St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Zorgverzekeringswet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt naar laatste editie Staatsblad/Staatscourant

 

REGELING  ZORGVERZEKERING
 
 

1 september 2005, 1 oktober 2005, 5 december 2005 en 15 december 2005; resp. Stcrt. 2005, 171, 203, 246 en 249
Inwerkingtreding: 1 januari 2006
(T.a.v. artt. 18e:3, 18f:4, 32:4, 34a:3 35:4, 38, 38:2, 39:4, 40:5, 40:10, 40:11, 42, 43:2, 45:2, 45:4, 46:1, 47, 50:4, 52, 53, 59, 59:9, 68:1, 68:2, 68:3, 68:4, 69:2, 69:4,
69:7, 70:10, 75:3, 75:4, 87:3, 87:6, 88:4, 89:6, 106, 106:3, 118:1 en 122a:11 Zvw en 2.4:2, 2.4:3, 2.7:6, 2.8:1, 2.8:2, 2.8:5, 2.8:6, 2.9, 2.12:2, 2.14:2, 2.16, 3.1:3, 3.2:1, 3.2:2, 3.4:3, 3.5:3, 3.7:3, 3.8:3, 3.10:2, 3.11:2, 3.12, 3.13:1, 3.13:2, 3.14:1, 3.14:3, 3.14:4, 3.15:1, 3.15:2, 3.16:1, 3.16:2, 3.17:1, 3.17:2, 3.19:2, 3.22:2, 3.23:2, 3.23:3 en 3.24:3 Bz)

 

  
 

 

 
REGELING van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 september 2005, nr. Z/VV-2611957, houdende regels ter zake van de uitvoering van de Zorgverzekeringswet (Regeling zorgverzekering)

     De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
     Handelende in overeenstemming met de Minister van Financiën en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
     Gelet op de artikelen 32, vierde lid, 35, vierde lid, 38, tweede lid, 39, vierde lid, 40, vijfde, tiende en elfde lid, 43, tweede lid, 45, tweede en vierde lid, 46, eerste lid, 47, 50, vierde lid,¹ 52, 53, 59, negende lid, 68, eerste tot en met vierde lid, 69, tweede en vijfde lid,² 70, elfde lid, 75, derde en vierde lid, 87, derde en zesde lid, 88, vierde lid, 89, zesde lid, 106, derde lid, en 118, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet en de artikelen 2.4, tweede en derde lid, 2.7, zesde lid, 2.8, eerste, tweede, vijfde en zesde lid, 2.9, 2.12, tweede lid, 2.14, tweede lid, 2.16, 3.1, tweede lid, 3.3, derde lid, 3.4, tweede lid, 3.5, derde lid, 3.6, derde lid, 3.8, vierde lid, 3.9, eerste, derde, vierde en vijfde lid, 3.10, eerste en tweede lid, 3.11, eerste tot en met derde lid, 3.12, eerste tot en met derde lid, 3.15, derde lid, en 3.17 van het Besluit zorgverzekering;

     Besluit:

[Redactie: bij Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 oktober 2005, nr. Z/VV-2619300, houdende wijziging van de Regeling zorgverzekering ter zake van de uitvoering van de Zorgverzekeringswet (Stcrt. 2005, 203), zijn de artikelen 1 en 2.38 gewijzigd en zijn de artikelen 3.18, 8.2 en 8.3, onder vernummering van de artikelen 8.2 en 8.3 tot artikelen 8.4 en 8.5, en de hoofdstukken 4, 5 en 6 ingevoegd. De considerans van die regeling luidt als volgt:
     De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
     Handelende in overeenstemming met de Minister en de Staatssecretaris van Financiën en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
     Gelet op de artikelen 38, 39, vierde lid, 40, vijfde, tiende en elfde lid, 42, 43, tweede lid, 45, tweede en vierde lid, 46, eerste lid, 47, 52, 59, 69, tweede en vijfde lid, 70, elfde lid, 106 en 118, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet;

     Besluit:]

 

 

HOOFDSTUK  1

Definities en algemene bepalingen

 

Art. 1.
-1. Deze regeling verstaat onder:
a. de minister: de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
b. specialité: een geneesmiddel als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening;
c. preparaat: een geneesmiddel als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening;
d. branded generic: een specialité die in de handel wordt gebracht onder een benaming waarin de stofnaam is vermeld en waaraan een merkaanduiding is toegevoegd;
e. combinatiepreparaat: een geneesmiddel dat meer dan één werkzaam bestanddeel bevat;
f. deel IB van het registerdossier: het registerblad inhoudende de gegevens, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel h, van het Besluit registratie geneesmiddelen, of het registerblad, bedoeld in deel I, onderdeel B, van de bijlage van de Richtlijn nr. 75/318/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 mei 1975 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake de analytische, toxicologisch-farmacologische en klinische normen en voorschriften betreffende proeven op farmaceutische specialiteiten (PbEG L 147/1);
g. registratiehouder: degene op wiens naam een geneesmiddel in het register, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening, staat ingeschreven dan wel degene die voor een geneesmiddel een vergunning heeft ingevolge de Verordening (EEG) nr. 2309/93 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 juli 1993 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen voor en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees bureau voor de geneesmiddelenbeoordeling (PbEG L 214);
h. Taxe: de Taxe, uitgegeven door de Z-index BV;
i. Defined Daily Dose: de dagdosis van een geneesmiddel, als vastgesteld onder verantwoordelijkheid van het WHO Collaborating Centre for Drug Statistics Methodology;
j. Anatomical Therapeutic Chemical Classification: de classificatie van geneesmiddelen, samengesteld onder verantwoordelijkheid van het WHO Collaborating Centre for Drug Statistics Methodology;
k. standaardkuur: de totale hoeveelheid van het werkzame bestanddeel van een geneesmiddel dat, blijkens de dosering vermeld in deel IB van het registerdossier, wordt gegeven;
l. referentiehoeveelheid: de hoeveelheid van een werkzaam bestanddeel, in een farmaceutische vorm gebracht, waarmee, gegeven de standaarddosis en het gebruikelijke aantal keren per dag dat het geneesmiddel wordt gegeven om die standaarddosis te bereiken, de gebruikelijke dagelijkse dosering kan worden bereikt, met dien verstande dat bij keuze tussen een retardvorm en een niet-retardvorm wordt uitgegaan van de niet-retardvorm;
m. DBC: diagnose-behandelingcombinatie;
n. onderhandelbaar DBC-tarief: een lokaal overeengekomen tarief dat instellingen in rekening brengen bij het afsluiten van een door de Nederlandse Zorgautoriteit gedefinieerde onderhandelbare DBC;
o. niet-onderhandelbaar DBC-tarief: een door de Nederlandse Zorgautoriteit vastgesteld niet-onderhandelbaar tarief dat instellingen in rekening brengen bij het afsluiten van een door de Nederlandse Zorgautoriteit gedefinieerde niet-onderhandelbare DBC, zijnde een landelijk tarief met instellingsspecifieke opslagen (waaronder een opslag voor kapitaal) ter sluiting van het instellingsbedrag;
p. tarief voor overige trajecten en verrichtingen: een door de Nederlandse Zorgautoriteit vastgesteld tarief voor een verrichting die instellingen naast DBC’s mogen declareren, waaronder: verkeerde bed, gezonde zuigeling, gezonde moeder, klasseverpleging, beademing IC voor volwassenen, neonatale IC, pediatrische IC, post IC high care en brandwondenzorg;
q. tarief voor ondersteunende en overige producten: een door de Nederlandse Zorgautoriteit vastgesteld tarief voor verrichtingen geleverd aan een ander specialisme als onderdeel van een DBC, dan wel geleverd op verzoek van de eerste lijn, dan wel geleverd aan een ander specialisme werkzaam binnen dezelfde instelling waarvoor de DBC-systematiek niet geldt, dan wel in het kader van onderlinge dienstverlening;
r. renteheffingstarief: een tarief dat instellingen in rekening mogen brengen bij zorgverzekeraars in het geval deze niet overgaan tot het bevoorschotten van zorg gefinancierd op basis van DBC’s;
s. een rekening-courant: een rekening in de centrale administratie van ’s Rijks schatkist bij het ministerie van Financiën op naam van een rekening-couranthouder, waarop dagelijks het geldelijk tegoed (positief of negatief) wordt bijgehouden van de betrokken rekening-couranthouder bij het Rijk en de mutaties in het tegoed;
t. de rekening-couranthouder: het College zorgverzekeringen;
u. Euribor: de dagelijks door de European Banking Federation vastgestelde rente waartegen op de geldmarkt interbancair deposito’s in euro’s van verschillende looptijden worden aangeboden in landen waar de euro betaalmiddel is;
v. prestatie: een prestatie als omschreven bij of krachtens artikel 11 van de Zorgverzekeringswet;
w. prestatiebeschrijving:
1º. een beschrijving van de prestatie zoals die op grond van de Wet marktordening gezondheidszorg voor een zorgaanbieder is vastgesteld; dan wel
2º. een beschrijving van de prestatie zoals die tussen de verzekerde en de zorgaanbieder is overeengekomen indien voor die zorgaanbieder niet een prestatiebeschrijving op grond van de Wet marktordening gezondheidszorg behoeft te worden vastgesteld;
x. declaratieregeling: een regeling bedoeld in artikel 38, derde lid, onderdeel b, van de Wet marktordening gezondheidszorg;
y. formele controle: een onderzoek waarbij de zorgverzekeraar nagaat of het tarief dat door een zorgaanbieder voor een prestatie in rekening is gebracht:
1º. een prestatie betreft welke is geleverd aan een bij die zorgverzekeraar verzekerde persoon;
2º. een prestatie betreft welke behoort tot het verzekerde pakket van die persoon;
3º. een prestatie betreft tot levering waarvan de zorgaanbieder bevoegd is; en
4º. het tarief betreft dat voor die prestatie krachtens de Wet marktordening gezondheidszorg is vastgesteld of een tarief is dat voor die prestatie met de zorgaanbieder is overeengekomen;
z. materiële controle: een onderzoek waarbij de zorgverzekeraar nagaat of de door de zorgaanbieder in rekening gebrachte prestatie is geleverd en die geleverde prestatie het meest was aangewezen gezien de gezondheidstoestand van de verzekerde;
aa. fraudeonderzoek: een onderzoek waarbij de zorgverzekeraar nagaat of de verzekerde of de zorgaanbieder valsheid in geschrifte, bedrog, benadeling van rechthebbenden of verduistering pleegt of tracht te plegen ten nadele van bij de totstandkoming of uitvoering van een overeenkomst van zorgverzekering betrokken personen en organisaties met het doel een prestatie, vergoeding, betaling of ander voordeel te krijgen waarop de verzekerde dan wel de zorgaanbieder geen recht heeft of recht kan hebben;
bb. verhaalsrecht: het recht van de verzekeraar op grond van artikel 962 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek de schade die is veroorzaakt door anderen dan de verzekerde op deze derden te verhalen;
cc. detailcontrole: onderzoek door de zorgverzekeraar naar bij de zorgaanbieder berustende persoonsgegevens met betrekking tot eigen verzekerden ten behoeve van materiële controle of fraudeonderzoek;
dd. algemene risicoanalyse: een analyse die erop is gericht te bepalen op welke gegevens de materiële controle of het fraudeonderzoek zich zal richten;
ee. specifieke risicoanalyse: een analyse die erop is gericht te bepalen op welke gegevens en op welke zorgaanbieders of categorieën van zorgaanbieders de detailcontrole zich zal richten;
ff. bewerker: degene bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van de Wet bescherming persoonsgegevens.
-2. Voor de toepassing van deze regeling wordt onder mogendheid mede verstaan de Nederlandse Antillen en Aruba.

 

 

HOOFDSTUK  2

Bepalingen omtrent de prestaties

 

§ 1.  De prestaties en eigen bijdragen

 

§ 1.1.  Geneeskundige zorg

 

Art. 2.1.
De zorg, bedoeld in artikel 2.4 van het Besluit zorgverzekering, omvat niet:
a. behandeling van bovenoogleden die verlamd of verslapt zijn, anders dan als gevolg van een aangeboren afwijking of van een bij de geboorte aanwezige chronische aandoening;
b. liposuctie van de buik;
c. het operatief plaatsen en het operatief vervangen van een borstprothese, anders dan na een gehele of gedeeltelijke borstamputatie;
d. het operatief verwijderen van een borstprothese zonder medische noodzaak;
e. behandelingen tegen snurken met uvuloplastiek;
f. behandelingen gericht op sterilisatie dan wel op het ongedaan maken daarvan;
g. behandelingen gericht op circumcisie.

 

Art. 2.2. Vervallen.

 

Art. 2.3.
Voor eerstelijnspsychologie betaalt de verzekerde een eigen bijdrage van €|10,00 per zitting.

 

 

§ 1.2.  Mondzorg

 

Art. 2.4.
-1. Voor zorg als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit zorgverzekering onderscheidenlijk voor zorg als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, onderdeel b, van dat besluit indien die wordt verleend vanwege extreme angst voor mondzorg, betaalt de verzekerde van 22 jaar of ouder, voor zover die zorg bestaat uit preventief onderzoek, incidenteel consult, extractie, parodontale hulp, endodontische hulp, restauratie van gebitselementen met plastische materialen of uitneembare niet-volledige prothetische voorzieningen, een bijdrage ter grootte van het bedrag dat ten hoogste in rekening mag worden gebracht voor zodanige prestaties indien er geen sprake is van toepassing van artikel 2.7, eerste lid, onderdeel a of b, van het Besluit zorgverzekering.
-2. Indien de zorg, bedoeld in het eerste lid, een uitneembare volledige prothetische voorziening dan wel een uitneembare volledige prothetische voorziening te plaatsen op tandheelkundige implantaten betreft, betaalt de verzekerde een eigen bijdrage ter hoogte van €|125,00.
-3. Voor een uitneembare volledige prothetische voorziening, bedoeld in artikel 2.7, vijfde lid, onderdeel b, van het Besluit zorgverzekering, betaalt de verzekerde een eigen bijdrage ter hoogte van 25% van de kosten van die voorziening.

 

 

§ 1.3.  Farmaceutische zorg

 

Art. 2.5.
-1. De aangewezen geregistreerde geneesmiddelen zijn de geneesmiddelen, genoemd in bijlage 1 bij deze regeling.
-2. Indien een geneesmiddel, genoemd in bijlage 1 bij deze regeling, behoort tot één van de in bijlage 2 bij deze regeling genoemde categorieën van geneesmiddelen, omvat de farmaceutische zorg slechts aflevering van dat geneesmiddel indien voldaan is aan de bij die categorieën vermelde criteria.
-3. Polymere, oligomere, monomere en modulaire dieetpreparaten behoren slechts tot de farmaceutische zorg indien voldaan is aan onderdeel 1 van
bijlage 2 van deze regeling.

 

 

§ 1.4.  Hulpmiddelenzorg

 

Art. 2.6.
De aangewezen hulpmiddelen en verbandmiddelen zijn:
a.
uitwendige hulpmiddelen ter volledige of gedeeltelijke vervanging van anatomische eigenschappen van onderdelen van het menselijk lichaam of bedekking daarvan, als omschreven in artikel 2.8;
b.
uitwendige hulpmiddelen voor het ademhalingsstelsel als omschreven in artikel 2.9;
c. vervallen;
d. vervallen;
e. uitwendige lichaamsgebonden hulpmiddelen voor het bewegingssysteem als omschreven in artikel 2.12;
f. uitwendige hulpmiddelen voor de visuele functie als aangegeven in artikel 2.13;
g. gehoorhulpmiddelen als omschreven in artikel 2.14;
h. hulpmiddelen voor persoonlijke verzorging en bescherming als omschreven in artikel 2.15;
i. hulpmiddelen voor anticonceptionele doeleinden als omschreven in artikel 2.16;
j. hulpmiddelen voor de mobiliteit van personen als omschreven in artikel 2.17;
k. vervallen;
l. injectiespuiten als omschreven in artikel 2.19;
m. uitwendige hulpmiddelen te gebruiken bij het langdurig compenseren van het functieverlies van aderen bij het transport van bloed en het functieverlies van lymfevaten bij het transport van lymfe;
n. hulpmiddelen bij diabetes als omschreven in artikel 2.20;
o. vervallen;
p. draagbare, uitwendige infuuspompen als omschreven in artikel 2.22;
q. schoenvoorzieningen, niet zijnde orthesen als omschreven in artikel 2.23;
r. hulpmiddelen voor het toedienen van voeding als omschreven in artikel 2.24;
s. vervallen;
t. hulpmiddelen voor communicatie, informatievoorziening en signalering als omschreven in artikel 2.26;
u. vervallen;
v. vervallen;
w. vervallen;
x. beeldschermloepen;
y. uitwendige elektrostimulators tegen chronische pijn met toebehoren;
z. vervallen;
aa. soloapparatuur als omschreven in artikel 2.29;
bb. tactielleesapparatuur als omschreven in artikel 2.30;
cc. vervanging van BAHA-hoortoestellen als omschreven in artikel 2.31;
dd. zelfmeetapparatuur voor bloedstollingstijden als omschreven in artikel 2.32;
ee. inrichtingselementen van woningen als omschreven in artikel 2.33;
ff. geleidehonden als omschreven in artikel 2.34;
gg. hulpmiddelen ter compensatie van onvoldoende arm-, hand- en vingerfunctie als omschreven in artikel 2.35;
hh. thuisdialyseapparatuur als omschreven in artikel 2.36.
De aangewezen verbandmiddelen zijn: verbandmiddelen toe te passen bij een ernstige aandoening waarbij een langdurige medische behandeling met deze middelen is aangewezen.

 

Art. 2.7.
-1. Indien in de artikelen 2.8 tot en met 2.36 een leeftijd is vermeld, wordt bedoeld de leeftijd van de verzekerde op het moment waarop hij zich wendt tot de aanbieder van het hulpmiddel.
-2. Indien een hulpmiddel in bruikleen wordt gegeven, omvat het hulpmiddel tevens vergoeding van de kosten van vervoer van het hulpmiddel naar en van de woning van de verzekerde, van het regelmatig onderhoud ervan alsmede van de voor gebruik, ontsmetting en reiniging van de apparatuur benodigde chemicaliën.

 

Art. 2.8.
-1. Hulpmiddelen als bedoeld in artikel 2.6, onderdeel a, omvatten:
a. hulpmiddelen ter volledige of gedeeltelijke vervanging van:
1º. de onderste en bovenste extremiteiten, inclusief oplaadinrichting en batterijen indien het gaat om hulpmiddelen met een energievoorziening;
2º. de mamma;
3º. de stembanden;
4º. het haar indien sprake is van gehele of gedeeltelijke kaalhoofdigheid als gevolg van een medische aandoening of behandeling van medische aard;
b. hulpmiddelen ter volledige of gedeeltelijke vervanging of bedekking van:
1º. de oogbol;
2º. het gelaat.
-2. Indien de aanschaffingskosten van hulpmiddelen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 4º, hoger zijn dan |383,00, betaalt de verzekerde een bijdrage ter grootte van het verschil tussen de aanschaffingskosten en dat bedrag.

 

Art. 2.9.
-1. Hulpmiddelen als bedoeld in artikel 2.6, onderdeel b, omvatten uitwendige hulpmiddelen voor het geheel of gedeeltelijk opheffen van de gevolgen van stoornissen in de functie van het ademhalingsstelsel, met inbegrip van stoffen die met behulp van deze hulpmiddelen worden toegediend, te weten:
a. zuurstof;
b. stoffen die gecertificeerd zijn als medisch hulpmiddel in de zin van de Wet op de medische hulpmiddelen.
-2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, omvat in geval van zuurstofapparatuur tevens vergoeding van stroomkosten.
-3. De zorg, bedoeld in het eerste lid, omvat niet:
a. apparatuur voor chronische ademhalingsondersteuning;
b. apparatuur die uitsluitend wordt ingezet ter vermindering van snurken.

 

Art. 2.10. Vervallen.

 

Art. 2.11. Vervallen.

 

Art. 2.12.
-1. Hulpmiddelen als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, onderdeel e, omvatten uitwendige lichaamsgebonden hulpmiddelen toe te passen bij een ernstige aandoening waarop de verzekerde langdurig en niet uitsluitend bij sportactiviteiten is aangewezen en die dienen voor het wijzigen van:
a. gestoorde functies van het bewegingssysteem, aan beweging verwante functies of anatomische eigenschappen van structuren verwant aan beweging;
b. de anatomische eigenschappen van de schedel.
-2. Voor orthopedische schoenen betaalt de verzekerde:
a. indien hij 16 jaar of ouder is, een eigen bijdrage van €|136,00 per jaar;
b. indien hij jonger is dan 16 jaar, een eigen bijdrage van €|68,00 per jaar.

 

Art. 2.13.
-1. Hulpmiddelen als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, onderdeel f, omvatten uitwendige hulpmiddelen ter correctie van stoornissen van de visuele functie van het oog en van functies van aan het oog verwante structuren, met uitzondering van brillenglazen of filterglazen inclusief montuur.
-2. In het geval van lenzen dient de stoornis het gevolg te zijn van een medische aandoening of een trauma, waarbij lenzen tot een grotere verbetering in de functies gezichtsscherpte of kwaliteit van de visus leiden dan brillenglazen.
-3. Voor lenzen betaalt de verzekerde:
a. Een eigen bijdrage van €|51,00 per lens als sprake is van lenzen met een gebruiksduur langer dan één jaar;
b. Een eigen bijdrage van €|102,50 per kalenderjaar als sprake is van lenzen met een gebruiksduur korter dan één jaar. Ingeval slechts één oog dient te worden gecorrigeerd, geldt een eigen bijdrage van €|51,00 per kalenderjaar.

 

Art. 2.14.
-1. Hulpmiddelen als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, onderdeel g, omvatten:
a. elektro-akoestische hoortoestellen voor persoonlijk gebruik, in gewone dan wel bijzondere uitvoering, bestemd om op of aan het menselijk lichaam te worden gebezigd ter verbetering van een gestoord gehoor, alsmede gehoorlepels of gehoorslangen die het geluid via mechanische weg versterken en de verschaffing en vervanging van oorstukjes, indien voldaan is aan één van de zorginhoudelijke criteria, vermeld in bijlage 3, onderdeel 4, van deze regeling;
b. ringleidingen, bestaande uit een snoer en versterker met zo nodig een tafelmicrofoon dan wel infraroodapparatuur of FM-apparatuur voor geluidsoverdracht, bestaande uit een ontvanger en een zender, al dan niet met inductiespoel of hoofdtelefoon, of in kinbeugeluitvoering, met zo nodig een tafelmicrofoon, indien voldaan is aan één van de zorginhoudelijke criteria vermeld in
bijlage 3, onderdeel 5, van deze regeling;
c. een maskeerder ter behandeling van ernstig oorsuizen alsmede verschaffing en vervanging van oorstukjes.
-2. Als een bijzondere uitvoering van een elektro-akoestisch hoortoestel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt beschouwd:
a. een crosuitvoering;
b. een bicrosuitvoering;
c. een beengeleideruitvoering;
d. een uitvoering met één ingebouwde microfoon en twee aansluitingen;
e. een uitvoering met één uitwendige microfoon en één aansluiting;
f. een uitvoering met één ingebouwde microfoon, één uitwendige microfoon en één aansluiting.
-3. Indien de aanschaffingskosten van een hoortoestel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, hoger zijn dan €|496,50 en een toestel voor de eerste keer wordt verstrekt, dan wel korter dan zes jaar geleden aan de verzekerde is verstrekt, betaalt de verzekerde van 16 jaar of ouder een bijdrage ter grootte van het verschil tussen de aanschaffingskosten en dit bedrag.
-4. Indien de aanschaffingskosten van een hoortoestel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, hoger zijn dan €|587,50 en een toestel langer dan zes, maar korter dan zeven jaren geleden aan de verzekerde is verstrekt, betaalt de verzekerde van 16 jaar of ouder een bijdrage ter grootte van het verschil tussen de aanschaffingskosten en dit bedrag.
-5. Indien de aanschaffingskosten van een hoortoestel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, hoger zijn dan €|678,00 en een toestel zeven jaren of langer geleden aan de verzekerde is verstrekt, betaalt de verzekerde een bijdrage ter grootte van het verschil tussen de aanschaffingskosten en dit bedrag. Voor een verzekerde van jonger dan 16 jaar geldt de gebruiksduur van zeven jaren of langer geleden niet.
-6. Indien sprake is van een hoortoestel in cros-, bicros- of beengeleideruitvoering opgenomen in een brilmontuur, wordt het bedrag, genoemd in het derde, vierde en vijfde lid, vermeerderd met €|64,00.

 

Art. 2.15.
-1. Hulpmiddelen als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, onderdeel h, omvatten:
a. urineopvangzakken met de noodzakelijke hulpstukken ter bevestiging aan het been of bed;
b. voorzieningen voor stomapatiënten, te weten:
1º. systemen ter bevestiging op een stoma voor de opvang van faeces of urine, bestaande uit opvangzakjes en kleefplaten, daarbij benodigde hulp- en verbindingsstukken, opvulmaterialen, reinigingsgaasjes, wegwerpzakjes, spoelapparatuur met toebehoren, stomapluggen, stomapleisters en indikmiddelen;
2º. noodzakelijke huidbeschermende middelen, voor zover daarop niet reeds aanspraak bestaat op grond van artikel 2.8 van het Besluit zorgverzekering;
3º. afdekpleisters en katheters bestemd voor een continentstoma;
4º. stomabeschermers, niet zijnde verbandmiddelen, voor een gelaryngectomeerde;
c. vervallen;
d. katheters met blaasspoelvloeistoffen, al dan niet met toebehoren;
e. incontinentieabsorptiematerialen als omschreven in het tweede lid;
f. spoelapparatuur voor anaalspoelen, zo nodig met toebehoren, indien sprake is van ernstige problemen met de ontlasting tengevolge van anatomische of functionele afwijkingen van de darm of anus dan wel de zenuwvoorziening daarvan;
g. vervallen;
h. kappen ter bescherming van de schedel;
i.
vervallen;
j. verbandmiddelen toe te passen bij een ernstige aandoening waarbij een langdurige medische behandeling met deze middelen is aangewezen.
-2. Incontinentieabsorptiematerialen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, omvatten:
a. inlegluiers en luierbroeken voor incontinentie voor verzekerden van 5 jaar of ouder, indien sprake is van:
1º. incontinentie voor faeces die langer bestaat dan twee weken;
2º. incontinentie voor urine, niet zijnde enuresis nocturna, die langer bestaat dan twee maanden;
3º. ondersteuning van bekkenbodemspieroefeningen of blaastraining voor de behandeling van urine-incontinentie, niet zijnde enuresis nocturna, voor de duur van deze behandeling;
4º. ziektebeelden waarvan mag worden aangenomen dat de incontinentie niet vanzelf geneest of waarbij bekkenbodemspieroefeningen of blaastraining niet helpen;
b. inlegluiers en luierbroeken voor incontinentie voor verzekerden van 3 of 4 jaar indien sprake is van een niet-fysiologische vorm van incontinentie;
c. anaaltampons;
d. beschermende onderleggers indien het verlies van bloed, exsudaat, vocht, urine of faeces dusdanige hygiënische problemen oplevert dat deze slechts door het gebruik van een bedbeschermende onderlegger kunnen worden ondervangen.

 

Art. 2.16.
Hulpmiddelen als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, onderdeel i, omvatten:
a. pessaria;
b. koperhoudende spiraaltjes.

 

Art. 2.17.
Hulpmiddelen als bedoeld in artikel 2.6, onderdeel j, omvatten:
a. krukken, loophulpen met drie of vier poten, looprekken, rollators en loopwagens indien de verzekerde hier langdurig op is aangewezen om te kunnen lopen, niet kan worden volstaan met een eenvoudiger hulpmiddel en sprake is van:
1º. evenwichtsstoornissen;
2º. functiestoornissen van de onderste extremiteiten, al dan niet gepaard gaande met defecten; of
3º. stoornissen in het uithoudingsvermogen dan wel vormen van lichamelijke zwakte, waarbij de verschaffing van een loophulpmiddel strekt tot behoud van de zelfredzaamheid of ter voorkoming van opname in een instelling;
b. serveerwagens indien de verzekerde hier langdurig op is aangewezen, niet volstaan kan worden met een eenvoudiger hulpmiddel en sprake is van een hand- of armfunctiestoornis;
c. blindentaststokken;
d. stoelen voorzien van een trippelfunctie indien de verzekerde langdurig op dit middel is aangewezen en:
1º. de verzekerde zich binnenshuis alleen zittend kan verplaatsen en niet beschikt over een in huis bruikbare rolstoel;
2º. de verzekerde voldoet aan de voorwaarde voor een hulpmiddel als bedoeld in onderdeel a, maar dit niet kan gebruiken vanwege een gestoorde hand- of armfunctie; of
3º. zich niet zonder gebruik van de handen staande kan houden;
e. loopfietsen indien de verzekerde langdurig op dit middel is aangewezen, sprake is van functiestoornissen van de onderste extremiteiten, al dan niet gepaard gaande met defecten, en de verzekerde niet kan volstaan met een eenvoudiger loophulpmiddel.

 

Art. 2.18. Vervallen.

 

Art. 2.19.
-1. Hulpmiddelen als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, onderdeel l, omvatten injectiespuiten met toebehoren, dan wel injectiepennen met toebehoren, indien sprake is van een aandoening die een langdurig gebruik van dit middel noodzakelijk maken.
-2. Een hulpmiddel als bedoeld in het eerste lid omvat tevens een aan een handicap aangepaste uitvoering indien de verzekerde tengevolge van een ernstige motorische handicap dan wel een verminderd gezichtsvermogen redelijkerwijs niet kan volstaan met een injectiespuit of injectiepen in een niet-aangepaste uitvoering.

 

Art. 2.20.
-1. Hulpmiddelen als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, onderdeel n, omvatten, indien sprake is van diabetes die met insuline wordt behandeld dan wel indien de diabetes nagenoeg is uitbehandeld met orale bloedsuikerverlagende middelen en behandeling met insuline wordt overwogen:
a. apparatuur voor het zelf afnemen van bloed en de daarbij behorende lancetten;
b. bloedglucosetestmeters indien de verzekerde aangewezen is op teststrips, alsmede de daarbij behorende teststrips;
c. draagbare, uitwendige infuuspompen met toebehoren indien tevens voldaan is aan één van de zorginhoudelijk criteria vermeld in bijlage 3, onderdeel 6, van deze regeling.
-2. Een hulpmiddel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a en b, omvat tevens een aan een handicap aangepaste uitvoering indien de verzekerde redelijkerwijs niet kan volstaan met een middel in een niet-aangepaste uitvoering.

 

Art. 2.21. Vervallen.

 

Art. 2.22.
Hulpmiddelen als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, onderdeel p, omvatten draagbare, uitwendige infuuspompen met toebehoren indien sprake is van continue parenterale toediening in de thuissituatie van een geneesmiddel dat valt onder de farmaceutische zorg, bedoeld in artikel 2.8 van het Besluit zorgverzekering, met uitzondering van insuline.

 

Art. 2.23.
-1. Hulpmiddelen als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, onderdeel q, omvatten:
a. verbandschoenen indien voldaan is aan één van de zorginhoudelijke criteria vermeld in bijlage 3, onderdeel 7, van deze regeling;
b. allergeenvrije schoenen indien er sprake is van een allergie.
-2. Indien de aanschaffingskosten van het hulpmiddel, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, hoger zijn dan €|142,50, betaalt de verzekerde een bijdrage ter grootte van het verschil tussen de aanschaffingskosten en dat bedrag.
-3. De verzekerde betaalt voor een hulpmiddel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, een bijdrage van:
a. indien hij 16 jaar of ouder is, €|136,00 per paar, vermeerderd met het verschil tussen de aanschaffingskosten en €|321,00;
b. indien hij jonger is dan 16 jaar, €|68,00 per paar, vermeerderd met het verschil tussen de aanschaffingskosten en €|253,00.

 

Art. 2.24.
-1. Hulpmiddelen als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, onderdeel r, omvatten, indien het gebruik om medische redenen aangewezen is:
a. niet-klinisch ingebrachte sondes met toebehoren;
b. uitwendige voedingspompen met toebehoren;
c. uitwendige toebehoren benodigd bij de toediening van parenterale voeding;
d. eetapparaten.
-2. Hulpmiddelen als bedoeld in het eerste lid omvatten geen voedings-, genees- en verbandmiddelen.

 

Art. 2.25. Vervallen.

 

Art. 2.26.
Hulpmiddelen als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, onderdeel t, omvatten:
a. computers met bijbehorende apparatuur voor lichamelijk gehandicapten indien de lichamelijk gehandicapte voor informatie en communicatie of bediening van huishoudelijke hulpmiddelen geheel of nagenoeg geheel op deze middelen is aangewezen;
b. schrijfmachines voor lichamelijk gehandicapten indien de lichamelijk gehandicapte voor het onderhouden van maatschappelijke contacten geheel of nagenoeg geheel op deze middelen is aangewezen;
c. rekenmachines in een uitvoering aangepast aan een lichamelijke handicap;
d. invoer- en uitvoerapparatuur en de daartoe benodigde programmatuur, noodzakelijke upgrades daarvan, alsmede accessoires voor een computer, een schrijfmachine en een rekenmachine, aangepast aan een lichamelijke handicap;
e. computerprogrammatuur voor grootlettersystemen voor visueel gehandicapten;
f. bladomslagapparatuur;
g. opname- en voorleesapparatuur voor gehandicapten, zijnde:
1º. memorecorders voor visueel gehandicapten;
2º. daisy-spelers of daisy-programmatuur voor visueel gehandicapten, dyslectici en motorisch gehandicapten;
3º. voorleesapparatuur voor zwartdrukinformatie voor visueel gehandicapten;
h. telefoons en een telefoneerhulpmiddel, zijnde:
1º. hulpmiddelen voor het kiezen van telefoonnummers;
2º. telefoonhoornhouders;
3º. met omgevingsbesturingsapparatuur te bedienen telefoons;
4º. teksttelefoons of beeldtelefoons voor auditief gehandicapten indien voldaan is aan één van de zorginhoudelijke criteria vermeld in bijlage 3, onderdeel 8 en 9, van deze regeling;
i. spraakvervangende hulpmiddelen;
j. signaleringsapparatuur en een alarmeringssysteem, zijnde:
1º. wek- en waarschuwingsinstallaties ten behoeve van auditief gehandicapten indien voldaan is aan één van de zorginhoudelijke criteria vermeld in
bijlage 3, onderdeel 10, van deze regeling;
2º. persoonlijke alarmeringsapparatuur voor lichamelijk gehandicapten indien de lichamelijk gehandicapte in een verhoogde risicosituatie verkeert.

 

Art. 2.27. Vervallen.

 

Art. 2.28. Vervallen.

 

Art. 2.29.
Hulpmiddelen als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, onderdeel aa, omvatten soloapparatuur met toebehoren indien er sprake is van een indicatie vermeld in bijlage 3, onderdeel 12, van deze regeling alsmede indien de verzekerde:
a. de apparatuur gebruikt voor het volgen van her- of bijscholing, dan wel niet tot het reguliere onderwijs behorende beroepsopleidingen in klassikaal of groepsverband;
b. de apparatuur gebruikt voor het volgen van regulier onderwijs; of
c. de apparatuur gebruikt voor het volgen van speciaal onderwijs in klassikaal onderscheidenlijk groepsverband dat niet specifiek gericht is op dove en slechthorende leerlingen; of
d. de apparatuur gebruikt tijdens het op medische gronden noodzakelijk ondergaan van een groepsgewijze therapeutische behandeling; of
e. de apparatuur gebruikt bij het in een gestructureerd en georganiseerd verband verrichten van betaalde of niet-betaalde werkzaamheden.

 

Art. 2.30.
Hulpmiddelen als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, onderdeel bb, omvatten tactielleesapparaten met toebehoren en vergoeding van de kosten, voor zover andere hulpmiddelen voor het lezen van zwartschrift voor de visueel gehandicapte niet doelmatig zijn en de verzekerde in staat is met het apparaat om te gaan.

 

Art. 2.31.
Hulpmiddelen als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, onderdeel cc, omvatten vervanging van BAHA-hoortoestellen die kunnen worden aangesloten op een te implanteren beengeleider, indien voldaan is aan één van de zorginhoudelijke criteria vermeld in bijlage 3, onderdeel 4, van deze regeling en een luchtgeleidingstoestel redelijkerwijs niet kan worden aangepast.

 

Art. 2.32.
Hulpmiddelen als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, onderdeel dd, omvatten apparatuur en toebehoren waarmee de verzekerde zelf de stollingstijd van zijn bloed kan meten, nadat hij voor het gebruik van die apparatuur is opgeleid;

 

Art. 2.33.
-1. Hulpmiddelen als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, onderdeel ee, omvatten, indien de verzekerde langdurig daarop is aangewezen:
a. aan functiebeperkingen aangepaste tafels;
b. aan functiebeperkingen aangepaste stoelen indien sprake is van problemen bij het zitten en niet kan worden volstaan met een stoel die voldoet aan de normale ergonomische eisen en niet uitsluitend sprake is van vetzucht, reuzen- of dwerggroei, waarbij de stoelen zijn voorzien van één of meer van de volgende functies of aanpassingen:
1º. specifieke polstering;
2º. abductiebalk;
3º. arthrodesezitting;
4º. pelottes voor zijwaartse steun;
c. antidecubituszitkussens;
d. bedden in speciale uitvoering met inbegrip van daarvoor bestemde matrassen;
e. antidecubitusbedden, -matrassen en -overtrekken ter behandeling en preventie van decubitus;
f. dekenbogen, onrusthekken, bedgalgen, papegaaien en portalen;
g. bedverkorters en -verlengers.
-2. Onder de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde hulpmiddelen zijn hulpmiddelen begrepen in een uitvoering met:
1º. zwenkwielen, beremming of hoog-laagmechanisme, indien het hulpmiddel op diverse plaatsen of met verschillende werkhoogte moeten worden gebruikt;
2º. een sta-opsysteem, indien de verzekerde niet zelfstandig kan opstaan uit het hulpmiddel.
-3. Hulpmiddelen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d tot en met g, zijn slechts als hulpmiddelen aangewezen indien het gebruik daarvan strekt tot behoud van de zelfredzaamheid en met de verschaffing opneming in een instelling wordt voorkomen, dan wel indien de verzekerde is aangewezen op verpleging.

 

Art. 2.34.
-1. Hulpmiddelen als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, onderdeel ff, omvatten:
a. blindengeleidehonden die een substantiële bijdrage leveren aan de mobiliteit of oriëntatie in het maatschappelijke verkeer van een verzekerde die blind is of dusdanig slechtziend dat hij hierop is aangewezen;
b. hulphonden die een substantiële bijdrage leveren aan de mobiliteit en de algemene of huishoudelijke dagelijkse levensverrichtingen van een verzekerde die volledig doof is of die als gevolg van blijvende, ernstige lichamelijke functiebeperkingen aangewezen is op hulp bij die mobiliteit of bij algemene of huishoudelijke dagelijkse levensverrichtingen, waardoor zijn zelfstandigheid wordt vergroot en het beroep op zorgondersteuning vermindert.
-2. De hulpmiddelen, bedoeld in het eerste lid omvatten tevens een tegemoetkoming in de redelijk te achten gebruikskosten.

 

Art. 2.35.
Hulpmiddelen als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, onderdeel gg, omvatten hulpmiddelen ter compensatie van onvoldoende arm-, hand- en vingerfunctie indien de verzekerde als gevolg van blijvende, ernstige lichamelijke functiebeperkingen in arm-, hand-, en vingerfunctie aangewezen is op professionele hulp bij algemene of huishoudelijke dagelijkse levensverrichtingen.

 

Art. 2.36.
-1. Hulpmiddelen als bedoeld in artikel 2.6, onderdeel hh, omvatten thuisdialyseapparatuur met toebehoren alsmede:
a. de regelmatige controle en het onderhoud ervan en de chemicaliën en vloeistoffen die nodig zijn voor het verrichten van dialyse;
b. vergoeding van de kosten voor de redelijkerwijs te verrichten aanpassingen in en aan de woning en voor het herstel in de oorspronkelijke staat, voor zover andere wettelijke regelingen daarin niet voorzien;
c. vergoeding van overige redelijk te achten kosten die rechtstreeks met de thuisdialyse samenhangen, voor zover andere wettelijke regelingen daarin niet voorzien;
d. de overige gebruiksartikelen die redelijkerwijs nodig zijn bij de thuisdialyse.
-2. De onderdelen a tot en met d van het eerste lid zijn zowel van toepassing op hemodialyse als op de verschillende vormen van peritoneaaldialyse.

 

 

§ 1.5.  Verzorging

 

Art. 2.37.
-1. Voor verzorging als bedoeld in artikel 2.12 van het Besluit zorgverzekering ten huize van de verzekerde betaalt de verzekerde een eigen bijdrage van €|3,90 per uur.
-2. Voor verzorging als bedoeld in artikel 2.12 van het Besluit zorgverzekering verleend in een instelling zonder dat verblijf in de instelling medisch noodzakelijk is, betaalt zowel de moeder als het kind een eigen bijdrage van €|15,50 per dag, die wordt vermeerderd met het bedrag waarmee het tarief van de instelling €|110,50 per dag te boven gaat.

 

 

§ 1.6.  Ziekenvervoer

 

Art. 2.38.
-1. Het bedrag, bedoeld in artikel 2.14, tweede lid, van het Besluit zorgverzekering, bedraagt €|0,25 per kilometer.
-2. De verzekerde is voor ziekenvervoer, anders dan ambulancevervoer als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet ambulancevervoer, een bijdrage verschuldigd van ten hoogste €|91,00 per kalenderjaar.
-3.
Een bijdrage is niet verschuldigd:
a. voor vervoer van een instelling waarin de verzekerde ten laste van de zorgverzekering of de bijzondere ziektekostenverzekering is opgenomen naar een andere instelling waarin de verzekerde ten laste van de zorgverzekering of de bijzondere ziektekostenverzekering wordt opgenomen voor het ondergaan van een specialistisch onderzoek of een specialistische behandeling waarvoor in de eerstbedoelde instelling niet de mogelijkheid bestaat;
b. voor vervoer van een instelling als bedoeld in onderdeel a naar een persoon of instelling voor het ondergaan van een specialistisch onderzoek of een specialistische behandeling ten laste van de zorgverzekering waarvoor in de eerstbedoelde instelling niet de mogelijkheid bestaat, alsmede het vervoer terug naar die instelling;
c. voor vervoer van een instelling waarin de verzekerde ten laste van de bijzondere ziektekostenverzekering is opgenomen naar een persoon of instelling voor een tandheelkundige behandeling ten laste van de bijzondere ziektekostenverzekering, waarvoor in de eerstbedoelde instelling niet de mogelijkheid bestaat, alsmede het vervoer terug naar die instelling.

 

 

§ 2.  De regels voor indeling van geneesmiddelen in groepen van onderling vervangbare geneesmiddelen en voor de berekening van de vergoedingslimieten en eigen bijdrage voor geneesmiddelen

 

Art. 2.39.
Bij de aanwijzing op grond van artikel 2.8 van het Besluit zorgverzekering en bij de toepassing van deze paragraaf wordt uitsluitend acht geslagen op:
a. deel IB van het registerdossier;
b. de publicaties onder auspiciën van de World Health Organization over de Defined Daily Dose en de Anatomical Therapeutical Chemical Classification;
c. de in medisch-farmaceutische kringen gebruikelijke farmacologische en farmacotherapeutische handboeken;
d. publicaties in tijdschriften die in medisch-farmaceutische kringen als betrouwbare bronnen voor geneesmiddeleninformatie gelden;
e. gegevens afkomstig van farmaco-economisch onderzoek; en
f. andere gegevens en bescheiden die voldoen aan de regels ingevolge artikel 2, zesde lid, van het Besluit registratie geneesmiddelen.

 

Art. 2.40.
-1. Geneesmiddelen worden als onderling vervangbaar aangemerkt, indien zij:
a. bij een gelijksoortig indicatiegebied kunnen worden toegepast;
b. via een gelijke toedieningsweg worden toegediend; en
c. in het algemeen voor dezelfde leeftijdscategorie zijn bestemd.
-2. Bij de toedieningswegen wordt een onderscheid gemaakt in toediening door middel van injectie waarbij systemisch het gewenste effect wordt beoogd, toediening niet door middel van een injectie waarbij systemisch het gewenste effect wordt beoogd, toediening door middel van injectie waarbij lokaal het gewenste effect wordt beoogd en toediening niet door middel van een injectie waarbij lokaal het gewenste effect wordt beoogd.
-3. In afwijking van het eerste en tweede lid worden geneesmiddelen niet als onderling vervangbaar aangemerkt, indien:
a. tussen die geneesmiddelen verschillen in eigenschappen bestaan;
b. deze verschillen in eigenschappen zich voordoen of kunnen voordoen bij de gehele patiëntenpopulatie bij welke de geneesmiddelen kunnen worden toegepast; en
c. uit de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 2.39, blijkt dat deze verschillen in eigenschappen, tezamen genomen, bepalend zijn voor de keuze van het geneesmiddel door de arts.
-4. In afwijking van het eerste en tweede lid worden geneesmiddelen die behoren tot een subgroep die alleen uit preparaten bestaat of alleen uit specialités onder dezelfde merknaam, niet als onderling vervangbaar beschouwd.
-5. In afwijking van het eerste, tweede en derde lid wordt een combinatiepreparaat als onderling vervangbaar aangemerkt met een in een groep van onderling vervangbare geneesmiddelen opgenomen geneesmiddel, niet zijnde een combinatiepreparaat, dat een werkzaam bestanddeel bevat dat voorkomt in het combinatiepreparaat, indien:
a. alle werkzame bestanddelen van het combinatiepreparaat voorkomen in geneesmiddelen, niet zijnde combinatiepreparaten, die zijn opgenomen in een groep van onderling vervangbare geneesmiddelen; en
b. de in onderdeel a bedoelde geneesmiddelen langs dezelfde toedieningsweg worden toegediend en in het algemeen voor dezelfde leeftijdscategorie zijn bestemd als het combinatiepreparaat.
-6. Het vijfde lid is niet van toepassing op combinatiepreparaten van oestrogenen en progestagenen en combinatiepreparaten van thiazide- en kaliumsparende diuretica.

 

Art. 2.41.
-1. Voor de berekening van een vergoedingslimiet wordt uitgegaan van een standaarddosis van het werkzame bestanddeel van het geneesmiddel.
-2. De standaarddosis wordt bepaald op basis van de Defined Daily Dose, tenzij de Defined Daily Dose lager is dan de in Nederland geadviseerde minimale dosering of hoger is dan de in Nederland geadviseerde maximale dosering.
-3. Indien een werkzaam bestanddeel onder verschillende zout- of estervormen in de handel is en bij de Defined Daily Dose geen onderscheid is gemaakt naar de zout- of estervorm, wordt de standaarddosis voor de verschillende zout- of estervormen, voor zover mogelijk, herleid tot de zout- of estervorm die het meest voorkomt in de in artikel 2.39 genoemde bronnen.
-4. Voor uitwendig toegepaste dermatologica geldt als standaarddosis 1 gram, 1 ml of 100 cm2, afhankelijk van de gehanteerde hoeveelheidsmaat.
-5. De standaarddosis wordt zoveel mogelijk vastgesteld met overeenkomstige toepassing van de methodiek gehanteerd bij de vaststelling van de Defined Daily Dose, indien:
a. voor een geneesmiddel geen Defined Daily Dose is vastgesteld; of
b. de Defined Daily Dose lager is dan de in Nederland geadviseerde minimale dosering of hoger is dan de in Nederland geadviseerde maximale dosering.
-6. In afwijking van het eerste tot en met vijfde lid wordt bij geneesmiddelen waarvoor geldt dat de duur van de medicatie wordt bekort door de hoeveelheid per dag gegeven werkzame bestanddelen te verhogen, uitgegaan van de standaardkuur.
-7. De vergoedingslimiet van een geneesmiddel wordt opnieuw vastgesteld, indien:
a. de Defined Daily Dose van dat geneesmiddel bij een herziening van de Defined Daily Doses van een categorie van geneesmiddelen in de Anatomical Therapeutic Chemical Classification op niveau 4 wordt gewijzigd ten opzichte van de Defined Daily Dose waarvan eerder bij de bepaling van de standaarddosis was uitgegaan;
b. voor dat geneesmiddel de standaarddosis was bepaald overeenkomstig het vijfde lid, aanhef en onder a, en voor dat geneesmiddel een Defined Daily Dose wordt vastgesteld; of
c. wijziging optreedt in de in Nederland geadviseerde minimale of maximale dosering van een geneesmiddel, bedoeld in het vijfde lid, aanhef en onder b, en die wijziging zou leiden tot een andere standaarddosis dan die waarvan bij de indeling van dat geneesmiddel in de desbetreffende groep van onderling vervangbare geneesmiddelen is uitgegaan.
-8. Indien de Defined Daily Dose van een geneesmiddel of van geneesmiddelen, van de prijs waarvan is uitgegaan voor de berekening van een vergoedingslimiet, bij een herziening van de Defined Daily Dose van een categorie van geneesmiddelen in de Anatomical Therapeutic Chemical Classification op niveau 4 wordt gewijzigd, wordt de vergoedingslimiet voor de groep onderling vervangbare geneesmiddelen waartoe dat geneesmiddel behoort opnieuw vastgesteld. Bij de berekening van de nieuwe vergoedingslimiet worden slechts betrokken de geneesmiddelen die betrokken zijn bij de eerdere berekening van de vergoedingslimiet.

 

Art. 2.42.
-1. Voor zover een groep van onderling vervangbare geneesmiddelen bestaat uit geneesmiddelen die vóór 1 oktober 1998 geregistreerd waren en de prijs daarvan voorkwam in de op dat tijdstip geldende Taxe, wordt voor de berekening van de vergoedingslimiet voor de tot die groep behorende geneesmiddelen uitgegaan van de prijzen vermeld in de bedoelde Taxe.
-2. Indien een groep van onderling vervangbare geneesmiddelen bestaat uit geneesmiddelen die na het in het eerste lid bedoelde tijdstip geregistreerd zijn of waarvan de prijs voor het eerst voorkwam in een na dat tijdstip verschenen Taxe, wordt voor de berekening van de vergoedingslimiet voor de tot die groep behorende geneesmiddelen uitgegaan van de prijs van het geneesmiddel waarvan de prijs het eerst in de Taxe is vermeld.
-3. Bij de berekening van de vergoedingslimiet worden de prijzen van parallel geïmporteerde geneesmiddelen en van combinatiepreparaten als bedoeld in artikel 2.40, vijfde lid, buiten beschouwing gelaten.

 

Art. 2.43.
-1. Per groep van onderling vervangbare geneesmiddelen wordt een gemiddelde prijs berekend.
-2. Voor de berekening van de gemiddelde prijs wordt de groep verdeeld in subgroepen van geneesmiddelen die hetzelfde werkzame bestanddeel of dezelfde combinatie van werkzame bestanddelen hebben.
-3. Binnen een subgroep wordt voor de specialités met eenzelfde merknaam, met uitzondering van de branded generics, een gemiddelde prijs per standaarddosis berekend.
-4. Binnen een subgroep wordt voor andere geneesmiddelen dan die, bedoeld in het derde lid, een gemiddelde prijs per standaarddosis berekend. Die prijs is het gemiddelde van de laagste prijzen van de geneesmiddelen in dezelfde farmaceutische vorm.
-5. Per subgroep worden de ingevolge het derde en vierde lid berekende gemiddelde prijzen per standaarddosis opgeteld en wordt die uitkomst gemiddeld, zodat een prijs per subgroep wordt verkregen.
-6. Indien in de Taxe voor een specialité meer dan één prijs wordt vermeld, wordt uitgegaan van de laagste prijs.

 

Art. 2.44.
-1. Indien de groep van onderling vervangbare geneesmiddelen bestaat uit slechts één subgroep, is de in artikel 2.43, vijfde lid, bedoelde prijs per subgroep de basis voor de berekening van de vergoedingslimiet van de tot die groep behorende geneesmiddelen.
-2. Indien de groep van onderling vervangbare geneesmiddelen bestaat uit meer dan één subgroep, worden, indien:
a. de geneesmiddelen behoren tot één categorie in de Anatomical Therapeutic Chemical Classification op niveau 4, alle prijzen per subgroep bij elkaar opgeteld en wordt vervolgens het gemiddelde ervan berekend;
b. de geneesmiddelen behoren tot verschillende categorieën op niveau 4 van de Anatomical Therapeutic Chemical Classification, de prijzen voor de verschillende subgroepen, voor zover behorend tot dezelfde categorie, gemiddeld, worden de aldus berekende prijzen voor de afzonderlijke categorieën opnieuw gemiddeld en vormt het aldus verkregen gemiddelde de berekeningsbasis voor de bepaling van de vergoedingslimiet.

 

Art. 2.45.
-1. Indien er binnen een groep van onderling vervangbare geneesmiddelen een geneesmiddel is waarvan de prijs per standaarddosis gelijk is aan de in artikel 2.44 bedoelde berekeningsbasis, is de vergoedingslimiet voor de geneesmiddelen uit die groep gelijk aan de prijs per standaarddosis van dat geneesmiddel.
-2. Indien er binnen een groep van onderling vervangbare geneesmiddelen geen geneesmiddel is waarvan de prijs per standaarddosis gelijk is aan de in artikel 2.44 bedoelde berekeningsbasis, is de vergoedingslimiet voor de geneesmiddelen uit die groep gelijk aan de prijs per standaarddosis van het geneesmiddel die zo dicht mogelijk onder de berekeningsbasis ligt.

 

Art. 2.46.
-1. Indien van een geneesmiddel verschillende toedieningssterkten bestaan, wordt de vergoedingslimiet, berekend overeenkomstig de artikelen 2.41 tot en met 2.45, voor het geneesmiddel met de kleinste toedieningssterkte gecorrigeerd door de ongecorrigeerde vergoedingslimiet te vermenigvuldigen met 2/10 maal het quotiënt van de referentiehoeveelheid en de kleinste toedieningssterkte van dat geneesmiddel, vermeerderd met 8/10.
-2. Voor geneesmiddelen die voor andere leeftijdscategorieën dan volwassenen zijn bestemd, is de referentiehoeveelheid de hoeveelheid die voorkomt in het preparaat van de hoogste hoeveelheid van die andere leeftijdscategorieën.
-3. De dimensie van de referentiehoeveelheid moet gelijk zijn aan de dimensie van de kleinste toedieningsvorm.
-4. Bij geneesmiddelen als bedoeld in de artikelen 2.40, vijfde lid, en 2.41, zesde lid, blijven het eerste tot en met het derde lid buiten toepassing.

 

Art. 2.47.
-1. De vergoedingslimiet van een combinatiepreparaat als bedoeld in artikel 2.40, vijfde lid, is gelijk aan de som van de vergoedingslimieten voor de geneesmiddelen, niet zijnde combinatiepreparaten, die de werkzame bestanddelen bevatten die in het combinatiepreparaat voorkomen en die langs dezelfde toedieningsweg worden toegediend en in het algemeen voor dezelfde leeftijdscategorie zijn bestemd als het combinatiepreparaat.
-2. Indien de in het eerste lid bedoelde geneesmiddelen die geen combinatiepreparaten zijn een in het combinatiepreparaat voorkomend werkzaam bestanddeel bevatten in een andere hoeveelheid of in een andere toedieningsvorm dan die welke in het combinatiepreparaat voorkomt, wordt uitgegaan van de vergoedingslimieten die voor die geneesmiddelen zouden hebben gegolden indien die geneesmiddelen dat werkzame bestanddeel zouden hebben bevat in de hoeveelheid en de toedieningsvorm die in het combinatiepreparaat voorkomt.

 

Art. 2.48.
Voor zover de toepassing van de artikelen 2.40 tot en met 2.47 naar het oordeel van de minister tot een uitkomst leidt die niet in overeenstemming is met de strekking daarvan, kan de minister een besluit nemen in afwijking daarvan.

 

Art. 2.49.
De eigen bijdrage bedraagt de kosten van een geneesmiddel dat is ingedeeld in een groep van onderling vervangbare geneesmiddelen, voor zover de toepasselijke vergoedingslimiet, omgerekend naar de desbetreffende hoeveelheid, lager is dan de inkoopprijs die vermeld staat in de Taxe, verhoogd met de over het verschil verschuldigde omzetbelasting.

 

 

§ 3.  De aanvraagprocedure voor aanwijzing geregistreerde geneesmiddelen

 

Art. 2.50.
-1. De registratiehouder kan bij de minister een aanvraag indienen om een geneesmiddel aan te wijzen ingevolge artikel 2.8, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit zorgverzekering.
-2. De aanvraag geschiedt met gebruikmaking van een door de minister vast te stellen formulier. Daarbij worden de gegevens en de bescheiden verschaft die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn. De datum van ontvangst wordt aan de aanvrager meegedeeld.
-3. Indien de overgelegde gegevens en bescheiden onvoldoende zijn, stelt de minister de aanvrager in de gelegenheid binnen een door hem te bepalen termijn de aanvraag aan te vullen.
-4. De minister hoort over de aanvraag het College zorgverzekeringen.
-5. De minister beslist binnen 90 dagen na ontvangst van de aanvraag. Deze termijn wordt opgeschort met ingang van de dag waarop de minister de aanvrager uitnodigt de aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
-6. De inhoud van het voorgenomen besluit, voor zover betrekking hebbend op de aanvraag, wordt aan de aanvrager meegedeeld. Daarbij wordt tevens het oordeel van het College zorgverzekeringen toegezonden en wordt de motivering vermeld, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat. Aan de aanvrager wordt meegedeeld welke rechtsmiddelen hem ter beschikking staan.
-7. Het tweede tot en met het zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing indien de registratiehouder verzoekt om herziening van een besluit ingevolge het eerste lid en hij daartoe nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aanvoert.
-8. Indien de minister voornemens is een geneesmiddel ambtshalve aan te wijzen ingevolge artikel 2.8, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit zorgverzekering dan wel zodanige aanwijzing te wijzigen, deelt hij de registratiehouder uiterlijk één maand vóór de beoogde datum van inwerkingtreding de zakelijke inhoud van het voorgenomen besluit mede. Het vierde en zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
-9. Indien het een geneesmiddel betreft met dezelfde werkzame bestanddelen, van dezelfde sterkte en in dezelfde farmaceutische vorm als een geneesmiddel dat reeds ingevolge artikel 2.8, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit zorgverzekering is aangewezen, zijn het tweede tot en met vierde lid, het zesde lid, tweede volzin, en het zevende en achtste lid niet van toepassing.

 

 

HOOFDSTUK  3

Bepalingen omtrent de vereveningsbijdrage 2010

 

§ 1.  Algemene bepalingen

 

Art. 3.1.
De voor de risicoverevening relevante B-DBC’s zijn de DBC’s die door de Nederlandse Zorgautoriteit zijn opgenomen in de beleidsregel CI-1068 "Samenstelling van het B-segment".

 

Art. 3.2.
-1. Het macroprestatiebedrag voor het jaar 2010 bedraagt |32 871,5 miljoen.
-2. Het macroprestatiebedrag is opgebouwd uit de volgende macrodeelbedragen:
a. het macrodeelbedrag kosten van B-DBC’s ad |5551,1 miljoen;
b. het macrodeelbedrag variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp ad |8834,7 miljoen;
c. het macrodeelbedrag vaste kosten van ziekenhuisverpleging ad |3130,2 miljoen;
d. het macrodeelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg ad |3648,9 miljoen;
e. het macrodeelbedrag kosten van overige prestaties ad |11 706,5 miljoen.
-3. Het macrodeelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg, bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, wordt gesplitst in:
a. het macrodeelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg voor verzekerden jonger dan 18 jaar ad |533,0 miljoen;
b. het macrodeelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg voor verzekerden van 18 jaar of ouder ad |3115,9 miljoen.

 

Art. 3.3.
-1. De totale opbrengst van de nominale rekenpremie wordt voor het jaar 2010 geraamd op |12 770,0 miljoen.
-2. De totale opbrengst van het verplicht eigen risico wordt voor het jaar 2010 geraamd op |1548,4 miljoen.

 

Art. 3.4.
De beschikbare middelen voor het verstrekken van de bijdragen aan zorgverzekeraars, bedoeld in artikel 32, vierde lid, onderdeel a, van de
Zorgverzekeringswet, omvatten voor het jaar 2010, naast de middelen, bedoeld in paragraaf 1.5 van hoofdstuk 3 van het Besluit zorgverzekering, een bedrag van |18 553,1 miljoen.

 

 

§ 2.  De verdeling van de macrodeelbedragen en de berekening van het normatief bedrag ten behoeve van de toekenning van de vereveningsbijdrage (ex ante) aan een zorgverzekeraar

 

Art. 3.5.
-1. In het volgende lid wordt verstaan onder:
a. kosten geneeskundige geestelijke gezondheidszorg boven de lage drempel: kosten per verzekerde van intramuraal en extramuraal gebruik van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg in het voorafgaande jaar die hoger zijn dan |550,00;
b. kosten geneeskundige geestelijke gezondheidszorg boven de hoge drempel: kosten per verzekerde van intramuraal en extramuraal gebruik van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg in het voorafgaande jaar die hoger zijn dan |2750,00.
-2. Aan de in artikel 3.7, eerste lid, van het Besluit zorgverzekering genoemde criteria worden eenmalig de volgende criteria toegevoegd: leeftijd onder 18 jaar, kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg boven de lage drempel en kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg boven de hoge drempel.

 

Art. 3.6.
-1. De gewichten en de klassen, bedoeld in de artikelen 3.4, 3.5, 3.7 en 3.8 van het Besluit zorgverzekering, met uitzondering van de gewichten van de klasse "Geen kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg boven de lage drempel" van het criterium kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg boven de lage drempel en "Geen kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg boven de hoge drempel" van het criterium kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg boven de hoge drempel, zijn vermeld in bijlagen 4 en 5 bij deze regeling.
-2. Het College zorgverzekeringen berekent het gewicht van de klasse "Geen kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg boven de lage drempel" van het criterium kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg boven de lage drempel en "Geen kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg boven de hoge drempel" van het criterium kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg boven de hoge drempel dusdanig dat per criterium het gesommeerde resultaat van de vermenigvuldiging van de gewichten met het geraamde aantal verzekerden per saldo totaal nul bedraagt.

 

Art. 3.7.
-1. De nominale rekenpremie per jaar bedraagt |983,00 per zorgverzekering waarvoor premie moet worden betaald.
-2. Het College zorgverzekeringen raamt de opbrengst van de nominale rekenpremie per zorgverzekeraar, bedoeld in artikel 3.10, tweede lid, van het Besluit zorgverzekering, door het geraamde aantal zorgverzekeringen waarvoor premie moet worden betaald te vermenigvuldigen met de nominale rekenpremie.
-3. Het College zorgverzekeringen berekent het aantal zorgverzekeringen waarvoor premie moet worden betaald door het aantal zorgverzekeringen van verzekerden van 18 jaar of ouder bij een zorgverzekeraar, te verminderen met het aantal zorgverzekeringen van verzekerden bedoeld in artikel 24 van de Zorgverzekeringswet.

 

Art. 3.8.
-1. Het College zorgverzekeringen raamt de opbrengst van het verplicht eigen risico per zorgverzekeraar, bedoeld in artikel 3.10, tweede lid, van het Besluit zorgverzekering, door het geraamde aantal verzekerden van 18 jaar of ouder te verminderen met het geraamde aantal verzekerden, bedoeld in artikel 24 van de Zorgverzekeringswet, en het resultaat te vermenigvuldigen met de geraamde opbrengst van het verplicht eigen risico per verzekerde.
-2. Het College zorgverzekeringen gaat voor de bepaling van de geraamde opbrengst per verzekerde, bedoeld in het eerste lid, voor verzekerden van 18 jaar of ouder die voldoen aan het criterium "Geen FKG" uit van verzekerdenaantallen onderverdeeld in klassen naar leeftijd en geslacht, aard van het inkomen, en regio en de in bijlage 7 genoemde gewichten. Hierbij wordt de in de bijlage 7 aangegeven klasse-indeling van de criteria aangehouden.
-3. De geraamde opbrengst per verzekerde, bedoeld in het eerste lid, bedraagt voor verzekerden van 18 jaar of ouder die niet voldoen aan het criterium "Geen FKG" |165,- per verzekerde.

 

 

§ 3.  De herberekening van het normatief bedrag ten behoeve de vaststelling van de vereveningsbijdrage (ex post) aan een zorgverzekeraar

 

Art. 3.9.
-1. Verzekerden die bij meer dan één zorgverzekeraar waren ingeschreven, tellen voor het vaststellen van de bijdrage per zorgverzekeraar slechts gedeeltelijk mee.
-2. Het gewicht van de verzekerden, bedoeld in het eerste lid, is omgekeerd evenredig aan het aantal zorgverzekeraars waarbij zij waren ingeschreven, rekening houdend met de inschrijfduur per zorgverzekeraar.

 

Art. 3.10.
-1. Ten behoeve van de herberekening van het normatieve bedrag voor de vaststelling van de vereveningsbijdrage worden de gewichten, bedoeld in de artikelen 3.4, 3.5 en 3.8 van het Besluit zorgverzekering, herleid tot gewichten waarbij rekening is gehouden met de verwachte financiële gevolgen van de toepassing van een specifieke compensatie van hoge kosten voor groepen van verzekerden naar leeftijd en geslacht, FKG’s,¹ DKG’s,¹ aard van het inkomen, SES ¹ en regio. De herleide gewichten zijn vermeld in bijlage 6a bij deze regeling.
-2. Ten behoeve van de herberekening van het normatieve bedrag voor de vaststelling van de vereveningsbijdrage worden de gewichten, bedoeld in artikel 3.7 van het Besluit zorgverzekering, herleid tot gewichten waarbij rekening is gehouden met de verwachte financiële gevolgen van de toepassing van een specifieke compensatie van hoge kosten voor groepen van verzekerden naar leeftijd en geslacht, FKG’s psychische aandoeningen, aard van het inkomen, SES, eenpersoonsadres, kosten geneeskundige geestelijke gezondheidszorg boven de lage drempel, kosten geneeskundige geestelijke gezondheidszorg boven de hoge drempel en GGZ-regio. De herleide gewichten met uitzondering van de gewichten van de klasse "Geen kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg boven de lage drempel" van de criteria kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg boven de lage drempel en de klasse "Geen kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg boven de hoge drempel" van het criterium kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg boven de hoge drempel, zijn vermeld in bijlage 6b bij deze regeling.
-3. Het College zorgverzekeringen berekent het gewicht van de klasse "Geen kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg boven de lage drempel" van het criterium kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg boven de lage drempel en "Geen kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg boven de hoge drempel" van het criterium kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg boven de hoge drempel dusdanig dat per criterium het gesommeerde resultaat van de vermenigvuldiging van de gewichten met het gerealiseerde aantal verzekerden per saldo totaal nul bedraagt.
-4. Het College zorgverzekeringen herberekent de gewichten, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, nader door deze per macrodeelbedrag te vermenigvuldigen met de verhouding tussen de gerealiseerde kosten per cluster van prestaties over alle zorgverzekeraars en het bijbehorende herberekende macrodeelbedrag over alle zorgverzekeraars op basis van het eerste lid.

1. FKG: farmaceutische kostengroep; DKG: diagnosekostengroep; SES: sociaal-economische status, red.

 

Art. 3.11.
-1. Het College zorgverzekeringen herberekent het normatieve bedrag per zorgverzekeraar en de onderliggende deelbedragen op basis van de herberekende gewichten, bedoeld in artikel 3.10, vierde lid, en de gerealiseerde verzekerdenaantallen per klasse van de criteria.
-2. Het College zorgverzekeringen gaat bij de herberekening van het normatieve bedrag uit van de realisatiecijfers van de volgende jaren:
a. 2009: voor de criteria FKG’s, FKG’s psychische aandoeningen, DKG’s, kosten geneeskundige geestelijke gezondheidszorg boven de lage drempel en kosten geneeskundige geestelijke gezondheidszorg boven de hoge drempel;
b. 2010: voor de criteria leeftijd en geslacht, aard van het inkomen, SES, regio, eenpersoonsadres, GGZ-regio en leeftijd onder 18 jaar.

 

Art. 3.12.
-1. Het College zorgverzekeringen merkt kosten van prestaties die overeenstemmen met de prestaties waarop de Zorgverzekeringswet recht geeft en die verzekerden buiten Nederland hebben gemaakt, en die zodanig zijn gespecificeerd dat:
a. uit de specificatie blijkt dat zij ofwel gelden als kosten van geneeskundige zorg zoals medisch-specialisten die plegen te bieden - met uitzondering van de kosten, bedoeld in onderdeel b -, ofwel als kosten van verblijf als bedoeld in artikel 2.10 van het Besluit zorgverzekering - met uitzondering van de kosten, bedoeld in onderdeel b -, voor 30% aan als kosten van B-DBC’s, voor 50% aan als variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp en voor 20% aan als vaste kosten van ziekenhuisverpleging;
b. uit de specificatie blijkt dat zij gelden als kosten van geneeskundige zorg die gericht is op herstel van een psychiatrische aandoening en, voor zover die zorg daarmee gepaard gaat, kosten van verblijf, voor 20% aan als kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg voor verzekerden jonger dan 18 jaar en voor 80% aan als kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg voor verzekerden van 18 jaar of ouder;
c. uit de specificatie blijkt dat zij niet gelden als kosten als bedoeld onder a of b, voor 100% aan als kosten van overige prestaties.
-2. Het College zorgverzekeringen merkt kosten van prestaties die door verzekerden onder de Zorgverzekeringswet gemaakt zijn in het buitenland met toepassing van een bepaling van de Verordening (EEG) nr 1408/71 inzake sociale zekerheid dan wel met toepassing van een bepaling in het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden, voor 15% aan als kosten van B-DBC’s, voor 30% aan als variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp, voor 10% aan als vaste kosten van ziekenhuisverpleging, voor 10% aan als kosten geneeskundige geestelijke gezondheidszorg voor verzekerden van 18 jaar of ouder en voor 35% aan als kosten van overige prestaties.
-3. Het College zorgverzekeringen merkt kosten van prestaties die overeenstemmen met de prestaties waarop de Zorgverzekeringswet recht geeft en waarop de beleidsregel "Innovatie ten behoeve van nieuwe zorgprestaties" van de Nederlandse Zorgautoriteit van toepassing is, of waarop de door de Nederlandse Zorgautoriteit nog vast te stellen beleidsregel voor keten-DBC’s als COPD, diabetes, hartfalen en cardiovasculair risicomanagement van toepassing is, voor 100% aan als kosten van overige prestaties.
-4. Het College van zorgverzekeringen merkt kosten van verpleging in de thuissituatie die noodzakelijk is in verband met medisch-specialistische zorg voor 100% aan als variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp.

 

Art. 3.13.
Tot de kosten van B-DBC’s, de variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp, de vaste kosten van ziekenhuisverpleging, de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg van verzekerden jonger dan 18 jaar, de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg van verzekerden van 18 jaar of ouder en de kosten van overige prestaties worden niet gerekend de zorgkosten die voor rekening komen van de verzekerden, met uitzondering van betalingen uit hoofde van een verplicht of vrijwillig eigen risico.

 

Art. 3.14.
-1. Indien het College zorgverzekeringen op het deelbedrag kosten van B-DBC’s, op het deelbedrag variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp of op het deelbedrag kosten van overige prestaties hogekostencompensatie toepast, geschiedt dit als volgt:
a. 90% van de som van de kosten van B-DBC’s, de variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp en de kosten van overige prestaties, voor zover deze kosten samen het bedrag van |22 500,00 per verzekerde op jaarbasis overschrijden, wordt betrokken bij herberekening van de deelbedragen kosten van B-DBC’s, variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp en kosten van overige prestaties;
b. de bij onderdeel a berekende bedragen worden per verzekerde gesplitst in kosten van B-DBC’s, variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp en kosten van overige prestaties, naar rato van de totalen van die kostensoorten van die verzekerde;
c. vervolgens worden de uitkomsten per cluster van prestaties per zorgverzekeraar gesommeerd;
d. aan de ingevolge onderdeel c gesommeerde kosten van B-DBC’s wordt per zorgverzekeraar 5% toegevoegd van de kosten van verzekerde prestaties die verzekerden van de zorgverzekeraar buiten Nederland hebben gemaakt en die het College zorgverzekeringen op basis van declaraties op kasbasis naar het werkelijke bedrag in 2010 vergoedt, voor zover zij ingevolge artikel 3.12, eerste lid, als kosten van B-DBC’s zijn aangemerkt;
e. aan de ingevolge onderdeel c gesommeerde variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp wordt per zorgverzekeraar 15% toegevoegd van de kosten van verzekerde prestaties die verzekerden van de zorgverzekeraar buiten Nederland hebben gemaakt en die het College zorgverzekeringen op basis van declaraties op kasbasis naar het werkelijke bedrag in 2010 vergoedt, voor zover zij ingevolge artikel 3.12, eerste lid, als variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp zijn aangemerkt;
f. aan de ingevolge onderdeel c gesommeerde kosten van overige prestaties wordt per zorgverzekeraar 5% toegevoegd van de kosten van verzekerde prestaties die verzekerden van de zorgverzekeraar buiten Nederland hebben gemaakt en die het College zorgverzekeringen op basis van declaraties op kasbasis naar het werkelijke bedrag in 2010 vergoedt, voor zover zij ingevolge artikel 3.12, eerste lid, als kosten van overige prestaties zijn aangemerkt;
g. per genoemd cluster van prestaties wordt het percentage berekend dat voortvloeit uit de verhouding tussen de som van de uitkomsten van respectievelijk de onderdelen d, e en f van alle zorgverzekeraars samen en de som van de herberekende deelbedragen van alle zorgverzekeraars samen, en dit per cluster berekende percentage wordt toegepast op het corresponderende deelbedrag van een zorgverzekeraar;
h. op basis van de uitkomsten onder de onderdelen d, e, f en g wordt per genoemde cluster van prestaties het deelbedrag per zorgverzekeraar verder herberekend door hieraan respectievelijk de onder onderdelen d, e en f berekende uitkomsten toe te voegen en de voor elk cluster onder onderdeel g berekende bedragen daarop in mindering te brengen.
-2. Indien het College zorgverzekeringen op het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg voor verzekerden van 18 jaar of ouder hogekostencompensatie toepast, geschiedt dit als volgt:
a. 100% van de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg, voor zover deze kosten het bedrag van |10 000,00 per verzekerde op jaarbasis overschrijden, wordt betrokken bij herberekening van het deelbedrag kosten geneeskundige geestelijke gezondheidszorg van verzekerden van 18 jaar of ouder;
b. vervolgens worden de uitkomsten uit onderdeel a per zorgverzekeraar gesommeerd;
c. aan de ingevolge onderdeel b gesommeerde kosten wordt per zorgverzekeraar 40% toegevoegd van de kosten van verzekerde prestaties die verzekerden van de zorgverzekeraar buiten Nederland hebben gemaakt en die het College zorgverzekeringen op basis van declaraties op kasbasis naar het werkelijke bedrag in 2010 vergoedt, voor zover zij ingevolge artikel 3.12, eerste lid, als kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg van verzekerden van 18 jaar of ouder zijn aangemerkt;
d. daarna wordt het percentage berekend dat voortvloeit uit de verhouding tussen de som van de uitkomsten van onderdeel c van alle zorgverzekeraars samen en het herberekende deelbedrag kosten geneeskundige geestelijke gezondheidszorg voor verzekerden van 18 jaar of ouder van alle zorgverzekeraars samen, en dit percentage wordt toegepast op het corresponderende deelbedrag van een zorgverzekeraar;
e. ten slotte wordt het deelbedrag per zorgverzekeraar herberekend door hierbij het resultaat van onderdeel c op te tellen en vervolgens te verminderen met het resultaat van onderdeel d.

 

Art. 3.15.
Het
College zorgverzekeringen past overeenkomstig artikel 3.14 hogekostencompensatie toe op het deelbedrag kosten van B-DBC’s.

 

Art. 3.16.
-1. Het College zorgverzekeringen merkt de kostencomponent van niet-onderhandelbare DBC-tarieven in algemene en academische ziekenhuizen, alsmede van het Oogziekenhuis, voor een door hem per ziekenhuis vast te stellen percentage aan als variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp.
-2. Het College zorgverzekeringen merkt de kostencomponent van de kosten van DBC’s geleverd door instellingen die meedoen aan experimenten in de zin van de Wet marktordening gezondheidszorg, die niet vallen onder de reguliere onderhandelbare DBC’s en niet bedoeld zijn in artikel 3.1, voor een door hem per ziekenhuis vast te stellen percentage aan als variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp.
-3. Het College zorgverzekeringen merkt de kostencomponent van de vaste bedragen ter verrekening van de opbrengstresultaten in 2010 voor een door hem per instelling voor medisch specialistische zorg vast te stellen percentage aan als variabele kosten van ziekenhuisverpleging.
-4. Het College zorgverzekeringen bepaalt per ziekenhuis het percentage, bedoeld in het eerste tot en met het derde lid, op basis van door de Nederlandse Zorgautoriteit te verschaffen gegevens.
-5. Het College zorgverzekeringen merkt de kostencomponent van niet-onderhandelbare DBC-tarieven van instellingen dan wel zorgverleners die niet bedoeld zijn in het eerste of tweede lid, voor 75% aan als variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp.
-6. Het College zorgverzekeringen merkt de kostencomponent en honorariumcomponent van overige trajecten en verrichtingen en van ondersteunende en overige producten van instellingen en zorgverleners die in hoofdzaak worden gefinancierd op basis van DBC’s, alsmede alle kosten van overige instellingen op het gebied van ziekenhuisverpleging voor zover zij niet worden gefinancierd op basis van DBC’s, voor 75% aan als variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp, met uitzondering van de verpleegkosten van instellingen die niet gefinancierd worden op basis van DBC’s, waarvoor een percentage van 60 wordt aangehouden.
-7. Het College zorgverzekeringen betrekt de renteheffingstarieven niet bij de variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp.
-8. Het College zorgverzekeringen merkt de honorariumcomponent van niet-onderhandelbare DBC’s en eventuele overige declaraties van vrijgevestigde specialisten voor 100% aan als variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp, met uitzondering van de honorariumcomponent van overige trajecten en verrichtingen en van ondersteunende en overige producten, waarvoor een percentage van 75 wordt aangehouden,
-9. Het College zorgverzekeringen past overeenkomstig artikel 3.14 hogekostencompensatie toe op het deelbedrag variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp.
-10. Het College zorgverzekeringen calculeert 30% na op het verschil tussen de variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp, vastgesteld ingevolge het eerste tot en met achtste lid enerzijds, en het herberekende deelbedrag variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp na toepassing van het negende lid anderzijds.

 

Art. 3.17.
-1. Het College zorgverzekeringen baseert de herberekening per zorgverzekeraar van het deelbedrag vaste kosten van ziekenhuisverpleging op de vaste kosten in het jaar 2009.
-2. Het College zorgverzekeringen merkt de kostencomponent van niet-onderhandelbare DBC-tarieven in algemene en academische ziekenhuizen, alsmede van het Oogziekenhuis, voor een door hem per ziekenhuis vast te stellen percentage aan als vaste kosten van ziekenhuisverpleging.
-3. Het percentage per ziekenhuis, bedoeld in het tweede lid, is gelijk aan 100 minus het percentage, bedoeld in artikel 3.16, eerste lid.
-4. Het College zorgverzekeringen merkt de kostencomponent van de kosten van DBC’s geleverd door instellingen die meedoen aan experimenten in de zin van de Wet marktordening gezondheidszorg, die niet vallen onder de reguliere onderhandelbare DBC’s en niet bedoeld zijn in artikel 3.1, voor een door hem per ziekenhuis vast te stellen percentage aan als vaste kosten van ziekenhuisverpleging.
-5. Het percentage per instelling, bedoeld in het vierde lid, is gelijk aan 100 minus het percentage, bedoeld in artikel 3.16, tweede lid.
-6. Het College zorgverzekeringen merkt de kostencomponent van de vaste bedragen ter verrekening van de opbrengstresultaten in 2010 voor een door hem per instelling voor medisch specialistische zorg vast te stellen percentage aan als vaste kosten van ziekenhuisverpleging.
-7. Het percentage per instelling, bedoeld in het zesde lid, is gelijk aan 100 minus het percentage, bedoeld in artikel 3.16, derde lid.
-8. Het College zorgverzekeringen merkt de kostencomponent van niet-onderhandelbare DBC-tarieven van instellingen, dan wel zorgverleners, die niet bedoeld zijn in het tweede, vierde of zesde lid, voor 25% aan als vaste kosten van ziekenhuisverpleging.
-9. Het College zorgverzekeringen merkt de kostencomponent en honorariumcomponent van overige trajecten en verrichtingen en van ondersteunende en overige producten van instellingen en zorgverleners die in hoofdzaak worden gefinancierd op basis van DBC’s, alsmede alle kosten van overige instellingen op het gebied van de ziekenhuisverpleging voor zover zij niet worden gefinancierd op basis van DBC’s, voor 25% aan als vaste kosten van ziekenhuisverpleging, met uitzondering van de verpleegkosten bij instellingen die niet worden gefinancierd op basis van DBC’s, waarvoor een percentage van 40 wordt aangehouden.
-10. Het College zorgverzekeringen betrekt de renteheffingstarieven niet bij de vaste kosten van ziekenhuisverpleging.
-11. Het College zorgverzekeringen calculeert 100% na op het verschil tussen de vaste kosten van ziekenhuisverpleging vastgesteld ingevolge het tweede tot en met tiende lid enerzijds en het deelbedrag vaste kosten van ziekenhuisverpleging na toepassing van het eerste lid anderzijds.

 

Art. 3.18.
Het
College zorgverzekeringen calculeert 100% na op het verschil tussen de gerealiseerde kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg voor verzekerden jonger dan 18 jaar en het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg voor verzekerden jonger dan 18 jaar.

 

Art. 3.19.
Het
College zorgverzekeringen past overeenkomstig artikel 3.14 hogekostencompensatie toe op het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg voor verzekerden van 18 jaar of ouder.

 

Art. 3.20.
Het
College zorgverzekeringen past overeenkomstig artikel 3.14 hogekostencompensatie toe op het deelbedrag kosten van overige prestaties.

 

Art. 3.21.
-1. Indien het resultaat van een zorgverzekeraar van de som van de kosten van B-DBC’s en de variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp na toepassing van artikel 3.15 en artikel 3.16, negende lid, per zorgverzekering waarvoor premie moet worden betaald, bedoeld in artikel 3.7, derde lid, meer dan €|22,50 afwijkt van €|0,00, worden de buiten bedoelde bandbreedte liggende meer- of minderkosten voor 90% nagecalculeerd.
-2. Indien het resultaat van een zorgverzekeraar van de som van de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg voor verzekerden van 18 jaar of ouder na toepassing van artikel 3.19 per zorgverzekering waarvoor premie moet worden betaald, bedoeld in artikel 3.7, derde lid, meer dan €|7,50 afwijkt van €|0,00, worden de buiten bedoelde bandbreedte liggende meer- of minderkosten voor 100% nagecalculeerd.

 

Art. 3.22.
-1. De opbrengst van de nominale rekenpremie, bedoeld in artikel 3.19, tweede lid, van het Besluit zorgverzekering, wordt berekend overeenkomstig artikel 3.7, met dien verstande dat wordt uitgegaan van het gerealiseerde aantal zorgverzekeringen waarvoor premie moet worden betaald bij de zorgverzekeraar.
-2. De opbrengst van het verplicht eigen risico, bedoeld in artikel 3.19, tweede lid, van het Besluit zorgverzekering, wordt berekend overeenkomstig artikel 3.8, met dien verstande dat wordt uitgegaan van de gerealiseerde aantallen verzekerden.

 

 

§ 4.  Aanvullingen op de vereveningsbijdrage aan een zorgverzekeraar

 

Art. 3.23.
-1. De bijdrage, bedoeld in artikel 3.24 van het Besluit zorgverzekering, is gelijk aan een twaalfde van de nominale rekenpremie voor iedere premie die per maand vanaf het moment waarop het recht op de bijdrage is ontstaan niet volledig is betaald, vermeerderd met het bedrag van het gemiddeld verplicht eigen risico, en verminderd met het bedrag dat de zorgverzekeraar tot en met het kalenderjaar volgende op het jaar waarvoor de bijdrage wordt betaald, alsnog in verband met de desbetreffende verzekering heeft ontvangen.
-2. In afwijking van het eerste lid is de bijdrage vanaf de eerste dag van de maand volgende op de maand waarin het College zorgverzekeringen op aanvraag van een zorgverzekeraar heeft vastgesteld dat deze in staat is te voldoen aan het gestelde bij de artikelen 18a, 18b en 18c van de Zorgverzekeringswet, per maand gelijk aan de tot een maandbedrag herleide standaardpremie, bedoeld in de Wet op de zorgtoeslag, verminderd met het bedrag dat de zorgverzekeraar tot en met het kalenderjaar volgende op het jaar waarvoor de bijdrage wordt betaald, alsnog in verband met de desbetreffende verzekering heeft ontvangen.

 

Art. 3.24.
Het in artikel 3.22, tweede lid, van het
Besluit zorgverzekering bedoelde bedrag per verzekerde bedraagt |50,00.

 

 

§ 5.  De betaling van de vereveningsbijdragen aan zorgverzekeraars door het College zorgverzekeringen

 

Art. 3.25.
De betaling van de bijdrage geschiedt overeenkomstig door het
College zorgverzekeringen te stellen beleidsregels, waarin ten minste een betalingsschema is opgenomen dat rekening houdt met het betaalpatroon van de zorgverzekeraars.

 

 

§ 6.  De in het uitvoeringsverslag op te nemen gegevens

 

Art. 3.26.
-1. De zorgverzekeraar neemt in ieder geval in zijn uitvoeringsverslag op:
a. het profiel, de organisatiestructuur en het gevoerde en voorgenomen beleid bij de uitvoering van de Zorgverzekeringswet;
b. de wijze waarop hij uitvoering geeft aan de zorgplicht;
c. de wijze waarop hij uitvoering geeft aan de acceptatieplicht en het verbod op premiedifferentiatie;
d. de wijze waarop hij de afhandeling van klachten van de verzekerden heeft georganiseerd alsmede de resultaten daarvan;
e. de wijze waarop hij uitvoering geeft aan gedragscodes waaraan hij zich heeft verbonden;
f. of hij het Protocol incassotraject wanbetalers Zorgverzekeringswet is nagekomen, en zo nee, welke onderdelen niet, waarom niet en wat hij in de plaats van die onderdelen aan incassowerkzaamheden heeft verricht;
g. algemene gegevens over de honorering van directie en bestuur van de zorgverzekeraar voor de uitvoering van de Zorgverzekeringswet;
h. gegevens over zijn relaties met de aanbieders van zorg en de wijze waarop hij stuurt op de kwaliteit van door hen geleverde zorg.
-2. Het uitvoeringsverslag wordt, voor zover het gaat om de in het vorige lid genoemde aspecten, ingericht overeenkomstig een door de Nederlandse Zorgautoriteit beschikbaar te stellen model.

 

 

HOOFDSTUK  4

Bepalingen omtrent het Zorgverzekeringsfonds

 

Art. 4.1.
De reserve, bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Zorgverzekeringswet, wordt vastgesteld op nihil.

 

Art. 4.2.
In de centrale administratie van 's Rijks schatkist wordt een rekening-courant geopend op naam van het College zorgverzekeringen ten behoeve van de financiële middelen van het Zorgverzekeringsfonds op grond van artikel 40, tweede lid, van de Zorgverzekeringswet.

 

Art. 4.3.
-1. De betaalrekeningen van het College zorgverzekeringen bij in Nederland gevestigde banken worden door het ministerie van Financiën in overeenstemming met de betrokken banken opgenomen in concernverband met betaalrekeningen van 's Rijks schatkist bij die banken.
-2. Dagelijks op nader in overleg met de betrokken banken te bepalen tijdstippen worden de op de betaalrekeningen van het College zorgverzekeringen voorkomende positieve saldi overgeboekt naar 's Rijks schatkist, dan wel worden voorkomende negatieve saldi aangevuld vanuit 's Rijks schatkist. De hiermee samenhangende mutaties op de betaalrekeningen worden door het ministerie van Financiën ten gunste dan wel ten laste van de rekening-courant, bedoeld in artikel 4.2, geboekt.
-3. Het ministerie van Financiën sluit met het College zorgverzekeringen een overeenkomst ter uitwerking van het gebruik van de rekening-courant.
-4. In de overeenkomst, bedoeld in het derde lid, worden afspraken vastgelegd over de wederzijdse informatievoorziening tussen enerzijds het ministerie van Financiën en anderzijds het College zorgverzekeringen en kan bij wijze van uitzondering afgesproken worden om een betaalrekening buiten het concernverband als bedoeld in het eerste lid te houden.

 

Art. 4.4.
-1. Ten gunste van de rekening-courant, bedoeld in artikel 4.2, worden door het ministerie van Financiën tevens geboekt:
a. de bijdragen van het Rijk aan de rekening-couranthouder ten behoeve van het Zorgverzekeringsfonds;
b. de afdrachten van de door de rijksbelastingdienst geïnde bijdragen aan de rekening-couranthouder ten behoeve van het Zorgverzekeringsfonds;
c. de creditrente, bedoeld in artikel 4.5, vierde lid.
-2. Ten laste van de rekeningen-courant, bedoeld in artikel 4.2, wordt door het ministerie van Financiën tevens geboekt de debetrente, bedoeld in artikel 4.5, vierde lid.
-3. De boekingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, worden door het ministerie van Financiën van valutadata voorzien, zodanig dat deze data overeenkomen met de gemiddelde data waarop de bijdragen door de rijksbelastingdienst worden geïnd.

 

Art. 4.5.
-1. Over het dagelijkse creditsaldo van de rekening-courant wordt door de minister van Financiën een rente vergoed die gelijk is aan het 12-maands Euribor van de desbetreffende dag.
-2. Over het dagelijkse debetsaldo van de rekening-courant wordt door de rekening-couranthouder een rente betaald die gelijk is aan het 1-maands Euribor.
-3. De Minister van Financiën deelt het geldende rentepercentage schriftelijk aan de rekening-couranthouder mee.
-4. De rente wordt jaarlijks achteraf, met valutadatum 31 december van het jaar waarop de renteberekening betrekking heeft, ten gunste respectievelijk ten laste van de rekening-courant geboekt. Daartoe stelt de Minister van Financiën een rentenota op.

 

Art. 4.6.
De rekening-couranthouder is bevoegd een bedrag van ten hoogste €|2,5 miljoen buiten de rekening-courant te houden.

 

 

HOOFDSTUK  5

Bepalingen omtrent de inkomensafhankelijke bijdrage

 

Art. 5.1.
Het bijdrage-inkomen, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet, dat voor de heffing van de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 41 van die wet, ten hoogste in aanmerking wordt genomen, wordt vastgesteld op €|33 189,00.

 

Art. 5.2.
-1. Het percentage, bedoeld in artikel 45, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet, wordt vastgesteld op 7,05.
-2. In afwijking van het eerste lid bedraagt het bijdragepercentage:
a. over bijdrage-inkomen voortvloeiende uit werkzaamheden van een verzekeringsplichtige aan boord van een zeeschip, mits de zeewerkgever of scheepseigenaar het risico als bedoeld in hoofdstuk 3 van de Zorgverzekeringswet zolang deze verzekeringsplichtige niet is teruggekeerd of heeft kunnen terugkeren naar het land waar hij thuisbehoort, op grond van een verdragsrechtelijke bepaling of een bepaling die daar op stoelt in belangrijke mate voor zijn rekening neemt, nihil;
b. over bijdrage-inkomen waarover geen recht bestaat op de vergoeding van de verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage door de inhoudingsplichtige, bedoeld in artikel 46, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet, met uitzondering van een uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet, 4,95;
c. over belastbare periodieke uitkeringen of verstrekkingen op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting als bedoeld in artikel 3.101, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001, tenzij artikel 11, eerste lid, onderdeel g, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 toepassing vindt, indien deze periodieke uitkering of verstrekking ook in 2005 is genoten, nihil;
d. over bijdrage-inkomen waarop artikel 52a van de Wet financiering sociale verzekeringen van toepassing is, nihil.
-3. Ingeval het bijdrage-inkomen meer bedraagt dan het maximumbedrag, bedoeld in artikel 5.1, en is samengesteld uit bestanddelen waarover een verschillend bijdragepercentage is verschuldigd, worden de bestanddelen zodanig toegerekend dat het bijdragepercentage van 7,05 het eerste in aanmerking wordt genomen, vervolgens het bijdragepercentage van 4,95 en ten slotte het nihilbijdragepercentage.

 

Art. 5.3.
De inkomsten, bedoeld in artikel 45, vierde lid, van de Zorgverzekeringswet, betreffen voor het berekenen van de bijdragepercentages die met ingang van 1 januari 2008 gelden:
a. het geraamde totaalbedrag aan nominale rekenpremies, bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van het Besluit zorgverzekering, dat in 2008 aan de zorgverzekeraars zal worden betaald;
b. het geraamde totaalbedrag dat de zorgverzekeraars in 2008 van hun verzekerden zullen ontvangen tengevolge van een door hen vast te stellen opslag op de in onderdeel a bedoelde rekenpremie;
c. het geraamde totaalbedrag aan verplicht eigen risico dat over het kalenderjaar 2008 door verzekerden zal worden betaald, verminderd met het geraamde totaalbedrag dat het Centraal Administratiekantoor op grond van artikel 118a van de Zorgverzekeringswet aan de daar bedoelde verzekerden zal uitkeren;
d. de rijksbijdrage, bedoeld in artikel 54 van de Zorgverzekeringswet, die voor het kalenderjaar 2008 aan het Zorgverzekeringsfonds wordt toegevoegd;
e. het geraamde totaalbedrag aan inkomensafhankelijke bijdragen als bedoeld in artikel 43 van de Zorgverzekeringswet die over 2008 geheven zullen worden.

 

Art. 5.4.
Als loon, bedoeld in artikel 46, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet, wordt aangewezen:
a. loon uit tegenwoordige dienstbetrekking overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de Wet op de loonbelasting 1964, met uitzondering van:
1º. de genoten beloning, bedoeld in artikel 4, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964;
2º. het in artikel 13bis van de Wet op de loonbelasting 1964 bedoelde voordeel, voor zover dit voordeel door middel van een aan de werknemer opgelegde naheffingsaanslag als loon in aanmerking is genomen;
3º. de genoten beloning van de directeur-grootaandeelhouder, bedoeld in de Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder;
b. tot de eerste dag van de kalendermaand volgende op de maand waarin de verzekeringsplichtige de leeftijd van 65 jaar bereikt: loon uit vroegere arbeid overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de Wet op de loonbelasting 1964, met uitzondering van:
1º. uitkeringen ingevolge een pensioenregeling of regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964, niet zijnde een uitkering ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding die vóór 1 januari 2006 is ingegaan en op grond waarvan de uitkeringsgerechtigde ingevolge artikel 1, onderdeel g, van het Aanwijzingsbesluit verzekerden Zfw verzekerd was ingevolge de Ziekenfondswet;
2º. uitkeringen of pensioenen krachtens of vanwege een pensioenregeling als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c en d, van de Toeslagwet Indonesische pensioenen 1956, het Pensioenreglement Nederlands Nieuw Guinea (Gouvernementsblad van Nederlands Nieuw Guinea 1958, 83), de Wet aanpassing pensioenvoorzieningen Bijstandkorps, de Garantiewet Surinaamse pensioenen en de Toeslagregeling pensioenen Suriname en Nederlandse Antillen;
3º. uitkeringen en verstrekkingen ingevolge een aanspraak op periodieke uitkeringen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de loonbelasting 1964;
4º. inkomsten als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel a, d, f, i, j, k en l, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965;
5º. uitkeringen ingevolge de Algemene Ouderdomswet; en
6º. overbruggingsuitkeringen ingevolge een aanspraak op het overbruggingsfonds van de Stichting Contractspelersfonds KNVB en de Stichting Nederlands Wielrennersfonds;
7
º. uitkeringen ingevolge de derde afdeling van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers die worden ontvangen door een afgetreden lid van de Tweede Kamer van wie de arbeidsverhouding gedurende het lidmaatschap van de Tweede Kamer ingevolge artikel 4, aanhef en onder f, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor de toepassing van die wet als dienstbetrekking werd beschouwd.

 

Art. 5.5.
Een bedrag dat in aanmerking is genomen als bijdrage-inkomen in de zin van artikel 43, eerste lid, onderdeel a, van de Zorgverzekeringswet wordt niet in aanmerking genomen als bijdrage-inkomen in de zin van artikel 43, eerste lid, onderdeel b, van die wet.

 

Art. 5.6.
Tot het bijdrage-inkomen, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet, behoren niet:
a. uitkeringen ingevolge de socialezekerheidswetgeving van een andere mogendheid die zijn onderworpen aan premieheffing krachtens een wettelijke regeling inzake ziektekosten van die andere mogendheid;
b. ten aanzien van degene die verzekeringsplichtig is en die tevens werkzaamheden verricht of heeft verricht buiten Nederland: het gedeelte van het bijdrage-inkomen waarop ingevolge een internationale regeling inzake sociale zekerheid die tussen Nederland en één of meer andere mogendheden van kracht is, de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is of dat, bij gebreke van een internationale regeling, is onderworpen aan premieheffing krachtens een wettelijke regeling inzake ziektekosten van een andere mogendheid;
c. ten aanzien van degene die niet is uitgezonderd van de volksverzekeringen op grond van artikel 13, eerste lid, onderdeel a, artikel 13, tweede lid, onderdeel c, artikel 13, derde lid, onderdeel a, artikel 13, vierde lid, onderdeel c, artikel 14, eerste lid, onderdeel a, artikel 15, eerste lid, onderdeel a, b en c, onder 1º, of artikel 16, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 in verband met het verrichten van de in die artikelen bedoelde andere werkzaamheden: het belastbare loon uit de dienstbetrekking uit hoofde waarvan hij zou zijn uitgezonderd van de volksverzekeringen indien hij die andere werkzaamheden niet zou hebben verricht.

 

Art. 5.7.
-1. Ten aanzien van de persoon die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar niet verzekeringsplichtig is ingevolge de Zorgverzekeringswet, doch wel belastingplichtig is voor de inkomstenbelasting, wordt voor de bijdrageheffing bij wege van aanslag het bijdrage-inkomen naar tijdsevenredigheid afgeleid van het bijdrage-inkomen dat in aanmerking zou zijn genomen indien de verzekeringsplicht ingevolge de Zorgverzekeringswet volledig zou zijn samengevallen met de belastingplicht.
-2. In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt als bijdrage-inkomen geen hoger bedrag in aanmerking genomen dan het bijdrage-inkomen verminderd met het gedeelte daarvan waarop, ingevolge een internationale regeling inzake sociale zekerheid die tussen Nederland en één of meer andere mogendheden van kracht is, de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is of dat, bij gebreke van een internationale regeling, is onderworpen aan premieheffing krachtens een wettelijke regeling inzake ziektekosten van een andere mogendheid.

 

Art. 5.8.
Ten aanzien van degene die gedurende een deel van het kalenderjaar anders dan door overlijden niet verzekeringsplichtig is ingevolge de Zorgverzekeringswet, wordt voor de bijdrageheffing als bijdrage-inkomen in aanmerking genomen het bedrag dat naar tijdsevenredigheid is afgeleid van het bijdrage-inkomen dat op grond van artikel 43, tweede lid, van de Zorgverzekeringswet ten hoogste in aanmerking zou zijn genomen indien gedurende het gehele kalenderjaar sprake was geweest van verzekeringsplicht, tenzij toepassing van de bepalingen in de Zorgverzekeringswet of van de overige bepalingen in deze regeling tot een lager bijdrage-inkomen leidt.

 

Art. 5.9.
Indien voor de heffing van de inkomensafhankelijke bijdrage bij wege van aanslag het heffingspercentage of het bijdrage-inkomen wordt bepaald door middel van tijdsevenredige vaststelling, wordt daarbij:
a. een kalenderjaar op 360 dagen gesteld;
b. een kalendermaand op 30 dagen gesteld;
c. de dag waarop het tijdvak aanvangt als een gehele dag in aanmerking genomen;
d. de dag waarop het tijdvak eindigt niet in aanmerking genomen.

 

Art. 5.10.
-1. Het bedrag, bedoeld in artikel 43, derde lid, van de Zorgverzekeringswet, dat voor de heffing van de inkomensafhankelijke bijdrage per loontijdvak ten hoogste in aanmerking wordt genomen, wordt voor het jaar 2010 vastgesteld op:

Loontijdvak Maximumbijdrage-inkomen
Dag xx|127,16
Week xx|635,80
Vier weken x|2 543,21
Maand x|2 765,75
Kwartaal x|8 297,25
Jaar |33 189,00

-2. In afwijking van het eerste lid wordt het bedrag, bedoeld in artikel 43, derde lid, van de Zorgverzekeringswet, dat voor de heffing van de inkomensafhankelijke bijdrage per loontijdvak ten hoogste in aanmerking wordt genomen, voor werknemers als bedoeld in artikel 63, eerste lid, onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 vastgesteld op:

Loontijdvak Maximumbijdrage-inkomen
Dag xx|144,30
Week xx|721,50
Vier weken x|2 886,00
Maand x|3 126,61
Kwartaal x

-3. In afwijking van het eerste lid wordt het bedrag, bedoeld in artikel 43, derde lid, van de Zorgverzekeringswet, dat voor de heffing van de inkomensafhankelijke bijdrage per loontijdvak ten hoogste in aanmerking wordt genomen, voor werknemers als bedoeld in artikel 63, eerste lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 vastgesteld op:

Loontijdvak Maximumbijdrage-inkomen
Dag xx|135,46
Week xx|677,32
Vier weken x|2 709,30
Maand x|2 935,26
Kwartaal x

-4. De inkomensafhankelijke bijdrage die op grond van paragraaf 5.2 van de Zorgverzekeringswet is verschuldigd, wordt per loontijdvak met inachtneming van artikel 43, derde lid, van die wet berekend over het verschil tussen het bijdrage-inkomen, bedoeld in artikel 43, eerste lid, onderdeel a, van die wet, dat de werknemer in het bijdragebetalingstijdvak heeft genoten tot en met dat loontijdvak en het bijdrage-inkomen, bedoeld in artikel 43, eerste lid, onderdeel a, van die wet, dat de werknemer in dat bijdragebetalingstijdvak heeft genoten tot en met het aan dat loontijdvak voorafgaande loontijdvak.

 

Art. 5.11.
-1. De ontvangsten per bijdragejaar van de combineerde heffing van de loonbelasting, de premies voor de sociale verzekeringen en de bijdrage voor de Zorgverzekeringswet alsmede op looninkomsten betrekking hebbende naheffingsaanslagen, heffings- en invorderingsrente en boeteontvangsten worden uitgesplitst in een voor de afdracht vastgesteld verdeelpercentage per bijdragejaar.
-2. Het verdeelpercentage in het eerste lid wordt maandelijks per bijdragejaar opnieuw berekend op basis van het relatieve aandeel van de bijdragen Zorgverzekeringswet in alle ontvangen collectieve aangiften en opgelegde naheffingen.
-3. Alle ontvangen gelden over het bijdragejaar worden verdeeld op basis van het verdeelpercentage, bedoeld in het eerste lid. De mutatie ten opzichte van de vorige periode vormt het af te dragen bedrag.
-4. Eén jaar na afloop van het bijdragejaar wordt het verdeelpercentage voor het betreffende bijdragejaar definitief vastgesteld. Dit percentage wordt gehanteerd voor alle betalingen die daarna binnenkomen.

 

Art. 5.12.
-1. De ontvangsten voor de overige inkomensafhankelijke bijdragen overeenkomstig artikel 49, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet worden maandelijks vastgesteld.
-2. De onder het eerste lid genoemde ontvangsten zijn inclusief de eventuele heffings- en invorderingsrente en boeteontvangsten.

 

Art. 5.13.
-1. De inspecteur verleent vooruitlopend op een beschikking als bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet een voorschot, indien:
a.
het bedrag van de te veel betaalde bijdrage vermoedelijk ten minste |100,00 zal bedragen;
b. het bijdrage-inkomen uitsluitend bestaat uit loon uit vroegere dienstbetrekking;
c. het bijdrage-inkomen waarover inkomensafhankelijke bijdrage wordt ingehouden afkomstig is van verschillende inhoudingsplichtigen; en
d. er jegens geen van de inhoudingsplichtigen, bedoeld in onderdeel c, recht bestaat op vergoeding van de over het bijdrage-inkomen verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage als bedoeld in artikel 46, eerst lid, van de Zorgverzekeringswet.
De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op een verzoek van de verzekeringsplichtige die voldoet aan de in die volzin genoemde voorwaarden, mits het verzoek is ingediend na 30 mei doch vóór 1 december van het kalenderjaar waarop het voorschot betrekking heeft.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing met betrekking tot:
a. personen die op grond van artikel 2, tweede lid, onderdeel b, van de Zorgverzekeringswet niet verzekeringsplichtig zijn;
b. personen die vóór 1 juni van het kalenderjaar waarop het voorschot betrekking heeft, aangeven geen voorschot te willen ontvangen.
-3. De inspecteur kan het voorschot al dan niet op verzoek herzien. Een verzoek tot herziening van het voorschot kan worden ingediend tot 1 december van het kalenderjaar waarop het voorschot betrekking heeft.
-4. Indien de inspecteur een verzoek om verlening dan wel herziening van een voorschot geheel of gedeeltelijk afwijst, gebeurt dit bij voor bezwaar vatbare beschikking.
-5. Voorschotten worden verrekend met de beschikking, bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet, dan wel - voor zoveel nodig - bij een door de inspecteur te nemen voor bezwaar vatbare beschikking. Indien deze verrekening leidt tot een terug te vorderen bedrag, zijn bij de invordering hiervan de regels die gelden voor de inkomstenbelasting van overeenkomstige toepassing.
-6.
Bij de beschikking, bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet, waarbij het bedrag van de te veel betaalde bijdrage, onder verrekening van de in het eerste lid bedoelde voorschotten, wordt uitbetaald aan de verzekeringsplichtige en bij de voor bezwaar vatbare beschikking, bedoeld in het vijfde lid, waarbij het bedrag van de te veel uitgekeerde voorschotten wordt teruggevorderd, wordt enkelvoudig heffingsrente als bedoeld in hoofdstuk Va van de Algemene wet inzake rijksbelastingen berekend over het tijdvak dat aanvangt op de dag na het einde van het kalenderjaar waarop de bijdrage betrekking heeft en eindigt op de dag van de dagtekening van de beschikking.

 

 

HOOFDSTUK  6

Het College zorgverzekeringen

 

§ 1.  Vergoedingen leden Adviescommissie Pakket

 

Art. 6.1.1.
De leden van de commissie, bedoeld in artikel 59a, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet, niet zijnde bestuursleden van het
College zorgverzekeringen, ontvangen voor het bijwonen van vergaderingen per dagdeel waarin wordt vergaderd een vergoeding van |363,00.

 

Art. 6.1.2.
-1. De vergoeding, bedoeld in artikel 6.1.1 wordt, ingeval het lid gebruik maakt van een eigen vervoermiddel en zijn woonhuis is gelegen in een gemeente die meer dan tien kilometer is verwijderd van de gemeente waarin de vergadering wordt gehouden, vermeerderd met een vergoeding van €|0,27 voor elke afgelegde kilometer.
-2. De vergoeding, bedoeld in
artikel 6.1.1, wordt, ingeval het lid gebruik maakt van een openbaarvervoermiddel en zijn woonhuis is gelegen in een gemeente die meer dan tien kilometer is verwijderd van de gemeente waarin de vergadering wordt gehouden, vermeerderd met:
a. de kosten voor een retourbiljet (1e klasse) van het gebruikte openbaar vervoer;
b. de gemaakte kosten voor plaatselijk vervoer in de gemeente waarin de vergadering wordt gehouden.

 

 

§ 2.  Subsidies ten laste van het Zorgverzekeringsfonds

 

§ 2.1.  Algemene subsidiebepalingen

 

§ 2.1.1.  Begrippen en algemene bepalingen

 

Art. 6.2.1.
In hoofdstuk 6.2 ¹ wordt verstaan onder:
a. instelling: een privaatrechtelijke rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, dan wel een rechtspersoon krachtens publiekrecht ingesteld;
b. project: een activiteit met een incidenteel karakter;
c. instellingssubsidie: een subsidie aan een instelling in de kosten van haar structurele activiteiten of een gedeelte daarvan;
d. projectsubsidie: een subsidie in de kosten van een project;
e. ondersteuningssubsidie: een instellingssubsidie van ten hoogste €|11 344,51 in een gering deel van de totale kosten van het algemeen functioneren van een instelling.

1. Volgens de redactie dient "hoofdstuk 6.2" te worden vervangen door: paragraaf 2 van dit hoofdstuk.

 

Art. 6.2.2.
-1. Het College zorgverzekeringen verstrekt op grond van deze regeling subsidies voor de in dit hoofdstuk onder paragraaf 2.2 aangegeven doeleinden die ten laste komen van het Zorgverzekeringsfonds.
-2. Het aanvragen van de subsidie en de subsidievaststelling alsmede het nemen van besluiten met betrekking tot subsidies geschiedt overeenkomstig de in deze regeling gestelde regels.

 

Art. 6.2.3.
-1. Subsidie wordt slechts verstrekt, indien:
a. naar het oordeel van het College zorgverzekeringen mag worden verwacht dat de met de subsidiëring beoogde doeleinden zullen worden bereikt;
b. de aanvrager naar het oordeel van het College zorgverzekeringen de behoefte aan subsidie heeft aangetoond; en
c. de aanvrager aannemelijk heeft gemaakt dat de financiële middelen met inbegrip van subsidie voldoende zullen zijn om de voorgenomen activiteiten uit te voeren.
-2. Het eerste lid, onderdeel b en c, zijn niet van toepassing op rechtspersonen krachtens publiekrecht ingesteld.

 

 

§ 2.1.2.  Berekeningswijze instellingssubsidie

 

Art. 6.2.4.
Een instellingssubsidie bestaat uit een door het College zorgverzekeringen vast te stellen bedrag voor overeenkomstig een door het College zorgverzekeringen goedgekeurd activiteitenplan uitgevoerde activiteiten.

 

Art. 6.2.5.
-1. Het bedrag, bedoeld in artikel 6.2.4, wordt verlaagd met het bedrag waarmee het maximaal toegestane bedrag van de in artikel 6.2.23 bedoelde reservering wordt overschreden.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing op een ondersteuningssubsidie.

 

Art. 6.2.6.
Baten en lasten die door middel van interne doorberekeningen worden toegerekend, worden bepaald op bedrijfseconomische en maatschappelijk aanvaardbare grondslagen. Voor zover hierin lasten zijn begrepen van materiële vaste activa, worden deze lasten op basis van aanschaffingsprijzen van die activa berekend.

 

 

§ 2.1.3.  Berekeningswijze projectsubsidies

 

Art. 6.2.7.
Een projectsubsidie bestaat uit het verschil tussen de met de gesubsidieerde activiteiten samenhangende en met in achtneming van de ingevolge deze regeling in aanmerking komende werkelijke lasten, voor zover opgenomen in de door het College zorgverzekeringen goedgekeurde begroting, en de met de gesubsidieerde activiteiten samenhangende baten. De subsidie bedraagt niet meer dan het door het College zorgverzekeringen vastgestelde maximum.

 

 

§ 2.1.4.  Modellen en formulieren

 

Art. 6.2.8.
Het College zorgverzekeringen stelt voor de subsidies in deze regeling de volgende modellen en formulieren vast:
a. een formulier voor de aanvraag van subsidie;
b. een model voor het projectplan;
c. een model voor de begroting;
d. een model voor het activiteitenplan;
e. een model voor het activiteitenverslag;
f. een controleprotocol;
g. een model accountantsverklaring; en
h. een formulier voor de aanvraag van de vaststelling van de subsidie.

 

 

§ 2.1.5.  Aanvraag van een instellingssubsidie

 

Art. 6.2.9.
-1. De instelling die voor haar activiteiten of een gedeelte daarvan in een jaar een instellingssubsidie verlangt, dient uiterlijk dertien weken vóór de aanvang van het desbetreffende jaar een subsidieaanvraag in. De aanvraag wordt onderbouwd met een activiteitenplan en een begroting en gaat, indien de liquiditeitsbehoefte niet regelmatig gespreid is over het jaar, vergezeld van een liquiditeitsprognose.
-2. In het activiteitenplan worden de aard en de omvang van de voorgenomen activiteiten beschreven. Daarbij wordt aangegeven welke doelstelling de instelling met de activiteiten nastreeft, op welke wijze zij zullen worden uitgevoerd en voor welke doelgroep zij zijn bestemd.
-3. De begroting geeft inzicht in de baten en lasten van de activiteiten van dat jaar. De begroting is voorzien van een postgewijze toelichting. Daarbij wordt uitgegaan van het prijspeil en van het niveau van de kosten van de arbeidsvoorwaarden op het moment van indiening van de aanvraag. In geval van een privaatrechtelijke rechtspersoon bevat de begroting tevens zowel de baten en lasten van de instelling als geheel als de baten en lasten van elk te onderscheiden onderdeel van de instelling.
-4. De liquiditeitsprognose geeft gemotiveerd inzicht in het verloop van de liquiditeitsbehoefte van de activiteiten per kalenderkwartaal.
-5. Het College zorgverzekeringen kan ontheffing verlenen van de in het eerste lid genoemde aanvraagtermijn.

 

Art. 6.2.10.
-1. Bij de aanvraag van een instellingssubsidie door een privaatrechtelijke rechtspersoon worden tevens overgelegd:
a. een afschrift van de oprichtingsakte of de statuten;
b. een afschrift waaruit de inschrijving van de instelling in het geldende openbaar register blijkt;
c. een volledig overzicht van de financiële toestand van de instelling op het tijdstip van de aanvraag; en
d. indien de aanvraag is ondertekend door één of meer andere personen dan de personen die op grond van de statuten bevoegd zijn de instelling te vertegenwoordigen, een afschrift van de volmacht op grond waarvan de aanvraag door die andere persoon of personen is ondertekend.
-2. Voor zover de aanvrager voor dezelfde begrote uitgaven tevens subsidie of een andere financiële bijdrage heeft aangevraagd bij andere bestuursorganen of organisaties, doet hij daarvan mededeling in de aanvraag, onder vermelding van de stand van zaken met betrekking tot de beoordeling van die aanvraag of aanvragen.
-3. Overlegging van de in het eerste lid bedoelde afschriften kan achterwege blijven indien de aanvrager er redelijkerwijs van uit kan gaan dat deze gegevens aan het College zorgverzekeringen bekend zijn.

 

 

§ 2.1.6.  Aanvraag van een projectsubsidie

 

Art. 6.2.11.
-1. Het College zorgverzekeringen kan projectsubsidies verlenen die zich uitstrekken over meer dan één kalenderjaar.
-2. De natuurlijke persoon of rechtspersoon die subsidie voor een bepaald project verlangt, dient ten minste dertien weken vóór de aanvang van het project een aanvraag in. De aanvraag wordt onderbouwd met een projectplan en een begroting en gaat vergezeld van een liquiditeitsprognose.
-3. In het projectplan worden de aard en de omvang van de voorgenomen activiteiten beschreven. Daarbij wordt aangegeven welke doelstelling de aanvrager met de activiteiten nastreeft en op welke wijze die zullen worden uitgevoerd.
-4. De begroting geeft inzicht in de baten en lasten van het project. De begroting is voorzien van een postgewijze toelichting. Daarbij wordt uitgegaan van het prijspeil en van het niveau van de kosten van de arbeidsvoorwaarden op het moment van indiening van de aanvraag.
-5. De liquiditeitsprognose geeft gemotiveerd inzicht in het verloop van de liquiditeitsbehoefte van de activiteiten per maand. De liquiditeitsprognose kan achterwege blijven als de liquiditeitsbehoefte regelmatig gespreid is over de duur van het project.
-6. In afwijking van het tweede lid kan het College zorgverzekeringen bepalen dat aanvragen voor projecten op bepaalde terreinen vóór één of meer door hem vastgestelde data worden ingediend.
-7. Het College zorgverzekeringen kan ontheffing verlenen van de in het tweede of zesde lid bedoelde aanvraagtermijn.

 

Art. 6.2.12.
-1. Bij de aanvraag van de subsidie door een privaatrechtelijke rechtspersoon worden tevens overgelegd:
a. een afschrift van de oprichtingsakte of de statuten;
b. een afschrift waaruit de inschrijving van de instelling in het geldende openbaar register blijkt; en
c. indien de aanvraag is ondertekend door één of meer andere personen dan de personen die op grond van de statuten bevoegd zijn de instelling te vertegenwoordigen, een afschrift van de volmacht op grond waarvan de aanvraag door die andere persoon of personen is ondertekend.
-2. Voor zover de aanvrager voor dezelfde begrote uitgaven tevens subsidie of een andere financiële bijdrage heeft aangevraagd bij andere bestuursorganen, doet hij daarvan mededeling in de aanvraag, onder vermelding van de stand van zaken met betrekking tot de beoordeling van die aanvraag of aanvragen.
-3. Overlegging van in het eerste lid bedoelde afschriften kan achterwege blijven indien de aanvrager er redelijkerwijs van uit kan gaan dat deze gegevens bij het College zorgverzekeringen bekend zijn.

 

Art. 6.2.13.
-1. Het College zorgverzekeringen kan een aanvrager of een categorie aanvragers tevens verplichten tot het overleggen van een volledig overzicht van de financiële toestand van de instelling op het tijdstip van de aanvraag.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing indien een rechtspersoon krachtens publiekrecht ingesteld een projectsubsidie aanvraagt.

 

 

§ 2.1.7.  Subsidieverlening en bevoorschotting

 

Art. 6.2.14.
Het College zorgverzekeringen geeft een beschikking op een aanvraag binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag.

 

Art. 6.2.15.
-1. Nadat een subsidieaanvraag is ingediend, kan het College zorgverzekeringen voorschotten verlenen. Daarbij wordt rekening gehouden met de liquiditeitsbehoefte.
-2. Het College zorgverzekeringen verstrekt, indien de liquiditeitsbehoefte regelmatig is gespreid, de volgende voorschotten op een verleende instellingssubsidie: in januari 15%, februari 7%, maart 7%, april 7%, mei 15%, juni 7%, juli 7%, augustus 7%, september 3%, oktober 11% en november 14% van het voor het desbetreffende jaar verleende bedrag.
-3. Indien het College zorgverzekeringen voorschotten verstrekt voordat hij de beschikking tot subsidieverlening heeft gegeven, worden de percentages, bedoeld in het tweede lid, tot de datum van subsidieverlening, toegepast op het voor het voorgaande jaar verleende bedrag, in voorkomende gevallen bijgesteld overeenkomstig door het College zorgverzekeringen gegeven beschikkingen.

 

Art. 6.2.16.
-1. Bij de verlening van een subsidie kan het College zorgverzekeringen bepalen dat het subsidiebedrag door hem wordt bijgesteld, rekening houdend met de ontwikkeling van het prijspeil of de ontwikkeling in de kosten van de arbeidsvoorwaarden.
-2. Met het oog op de toepassing van het eerste lid kan het College zorgverzekeringen bij de verlening van de subsidie tevens bepalen welk deel van het subsidiebedrag in aanmerking zal worden genomen voor een bijstelling in verband met de ontwikkeling van het prijspeil, onderscheidenlijk van de kosten van de arbeidsvoorwaarden.
-3. Indien een subsidie met toepassing van het eerste lid wordt bijgesteld, kan de bevoorschotting overeenkomstig worden gewijzigd.

 

 

§ 2.1.8.  Verplichtingen van de subsidieontvanger

 

Art. 6.2.17.
De subsidieontvanger zorgt ervoor dat:
a. de doeleinden gesteld in het activiteitenplan dan wel het projectplan op doelmatige wijze worden nagestreefd;
b. de werkzaamheden op een zodanige manier worden geregeld dat een goed beleid en beheer worden gevoerd; en
c. de subsidie op doelmatige wijze wordt gebruikt voor de doeleinden waarvoor deze wordt verleend.

 

Art. 6.2.18.
De subsidieontvanger zorgt er voorts voor:
a. dat de administratie op overzichtelijke en doelmatige wijze wordt gevoerd;
b. dat de administratie een juist, volledig en actueel beeld geeft van het functioneren van de instelling; en
c. dat van alle ontvangsten en uitgaven deugdelijke bewijsstukken aanwezig zijn waaruit de aard en de omvang van de geleverde goederen of van de verrichte diensten duidelijk blijken.

 

Art. 6.2.19.
Bij instellingen die een instellingssubsidie ontvangen, is het boekjaar gelijk aan het kalenderjaar.

 

Art. 6.2.20.
-1. De subsidieontvanger doet zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het College zorgverzekeringen van omstandigheden die van belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging, intrekking of vaststelling van de subsidie.
-2. Het eerste lid is van toepassing in de situatie dat de feitelijke liquiditeitsbehoefte lager is dan de verleende voorschotten.
-3. Bij een mededeling overeenkomstig dit artikel worden de relevante stukken overgelegd.

 

Art. 6.2.21.
-1. De privaatrechtelijke rechtspersoon die een instellingssubsidie ontvangt, verzekert haar roerende en onroerende zaken op afdoende wijze tegen het risico van diefstal en brand alsmede tegen het risico van wettelijke aansprakelijkheid tegenover derden.
-2. De ontvanger van een instellingssubsidie verzekert voor vrijwilligers die werkzaamheden verrichten in het kader van de gesubsidieerde activiteiten, hun wettelijke aansprakelijkheid.
-3. Het College zorgverzekeringen kan op aanvraag ontheffing verlenen van het eerste of tweede lid.
-4. Het College zorgverzekeringen kan het eerste of tweede lid van overeenkomstige toepassing verklaren op de ontvanger van een projectsubsidie.

 

Art. 6.2.22.
De subsidieontvanger stelt na afloop van de periode of het project waarvoor subsidie is verleend een verslag vast dat inzicht geeft in de aard, duur en omvang van de in het kader van de subsidiëring verrichte activiteiten. Het verslag vergelijkt de verrichte activiteiten met de in het activiteitenplan, onderscheidenlijk projectplan, voorgenomen activiteiten.

 

Art. 6.2.23.
-1. Voor zover het bedrag van de verleende instellingssubsidie, zonder toepassing van de in artikel 6.2.5 bedoelde vermindering, na uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten overeenkomstig de geldende verplichtingen, niet is besteed aan de doeleinden waarvoor het is verstrekt, wordt het gereserveerd.
-2. Voor de berekening van het in het eerste lid bedoelde te reserveren bedrag wordt het totaal van de met de gesubsidieerde activiteiten samenhangende baten, bestaande uit de verleende instellingssubsidie en de gerealiseerde overige baten, verminderd met de lasten van de gesubsidieerde activiteiten. Deze uitkomst wordt toegerekend naar rato van de verleende instellingssubsidie en de, in de ingediende begroting opgenomen, met de gesubsidieerde activiteiten samenhangende, overige baten. Het te reserveren bedrag is het aan de instellingssubsidie toegerekende deel.
-3. Toevoegingen aan voorzieningen als bedoeld in artikel 374, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, die samenhangen met de gesubsidieerde activiteiten, worden gerekend tot de lasten van de gesubsidieerde activiteiten, bedoeld in het tweede lid.
-4. Indien in de ingediende begroting onder de met de gesubsidieerde activiteiten samenhangende baten een vrijgevallen voorziening is opgenomen, blijft deze buiten beschouwing bij de berekening van het te reserveren bedrag, bedoeld in het tweede lid.
-5. De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor de ontvanger van een ondersteuningssubsidie.
-6. De in het eerste lid bedoelde reservering wordt uitsluitend besteed aan doeleinden waarvoor de subsidie werd verstrekt.
-7. Het totaal van de in het eerste lid bedoelde reservering in enig jaar bedraagt ten hoogste 10% van het bedrag van de voor dat jaar verleende subsidie, zonder toepassing van de in artikel 6.2.15 bedoelde vermindering.
-8. Toevoeging aan de in het eerste lid bedoelde reservering kan niet plaatsvinden als de in het eerste lid bedoelde reservering reeds 10% of meer van het voor dat jaar verleende subsidie betreft.

 

Art. 6.2.24.
Op de balans worden de voorzieningen, gesplitst naar hun aard, en de reservering opgenomen. In de toelichting op de balans worden de toevoegingen en de onttrekkingen aan de voorzieningen en reservering toegelicht.

 

Art. 6.2.25.
-1. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat, behoudens schriftelijke toestemming van het College zorgverzekeringen, publicatie of het anderszins openbaar maken op grond van deze regeling gesubsidieerd onderzoek, delen of samenvattingen daarvan, niet plaatsheeft binnen drie maanden nadat deze aan het College zorgverzekeringen zijn voorgelegd.
-2. Het College zorgverzekeringen is bevoegd om onderzoek, bedoeld in het eerste lid, desgewenst te voorzien van commentaar, een- of meermalen te vermenigvuldigen of te publiceren of anderszins openbaar te maken of te doen openbaar maken, met vermelding van de bron, zonder dat hiervoor enige vergoeding is verschuldigd.
-3. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de in het eerste lid bedoelde onderzoeksgegevens op verzoek van het College zorgverzekeringen onmiddellijk en kosteloos aan het College zorgverzekeringen of aan door het College zorgverzekeringen aangewezen natuurlijke personen of rechtspersonen beschikbaar worden gesteld.
-4. Indien een gesubsidieerde activiteit leidt tot een publicatie, kan het College zorgverzekeringen bepalen dat de subsidieontvanger er zorg voor draagt dat bij de publicatie wordt aangegeven wie de uitvoerder en subsidiënt van het project zijn geweest.
-5. Indien een subsidie gericht is of mede gericht is op de totstandkoming van een werk als bedoeld in artikel 10, subonderdeel 1,¹ van de Auteurswet, draagt de subsidieontvanger er zorg voor auteursrechthebbende te zijn ter zake van dat werk.
-6. De subsidieontvanger vrijwaart de Staat der Nederlanden en het College zorgverzekeringen voor aanspraken van derden ter zake van alle schade die zij lijden tengevolge van de door of vanwege de subsidieontvanger verrichte publicaties.

1. Volgens de redactie dient "artikel 10, subonderdeel 1" te worden vervangen door: artikel 10, eerste lid, onder 1º.

 

Art. 6.2.26.
Aan de subsidie kunnen verplichtingen als bedoeld in artikel 4:39 van de Algemene wet bestuursrecht worden verbonden.

 

Art. 6.2.27.
-1. De subsidieontvanger is in de gevallen, genoemd in artikel 4:41, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, een vergoeding voor vermogensvorming verschuldigd.
-2. Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van de waarde van de goederen en andere vermogensbestanddelen op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt, met dien verstande dat in geval van ontvangst van schadevergoeding voor verlies of beschadiging van zaken wordt uitgegaan van het bedrag dat als schadevergoeding door de instelling wordt ontvangen. Indien het onroerende zaken betreft, geschiedt de waardebepaling door één of drie onafhankelijke deskundigen.
-3. Toepassing van het eerste lid blijft achterwege indien de activiteiten van de subsidieontvanger, na toestemming van het College zorgverzekeringen, door een andere rechtspersoon worden voortgezet en de activa tegen boekwaarde aan die andere rechtspersoon in eigendom zijn overgedragen.

 

Art. 6.2.28.
-1. De vergoeding die de instelling betaalt aan een organisatie die zich de ondersteuning van één of meer gesubsidieerde instellingen ten doel stelt, voor door die organisatie aan de instelling ter beschikking gestelde goederen, is niet hoger dan het bedrag dat op grond van de verkrijgingsprijs of vervaardigingsprijs verminderd met de ontvangen investeringssubsidies en bestemmingsgiften berekend wordt, rekening houdend met de geldende afschrijvingspercentages.
-2. De vergoeding die de instelling betaalt aan een organisatie die zich de ondersteuning van één of meer gesubsidieerde instellingen ten doel stelt, voor door die organisatie aan de instelling geleverde diensten, is indien het diensten betreft die in het algemeen door soortgelijke instellingen in eigen beheer worden verricht, niet hoger dan het bedrag dat gelijk is aan de kosten die de instelling zou hebben gehad bij het verrichten van de diensten in eigen beheer.
-3. De vergoeding die de instelling betaalt aan een organisatie die zich de ondersteuning van één of meer gesubsidieerde instellingen ten doel stelt, voor door die organisatie aan de instelling geleverde diensten, andere dan de in het tweede lid bedoelde diensten, is niet hoger dan het bedrag dat voor het doen verrichten van dergelijke diensten door andere organisaties gebruikelijk kan worden geacht.

 

Art. 6.2.29.
De subsidieontvanger die aan derden goederen ter beschikking stelt of voor derden diensten verricht, brengt daarvoor een vergoeding in rekening die ten minste kostendekkend is, tenzij het derden betreft voor wie de gesubsidieerde activiteiten bestemd zijn.

 

Art. 6.2.30.
-1. De subsidieontvanger verstrekt aan de door het College zorgverzekeringen aangewezen ambtenaren of andere personen op hun verzoek alle bescheiden en inlichtingen die noodzakelijk zijn voor een juiste vervulling van hun taak. De bescheiden worden op één adres getoond en de inlichtingen, op verzoek, schriftelijk verstrekt. Indien de instelling slechts kan voldoen aan deze verplichting door inbreuk te maken op het recht van enig persoon op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer, verstrekt de instelling de verlangde gegevens op zodanige wijze dat deze niet tot personen herleidbaar zijn.
-2. Ook anderszins wordt zoveel mogelijk medewerking verleend teneinde de door het College zorgverzekeringen aangewezen ambtenaren of andere personen in staat te stellen hun taak op een juiste wijze te vervullen.
-3. De subsidieontvanger werkt mee aan door of namens het College zorgverzekeringen ingestelde onderzoekingen die erop zijn gericht inlichtingen te verschaffen ten behoeve van de ontwikkeling van het beleid.
-4. De subsidieontvanger machtigt de in artikel 6.2.35 bedoelde accountant overeenkomstig het eerste tot en met het derde lid te handelen.

 

Art. 6.2.31.
Indien bij het College zorgverzekeringen het vermoeden is gerezen dat artikel 6.2.28 niet is nageleefd, spant de subsidieontvanger zich desgevraagd in de jaarrekening van de desbetreffende organisatie over te leggen.

 

 

§ 2.1.9.  De aanvraag tot subsidievaststelling

 

Art. 6.2.32.
-1. Binnen zes maanden na afloop van de periode of het project waarvoor subsidie is verleend, dient de subsidieontvanger een aanvraag in voor de subsidievaststelling.
-2. De aanvraag voor de subsidievaststelling gaat vergezeld van:
a. het verslag, bedoeld in artikel 6.2.22;
b. de subsidiedeclaratie, bedoeld in artikel 6.2.33;
c. de jaarrekening; en
d. indien de aanvraag is ondertekend door één of meer andere personen dan de personen die op grond van de statuten bevoegd zijn de instelling te vertegenwoordigen, een afschrift van de volmacht op grond waarvan de aanvraag door die andere persoon of personen is ondertekend.
-3. Een subsidiedeclaratie kan achterwege blijven indien de daarmee te verstrekken informatie reeds in de in te zenden jaarrekening is opgenomen.
-4. De jaarrekening behoeft niet te worden ingezonden indien het gaat om een projectsubsidie of een subsidie aan een rechtspersoon krachtens publiekrecht ingesteld.
-5. Het College zorgverzekeringen kan ontheffing en vrijstelling verlenen van de in het eerste lid genoemde aanvraagtermijn.

 

Art. 6.2.33.
De subsidiedeclaratie geeft een zodanig inzicht dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent de aanwending en de besteding van de subsidie door de instelling en geeft de nodige informatie om de subsidie vast te stellen. De subsidiedeclaratie sluit aan op de indeling van de bij de subsidieaanvraag ingediende begroting. Belangrijke verschillen tussen declaratie en begroting worden toegelicht. In de subsidiedeclaratie van instellingssubsidies wordt de aansluiting tussen de subsidiedeclaratie en de jaarrekening toegelicht.

 

Art. 6.2.34.
-1. De afdelingen 2 tot en met 8 van titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek zijn van overeenkomstige toepassing op de jaarrekening, met dien verstande dat de winst- en verliesrekening vervangen wordt door een exploitatierekening. Op deze rekening zijn de bepalingen omtrent de winst- en verliesrekening zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing. Bepalingen omtrent winst en verlies zijn van overeenkomstige toepassing op het exploitatiesaldo.
-2. De grondslag voor de waardering van activa en passiva is de verkrijgings- of vervaardigingsprijs verminderd met de ontvangen investeringssubsidies en bestemmingsgiften.
-3. Het College zorgverzekeringen kan bepalen dat bepalingen van de in het eerste lid bedoelde titel of onderdelen daarvan niet van toepassing zijn op bepaalde instellingen.

 

Art. 6.2.35.
-1. De jaarrekening en de subsidiedeclaratie zijn ieder afzonderlijk voorzien van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
-2. De jaarrekening of de subsidiedeclaratie gaat vergezeld van een rapportage omtrent de naleving van de subsidiebepalingen door de subsidieontvanger, opgesteld door de accountant overeenkomstig een door het College zorgverzekeringen vast te stellen protocol.
-3. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de accountant meewerkt aan door of namens het College zorgverzekeringen in te stellen onderzoeken naar de door de accountant verrichte werkzaamheden. Voor de aan dit onderzoek verbonden kosten wordt geen subsidie verstrekt.

 

 

§ 2.1.10.  De vaststelling van de subsidie

 

Art. 6.2.36.1.
Binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag, bedoeld in artikel 6.2.32, geeft het College zorgverzekeringen een beschikking tot vaststelling van de subsidie.

 

Art. 6.2.36.2.
Indien het College zorgverzekeringen bij de vaststelling van de subsidie rekening houdt met de ontwikkeling van het prijspeil of met de ontwikkeling in de kosten van de arbeidsvoorwaarden, en het bedrag aan subsidies dat alsdan op grond van een subsidieparagraaf vastgesteld zou worden het in die paragraaf genoemde subsidieplafond voor het desbetreffende jaar zou overschrijden, wordt dat plafond verhoogd met het verschil tussen het totaal door het College zorgverzekeringen op grond van die paragraaf aan subsidies vast te stellen bedrag en dat plafond.

 

 

§ 2.2.  Specifieke subsidies

 

§ 2.2.1.  Weesgeneesmiddelen extramuraal

Vervallen

 

Art. 6.2.37.1. Vervallen.

 

Art. 6.2.37.2. Vervallen.

 

Art. 6.2.37.3. Vervallen.

 

Art. 6.2.37.4. Vervallen.

 

Art. 6.2.37.5. Vervallen.

 

 

§ 2.2.2.  Agalsidase

Vervallen

 

Art. 6.2.38.1. Vervallen.

 

Art. 6.2.38.2. Vervallen.

 

Art. 6.2.38.3. Vervallen.

 

Art. 6.2.38.4. Vervallen.

 

Art. 6.2.38.5. Vervallen.

 

Art. 6.2.38.6. Vervallen.

 

 

§ 2.2.3.  Subsidiëring gezondheidscentra

Vervallen

 

Art. 6.2.39.1. Vervallen.

 

Art. 6.2.39.2. Vervallen.

 

Art. 6.2.39.3. Vervallen.

 

Art. 6.2.39.4. Vervallen.

 

Art. 6.2.39.5. Vervallen.

 

Art. 6.2.39.6. Vervallen.

 

Art. 6.2.39.7. Vervallen.

 

Art. 6.2.39.8. Vervallen.

 

Art. 6.2.39.9. Vervallen.

 

Art. 6.2.39.10. Vervallen.

 

Art. 6.2.39.11. Vervallen.

 

Art. 6.2.39.12. Vervallen.

 

Art. 6.2.39.13. Vervallen.

 

Art. 6.2.39.14. Vervallen.

 

 

§ 2.2.3a.  Beëindiging subsidiëring gezondheidscentra

Vervallen

 

Art. 6.2.39a.1. Vervallen.

 

Art. 6.2.39a.2. Vervallen.

 

Art. 6.2.39a.3. Vervallen.

 

Art. 6.2.39a.4. Vervallen.

 

Art. 6.2.39a.5. Vervallen.

 

 

§ 2.2.4.  Subsidiëring zwaarder gestructureerde samenwerkingsverbanden

Vervallen

 

Art. 6.2.40.1. Vervallen.

 

Art. 6.2.40.2. Vervallen.

 

Art. 6.2.40.3. Vervallen.

 

Art. 6.2.40.4. Vervallen.

 

Art. 6.2.40.5. Vervallen.

 

Art. 6.2.40.6. Vervallen.

 

Art. 6.2.40.7. Vervallen.

 

 

§ 2.2.4a.  Beëindiging subsidiëring zwaarder gesubsidieerde samenwerkingsverbanden

Vervallen

 

Art. 6.2.40a.1. Vervallen.

 

Art. 6.2.40a.2. Vervallen.

 

 

§ 2.2.5.  Subsidiëring samenwerkingsverbanden Vinex-locaties 2007-2008

Vervallen

 

Art. 6.2.41.1. Vervallen.

 

Art. 6.2.41.2. Vervallen.

 

Art. 6.2.41.3. Vervallen.

 

Art. 6.2.41.4. Vervallen.

 

Art. 6.2.41.5. Vervallen.

 

Art. 6.2.41.6. Vervallen.

 

Art. 6.2.41.7. Vervallen.

 

Art. 6.2.41.8. Vervallen.

 

Art. 6.2.41.9. Vervallen.

 

Art. 6.2.41.10. Vervallen.

 

 

§ 3.  Bijdrage van verdragsgerechtigden

 

Art. 6.3.1.
-1. De voor een persoon, bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet, verschuldigde bijdrage wordt berekend door de grondslag van de bijdrage te vermenigvuldigen met het getal dat wordt berekend uit de verhouding tussen de gemiddelde uitgaven voor zorg voor een persoon ten laste van de sociale zorgverzekering in het woonland van deze persoon en de gemiddelde uitgaven voor zorg voor een persoon ten laste van de sociale zorgverzekeringen in Nederland.
-2. De grondslag van de bijdrage is gelijk aan de som van:
a. een inkomensafhankelijke bijdrage, berekend overeenkomstig paragraaf 5.2 van de Zorgverzekeringswet;
b. een inkomensafhankelijke bijdrage, berekend overeenkomstig de op grond van de Wet financiering sociale verzekeringen verschuldigde premie voor de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en verminderd met het bedrag waarop de partner van degene die de bijdrage verschuldigd is volgens de artikelen 8.9 en 8.9a van de Wet inkomstenbelasting 2001 recht zou hebben indien degene die de bijdrage verschuldigd is verzekerd zou zijn ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, voor zover op grond van deze bepalingen geen teruggave in de inkomstenbelasting is verleend; en
c. vanaf de eerste dag van de kalendermaand volgende op de kalendermaand waarin deze persoon de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, een bijdrage per maand overeenkomende met een twaalfde van het bedrag van de geraamde gemiddelde premie voor een verzekerde voor een zorgverzekering in het berekeningsjaar, bedoeld in
artikel 4 van de Wet op de zorgtoeslag (hierna: nominale deel).
Voor de toepassing van deze bepaling wordt onder een partner verstaan een partner in de zin van artikel 1.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
-3. De peildatum voor de vaststelling van het in het eerste lid genoemde woonland is telkens de eerste dag van de kalendermaand volgende op de kalendermaand waarin een wijziging van het woonland heeft plaatsgevonden.
-4. Artikel 46 van de Zorgverzekeringswet is op de bijdrageplichtige persoon, bedoeld in het eerste lid, van overeenkomstige toepassing, waarbij de in onderdeel a van het tweede lid bedoelde bijdrage als inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 41 van de Zorgverzekeringswet, wordt beschouwd.
-5. Voor de toepassing van de Wet op de zorgtoeslag wordt het in het tweede lid bedoelde nominale deel als premie voor een zorgverzekering beschouwd.
-6. Het bedrag van de in artikel 69, derde lid, van de Zorgverzekeringswet bedoelde boete wordt gebaseerd op het in het tweede lid bedoelde nominale deel en vermenigvuldigd met het in het eerste lid genoemde verhoudingsgetal.
-7. De inkomensgegevens, benodigd voor de berekening van de in het tweede lid bedoelde grondslag, worden ontleend aan het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 8, eerste tot en met tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.
-8. Indien het in artikel 8, tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen bedoelde, niet in Nederland belastbaar inkomen niet is vastgesteld op grond van artikel 8a van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, wordt het door de rijksbelastingdienst vastgesteld met overeenkomstige toepassing van dat artikel.
-9. Ter zake van de opgaaf van niet in Nederland belastbaar inkomen is de Algemene wet inzake rijksbelastingen, met uitzondering van hoofdstuk VIIIa, van toepassing als ware deze opgaaf een aangifte inkomstenbelasting.
-10. Het in het eerste lid genoemde verhoudingsgetal wordt per land vastgesteld en met een toelichting over de wijze van berekening jaarlijks uiterlijk in november in de Staatscourant gepubliceerd.

 

Art. 6.3.2.
-1. Organen die pensioen of rente uitkeren, verrichten de hen door het College zorgverzekeringen opgedragen werkzaamheden ter voorbereiding en uitvoering van de heffings- en inningsbeschikkingen, bedoeld in artikel 69, vierde lid, van de Zorgverzekeringswet.
-2. De werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, houden ten minste in dat deze organen, nadat zij daartoe door het College zorgverzekeringen van de benodigde gegevens zijn voorzien, bijdragen die bijdrageplichtige personen en hun gezinsleden verschuldigd zijn op het pensioen of de rente van die bijdrageplichtigen inhouden en aan het Zorgverzekeringsfonds afdragen.
-3. Het College zorgverzekeringen kan een orgaan opdragen een bijdrage op het pensioen of de rente in te houden en af te dragen, zolang het niet beschikt over de gegevens, bedoeld in het tweede lid. In dat geval berekent het orgaan de bijdrage uitgaande van de bij hem bekende gegevens over de samenstelling van het gezin van de bijdrageplichtige.
-4. Indien een bijdrageplichtige recht heeft op meer dan één pensioen of rente, wordt het in
artikel 6.3.1, tweede lid, bedoelde nominale deel van de bijdrage ingehouden op het pensioen dat of de rente die het eerst is toegekend. Indien dit pensioen of deze rente daartoe niet toereikend is, kan het College zorgverzekeringen hetzelfde of een ander orgaan opdragen het restant op een ander pensioen of een andere rente in te houden.
-5. Voor de toepassing van het tweede lid wordt een toeslag, waaronder begrepen een toeslag als bedoeld in de
Toeslagenwet, een toelage of enige aanvulling, onder welke benaming ook, op de uitkering, die door het orgaan in het algemeen met dezelfde regelmaat en gelijktijdig met de uitkering betaalbaar wordt gesteld, als onderdeel van het pensioen of van de rente aangemerkt.
-6. Onder de in het eerste lid bedoelde organen worden mede verstaan werkgevers aan wie op grond van
artikel 40 van de Wet financiering sociale verzekeringen toestemming is verleend het risico te dragen van de betalingen, bedoeld in artikel 40, eerste lid, van die wet.

 

Art. 6.3.3.
-1. Het verschil tussen de door de bijdrageplichtige en zijn gezinsleden verschuldigde bijdragen en de ingehouden en afgedragen of anderszins geïnde bijdragen wordt, met inachtneming van het zevende tot en met het negende lid van
artikel 6.3.1 en het tweede lid van dit artikel, door het College zorgverzekeringen vastgesteld en verrekend, geïnd of uitgekeerd. Uitkering vindt plaats aan de bijdrageplichtige dan wel, indien artikel 6.3.4 van toepassing is, aan de verzekeringsplichtige.
-2. De in artikel 6.3.1, eerste lid, bedoelde persoon die aanspraak maakt op één of meer van de in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 vermelde heffingskortingen niet zijnde de algemene heffingskorting, de jonggehandicaptenkorting, de ouderenkorting of de alleenstaande ouderenkorting, kan het College zorgverzekeringen verzoeken daar bij de vaststelling van het verschil, bedoeld in het eerste lid, rekening mee te houden.
-3. Indien slechts een bijdrage als bedoeld in artikel 6.3.1, tweede lid, onderdeel c, verschuldigd is, stelt het College zorgverzekeringen het in het eerste lid bedoelde verschil vast vóór 1 april van het jaar volgend op het kalenderjaar waarop de bijdrage betrekking heeft. In andere gevallen stelt het College het verschil vóór 30 september van het jaar volgend op kalenderjaar waarop de bijdrage betrekking heeft voorlopig vast en stelt het het verschil uiterlijk zes maanden na het tijdstip waarop zowel de aanslag inkomstenbelasting als de beschikking niet in Nederland belastbaar inkomen onherroepelijk zijn geworden, definitief vast.
-4. Bij de vaststelling van het in het eerste lid bedoelde verschil brengt het College zorgverzekeringen enkelvoudige wettelijke rente in rekening over te weinig geheven of geïnde bijdrage dan wel vergoedt het wettelijke rente in geval van te veel geheven of geïnde bijdrage, over het tijdvak dat aanvangt op de dag na het einde van het kalenderjaar waarop de bijdrage betrekking heeft en eindigt op de dag van de dagtekening van de vaststelling door het College zorgverzekeringen.
-5. Het College zorgverzekeringen is bevoegd het te restitueren bedrag, indien dit minder bedraagt dan €|25,00, te verrekenen met een in de toekomst gelegen verschuldigde bijdrage.

 

Art. 6.3.4.
De voor een gezinslid van een verzekeringsplichtige verschuldigde bijdrage, bedoeld in artikel 6.3.1, wordt door het College zorgverzekeringen geheven en geïnd bij de verzekeringsplichtige.

 

Art. 6.3.5. Vervallen.

 

Art. 6.3.6.
Voor de berekening van het in artikel 6.3.1 bedoelde nominale deel van de bijdrage die de in artikel 6.3.2, tweede lid, bedoelde rechthebbende op een pensioen of rente verschuldigd is, worden wijzigingen met betrekking tot de aan zijn aanspraak op zorg verbonden gezinsleden welke in de loop van een kalendermaand doch na de eerste dag van de kalendermaand plaatsvinden, eerst in aanmerking genomen vanaf de eerste dag van de daaropvolgende kalendermaand.

 

Art. 6.3.7.
Voor de toepassing van artikel 96 van de Zorgverzekeringswet wordt met het tijdstip van aanmelding bij het College zorgverzekeringen gelijkgesteld de datum waarop de kennisgeving aan het College zorgverzekeringen van de aanmelding van de rechthebbende op pensioen of rente bij het orgaan van de woonplaats van de rechthebbende door dat orgaan is ondertekend.

 

 

§ 4.  Spaarrekening gemoedsbezwaarden

 

Art, 6.4.1.
-1. Voor het bepalen van het saldo van de rekening als bedoeld in artikel 70, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet gaat het
College zorgverzekeringen uit van de bijdragevervangende belasting die de belastingdienst op grond van de Wet inkomstenbelasting 2001 vaststelt.
-2. Zolang de bijdragevervangende belasting nog niet is vastgesteld, bepaalt het College zorgverzekeringen het saldo van de rekening op grond van de gegevens zoals die op dat moment beschikbaar zijn in de polisadministratie van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Het College zorgverzekeringen kan de gemoedsbezwaarde verzoeken om originele loon- en salarisstroken of anderszins over te leggen waaruit de inhouding van bijdragevervangende belasting tot dat moment blijkt.
-3. Een vaststelling als bedoeld in het eerste lid die afwijkt van het door het College zorgverzekeringen bepaalde saldo van de rekening voor dat jaar wordt verrekend met het saldo van de rekening in het daaropvolgende jaar. Een verrekening heeft alleen gevolgen voor het saldo van de rekening in het jaar waarin die verrekening plaatsvindt.
-4. Uitkeringen ter vergoeding van kosten van zorg of overige diensten als bedoeld in artikel 11 van de Zorgverzekeringswet doet het College zorgverzekeringen uitsluitend op basis van originele nota’s. Voor de hoogte van de uitkering is het saldo van de rekening, bedoeld in artikel 70, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet, bepalend.
-5. Verzoeken tot het doen van uitkeringen ter vergoeding van kosten van zorg of overige diensten als bedoeld in artikel 11 van de Zorgverzekeringswet moeten zijn gedaan uiterlijk binnen twee kalenderjaren volgend op het kalenderjaar waarin de zorg is aangevangen.
-6. Een uitkering wordt, met inachtneming van het vierde en vijfde lid, in mindering gebracht op het saldo van de rekening van het jaar waarin het verzoek wordt ingediend.

 

Art. 6.4.2.
Een gemoedsbezwaarde die een gezamenlijke huishouding met één of meer andere gemoedsbezwaarden verlaat, kan het
College zorgverzekeringen verzoeken een evenredig gedeelte van het saldo van de in artikel 70, tweede lid, van de Zorgverzekeringswet bedoelde rekening over te maken op een voor hem te openen rekening als bedoeld in artikel 70, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet.

 

 

§ 5.  De bestuursrechtelijke premie

 

Art. 6.5.1.
-1. Het deel van de bestuursrechtelijke premie, bedoeld in artikel 18d van de Zorgverzekeringswet, dat op een uitkering of inkomensvoorziening als bedoeld in de Algemene Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet, de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria, de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Toeslagenwet, de Wet werk en bijstand, de Wet werk en inkomen kunstenaars, op een vervolguitkering van de WGA-uitkering als bedoeld in de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of op een vervolguitkering als bedoeld in de Werkloosheidswet zoals deze wet luidde op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van de Wet van 19 december 2003 tot wijziging van de Werkloosheidswet in verband met afschaffing van de vervolguitkering (Stb. 2003, 546) wordt ingehouden, bedraagt maximaal 100% van de standaardpremie, bedoeld in de Wet op de zorgtoeslag.
-2. Bij samenloop over eenzelfde tijdvak van bestuursrechtelijke premieheffing met één of meer van de navolgende, ingevolge de socialezekerheidswetgeving voorgeschreven inhoudingen of verrekeningen gaat de bestuursrechtelijke premieheffing voor:
a. door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, de Sociale verzekeringsbank, genoemd in hoofdstuk 6 van die wet, of door een college van burgemeester en wethouders verrichte inhouding of verrekening van een door één van deze instanties in het kader van een door die instantie uitgevoerde socialezekerheidswet opgelegde bestuurlijke boete;
b. inhoudingen of verrekeningen als bedoeld in artikel 24, tweede juncto eerste lid, van de Wet inburgering.

 

Art. 6.5.2.
-1. Het College zorgverzekeringen houdt de bestuursrechtelijke premie of het deel van de bestuursrechtelijke premie dat niet reeds op een andere manier geïnd is, in op de zorgtoeslag waarop artikel 18e, zesde lid, van de Zorgverzekeringswet toepassing heeft gevonden en keert het restant aan de verzekeringnemer uit.
-2. Het eerste lid blijft buiten toepassing ten aanzien van een verzekeringnemer die aan inkomsten als bedoeld in artikel 18e, tweede lid, van de Zorgverzekeringswet louter één of meer uitkeringen als bedoeld in artikel 6.5.1, eerste lid, ontvangt.

 

Art. 6.5.3.
Indien na beëindiging van de verschuldigdheid van de bestuursrechtelijke premie ter zake van die premie een restschuld bestaat, maakt het College zorgverzekeringen voor de inning daarvan geen gebruik meer van de instrumenten, bedoeld in de artikel 18e, tweede of zesde lid, van de Zorgverzekeringswet.

 

Art. 6.5.4.
-1. Het College zorgverzekeringen kent de zorgverzekeraar voor iedere zorgverzekering ter zake waarvan hij aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 34a, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet heeft voldaan een wanbetalersbijdrage toe.
-2. De bijdrage wordt toegekend over de periode waarover ter zake van de zorgverzekering bestuursrechtelijke premie verschuldigd is.
-3. In aanvulling op het tweede lid wordt de bijdrage tevens toegekend over de periode waarover ten aanzien van een zorgverzekering de bestuursrechtelijke premie niet verschuldigd was omdat de melding, bedoeld in artikel 18c, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet ten gevolge van de toepasselijkheid van het tweede lid, onderdeel b, c of d, van dat artikel nog niet kon worden gedaan.
-4. De bijdrage bedraagt per maand de tot een maandbedrag herleide standaardpremie, bedoeld in de Wet op de zorgtoeslag.
-5. Het College zorgverzekeringen verstrekt de zorgverzekeraar over de periode, bedoeld in het tweede lid, een voorschot op de bijdrage.
-6. Uiterlijk in april van het tweede jaar volgende op het kalenderjaar ter zake waarvan de bijdragen, bedoeld in de vorige leden, zijn toegekend, stelt het College zorgverzekeringen per zorgverzekeraar het totaalbedrag aan over dat jaar te verstrekken bijdragen vast.
-7. Het totaalbedrag aan te verstrekken bijdrage is gelijk aan de som van de over het kalenderjaar bevoorschotte bijdragen vermeerderd met de som van de bijdragen die de zorgverzekeraar ingevolge het derde lid zijn toegekend en verminderd met de som van de bijdragen die zijn toegekend voor zorgverzekeringen ter zake waarvan naar het oordeel van de Nederlandse Zorgautoriteit niet de voorwaarden, bedoeld in artikel 34a, tweede lid, van de Zorgverzekeringswet, in acht zijn genomen en met ingevolge het derde lid toegekende bijdragen voor zover naar het oordeel van die autoriteit de daar bedoelde vertraging in de aanmelding in overwegende mate aan de zorgverzekeraar te wijten is.
-8. Het College zorgverzekeringen is bevoegd verschillen tussen het bedrag aan vastgestelde bijdragen en toegekende bijdragen te verrekenen met over een later jaar te bevoorschotten bijdragen als bedoeld in dit artikel.

 

Art. 6.5.5.
Indien ten aanzien van een zorgverzekering, rente en incassokosten buiten beschouwing latend, op de datum van inwerkingtreding van deze wet ¹ reeds een achterstand in de betaling van de verschuldigde premie ter hoogte van zes of meer maandpremies is ontstaan, is de zorgverzekeraar bevoegd deze schuld, zonder dat dit gevolgen heeft voor zijn bijdragen voor het onverminderd verzekerd houden van de desbetreffende verzekerde, kwijt te schelden, mits:
a. hij voldaan heeft aan artikel 18a van de Zorgverzekeringswet in verbinding met artikel IX, eerste en tweede lid, van de Wet van 18 juli 2009 tot wijziging van de Zorgverzekeringswet, de Wet op de zorgtoeslag en enige andere wetten, houdende maatregelen om ook wanbetalers voor hun zorgverzekering te laten betalen (structurele maatregelen wanbetalers zorgverzekering); en
b. door tussenkomst van een schuldhulpverlener als bedoeld in artikel 48 van de Wet op het consumentenkrediet een schuldregeling tot stand is gekomen waarin, naast de verzekeringnemer, ten minste de zorgverzekeraar deelneemt; en
c. voor de zorgverzekering gedurende ten minste twee jaren te rekenen vanaf de datum waarop de schuldregeling is ingegaan, naast nieuw vervallende premietermijnen een bij de regeling afgesproken deel van de reeds bestaande schuld is afbetaald.

1. Volgens de redactie dient "deze wet" te worden vervangen door: de Wet van 18 juli 2009 tot wijziging van de Zorgverzekeringswet, de Wet op de zorgtoeslag en enige andere wetten, houdende maatregelen om ook wanbetalers voor hun zorgverzekering te laten betalen (structurele maatregelen wanbetalers zorgverzekering).

 

 

HOOFDSTUK  7

Verwerking persoonsgegevens

 

Art. 7.1.
-1. Als persoonsgegevens, waaronder persoonsgegevens betreffende de gezondheid als bedoeld in de Wet bescherming persoonsgegevens, die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de zorgverzekering of van de Zorgverzekeringswet worden aangemerkt de in artikel 7.2 bedoelde persoonsgegevens.
-2. Een zorgverzekeraar mag de in het eerste lid bedoelde gegevens gebruiken voor het verrichten van formele controle dan wel materiële controle ten behoeve van:
a. de gehele of gedeeltelijke betaling aan een zorgaanbieder;
b. de gehele of gedeeltelijke vergoeding aan een verzekerde van het in rekening gebrachte tarief voor aan een verzekerde geleverde prestatie;
c. de vaststelling van de eigen bijdragen van een verzekerde;
d. de vaststelling van een verplicht of vrijwillig eigen risico van een verzekerde; en
e. het verrichten van fraudeonderzoek.
-3. Een zorgverzekeraar mag de in het eerste lid bedoelde gegevens gebruiken voor het uitoefenen van verhaalsrecht.

 

Art. 7.2.
De zorgverzekeraar beschikt ten behoeve van de in het voorgaande artikel aangegeven doelen en van de uitvoering van artikel 7.4a, over de volgende gegevens van de verzekerde:
a. naam, adres, postcode en woonplaats;
b. polisnummer, burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, sociaal-fiscaal nummer, geslacht en geboortedatum;
c. de prestatiebeschrijving van de aan de verzekerde geleverde prestatie;
d. wanneer de prestatie is geleverd;
e. het voor de geleverde prestatie in rekening gebrachte tarief;
f. de gegevens die op grond van een declaratieregeling moeten worden verstrekt;
g. de gegevens die noodzakelijk zijn om vast te stellen of de prestatie behoort tot het verzekerde pakket van die verzekerde; en
h. het bank- of girorekeningnummer;
i. overige gegevens die noodzakelijk zijn voor het verrichten van materiële controle dan wel fraudeonderzoek.

 

Art. 7.3.
-1. De zorgaanbieder is verplicht de in artikel 7.2, onderdeel a tot en met g, bedoelde gegevens te verstrekken aan:
a. de zorgverzekeraar, of een door die zorgverzekeraar daartoe aangewezen persoon, indien die zorgaanbieder het tarief voor de geleverde prestatie krachtens een door hem met de zorgverzekeraar gesloten overeenkomst rechtstreeks bij die zorgverzekeraar in rekening brengt;
b. de verzekerde indien de zorgaanbieder het tarief voor de geleverde prestatie bij de verzekerde in rekening brengt.
-2. De zorgaanbieder is verplicht de in artikel 7.2, onderdeel i, bedoelde gegevens desgevraagd te verstrekken aan de zorgverzekeraar of aan een door die zorgverzekeraar daartoe aangewezen persoon.
-3. Voor de door de zorgverzekeraar of de bewerker aangewezen persoon gelden dezelfde wettelijke voorschriften inzake de geheimhouding van de verwerkte gegevens als voor de zorgverzekeraar of de bewerker die hem heeft aangewezen

 

Art. 7.4.
-1. De zorgverzekeraar verricht materiële controle op de wijze zoals bepaald in de artikelen 7.5 tot en met 7.9.
-2. De zorgaanbieder is verplicht zijn medewerking te verlenen aan de overeenkomstig het eerste lid uitgevoerde materiële controle.
-3. De zorgverzekeraar verricht fraudeonderzoek op de wijze zoals bepaald in artikel 7.10.
-4. De zorgaanbieder is verplicht zijn medewerking te verlenen aan overeenkomstig het derde lid uitgevoerd fraudeonderzoek.

 

Art. 7.4a.
De zorgverzekeraar verstrekt aan het Centraal Administratiekantoor vóór 1 oktober van het jaar waarin een uitkering als bedoeld in artikel 118a van de Zorgverzekeringswet wordt verstrekt, van zijn verzekerden of gewezen verzekerden die in dat jaar de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt of nog zullen bereiken en die in de twee kalenderjaren voorafgaande aan dat jaar in een FKG als bedoeld in artikel 8.3 zijn ingedeeld, de volgende persoonsgegevens:
a. het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaal nummer;
b. het bank- of girorekeningnummer.

 

Art. 7.5.
-1. De zorgverzekeraar stelt voorafgaand aan de uitvoering van materiële controle het doel ervan vast door te bepalen wanneer voldoende zekerheid is verkregen dat de door de zorgaanbieder in rekening gebrachte prestatie is geleverd of die geleverde prestatie het meest was aangewezen gezien de gezondheidstoestand van de verzekerde. Bij de vaststelling neemt de zorgverzekeraar het bij of krachtens de Wet marktordening gezondheidszorg door de Nederlandse Zorgautoriteit bepaalde met betrekking tot het uitvoeren van controles in acht.
-2. De vaststelling door de zorgverzekeraar wanneer voldoende zekerheid is verkregen dat de geleverde prestatie het meest was aangewezen gezien de gezondheidstoestand van de verzekerde, geschiedt met inachtneming van het bepaalde in artikel 2.1 van het Besluit zorgverzekering en zodanig dat voor verzekerden en zorgaanbieders zoveel mogelijk inzichtelijk is welke maatstaven daarbij gelden.
-3. De zorgverzekeraar mag verzekerden met gebruikmaking van persoonsgegevens waarover hij in verband met de uitvoering van de zorgverzekering reeds beschikt enquêteformulieren zenden om onderzoek te doen:
1º. of de in rekening gebrachte zorg daadwerkelijk is verleend; en
2º. naar de door die verzekerden ervaren kwaliteit van de verzekerde zorg die een zorgaanbieder verleent of heeft verleend.
-4. Bij de verzending van enquêteformulieren als bedoeld in het derde lid informeert de zorgverzekeraar de verzekerde erover dat hij niet verplicht is tot beantwoording van de gestelde vragen en dat onthouden van medewerking op geen enkele wijze tot zijn nadeel zal strekken.
-5. De zorgverzekeraar draagt er zorg voor dat terugontvangen enquêteformulieren als bedoeld in het derde lid, onder 2º, niet herleidbaar zijn tot personen en dat niet herleidbaar is welke verzekerden geen formulier hebben teruggestuurd.

 

Art. 7.6.
-1. De zorgverzekeraar voert een algemene risicoanalyse uit op basis van gegevens waarover deze in verband met de uitvoering van de zorgverzekering beschikt.
-2. De zorgverzekeraar stelt op basis van de in het eerste lid uitgevoerde algemene risicoanalyse een algemeen controleplan vast, waarin de objecten van materiële controle en de in te zetten controle-instrumenten zijn opgenomen.
-3. Het naar aanleiding van de algemene risicoanalyse opgestelde algemene controleplan voorziet niet in de inzet van het controle-instrument detailcontrole.
-4. Indien uit het uitgevoerde algemene controleplan blijkt dat het controledoel, bedoeld in artikel 7.5, eerste lid, is bereikt, kan alleen detailcontrole worden uitgevoerd als er van een ander dan de zorgverzekeraar afkomstige of uit de uitgevoerde controle voortvloeiende aanwijzingen zijn waaruit blijkt dat er sprake is van onvoldoende zekerheid.

 

Art. 7.7.
De zorgverzekeraar maakt informatie openbaar over het ingevolge artikel 7.5 vastgestelde controledoel en het ingevolge artikel 7.6 vastgestelde algemene controleplan op een zodanige wijze dat die informatie voor verzekerden en zorgaanbieders gemakkelijk verkrijgbaar is.

 

Art. 7.8.
-1. De zorgverzekeraar voert geen detailcontrole uit dan nadat is voldaan aan de volgende voorwaarden:
a. de zorgverzekeraar heeft een specifieke risicoanalyse verricht op de bevindingen uit het uitgevoerde algemene controleplan, bedoeld in artikel 7.6, tweede lid;
b. de zorgverzekeraar heeft naar aanleiding van de specifieke risicoanalyse een specifiek controleplan en specifiek controledoel opgesteld, waarin de objecten van materiële controle en de methoden van detailcontrole zijn opgenomen;
c. het overeenkomstig onderdeel b vastgestelde specifieke doel van de materiële controle kan zonder detailcontrole niet worden bereikt;
d. uit het specifieke controleplan blijkt dat de detailcontrole niet verdergaat dan gelet op het met het onderzoeksdoel en de omstandigheden van het te onderzoeken geval noodzakelijk is;
e. de zorgverzekeraar heeft de zorgaanbieder voorafgaand aan de uitvoering van de detailcontrole toereikende - en op verzoek van de zorgaanbieder schriftelijke - informatie verstrekt waarin wordt gemotiveerd hoe is voldaan aan de in dit lid genoemde voorwaarden.
-2. Indien bij de uitvoering van detailcontrole persoonsgegevens van verzekerden worden verwerkt, geschiedt dit onder verantwoordelijkheid van een medisch adviseur in opdracht van de zorgverzekeraar en is deze op voorafgaand verzoek van de zorgaanbieder aanwezig bij dit deel van de controle.
-3. In afwijking van het eerste lid kan de zorgverzekeraar met betrekking tot een individuele verzekerde detailcontrole uitvoeren zonder dat de in dat lid genoemde voorwaarden van toepassing zijn, indien deze verzekerde ten behoeve van de materiële controle schriftelijk toestemming aan de zorgaanbieder heeft gegeven voor verstrekking van persoonsgegevens betreffende diens gezondheid aan de zorgverzekeraar. De zorgverzekeraar verwerkt bij de detailcontrole niet meer gegevens dan gelet op het onderzoeksdoel en de omstandigheden van het geval noodzakelijk is.
-4. De zorgverzekeraar informeert de zorgaanbieder over de zakelijke inhoud van de voorgenomen uitkomsten van de detailcontrole en stelt de zorgaanbieder in de gelegenheid daarop binnen een redelijke termijn te reageren. De zorgverzekeraar betrekt de reactie van de zorgaanbieder bij de vaststelling van de definitieve uitkomsten van de detailcontrole en bericht deze uitkomsten aan de zorgaanbieder.

 

Art. 7.9.
-1. De zorgverzekeraar legt de specifieke risicoanalyse en de uitvoering van detailcontroles in zijn administratie vast om toetsing door en verantwoording aan toezichthouders mogelijk te maken. Daarbij worden niet meer persoonsgegevens, waaronder persoonsgegevens betreffende de gezondheid, verwerkt dan voor dit doel noodzakelijk is.
-2. De zorgverzekeraar bewaart na detailcontroles de daarbij verwerkte persoonsgegevens van verzekerden niet langer dan noodzakelijk is voor het doel waarvoor zij zijn verkregen.

 

Art. 7.10.
-1. Bij fraudeonderzoek zijn de voorwaarden, bedoeld in artikel 7.8, eerste lid, onderdeel b en d, van overeenkomstige toepassing en is de in onderdeel e bedoelde voorwaarde van overeenkomstige toepassing voor zover het onderzoeksbelang of het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken verzekerde zich daar niet tegen verzet.
-2. In afwijking van het eerste lid kan de zorgverzekeraar met betrekking tot een individuele verzekerde detailcontrole uitvoeren zonder dat de in dat lid genoemde voorwaarden van toepassing zijn, indien deze verzekerde ten behoeve van het fraudeonderzoek schriftelijk toestemming heeft gegeven voor verstrekking van persoonsgegevens betreffende diens gezondheid aan de zorgverzekeraar. De zorgverzekeraar verwerkt bij de detailcontrole niet meer gegevens dan gelet op het onderzoeksdoel en de omstandigheden van het geval noodzakelijk is.

 

Art. 7.11.
De zorgverzekeraar verwerkt de persoonsgegevens, bedoeld in artikel 87, eerste en tweede lid, van de wet slechts verder voor de uitvoering van de zorgverzekering en de aanvullende ziektekostenverzekering indien en voor zover dit noodzakelijk is voor de doelen omschreven in artikel 7.1 van deze regeling.

 

 

HOOFDSTUK  7A

Gegevens die de zorgaanbieder moet verstrekken aan het College voor zorgverzekeringen indien hij in aanmerking wenst te komen voor een bijdrage in de kosten in verband met het verlenen van medisch noodzakelijke zorg aan bepaalde groepen vreemdelingen

 

Art. 7a.1.
-1. De gegevens als bedoeld in artikel 122a, elfde lid, van Zorgverzekeringswet, bestaan uit:
a. de prestatiebeschrijving van de aan de vreemdeling geleverde prestatie;
b. het voor de geleverde prestatie in rekening gebrachte tarief;
c. de in verband met het voor die prestatie in rekening gebrachte tarief ontvangen betalingen of vergoedingen van de vreemdeling, zijn verzekeraar of derden;
d. de leeftijd, de nationaliteit, de initialen en het geslacht van de vreemdeling.
-2. Bij de gegevens, bedoeld in het eerste lid, wordt vermeld wanneer de prestatie is geleverd.

 

 

HOOFDSTUK  8

Overige en slotbepalingen

 

Art. 8.1.
Indien de verzekerde op het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling in het bezit is van een hoortoestel als bedoeld in artikel 2.14, eerste lid, onderdeel a, wordt dit toestel voor de toepassing van artikel 2.14, derde tot en met het zesde lid, beschouwd als te zijn verstrekt op grond van deze regeling.

 

Art. 8.2.
-1. Ter zake van het verlenen van zorg of diensten in ziekenhuizen en medisch-specialistische zorg anders dan in ziekenhuizen is artikel 118, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet van toepassing.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing op instellingen waarin een enkelvoudige onderzoeks- of behandelfunctie wordt uitgeoefend, klinische revalidatie-instellingen, centra voor epileptici, brandwondencentra en astmacentra.

 

Art. 8.3.
-1. Als FKG’s als bedoeld in artikel 3a.1 van het Besluit zorgverzekering worden aangewezen de FKG’s, genoemd in tabel B4.2 van
bijlage 4, zoals deze luidde in het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de uitkering, bedoeld in artikel 118a, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet, betrekking heeft, met uitzondering van de FKG "Hoog cholesterol".
-2. Als DKG’s als bedoeld in artikel 3a.1 van het Besluit zorgverzekering worden aangewezen de DKG’s, genoemd in tabel B4.3 van
bijlage 4 zoals deze luidde in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de uitkering, bedoeld in artikel 118a, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet betrekking heeft.

 

Art. 8.4.
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2006, met uitzondering van de artikelen 2.2 en 2.3, die in werking treden met ingang van 1 januari 2007.

 

Art. 8.5.
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling zorgverzekering.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

 

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
J.F. Hoogervorst
.

 

 

BIJLAGEN bij de Regeling zorgverzekering

 

 

 

TOELICHTING
[1 september 2005, Stcrt. 2005, 171]

 

Algemeen

 

     In deze regeling zijn nadere regels gesteld ter uitvoering van de Zorgverzekeringswet (Zvw) en het Besluit zorgverzekering. Zoals ook in de nota van toelichting bij het Besluit zorgverzekering is aangegeven, is ervoor gekozen alle nadere regelgeving voor de Zvw in één besluit en één regeling neer te leggen. De opbouw van deze regeling is overeenkomstig de opbouw van de Zvw en die van het Besluit zorgverzekering.
     In hoofdstuk 1 zijn de definitiebepalingen opgenomen. In hoofdstuk 2 zijn de nadere regels met betrekking tot de prestaties geregeld en in hoofdstuk 3 de nadere regels met betrekking tot de verevening. In de hoofdstuk 4 zullen nadere bepalingen opgenomen worden omtrent het Zorgverzekeringsfonds. De regels in hoofdstuk 5 betreffen de inkomensafhankelijke bijdrage, terwijl hoofdstuk 6 handelt over het College zorgverzekeringen en het College toezicht. De regels aangaande gegevensverstrekking worden opgenomen in hoofdstuk 7. Hoofdstuk 8 bevat de overgangs- en slotbepalingen.
     De Regeling zorgverzekering zoals die met ingang van 1 januari 2006 van kracht wordt, is met de onderhavige regeling niet compleet. Daartoe zal de regeling nog vóór 1 januari 2006 één of meer keren met nog openstaande bepalingen worden aangevuld. Ook bijlage 1 zal nog worden toegevoegd. Wel is er al voor gekozen om in de aanhef van de onderhavige regeling de volledige delegatiebasis te vermelden.
     Evenals dat in het kader van het Besluit zorgverzekering het geval was, zal een aantal van de in de Zvw neergelegde mogelijkheden tot nadere regelgeving eerst worden ingevuld indien mocht blijken dat daaraan behoefte bestaat.
     Zoals blijkt uit de aanhef, geschiedt vaststelling van de regeling in overeenstemming met de Minister van Financiën en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Het betreft een aantal artikelen in hoofdstuk 4 en 5.


Verevening

     Voorts zijn in deze regeling de voor het jaar 2006 voor alle zorgverzekeraars tezamen ten laste van het Zorgverzekeringsfonds beschikbare middelen voor de kosten van prestaties ingevolge de Zvw vastgesteld. De vaststelling van de beschikbare middelen is gebaseerd op artikel 32, vierde lid, onderdeel a, van de Zvw. Vergoedingen uit het Zorgverzekeringsfonds die niet samenhangen met prestaties, zoals subsidies, en betalingen uit het Zorgverzekeringsfonds buiten zorgverzekeraars om, zoals voor gemoedsbezwaarden en bepaalde groepen verzekerden die in het buitenland verkeren, vallen buiten deze regeling.
     De omvang van de beschikbare middelen is afgeleid uit het macroprestatiebedrag. Derhalve wordt in de onderhavige regeling zowel het bedrag van de beschikbare middelen als het macroprestatiebedrag vastgesteld. Het macroprestatiebedrag wordt in 2006 verdeeld in drie macrodeelbedragen:
- het macrodeelbedrag variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp;
- het macrodeelbedrag vaste kosten van ziekenhuisverpleging;
- het macrodeelbedrag kosten van overige prestaties. 
     Op grond van artikel 4.3 van het Besluit zorgverzekering is pas in 2007 sprake van een macrodeelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg.
     De verdeling van de drie macrodeelbedragen vindt plaats op basis van de criteria, genoemd in het Besluit zorgverzekering, waarbij in deze regeling nader wordt ingegaan op de invulling van de criteria in klassen en de bijbehorende gewichten, alsmede op ex-postcompensatiemechanismen die bij de herberekeningen van de bijdragen aan zorgverzekeraars in 2006 worden toegepast. Verder wordt ingegaan op de aanvullingen op de bijdrage aan zorgverzekeraars, genoemd in paragraaf 1.5 van hoofdstuk 3 van het Besluit zorgverzekering.


Administratieve lasten

     Met betrekking tot de bepalingen over de prestaties en de eigen bijdrage in paragraaf 1 van hoofdstuk 2 zijn de gevolgen voor de administratieve lasten afdoende beschreven in de nota van toelichting bij het Besluit zorgverzekering. Hieraan is dus niets toe te voegen.
     De bepalingen in de paragrafen 2 en 3 van hoofdstuk 2, die betrekking hebben op het geneesmiddelenvergoedingssysteem (GVS), komen overeen met de bepalingen in het Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering over dit onderwerp. Deze leiden dus niet tot nieuwe administratieve lasten.
     Het risicovereveningssysteem in de Zorgverzekeringswet is vergelijkbaar met het verdeelmodel voor de verstrekkingenbudgettering in de Ziekenfondswet (Zfw). De ervaringen die zijn opgedaan in meer dan tien jaar budgettering in de ziekenfondsverzekering hebben aangetoond dat het ontwikkelde verdeelmodel in staat is om min of meer gelijke verzekeringsrisico’s te bewerkstelligen. In hoofdstuk 3, artikelen 3.1 tot en met 3.14, van deze regeling is de precieze vormgeving van het risicovereveningssysteem 2006 beschreven.


Gegevensstromen Ziekenfondswet

     In de Zfw is voorgeschreven dat ziekenfondsen informatie verstrekken over hun verzekerden aan het College zorgverzekeringen. Het College zorgverzekeringen kende op basis van deze gegevens een vereveningsbijdrage toe aan ziekenfondsen. Dit gebeurde voorafgaande aan het uitkeringsjaar. Vervolgens leverden zorgverzekeraars opnieuw gegevens na afloop van het uitkeringsjaar voor de herberekening en de definitieve vaststelling van de vereveningsbijdrage. De informatieverplichting was vastgelegd in de regeling waarin de verstrekkingenbudgettering Zfw werd geregeld en in beleidsregels van het College zorgverzekeringen.
     De informatiebehoefte van het College zorgverzekeringen voorafgaande aan het uitkeringsjaar betrof gegevens over het aantal verzekerden, uitgesplitst naar leeftijd, geslacht, regio en verzekeringsgrond, en gegevens over het farmaciegebruik en ziekenhuisverpleging op verzekerdenniveau.
     De informatiebehoefte van het College zorgverzekeringen na het uitkeringsjaar betrof gegevens over het werkelijke aantal verzekerden, uitgesplitst naar leeftijd, geslacht, regio en verzekeringsgrond, over de werkelijke uitgaven van ziekenfondsen, uitgesplitst naar vaste en variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten overige verstrekkingen, en gegevens over het farmaciegebruik en ziekenhuisverpleging op verzekerdenniveau.
     Onder de Zfw verzochten ziekenfondsen aan de Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) om informatie over de arbeidsverhouding van de verzekerden op grond waarvan zij ziekenfondsverzekerd zijn. Deze verplichting was opgenomen in artikel 4a, derde lid, van het Inschrijvingsbesluit ziekenfondsverzekering.


Gegevensstromen Zorgverzekeringswet

     Onder de Zorgverzekeringswet (Zvw) blijft de informatieverplichting nagenoeg gelijk (ervan uitgaande dat verzekeraars diagnose-behandelingcombinaties (DBC’s) op het laagste aggregatieniveau ontvangen van zorgaanbieders). De gegevensstromen op grond van artikel 35 van de Zvw zijn weergegeven in hoofdstuk 3 (artikel 3.15) van deze regeling. Alleen worden de aantallen verzekerden naar verzekeringsgrond in de Zvw niet meer opgevraagd bij de zorgverzekeraars, maar rechtstreeks door het College zorgverzekeringen bij het UWV. Onder de Zvw is de arbeidsverhouding voor de verzekering niet meer van belang. Iedereen is verzekerd volgens de Zvw. Dit betekent dat de informatiestroom op basis van bovengenoemd artikel van het Inschrijvingsbesluit ziekenfondsverzekering tussen zorgverzekeraar en het UWV komt te vervallen. Dit leidt tot een vermindering van de administratieve lasten van €|4,1 miljoen.


Verbreding verzekerdenpopulatie

     Vanaf 2006 heeft de risicoverevening betrekking op de gehele Nederlandse bevolking. Dit betekent dat de informatiebepalingen in deze regeling niet alleen betrekking hebben op de voormalige ziekenfondsen en ziekenfondsverzekerden, maar ook op voormalig publiekrechtelijke en particuliere verzekeraars en verzekerden. Met deze uitbreiding van het aantal verzekerden en verzekeraars is bij de bepaling van de administratieve lasten van de Zvw reeds rekening gehouden. De bepalingen in de ministeriële regeling zijn verder slechts een nadere uitwerking van de Zvw en het Besluit zorgverzekering en brengen geen verandering aan in de administratieve lasten voor het bedrijfsleven, behoudens bovenstaande vermindering van de administratieve lasten van €|4,1 miljoen voor bedrijven.

 

 

Artikelsgewijs

 

Artikel 1, tweede lid [Stcrt. 2005, 203, red.]

     In het tweede lid van artikel 1 is aangegeven dat de Nederlandse Antillen en Aruba in deze regeling ook als mogendheid worden aangemerkt. Dit houdt verband met een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 september 1989, AAW/WAO 1985, B 264 (RSV 1990, nr. 103). In deze uitspraak oordeelde de Raad dat, gelet op het feit dat blijkens het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden de Nederlandse Antillen (in 1985 nog Aruba omvattend) en Nederland deel uitmaken van één koninkrijk, alsmede gelet op de wijze waarop blijkens het statuut binnen het koninkrijk de onderlinge betrekkingen tussen de beide landen en hun beider buitenlandse betrekkingen geregeld zijn, niet gezegd kan worden dat vanuit Nederland de Nederlandse Antillen als een andere mogendheid gezien kunnen worden. Om voor de toepassing van de onderhavige regeling een minder gunstige behandeling van de Nederlandse Antillen en Aruba te voorkomen, worden deze landen van het koninkrijk als een mogendheid aangemerkt.

 

Hoofdstuk 2. Bepalingen omtrent de prestaties


     In dit hoofdstuk staan de bepalingen omtrent de prestaties en eigen bijdragen. Ook bevat dit hoofdstuk bepalingen die betrekking hebben op het GVS. In dit hoofdstuk is de volgorde van het Besluit zorgverzekering gevolgd. Voor de overzichtelijkheid is ervoor gekozen om de bepalingen die betrekking hebben op de indeling van geneesmiddelen in groepen van onderling vervangbare geneesmiddelen, de berekening van de vergoedingslimiet en de berekening van de eigen bijdrage, in een aparte paragraaf te zetten (paragraaf 2). Dit geldt ook voor de aanvraagprocedure voor registratiehouders. Die staat in paragraaf 3.
     Artikel 2.1 is gebaseerd op artikel 2.4, tweede lid, van het Besluit zorgverzekering.
     De artikelen 2.2 en 2.3 zijn gebaseerd op artikel 2.4, derde lid, van het Besluit zorgverzekering.
     Artikel 2.4 is gebaseerd op artikel 2.7, zesde lid, van het Besluit zorgverzekering.
     Artikel 2.5 is gebaseerd op 2.8, eerste en tweede lid, van het Besluit zorgverzekering.
     De artikelen 2.6 tot en met 2.36 zijn gebaseerd op artikel 2.9 van het Besluit zorgverzekering.
     Artikel 2.37 is gebaseerd op artikel 2.12, tweede lid, van het Besluit zorgverzekering.
     Artikel 2.38 is gebaseerd op de artikelen 2.14, tweede lid, en 2.16 van het Besluit zorgverzekering.
     De artikelen 2.39 tot en met 2.48 en 2.50 zijn gebaseerd op artikel 2.8, vijfde lid, van het Besluit zorgverzekering.
     Artikel 2.49 is gebaseerd op artikel 2.8, zesde lid, van het Besluit zorgverzekering.
     Omwille van de leesbaarheid is in de toelichting op de artikelen uitgegaan van de keuze voor zorg in natura. Daar waar staat verstrekking van die zorg, of recht of aanspraak op zorg en dergelijke, wordt ook bedoeld de situatie dat er sprake is van restitutie.

 

§ 1. De prestaties en eigen bijdragen


§ 1.1. Geneeskundige zorg


Artikel 2.1

     Dit artikel regelt de uitsluiting op grond van artikel 2.4, tweede lid, van het Besluit zorgverzekering van zorg zoals medisch specialisten die plegen te bieden. Het gaat om de uitsluitingen zoals die met ingang van 1 januari 2005 geregeld waren in artikel 2, tweede lid, en artikel 5 van de Regeling medisch-specialistische zorg Ziekenfondswet.

 

Artikel 2.2

     Dit artikel treedt pas per 1 januari 2007 in werking. In dit artikel is de eigen bijdrage voor psychotherapie geregeld zoals die tot die datum op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) geregeld is. De bedragen die in deze bepaling staan, zijn de bedragen zoals die in 2006 voor de AWBZ (in artikel 7 van de Bijdrageregeling zorg) zullen worden vastgesteld. Met ingang van 1 januari 2007 wordt deze zorg naar de prestaties van de Zvw overgeheveld. De bedragen zullen nog per die datum worden geïndexeerd.
     In het tweede lid is, net als bij de AWBZ, geregeld dat de verzekerde de bijdrage niet verschuldigd is indien hij reeds de hoge intramurale AWBZ-bijdrage verschuldigd is.

 

Artikel 2.3

     Met ingang van 1 januari 2007 worden de prestaties van de Zvw uitgebreid met acht zittingen eerstelijnspsychologie. Voor deze zorg geldt op grond van deze bepaling, die ook pas per 1 januari 2007 van kracht wordt, een eigen bijdrage van €|10,- per zitting. Dit is het bedrag zoals dat per 1 januari 2007 geldt.

 

§ 1.2. Mondzorg


Artikel 2.4

     In deze bepaling zijn de eigen bijdragen voor mondzorg geregeld. Het gaat om dezelfde eigen bijdragen als bij de ziekenfondsverzekering.
     Het eerste lid regelt de eigen bijdragen voor de bijzondere tandheelkunde. Voor de verzekerde van 18 jaar of ouder die zijn aanspraak ingevolge artikel 2.7, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit zorgverzekering, onderscheidenlijk de extreem angstige verzekerde van 18 jaar of ouder die zijn aanspraak ingevolge artikel 2.7, eerste lid, onderdeel b, van dat besluit tot gelding brengt, is geregeld dat voor preventief onderzoek, incidenteel consult, extractie, parodontale hulp, endodontische hulp, restauratie van gebitselementen met plastische materialen en uitneembare prothetische voorzieningen een bijdrage verschuldigd is ter grootte van het bedrag dat ten hoogste in rekening mag worden gebracht indien zodanige prestaties niet in het kader van bijzondere tandheelkunde (derhalve slechts tegen het reguliere tandheelkundige tarief) zouden worden geleverd.
     Het tweede lid regelt de eigen bijdrage voor de volledige gebitsprothese die in het kader van de bijzondere tandheelkunde wordt geleverd, waaronder de volledige gebitsprothese die geplaatst wordt op tandheelkundige implantaten.
     Het derde lid regelt de eigen bijdrage voor de "gewone" volledige gebitsprothese. Net als in de ziekenfondsverzekering gold, is een eigen bijdrage geregeld van 25% van de kosten van de voorziening.

 

§ 1.3. Farmaceutische zorg


Artikel 2.5


Eerste lid

     Het eerste lid regelt dat de aangewezen geregistreerde middelen staan vermeld in bijlage 1 van deze regeling. Net als bij de ziekenfondsverzekering bestaat deze bijlage uit een onderdeel A waarop de geneesmiddelen met een vergoedingslimiet staan en uit een onderdeel B met middelen zonder vergoedingslimiet.
     Met ingang van 19 december 2003 was voor de ziekenfondsverzekering geregeld dat de zorgverzekeraar het pakket kan beperken tot de door hem aangewezen middelen onder de voorwaarde dat hij van elke werkzame stof ten minste één middel aanwijst. In het Besluit zorgverzekering is geregeld dat de zorgverzekeraar middelen aanwijst uit de bij ministeriële regeling aangewezen middelen. Ook daarbij geldt dat hij van elke werkzame stof ten minste één middel aanwijst. Verder geldt ook de uitzondering dat de verzekerde recht heeft op een ander bij ministeriële regeling aangewezen middel indien het door de zorgverzekeraar aangewezen middel voor de verzekerde medisch niet verantwoord is. Het gaat daarbij dus wel om een hoge uitzondering.
     Net als bij de ziekenfondsverzekering, worden niet alle geregistreerde geneesmiddelen bij ministeriële regeling aangewezen. De volgende geneesmiddelen worden niet aangewezen.
1. Homeopathische farmaceutische producten.
2. De zogenoemde zelfzorggeneesmiddelen en de niet-zelfzorggeneesmiddelen met eenzelfde werkzaam bestanddeel en in eenzelfde toedieningsvorm. Zelfzorggeneesmiddelen zijn middelen die zonder recept mogen worden afgeleverd. Een uitzondering op deze uitsluiting vormen laxantia, kalktabletten, middelen bij allergie, middelen tegen diarree en maagledigingsmiddelen. Recht op deze middelen bestaat alleen indien de verzekerde langer dan zes maanden op deze middelen is aangewezen, het middel voor hem strekt tot behandeling van een chronische aandoening en er geen sprake is van een nieuwe medicatie voor die persoon. Deze voorwaarden staan in bijlage 2 van deze regeling.
3. De geneesmiddelen die niet tot de essentiële zorg behoren en per 1 april 1996 uit het ziekenfondspakket zijn verwijderd (Ministeriële Regeling van 23 februari 1996, VMP/VA-96550, tot wijziging van de Regeling farmaceutische hulp 1996 in verband met beperking van de aanspraak op geneesmiddelen, Stcrt. 1996, 46). Dit is geschied op basis van de criteria die door de voorganger van het College zorgverzekeringen, de Ziekenfondsraad, zijn ontwikkeld (rapport van 28 september 1995, uitgave Ziekenfondsraad 1995, nr. 680). Hierna wordt steeds gesproken van College zorgverzekeringen, ook al gaat het tot 1 juli 1999 nog om de Ziekenfondsraad.
     De ontwikkelde criteria kunnen zowel toegepast worden op het bestaande pakket als dienen voor een oordeel over de toelating van nieuwe geneesmiddelen. De criteria van het College zorgverzekeringen zijn een hanteerbare en toepasbare uitwerking van de voorstellen die de Commissie criteria geneesmiddelenkeuze op 29 april 1994 in haar rapport "Verdeling door verdunning" (ISBN 90-74262-02-3) heeft gedaan. De criteria zijn: noodzaak van medische interventie, werkzaamheid, effectiviteit, therapeutische waarde, doelmatigheid en eigen rekening en verantwoording. In zijn rapport van 23 november 1995 (uitgave Ziekenfondsraad 1995, nr. 691b) heeft het College zorgverzekeringen de criteria therapeutische waarde en doelmatigheid verder uitgewerkt, wat relevant is voor de onder punt 4 bedoelde middelen.
4. Geneesmiddelen waarvoor geen vergoedingslimiet op grond van paragraaf 2 van dit hoofdstuk is vast te stellen, tenzij de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in verband met de therapeutische waarde en de doelmatigheid van het geneesmiddel van oordeel is dat het belang van de volksgezondheid vergt dat verzekerden toegang hebben tot dat middel.
     Dit criterium is met ingang van 1 juli 1999 in de ziekenfondsverzekering ingevoerd. In de nota van toelichting bij het Koninklijk Besluit van 15 februari 1999 tot wijziging van het Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering in verband met wijziging van bepalingen die de aanspraak op farmaceutische zorg regelen (Stb. 1999, 109) is op de achtergronden hiervan ingegaan. Ook zijn uitvoerig de criteria die onder punt 3 zijn aangegeven in die toelichting toegelicht.
     Het criterium behelst dat nieuwe geneesmiddelen die onderling vervangbaar zijn met geneesmiddelen die al in het pakket zitten zonder meer opgenomen kunnen worden in het pakket. Immers deze middelen zijn vergelijkbaar met geneesmiddelen waarvan de noodzaak van medische interventie, werkzaamheid, effectiviteit en therapeutische waarde vaststaan. Voorts is kostenbeheersing gegarandeerd omdat voor die nieuwe geneesmiddelen vergoedingslimieten worden vastgesteld.
     Met betrekking tot nieuwe geneesmiddelen die niet zijn in te delen in een groep van onderling vervangbare geneesmiddelen zal eerst de noodzaak van medische interventie, werkzaamheid, effectiviteit en therapeutische waarde worden vastgesteld. Vervolgens zal bezien moeten worden of er sprake is van therapeutische gelijk- of meerwaarde en of de toepassing van het nieuwe geneesmiddel doelmatig is. Doelmatigheid wordt beoordeeld op basis van gegevens uit farmaco-economisch onderzoek. Het College zorgverzekeringen heeft desgevraagd richtlijnen voor het farmaco-economisch onderzoek opgesteld (rapport richtlijnen voor farmacotherapeutisch onderzoek van 25 maart 1999, CURE/99 15001).
     In de periode van 1 juli 1999 tot 1 januari 2005 was het indienen van een farmaco-economisch dossier door de registratiehouder nog niet verplicht. Tot een niet-verplichte periode was besloten omdat registratiehouders in staat moesten worden gesteld het farmaco-economisch onderzoek te gaan uitvoeren zoals in de richtlijnen is aangegeven. Sinds 1 januari 2005 moet de registratiehouder bij zijn aanvraag om een geneesmiddel op
bijlage 1, onderdeel B, te plaatsen een farmaco-economisch dossier voegen, wil zijn aanvraag in behandeling genomen worden. Vanaf die datum staat dan ook op het formulier, bedoeld in artikel 2.50, tweede lid, van deze regeling dat het resultaat van het farmaco-economisch onderzoek moeten worden overgelegd bij een dergelijke aanvraag. Bij de beoordeling van de doelmatigheid zullen tevens de gevolgen voor de rijksbegroting relevant zijn.


Tweede lid

     Het tweede lid is de basis voor bijlage 2, waarin, net als bij de ziekenfondsverzekering, indicatievoorwaarden voor bepaalde categorieën van geneesmiddelen staan waaraan de verzekerde moet voldoen, wil recht bestaan op dat middel voor rekening van de zorgverzekering.
     In bijlage 2 van de Regeling farmaceutische hulp 1996 was bij verschillende groepen geneesmiddelen op voorstel van het College zorgverzekeringen de voorwaarde gesteld dat de verzekerde een algemeen aanvaarde medische indicatie moet hebben. Deze voorwaarde heeft eigenlijk geen toegevoegde waarde, want deze geldt in het algemeen voor de zorg die voorheen in het ziekenfondspakket zat en thans in het Zvw-pakket. Bedoeld werd echter de specifieke invulling die het College zorgverzekeringen geeft in zijn Farmacotherapeutisch Kompas aan de indicatie bij deze groepen van geneesmiddelen. Er is voor gekozen om deze invulling (zie de onderdelen 41 en 42) thans op
bijlage 2 zelf te zetten.


Derde lid

     Het derde lid geeft de basis voor het stellen van indicatievoorwaarden in bijlage 2 voor polymere, oligomere, monomere en modulaire dieetpreparaten. Deze voorwaarden staan in onderdeel 1 van deze bijlage en zijn iets anders geformuleerd dan voorheen, zodat ze beter aansluiten op hetgeen het College zorgverzekeringen voorstelde in zijn rapport van 23 mei 1996 (uitgave Ziekenfondsraad, nr. 712).

 

§ 1.4. Hulpmiddelenzorg


Artikel 2.6


Eerste lid, algemeen

     In het eerste lid van deze bepaling zijn, op grond van artikel 2.9 van het Besluit zorgverzekering, de soorten hulpmiddelen aangewezen die onder de te verzekeren Zvw-prestaties vallen.
     Omdat bij de Zvw uitgangspunt is dat de doelmatigheid een aangelegenheid van de zorgverzekeraar is, wordt bij de hulpmiddelenzorg aan de zorgverzekeraars ruimte geboden om decentraal in een klantgerichte benadering te komen tot een transparante en controleerbare invulling van adequate zorg. Om te komen tot een transparante invulling is het aan de zorgverzekeraars om de uiteindelijk te verstrekken hulpmiddelenzorg het eindresultaat te laten zijn van een geprotocolleerde vertaling van een diagnose en indicatie in concrete voorzieningen. Inadequate uitkomsten van een dergelijke vertaling kunnen worden aangepakt door kritische beschouwing en verbetering van de doelmatigheid van het verstrekkingenproces.
     Het uitgangspunt bij de verstrekking van hulpmiddelen is dat zorgverzekeraars een hulpmiddel gebruiksklaar afleveren. Immers, artikel 2.9 van het Besluit zorgverzekering bepaalt dat het gaat om functionerende hulpmiddelen. Een hulpmiddel is gebruiksklaar als het werkt en de verzekerde weet hoe hij met het hulpmiddel moet omgaan. Dit betekent dat de gebruikersinstructie onderdeel is van het hulpmiddel.
     Artikel 2, eerste lid, aanhef, van de Regeling hulpmiddelen 1996 regelde nog expliciet dat "te allen tijde aanspraak moet bestaan op een adequaat hulpmiddel". Dat het recht op een hulpmiddel een goed functionerend en bij de beperking van de verzekerde passend (dus adequaat) hulpmiddel moet betreffen, spreekt echter voor zich. Dit houdt ook in dat, net als bij de Regeling hulpmiddelen 1996, een hulpmiddel vervangen of gewijzigd kan worden. Mocht een hulpmiddel niet meer goed of onvoldoende functioneren, dan is er immers geen sprake meer van een adequaat functionerend hulpmiddel en dient dit hulpmiddel in voorkomende gevallen hersteld of vervangen te worden. Ook kan een reservehulpmiddel aangewezen zijn. De keuze tot vervanging dan wel reparatie van een hulpmiddel is afhankelijk van de doelmatigheidsafweging van de zorgverzekeraar. In sommige gevallen zal het voordeliger zijn een hulpmiddel te laten repareren, in andere gevallen juist weer niet.
     Ook onderdeel van de doelmatigheidsafweging van een zorgverzekeraar is de keuze recht te geven op een hulpmiddel in eigendom dan wel in bruikleen. Een aantal hulpmiddelen leent zich zowel voor eigendom als voor bruikleen. In artikel 2, derde lid, van de Regeling hulpmiddelen 1996 was deze keuzemogelijkheid expliciet neergelegd. In deze regeling keert die bepaling niet terug. Dat betekent niet dat een zorgverzekeraar deze keuzemogelijkheid niet meer heeft. Op grond van doelmatigheidsafwegingen kan een zorgverzekeraar ervoor kiezen recht te geven op een hulpmiddel in eigendom dan wel juist in bruikleen. Bruikleen heeft het voordeel dat de zorgverzekeraar een hulpmiddel kan terugvorderen indien een verzekerde er geen gebruik (meer) van maakt.
     De hulpmiddelenzorg omvat in principe niet de vergoeding van energiekosten zoals gebruik van elektriciteit, batterijen en oplaadapparatuur. Het middel wordt echter wel gebruiksklaar afgeleverd met inbegrip van eventuele batterijen of oplaadapparatuur. Indien energiekosten bij bepaalde hulpmiddelen wel voor vergoeding in aanmerking komen, is dit uitdrukkelijk vermeld.
     Aan de lijst van soorten van hulpmiddelen zoals die in artikel 2 van de Regeling hulpmiddelen 1996 vermeld stonden, zijn nog de volgende hulpmiddelen toegevoegd:
- de hulp- en blindengeleidehonden die tot 1 januari 2006 ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten werden gesubsidieerd;
- hulpmiddelen ter compensatie van onvoldoende arm-, hand-, en vingerfunctie, waarmee de "robotmanipulator", die tot 1 januari 2006 uit de Algemene Kas werd gesubsidieerd, in het Zvw-pakket is opgenomen;
- zelfmeetapparatuur voor bloedstollingtijden; thuisdialyseapparatuur.

     De zelfmeetapparatuur voor bloedstollingtijden was onder de ziekenfondsverzekering geregeld als onderdeel van de verstrekking "hulpverlening door trombosediensten". De thuisdialyseapparatuur was geregeld als onderdeel van de verstrekking niet-klinische hemodialyse ziekenfondsverzekering. Daaronder viel ook buikspoeling thuis. Besloten is de apparatuur die bij deze zorg nodig is apart onder de hulpmiddelenzorg te regelen. De zorg die nodig is voor het zelf meten van bloedstollingstijden en voor thuisdialyse, maakt onderdeel uit van de geneeskundige zorg, bedoeld in artikel 2.4 van het Besluit zorgverzekering. De zorgverzekeraar kan ervoor kiezen om als voorheen te regelen dat de zorg, inclusief de apparatuur, geleverd wordt door dialysecentra onderscheidenlijk de trombosediensten. Hij kan dat ook anders gaan doen als dat hij dat bijvoorbeeld doelmatiger vindt.
     Voor een dergelijke regeling is niet gekozen indien er sprake is van mechanische beademing van een verzekerde thuis. Het gaat hier om zorg en apparatuur zoals die voorheen geregeld waren in de verstrekking chronische intermitterende beademing. De reden hiervoor is dat mechanische beademing dusdanig specialistisch is dat de daarvoor benodigde apparatuur niet kan worden losgekoppeld van de daarbij behorende zorg, die in Nederland slechts wordt geleverd door twee beademingscentra.

 

Eerste lid, onderdeel m

     De voorwaarden voor de elastische kousen zijn in termen van verloren gegane lichaamsfuncties omschreven. Door deze omschrijving kunnen aantrekhulpmiddelen, uittrekhulpmiddelen en hulpmiddelen die zowel voor het aan als voor het uittrekken kunnen worden gebruikt, worden verstrekt of vergoed.
     Onderdeel m spreekt van langdurig compenseren van functieverlies. Dit om onderscheid te maken tussen hulpmiddelen die tijdelijk worden ingezet als onderdeel van de medische behandeling en zodoende behoren tot de aanspraak op die behandeling (bijvoorbeeld de therapeutische elastische kousen in verband met de nabehandeling van het verwijderen van spataderen). Aangezien er bovendien sprake moet zijn van een functieverlies van de aderen, bestaat geen aanspraak op steunkousen (klasse 1).


Eerste lid, onderdeel v

     De longvibrator wordt toegepast bij chronische longpatiënten bij wie het bronchiale slijm regelmatig moet worden verwijderd. Deze voorziening vervangt in de daarvoor in aanmerking komende gevallen de anders noodzakelijke tapotage.


Eerste lid, onderdeel w

     De vernevelaar is voornamelijk aangewezen bij kinderen lijdende aan mucoviscidosis met longbeschadiging.


Eerste lid, onderdeel x

     De beeldschermloep is een hulpmiddel voor die slechtzienden die slechts door gebruik van dit toestel in staat zijn te lezen. Het apparaat kan pas worden verstrekt indien de verzekerde niet in staat is met een eenvoudiger hulpmiddel te lezen en met de bediening van het apparaat vertrouwd is.


Eerste lid, onderdeel y

     De uitwendige elektrostimulator tegen chronische pijn geeft in een aantal gevallen een aanzienlijke verlichting van overigens onbehandelbare pijn. Daar niet te voorspellen is of de toepassing van dit apparaat in een individueel geval effect heeft, dient het apparaat pas te worden verstrekt indien het apparaat gedurende een proefperiode resultaat oplevert.
     De aanspraak omvat ook het toebehoren, zoals elektroden en elektrodepasta, maar niet de vervangende batterijen. Kabels, fixatiemiddelen en draagtas zijn eveneens onder het toebehoren begrepen.


Tweede lid

     In het tweede lid zijn de verbandmiddelen aangewezen. In de ziekenfondsverzekering waren deze nog geregeld als onderdeel van de farmaceutische hulp.

 

Artikel 2.7

     Bij sommige hulpmiddelen is een leeftijd relevant. Het eerste lid regelt dat dan de leeftijd van de verzekerde op het moment waarop hij zich wendt tot een aanbieder relevant is.
     Het tweede lid regelt dat het in bruikleen geven tevens vergoeding van kosten van vervoer van het hulpmiddel naar en van de woning van de verzekerde, het regelmatige technische onderhoud ervan evenals de voor het gebruik, ontsmetting en reiniging van de apparatuur benodigde chemicaliën omvat.

 

Artikel 2.8


Onderdeel a

     Onderdeel a betreft zowel conventionele, niet-bekrachtigde prothesen als prothesen in een bekrachtigde uitvoering.
     Bij bekrachtigde prothesen bestond de krachtbron tot voor kort uit koolzuurgas, afkomstig uit al of niet draagbare cilinders. Op dit gebied is echter sprake van een nieuwe ontwikkeling. De meest voorkomende bekrachtigde prothese is nu de myo-elektrische handprothese. De krachtbron bestaat hierbij uit elektriciteit, afkomstig uit oplaadbare accu’s. Voor het in- en uitschakelen worden actiepotentialen van één of meer spieren gebruikt. Het grote voordeel van deze prothese is dat deze gedeeltelijk de grijpfunctie van de normale hand kan nabootsen. Hierdoor worden allerlei handelingen weer mogelijk, die ook in sociaal opzicht van groot belang zijn. De gehandicapte met een myo-elektrische handprothese kan op vrijwel normale wijze eet- en drinkgerei hanteren.
     Het gaat om de volgende typen prothesen:
a. de noodprothese;
b. de definitieve of functionele prothese;
c. de sierprothese.

     Daarnaast bestaat de mogelijkheid een reserve-exemplaar te verstrekken of te vergoeden. In verband met de arbeidssituatie kan het nodig zijn naast een myo-elektrische handprothese ook een conventionele arm-/handprothese te verstrekken.


Onderdeel b

     De in onderdeel b vermelde hulp- en aanzetstukken zijn bedoeld voor handelingen in het dagelijkse leven. Als regel zijn hiervoor zes tot acht aanzetstukken voldoende. Hulp- en aanzetstukken die niet eenvoudig van aard zijn en zeer specifiek voor de arbeidssituatie dan wel voor het beoefenen van een liefhebberij nodig zijn, vallen niet onder de omschrijving in deze bepaling.

 

Artikel 2.9


Algemeen

     De in de handel verkrijgbare prothesen kunnen van uiteenlopende materialen zijn vervaardigd. De materialen waarvan de gebruiksklaar verkrijgbare mammaprothesen zijn vervaardigd, dienen waterbestendig te zijn.
     Mammaprothesen, vervaardigd van schuimrubber, voldoen niet aan deze eis. Volledigheidshalve wordt hierbij aangetekend dat de verschaffing van een mammaprothese niet de voorlopige prothese omvat die kort na een operatie wordt verstrekt gedurende het genezingsproces. Deze laatstbedoelde prothese is als verbandmateriaal aan te merken en maakt deel uit van de geneeskundige zorg zoals medisch specialisten die plegen te bieden. De bustehouder valt niet onder de aanspraak.
     Een mammaprothese is geïndiceerd bij de operatieve verwijdering van de borstklier en bij het geheel of nagenoeg geheel achterwege blijven van de natuurlijke ontwikkeling van de borstklier(en).


Onderdeel a

     De in onderdeel a omschreven gebruiksklaar verkrijgbare mammaprothese voor uitwendige toepassing is niet in alle situaties te gebruiken. Zo kan de druk van de uitwendige prothese door letsel of afwijkingen aan de borstwand niet altijd worden verdragen. Bij een sterke postoperatieve vervorming van de okselplooi geven deze prothesen cosmetisch niet altijd een bevredigend resultaat.


Onderdeel b

     Op grond van onderdeel b kan ook een individueel vervaardigde mammaprothese aangeschaft worden, zodat met vorenstaande bezwaren rekening kan worden gehouden.
     Nu de ontwikkeling zodanig is dat meer verschillende modellen en maten van confectieprothesen in de handel worden gebracht, zal het steeds minder vaak voorkomen dat een individueel vervaardigde mammaprothese nodig is. Aangezien individueel vervaardigde mammaprothesen aanzienlijk duurder zijn dan de fabrieksmatig vervaardigde prothesen, zijn deze slechts aangewezen indien de toepassing van een confectieprothese om medische redenen niet mogelijk is, dan wel uit cosmetisch oogpunt een duidelijk onbevredigend resultaat oplevert. Hierbij dient bedacht te worden dat een misvorming van de voorste okselplooi ook door de kleding heen zichtbaar is. Ook aan een individueel vervaardigde mammaprothese kan de eis worden gesteld dat deze waterbestendig is.

 

Artikel 2.10

     Het ontwerpen van een individuele gelaatsprothese vereist expertise. Hierbij zijn van belang de aard van de verminking en het te verwachten resultaat van de gelaatsprothese. De vervaardiging van de vervanging van een eerder afgeleverde gelaatsprothese is in de regel minder arbeidsintensief, omdat de leverancier mallen pleegt te bewaren. Daarom zal de kostprijs van vervangende exemplaren als regel aanmerkelijk lager zijn dan die van het eerste exemplaar.

 

Artikel 2.11

     De hier vermelde scleraschaal is niet bedoeld als optisch hulpmiddel, maar ter afdekking van een ernstige misvorming van het voorste deel van de oogbol uit cosmetische overwegingen.

 

Artikel 2.12


Eerste lid, algemeen

     Voor de orthesen voor romp, arm, been, voet, hoofd of hals geldt dat alle middelen die tot het gestelde doel kunnen leiden, te weten ondersteuning bij deficiëntie van lichaamsdelen, daaronder vallen. De hulpmiddelen kunnen zowel op conventionele wijze zijn uitgevoerd als van moderne materialen zijn vervaardigd.


Eerste lid, onderdeel a

     Deze korsetten omvatten zowel orthopedische maatkorsetten en halffabrikaten als orthopedische confectiekorsetten. In de praktijk worden orthopedische confectiekorsetten steeds vaker voorgeschreven, ter vervanging van orthopedische maatkorsetten. Op grond van praktijkervaringen is gebleken dat een grote groep patiënten adequaat kan worden geholpen met een orthopedisch confectiekorset waarvan de kosten aanzienlijk lager zijn.


Eerste lid, onderdeel b

     Onder orthopedische beugelapparatuur wordt een veelheid van orthopedische voorzieningen verstaan, die tot doel hebben een verloren gegane functie zo goed mogelijk te vervangen.
     Onder het begrip beugelapparatuur vallen zowel beugels in engere zin als ook de bijbehorende kappen of kokers. Stabeugels (staplank, statafel of sta-unit), voor zover individueel gericht op de geneeskundige behandeling van één verzekerde, vallen ook hieronder.


Eerste lid, onderdeel c

     De verstevigde spalk-, redressie- of correctieapparatuur is niet scherp van de in onderdeel b bedoelde middelen af te grenzen. Hieronder vallen zowel voorzieningen voor de romp zoals zitschalen, reclinatiekorsetten en rechthouders als voorzieningen voor de ledematen. De omschrijving sluit de verschaffing van zit- of ligschalen niet uit, omdat deze kunnen worden beschouwd als uitsluitend te bestaan uit verstevigd materiaal. Tot de aanspraak behoren ook (dynamische) ligorthesen. De vaste ligorthese bestaat uit een uit één stuk gegoten vorm. De dynamische ligorthese bestaat uit afzonderlijke elementen, waarvan een aantal moet voldoen aan de vereiste versteviging om de ligorthese effectief te maken. De keuze voor een vaste of een dynamische ligorthese is afhankelijk van de aandoening. Er zijn in de wetenschappelijke literatuur geen onderzoeksgegevens bekend waaruit blijkt dat (dynamische) ligorthesen voor een hele (sub)groep doelmatig zijn. Ook is nog niet gebleken dat (dynamische) ligorthesen voor een gehele (sub)groep niet effectief zijn.
     De dynamische ligorthese is in de uitvoeringspraktijk een veel gebruikt hulpmiddel. Uit het oogpunt van doelmatigheid geven behandelaars in het algemeen de voorkeur aan een dynamische ligorthese wanneer een vaste ligorthese niet voldoende slaapcomfort biedt. De zorgverzekeraar moet zich daarom telkens bij het beoordelen van individuele gevallen baseren op de aanvraag van de behandelaar, eventueel aangevuld met het advies van de leverancier.
     Zitorthesen die onderdeel uitmaken van een rolstoel of kinderduwwandelwagen worden geacht met dat hulpmiddel één geheel te vormen. Deze orthesen kunnen niet op grond van deze regeling worden verstrekt of vergoed.
     De rolstoel en kinderduwwandelwagen dienen compleet en gebruiksklaar - derhalve inclusief de zit- of staorthese - op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten door de gemeenten te worden verstrekt.
     Een verstevigde spalk-, redressie- of correctieapparatuur kan alleen voor rekening van de zorgverzekering worden geleverd indien de verzekerde langdurig op het gebruik van deze middelen is aangewezen.
     Zorgverzekeraars werden in het verleden geconfronteerd met aanvragen voor deze orthesen (veelal ten behoeve van verzekerden die nog in het ziekenhuis verbleven dan wel uit het ziekenhuis worden ontslagen) bij indicaties die voorheen werden behandeld met conservatieve materialen zoals gips, waarvan de kosten ten laste van het ziekenhuisbudget kwamen. De onderhavige beperkende omschrijving biedt een handvat om de verschuiving van kosten van postoperatieve behandelingen naar deze regeling tegen te gaan.
     In het verleden werden in toenemende mate bandages ten laste van de ziekenfondsverzekering verstrekt die uitsluitend bestemd waren voor het gebruik tijdens sportactiviteiten, ter preventie van sportblessures. Om dit oneigenlijke gebruik van de zorgverzekering te voorkomen, is, net als bij de ziekenfondsverzekering geregeld was, geregeld dat de orthese verstevigd moet zijn, waarbij het moet gaan om een versteviging die een functioneel onderdeel vormt van de orthese en een therapeutische meerwaarde vertegenwoordigt ten opzichte van eenzelfde niet-verstevigde orthese. Daarnaast is geregeld dat er in geval van een kniebrace sprake moet zijn van een (gecombineerd) letsel van de knie waarbij de kruisbanden of collateraalbanden zijn gescheurd en bij de indicatie "eenzijdige gonartrose". Het gaat dan om een standafwijking van minimaal 10 graden varus/valgusstand. Een knieoperatie is in deze gevallen in principe de beste oplossing, maar in sommige gevallen is er een contra-indicatie voor een operatie of kan deze niet op korte termijn worden uitgevoerd. Een verstevigde orthese kan zinvol zijn bij contra-indicaties, mits de orthese voldoende zijwaartse horizontale correctie geeft.
     Omdat de ervaring leert dat behandeling van deze gevallen met een verstevigde kniebrace niet altijd effectief is, verdient het aanbeveling een brace alleen te verstrekken als blijkt dat een proefbrace (gips) gedurende drie weken een positief effect heeft.


Eerste lid, onderdeel d

     Een kap ter bescherming van de schedel is niet beperkt tot situaties waarin sprake is van een schedeldefect. Ook wanneer een schedeldefect dreigt in verband met frequente evenwichts- of bewustzijnsstoornissen, kan de kap worden verstrekt. Deze kan in dit geval dus ook preventief worden verstrekt.


Eerste lid, onderdeel f

     In dit onderdeel is een stemprothese of spraakversterker, al dan niet gecombineerd, geregeld. In de praktijk beter bekend als de laryngofoon (een merknaam). De stemprothese kan de mogelijkheid hebben tot verandering van intonatie.


Eerste lid, onderdeel h

     Onderdeel h regelt de orthesen die bestaan uit het orthopedisch schoeisel en orthopedische voorzieningen aan confectieschoeisel. Om voor orthopedisch schoeisel of orthopedische voorzieningen in aanmerking te komen, is bepaald dat er sprake moet zijn van een indicatie als bedoeld in bijlage 3, onderdeel 1, van de regeling. Plat-, spreid- en knikvoeten, eeltlagen en likdoorns vormen als regel geen indicatie voor de verschaffing van orthopedisch schoeisel. Dit betekent dat slechts aanspraak bestaat op duurder schoeisel als niet met een goedkopere schoen of voorziening aan een schoen kan worden volstaan.


Subonderdeel 1

     Individueel vervaardigde orthopedische schoenen zijn schoenen die volgens gedetailleerde specificaties worden vervaardigd op basis van een voor betrokkene specifieke leest.


Subonderdeel 2

     Individueel vervaardigde binnenschoenen zonder zool en hak, te dragen in confectieschoenen, worden toegepast bij partiële voetdefecten of beenverkorting. De binnenschoen vult het defect aan, waardoor een ongeveer normale voetvorm dan wel beenlengte wordt verkregen.


Subonderdeel 3

     Onder semi-orthopedisch schoeisel is te verstaan fabrieksmatig in serie vervaardigde schoenen, waaraan volgens gedetailleerd voorschrift speciale voorzieningen worden aangebracht. De mogelijkheden tot het aanbrengen van correcties zijn bij dit soort schoeisel geringer dan bij volledig individueel vervaardigd orthopedisch schoeisel. De besparing ten aanzien van de kosten en vooral ten aanzien van de levertijd is groot.


Subonderdeel 4

     De orthopedische voorzieningen aan confectieschoenen dienen ter vervanging van orthopedische schoenen of semi-orthopedische schoenen. Hierbij wordt opgemerkt dat de verzekerde slechts aanspraak heeft op de voorzieningen en niet op de confectieschoenen, waaraan de voorzieningen worden aangebracht.


Tweede lid

     Het tweede lid regelt dat preventief gebruik in verband met het beoefenen van sport geen grond is voor het leveren voor rekening van de zorgverzekering van verstevigde spalk-, redressie- of correctieapparatuur.


Derde lid

     Het vierde lid regelt de eigen bijdrage die voor orthopedische schoenen betaald moeten worden. Aan de eigen bijdrage voor orthopedische schoenen ligt het besparingsmotief ten grondslag. Immers, iedereen zal regelmatig schoenen moeten aanschaffen. Het is billijk dat ook verzekerden die aangewezen zijn op orthopedische schoenen een vergelijkbaar bedrag in de aanschaffingskosten van deze schoenen betalen.

 

Artikel 2.13

     De gezichtshulpmiddelen worden in vier hoofdgroepen onderscheiden, te weten: brillenglazen, waaronder filterglazen met of zonder visuscorrigerende werking, contactlenzen, bandagelenzen zonder visuscorrigerende werking en bijzondere optische hulpmiddelen. Onder de laatste groep vallen voorzieningen als telescoopbrillen, verrekijkerbrillen, loepen, enz. De zorgverzekeraar dient te bevorderen dat zoveel mogelijk een goed bruikbare, doch eenvoudige uitvoering wordt gekozen. Tevens dient de zorgverzekeraar te beoordelen of het gezichtshulpmiddel geschikt is voor een bepaalde verzekerde. Zo heeft een handloep met een sterke vergroting geen zin als de verzekerde niet in staat is de kritische leesafstand door bijkomende hulpmiddelen (zoals statief) te handhaven. De bijkomende hulpmiddelen zoals het eventuele montuur, statief of verlichting vallen eveneens onder de aanspraak.
     Niet tot de bijzondere optische hulpmiddelen in de zin van dit artikel worden gerekend technische hulpmiddelen die een vergroot beeld van het voorwerp projecteren, zoals de epidiascoop.


Onderdeel a

     In het algemeen hebben verzekerden geen aanspraak op brillenglazen, waaronder filterglazen met of zonder visuscorrigerende werking en contactlenzen. Slechts bij bepaalde indicaties volgens bijlage 3, onderdeel 2, van de regeling kunnen deze middelen worden verstrekt, indien althans sprake is van een medische noodzaak tot vervanging van deze hulpmiddelen binnen een periode van twaalf maanden.


Onderdeel c

     Van de verschaffing van contactlenzen worden de bandagelenzen zonder visuscorrigerende werking (sterkte nul) onderscheiden. De verschaffing van deze bandagelenzen blijft gebonden aan een aantal, in bijlage 3, onderdeel 3, met name genoemde indicaties.

 

Artikel 2.14


Eerste lid, onderdeel a, en tweede lid

     Bij de omschrijving van de onder de gehoorhulpmiddelen vallende hoortoestellen is aansluiting gezocht bij de door de Gezondheidsraad opgestelde definities van een hoortoestel.
     In het tweede lid wordt aangegeven wat onder een bijzondere uitvoering begrepen wordt. De modellen kunnen ingedeeld worden in: kastmodel, achter het oortoestel, toestel in brilmontuur en in de uitwendige gehoorgang gedragen toestel. Tot de hoortoestellen worden niet gerekend babyfoons, telefoonversterkers, koptelefoons, luisterkragen en systemen voor optische of gevoelszintuiglijke waarneming zoals bijvoorbeeld communicatie-units bestaande uit vibrators, flitslampen of knipperlichten en licht- of trilwekkers.
     De kosten van vervanging van batterijen of accu’s moeten worden gerekend tot kosten van het normale gebruik en onderhoud van een hoortoestel of oorsuismaskeerder (onderdeel c), welke kosten op grond van artikel 2.9, tweede lid, van het Besluit zorgverzekering voor rekening van de verzekerde komen. Periodieke onderhoudsbeurten worden eveneens niet geacht tot de aanspraak te behoren. De vervanging van oorstukjes valt echter wel onder de aanspraak.


Eerste lid, onderdeel b

     Naast ringleiding en infraroodapparatuur is er overeenkomstige apparatuur op de markt die werkt op FM-basis. De keuze voor een bepaald systeem - ringleiding, infrarood of FM-apparatuur - is afhankelijk van de woonsituatie van de verzekerde of het hoortoestel dat hij gebruikt.
     De geluidsoverdrachtssystemen hebben een verschillende werking. Bij ringleidingen wordt een magnetisch veld opgewekt waar de T-stand van een hoortoestel gevoelig voor is. Op ringleidingsystemen kunnen onder meer televisie, radio of stereo-installatie worden aangesloten om ongestoord te kunnen luisteren.
     Infraroodsystemen werken met onzichtbare lichtsignalen die door een speciale ontvanger worden opgevangen. Een FM-installatie werkt met hoogfrequente radiosignalen die door een soort antenne worden opgevangen. Bij infrarood- en FM-installaties hoort de slechthorende het geluid door een hoofdtelefoon of een zogenaamde kinbeugel. Ook op deze apparatuur is het mogelijk televisie, radio of stereo-installatie aan te sluiten.
     Het verschil tussen infrarood- en FM-apparatuur is dat bij infraroodapparatuur de ontvanger op de zender moet zijn gericht om het infraroodsignaal op te vangen. Hierdoor kan een persoon dus niet vrij in de kamer rondlopen zonder het signaal te storen. Dit in tegenstelling tot FM-apparatuur. Doordat deze techniek gebruik maakt van hoogfrequente FM-golven hoeft de ontvanger niet recht voor de zender te zitten. De gebruiker kan zich vrij bewegen en eventuele obstakels vormen geen probleem. In de praktijk blijkt dat FM-apparatuur veel voordelen biedt en naar verwachting op termijn de infraroodapparatuur zal vervangen.
     Verondersteld mag worden dat in de woon-werksituatie een eenvoudige ringleiding-, infrarood- of FM-apparatuur veelal voldoende is.
     Indien genoemde geluidsbronnen worden uitgebreid met bijvoorbeeld deurbel, telefoon of babyfoon, kan niet worden volstaan met eenvoudige apparatuur. In dat geval dient gebruik te worden gemaakt van speciale randapparatuur. De meerkosten van de benodigde uitbreiding van de apparatuur komen in dat geval voor rekening van de verzekerde.
     Toepassing van de ringleiding, infrarood- of FM-apparatuur voor algemeen gebruik zoals in vergaderzalen, theaters of kerken valt niet onder de hulpmiddelenzorg in de zin van deze regeling.


Eerste lid, onderdeel c

     Oorsuizen is een klacht die regelmatig voorkomt. Een deel van de mensen die dergelijke klachten hebben, ondervindt hiervan veel hinder. In deze gevallen kan een maskeerder ter behandeling van oorsuizen, ofwel een tinnitusmaskeerder, soms enige verlichting geven.
     Dit apparaat lijkt op een hoortoestel, maar in plaats van geluiden te versterken, produceert het zelf een maskerend geluid, dat zo dicht mogelijk aansluit bij de tinnitus en dit zodoende onderdrukt.
     Voor de kosten van vervanging van batterijen, accu’s of hoortoestellen, zie de toelichting op onderdeel a.


Derde tot en met zesde lid

     Geregeld is dat de hoogte van de geldende vergoedingslimiet bij verstrekking van een nieuw gehoortoestel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, afhankelijk is van de duur van het gebruik van het te vervangen toestel. Doelstelling hiervan is verruiming van de keuzevrijheid van de verzekerde waar het gaat om de vervanging van een hoortoestel.
     Voor verzekerden jonger dan 16 jaar is de hoogte van de vergoedingslimiet niet afhankelijk van de gebruiksduur. Voor deze groep verzekerden geldt - zowel bij de eerste aanschaf van hoortoestellen als bij vervanging van hoortoestellen - de hoogste vergoedingslimiet. Hieraan ligt de overweging ten grondslag dat bij kinderen in de groei frequente aanpassing van hoortoestellen op medische grond noodzakelijk is. Bovendien slijten de toestellen bij jonge gebruikers sneller dan bij volwassenen. Gevolg was dat deze groep verzekerden geconfronteerd werd met onevenredig hoge en frequente bijbetaling.

 

Artikel 2.15


Eerste lid, algemeen

     De voorzieningen voor stomapatiënten en incontinentieabsorptiemateriaal zijn in deze bepaling uitgewerkt. Bij deze middelen gaat het om uiteenlopende voorzieningen die in het algemeen per stuk weinig kostbaar zijn, maar door de betrokkenen bij herhaling en langdurig moeten worden gebruikt.


Eerste lid, onderdeel a

     Met "noodzakelijke hulpstukken ter bevestiging" worden hulpstukken ter bevestiging van een urinezak aan het been en rekjes voor bevestiging van de urinezak aan het bed bedoeld.


Eerste lid, onderdeel b

     De voor rekening van de zorgverzekering komende voorzieningen voor stomapatiënten zijn limitatief omschreven.
     In de praktijk is gebleken dat voor de gazen en wegwerpzakjes geen goed alternatief kan worden geboden en dat de kosten voor deze producten voor de verzekerde bovendien substantieel zijn.
     Met de reinigingsgaasjes worden niet-steriele non-woven gazen bedoeld, die gebruikt worden voor het reinigen van de stoma. Het is niet noodzakelijk steriele gazen en als medisch aangeprezen schoonmaakmiddelen te gebruiken. De beschikbare stomareinigingsdoekjes zijn vergelijkbaar met niet-steriele non-woven gazen. De patiënt dient zelf te voorzien in de middelen voor het schoonmaken van de huid rond het stoma. Er is een ruim assortiment antiallergische en al dan niet desinfecterende schoonmaakmiddelen bij drogist of supermarkt verkrijgbaar. Deze middelen zijn niet kostbaar en kunnen gerekend worden tot het gebied van de persoonlijke hygiëne.
     Indikmiddelen worden toegepast bij zeer dunne ontlasting, hetgeen voorkomt bij een kleine groep ileostomapatiënten. Door het gebruik van deze indikmiddelen hebben deze mensen een betere kwaliteit van leven.


Subonderdeel 1

     Tot de benodigde hulp- en verbindingsstukken behoren ook de gordels ter bevestiging van stomazakjes op het lichaam.


Subonderdeel 2

     Onder huidbeschermende middelen valt een uitgebreid scala huidbeschermende zalven en crèmes met een zeer grote prijsdifferentiatie. Daaronder vallen ook sprays of tissues met een huidbeschermende werking. Deze middelen zijn bijvoorbeeld geïndiceerd bij mensen met een gevoelige huid of een hoge stoma, waarbij de huid als gevolg van dunne, agressieve uitscheiding een grotere kans heeft op ontsteking. De toepassing van huidbeschermende middelen in de vorm van een spray of tissue kan beter worden gedoseerd dan een crème of zalf, waardoor problemen als bijvoorbeeld lekkage kunnen worden voorkomen.
     De reeks beschikbare producten varieert van goedkope smeersels tot dure specialités, aangeboden in het assortiment van de fabrikanten van stomamateriaal. Het is nooit aangetoond dat genoemde specialités effectiever zijn dan de goedkope smeersels. De zorgverzekeraar kan de aanvraag voor een onnodig kostbaar middel afwijzen, met het argument dat het geen doelmatige zorgverlening betreft.


Subonderdeel 4

     Onder stomabeschermers voor gelaryngectomeerden worden verstaan camouflagebeffen en douchebeschermers voor gelaryngectomeerden met een kunstmatige luchtwegingang, voor zover deze niet als kledingstuk zijn te beschouwen en geen verbandmiddelen zijn.


Eerste lid, onderdeel c

     Onder stompkousen worden ook elastische stompkousen verstaan.


Eerste lid, onderdeel d

     Onder toebehoren bij katheters worden onder andere schoonmaakdesinfectiemiddelen, receptaculum en glijvloeistof verstaan. Tevens staan in dit onderdeel blaasspoelvloeistoffen genoemd. Deze vielen onder de ziekenfondsverzekering onder de farmaceutische hulp, maar zijn onderdeel geworden van hulpmiddelenzorg.


Eerste lid, onderdeel e

     Dit onderdeel betreft het incontinentieabsorptiemateriaal dat verder is beschreven in het tweede lid.


Eerste lid, onderdeel g

     Slijmuitzuigapparatuur wordt toegepast bij de volgende indicaties en omstandigheden:
- tracheostoma, al of niet met canule;
- terminale longziekten, al of niet postoperatief;
- progressieve neurologische aandoeningen, zoals multiple sclerose (MS), antilymfocytenserum (ALS) en andere spierziekten;
- veel slijmproductie na grote KNO-operaties;
- terminale patiënten die veel slijm opgeven;
- prematuren (te kleine, te vroeg geboren kinderen);
- kinderen met ernstige aangeboren afwijkingen of stofwisselingsziekten.

     Slijmuitzuigapparatuur wordt ook in het ziekenhuis gebruikt, maar dan gaat het om grote, verrijdbare apparaten die hier buiten beschouwing worden gelaten. De aanspraak op slijmuitzuigapparatuur betreft niet alleen het gebruik van het apparaat, maar ook het toebehoren. Onder toebehoren wordt verstaan de bijbehorende artikelen die tijdens het gebruik regelmatig moeten worden vervangen. Dit zijn bijvoorbeeld de uitzuigcanule, patiëntenslang, vacuümslang met filter, slangenset, uitzuigpot en reinigingsmiddel. Bij kinderen worden ook vingertipjes gebruikt. De vervangingsfrequentie van het toebehoren is onder meer afhankelijk van het apparaat en het gebruik.


Tweede lid

     In het tweede lid is het incontinentieabsorptiemateriaal limitatief omschreven.
     Duurzame textiele fixatiebroeken en wegwerpfixatiebroeken (netbroeken) zijn uitgesloten van de verstrekking. Deze textiele fixatiebroeken voor inlegluiers zijn niet duurder dan normaal ondergoed. Aangezien elke verzekerde kosten maakt voor ondergoed, kunnen textiele fixatiebroeken voor eigen rekening en verantwoording van verzekerden blijven. Het gebruik van wegwerpfixatiebroeken heeft geen toegevoegde waarde in vergelijking met textiele broeken. Om verschuiving naar het gebruik van wegwerpfixatiebroeken te voorkomen, zijn ook deze broeken uitgesloten van de prestatie.
     De hulpmiddelen die in deze regeling zijn opgenomen, zijn in alle gevallen bestemd voor langdurig gebruik. Om die reden is geregeld dat inlegluiers of luierbroeken op grond van de zorgverzekeringen kunnen worden vergoed indien sprake is van urine-incontinentie die langer dan twee maanden bestaat en bij faecesincontinentie die langer dan twee weken bestaat. Kortdurende incontinentieklachten, zoals tengevolge van zwangerschap of na een operatie, vormen geen indicatie. Inlegluiers en luierbroeken ter ondersteuning van oefentherapie bij urine-incontinentie voor de duur van deze therapie vallen ook onder de Zvw-prestatie. Oefentherapie, blaastraining of bekkenbodemspieroefeningen onder begeleiding van een fysiotherapeut of oefentherapeut vormen een belangrijke bijdrage aan het verminderen of wegnemen van klachten van urine-incontinentie. Als gevolg hiervan zal de patiënt na deze behandeling in de toekomst minder of geen absorptiemateriaal gebruiken. Om te voorkomen dat mensen met neurologische aandoeningen, zoals mensen met MS en terminale patiënten, de eerste maanden van hun incontinentie het absorptiemateriaal zelf moeten betalen, is geregeld dat incontinentieabsorptiemateriaal bij ziektebeelden waarvan mag worden aangenomen dat incontinentie niet vanzelf geneest of bekkenbodemspieroefeningen of blaastraining niet zullen helpen, eveneens onder de Zvw-prestaties vallen.
     Inlegluiers en luierbroeken bij incontinentie voor urine of faeces kunnen voor rekening van de zorgverzekering worden verstrekt aan verzekerden die de leeftijd van 5 jaar hebben bereikt. Indien er sprake is van een niet-fysiologische vorm van incontinentie bij kinderen van 3 of 4 jaar, kunnen inlegluiers en luierbroeken eveneens voor rekening van de zorgverzekering komen. Het onderscheid niet-fysiologisch/fysiologisch wordt vanaf de leeftijd van 5 jaar niet gemaakt.
     Er is geregeld dat er geen sprake mag zijn van enuresis nocturna (nachtelijk bedplassen). Oneigenlijk gebruik wordt hierdoor voorkomen, terwijl wel tegemoet gekomen kan worden aan de behoeften van de groep zwaar gehandicapte incontinente kinderen.


Tweede lid, onderdeel d

     In dit onderdeel zijn onderleggers ter bescherming van het bed geregeld voor verzekerden bij wie tengevolge van de aandoening het verlies van bloed, exsudaat, vocht, urine of faeces dusdanige hygiënische problemen oplevert dat deze niet met een luiersysteem en slechts door het gebruik van bedbeschermende onderleggers kunnen worden ondervangen.

 

Artikel 2.16

     Deze bepaling regelt de hulpmiddelen voor anticonceptionele doeleinden voor verzekerden jonger dan 21 jaar. Dit sluit aan bij de anticonceptiemiddelen die onderdeel uitmaken van de farmaceutische zorg.

 

Artikel 2.17

     In deze bepaling zijn de hulpmiddelen voor de mobiliteit van personen limitatief opgesomd. Kruipsteunen vallen daar niet onder, omdat deze worden vergoed op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten.


Onderdeel a

     Recht op loophulpmiddelen bestaat indien niet volstaan kan worden met een eenvoudiger loophulpmiddel zoals een wandelstok of een kruk en indien sprake is van één van de in de subonderdelen 1 tot en met 3 genoemde stoornissen. Bij evenwichtsstoornissen kan door de verstrekking van een loophulpmiddel het vallen, en daarmee het optreden van (heup)fracturen, worden voorkomen.
     Ten tweede kan een loophulpmiddel, zoals een rollator of looprekje, dienen als ondersteuning bij het voortbewegen bij verzekerden met functiestoornissen aan de onderste extremiteiten, zoals patiënten met reumatoïde artritis. Tot slot kan een loophulpmiddel gebruikt worden door verzekerden die zich niet binnenshuis en in een kleine straal daaromheen zelfstandig zonder hulpmiddel kunnen verplaatsen als gevolg van een ernstig beperkt uithoudingsvermogen of lichamelijke zwakte. Dit kan het geval zijn bij aandoeningen als chronic obstructive pulmonary diseases (COPD) of hartinsufficiëntie.


Onderdeel b

     Ingevolge onderdeel b heeft de verzekerde recht op een serveertafel indien hij tengevolge van een hand- of armstoornis op een serveertafel is aangewezen. Indien verzekerde reeds beschikt over een rollator, een trippelstoel of een rolstoel voorzien van een serveerfunctie, is verstrekking van een serveertafel niet doelmatig.


Onderdeel c

     Behalve de blindentaststok behoren ook de reservetaststok en specifieke stokken voor kinderen (taststok die in lengte instelbaar is) al tot het recht op loophulpmiddelen. Blindentaststokken zijn een wezenlijk hulpmiddel voor blinden en slechtzienden, omdat zij voor de mobiliteit zijn aangewezen op deze voorziening.
     Steun- en wandelstokken, al dan niet wit of voorzien van rode bandjes (herkenningsstok), vallen niet onder deze hulpmiddelen.
     Voorts worden de kosten van aanschaf van dopjes voor taststokken beschouwd als kosten voor normaal gebruik in de zin van artikel 2.9, tweede lid, van het Besluit zorgverzekering.


Onderdeel d

     Onder stoelen voorzien van een trippelfunctie (trippelstoel) worden verstaan stoelen waarmee het mogelijk is zich binnenshuis zittend te verplaatsen. Uit de uitvoeringspraktijk zijn situaties bekend waar de afbakening tussen de zogenaamde werkstoel en de stoel voorzien van een trippelfunctie problemen oplevert. Omdat het onderscheid tussen werk- en trippelstoel moeilijk gemaakt kan worden, is het van belang bij het bepalen van de aanspraak uit te gaan van het doel waarvoor de stoel zal worden gebruikt. Er is sprake van een werkstoel, ongeacht van welke functies deze stoel is voorzien, indien de stoel gebruikt wordt voor verplaatsing op de werkplek en strekt tot behoud van arbeidsgeschiktheid. In dat geval kan aanspraak op vergoeding worden gemaakt krachtens de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten, ook wanneer deze werkstoelen in de thuissituatie worden toegepast.
     Uitgangspunt is dat de verzekerde op een trippelstoel is aangewezen als het voor hem van belang is om tijdens verplaatsingen de handen vrij te hebben voor bijvoorbeeld het verrichten van huishoudelijke activiteiten in de keuken. De verzekerde heeft recht op zo’n stoel als hij zich binnenshuis alleen zittend kan verplaatsen en niet beschikt over een binnenshuis bruikbare rolstoel, indien hij voldoet aan de voorwaarde voor een looprek of rollator, maar deze tengevolge van een gebrekkige hand- of armfunctie niet adequaat kan gebruiken of niet in staat is zich met losse handen staande te houden. Dit laatste aspect is belangrijk voor het verrichten van eenvoudige dagelijkse bezigheden in de keuken. De verzekerde moet verder langdurig op een trippelstoel zijn aangewezen.
     Bij uitsluitend staproblemen bestaat geen indicatie voor een trippelstoel. In die situatie kan een eenvoudige voorziening als bijvoorbeeld een hoge kruk al uitkomst bieden. Een dergelijke voorziening komt voor eigen rekening van de gebruiker.

 

Artikel 2.18

     Onder de in deze bepaling bedoelde haarwerken vallen zowel pruiken van echt haar als van synthetisch materiaal. Bezwaren van maatschappelijke aard zijn geen grond voor het verstrekken of vergoeden van haarwerken ten laste van de zorgverzekering.
     In het tweede lid is geregeld dat de verzekerde een eigen bijdrage betaalt indien de haarwerken duurder zijn dan het in dat lid genoemde bedrag.

 

Artikel 2.19

     Injectiespuiten of -pennen, al dan niet als wegwerpartikel steriel verpakt met toebehoren, dienen slechts te worden verstrekt of vergoed aan verzekerden die in verband met een chronische ziekte regelmatig inspuiting van geneesmiddelen behoeven. Naast lijders aan diabetes mellitus, astma bronchiale en hemofilie kunnen genoemd worden verzekerden die thuis hemodialyse toepassen.
     Naar keuze van de verzekerde en de behandelend arts kunnen injectiespuiten en -naalden worden verstrekt of vergoed, al dan niet voor eenmalig gebruik.
     Op het gebied van injectiespuiten zijn vele ontwikkelingen gaande. De zogenoemde hogedrukspuiten - die overigens niet vallen onder het tweede lid - dienen alleen in zeer bijzondere gevallen verstrekt te worden, aangezien de effecten op langere termijn van het gebruik van een dergelijke spuit niet bekend zijn.
     Bij zijn oordeelsvorming over de verschaffing van een hogedrukspuit dient de zorgverzekeraar met toepassing van artikel 2.1, derde lid, van het Besluit zorgverzekering mede te bezien of toebehoren, zoals een apparaatje dat speciaal ontwikkeld is voor het geven van pijnloze injecties met behulp van een normale injectiespuit, als een alternatief is aan te merken.
     Bijkomende middelen welke beogen het injecteren te vergemakkelijken of comfortabeler te maken, behoren in het algemeen niet tot de onderhavige hulpmiddelen.
     In het tweede lid is een aan een handicap van de verzekerde aangepaste injectiespuit geregeld indien sprake is van ernstige afwijkingen van het gezichtsvermogen of ernstige motorische afwijkingen.

 

Artikel 2.20

     Deze bepaling regelt de hulpmiddelen bij diabetes. Daaronder valt niet urinetestmateriaal. Deze wijze van testen op glucose heeft geen therapeutische meerwaarde en wordt in de praktijk niet meer toegepast.


Onderdeel b

     Bij de teststrips gaat het om teststrips die horen bij de bloedglucosemeter die op grond van de zorgverzekering door de zorgverzekeraar is verstrekt of vergoed.


Tweede lid

     Verschaffing van bijzondere prikapparatuur of een aan een handicap aangepaste bloedglucosetestmeter is slechts mogelijk als er sprake is van bijkomende handicaps, waardoor verzekerde redelijkerwijs niet kan volstaan met een niet aangepaste uitvoering.

 

Artikel 2.21

     Het ademen met positieve eindexpiratoire monddruk (positive expiratory pressure, PEP) vergemakkelijkt bij patiënten met chronische ademhalingsaandoeningen het ophoesten van stagnerend slijm. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een instrument bestaande uit een masker of mondstuk, met als aanzetstukken een weerstandsbuis en een ademventiel dat de in- en uitademingsweg scheidt.
     Het middel wordt enkele malen per dag gedurende vijftien tot twintig minuten gebruikt.
     Bij het in gebruik nemen is controle met behulp van een manometer noodzakelijk. Deze manometer vormt een extra accessoire dat niet door de patiënt behoeft te worden aangeschaft, maar dat tijdens de instructie kan worden gebruikt.

 

Artikel 2.22

     De geneesmiddelen die met deze draagbare uitwendige infuuspompen worden toegediend, zijn opgenomen in bijlage 1 van deze regeling. Voor het verkrijgen van de pomp moet dus een beroep gedaan worden op de hulpmiddelenzorg en voor het bijbehorende geneesmiddel op de farmaceutische zorg. Tot het toebehoren van de infuuspompen worden onder meer gerekend fixatiemateriaal, desinfectantia, verbindingsslangetjes en naalden. Bij de eerste aanschaf behoren ook de batterijen, maar deze kunnen niet voor rekening van de zorgverzekering worden vervangen.
     Implanteerbare infuuspompen vallen niet onder de hulpmiddelenzorg, maar onder de geneeskundige zorg, bedoeld in artikel 2.4 van het Besluit zorgverzekering.

 

Artikel 2.23


Eerste lid, algemeen

     De aanspraak op schoenvoorzieningen omvat zowel de verschaffing van verbandschoenen als van allergeenvrije schoenen.


Eerste lid, onderdeel a

     De verschaffing van verbandschoenen gaat uit van fabrieksmatig vervaardigde verbandschoenen.


Eerste lid, onderdeel b

     Allergeenvrij schoeisel wordt voorgeschreven aan patiënten die als gevolg van een bepaalde allergie geen gewoon confectieschoeisel kunnen verdragen. Het gaat in principe om in serie vervaardigd allergeenvrij schoeisel.


Tweede en derde lid

     Voor verbandschoenen geldt een maximumvergoedingsbedrag. De prijs van fabrieksmatig vervaardigde verbandschoenen blijft in het algemeen onder dit maximaal voor rekening van de verzekering komende bedrag.
     Aan de eigen bijdrage voor allergeenvrije schoenen ligt het besparingsmotief ten grondslag. Immers, iedereen zal regelmatig schoenen moeten aanschaffen. Het is daarom billijk dat ook verzekerden die aangewezen zijn op allergeenvrije schoenen een vergelijkbaar bedrag in de aanschaffingskosten van deze schoenen verschuldigd zijn.

 

Artikel 2.24

     In verband met de ontwikkelingen op het gebied van de thuisverpleging is behoefte ontstaan aan de verschaffing van toedieningssystemen voor voeding in de thuissituatie. Patiënten bij wie normale voeding om enigerlei reden ongewenst of onmogelijk is geworden, zijn aangewezen op een alternatieve wijze van voeden.
     De hulpmiddelen in deze bepaling omvatten zowel enterale (via maagdarmkanaal) als parenterale (via de bloedbaan) toedieningssystemen voor voeding.
     Met de omschrijving is beoogd uitsluitend die middelen voor rekening van de zorgverzekering te laten komen die nodig zijn bij toepassing van de toedieningssystemen in de thuissituatie.
     Middelen die tijdens ziekenhuisopname worden ingebracht c.q. toegepast, vallen niet onder de hulpmiddelenzorg op grond van artikel 2.9 van het Besluit zorgverzekering.
     Wat betreft het toebehoren bij de diverse toedieningssystemen wordt onder meer gedacht aan aansluitstukken, -slangen, flessen, aanpriknaalden, infuusstandaard en dergelijke, alsmede desinfectantia, voor zover het middelen betreft die niet vallen onder de op grond van artikel 2.8 van het Besluit zorgverzekering geregelde farmaceutische zorg. Daarnaast is het bij parenterale voeding gebruikelijk dat middelen worden gebruikt als steriele handschoenen, nierbekkenschaaltjes, spatels en monddoekjes. Deze middelen behoren eveneens tot in de onderhavige bepaling geregelde hulpmiddelen.


Eerste lid, onderdeel d

     Onder een eetapparaat wordt verstaan een specifiek voor het eten bedoelde mechanische hulp ten behoeve van personen met beperkingen in het gebruik van armen of handen. De eethulp stelt deze personen in staat zelfstandig de maaltijd te gebruiken, in een zelf te bepalen tempo. Het te verstrekken apparaat bestaat uit een onderstel (frame/aandrijfgedeelte en lepelarm) waarop een bord kan worden verplaatst. Het bord kan links- of rechtsom draaien. De in de lepelarm geplaatste lepel wordt automatisch naar het bord bewogen en vervolgens naar boven in afhapstand.

 

Artikel 2.25

     Klachten die verband houden met een allergie voor huisstofmijt kunnen verminderen door het contact met huisstofmijt zo gering mogelijk te maken.
     De plaats waar het contact met de huisstofmijt het grootst is, is de slaapkamer en met name het bed, waarin de huisstofmijt zich, gezien de temperatuur en het vochtgehalte, goed kan ontwikkelen. Naast de maatregelen die de verzekerde zelf kan treffen om de slaapkamer schoon en stofvrij te houden, kunnen matras, dekbed en kussen worden voorzien van een afschermende hoes, die ervoor zorgdraagt dat het contact met de huisstofmijt zoveel mogelijk wordt vermeden.
     De zorgverzekeraar heeft de keuze één passende tweepersoonsset of twee eenpersoonssets te vergoeden. Hij heeft dus de mogelijkheid zorg op maat te leveren en de individuele omstandigheden van verzekerde te laten meewegen.

 

Artikel 2.26


Eerste lid, onderdeel a

     Het gaat hier om zowel de computerhardware als de software.
     Een computer in de thuissituatie is in het algemeen slechts geïndiceerd bij motorisch gehandicapten voor wie de computer met aanpassing als enig of nagenoeg enig middel adequate communicatie mogelijk maakt. Naast de computer als communicatiemiddel kunnen motorisch zeer ernstig gehandicapten deze voorziening ook gebruiken voor omgevingsbediening. Met de computer is het mogelijk ramen, deuren en gordijnen te openen of te sluiten. Tevens kunnen allerlei apparaten hiermee aan- of uitgezet worden. Ook voor het telefoneren wordt de omgevingsbesturing gebruikt. Voor deze categorie zwaar gehandicapten bestaat geen goedkoper alternatief. Dit is in het algemeen wel het geval bij blinden en slechtzienden en licht motorisch gehandicapten. Voor deze gehandicapten zijn goedkopere communicatiemiddelen voorhanden welke als adequaat kunnen worden aangemerkt, maar in vergelijking tot de computer minder snel en efficiënt zijn. Voorbeelden hiervan zijn de brailletypemachine, zwartschrift typemachine, beeldschermloep, reglette met prikpen, memorecorder, rekenmachine en dergelijke.
     Sjablonen maken het mogelijk cheques in te vullen.
     Een snellere en efficiëntere manier van werken is voor deze categorie gehandicapten een eigen keuze. In dat geval wordt de computerhardware niet vergoed, maar de benodigde aanpassing en de speciale softwareprogrammatuur, zoals grootlettersoftware, wel (zie onderdelen d en e van dit lid).
     Voorts is een computer in de thuissituatie geïndiceerd bij doofblinden.
     Voor deze groep kan een computer dienen als hulpmiddel voor de communicatie met anderen, als hulpmiddel voor communicatie en als teksttelefoon.
     Voor rekening van de zorgverzekering komt tevens een intensieve opleiding.


Eerste lid, onderdeel b

     De schrijfmachines zijn al dan niet elektrische schrijfmachines met of zonder geheugen en brailleschrijfmachines. Deze apparatuur kan noodzakelijk zijn om de visueel of motorisch gehandicapte in staat te stellen tot het onderhouden van zijn maatschappelijke (schriftelijke) contacten en dient als zodanig te worden beschouwd als een hulpmiddel voor communicatie. Deze voorziening komt slechts aan de orde wanneer de verzekerde geregeld schriftelijke contacten onderhoudt.
     Elektronische brailleschrijfmachines zijn in het algemeen slechts aangewezen wanneer sprake is van zowel een visuele als een motorische handicap.


Eerste lid, onderdeel c

     Hieronder valt bijvoorbeeld de sprekende rekenmachine voor de visueel gehandicapte.


Eerste lid, onderdeel d

     Het gaat hier om een breed scala aan in- en uitvoerapparatuur en de daarbij behorende programmatuur, noodzakelijke upgrades daarvan en het installeren, de gebruiksinstructie en accessoires voor computers, schrijfmachines en rekenmachines. Hierbij moet worden gedacht aan:
- invoerapparatuur;
- eenfunctiebestuurde toetsenborden; deze bestaan uit een matrix met letters en tekens; het kiezen van de symbolen gebeurt met behulp van een schakelaar en scanner;
- toetsenborden voor eenhandige bediening;
- stifttoetsenborden, waarbij de toetsen met een stift worden ingedrukt;
- vergrote toetsenborden;
- verkleinde toetsenborden, waarbij toetsen met één hand bereikbaar zijn;
- afdekplaten, om te voorkomen dat als gevolg van een storing in de fijne motoriek meer dan één toets tegelijk wordt ingedrukt;
- lichtvlekbediende toetsenborden; dergelijke toetsenborden zijn bedoeld als hulpmiddel voor zeer ernstig motorisch gehandicapten die door uitval van de ledematen voor contacten met de omgeving zijn aangewezen op speciale communicatieapparatuur; de verzekerde dient over een redelijke bewegingsfunctie van het hoofd te beschikken; bij de gebruiker wordt namelijk een lichtbron aan het brilmontuur of de hoofdband bevestigd; door een lichtstraal te richten op een bedieningsplateau met lichtgevoelige cellen welke corresponderen met het toetsenbord wordt de gewenste letter aangewezen;
- muizen;
- aangepaste printers en plotters; deze apparatuur in de thuissituatie is in het algemeen slechts geïndiceerd als onderdeel van een computerconfiguratie bij motorisch gehandicapten zonder adequaat alternatief;
- brailleleesregel; het betreft een brailleleesregel met circa 20 braillecellen die aangesloten kan worden op een computer;
- apparatuur voor synthetische spraak; voor mensen met een visuele stoornis kan de onderhavige apparatuur bijvoorbeeld tekst uit een tekstverwerker voorlezen; deze apparatuur is in het algemeen slechts geïndiceerd indien de verzekerde niet reeds de beschikking heeft over een brailleleesregel;
- hulpstukken voor papierinvoer;
- onderarmsteunen voor schrijfmachines of computers.


Eerste lid, onderdeel g


Subonderdeel 1

     De memorecorder heeft de functie van een (zak)agenda of aantekenboekje en wordt gebruikt voor het maken van aantekeningen of voor het vastleggen van gegevens.
     Voor de visueel gehandicapte is de memorecorder een alternatief voor het vastleggen van het gesproken woord, het maken van een notitie en dergelijke.


Subonderdeel 2

     Voor het afspelen van het digitaal gesproken boek is een speciale cd-romlezer nodig of een computer met een uitleesprogramma (programmatuur) gebaseerd op een internationaal geaccepteerde standaard voor verwerking en afspelen van digitaal opgenomen gesproken lectuur, het zogenoemde digital audiobased information system (daisy). De daisy-speler is een draagbare cd-romspeler die niet vervangen kan worden door een reguliere cd-romspeler. Er is daisy-apparatuur in verschillende prijsklassen, voorzien van verschillende functionaliteiten. Voor het lezen van ontspannende lectuur hoeft men in het algemeen geen gebruik te maken van indexmogelijkheden, waardoor men kan volstaan met eenvoudige apparatuur. Voor het raadplegen van naslagwerken is meestal een uitgebreider apparaat nodig.
     Met de daisy-software kan op een normale pc, voorzien van speciale in- en uitvoerapparatuur voor blinden, het gesproken boek worden weergegeven.
     De daisy-speler en daisy-software zijn geïndiceerd voor visueel gehandicapten, voor motorisch gehandicapten en voor dyslectici.
     Als een daisy-speler overwegend nodig is voor het volgen van onderwijs of voor het werk, moet deze op grond van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten bij het UWV worden aangevraagd.


Subonderdeel 3

     Het voorleesapparaat is voor het voorlezen van gedrukte informatie en geschikt voor blinden en zeer slechtzienden die geen geschreven tekst meer kunnen lezen en niet te helpen zijn met enig ander hulpmiddel dat informatie voor hen toegankelijk maakt, zoals een beeldschermloep, contrastverhogende apparatuur of optische hulpmiddelen. Het gaat om de groep veelal oudere, blinde en slechtziende mensen waarvoor een computer met scanner, tekstherkenning en spraaksoftware evenmin soelaas biedt, omdat zij niet met deze apparatuur overweg kunnen. Vaak zal het voorleesapparaat worden ingezet ter vervanging van een beeldschermloep op het moment dat deze vanwege het achteruitgaan van het gezichtsvermogen niet meer bruikbaar is.


Eerste lid, onderdeel h

     Hulpmiddelen voor het kiezen van telefoonnummers (subonderdeel 1) en telefoonhoornhouders (subonderdeel 2) kunnen geïndiceerd zijn voor motorisch gehandicapten.
     De aangepaste telefoons, bedoeld in subonderdeel 2, kunnen geïndiceerd zijn voor motorisch zeer zwaar gehandicapten en kunnen worden bediend met omgevingsbesturingsapparatuur (zie de toelichting op onderdeel a van het eerste lid).
     De teksttelefoon (subonderdeel 4) oftewel de doventelefoon is een apparaat dat auditief gehandicapten die niet met behulp van enig ander hulpmiddel kunnen telefoneren in staat stelt toch van het hulpmiddel gebruik te maken. Gesprekskosten en kosten in verband met het gebruik van de Teleplusdienst worden niet vergoed.
     De beeldtelefoon (subonderdeel 4) is opgenomen als keuzemogelijkheid voor auditief gehandicapten die niet met behulp van enig ander hulpmiddel kunnen telefoneren én gebruik maken van de NGT [Nederlandse gebarentaal, red.].
     In bijlage 3, onderdeel 9, zijn de indicaties voor beeldtelefoons opgenomen. De beeldtelefoon levert een bijdrage aan de maatschappelijke participatie van deze groep doven en het tolken op afstand krijgt hiermee een positieve impuls.
     In plaats van een teksttelefoon of een beeldtelefoon kan de verzekerde kiezen voor de verstrekking van een faxapparaat. Aan faxapparatuur is een maximumvergoeding verbonden. De meerkosten komen derhalve voor eigen rekening. Voor motorisch gehandicapten zijn aangepaste telefoons of aanpassingen aan telefoons geïndiceerd.


Eerste lid, onderdeel i

     Onder spraakvervangende hulpmiddelen vallen onder meer letter- of symbolensets en -borden, draagbare communicators (zowel schrift als spraak), stemgenerators, stemversterkers voor individueel gebruik, luisterhoorns en luisterslangen.
     De doelgroep voor apparatuur met spraakuitvoer bestaat uit personen die niet met behulp van spraak kunnen communiceren. Zij hebben de behoefte en de mogelijkheden om door middel van spraakuitvoer op een meer directe manier aan gesprekken deel te nemen. Hun handicap en hun communicatiegedrag maken dat de conventionele communicatiehulpmiddelen, zoals het symbolenaanwijssysteem, niet (meer) adequaat zijn. De meest urgente groep van spraakgehandicapten die voor deze voorziening in aanmerking komen, zijn spraakgehandicapten die buiten de spraakuitvoerapparatuur eigenlijk geen alternatieve mogelijkheid hebben om op een adequate manier te communiceren.
     Globaal gezien wordt gebruik gemaakt van twee verschillende technieken voor opslag en uitvoer van spraak, namelijk de techniek van de gedigitaliseerde spraak en de synthetische spraaktechniek. Bij de gedigitaliseerde spraaktechniek wordt de spraak niet analoog, zoals bij een bandrecorder, maar digitaal opgeslagen. De te genereren woorden of zinnen worden vooraf via een microfoon, die is aangesloten op een computer, ingesproken. Bij de synthetische spraaktechniek behoeven vooraf geen woorden of zinnen te worden ingesproken.
     De spraak wordt samengesteld aan de hand van een tevoren ingesproken klankpatroon.


Eerste lid, onderdeel j


Subonderdeel 1

     Een wek- en waarschuwingsinstallatie heeft ten doel via substitutie een auditief gehandicapte te attenderen op auditieve waarschuwingssignalen. De apparatuur zet deze signalen (deurbel, telefoon, wekker, babyalarm) om naar zichtbare of voelbare signalen (flitsen of trillingen). Een dergelijk systeem kan bestaan uit een centrale, een elektrische wekker, een trilelement of een aantal flitslampen.
     De centrale is het deel van de trilinstallatie waarop alle benodigde onderdelen worden aangesloten. De elektrische wekker is verbonden met het trilelement, dat onder het hoofdkussen van de gebruiker wordt gelegd. De wekker kan deel uitmaken van de totale installatie inclusief de centrale, maar kan er ook los van staan. In het laatste geval is er een aparte wekinstallatie en een aparte waarschuwingsinstallatie; bij de wekinstallatie activeert de wekker het trilelement. Bij de waarschuwingsinstallatie activeert de centrale, wanneer de telefoon gaat of wanneer wordt aangebeld, de flitslampen - de lampen flitsen dan een aantal keren achterelkaar - of een (op het lichaam draagbaar, draadloos) trilelement. Meestal is een set flitslampen voldoende en adequaat om de gewenste alarmfunctie te vervullen, maar er zijn gevallen denkbaar (bijvoorbeeld bij doofblindheid) waarbij een (draadloos) trilelement noodzakelijk is. Voor doofblinden zijn er aparte, door henzelf instelbare wekkers met een extra krachtig trilelement dat op de wekker wordt aangesloten en onder het hoofdkussen wordt gelegd


Subonderdeel 2

     De hier bedoelde apparatuur bestaat uit een draagbare, draadloze noodschakelaar waarmee in noodsituaties een telefoonkiesautomaat in werking kan worden gesteld. Deze automaat legt contact met patiënten of een 24-uursbemande centrale, die op hun beurt een hulpverlener inschakelen voor daadwerkelijke assistentie. Het doel van de alarmeringsapparatuur is zelfstandig wonen mogelijk te maken voor personen die sociaal redzaam zijn en redzaam zijn in de algemeen dagelijkse levensverrichtingen, maar als gevolg van ziekte of gebrek een verhoogd risico lopen in een noodsituatie terecht te komen. De apparatuur kan worden verstrekt aan gehandicapten:
- voor wie een duidelijke noodzaak bestaat om in geval van nood onmiddellijk medische of technische hulp van buitenaf in te roepen;
- die bovendien gedurende langere tijd op zichzelf zijn aangewezen;
- en van wie men niet kan verwachten dat ze in een noodsituatie de telefoon zelfstandig kunnen bedienen.

     Bewakingsapparatuur ter voorkoming van wiegendood valt niet onder de onderhavige apparatuur.

 

Artikel 2.27

     Zuurstofapparaten dan wel zuurstofconcentratoren met toebehoren zijn voorzieningen waarmee rechtstreekse zuurstoftoediening mogelijk is. De apparatuur kan al dan niet draagbaar zijn. Eén van de redenen dat de aanspraak niet alleen zuurstofapparaten en zuurstof, maar ook zuurstofconcentratoren omvat, is dat in gevallen dat bij het gebruik van een zuurstofapparaat een groot aantal zuurstofflessen noodzakelijk is, de verschaffing van een zuurstofconcentrator voor de verzekering op enig moment een kostenverlagend effect heeft. De zorgverzekeraar bepaalt of een zuurstofapparaat dan wel een zuurstofconcentrator aangewezen is. Dit maakt onderdeel uit van de doelmatigheidsafweging van de zorgverzekeraar.
     De elektriciteitskosten in verband met het gebruik van een zuurstofconcentrator komen voor rekening van de zorgverzekering, omdat het niet redelijk wordt geacht de verzekerde met extra kosten te belasten wanneer de verschaffing van een concentrator in vergelijking met een zuurstofapparaat voor de verzekering voordeliger is.

 

Artikel 2.28

     Continuous positive airway pressure (CPAP)-apparatuur is bestemd voor verzekerden met het obstructief slaapapneu syndroom (OSAS).
     De indicatievoorwaarden voor CPAP-apparatuur, zoals aangegeven in bijlage 3, onderdeel 11, voldoen aan de huidige stand van de medische wetenschap ten aanzien van het stellen van de diagnose OSAS. Patiënten met een hoge pre-testwaarschijnlijkheid op OSAS kunnen in aanmerking komen voor verstrekking van CPAP-apparatuur.
     Het vereiste dat conservatieve maatregelen moeten worden nagestreefd, mag er niet toe leiden dat aan patiënten die er niet in slagen om bijvoorbeeld gewicht te verminderen, de noodzakelijke en effectieve CPAP-behandeling wordt onthouden. De CPAP-instelling dient bij voorkeur te geschieden door middel van polysomnografie. Deze moet minimaal bestaan uit een analyse van het slaappatroon (met behulp van EEG, EOG en EMG), meting van het ademhalingspatroon (ademhalingspogingen en adequaatheid van de ademhaling), zuurstofsaturatie, ECG, snurkgeluid en slaaphouding. Bij hoge pre-testwaarschijnlijkheid op OSAS is ook polygrafie (minimaal bestaande uit meting van het ademhalingspatroon, zuurstofsaturatie, snurkgeluid en slaaphouding) voldoende.
     Een verwarmde luchtbevochtiger komt als toebehoren bij CPAP-apparatuur voor verstrekking in aanmerking als, ondanks optimalisering van de neusfunctie, de CPAP-behandeling niet wordt verdragen tengevolge van irritatie van de bovenste luchtwegen en een geslaagde proefbehandeling heeft plaatsgevonden met de verwarmde luchtbevochtiger. De CPAP-apparatuur met verlaagde expiratiedruk kan worden gebruikt in de 5% van de gevallen dat het gebruik van normale CPAP-apparatuur niet volstaat, omdat de drukken die nodig zijn om de luchtweg open te houden te hoog zijn om comfortabel te kunnen uitademen.

 

Artikel 2.29

     Een soloapparaat is een hulpmiddel ten behoeve van auditief gehandicapten. Tot de soloapparatuur en toebehoren worden gerekend: de ontvanger en zender met bijbehorende microfoons, de oplaadapparatuur, alsmede de snoertjes en koppelingsaccessoires bij gebruik van een hoortoestel.
     In bijlage 3, onderdeel 12, zijn de indicaties voor en de voorwaarden waaronder tot verschaffing van de soloapparatuur kan worden overgegaan, vastgelegd.
     De verschaffing van soloapparatuur is ook mogelijk ten behoeve van verzekerden die in een gestructureerd en georganiseerd verband onbetaalde werkzaamheden verrichten.

 

Artikel 2.30

     Tactielleesapparaten zijn aangewezen voor visueel gehandicapten. Tot het toebehoren van het tactielleesapparaat wordt onder meer gerekend: de oplaadapparatuur, een kleinelettercamera, alsmede snoertjes en accessoires die het mogelijk maken de apparatuur te koppelen aan een schrijfmachine of beeldscherm. Of een bepaald toebehoren wordt verstrekt, hangt af van de werkzaamheden waarvoor het apparaat zal worden gebruikt.
     De kosten voor de test die de verzekerde dient te ondergaan om te bezien of de verzekerde in staat is met het apparaat om te gaan, komen voor rekening van de zorgverzekering.
     Een indicatie kan aanwezig zijn als de apparatuur voor de verzekerde nodig is in de onderwijs- of beroepssituatie en in de privésituatie ter verbetering van de levensomstandigheden.
     Ter beoordeling van dit laatste kunnen in volgorde van belangrijkheid de volgende criteria worden gehanteerd:
- de verzekerde vormt een eenoudergezin met jonge, nog van de ouder afhankelijke kinderen;
- de verzekerde woont alleen en verkeert in een isolement;
- er is sprake van een huishouden en de verzekerde en zijn of haar partner zijn visueel gehandicapt;
- er is sprake van een situatie waarin de visueel gehandicapte verzekerde onbetaalde werkzaamheden verricht die aantoonbaar veel leeswerk met zich meebrengen.

 

Artikel 2.31

     De Bone Anchored Hearing Aid (BAHA) is een extern gedragen hoortoestel dat kan worden aangesloten op een te implanteren beengeleider. Het implantaat, het inwendig deel, maakt geen onderdeel uit van het BAHA-hoortoestel. Het implantaat is operatiemateriaal en valt onder de geneeskundige zorg als omschreven in artikel 2.4 van het Besluit zorgverzekering. Operatiemateriaal komt ten laste van het ziekenhuisbudget. Dit geldt ook voor het BAHA-hoortoestel dat de eerste keer na de operatie wordt geleverd en derhalve onderdeel is van zorg zoals medisch specialisten die plegen te bieden. Dit geldt niet voor de vervanging van het hoortoestel. In de onderhavige bepaling is dan ook de vervanging van het BAHA-hoortoestel geregeld. Dit betekent dat de eerste verstrekking van het uitwendige deel van het BAHA-hoortoestel daarmee onderdeel is van de aanspraak op medisch-specialistische zorg.
     Anders dan bij de conventionele hoortoestellen het geval is, geldt voor de BAHA-hoortoestellen geen maximumvergoeding.
     De BAHA is geïndiceerd indien sprake is van slechthorendheid door geleidingsverlies.
     Er gelden geen andere indicatievereisten dan voor conventionele hoortoestellen. Er bestaat pas recht op een BAHA-hoortoestel indien behandeling met een conventioneel hoortoestel geen uitkomst biedt.

 

Artikel 2.32

     In deze bepaling is de zelfmeetapparatuur voor stollingstijden van het bloed geregeld. Onder de ziekenfondsverzekering was dat geregeld in artikel 2 van het Besluit hulpverlening door trombosediensten ziekenfondsverzekering. Bij deze meetapparatuur kan het gaan om langetermijnpatiënten en om mensen die door hun werkzaamheden niet in staat zijn om zich bij trombosediensten te laten controleren.
     Het toebehoren bij deze apparatuur zijn de bij de apparatuur behorende teststrips, een vingerpriksysteem met lancetten en vloeistof voor kwaliteitscontrole.
     Het opleiden van de verzekerde in het gebruik van de apparatuur, het begeleiden van de verzekerde bij zijn metingen en het geven van adviezen aan de verzekerde over de toepassing van geneesmiddelen ter beïnvloeding van de bloedstolling horen ook bij het zelf meten van bloedstollingstijden. Deze zorg valt onder de geneeskundige zorg, bedoeld in artikel 2.4 van het Besluit zorgverzekering. De verzekerde die op de zelfmeetapparatuur voor stollingstijden van het bloed is aangewezen, heeft eveneens recht op de daarbij behorende zorg.

 

Artikel 2.33


Eerste lid

     Voor alle hulpmiddelen die op grond van dit artikel kunnen worden verstrekt, geldt dat de aanspraak is beperkt tot situaties waarin de verzekerde langdurig op het gebruik van deze middelen is aangewezen. In geval van kortdurend gebruik van deze middelen wordt ervan uitgegaan dat deze middelen in bruikleen worden verschaft door instellingen die daartoe op grond van de AWBZ zijn toegelaten.


Eerste lid, onderdeel a

     Bij de verschaffing van aan functiebeperkingen aangepaste tafels gaat het voornamelijk om in hoogte verstelbare tafels voor rolstoelgebruikers. Ook bedleestafels voor bedlegerigen vallen onder de aanspraak.


Eerste lid, onderdeel b

     Het onderdeel inrichtingelementen voor woningen heeft voornamelijk betrekking op aan een functiebeperking aangepaste stoelen (vroeger: aan een handicap aangepaste stoel). Onder een aan een functiebeperking aangepaste stoel wordt verstaan een stoel die voorzien is van persoonsgebonden aanpassingen dan wel door verstellen aanpasbaar is, zodanig dat deze stoel hiermee compensatie biedt voor een functiebeperking die niet op eenvoudige wijze kan worden gecompenseerd door aanschaf van een in de reguliere meubelhandel verkrijgbare stoel.
     De verzekerde heeft aanspraak op een aan een functiebeperking aangepaste stoel indien hij problemen heeft met het zitten, het gaan zitten of het opstaan en hij niet kan volstaan met een stoel die voldoet aan de normale ergonomische eisen. Er is een zitprobleem als bijvoorbeeld sprake is van een balansprobleem, ernstige scoliose, spasticiteit of van een bewegingsbeperking in heup of knie. Een aangepaste stoel voor een opstaprobleem is geïndiceerd als zelfstandig opstaan uit een stoel met een optimale zithoogte voor betrokkene redelijkerwijs niet mogelijk is. In de praktijk zal het meestal gaan om gecombineerde problematiek waarbij, naast functiestoornissen van de benen, ook sprake is van functiestoornissen van de bovenste extremiteiten. Problemen op het gebied van staan of lopen vormen geen indicatie voor de verstrekking van een aangepaste stoel. Bij loopproblemen kan bekeken worden of de verzekerde in aanmerking komt voor verstrekking van een loophulpmiddel als bedoeld in artikel 2.17. Uitsluitend rugklachten, niet anders dan pijnklachten in de lage rug, die aanleiding geven tot zitproblemen vormen ook geen indicatie voor verschaffing van een aangepaste stoel. Tot slot bestaat geen recht bij vetzucht, reuzen- of dwerggroei.
     Onder aanpassingen die voldoen aan de normale ergonomische eisen worden de volgende aanpassingen begrepen: neksteun, hoofdsteun, beensteun, lendensteun, verstelbare rugleuning, voetsteun, verstelbare zitting, verstelbare armleuning, aanpassingen met betrekking tot zithoogte, zitdiepte of zitbreedte. Indien de verzekerde een dergelijke aanpassing wenst, kan worden volstaan met de aanschaf van een passende stoel voor eigen rekening. Zogenoemde seniorenstoelen en andere stoelen voor bepaalde leeftijdsgroepen vallen niet onder de hulpmiddelenzorg. Op een aanpassing van een stoel met een trippelfunctie bestaat recht op grond van artikel 2.17.


Eerste lid, onderdeel c en e

     Er bestaan diverse antidecubitushulpmiddelen, zoals antidecubituszitkussens, -bedden en -matrassen. Gezien de hoge kosten die met deze voorziening gemoeid kunnen zijn, is het belangrijk dat steeds de goedkoopste adequate voorziening wordt verstrekt.


Eerste lid, onderdeel d

     Bedden in een speciale uitvoering, met inbegrip van de daarvoor bestemde matrassen, zijn geïndiceerd indien sprake is van een indicatie voor verpleging. Daarnaast kan een aangepast bed noodzakelijk zijn ter bewaring van de zelfstandigheid. Bij deze laatste categorie moet gedacht worden aan verzekerden die onvoldoende kracht hebben in armen of rug om uit bed op te staan. In die gevallen waarin niet kan worden volstaan met andere hulpmiddelen om uit bed te komen, zoals bijvoorbeeld een papegaai, bestaat de mogelijkheid een zogenoemd transferbed te verstrekken.
     Vage klachten of rugpijnklachten van al dan niet bekende aard vormen geen indicatie voor een aangepast bed. Naast transferbedden kunnen, indien sprake is van een indicatie voor verpleging, behandelbedden worden verstrekt. Het gaat hier om de zogenoemde hoog-laagbedden, al dan niet voorzien van een transfersysteem.
     Ten slotte is in bepaalde situaties een zogenaamd verblijfbed aangewezen. Deze bedden beschikken over een transfersysteem, een hoog-laagverstelling en de mogelijkheid de patiënt van de rug op zijn zijde of op zijn buik te draaien.


Eerste lid, onderdeel f en g

     De aanspraak omvat tevens bijkomende hulpmiddelen, zoals dekenbogen, onrusthekken, bedgalgen en -portalen, bedverkorters en -verlengers die nodig kunnen zijn bij de verpleging van een verzekerde.


Tweede lid

     Zwenkwielen, beremming en hoog-laagverstelling zijn geen aangepaste voorzieningen voor het zitten, gaan zitten of opstaan. De zorgverzekeraar kan een aangepaste stoel met deze aanpassingen ter verhoging van de functionaliteit toestaan als de stoel op diverse plaatsen met een verschillende werkplekhoogte moet worden gebruikt. De zorgverzekeraar is slechts gehouden de goedkoopste beschikbare adequate voorziening voor rekening van de zorgverzekering te laten komen.

 

Artikel 2.34


Eerste lid

     Onder de geleidehonden vallen de hulp- en blindengeleidehonden die tot 1 januari 2006 werden gesubsidieerd ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten (paragraaf 2.2.12 en 2.2.3 van de Regeling subsidies AWBZ en Ziekenfondswet). Onder de geleidehonden vallen niet de zogenoemde epilepsiehonden.
     Voor deze voor de zorgverzekeraars nieuwe voorziening kan gebruik gemaakt worden van de bij het College zorgverzekeringen door jarenlange ervaring opgedane kennis voor een doelmatige verstrekking van deze honden.


Tweede lid

     Net als bij de subsidieregeling is er recht op een tegemoetkoming in de gebruikskosten van de hond. Gebruikskosten zijn de kosten van de verzekerde voor het levensonderhoud en de medische en dagelijkse verzorging van de hulp- of blindengeleidehond. Er is echter niet voor gekozen om een maximumbedrag te regelen. Bij de subsidie ging het in 2005 om een bedrag van €|984,-. Een dergelijk bedrag is in de praktijk voldoende.

 

Artikel 2.35

     Met "hulpmiddelen ter compensatie van onvoldoende arm-, hand-, en vingerfunctie" is de zogenoemde robotmanipulator onderdeel geworden van de hulpmiddelenzorg. Tot 1 januari 2006 werden deze gesubsidieerd uit het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten (paragraaf 3.2.5 Regeling subsidies AWBZ en Ziekenfondswet).
     Deze bepaling beperkt de verstrekking van hulpmiddelen ter compensatie van onvoldoende arm-, hand-, en vingerfunctie tot de verzekerden die zo ernstige beperkingen in arm-, had- en vingerfunctie hebben dat zij niet zelfstandig kunnen eten of drinken of voorwerpen kunnen verplaatsen en voor de uitvoering van deze basale activiteiten volledig afhankelijk zijn van professionals. De beperkingen van de gebruikers worden doorgaans bepaald door progressieve spierziekten (bijvoorbeeld Duchenne-spierdystrofie), ernstige spasticiteit en andere ziektebeelden, zoals hoge dwarslaesie, multiple sclerose en reumatoïde arthritis.
     De doelmatigheid van de inzet van deze hulpmiddelen wordt mede bepaald door:
- het bevorderen van de mogelijkheid om (langer) zelfstandig te wonen;
- het doen afnemen van een beroep op de mantelzorg;
- het doen afnemen van een beroep op de professionele zorg.

     Een in opdracht van het College zorgverzekeringen ontwikkeld indicatieprotocol mag hierbij vooralsnog worden gezien als kennisbron voor een doelmatige uitvoering van dit onderdeel van de hulpmiddelenzorg.

 

Artikel 2.36

     Deze bepaling regelt de thuisdialyseapparatuur en dat wat noodzakelijk is om de dialyse thuis uit te kunnen voeren. Voor de ziekenfondsverzekering was dit geregeld in het Besluit niet-klinische haemodialyse ziekenfondsverzekering en het daarop gebaseerde regeling van het College zorgverzekeringen: de Regeling nader regelen niet-klinische hemodialyse ziekenfondsverzekering. Er is gekozen voor een minder gedetailleerde regeling, met name met betrekking tot de vergoeding van de kosten waar onderdeel d betrekking op heeft en die benoemd waren in de regeling van het College zorgverzekeringen. Er is nu bepaald dat het moet gaan om redelijk te achten kosten die rechtstreeks met de thuisdialyse samenhangen. Niet meer is uitputtend geregeld welke kosten mogen worden vergoed. Het gaat om kosten die in dit verband redelijk zijn.
     Bij de dialyse thuis gaat het niet alleen om hemodialyse, maar ook om buikspoeling (peritoneaal dialyse). Onderdeel c (aanpassingen van de woning) is alleen bij de peritoneaal dialyse eventueel aan de orde. De kosten, bedoeld in onderdeel d, hebben onder meer betrekking op kosten van water, elektriciteit en dergelijke.
     Bij de thuisdialyse hoort ook het opleiden van degenen die de dialyse uitvoeren dan wel daar behulpzaam bij zijn, alsmede de medische zorg, thans de ondersteuning en begeleiding vanuit een dialysecentrum. Deze zorg valt onder artikel 2.4 van het Besluit zorgverzekering.

 

§ 1.5. Verzorging


Artikel 2.37

     In deze bepaling zijn de eigen bijdragen geregeld voor verzorging zoals kraamverzorgenden die plegen te bieden, zoals die voor de ziekenfondsverzekering geregeld waren. De verzekerde betaalt voor de verzorging thuis een bedrag per uur.
     Indien er sprake is van verblijf in een instelling zonder dat verblijf medisch noodzakelijk is, betaalt zowel de moeder als het kind een bedrag per dag, dat vermeerderd wordt met het bedrag waarmee het tarief het tweede bedrag dat in het tweede lid genoemd wordt te boven gaat.

 

§ 1.6. Ziekenvervoer


Artikel 2.38

     De eigenbijdrageregeling voor het ziekenvervoer komt overeen met die welke voor de ziekenfondsverzekering gold. Anders dan bij de ziekenfondsverzekering geldt de maximale bijdrage niet meer voor de verzekerde en zijn medeverzekerden tezamen, maar voor elke individuele verzekerde. Daarbij is uitgegaan van hetzelfde maximale bedrag. De situatie dat meer mensen in een gezin in dezelfde periode gebruik maken zodanig dat het gezin door het individualiseren van het maximum in een moeilijke financiële positie komt, zal nauwelijks voorkomen. Om de beoogde financiële opbrengst te halen, is afgezien van verlaging van het maximum.
     Anders dan bij de ziekenfondsverzekering is niet meer bepaald dat gereden moet worden volgens de kortst gebruikelijke route. Een dergelijke doelmatigheidsvoorwaarde is bij de Zvw aan de zorgverzekeraar en wordt niet meer bij wettelijk voorschrift bepaald.
     [Zie ook hieronder, red.].

 

Artikel 2.38 [Stcrt. 2005, 203, red.]

     [Zie ook hierboven, red.]. In afwijking van de ziekenfondsverzekering is gekozen voor een eigen bijdrage per kalenderjaar in plaats van per twaalf maanden. De reden hiervoor is dat de looptijd van de modelovereenkomst een kalenderjaar bestrijkt. Ook wisseling van zorgverzekeraar bij het begin van een kalenderjaar maakt dat een maximering per twaalf maanden niet past bij de zorgverzekering.

 

§ 2. De regels voor indeling van de geneesmiddelen in groepen van onderling vervangbare geneesmiddelen en voor de berekening van de vergoedingslimieten en eigen bijdrage voor geneesmiddelen


Artikel 2.39

     In dit artikel zijn in de onderdelen a tot en met d en f de bronnen aangegeven voor de beslissing over de onderlinge vervangbaarheid van geneesmiddelen en de vaststelling van de standaarddosis of kuurdosis. De bron, genoemd in onderdeel f, is relevant voor het oordeel of een geneesmiddel dat volgens GVS-criteria niet onderling vervangbaar is met een in het pakket opgenomen geneesmiddel, in het pakket kan worden opgenomen.
     Het gaat om bronnen waarvan de objectiviteit en betrouwbaarheid buiten twijfel staan.

 

Artikel 2.40

     Deze bepaling bevat de criteria aan de hand waarvan wordt beoordeeld of geneesmiddelen in het kader van het GVS als onderling vervangbaar worden beschouwd.


Eerste lid

     In het eerste lid zijn de criteria aangegeven op grond waarvan geneesmiddelen als onderling vervangbaar worden aangemerkt.


Tweede lid

     Het tweede lid geeft een nadere regeling met betrekking tot de toedieningsweg. De indeling is gebaseerd op het gegeven of een toediening wel of niet door middel van injectie plaatsvindt en vervolgens of het beoogde therapeutische effect via de systemische route of ter plekke (lokaal) plaatsvindt. Voor de toepassing van het GVS worden vier verschillende toedieningswegen onderscheiden.


Derde lid

     In het derde lid is geregeld wanneer geneesmiddelen niet als onderling vervangbaar worden aangemerkt. Daarbij is in de eerste plaats van belang dat duidelijk komt vast te staan of er tussen geneesmiddelen verschillen in eigenschappen bestaan, en zo ja, welke (onderdeel a). Alleen verschillen die volgens de in artikel 2.39 bedoelde bronnen met voldoende zekerheid vaststaan, worden in de beschouwing betrokken. In de tweede plaats is het niet nodig en niet gewenst van indeling in een groep af te zien indien het gaat om verschillen die zich slechts manifesteren bij individuele patiënten of bij subgroepen van patiënten voor wie het geneesmiddel is geïndiceerd. Het moet gaan om verschillen die voor de gehele betrokken patiëntenpopulatie van belang zijn (onderdeel b). Deze verschillen moeten blijken uit de in artikel 2.39 genoemde bronnen. In de derde plaats moeten de in onderdeel b bedoelde verschillen van dusdanig gewicht zijn dat zij bepalend kunnen worden geacht voor de keuze van het geneesmiddel (onderdeel c). Hierbij dient niet ieder verschil op zichzelf te worden beschouwd, maar dient een vergelijking plaats te vinden tussen het geheel van eigenschappen van het ene geneesmiddel en het geheel van eigenschappen van het andere geneesmiddel ("tezamen genomen"). Bij de vraag of die verschillen bepalend zijn voor de keuze is het feitelijk voorschrijfgedrag niet zonder meer beslissend. Deze vraag dient te worden beantwoord aan de hand van de objectieve gegevens uit de bronnen, genoemd in artikel 2.39.


Vierde lid

     Het vierde lid regelt dat geneesmiddelen die behoren tot een subgroep die alleen uit preparaten bestaat of alleen uit specialités onder dezelfde merknaam, niet als onderling vervangbaar worden beschouwd.


Vijfde lid en zesde lid

     Het vijfde lid bevat een bijzondere regel voor de indeling van combinatiepreparaten. Als alle werkzame bestanddelen van een combinatiepreparaat voorkomen in geneesmiddelen die in een groep van onderling vervangbare geneesmiddelen zijn opgenomen, wordt het combinatiepreparaat opgenomen in een groep van geneesmiddelen die één van de werkzame bestanddelen van het combinatiepreparaat bevatten. In artikel 2.47 is voorzien in de berekening van de vergoedingslimiet voor deze combinatiepreparaten. Deze regeling geldt ingevolge het zesde lid van artikel 2.40 niet voor combinatiepreparaten van oestrogenen en progestagenen en van thiazide- en kaliumsparende diuretica.

 

Artikel 2.41

     Deze bepaling geeft een regeling voor de bepaling van de standaarddosis. Uitgangspunt voor de vaststelling van de standaarddosis is de Defined Daily Dose (DDD), een internationaal geldende en objectief vastgestelde standaardhoeveelheidsmaat, die weergeeft "the assumed average dose per day for a drug used on its main indication in adults". Bij geneesmiddelen die op de peildatum (1 oktober 1998) op de markt waren, wordt uitgegaan van de op die datum geldende DDD; bij geneesmiddelen die later op de markt kwamen of komen, van de DDD zoals deze geldt op het moment van opneming in het pakket.


Vijfde lid

     Het vijfde lid, aanhef en onder b, voorziet in een afwijkende bepaling van de standaarddosis indien de DDD valt "buiten de in Nederland gebruikelijke doseringsrange". Deze uitzondering is in het bijzonder bedoeld voor gevallen waarin een geneesmiddel in Nederland doorgaans wordt gebruikt voor een andere indicatie, en daarmee soms met geheel andere doseringen, dan de hoofdindicatie, waarvan bij de vaststelling van de DDD is uitgegaan. Wat de in Nederland gebruikelijke doseringsrange is, wordt in overeenstemming met artikel 2.39 beoordeeld aan de hand van de registertekst en de in medisch-farmaceutische kringen gangbare literatuur, waaronder het Farmacotherapeutisch Kompas. Deze bronnen geven een variatie in de effectieve dosering aan, die veelal afhankelijk is van de aard en de ernst van de aandoening. Het gaat daarbij om geadviseerde doseringen.


Zevende en achtste lid

     In het zevende lid is de herberekening van de vergoedingslimiet vastgelegd, die plaatsvindt indien in de relevante gegevens voor de bepaling van de standaarddosis wijziging optreedt. Indien slechts de DDD wijzigt van geneesmiddelen die niet meetelden bij de berekening van de vergoedingslimiet toen de groep van onderling vervangbare geneesmiddelen voor de eerste keer werd samengesteld, wijzigt slechts de vergoedingslimiet van de geneesmiddelen waarvan de DDD wijzigt. Indien de DDD wijzigt van geneesmiddelen die wel meetelden bij de berekening van de vergoedingslimiet toen de groep voor de eerste keer werd samengesteld, verandert de vergoedingslimiet van alle geneesmiddelen binnen de groep. In het achtste lid is laatstbedoelde herberekening van de vergoedingslimiet van alle geneesmiddelen binnen een groep geregeld.
     Benadrukt zij dat een herberekening zoals bedoeld in het zevende lid, onderdeel a, en achtste lid, alleen plaatsvindt indien er sprake is van een herziening van de DDD van een categorie van geneesmiddelen in de Anatomical Therapeutic Chemical Classification op niveau 4.

 

Artikel 2.42


Eerste en tweede lid

     Voor de berekening van de vergoedingslimiet geldt een peildatum, te weten 1 oktober 1998. De berekening van de vergoedingslimieten gaat op basis van die peildatum als volgt.
     Bestaat een groep alleen uit "oude" geneesmiddelen (geneesmiddelen die op 1 oktober 1998 op de markt waren), dan wordt uitgegaan van de prijzen per 1 oktober 1998 (eerste lid). Bestaat een groep alleen uit "nieuwe" geneesmiddelen, dan wordt uitgegaan van de introductieprijs van het geneesmiddel dat het eerst op de markt is gekomen (tweede lid). Bestaat een groep uit zowel oude als nieuwe geneesmiddelen, dan zijn de per 1 oktober 1998 geldende prijzen van de oude geneesmiddelen bepalend. Dit geldt ook als de groep bestaat uit een oud en één of meer nieuwe geneesmiddelen. Voor zover na 1 oktober 1998 voor de op dat moment bestaande geneesmiddelen nieuwe, duurdere alternatieven op de markt zijn gekomen, behoren de extra kosten daarvan niet ten laste van de zorgverzekering te komen. In dat geval wordt van de verzekerde aan wie een nieuw, duurder geneesmiddel wordt voorgeschreven een eigen bijdrage verlangd. Bij een nieuwe peildatum wordt dezelfde systematiek gevolgd.


Derde lid en artikel 2.47

     Het derde lid bepaalt dat de prijzen van parallel geïmporteerde geneesmiddelen buiten beschouwing worden gelaten. De reden daarvan is dat parallel geïmporteerde geneesmiddelen tegen veelal variërende prijzen worden verkocht. Er is dus geen eenduidige prijs te hanteren. Ter vermijding van misverstand wordt opgemerkt dat parallel geïmporteerde geneesmiddelen wel worden betrokken bij de indeling in groepen van onderling vervangbare geneesmiddelen. Verder wordt in deze bepaling geregeld dat de prijzen van combinatiepreparaten die op grond van artikel 2.40, vijfde lid, worden ondergebracht in een groep geneesmiddelen, niet zijnde combinatiepreparaten, eveneens buiten beschouwing blijven. De reden daarvan is dat de vergoedingslimiet van dergelijke combinatiepreparaten afzonderlijk wordt berekend op de wijze zoals in artikel 2.47 voorzien. In een afwijkende berekeningswijze van de vergoedingslimiet voor een combinatiepreparaat dat op grond van artikel 2.40, vijfde lid, wordt opgenomen in een groep geneesmiddelen die geen combinatiepreparaat zijn, is voorzien omdat het in die situatie onjuist zou zijn indien voor het combinatiepreparaat dezelfde vergoedingslimiet zou gelden als voor de overige geneesmiddelen uit de groep, omdat het combinatiepreparaat slechts één werkzaam bestanddeel met één of meer geneesmiddelen uit die groep geneesmiddelen gemeen heeft; een combinatiepreparaat kenmerkt zich immers hierdoor dat het meer dan één werkzaam bestanddeel bevat. Daarom is volgens artikel 2.47, eerste lid, in dit geval de vergoedingslimiet gelijk aan de som van de vergoedingslimieten die voor de afzonderlijke werkzame bestanddelen geldt.
     Indien de geneesmiddelen van de groep geneesmiddelen die geen combinatiepreparaat zijn en waarmee het combinatiepreparaat als onderling vervangbaar wordt aangemerkt, een werkzaam bestanddeel bevatten in een andere hoeveelheid of in een andere toedieningsvorm dan in het combinatiepreparaat voorkomt, wordt volgens het tweede lid van artikel 2.47 uitgegaan van de vergoedingslimiet die voor dat werkzaam bestanddeel zou hebben gegolden indien het in dezelfde hoeveelheid en in dezelfde toedieningsvorm als in het combinatiepreparaat zou zijn voorgekomen.

 

Artikel 2.43 tot en met 2.47

     [Voor artikel 2.47 zie ook hierboven, red.]. Deze bepalingen regelen hoe voor een groep van onderling vervangbare geneesmiddelen een gemiddelde prijs wordt berekend die de basis is voor de berekening van de vergoedingslimiet.

 

Artikel 2.48

     Hoewel de artikelen 2.40 tot en met 2.47 in beginsel een sluitend en consistent geheel van regels en criteria bevatten aan de hand waarvan kan worden beslist of een geneesmiddel onderling vervangbaar is met één of meer andere geneesmiddelen, en indien dat het geval is, welke vergoedingslimiet voor een dergelijk geneesmiddel geldt, heeft de praktijk geleerd dat zich niettemin uitzonderlijke gevallen kunnen voordoen waarbij strikte toepassing van deze bepalingen leidt tot resultaten die niet met de strekking ervan overeenkomen. In dergelijke gevallen kan het gewenst zijn van strikte toepassing van de bepalingen af te zien. Dan zal zoveel mogelijk worden beslist met overeenkomstige toepassing van de bepalingen en in overeenstemming met de strekking daarvan. Dit brengt onder meer mee dat voor een afwijking in elk geval geen plaats is in situaties die in deze regeling uitdrukkelijk zijn voorzien of verdisconteerd. Uiteraard is het ook niet de bedoeling met de onderhavige bepaling de mogelijkheid te openen om op andere dan strikt zakelijke en objectieve gronden van de artikelen 2.40 tot en met 2.47 vervatte criteria en regels af te wijken.

 

Artikel 2.49

     Dit artikel betreft de precieze berekening van de bijdrage die de verzekerde verschuldigd is voor een geneesmiddel waarvan de inkoopprijs hoger is dan de vergoedingslimiet in het kader van het GVS. Dat de verzekerde in dat geval een bijdrage verschuldigd is, is al geregeld in artikel 2.8, zesde lid, van het Besluit zorgverzekering.

 

§ 3. De aanvraagprocedure voor aanwijzing geregistreerde geneesmiddelen


Artikel 2.50

     Deze bepaling regelt de aanvraagprocedure voor registratiehouders om te vragen om een geneesmiddel bij ministeriële regeling aan te wijzen.
     Het regelen van de aanvraagprocedure houdt verband met Richtlijn 89/105/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1988 betreffende de doorzichtigheid van maatregelen ter regeling van de prijsstelling van geneesmiddelen voor menselijk gebruik en de opneming daarvan in de nationale stelsels van gezondheidszorg (PbEG 1989 L 40/8).
     De beslissing op de aanvraag is geen beschikking in de zin van die de Algemene wet bestuursrecht, maar (wijzigingen van) een algemeen verbindend voorschrift. Zo heeft ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in zijn vonnis van 18 augustus 2002 geoordeeld (RZA, 2000, 887).


Zesde lid

     In het zesde lid is, in overeenstemming met vorenbedoelde richtlijn, geregeld dat aan de aanvrager wordt meegedeeld welke rechtsmiddelen hem ter beschikking staan. Zoals al gesteld, gaat het hier om vaststelling van een algemeen verbindend voorschrift. Het rechtsmiddel dat de aanvrager ter beschikking staat, is dus niet een administratiefrechtelijke, maar een civielrechtelijke beroepsgang. In de brief die de aanvrager ingevolge het zesde lid ontvangt, wordt medegedeeld dat een rechtsvordering bij de burgerlijke rechter kan worden ingesteld.


Negende lid

     Het negende lid regelt dat, indien het gaat om een geneesmiddel met dezelfde werkzame bestanddelen, van dezelfde sterkte en in dezelfde farmaceutische vorm als een geregistreerd geneesmiddel dat al in het aansprakenpakket zit, het tweede tot en met vierde lid, het zesde lid, tweede volzin, en het zevende en achtste lid niet van toepassing zijn. Het gaat hier om parallel geïmporteerde en generieke geneesmiddelen. Voor deze middelen wordt ambtshalve dezelfde vergoedingslimiet vastgesteld als voor het identieke middel waarvoor al een vergoedingslimiet is vastgesteld. Parallel geïmporteerde en generieke geneesmiddelen worden dan ook niet apart beoordeeld aan de hand van de artikelen 2.40 tot en met 2.47. Gelet daarop zijn diverse onderdelen van de procedure in artikel 2.50 niet van toepassing.

 

Hoofdstuk 3. Verevening


Artikel 3.1

     In dit artikel wordt geregeld welke middelen voor bijdragen aan zorgverzekeraars ter dekking van de kosten van prestaties in het kader van de Zvw in het jaar 2006 ten laste van het Zorgverzekeringsfonds beschikbaar zijn. Het College zorgverzekeringen verdeelt deze middelen over zorgverzekeraars op basis van de in het Besluit zorgverzekering uiteengezette systematiek, met in achtneming van voorliggende regeling.
     Daarnaast zijn middelen ten laste van het Zorgverzekeringsfonds beschikbaar voor aanvullende bijdragen aan zorgverzekeraars. De basis hiervoor is opgenomen in paragraaf 1.5 van hoofdstuk 3 in het Besluit zorgverzekering.

 

Artikel 3.2

     De hoogte van het macroprestatiebedrag volgt uit de kostenramingen die zijn opgenomen in de Rijksbegroting Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hoofdstuk XVI) 2006. Het verschil tussen de beschikbare middelen uit het Zorgverzekeringsfonds en het macroprestatiebedrag hangt samen met het gegeven dat zorgverzekeraars de kosten van prestaties niet uitsluitend uit de hen ingevolge deze regeling toe te kennen middelen dekken, maar tevens uit de opbrengsten van nominale premie.
     Uit technische overwegingen is ervoor gekozen bij de bepaling van de wijze waarop de middelen behoren te worden verdeeld over zorgverzekeraars uit te gaan van het macroprestatiebedrag. De gewichten die gekoppeld zijn aan de verdeelcriteria kunnen daardoor uitsluitend aan de hand van het macroprestatiebedrag worden vastgesteld en zijn dus volledig onafhankelijk van de nominale rekenpremie, die voor 2006 is bepaald op €|970,- (dit is inclusief opslag ad €|255,- in verband met de no-claimteruggave).
     In het eerste lid van dit artikel wordt de hoogte van het macroprestatiebedrag vastgesteld. De basis hiervoor is het totaal van de betrokken kosten van Zvw-prestaties. De beschikbare middelen, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, kunnen uit het macroprestatiebedrag worden afgeleid door daarop de geraamde opbrengsten van de nominale rekenpremie in mindering te brengen. Omdat, op grond van artikel 3.17 in het Besluit zorgverzekering, in artikel 3.15 is bepaald dat de bijdrage voor zorgverzekeraars wordt verhoogd met de specifieke geraamde no-claimteruggave, is het niet nodig hierbij te corrigeren voor de gemiddelde no-claimteruggave voor alle verzekerden.
     Het prestatiebedrag in de Rijksbegroting Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor de Zvw-gefinancierde uitgaven 2006 vormt de basis van de in dit artikel vermelde bedragen. Aan de in de begroting vermelde bedragen zijn toegevoegd de extra middelen die als onverdeelde post zijn opgenomen in de Rijksbegroting Volksgezondheid, Welzijn en Sport 2006.
     Het macroprestatiebedrag wordt in 2006 onderverdeeld in drie onderscheiden macrodeelbedragen. Bij de onderverdeling van het macroprestatiebedrag in deelbedragen is in principe aangesloten bij de sectorindeling in de Rijksbegroting 2006, zij het met enkele uitzonderingen en bijzonderheden.
     In de eerste plaats is bij de vaststelling van het macroprestatiebedrag de raming van de kosten maatgevend voor de omvang ervan en niet de raming van de financiering. Het verschil tussen beide vormt de raming van de mutatie van de financieringsachterstand bij ziekenhuizen.
     In de tweede plaats wordt binnen de kosten voor ziekenhuisverpleging een onderscheid gemaakt tussen voor zorgverzekeraars variabele en vaste kosten van ziekenhuisverpleging. Belangrijkste aangrijpingspunt hiervoor is een classificatie van componenten in de budgetsystematiek van algemene, academische en categorale ziekenhuizen. Alle budgetcomponenten die het College tarieven gezondheidszorg (CTG) hanteert bij de bepaling van de hoogte van de instellingsbudgetten zijn aangemerkt als hetzij vaste, hetzij variabele componenten. Deze classificatie wordt aan het College zorgverzekeringen ter hand gesteld. Op verzoek van het College zorgverzekeringen splitst het CTG aan de hand van deze classificatie de budgetten van algemene, academische en categorale ziekenhuizen in een vast en een variabel deel. Op grond daarvan wordt ter dekking van deze vaste en variabele instellingsbudgetten eveneens een splitsing aangebracht in de in rekening gebrachte tarieven. In de toelichting op artikel 3.8 en op artikel 3.9 wordt nader op deze splitsing ingegaan.
     De splitsing in vast en variabel van het onderdeel van het macroprestatiebedrag dat betrekking heeft op ziekenhuisverpleging is uitgevoerd aan de hand van cijfers die door het CTG beschikbaar zijn gesteld over vaste en variabele kosten bij verschillende soorten ziekenhuizen en overige instellingen die ziekenhuisverpleging verzorgen. Hierbij is de schoning van de instellingsbudgetten voor de onderhandelbare DBC’s (het zogenaamde B-segment) als variabel aangemerkt.
     Ten slotte zijn aan de onderscheiden macrodeelbedragen componenten toegevoegd voor kosten in verband met de financiering van geneeskundige hulp in het buitenland. Het gaat hierbij om een bedrag van in totaal €|299,9 miljoen. Deze kosten hangen zowel samen met Nederlandse ingezetenen die in het buitenland zorg afnemen (bijvoorbeeld bij ziekte tijdens tijdelijk verblijf of zorg in het buitenland met toestemming van de zorgverzekeraar) als met ingezetenen van andere landen die onder de Zvw vallen omdat zij in Nederlandse loondienst zijn.

 

Artikel 3.3

     De gewichten van de verdeelcriteria die het College zorgverzekeringen hanteert bij de berekening van het normatieve bedrag ten behoeve van een zorgverzekeraar zijn als bijlage bij deze regeling opgenomen. Deze gewichten zijn gebaseerd op statistische analyse van het verband tussen de kosten per verzekerde en relevante verzekerdenkenmerken. Uit bijlage 4 blijkt voorts welke klassen van verzekerden worden gehanteerd bij de toepassing van de onderscheiden verdeelcriteria.
     Het College zorgverzekeringen bepaalt het normatieve bedrag per zorgverzekeraar aan de hand van een raming van de verzekerdenaantallen naar klassen van verzekerden, de normbedragen naar leeftijd en geslacht en de optelling van de toe- en afslagen op grond van farmaceutische kostengroepen (FKG’s), diagnosekostengroepen (DKG’s), aard van het inkomen en regio.
     De ex-antenormbedragen worden momenteel dusdanig vastgesteld dat alle beschikbare middelen via de kenmerken leeftijd en geslacht worden verdeeld, waarna vervolgens herschikkingen plaatsvinden op basis van de andere verdeelkenmerken (FKG’s, DKG’s, aard van het inkomen en regio).
     In de nota van toelichting bij het Besluit zorgverzekering is al in algemene zin ingegaan op de vijf gehanteerde criteria: leeftijd en geslacht, FKG’s, DKG’s, aard van het inkomen en regio. In deze toelichting wordt daarom alleen ingegaan op enkele specifieke aandachtspunten bij de nadere invulling van de criteria in 2006. Tot deze invulling van de criteria is besloten na bestuurlijk overleg met Zorgverzekeraars Nederland (ZN) op 4 juli 2005. Hierbij is notie genomen van de uitkomsten van in 2004 en 2005 uitgevoerde statistisch onderzoeken en het eenstemmige advies dat de technische Werkgroep Onderzoek Risicoverevening (WOR) - met hierin vertegenwoordigers van VWS, College zorgverzekeringen, ZN, KPZ [Kontaktcommissie Publiekrechtelijke Ziektekostenregelingen voor ambtenaren, red.], zorgverzekeraars en diverse onderzoeksbureaus - op grond van deze onde