spreekt het voor zich dat
de gegevensopvraag zich dient te beperken tot datgene dat voor CTZ, CVZ
en de minister noodzakelijk is om hun taken te vervullen.
Op grond van het derde
lid kan bij ministeriële regeling worden bepaald welke statistische
gegevens de zorgverzekeraars verzamelen betreffende vormen van zorg en andere
op grond van de zorgverzekeringen te verzekeren diensten (zie de artikelen
11
juncto 10).
Artikel 90
(gegevensverstrekking aan Minister VWS, CTG, CBZ en CSZ) [zie
art. 91 Zvw, red.]
Eerste lid [zie
art. 91, eerste lid, Zvw,
red.]
Het eerste lid van
artikel 90 [91]
zorgt ervoor dat het CVZ en het CTZ de
Minister van VWS op de
hoogte brengen van ontwikkelingen die ertoe kunnen leiden dat er,
ondanks het verbod daartoe, bij de acceptatie van verzekerden toch op
risico wordt geselecteerd of die ertoe kunnen leiden dat de rechtmatige en
volledige uitvoering van gesloten zorgverzekeringen in gevaar komt,
bijvoorbeeld doordat de Wtv-vergunning voor de uitoefening van het
schadeverzekeringsbedrijf branches 1 en 2 ingetrokken dreigt te worden zonder
dat sprake is van polisovername door een andere zorgverzekeraar.
Deze informatie kan betrekking hebben op vertrouwelijke gegevens
van afzonderlijke, met naam genoemde zorgverzekeraars (artikel
92 [93], derde lid). De
PVK wordt in het eerste lid niet genoemd. Aangenomen mag
worden dat door de PVK in het kader van zijn prudentiële
toezicht geconstateerde ongewenste ontwikkelingen die mede voor de Minister van
VWS, het CVZ of het CTZ van belang kunnen zijn aan het CTZ
mededeelt (zie artikel 92 [93], derde lid). Vervolgens kan het CTZ besluiten op grond van
artikel 90 [91], eerste lid, (juncto artikel 92 [93], derde lid) de informatie aan de
Minister van VWS door te geven.
Tweede lid [zie
art. 91, tweede lid, Zvw,
red.]
Op grond van het tweede
lid dienen het CVZ en het CTZ tevens desgevraagd aan de
Minister van VWS,
aan het CTG, aan het CBZ of aan het CSZ de voor de
uitoefening van hun taak benodigde inlichtingen en gegevens te verstrekken. Ook hier
geldt wederom dat aan de minister vertrouwelijke informatie per afzonderlijke verzekeraar mag worden verstrekt
(artikel 92 [93], derde lid). Dit geldt
echter niet voor de informatieverstrekking aan het CTG, het CBZ of het
CSZ.
Derde lid [zie
art. 91, derde lid, Zvw,
red.]
Het derde lid vormt een
compilatie van de artikelen 1y en 1z
Zfw. Het verplicht het CVZ
en het
CTZ aan de
Minister van VWS of aan het CTG, rblz.|182| CBZ of het CSZ toegang te
geven tot en inzage te geven in zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover
dat voor de vervulling van de taak van de minister, het
CTG, het
CBZ of het CSZ redelijkerwijs nodig is. Aan het CTG, het CBZ of het CSZ mogen
echter geen vertrouwelijke gegevens omtrent afzonderlijke
verzekeraars ter inzage worden gegeven (zie artikel
92 [93]).
Artikel 91
(gebruik van
een elektronische infrastructuur) [zie
art. 92 Zvw, red.]
In het eerste lid wordt
in navolging van hetgeen thans in artikel 39
Zfw geregeld is, de
wettelijke basis gelegd voor de elektronische verstrekking of ontvangst (verder
"uitwisseling" genoemd) van gegevens. Het gaat hier om
standaardpersoonsgegevens (waarvan de bevoegdheid tot doorgifte overigens op grond van
artikel 85 [86]
of 88 [89]
geoorloofd dient te zijn), bijvoorbeeld met
betrekking tot verzekeringsplichtigen of verzekerden. Op dit moment is op grond
van artikel 39 Zfw
de gegevensuitwisseling met het zogenoemde Routeringsinstituut (Inter)nationale
Informatiestromen (RINIS) gebaseerd.
In het tweede lid wordt
aan CVZ de mogelijkheid gedelegeerd om ter zake van die elektronische
uitwisseling regels te stellen omtrent bepaalde, in de verschillende
onderdelen aangeduide onderwerpen die van wezenlijk belang zijn voor het goed
functioneren van die gegevensuitwisseling. Het betreft onderwerpen als de wijze waarop de uitwisseling plaatsvindt, de
(verplichte) aansluiting
van een zorgverzekeraar op de infrastructuur die bij de
gegevensuitwisseling gebruikt zal worden, de organisatie en het beheer van de
infrastructuur (op welke wijze zorgt een zorgverzekeraar ervoor dat de
gegevensuitwisseling tot stand komt en in stand kan blijven en op welke wijze worden
de verantwoordelijkheden vastgelegd), regels omtrent de aard en omvang
van de gegevensuitwisseling (met betrekking tot welk doel wordt de
uitwisseling gerealiseerd), de kwaliteit, tijdigheid en juistheid van de
aangeleverde gegevens en de wijze waarop wordt omgegaan met
foutmeldingen. Ook moeten zo nodig regels kunnen worden gesteld omtrent de
financiering van het gebruik van de infrastructuur en de toedeling van
kosten.
Artikel 92
(geheimhoudingsplicht gegevens individuele zorgverzekeraars) [zie
art. 93 Zvw, red.]
Eerste en tweede lid [zie
art. 93, eerste en tweede
lid, Zvw, red.]
Op grond van artikel 16
van de derde richtlijn schadeverzekering dienen "vertrouwelijke"
gegevens over afzonderlijke verzekeraars, die toezichthouders of hun personeel in het
kader van hun toezichtstaak over verzekeraars vernemen, geheim te
worden gehouden. Deze geheimhoudingsverplichting is in artikel 92 [93]
overgenomen. Omdat de redactie van artikel
1:72 van het wetsvoorstel
Wft beter aansluit op de tekst van de richtlijn dan het bestaande artikel
182 Wtv
1993, is ervoor gekozen om voor de eerste twee leden van
artikel 92 [93 |