|
Websites met informatie over zorgverzekering en zorgtoeslag:
- Informatie zorgtoeslag
- Zorgverzekering info
- Zorgverzekering nieuws
- Zorgverzekering Univé
- Zvw-verzekering
REGELING van de Minister
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1
september 2005, nr. Z/VV-2611957, houdende regels ter zake
van de uitvoering van de
Zorgverzekeringswet (Regeling zorgverzekering)
De
Minister
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
Handelende in
overeenstemming met de Minister van Financiën
en de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
Gelet op de artikelen
32,
vierde lid, 35, vierde lid, 38, tweede
lid, 39, vierde lid, 40, vijfde, tiende en
elfde lid, 43, tweede lid, 45, tweede en vierde
lid, 46, eerste lid, 47,
50, vierde lid,¹ 52,
53, 59, negende lid,
68, eerste
tot en met vierde lid, 69, tweede en vijfde
lid,² 70, elfde lid, 75, derde en vierde
lid, 87, derde en zesde lid, 88, vierde
lid, 89, zesde lid, 106, derde lid, en
118,
eerste lid, van de Zorgverzekeringswet en de
artikelen 2.4, tweede en derde lid, 2.7, zesde lid,
2.8, eerste, tweede,
vijfde en zesde lid, 2.9, 2.12, tweede lid,
2.14, tweede lid, 2.16,
3.1, tweede lid, 3.3, derde lid,
3.4, tweede lid, 3.5, derde
lid, 3.6, derde lid, 3.8, vierde lid,
3.9,
eerste, derde, vierde en vijfde lid, 3.10,
eerste en tweede lid, 3.11, eerste tot en met
derde lid, 3.12, eerste tot en met derde
lid, 3.15, derde lid, en 3.17 van het
Besluit zorgverzekering;
Besluit:
[Redactie: bij
Regeling van de Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport van 13 oktober 2005, nr. Z/VV-2619300, houdende
wijziging van de Regeling zorgverzekering ter zake van de uitvoering van
de Zorgverzekeringswet (Stcrt. 2005,
203), zijn de artikelen 1 en 2.38
gewijzigd en zijn de artikelen 3.18, 8.2
en 8.3, onder vernummering van de artikelen
8.2 en 8.3 tot artikelen 8.4
en 8.5, en de hoofdstukken 4, 5
en 6 ingevoegd. De considerans van die regeling luidt
als volgt:
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport;
Handelende in overeenstemming met de Minister
en de Staatssecretaris van Financiën en de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
Gelet op de artikelen
38, 39, vierde lid, 40,
vijfde, tiende en elfde lid, 42, 43,
tweede lid, 45, tweede en vierde lid, 46,
eerste lid, 47, 52,
59, 69, tweede
en vijfde lid, 70, elfde lid, 106
en 118, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet;
Besluit:]
HOOFDSTUK
1
Definities
en algemene bepalingen
Art.
1.
-1. Deze regeling verstaat onder:
a. de minister: de Minister
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
b. specialité: een geneesmiddel als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de Wet
op de Geneesmiddelenvoorziening;
c. preparaat: een geneesmiddel als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Wet
op de Geneesmiddelenvoorziening;
d. branded generic: een specialité
die in de handel wordt gebracht onder een benaming waarin de stofnaam is
vermeld en waaraan een merkaanduiding is toegevoegd;
e. combinatiepreparaat: een
geneesmiddel dat meer dan één werkzaam bestanddeel bevat;
f. deel IB van het registerdossier:
het registerblad inhoudende de gegevens, bedoeld in artikel 2, eerste
lid, onderdeel h, van het Besluit registratie geneesmiddelen, of het
registerblad, bedoeld in deel I, onderdeel B, van de bijlage van de Richtlijn nr. 75/318/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van
20 mei 1975 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van
de lidstaten inzake de analytische, toxicologisch-farmacologische en
klinische normen en voorschriften betreffende proeven op farmaceutische
specialiteiten (PbEG L 147/1);
g. registratiehouder: degene op
wiens naam een geneesmiddel in het register, bedoeld in artikel 3,
eerste lid, van de Wet
op de Geneesmiddelenvoorziening, staat
ingeschreven dan wel degene die voor een geneesmiddel een vergunning
heeft ingevolge de Verordening (EEG) nr. 2309/93 van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 22 juli 1993 tot vaststelling van
communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen voor en het
toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en
tot oprichting van een Europees bureau voor de geneesmiddelenbeoordeling
(PbEG L 214);
h. Taxe: de Taxe, uitgegeven door
de Z-index BV;
i. Defined Daily Dose: de dagdosis
van een geneesmiddel, als vastgesteld onder verantwoordelijkheid van het
WHO Collaborating Centre for Drug Statistics Methodology;
j. Anatomical Therapeutic Chemical
Classification: de classificatie van geneesmiddelen, samengesteld onder
verantwoordelijkheid van het WHO Collaborating Centre for Drug
Statistics Methodology;
k. standaardkuur: de totale
hoeveelheid van het werkzame bestanddeel van een geneesmiddel dat,
blijkens de dosering vermeld in deel IB van het registerdossier, wordt
gegeven;
l. referentiehoeveelheid: de
hoeveelheid van een werkzaam bestanddeel, in een farmaceutische vorm
gebracht, waarmee, gegeven de standaarddosis en het gebruikelijke aantal
keren per dag dat het geneesmiddel wordt gegeven om die standaarddosis
te bereiken, de gebruikelijke dagelijkse dosering kan worden bereikt,
met dien verstande dat bij keuze tussen een retardvorm en een niet-retardvorm wordt uitgegaan van de
niet-retardvorm;
m. DBC:
diagnose-behandelingcombinatie;
n. een rekening-courant:
een rekening in de centrale administratie van ’s Rijks schatkist bij
het ministerie van Financiën op naam van een
rekening-couranthouder,
waarop dagelijks het geldelijk tegoed (positief of negatief) wordt
bijgehouden van de betrokken rekening-couranthouder bij het Rijk en de
mutaties in het tegoed;
o. de rekening-couranthouder: het College
zorgverzekeringen;
p. Euribor: de dagelijks door de European Banking Federation
vastgestelde rente waartegen op de geldmarkt interbancair deposito’s
in euro’s van verschillende looptijden worden aangeboden in landen
waar de euro betaalmiddel is;
q. prestatie: een prestatie als
omschreven bij of krachtens artikel
11 van de Zorgverzekeringswet;
r.
prestatiebeschrijving:
1º.
een beschrijving van de prestatie zoals die op grond van de Wet
marktordening gezondheidszorg voor een zorgaanbieder is vastgesteld;
dan wel
2º. een beschrijving van de prestatie
zoals die tussen de verzekerde en de zorgaanbieder is overeengekomen
indien voor die zorgaanbieder niet een prestatiebeschrijving op grond
van de Wet marktordening gezondheidszorg behoeft te worden vastgesteld;
s.
declaratieregeling: een regeling bedoeld
in artikel 38, derde lid, onderdeel b, van de Wet
marktordening gezondheidszorg;
t.
formele controle: een onderzoek waarbij
de zorgverzekeraar nagaat of het tarief dat door een zorgaanbieder voor
een prestatie in rekening is gebracht:
1º. een prestatie betreft welke is
geleverd aan een bij die zorgverzekeraar verzekerde persoon;
2º. een prestatie betreft welke behoort
tot het verzekerde pakket van die persoon;
3º. een prestatie betreft tot levering
waarvan de zorgaanbieder bevoegd is; en
4º. het tarief betreft dat voor die
prestatie krachtens de Wet marktordening gezondheidszorg is
vastgesteld of een tarief is dat voor die prestatie met de zorgaanbieder
is overeengekomen;
u.
materiële controle: een onderzoek waarbij
de zorgverzekeraar nagaat of de door de zorgaanbieder in rekening
gebrachte prestatie is geleverd en die geleverde prestatie het meest was
aangewezen gezien de gezondheidstoestand van de verzekerde;
v.
fraudeonderzoek: een onderzoek waarbij
de zorgverzekeraar nagaat of de verzekerde of de zorgaanbieder valsheid
in geschrifte, bedrog, benadeling van rechthebbenden of verduistering
pleegt of tracht te plegen ten nadele van bij de totstandkoming of uitvoering van een
overeenkomst van zorgverzekering betrokken personen en organisaties met
het doel een prestatie, vergoeding, betaling of ander voordeel te
krijgen waarop de verzekerde dan wel de zorgaanbieder geen recht heeft
of recht kan hebben;
w.
verhaalsrecht: het recht van de verzekeraar op
grond van artikel 962 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek de schade die is
veroorzaakt door anderen dan de verzekerde op deze derden te verhalen;
x.
detailcontrole: onderzoek door de zorgverzekeraar naar bij de
zorgaanbieder berustende persoonsgegevens met betrekking tot eigen
verzekerden ten behoeve van materiële controle of fraudeonderzoek;
y. algemene risicoanalyse: een
analyse die erop is gericht te bepalen op welke gegevens de materiële
controle of het fraudeonderzoek zich zal richten;
z. specifieke risicoanalyse: een
analyse die erop is gericht te bepalen op welke gegevens en op welke
zorgaanbieders of categorieën van zorgaanbieders de detailcontrole zich
zal richten;
aa. bewerker: degene bedoeld in
artikel 1, onderdeel e, van de Wet
bescherming persoonsgegevens;
bb. grensoverschrijdende zorg: zorg
waarop de Zorgverzekeringswet recht geeft en
die verzekerden buiten Nederland hebben genoten
-2. Voor de toepassing van deze regeling wordt onder mogendheid mede
verstaan de Nederlandse Antillen en Aruba.
HOOFDSTUK
2
Bepalingen
omtrent de prestaties
§ 1.
De prestaties en
eigen bijdragen
§ 1.1.
Geneeskundige
zorg
Art.
2.1.
De zorg, bedoeld in artikel 2.4 van het
Besluit zorgverzekering, omvat
niet:
a. behandeling van bovenoogleden die
verlamd of verslapt zijn, anders dan als gevolg van een aangeboren
afwijking of van een bij de geboorte aanwezige chronische aandoening;
b. liposuctie
van de buik;
c. het operatief plaatsen en het operatief vervangen van een borstprothese,
anders dan na een gehele of gedeeltelijke borstamputatie;
d. het operatief verwijderen van een
borstprothese zonder medische noodzaak;
e. behandelingen tegen snurken met
uvuloplastiek;
f. behandelingen gericht op
sterilisatie dan wel op het ongedaan maken daarvan;
g. behandelingen gericht op
circumcisie;
h. behandeling
van aanpassingsstoornissen.
Art.
2.2.
De zorg, bedoeld in artikel 2.4 van het
Besluit zorgverzekering, omvat tot 1
januari 2016 tevens behandeling van chronische aspecifieke lagerugklachten
met toepassing van radiofrequente denervatie indien de indicatie en de
behandeling van de verzekerde overeenkomstig de voorwaarden zijn die
opgenomen zijn in het onderzoeksvoorstel dat door ZonMw wordt
gefinancierd.
Art.
2.3.
-1. Voor
eerstelijnspsychologische zorg betaalt de verzekerde een eigen bijdrage
van:
a. €|20,00
per zitting;
b. €|50,00
voor een internetbehandeltraject.
-2. De verzekerde van 18 jaar of ouder
betaalt een eigen bijdrage voor zorg zoals psychiaters of klinisch
psychologen die plegen te bieden, die hij in een kalenderjaar heeft
ontvangen, van:
a. €|100,00
voor een DBC tot honderd minuten;
b. €|200,00
voor een DBC vanaf honderd minuten.
-3. De zorg, bedoeld in het tweede lid,
geldt als ontvangen op de datum waarop de DBC is geopend.
-4. De verzekerde betaalt over een
kalenderjaar aan eigen bijdragen, bedoeld in het tweede lid, niet meer
dan €|200,00.
-5. Het tweede lid is niet van toepassing
op:
a. een DBC voor indirecte tijd;
b. een DBC voor crisis;
c. zorg zoals psychiaters of
klinisch psychologen die plegen te bieden aan een verzekerde die, met
toepassing van de Wet
bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, verblijft in
een psychiatrisch ziekenhuis als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel h, van die
wet;
d. zorg
indien bemoeizorg de aanleiding is voor het starten van de DBC.
§ 1.2.
Mondzorg
Art.
2.4.
-1. Voor zorg als bedoeld in artikel
2.7, eerste lid, van het Besluit
zorgverzekering betaalt de verzekerde van 18 jaar of ouder, voor
zover het gaat om zorg die niet rechtstreeks in verband staat met de
indicatie voor bijzondere tandheelkundige hulp, een bijdrage ter grootte
van het bedrag dat bij de desbetreffende verzekerde in rekening zou
worden gebracht indien artikel
2.7, eerste lid, van het Besluit
zorgverzekering niet van
toepassing is.
-2. Indien de zorg, bedoeld in het eerste
lid, een uitneembare volledige prothetische voorziening dan wel een
uitneembare volledige prothetische voorziening te plaatsen op
tandheelkundige implantaten betreft, betaalt de verzekerde een eigen
bijdrage ter hoogte van €|125,00.
-3. Voor een uitneembare volledige
prothetische voorziening, bedoeld in artikel
2.7, vijfde lid, onderdeel b, van het Besluit
zorgverzekering, betaalt de verzekerde een eigen
bijdrage ter hoogte van 25% van de kosten van die
voorziening.
§ 1.3.
Farmaceutische
zorg
Art.
2.5.
-1. De aangewezen geregistreerde
geneesmiddelen zijn de geneesmiddelen, genoemd in bijlage 1 bij deze
regeling.
-2. Indien een geneesmiddel, genoemd in
bijlage 1 bij deze regeling, behoort tot één van de in
bijlage 2 bij
deze regeling genoemde categorieën van geneesmiddelen, omvat de
farmaceutische zorg slechts aflevering van dat geneesmiddel indien
voldaan is aan de bij die categorieën vermelde criteria.
-3. Polymere,
oligomere, monomere en
modulaire dieetpreparaten behoren slechts tot de farmaceutische zorg
indien voldaan is aan onderdeel 1 van bijlage
2 van deze regeling.
§ 1.4.
Hulpmiddelenzorg
Art.
2.6.
De aangewezen hulpmiddelen
en verbandmiddelen zijn:
a. uitwendige
hulpmiddelen ter volledige of gedeeltelijke vervanging van anatomische
eigenschappen van onderdelen van het menselijk lichaam of bedekking
daarvan, als omschreven in artikel 2.8;
b. uitwendige
hulpmiddelen voor het ademhalingsstelsel als omschreven in
artikel 2.9;
c. vervallen;
d. uitwendige hulpmiddelen te
gebruiken bij urinelozing en defecatie als omschreven in artikel
2.11;
e. uitwendige lichaamsgebonden
hulpmiddelen voor het bewegingssysteem als omschreven in artikel 2.12;
f. uitwendige hulpmiddelen
gerelateerd aan stoornissen in de visuele functie als omschreven in artikel 2.13;
g. gehoorhulpmiddelen als omschreven
in artikel 2.14;
h. hulpmiddelen voor persoonlijke
verzorging en bescherming als omschreven in artikel 2.15;
i. hulpmiddelen voor
anticonceptionele doeleinden als omschreven in artikel
2.16;
j. hulpmiddelen voor de mobiliteit
van personen als omschreven in artikel 2.17;
k. vervallen;
l. injectiespuiten als omschreven in
artikel 2.19;
m. uitwendige hulpmiddelen te
gebruiken bij het langdurig compenseren van het functieverlies van
aderen bij het transport van bloed en het functieverlies van lymfevaten
bij het transport van lymfe;
n. uitwendige hulpmiddelen te
gebruiken bij stoornissen in de functies van het hematologisch systeem;
o. uitwendige hulpmiddelen te
gebruiken bij het controleren en reguleren van stoornissen in de
bloedsuikerspiegel;
p. draagbare, uitwendige
infuuspompen als omschreven in artikel 2.22;
q. schoenvoorzieningen, niet zijnde
orthesen als omschreven in artikel 2.23;
r. hulpmiddelen voor het toedienen
van voeding als omschreven in artikel 2.24;
s. uitwendige hulpmiddelen
gerelateerd aan en ter compensatie van beperkingen in het spreken;
t. hulpmiddelen voor communicatie,
informatievoorziening en signalering als omschreven in artikel
2.26;
u. vervallen;
v. vervallen;
w. vervallen;
x. vervallen;
y. uitwendige elektrostimulators
tegen chronische pijn met toebehoren;
z. vervallen;
aa. soloapparatuur als omschreven
in artikel 2.29;
bb. vervallen;
cc. vervallen;
dd. vervallen;
ee. inrichtingselementen van
woningen als omschreven in artikel 2.33;
ff. geleidehonden als omschreven in
artikel 2.34;
gg. hulpmiddelen ter compensatie van
onvoldoende arm-, hand- en vingerfunctie als omschreven in artikel
2.35;
hh. thuisdialyseapparatuur als
omschreven in artikel 2.36.
De aangewezen verbandmiddelen zijn:
verbandmiddelen toe te passen bij een ernstige aandoening waarbij een
langdurige medische behandeling met deze middelen is aangewezen.
Art.
2.7.
-1. Indien in de artikelen 2.8 tot en met
2.36 een leeftijd is vermeld, wordt bedoeld de leeftijd van de
verzekerde op het moment waarop hij zich wendt tot de aanbieder van het
hulpmiddel.
-2. Indien een hulpmiddel in bruikleen
wordt gegeven, omvat het hulpmiddel tevens vergoeding van de kosten van
vervoer van het hulpmiddel naar en van de woning van de verzekerde, van
het regelmatig onderhoud ervan alsmede van de voor gebruik, ontsmetting
en reiniging van de apparatuur benodigde chemicaliën.
Art.
2.8.
-1.
Hulpmiddelen als bedoeld in artikel 2.6,
onderdeel a, omvatten:
a.
hulpmiddelen ter volledige of gedeeltelijke vervanging van:
1º.
de onderste en bovenste extremiteiten, inclusief oplaadinrichting en
batterijen indien het gaat om hulpmiddelen met een energievoorziening;
2º.
de mamma;
3º.
de stembanden;
4º.
het haar indien sprake is van gehele of gedeeltelijke kaalhoofdigheid
als gevolg van een medische aandoening of behandeling van medische aard;
b.
hulpmiddelen ter volledige of gedeeltelijke vervanging of bedekking van:
1º.
de oogbol;
2º.
het gelaat.
-2.
Indien de aanschaffingskosten van hulpmiddelen als bedoeld in het eerste
lid, onderdeel a, onder 4º, hoger zijn dan €|393,00,
betaalt de verzekerde een bijdrage ter grootte van het verschil tussen
de aanschaffingskosten en dat bedrag.
Art.
2.9.
-1.
Hulpmiddelen als bedoeld in artikel 2.6,
onderdeel b, omvatten uitwendige hulpmiddelen voor het geheel of
gedeeltelijk opheffen van de gevolgen van stoornissen in de functie van
het ademhalingsstelsel, met inbegrip van stoffen die met behulp van deze
hulpmiddelen worden toegediend, te weten:
a.
zuurstof;
b.
stoffen die gecertificeerd zijn als medisch hulpmiddel in de zin van de Wet
op de medische hulpmiddelen.
-2.
De zorg, bedoeld in het eerste lid, omvat in geval van
zuurstofapparatuur tevens vergoeding van stroomkosten.
-3.
De zorg, bedoeld in het eerste lid, omvat niet:
a.
apparatuur voor chronische ademhalingsondersteuning;
b.
apparatuur die uitsluitend wordt ingezet ter vermindering van snurken.
Art. 2.10.
Vervallen.
Art. 2.11.
-1. Hulpmiddelen als bedoeld in artikel
2.6, onderdeel d, omvatten uitwendige hulpmiddelen met al dan
niet inwendige onderdelen te gebruiken bij stoornissen in de functies
gerelateerd aan urinelozing en defecatie.
-2. De zorg, bedoeld in het eerste lid,
omvat in geval van absorberende incontinentieabsorptiematerialen:
a. materiaal voor verzekerden van
drie of vier jaar indien sprake is van een niet-fysiologische vorm van
incontinentie;
b. materiaal voor verzekerden van
vijf jaar of ouder, tenzij sprake is van kortdurende incontinentie of
van enuresis nocturna.
-3. De zorg, bedoeld in het eerste lid,
omvat niet:
a. schoonmaakmiddelen en
geurmiddelen;
b. huidbeschermende middelen anders
dan bij stomapatiënten, voor zover deze niet vallen onder de te
verzekeren prestatie farmaceutische zorg;
c. kleding, met uitzondering van
netbroekjes;
d. plaswekkers voor de behandeling
van enuresis nocturna;
e. beschermende onderleggers, tenzij
sprake is van een bijzondere individuele zorgvraag.
Art. 2.12.
-1. Hulpmiddelen als bedoeld in artikel 2.6, onderdeel e, omvatten uitwendige lichaamsgebonden
hulpmiddelen toe te passen bij een ernstige aandoening waarop de
verzekerde langdurig en niet uitsluitend bij sportactiviteiten is
aangewezen en die dienen voor het wijzigen van:
a. gestoorde functies van het
bewegingssysteem, aan beweging verwante functies of anatomische
eigenschappen van structuren verwant aan beweging;
b. de anatomische eigenschappen van
de schedel.
-2. Voor orthopedische schoenen betaalt de
verzekerde:
a. indien hij 16 jaar of ouder
is, een eigen bijdrage van €|139,00 per
jaar;
b. indien hij jonger is dan 16 jaar, een eigen bijdrage van €|69,50
per jaar.
Art. 2.13.
-1.
Hulpmiddelen als bedoeld in artikel 2.6, onderdeel f,
omvatten:
a. hulpmiddelen ter correctie van
stoornissen in de visuele functie van het oog en van functies van aan
het oog verwante structuren;
b. hulpmiddelen ter compensatie van
beperkingen;
1º. in het lezen, schrijven of gebruik van
telecommunicatieapparatuur;
2º. bij het om obstakels heenlopen of bij
de oriëntatie.
-2. De zorg, bedoeld in het eerste lid,
omvat niet:
a. brillenglazen of filterglazen
inclusief montuur;
b. eenvoudige hulpmiddelen voor
lezen en schrijven.
-3. In het geval van lenzen dient de
stoornis het gevolg te zijn van een medische aandoening of een trauma,
waarbij lenzen tot een grotere verbetering in de functies
gezichtsscherpte of kwaliteit van visus leiden dan brillenglazen.
-4. Voor lenzen betaalt de verzekerde:
a. een eigen bijdrage van €|52,50
per lens als sprake is van lenzen met een gebruiksduur langer dan één
jaar;
b. een eigen bijdrage van €|105,00
per kalenderjaar als sprake is van lenzen met een gebruiksduur korter
dan één jaar. Ingeval slechts één oog dient te worden gecorrigeerd,
geldt een eigen bijdrage van €|52,50 per
kalenderjaar.
-5. Voor blindengeleidehonden geldt dat een
tegemoetkoming kan worden verleend in de redelijk te achten
gebruikskosten.
Art. 2.14.
-1. Hulpmiddelen als bedoeld in artikel
2.6, onderdeel
g,
omvatten:
a. elektro-akoestische hoortoestellen voor persoonlijk gebruik, in
gewone dan wel bijzondere uitvoering, bestemd om op of aan het menselijk
lichaam te worden gebezigd ter verbetering van een gestoord gehoor,
alsmede gehoorlepels of gehoorslangen die het geluid via mechanische weg
versterken en de verschaffing en vervanging van oorstukjes, indien
voldaan is aan één van de zorginhoudelijke criteria, vermeld in bijlage
3, onderdeel 4, van deze regeling;
b. ringleidingen, bestaande uit een snoer en versterker met
zo nodig een
tafelmicrofoon dan wel infraroodapparatuur of FM-apparatuur voor
geluidsoverdracht, bestaande uit een ontvanger en een zender, al dan
niet met inductiespoel of hoofdtelefoon, of in kinbeugeluitvoering, met
zo nodig een tafelmicrofoon, indien voldaan is aan één van de
zorginhoudelijke criteria vermeld in bijlage
3, onderdeel
5, van deze
regeling;
c. een maskeerder ter behandeling van ernstig oorsuizen alsmede
verschaffing en vervanging van oorstukjes.
-2. Als een bijzondere uitvoering van een elektro-akoestisch hoortoestel
als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt beschouwd:
a. een crosuitvoering;
b. een bicrosuitvoering;
c. een beengeleideruitvoering;
d. een uitvoering met één ingebouwde microfoon en twee aansluitingen;
e. een uitvoering met één uitwendige microfoon en één aansluiting;
f. een uitvoering met één ingebouwde microfoon, één uitwendige
microfoon en één aansluiting.
-3. Indien de aanschaffingskosten van een hoortoestel als bedoeld in het
eerste lid, onderdeel a, hoger zijn dan €|509,50 en een toestel voor de
eerste keer wordt verstrekt, dan wel korter dan zes jaar geleden aan de
verzekerde is verstrekt, betaalt de verzekerde van 16 jaar of
ouder een bijdrage ter grootte van het verschil tussen de
aanschaffingskosten en dit bedrag.
-4. Indien de aanschaffingskosten van een hoortoestel als bedoeld in het
eerste lid, onderdeel a, hoger zijn dan €|600,50 en een toestel langer
dan zes, maar korter dan zeven jaren geleden aan de verzekerde is
verstrekt, betaalt de verzekerde van 16 jaar of ouder een bijdrage
ter grootte van het verschil tussen de aanschaffingskosten en dit
bedrag.
-5. Indien de aanschaffingskosten van een hoortoestel als bedoeld in het
eerste lid, onderdeel a, hoger zijn dan €|691,00 en een toestel zeven
jaren of langer geleden aan de verzekerde is verstrekt, betaalt de
verzekerde een bijdrage ter grootte van het verschil tussen de
aanschaffingskosten en dit bedrag. Voor een verzekerde van jonger dan 16
jaar geldt de gebruiksduur van zeven jaren of langer geleden
niet.
-6. Indien sprake is van een hoortoestel in
cros-, bicros- of
beengeleideruitvoering opgenomen in een brilmontuur, wordt het bedrag,
genoemd in het derde, vierde en vijfde lid, vermeerderd met €|66,00.
Art. 2.15.
Hulpmiddelen als bedoeld in artikel 2.6, onderdeel h,
omvatten:
a. vervallen;
b. vervallen;
c. vervallen;
d. vervallen;
e. vervallen;
f. vervallen;
g. vervallen;
h.
kappen ter bescherming van de schedel;
i.
vervallen;
j.
verbandmiddelen toe te passen bij een ernstige aandoening waarbij een
langdurige medische behandeling met deze middelen is aangewezen.
Art.
2.16.
Hulpmiddelen als bedoeld in artikel 2.6, onderdeel i,
omvatten, uitsluitend voor verzekerden jonger dan 21 jaar:
a. pessaria;
b. koperhoudende spiraaltjes.
Art. 2.17.
Hulpmiddelen als bedoeld in artikel 2.6, onderdeel j, omvatten:
a. krukken, loophulpen met drie of vier
poten, looprekken, rollators en loopwagens, indien de verzekerde hier
langdurig op is aangewezen om te kunnen lopen, niet kan worden volstaan
met een eenvoudiger hulpmiddel en sprake is van:
1º. evenwichtsstoornissen;
2º. functiestoornissen
van de onderste extremiteiten, al dan niet gepaard gaande met defecten;
of
3º. stoornissen
in het uithoudingsvermogen dan wel vormen van lichamelijke zwakte,
waarbij de verschaffing van een loophulpmiddel strekt tot behoud van de
zelfredzaamheid of ter voorkoming van opname in een instelling;
b. serveerwagens
indien de verzekerde hier langdurig op is aangewezen, niet volstaan kan
worden met een eenvoudiger hulpmiddel en sprake is van een hand- of
armfunctiestoornis;
c.
vervallen;
d. stoelen voorzien van een
trippelfunctie indien de verzekerde
langdurig op dit middel is aangewezen en:
1º. de verzekerde zich binnenshuis alleen zittend kan verplaatsen en
niet beschikt over een in huis bruikbare rolstoel;
2º. de verzekerde voldoet aan de voorwaarde voor een hulpmiddel als
bedoeld in onderdeel a, maar dit niet kan gebruiken vanwege een
gestoorde hand- of armfunctie; of
3º. zich niet zonder gebruik van de handen staande kan houden;
e. loopfietsen indien de verzekerde langdurig op dit middel is
aangewezen, sprake is van functiestoornissen van de onderste
extremiteiten, al dan niet gepaard gaande met defecten, en de verzekerde
niet kan volstaan met een eenvoudiger loophulpmiddel.
Art. 2.18.
Vervallen.
Art. 2.19.
-1. Hulpmiddelen als bedoeld in artikel
2.6, onderdeel l,
omvatten injectiespuiten met toebehoren, dan wel injectiepennen met
toebehoren, indien sprake is van een aandoening die een langdurig
gebruik van deze middelen noodzakelijk maakt, met uitzondering van
gebruik bij behandeling van diabetes.
-2. Een hulpmiddel als bedoeld in het eerste lid omvat tevens een aan een
handicap aangepaste uitvoering indien de verzekerde tengevolge van een
ernstige motorische handicap dan wel een verminderd gezichtsvermogen
redelijkerwijs niet kan volstaan met een injectiespuit of injectiepen in
een niet-aangepaste uitvoering.
Art. 2.20.
Vervallen.
Art. 2.21.
Vervallen.
Art. 2.22.
Hulpmiddelen als bedoeld in artikel 2.6, onderdeel p,
omvatten draagbare, uitwendige infuuspompen met toebehoren indien
sprake is van continue parenterale toediening in de thuissituatie van
een geneesmiddel dat valt onder de farmaceutische zorg, bedoeld in
artikel 2.8 van het Besluit
zorgverzekering, met uitzondering van
insuline.
Art. 2.23.
-1. Hulpmiddelen als bedoeld in artikel
2.6, onderdeel
q,
omvatten:
a. verbandschoenen indien voldaan is aan
één van de zorginhoudelijke criteria vermeld in bijlage
3, onderdeel 7, van deze regeling;
b. allergeenvrije schoenen indien er sprake is van een allergie.
-2. Indien de aanschaffingskosten van het hulpmiddel, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel a, hoger zijn dan €|146,00, betaalt de verzekerde
een bijdrage ter grootte van het verschil tussen de aanschaffingskosten
en dat bedrag.
-3. De verzekerde betaalt voor een hulpmiddel als bedoeld in het eerste
lid, onderdeel b, een bijdrage van:
a. indien hij 16 jaar of ouder is, €|139,00 per paar, vermeerderd
met het verschil tussen de aanschaffingskosten en €|329,00;
b. indien hij jonger is dan 16 jaar, €|69,50 per paar, vermeerderd
met het verschil tussen de aanschaffingskosten en €|259,50.
Art. 2.24.
-1. Hulpmiddelen als bedoeld in artikel
2.6, onderdeel
r,
omvatten, indien het gebruik om medische redenen aangewezen is:
a. niet-klinisch ingebrachte sondes met toebehoren;
b. uitwendige voedingspompen met toebehoren;
c. uitwendige toebehoren benodigd bij de toediening van parenterale
voeding.
-2. Hulpmiddelen als bedoeld in het eerste lid omvatten geen
voedings-,
genees- en verbandmiddelen.
Art. 2.25.
Vervallen.
Art. 2.26.
Hulpmiddelen als bedoeld in artikel
2.6, onderdeel
t,
omvatten:
a. computers met bijbehorende apparatuur voor lichamelijk
gehandicapten
indien de lichamelijk gehandicapte voor informatie en communicatie of
bediening van huishoudelijke hulpmiddelen geheel of nagenoeg geheel op
deze middelen is aangewezen;
b. schrijfmachines voor lichamelijk
gehandicapten indien de lichamelijk
gehandicapte voor het onderhouden van maatschappelijke contacten geheel
of nagenoeg geheel op deze middelen is aangewezen;
c. vervallen;
d. invoer- en uitvoerapparatuur en de daartoe benodigde programmatuur,
noodzakelijke upgrades daarvan, alsmede accessoires voor een computer,
een schrijfmachine en een rekenmachine, aangepast aan een lichamelijke
handicap;
e. vervallen;
f. bladomslagapparatuur;
g.
opname- en voorleesapparatuur, zijnde daisy-spelers of
daisy-programmatuur voor dyslectici en motorisch beperkten;
h. telefoons en een telefoneerhulpmiddel, zijnde:
1º. hulpmiddelen voor het kiezen van telefoonnummers;
2º. telefoonhoornhouders;
3º. met omgevingsbesturingsapparatuur te bedienen telefoons;
4º. teksttelefoons of beeldtelefoons voor auditief
gehandicapten indien voldaan is aan één van de zorginhoudelijke
criteria vermeld in bijlage 3, onderdeel 8 en 9, van deze regeling;
i. vervallen;
j. signaleringsapparatuur en een alarmeringssysteem, zijnde:
1º. wek- en waarschuwingsinstallaties ten behoeve van auditief
gehandicapten indien voldaan is aan één van de zorginhoudelijke
criteria vermeld in bijlage
3, onderdeel 10, van deze regeling;
2º. persoonlijke alarmeringsapparatuur voor lichamelijk
gehandicapten
indien de lichamelijk gehandicapte in een verhoogde risicosituatie
verkeert.
Art. 2.27.
Vervallen.
Art. 2.28.
Vervallen.
Art.
2.29.
Hulpmiddelen als bedoeld in artikel 2.6, onderdeel
aa,
omvatten soloapparatuur met toebehoren indien er sprake is van een
indicatie vermeld in bijlage 3, onderdeel 12, van deze regeling alsmede
indien de verzekerde:
a. de apparatuur gebruikt voor het volgen van her- of bijscholing, dan
wel niet tot het reguliere onderwijs behorende beroepsopleidingen in
klassikaal of groepsverband;
b. de apparatuur gebruikt voor het volgen van regulier onderwijs;
of
c. de apparatuur gebruikt voor het volgen van speciaal onderwijs in
klassikaal onderscheidenlijk groepsverband dat niet specifiek gericht
is op dove en slechthorende leerlingen; of
d. de apparatuur gebruikt tijdens het op medische gronden noodzakelijk
ondergaan van een groepsgewijze therapeutische behandeling; of
e. de apparatuur gebruikt bij het in een gestructureerd en georganiseerd
verband verrichten van betaalde of niet-betaalde werkzaamheden.
Art. 2.30.
Vervallen.
Art. 2.31.
Vervallen.
Art. 2.32.
Vervallen.
Art. 2.33.
-1. Hulpmiddelen als bedoeld in artikel
2.6, onderdeel
ee,
omvatten, indien de verzekerde langdurig daarop is aangewezen:
a. aan functiebeperkingen aangepaste tafels;
b. aan functiebeperkingen aangepaste
stoelen indien sprake is van
problemen bij het zitten en niet kan worden
volstaan met een stoel die voldoet aan de normale ergonomische eisen en
niet uitsluitend sprake is van vetzucht, reuzen- of dwerggroei, waarbij
de stoelen zijn voorzien van één of meer van de volgende functies of
aanpassingen:
1º. specifieke polstering;
2º. abductiebalk;
3º. arthrodesezitting;
4º. pelottes voor zijwaartse steun;
c.
antidecubituszitkussens;
d. bedden in speciale uitvoering met inbegrip van daarvoor bestemde
matrassen;
e.
antidecubitusbedden, -matrassen en
-overtrekken ter behandeling en
preventie van decubitus;
f. dekenbogen, onrusthekken, bedgalgen, papegaaien en portalen;
g. bedverkorters en
-verlengers;
h. bedbeschermende onderleggers
indien het verlies van bloed of exsudaat dusdanige hygiënische
problemen oplevert dat deze slechts door gebruik van een bedbeschermende
onderlegger kunnen worden ondervangen.
-2. Onder de in het
eerste lid, onderdeel b, bedoelde hulpmiddelen zijn hulpmiddelen
begrepen in een uitvoering met:
1º. zwenkwielen, beremming of hoog-laagmechanisme,
indien het hulpmiddel op diverse plaatsen of met verschillende
werkhoogte moeten worden gebruikt;
2º. een sta-opsysteem, indien de
verzekerde niet zelfstandig kan opstaan uit het hulpmiddel.
-3. Hulpmiddelen als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel
d tot en met g,
zijn slechts als hulpmiddelen aangewezen indien het gebruik daarvan
strekt tot behoud van de zelfredzaamheid en met de verschaffing opneming
in een instelling wordt voorkomen, dan wel indien de verzekerde is
aangewezen op verpleging.
Art. 2.34.
-1. Hulpmiddelen als
bedoeld in artikel 2.6,
onderdeel ff, omvatten hulphonden die een substantiële bijdrage
leveren aan de mobiliteit en de algemene of huishoudelijke dagelijkse
levensverrichtingen van een verzekerde die volledig doof is of die als
gevolg van blijvende ernstige lichamelijke functiebeperkingen aangewezen
is op hulp bij die mobiliteit of bij algemene of huishoudelijke
dagelijkse levensverrichtingen, waardoor zijn zelfstandigheid wordt
vergroot en het beroep op zorgondersteuning vermindert.
-2. De hulpmiddelen, bedoeld
in het eerste lid omvatten tevens een
tegemoetkoming in de redelijk te achten gebruikskosten.
Art.
2.35.
Hulpmiddelen als bedoeld
in artikel 2.6, onderdeel gg,
omvatten hulpmiddelen ter compensatie van
onvoldoende arm-, hand- en vingerfunctie indien de verzekerde als
gevolg van blijvende, ernstige lichamelijke
functiebeperkingen in arm-, hand-, en
vingerfunctie aangewezen is op
professionele hulp bij algemene of
huishoudelijke dagelijkse levensverrichtingen.
Art. 2.36.
-1. Hulpmiddelen als bedoeld
in artikel 2.6, onderdeel hh, omvatten
thuisdialyseapparatuur met toebehoren alsmede:
a. de regelmatige controle
en het onderhoud ervan en de chemicaliën en
vloeistoffen die nodig zijn voor het verrichten van dialyse;
b. vergoeding van de kosten
voor de redelijkerwijs te
verrichten aanpassingen in en aan de woning en voor het herstel in de
oorspronkelijke staat, voor zover andere wettelijke
regelingen daarin niet voorzien;
c. vergoeding van overige
redelijk te achten kosten die
rechtstreeks met de thuisdialyse samenhangen, voor zover andere wettelijke
regelingen daarin niet voorzien;
d. de overige gebruiksartikelen die
redelijkerwijs nodig zijn bij de thuisdialyse.
-2. De onderdelen a tot en met d
van het eerste lid zijn zowel van toepassing op hemodialyse als op de
verschillende vormen van peritoneaaldialyse.
§
1.4a. Verblijf
Art.
2.36a.
-1. De
verzekerde van 18 jaar of ouder betaalt voor verblijf dat noodzakelijk
is in verband met zorg zoals psychiaters of klinisch psychologen die
plegen te bieden een eigen bijdrage van €|145,00
per maand, met dien verstande dat geen bijdrage verschuldigd is
gedurende de eerste 31 dagen van dat verblijf.
-2. Een onderbreking van ten hoogste zeven
dagen wordt niet als onderbreking beschouwd, maar deze dagen tellen niet
mee voor de berekening van de 31 dagen.
-3. Over een gedeelte van een maand is de
bijdrage, bedoeld in het eerste lid, gelijk aan het bedrag per maand
vermenigvuldigd met twaalfmaal het aantal dagen waarover die bijdrage
binnen die maand verschuldigd is en gedeeld door 365.
§ 1.5.
Verzorging
Art. 2.37.
-1. Voor verzorging als
bedoeld in artikel 2.12 van het Besluit
zorgverzekering ten huize van de verzekerde betaalt de verzekerde een eigen bijdrage van €|4,00 per uur.
-2. Voor verzorging als
bedoeld in artikel 2.12 van het Besluit
zorgverzekering verleend in een
instelling zonder dat verblijf in de instelling
medisch noodzakelijk is, betaalt zowel de
moeder als het kind een eigen bijdrage
van €|16,00 per dag, die wordt
vermeerderd met het bedrag waarmee het tarief
van de instelling €|112,50 per dag te
boven gaat.
§ 1.6.
Ziekenvervoer
Art. 2.38.
-1. Het bedrag, bedoeld in
artikel 2.14, tweede lid, van het
Besluit zorgverzekering, bedraagt €|0,30 per kilometer.
-2. De verzekerde is voor
ziekenvervoer, anders dan
ambulancevervoer als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, van de Wet
ambulancevervoer, een
bijdrage verschuldigd van ten
hoogste €|93,00 per kalenderjaar.
-3. Een bijdrage is niet
verschuldigd:
a. voor vervoer van een
instelling waarin de verzekerde ten laste
van de zorgverzekering of de bijzondere ziektekostenverzekering is
opgenomen naar een
andere instelling waarin
de verzekerde ten laste van de zorgverzekering of de bijzondere
ziektekostenverzekering wordt opgenomen voor het
ondergaan van een specialistisch
onderzoek of een specialistische
behandeling waarvoor in de eerstbedoelde
instelling niet de mogelijkheid bestaat;
b. voor vervoer van een
instelling als bedoeld in onderdeel a
naar een persoon of instelling voor het ondergaan van een specialistisch onderzoek
of een specialistische behandeling ten laste van
de zorgverzekering waarvoor
in de eerstbedoelde instelling niet de
mogelijkheid bestaat, alsmede het
vervoer terug naar die instelling;
c. voor vervoer van een
instelling waarin de verzekerde ten laste
van de bijzondere ziektekostenverzekering
is opgenomen naar een
persoon of instelling voor een tandheelkundige behandeling ten laste van de
bijzondere ziektekostenverzekering, waarvoor in de eerstbedoelde instelling
niet de mogelijkheid bestaat, alsmede het
vervoer terug naar die
instelling.
§ 2.
De regels voor
indeling van geneesmiddelen in groepen
van onderling vervangbare
geneesmiddelen en voor de berekening van de
vergoedingslimieten en eigen bijdrage voor geneesmiddelen
Art. 2.39.
Bij de aanwijzing op
grond van artikel 2.8 van het Besluit
zorgverzekering en bij de toepassing van
deze paragraaf wordt uitsluitend acht
geslagen op:
a. deel IB van het registerdossier;
b. de publicaties onder
auspiciën van de World Health Organization
over de Defined Daily Dose en de Anatomical Therapeutical Chemical
Classification;
c. de in
medisch-farmaceutische kringen gebruikelijke
farmacologische en farmacotherapeutische handboeken;
d. publicaties in
tijdschriften die in medisch-farmaceutische
kringen als betrouwbare bronnen voor geneesmiddeleninformatie gelden;
e. gegevens afkomstig van farmaco-economisch onderzoek; en
f. andere gegevens en
bescheiden die voldoen aan de regels
ingevolge artikel 2, zesde lid, van het
Besluit registratie geneesmiddelen.
Art. 2.40.
-1. Geneesmiddelen worden als
onderling vervangbaar aangemerkt,
indien zij:
a. bij een gelijksoortig
indicatiegebied kunnen worden toegepast;
b. via een gelijke
toedieningsweg worden toegediend; en
c. in het algemeen voor
dezelfde leeftijdscategorie zijn bestemd.
-2. Bij de toedieningswegen
wordt een onderscheid gemaakt in
toediening door middel van injectie waarbij systemisch het gewenste effect wordt
beoogd, toediening niet door middel van een
injectie waarbij systemisch het
gewenste effect wordt beoogd,
toediening door middel van injectie
waarbij lokaal het gewenste effect wordt
beoogd en toediening niet door middel van een
injectie waarbij lokaal het
gewenste effect wordt beoogd.
-3. In afwijking van het
eerste en tweede lid worden geneesmiddelen
niet als onderling vervangbaar aangemerkt, indien:
a. tussen die geneesmiddelen
verschillen in eigenschappen bestaan;
b. deze verschillen in
eigenschappen zich voordoen of kunnen
voordoen bij de gehele patiëntenpopulatie bij welke de geneesmiddelen kunnen
worden toegepast; en
c.
uit de gegevens en
bescheiden, bedoeld in artikel 2.39,
blijkt dat deze verschillen in
eigenschappen, tezamen genomen, bepalend zijn
voor de keuze van het geneesmiddel door
de arts.
-4. In afwijking van het
eerste en tweede lid worden geneesmiddelen
die behoren tot een subgroep die alleen uit preparaten bestaat of alleen uit
specialités onder dezelfde merknaam, niet
als onderling vervangbaar beschouwd.
-5. In afwijking van het
eerste, tweede en derde lid wordt een
combinatiepreparaat als onderling vervangbaar
aangemerkt met een in een groep van
onderling vervangbare geneesmiddelen opgenomen geneesmiddel, niet zijnde
een combinatiepreparaat, dat een werkzaam
bestanddeel bevat dat voorkomt in het
combinatiepreparaat, indien:
a. alle werkzame
bestanddelen van het combinatiepreparaat
voorkomen in geneesmiddelen, niet
zijnde combinatiepreparaten, die zijn opgenomen in een groep van onderling
vervangbare geneesmiddelen; en
b. de in onderdeel a
bedoelde geneesmiddelen langs dezelfde
toedieningsweg worden toegediend en in het algemeen voor dezelfde
leeftijdscategorie zijn bestemd als het
combinatiepreparaat.
-6. Het vijfde lid is niet
van toepassing op combinatiepreparaten
van oestrogenen en progestagenen en combinatiepreparaten van thiazide- en
kaliumsparende diuretica.
Art. 2.41.
-1. Voor de berekening van
een vergoedingslimiet wordt uitgegaan van een standaarddosis van het werkzame
bestanddeel van het
geneesmiddel.
-2. De standaarddosis wordt
bepaald op basis van de Defined
Daily Dose, tenzij de Defined Daily Dose
lager is dan de in Nederland geadviseerde
minimale dosering of hoger is dan de in
Nederland geadviseerde maximale
dosering.
-3. Indien een werkzaam
bestanddeel onder verschillende zout-
of estervormen in de handel is en bij de Defined Daily Dose geen
onderscheid is gemaakt naar de zout- of
estervorm, wordt de standaarddosis voor de
verschillende zout- of estervormen,
voor zover mogelijk, herleid tot de zout- of
estervorm die het meest voorkomt in de
in artikel 2.39 genoemde bronnen.
-4. Voor uitwendig toegepaste
dermatologica geldt als standaarddosis
1 gram, 1 ml of 100 cm2,
afhankelijk van de gehanteerde hoeveelheidsmaat.
-5. De standaarddosis wordt
zoveel mogelijk vastgesteld met
overeenkomstige toepassing van de methodiek gehanteerd bij de vaststelling van
de Defined Daily Dose, indien:
a. voor een geneesmiddel
geen Defined Daily Dose is vastgesteld; of
b. de Defined Daily Dose
lager is dan de in Nederland geadviseerde
minimale dosering of hoger is dan
de in Nederland geadviseerde maximale
dosering.
-6. In afwijking van het
eerste tot en met vijfde lid wordt bij
geneesmiddelen waarvoor geldt dat de
duur van de medicatie wordt bekort door de
hoeveelheid per dag gegeven werkzame
bestanddelen te verhogen, uitgegaan
van de standaardkuur.
-7. De vergoedingslimiet van
een geneesmiddel wordt
opnieuw vastgesteld, indien:
a. de Defined Daily Dose van
dat geneesmiddel bij een
herziening van de Defined Daily Doses van
een categorie van geneesmiddelen in de
Anatomical Therapeutic Chemical
Classification op niveau 4 wordt gewijzigd
ten opzichte van de Defined Daily Dose
waarvan eerder bij de bepaling
van de standaarddosis was uitgegaan;
b. voor dat geneesmiddel de
standaarddosis was bepaald
overeenkomstig het vijfde lid, aanhef en onder a, en voor dat geneesmiddel een
Defined Daily Dose wordt vastgesteld;
of
c. wijziging optreedt in de
in Nederland geadviseerde minimale of
maximale dosering van een geneesmiddel, bedoeld in het vijfde lid, aanhef
en onder b, en die wijziging zou
leiden tot een andere standaarddosis dan die
waarvan bij de indeling van dat
geneesmiddel in de desbetreffende groep van onderling
vervangbare geneesmiddelen is
uitgegaan.
-8. Indien de Defined Daily
Dose van een geneesmiddel of van geneesmiddelen, van de prijs waarvan is uitgegaan voor de berekening van
een vergoedingslimiet, bij een herziening van de
Defined Daily Dose van een
categorie van geneesmiddelen in de
Anatomical Therapeutic Chemical Classification
op niveau 4 wordt gewijzigd,
wordt de vergoedingslimiet voor de groep onderling vervangbare
geneesmiddelen waartoe dat geneesmiddel behoort
opnieuw vastgesteld. Bij de
berekening van de nieuwe vergoedingslimiet
worden slechts betrokken de
geneesmiddelen die betrokken zijn bij de
eerdere berekening van de vergoedingslimiet.
Art. 2.42.
-1. Voor zover een groep van
onderling vervangbare
geneesmiddelen bestaat uit geneesmiddelen die vóór 1
oktober 1998 geregistreerd waren en de
prijs daarvan voorkwam in de op dat
tijdstip geldende Taxe, wordt voor de
berekening van de vergoedingslimiet voor de
tot die groep behorende geneesmiddelen uitgegaan van de prijzen vermeld
in de bedoelde Taxe.
-2. Indien een groep van
onderling vervangbare geneesmiddelen bestaat
uit geneesmiddelen die na het
in het eerste lid bedoelde tijdstip
geregistreerd zijn of waarvan de prijs voor het
eerst voorkwam in een na dat tijdstip
verschenen Taxe, wordt voor de
berekening van de vergoedingslimiet voor de
tot die groep behorende geneesmiddelen
uitgegaan van de prijs van het geneesmiddel waarvan de prijs het eerst in de Taxe is vermeld.
-3. Bij de berekening van de
vergoedingslimiet worden de prijzen van
parallel geïmporteerde geneesmiddelen en van combinatiepreparaten als
bedoeld in artikel 2.40, vijfde lid, buiten beschouwing gelaten.
Art. 2.43.
-1. Per groep van onderling
vervangbare geneesmiddelen wordt een
gemiddelde prijs berekend.
-2. Voor de berekening van de
gemiddelde prijs wordt de groep
verdeeld in subgroepen van geneesmiddelen die hetzelfde werkzame
bestanddeel of dezelfde combinatie van
werkzame bestanddelen hebben.
-3. Binnen een subgroep wordt
voor de specialités met
eenzelfde merknaam, met uitzondering van de branded generics, een gemiddelde prijs per
standaarddosis berekend.
-4. Binnen een subgroep wordt
voor andere geneesmiddelen dan
die, bedoeld in het derde lid, een gemiddelde prijs per standaarddosis
berekend. Die prijs is het gemiddelde van de
laagste prijzen van de geneesmiddelen in
dezelfde farmaceutische vorm.
-5. Per subgroep worden de
ingevolge het derde en vierde lid
berekende gemiddelde prijzen per standaarddosis opgeteld en wordt die uitkomst
gemiddeld, zodat een prijs per
subgroep wordt verkregen.
-6. Indien in de Taxe voor
een specialité meer dan één prijs
wordt vermeld, wordt uitgegaan van de laagste
prijs.
Art. 2.44.
-1. Indien de groep van
onderling vervangbare geneesmiddelen bestaat
uit slechts één subgroep,
is de in artikel 2.43, vijfde lid,
bedoelde prijs per subgroep de basis voor de
berekening van de vergoedingslimiet van
de tot die groep behorende
geneesmiddelen.
-2. Indien de groep van
onderling vervangbare geneesmiddelen bestaat
uit meer dan één subgroep, worden, indien:
a. de geneesmiddelen behoren
tot één categorie in de
Anatomical Therapeutic Chemical Classification
op niveau 4, alle prijzen per subgroep
bij elkaar opgeteld en wordt vervolgens het
gemiddelde ervan berekend;
b. de geneesmiddelen behoren
tot verschillende categorieën op niveau 4
van de Anatomical Therapeutic Chemical Classification, de
prijzen voor de verschillende subgroepen, voor zover behorend tot dezelfde
categorie, gemiddeld, worden de aldus berekende
prijzen voor de afzonderlijke
categorieën opnieuw gemiddeld en
vormt het aldus verkregen gemiddelde de
berekeningsbasis voor de bepaling van de vergoedingslimiet.
Art. 2.45.
-1. Indien er binnen een
groep van onderling vervangbare
geneesmiddelen een geneesmiddel is waarvan de prijs per standaarddosis gelijk is
aan de in artikel 2.44 bedoelde
berekeningsbasis, is de vergoedingslimiet voor de
geneesmiddelen uit die groep gelijk aan
de prijs per standaarddosis van dat geneesmiddel.
-2. Indien er binnen een
groep van onderling vervangbare
geneesmiddelen geen geneesmiddel is waarvan de prijs per standaarddosis gelijk is
aan de in artikel 2.44 bedoelde
berekeningsbasis, is de vergoedingslimiet voor de
geneesmiddelen uit die groep gelijk aan
de prijs per standaarddosis van het geneesmiddel die zo dicht mogelijk onder
de berekeningsbasis ligt.
Art. 2.46.
-1. Indien van een
geneesmiddel verschillende toedieningssterkten
bestaan, wordt de vergoedingslimiet, berekend overeenkomstig de artikelen 2.41 tot en
met 2.45, voor het
geneesmiddel met de kleinste toedieningssterkte gecorrigeerd door de ongecorrigeerde
vergoedingslimiet te vermenigvuldigen met
2/10 maal het quotiënt van de
referentiehoeveelheid en de kleinste
toedieningssterkte van dat geneesmiddel, vermeerderd met 8/10.
-2. Voor geneesmiddelen die
voor andere leeftijdscategorieën dan
volwassenen zijn bestemd, is de referentiehoeveelheid de hoeveelheid die
voorkomt in het preparaat van de hoogste
hoeveelheid van die andere
leeftijdscategorieën.
-3. De dimensie van de
referentiehoeveelheid moet gelijk zijn aan de
dimensie van de kleinste toedieningsvorm.
-4. Bij geneesmiddelen als
bedoeld in de artikelen 2.40, vijfde
lid, en 2.41, zesde lid, blijven het eerste
tot en met het derde lid buiten toepassing.
Art. 2.47.
-1. De vergoedingslimiet van
een combinatiepreparaat als bedoeld in artikel 2.40, vijfde lid, is
gelijk aan de som van de vergoedingslimieten
voor de geneesmiddelen, niet zijnde
combinatiepreparaten, die de werkzame
bestanddelen bevatten die in het
combinatiepreparaat voorkomen en die langs
dezelfde toedieningsweg worden toegediend en in
het algemeen voor dezelfde
leeftijdscategorie zijn bestemd als het
combinatiepreparaat.
-2. Indien de in het eerste
lid bedoelde geneesmiddelen die geen
combinatiepreparaten zijn een in het combinatiepreparaat voorkomend werkzaam
bestanddeel bevatten in een andere
hoeveelheid of in een andere
toedieningsvorm dan die welke in het
combinatiepreparaat voorkomt, wordt uitgegaan van de vergoedingslimieten
die voor die
geneesmiddelen zouden hebben gegolden
indien die geneesmiddelen dat
werkzame bestanddeel zouden hebben bevat in de
hoeveelheid en de toedieningsvorm die
in het combinatiepreparaat
voorkomt.
Art. 2.48.
Voor zover de toepassing
van de artikelen 2.40 tot en met 2.47 naar
het oordeel van de minister tot een uitkomst leidt die niet in
overeenstemming is met de strekking daarvan, kan de minister een besluit nemen in
afwijking daarvan.
Art. 2.49.
De eigen bijdrage
bedraagt de kosten van een geneesmiddel dat
is ingedeeld in een groep van
onderling vervangbare geneesmiddelen, voor
zover de toepasselijke vergoedingslimiet,
omgerekend naar de desbetreffende
hoeveelheid, lager is dan de
inkoopprijs die vermeld staat in de Taxe,
verhoogd met de over het verschil
verschuldigde omzetbelasting.
§ 3.
De
aanvraagprocedure voor aanwijzing geregistreerde
geneesmiddelen
Art. 2.50.
-1. De registratiehouder kan
bij de minister een aanvraag indienen om
een geneesmiddel aan te
wijzen ingevolge artikel 2.8, eerste lid,
onderdeel a, van het Besluit
zorgverzekering.
-2. De aanvraag geschiedt met
gebruikmaking van een door de minister vast te stellen formulier.
Daarbij worden de gegevens en de bescheiden
verschaft die voor de beslissing op de
aanvraag nodig zijn. De datum van
ontvangst wordt aan de aanvrager meegedeeld.
-3. Indien de overgelegde
gegevens en bescheiden onvoldoende
zijn, stelt de minister de aanvrager in
de gelegenheid binnen een door hem te
bepalen termijn de aanvraag aan te
vullen.
-4. De minister hoort over de
aanvraag het College zorgverzekeringen.
-5. De minister beslist
binnen 90 dagen na ontvangst van de
aanvraag. Deze termijn wordt opgeschort met ingang van de dag waarop de
minister de aanvrager uitnodigt de aanvraag aan
te vullen, tot de dag waarop de aanvraag
is aangevuld of de daarvoor gestelde
termijn ongebruikt is verstreken.
-6. De inhoud van het
voorgenomen besluit, voor zover
betrekking hebbend op de aanvraag, wordt aan
de aanvrager meegedeeld. Daarbij wordt
tevens het oordeel van het College
zorgverzekeringen toegezonden en wordt de
motivering vermeld, tenzij
redelijkerwijs kan worden aangenomen dat
daaraan geen behoefte bestaat. Aan de
aanvrager wordt meegedeeld welke
rechtsmiddelen hem ter beschikking
staan.
-7. Het tweede tot en met het
zesde lid zijn van overeenkomstige
toepassing indien de
registratiehouder verzoekt om herziening van een
besluit ingevolge het eerste lid en hij daartoe
nieuw gebleken feiten of veranderde
omstandigheden aanvoert.
-8. Indien de minister voornemens is een geneesmiddel ambtshalve
aan te wijzen ingevolge artikel 2.8, eerste lid, onderdeel a, van het
Besluit
zorgverzekering dan wel zodanige
aanwijzing te wijzigen, deelt hij de
registratiehouder uiterlijk één maand vóór de beoogde
datum van inwerkingtreding de
zakelijke inhoud van het
voorgenomen besluit mede. Het vierde en zesde
lid zijn van overeenkomstige
toepassing.
-9. Indien het een
geneesmiddel betreft met dezelfde werkzame
bestanddelen, van dezelfde sterkte en
in dezelfde farmaceutische vorm als een geneesmiddel dat reeds ingevolge
artikel 2.8, eerste lid, onderdeel a, van het
Besluit zorgverzekering is aangewezen, zijn het
tweede tot en met vierde lid,
het zesde lid, tweede volzin, en het zevende en
achtste lid niet van toepassing.
HOOFDSTUK
3
De in het
uitvoeringsverslag op te nemen gegevens
Art.
3.1.
-1. De
zorgverzekeraar neemt in ieder geval in zijn uitvoeringsverslag op:
a. het profiel, de
organisatiestructuur en het gevoerde en voorgenomen beleid bij de
uitvoering van de Zorgverzekeringswet;
b. de wijze waarop hij uitvoering
geeft aan de zorgplicht;
c. de wijze waarop hij uitvoering
geeft aan de acceptatieplicht en het verbod op premiedifferentiatie;
d. de wijze waarop hij de
afhandeling van klachten van de verzekerden heeft georganiseerd alsmede
de resultaten daarvan;
e. de wijze waarop hij uitvoering
geeft aan gedragscodes waaraan hij zich heeft verbonden;
f. of hij het Protocol
incassotraject wanbetalers Zorgverzekeringswet is nagekomen, en zo nee,
welke onderdelen niet, waarom niet en wat hij in de plaats van die
onderdelen aan incassowerkzaamheden heeft verricht;
g. algemene gegevens over de
honorering van directie en bestuur van de zorgverzekeraar voor de
uitvoering van de Zorgverzekeringswet;
h. gegevens over zijn relaties met
aanbieders van zorg en de wijze waarop hij stuurt op de kwaliteit van
door hen geleverde zorg.
-2. Het uitvoeringsverslag wordt, voor
zover het gaat om de in het vorige lid genoemde aspecten, ingericht
overeenkomstig een door de zorgautoriteit beschikbaar te stellen model.
HOOFDSTUK
4
Bepalingen
omtrent het Zorgverzekeringsfonds
Art. 4.1.
De reserve, bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de
Zorgverzekeringswet, wordt vastgesteld op nihil.
Art. 4.2.
In de centrale administratie van 's Rijks schatkist wordt een
rekening-courant geopend op naam van het College
zorgverzekeringen ten
behoeve van de financiële middelen van het Zorgverzekeringsfonds op
grond van artikel 40, tweede lid, van de
Zorgverzekeringswet.
Art.
4.3.
-1. De betaalrekeningen van het College
zorgverzekeringen bij in
Nederland gevestigde banken worden door het ministerie van Financiën in
overeenstemming met de betrokken banken opgenomen in concernverband met
betaalrekeningen van 's Rijks schatkist bij die banken.
-2. Dagelijks op nader in overleg met de betrokken banken te bepalen
tijdstippen worden de op de betaalrekeningen van het College
zorgverzekeringen voorkomende positieve saldi overgeboekt naar 's Rijks
schatkist, dan wel worden voorkomende negatieve saldi aangevuld
vanuit 's Rijks schatkist. De hiermee samenhangende mutaties op de
betaalrekeningen worden door het ministerie van Financiën ten gunste
dan wel ten laste van de rekening-courant, bedoeld in artikel
4.2,
geboekt.
-3. Het ministerie van Financiën sluit met het College
zorgverzekeringen een overeenkomst ter uitwerking van het gebruik van de
rekening-courant.
-4. In de overeenkomst, bedoeld in het derde lid, worden afspraken
vastgelegd over de wederzijdse informatievoorziening tussen enerzijds
het ministerie van Financiën en anderzijds het College
zorgverzekeringen en kan bij wijze van uitzondering afgesproken worden
om een betaalrekening buiten het concernverband als bedoeld in het
eerste lid te houden.
Art. 4.4.
-1. Ten gunste van de rekening-courant, bedoeld in artikel
4.2, worden
door het ministerie van Financiën tevens geboekt:
a. de bijdragen van het Rijk aan de rekening-couranthouder ten behoeve
van het Zorgverzekeringsfonds;
b. de afdrachten van de door de rijksbelastingdienst geïnde bijdragen
aan de rekening-couranthouder ten behoeve van het Zorgverzekeringsfonds;
c. de creditrente, bedoeld in artikel 4.5, vierde lid.
-2. Ten laste van de rekeningen-courant, bedoeld in artikel
4.2, wordt
door het ministerie van Financiën tevens geboekt de debetrente, bedoeld
in artikel 4.5, vierde lid.
-3. De boekingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, worden door
het ministerie van Financiën van valutadata voorzien, zodanig dat deze
data overeenkomen met de gemiddelde data waarop de bijdragen door de
rijksbelastingdienst worden geïnd.
Art. 4.5.
-1. Over het dagelijkse
creditsaldo van de rekening-courant wordt door de minister van
Financiën een rente vergoed die gelijk is aan het 12-maands Euribor van
de desbetreffende dag.
-2. Over het dagelijkse debetsaldo van de rekening-courant wordt door de
rekening-couranthouder een rente betaald die gelijk is aan het 1-maands
Euribor.
-3. De Minister van Financiën deelt het geldende rentepercentage
schriftelijk aan de rekening-couranthouder mee.
-4. De rente wordt jaarlijks achteraf, met valutadatum 31 december van
het jaar waarop de renteberekening betrekking heeft, ten gunste
respectievelijk ten laste van de rekening-courant geboekt. Daartoe stelt
de Minister van Financiën een rentenota op.
Art. 4.6.
De rekening-couranthouder is bevoegd een bedrag van ten hoogste €|2,5
miljoen buiten de rekening-courant te houden.
HOOFDSTUK
5
Bepalingen
omtrent de inkomensafhankelijke bijdrage
Art. 5.1.
Het bijdrage-inkomen, bedoeld in artikel 42 van de
Zorgverzekeringswet,
dat voor de heffing van de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in
artikel 41 van die wet, ten hoogste in aanmerking wordt genomen, wordt
vastgesteld op €|50 064,00.
Art. 5.2.
-1. Het percentage, bedoeld in artikel
45, eerste lid, van de
Zorgverzekeringswet, wordt vastgesteld op 7,1.
-2. In afwijking van het eerste lid bedraagt het bijdragepercentage:
a. over
bijdrage-inkomen voortvloeiende uit werkzaamheden van een
verzekeringsplichtige aan boord van een zeeschip, mits de zeewerkgever
of scheepseigenaar het risico als bedoeld in hoofdstuk
3 van de
Zorgverzekeringswet zolang
deze verzekeringsplichtige niet is teruggekeerd of heeft kunnen
terugkeren naar het land waar hij thuisbehoort, op grond van een
verdragsrechtelijke bepaling of een bepaling die daar op stoelt in
belangrijke mate voor zijn rekening neemt, nihil;
b. over bijdrage-inkomen waarover geen recht bestaat op de vergoeding
van de verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage door de
inhoudingsplichtige, bedoeld in artikel 46, eerste lid, van de
Zorgverzekeringswet, met uitzondering van een uitkering op grond van de
Algemene Ouderdomswet of een koopkrachttegemoetkoming als bedoeld in
de Wet mogelijkheid koopkrachttegemoetkoming
oudere belastingplichtigen, 5,0;
c. over belastbare periodieke uitkeringen of verstrekkingen op grond van
een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting als
bedoeld in artikel 3.101, eerste lid, onderdeel b, van de Wet
inkomstenbelasting 2001, tenzij artikel 11, eerste lid, onderdeel g, van
het Uitvoeringsbesluit
loonbelasting 1965 toepassing vindt, indien deze
periodieke uitkering of verstrekking ook in 2005 is genoten, nihil.
-3. Ingeval het bijdrage-inkomen meer bedraagt dan het maximumbedrag,
bedoeld in artikel 5.1, en is samengesteld uit bestanddelen waarover een
verschillend bijdragepercentage is verschuldigd, worden de bestanddelen
zodanig toegerekend dat het bijdragepercentage van 7,1 het eerste in
aanmerking wordt genomen, vervolgens het bijdragepercentage van 5,0 en
ten slotte het nihilbijdragepercentage.
Art. 5.3.
De inkomsten, bedoeld in artikel 45, vierde lid, van de
Zorgverzekeringswet, betreffen voor het berekenen van de
bijdragepercentages die met ingang van 1 januari 2008 gelden:
a. het geraamde totaalbedrag aan nominale rekenpremies, bedoeld in
artikel 1, onderdeel g, van het Besluit
zorgverzekering, dat in 2008 aan
de zorgverzekeraars zal worden betaald;
b. het geraamde totaalbedrag dat de zorgverzekeraars in
2008 van hun
verzekerden zullen ontvangen tengevolge van een door hen vast te
stellen opslag op de in onderdeel a bedoelde rekenpremie;
c. het geraamde totaalbedrag aan
verplicht eigen risico dat over het kalenderjaar 2008 door verzekerden
zal worden betaald, verminderd met het geraamde totaalbedrag dat het
Centraal Administratiekantoor op grond van artikel
118a van de Zorgverzekeringswet aan
de daar bedoelde verzekerden zal uitkeren;
d. de rijksbijdrage, bedoeld in artikel 54 van de
Zorgverzekeringswet,
die voor het kalenderjaar 2008 aan het Zorgverzekeringsfonds wordt
toegevoegd;
e. het geraamde totaalbedrag aan inkomensafhankelijke bijdragen als
bedoeld in artikel 43 van de
Zorgverzekeringswet die over 2008 geheven
zullen worden.
Art. 5.4.
Als loon, bedoeld in artikel
46, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet,
wordt aangewezen:
a. loon uit tegenwoordige
dienstbetrekking overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de Wet
op de loonbelasting 1964, met uitzondering van:
1º. de genoten beloning, bedoeld in
artikel 4, onderdeel f, van de Wet
op de loonbelasting 1964;
2º. het in artikel 13bis van de Wet
op de loonbelasting 1964 bedoelde voordeel, voor zover dit voordeel door
middel van een aan de werknemer opgelegde naheffingsaanslag als loon in
aanmerking is genomen;
3º. de genoten beloning van de directeur-grootaandeelhouder,
bedoeld in de Regeling aanwijzing
directeur-grootaandeelhouder;
b. tot de eerste dag van de
kalendermaand volgende op de maand waarin de verzekeringsplichtige de
leeftijd van 65 jaar bereikt: loon uit vroegere arbeid overeenkomstig de
wettelijke bepalingen van de Wet op de loonbelasting 1964, met
uitzondering van:
1º. uitkeringen ingevolge een
pensioenregeling of regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in
de Wet op de loonbelasting 1964, niet zijnde een uitkering ingevolge een
regeling voor vervroegde uittreding die vóór 1 januari 2006 is
ingegaan en op grond waarvan de uitkeringsgerechtigde ingevolge artikel
1, onderdeel g, van het Aanwijzingsbesluit
verzekerden Zfw verzekerd was ingevolge de Ziekenfondswet;
2º. uitkeringen of pensioenen krachtens of
vanwege een pensioenregeling als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel
c en d, van de Toeslagwet
Indonesische pensioenen 1956,
het Pensioenreglement Nederlands Nieuw Guinea (Gouvernementsblad van
Nederlands Nieuw Guinea 1958, 83), de Wet
aanpassing pensioenvoorzieningen Bijstandkorps, de Garantiewet
Surinaamse pensioenen en de
Toeslagregeling pensioenen Suriname en Nederlandse Antillen;
3º. uitkeringen en verstrekkingen
ingevolge een aanspraak op periodieke uitkeringen en verstrekkingen als
bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, van de Wet
op de loonbelasting 1964;
4º. inkomsten als bedoeld in artikel 11,
eerste lid, onderdeel a, d, f, i, j, k
en l, van het Uitvoeringsbesluit
loonbelasting 1965;
5º. uitkeringen ingevolge de Algemene
Ouderdomswet; en
6º.
overbruggingsuitkeringen ingevolge een aanspraak op het
overbruggingsfonds van de Stichting Contractspelersfonds KNVB en de
Stichting Nederlands Wielrennersfonds;
7º.
uitkeringen ingevolge de derde
afdeling van de Algemene
pensioenwet politieke ambtsdragers die worden ontvangen door een
afgetreden lid van de Tweede Kamer van wie de arbeidsverhouding
gedurende het lidmaatschap van de Tweede Kamer ingevolge artikel 4,
aanhef en onder f, van de Wet
op de loonbelasting 1964 voor de toepassing van die
wet als dienstbetrekking werd beschouwd.
Art. 5.5.
Een bedrag dat in aanmerking is genomen als bijdrage-inkomen in de zin
van artikel 43, eerste lid, onderdeel a, van de
Zorgverzekeringswet wordt niet in aanmerking genomen als bijdrage-inkomen in de zin van
artikel 43, eerste lid, onderdeel b, van die
wet.
Art. 5.6.
Tot het bijdrage-inkomen, bedoeld in artikel 42 van de
Zorgverzekeringswet, behoren niet:
a. uitkeringen ingevolge de socialezekerheidswetgeving van een andere
mogendheid die zijn onderworpen aan premieheffing krachtens een
wettelijke regeling inzake ziektekosten van die andere mogendheid;
b. ten aanzien van degene die verzekeringsplichtig is en die tevens
werkzaamheden verricht of heeft verricht buiten Nederland: het gedeelte
van het bijdrage-inkomen waarop ingevolge een internationale regeling
inzake sociale zekerheid die tussen Nederland en één of meer andere
mogendheden van kracht is, de wetgeving van een andere mogendheid van
toepassing is of dat, bij gebreke van een internationale regeling, is
onderworpen aan premieheffing krachtens een wettelijke regeling inzake
ziektekosten van een andere mogendheid;
c. ten aanzien van degene die niet is uitgezonderd van de
volksverzekeringen op grond van artikel
13, eerste lid, onderdeel a,
artikel 13, tweede lid, onderdeel c, artikel
13, derde lid, onderdeel
a,
artikel 13, vierde lid, onderdeel c, artikel
14, eerste lid, onderdeel
a, artikel 15, eerste lid,
onderdeel a, b en c, onder 1º, of
artikel 16,
eerste lid, onderdeel a, van het Besluit
uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 in verband met het verrichten van de
in die artikelen bedoelde andere werkzaamheden: het belastbare loon uit
de dienstbetrekking uit hoofde waarvan hij zou zijn uitgezonderd van de
volksverzekeringen indien hij die andere werkzaamheden niet zou hebben
verricht.
Art. 5.7.
-1. Ten aanzien van de persoon
die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar niet
verzekeringsplichtig is ingevolge de
Zorgverzekeringswet, doch wel
belastingplichtig is voor de inkomstenbelasting, wordt voor de
bijdrageheffing bij wege van aanslag het bijdrage-inkomen naar
tijdsevenredigheid afgeleid van het bijdrage-inkomen dat in aanmerking
zou zijn genomen indien de verzekeringsplicht ingevolge de
Zorgverzekeringswet volledig zou zijn samengevallen met de
belastingplicht.
-2. In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt als
bijdrage-inkomen geen hoger bedrag in aanmerking genomen dan het
bijdrage-inkomen verminderd met het gedeelte daarvan waarop, ingevolge
een internationale regeling inzake sociale zekerheid die tussen
Nederland en één of meer andere mogendheden van kracht is, de wetgeving
van een andere mogendheid van toepassing is of dat, bij gebreke van een
internationale regeling, is onderworpen aan premieheffing krachtens een
wettelijke regeling inzake ziektekosten van een andere mogendheid.
Art. 5.8.
Ten aanzien van degene die gedurende een deel van het kalenderjaar
anders dan door overlijden niet verzekeringsplichtig is ingevolge de
Zorgverzekeringswet, wordt voor de bijdrageheffing als bijdrage-inkomen
in aanmerking genomen het bedrag dat naar tijdsevenredigheid is afgeleid
van het bijdrage-inkomen dat op grond van artikel
43, tweede lid, van de
Zorgverzekeringswet ten hoogste in aanmerking zou zijn genomen indien
gedurende het gehele kalenderjaar sprake was geweest van
verzekeringsplicht, tenzij toepassing van de bepalingen in de
Zorgverzekeringswet of van de overige bepalingen in deze regeling tot
een lager bijdrage-inkomen leidt.
Art. 5.9.
Indien voor de heffing van de inkomensafhankelijke bijdrage bij wege van
aanslag het heffingspercentage of het bijdrage-inkomen wordt bepaald
door middel van tijdsevenredige vaststelling, wordt daarbij:
a. een kalenderjaar op 360 dagen gesteld;
b. een kalendermaand op 30 dagen gesteld;
c. de dag waarop het tijdvak
aanvangt als een gehele dag in aanmerking
genomen;
d. de dag waarop het tijdvak eindigt niet in aanmerking genomen.
Art. 5.10.
-1.
Het bedrag, bedoeld in artikel 43, derde
lid, van de Zorgverzekeringswet, dat voor de
heffing van de inkomensafhankelijke bijdrage per loontijdvak ten hoogste
in aanmerking wordt genomen, wordt voor het jaar 2012 vastgesteld op:
| Loontijdvak |
Maximumbijdrage-inkomen |
| Dag |
xx€|192,55 |
| Week |
xx€|962,76 |
| Vier
weken |
x€|3
851,07 |
| Maand |
x€|4
172,00 |
| Kwartaal |
€|12
516,00 |
| Jaar |
€|50
064,00 |
-2.
In afwijking van het eerste lid wordt het bedrag, bedoeld in artikel
43, derde lid, van de Zorgverzekeringswet,
dat voor de heffing van de inkomensafhankelijke bijdrage per loontijdvak
ten hoogste in aanmerking wordt genomen, voor werknemers als bedoeld in
artikel 6.2, eerste lid, onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling
loonbelasting 2011 vastgesteld op:
| Loontijdvak |
Maximumbijdrage-inkomen |
| Dag |
xxxr€|218,62 |
| Week |
xx€|1
093,10 |
| Vier
weken |
xx€|4
372,40 |
| Maand |
xx€|4
736,87 |
| Kwartaal |
x€|14
210,61 |
-3.
In afwijking van het eerste lid wordt het bedrag, bedoeld in artikel
43, derde lid, van de Zorgverzekeringswet,
dat voor de heffing van de inkomensafhankelijke bijdrage per loontijdvak
ten hoogste in aanmerking wordt genomen, voor werknemers als bedoeld in
artikel 6.2, eerste lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling
loonbelasting 2011 vastgesteld op:
| Loontijdvak |
Maximumbijdrage-inkomen |
| Dag |
xxxr€|204,34 |
| Week |
xx€|1
021,71 |
| Vier
weken |
xx€|4
086,85 |
| Maand |
xx€|4
427,69 |
| Kwartaal |
x€|13
283,09 |
-4.
De inkomensafhankelijke bijdrage die op grond van paragraaf
5.2 van de Zorgverzekeringswet
is verschuldigd, wordt per
loontijdvak met inachtneming van artikel 43,
derde lid, van die wet berekend
over het verschil tussen het bijdrage-inkomen, bedoeld in artikel
43, eerste lid, onderdeel a, van die wet,
dat de werknemer in het bijdragebetalingstijdvak heeft genoten tot en
met dat loontijdvak en het bijdrage-inkomen, bedoeld in artikel
43, eerste lid, onderdeel a, van die wet,
dat de werknemer in dat bijdragebetalingstijdvak heeft genoten tot en
met het aan dat loontijdvak voorafgaande loontijdvak.
Art. 5.11.
-1. De ontvangsten per bijdragejaar van de combineerde heffing van de
loonbelasting, de premies voor de sociale verzekeringen en de bijdrage
voor de
Zorgverzekeringswet alsmede op looninkomsten betrekking hebbende
naheffingsaanslagen, heffings- en invorderingsrente en boeteontvangsten
worden uitgesplitst in een voor de afdracht vastgesteld
verdeelpercentage per bijdragejaar.
-2. Het verdeelpercentage in het eerste lid wordt maandelijks per
bijdragejaar opnieuw berekend op basis van het relatieve aandeel van de
bijdragen Zorgverzekeringswet in alle ontvangen collectieve aangiften en
opgelegde naheffingen.
-3. Alle ontvangen gelden over het bijdragejaar worden verdeeld op basis
van het verdeelpercentage, bedoeld in het eerste lid. De mutatie ten
opzichte van de vorige periode vormt het af te dragen bedrag.
-4. Eén jaar na afloop van het bijdragejaar wordt het verdeelpercentage
voor het betreffende bijdragejaar definitief vastgesteld. Dit percentage
wordt gehanteerd voor alle betalingen die daarna binnenkomen.
Art. 5.12.
-1. De ontvangsten van de overige inkomensafhankelijke bijdragen
overeenkomstig artikel 49, tweede lid, van de
Zorgverzekeringswet worden
maandelijks vastgesteld.
-2. De onder het eerste lid genoemde ontvangsten zijn inclusief de
eventuele heffings- en invorderingsrente en boeteontvangsten.
Art.
5.13.
-1. De
inspecteur verleent vooruitlopend op een beschikking als bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de
Zorgverzekeringswet een
voorschot, indien:
a.
het
bedrag van de te veel betaalde bijdrage vermoedelijk ten minste €|100,00
zal bedragen;
b. het bijdrage-inkomen uitsluitend
bestaat uit loon uit vroegere dienstbetrekking;
c. het bijdrage-inkomen waarover
inkomensafhankelijke bijdrage wordt ingehouden afkomstig is van
verschillende inhoudingsplichtigen; en
d. er jegens geen van de
inhoudingsplichtigen, bedoeld in onderdeel c, recht bestaat op
vergoeding van de over het bijdrage-inkomen verschuldigde
inkomensafhankelijke bijdrage als bedoeld in artikel
46, eerst lid, van de
Zorgverzekeringswet.
De eerste volzin is
van overeenkomstige toepassing op een verzoek van de
verzekeringsplichtige die voldoet aan de in die volzin genoemde
voorwaarden, mits het verzoek is ingediend na 30 mei doch vóór 1
december van het kalenderjaar waarop het voorschot betrekking heeft.
-2. Het
eerste lid is niet van toepassing met betrekking tot:
a.
personen die op grond van artikel 2,
tweede lid, onderdeel b, van de
Zorgverzekeringswet
niet verzekeringsplichtig zijn;
b.
personen die vóór 1 juni van het kalenderjaar waarop het voorschot
betrekking heeft, aangeven geen voorschot te willen ontvangen.
-3.
De inspecteur kan het voorschot al dan niet op verzoek herzien. Een
verzoek tot herziening van het voorschot kan worden ingediend tot 1
december van het kalenderjaar waarop het voorschot betrekking heeft.
-4.
Indien de inspecteur een verzoek om verlening dan wel herziening van een
voorschot geheel of gedeeltelijk afwijst, gebeurt dit bij voor bezwaar
vatbare beschikking.
-5. Voorschotten
worden verrekend met de beschikking, bedoeld in artikel 50, eerste
lid, van de
Zorgverzekeringswet,
dan wel - voor zoveel nodig - bij een door de inspecteur te nemen voor
bezwaar vatbare beschikking. Indien deze verrekening leidt tot een terug te vorderen bedrag, zijn bij
de invordering hiervan de regels die gelden voor de inkomstenbelasting
van overeenkomstige toepassing.
-6. Bij
de beschikking, bedoeld in artikel
50, eerste lid, van de
Zorgverzekeringswet,
waarbij het bedrag van de te veel betaalde bijdrage, onder verrekening
van de in het eerste lid bedoelde voorschotten, wordt uitbetaald aan de
verzekeringsplichtige en bij de voor bezwaar vatbare beschikking,
bedoeld in het vijfde lid, waarbij het bedrag van de te veel uitgekeerde
voorschotten wordt teruggevorderd, wordt enkelvoudig heffingsrente als
bedoeld in
hoofdstuk Va van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen
berekend over het tijdvak dat aanvangt op de dag na het einde van het
kalenderjaar waarop de bijdrage betrekking heeft en eindigt op de dag
van de dagtekening van de beschikking.
HOOFDSTUK
6
Het College
zorgverzekeringen
§ 1.
Vergoedingen leden Adviescommissie Pakket
Art. 6.1.1.
De leden van de commissie, bedoeld in artikel
59a, eerste lid, van de
Zorgverzekeringswet, niet zijnde bestuursleden van het College zorgverzekeringen,
ontvangen voor het bijwonen van vergaderingen per dagdeel waarin wordt
vergaderd een vergoeding van €|363,00.
Art. 6.1.2.
-1. De
vergoeding, bedoeld in artikel 6.1.1
wordt, ingeval het lid gebruik maakt van een eigen vervoermiddel en zijn
woonhuis is gelegen in een gemeente die meer dan
tien kilometer is verwijderd van de gemeente waarin de vergadering wordt
gehouden, vermeerderd met een vergoeding van €|0,27
voor elke afgelegde kilometer.
-2. De vergoeding, bedoeld in artikel 6.1.1,
wordt, ingeval het lid gebruik maakt van een openbaarvervoermiddel en
zijn woonhuis is gelegen in een gemeente die meer dan tien kilometer is
verwijderd van de gemeente waarin de vergadering wordt gehouden,
vermeerderd met:
a. de kosten voor een retourbiljet
(1e klasse) van het gebruikte openbaar vervoer;
b. de gemaakte kosten voor
plaatselijk vervoer in de gemeente waarin de vergadering wordt gehouden.
§ 2.
Subsidies ten laste van het Zorgverzekeringsfonds
§ 2.1.
Algemene
subsidiebepalingen
§ 2.1.1.
Begrippen en
algemene bepalingen
Art. 6.2.1.
In hoofdstuk 6.2 ¹ wordt verstaan onder:
a. instelling: een privaatrechtelijke rechtspersoon met
volledige rechtsbevoegdheid, dan wel een rechtspersoon krachtens
publiekrecht ingesteld;
b. project: een activiteit met een incidenteel karakter;
c. instellingssubsidie: een subsidie aan een instelling in
de kosten van haar structurele activiteiten of een gedeelte daarvan;
d. projectsubsidie: een subsidie in de kosten van een
project;
e. ondersteuningssubsidie: een instellingssubsidie van ten
hoogste €|11 344,51 in een gering deel
van de totale kosten van het algemeen functioneren van een instelling.
1. Volgens de redactie
dient "hoofdstuk 6.2" te worden vervangen door: paragraaf
2 van dit hoofdstuk.
Art. 6.2.2.
-1. Het College
zorgverzekeringen verstrekt op grond van deze regeling subsidies
voor de in dit hoofdstuk onder paragraaf
2.2 aangegeven doeleinden die ten laste komen van het
Zorgverzekeringsfonds.
-2. Het aanvragen van de subsidie en de
subsidievaststelling alsmede het nemen van besluiten met betrekking tot
subsidies geschiedt overeenkomstig de in deze regeling gestelde regels.
Art. 6.2.3.
-1. Subsidie wordt slechts verstrekt,
indien:
a. naar het oordeel van het College
zorgverzekeringen mag worden verwacht dat de met de subsidiëring
beoogde doeleinden zullen worden bereikt;
b. de aanvrager naar het oordeel van het College
zorgverzekeringen de behoefte aan subsidie heeft aangetoond; en
c. de aanvrager aannemelijk heeft gemaakt dat de financiële
middelen met inbegrip van subsidie voldoende zullen zijn om de
voorgenomen activiteiten uit te voeren.
-2. Het eerste lid, onderdeel b
en
c, zijn niet van toepassing op rechtspersonen krachtens
publiekrecht ingesteld.
§ 2.1.2.
Berekeningswijze instellingssubsidie
Art. 6.2.4.
Een instellingssubsidie bestaat uit een door het College
zorgverzekeringen vast te stellen bedrag voor overeenkomstig een door
het College zorgverzekeringen goedgekeurd activiteitenplan uitgevoerde
activiteiten.
Art. 6.2.5.
-1. Het bedrag, bedoeld in artikel 6.2.4, wordt verlaagd met het bedrag
waarmee het maximaal toegestane bedrag van de in artikel 6.2.23 bedoelde
reservering wordt overschreden.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing op een ondersteuningssubsidie.
Art. 6.2.6.
Baten en lasten die door middel van interne doorberekeningen worden
toegerekend, worden bepaald op bedrijfseconomische en maatschappelijk
aanvaardbare grondslagen. Voor zover hierin lasten zijn begrepen van
materiële vaste activa, worden deze lasten op basis van
aanschaffingsprijzen van die activa berekend.
§ 2.1.3.
Berekeningswijze projectsubsidies
Art. 6.2.7.
Een projectsubsidie bestaat uit het verschil tussen de met de
gesubsidieerde activiteiten samenhangende en met in achtneming van de
ingevolge deze regeling in aanmerking komende werkelijke lasten, voor
zover opgenomen in de door het College
zorgverzekeringen goedgekeurde
begroting, en de met de gesubsidieerde activiteiten samenhangende baten.
De subsidie bedraagt niet meer dan het door het College
zorgverzekeringen vastgestelde maximum.
§ 2.1.4.
Modellen en
formulieren
Art. 6.2.8.
Het College zorgverzekeringen stelt voor de subsidies in deze regeling
de volgende modellen en formulieren vast:
a. een formulier voor de aanvraag van subsidie;
b. een model voor het projectplan;
c. een model voor de begroting;
d. een model voor het activiteitenplan;
e. een model voor het activiteitenverslag;
f. een controleprotocol;
g. een model accountantsverklaring; en
h. een formulier voor de aanvraag van de vaststelling van de subsidie.
§ 2.1.5.
Aanvraag van
een instellingssubsidie
Art. 6.2.9.
-1. De instelling die voor haar
activiteiten of een gedeelte daarvan in een jaar een instellingssubsidie
verlangt, dient uiterlijk dertien weken vóór de aanvang van het
desbetreffende jaar een subsidieaanvraag in. De aanvraag wordt
onderbouwd met een activiteitenplan en een begroting en gaat, indien de
liquiditeitsbehoefte niet regelmatig gespreid is over het jaar,
vergezeld van een liquiditeitsprognose.
-2. In het activiteitenplan worden de aard en de omvang van de
voorgenomen activiteiten beschreven. Daarbij wordt aangegeven welke
doelstelling de instelling met de activiteiten nastreeft, op welke wijze
zij zullen worden uitgevoerd en voor welke doelgroep zij zijn bestemd.
-3. De begroting geeft inzicht in de baten en lasten van de activiteiten
van dat jaar. De begroting is voorzien van een postgewijze toelichting.
Daarbij wordt uitgegaan van het prijspeil en van het niveau van de
kosten van de arbeidsvoorwaarden op het moment van indiening van de
aanvraag. In geval van een privaatrechtelijke rechtspersoon bevat de
begroting tevens zowel de baten en lasten van de instelling als geheel
als de baten en lasten van elk te onderscheiden onderdeel van de
instelling.
-4. De liquiditeitsprognose geeft gemotiveerd inzicht in het verloop van
de liquiditeitsbehoefte van de activiteiten per kalenderkwartaal.
-5. Het College
zorgverzekeringen kan ontheffing verlenen van de in het
eerste lid genoemde aanvraagtermijn.
Art. 6.2.10.
-1. Bij de aanvraag van een instellingssubsidie door een
privaatrechtelijke rechtspersoon worden tevens overgelegd:
a. een afschrift van de oprichtingsakte of de statuten;
b. een afschrift waaruit de inschrijving van de instelling in het
geldende openbaar register blijkt;
c. een volledig overzicht van de financiële toestand van de instelling
op het tijdstip van de aanvraag; en
d. indien de aanvraag is ondertekend door één of meer andere personen
dan de personen die op grond van de statuten bevoegd zijn de instelling
te vertegenwoordigen, een afschrift van de volmacht op grond waarvan de
aanvraag door die andere persoon of personen is ondertekend.
-2. Voor zover de aanvrager voor dezelfde begrote uitgaven tevens
subsidie of een andere financiële bijdrage heeft aangevraagd bij andere
bestuursorganen of organisaties, doet hij daarvan mededeling in de
aanvraag, onder vermelding van de stand van zaken met betrekking tot de
beoordeling van die aanvraag of aanvragen.
-3. Overlegging van de in het eerste lid bedoelde afschriften kan
achterwege blijven indien de aanvrager er redelijkerwijs van uit kan
gaan dat deze gegevens aan het College
zorgverzekeringen bekend zijn.
§ 2.1.6.
Aanvraag van
een projectsubsidie
Art. 6.2.11.
-1. Het College
zorgverzekeringen kan projectsubsidies verlenen die zich
uitstrekken over meer dan één kalenderjaar.
-2. De natuurlijke persoon of rechtspersoon die subsidie voor een bepaald
project verlangt, dient ten minste dertien weken vóór de aanvang van
het project een aanvraag in. De aanvraag wordt onderbouwd met een
projectplan en een begroting en gaat vergezeld van een
liquiditeitsprognose.
-3. In het projectplan worden de aard en de omvang van de voorgenomen
activiteiten beschreven. Daarbij wordt aangegeven welke doelstelling de
aanvrager met de activiteiten nastreeft en op welke wijze die zullen
worden uitgevoerd.
-4. De begroting geeft inzicht in de baten en lasten van het project. De
begroting is voorzien van een postgewijze toelichting. Daarbij wordt
uitgegaan van het prijspeil en van het niveau van de kosten van de
arbeidsvoorwaarden op het moment van indiening van de aanvraag.
-5. De liquiditeitsprognose geeft gemotiveerd inzicht in het verloop van
de liquiditeitsbehoefte van de activiteiten per maand. De
liquiditeitsprognose kan achterwege blijven als de liquiditeitsbehoefte
regelmatig gespreid is over de duur van het project.
-6. In afwijking van het tweede lid kan het College zorgverzekeringen
bepalen dat aanvragen voor projecten op bepaalde terreinen vóór één of
meer door hem vastgestelde data worden ingediend.
-7. Het College zorgverzekeringen kan ontheffing verlenen van de in het
tweede of zesde lid bedoelde aanvraagtermijn.
Art. 6.2.12.
-1. Bij de aanvraag van de subsidie door een privaatrechtelijke
rechtspersoon worden tevens overgelegd:
a. een afschrift van de oprichtingsakte of de statuten;
b. een afschrift waaruit de inschrijving van de instelling in het
geldende openbaar register blijkt; en
c. indien de aanvraag is ondertekend door één of meer andere personen
dan de personen die op grond van de statuten bevoegd zijn de instelling
te vertegenwoordigen, een afschrift van de volmacht op grond waarvan de
aanvraag door die andere persoon of personen is ondertekend.
-2. Voor zover de aanvrager voor dezelfde begrote uitgaven tevens
subsidie of een andere financiële bijdrage heeft aangevraagd bij andere
bestuursorganen, doet hij daarvan mededeling in de aanvraag, onder
vermelding van de stand van zaken met betrekking tot de beoordeling van
die aanvraag of aanvragen.
-3. Overlegging van in het eerste lid bedoelde afschriften kan achterwege
blijven indien de aanvrager er redelijkerwijs van uit kan gaan dat deze
gegevens bij het College zorgverzekeringen bekend zijn.
Art. 6.2.13.
-1. Het College
zorgverzekeringen kan een aanvrager of een categorie
aanvragers tevens verplichten tot het overleggen van een volledig
overzicht van de financiële toestand van de instelling op het tijdstip
van de aanvraag.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing indien een
rechtspersoon
krachtens publiekrecht ingesteld een projectsubsidie aanvraagt.
§ 2.1.7.
Subsidieverlening en bevoorschotting
Art. 6.2.14.
Het College zorgverzekeringen geeft een beschikking op een aanvraag
binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag.
Art. 6.2.15.
-1. Nadat een subsidieaanvraag is ingediend, kan het
College zorgverzekeringen voorschotten verlenen. Daarbij wordt rekening gehouden
met de liquiditeitsbehoefte.
-2. Het College zorgverzekeringen verstrekt, indien de
liquiditeitsbehoefte regelmatig is gespreid, de volgende voorschotten op
een verleende instellingssubsidie: in januari 15%, februari 7%, maart
7%, april 7%, mei 15%, juni 7%, juli 7%, augustus 7%, september 3%,
oktober 11% en november 14% van het voor het desbetreffende jaar
verleende bedrag.
-3. Indien het College zorgverzekeringen voorschotten verstrekt voordat
hij de beschikking tot subsidieverlening heeft gegeven, worden de
percentages, bedoeld in het tweede lid, tot de datum van
subsidieverlening, toegepast op het voor het voorgaande jaar verleende
bedrag, in voorkomende gevallen bijgesteld overeenkomstig door het
College zorgverzekeringen gegeven beschikkingen.
Art. 6.2.16.
-1. Bij de verlening van
een subsidie kan het College zorgverzekeringen
bepalen dat het subsidiebedrag door hem wordt bijgesteld, rekening
houdend met de ontwikkeling van het prijspeil of de
ontwikkeling in de kosten van de
arbeidsvoorwaarden.
-2. Met het oog op de
toepassing van het eerste lid kan het
College zorgverzekeringen bij de verlening van de
subsidie tevens bepalen welk deel
van het subsidiebedrag in aanmerking zal worden genomen voor een bijstelling in verband
met de ontwikkeling van
het prijspeil, onderscheidenlijk van de
kosten van de arbeidsvoorwaarden.
-3. Indien een subsidie
met toepassing van het eerste lid wordt
bijgesteld, kan de bevoorschotting overeenkomstig worden gewijzigd.
§ 2.1.8.
Verplichtingen
van de subsidieontvanger
Art. 6.2.17.
De subsidieontvanger
zorgt ervoor dat:
a. de doeleinden gesteld
in het activiteitenplan dan wel het projectplan
op doelmatige wijze worden nagestreefd;
b. de werkzaamheden op
een zodanige manier worden geregeld
dat een goed beleid en beheer worden gevoerd; en
c. de subsidie op
doelmatige wijze wordt gebruikt voor de
doeleinden waarvoor deze wordt verleend.
Art. 6.2.18.
De subsidieontvanger
zorgt er voorts voor:
a. dat de administratie
op overzichtelijke en doelmatige wijze wordt gevoerd;
b. dat de administratie
een juist, volledig en actueel beeld geeft
van het functioneren van de instelling; en
c. dat van alle
ontvangsten en uitgaven deugdelijke bewijsstukken
aanwezig zijn waaruit de aard en
de omvang van de geleverde goederen of
van de verrichte diensten duidelijk
blijken.
Art. 6.2.19.
Bij instellingen die een
instellingssubsidie ontvangen, is het
boekjaar gelijk aan het kalenderjaar.
Art. 6.2.20.
-1. De subsidieontvanger
doet zo spoedig mogelijk schriftelijk
mededeling aan het College zorgverzekeringen
van omstandigheden die van belang kunnen
zijn voor een beslissing tot
wijziging, intrekking of vaststelling van de
subsidie.
-2. Het eerste lid is van
toepassing in de situatie dat de
feitelijke liquiditeitsbehoefte lager is dan de verleende
voorschotten.
-3. Bij een mededeling
overeenkomstig dit artikel worden de
relevante stukken overgelegd.
Art. 6.2.21.
-1. De privaatrechtelijke
rechtspersoon die een
instellingssubsidie ontvangt, verzekert haar roerende
en onroerende zaken op afdoende wijze
tegen het risico van diefstal en brand
alsmede tegen het risico van wettelijke
aansprakelijkheid tegenover derden.
-2. De ontvanger van een
instellingssubsidie verzekert voor
vrijwilligers die werkzaamheden verrichten
in het kader van de gesubsidieerde activiteiten, hun wettelijke
aansprakelijkheid.
-3. Het College
zorgverzekeringen kan op aanvraag ontheffing
verlenen van het eerste of tweede lid.
-4. Het College
zorgverzekeringen kan het eerste of tweede lid
van overeenkomstige toepassing verklaren op de ontvanger van een projectsubsidie.
Art. 6.2.22.
De subsidieontvanger
stelt na afloop van de periode of het project
waarvoor subsidie is verleend een verslag vast dat inzicht geeft in de aard,
duur en omvang van de in het kader van
de subsidiëring verrichte activiteiten.
Het verslag vergelijkt de verrichte activiteiten
met de in het activiteitenplan,
onderscheidenlijk projectplan, voorgenomen
activiteiten.
Art. 6.2.23.
-1. Voor zover het bedrag
van de verleende instellingssubsidie,
zonder toepassing van de in artikel 6.2.5 bedoelde vermindering, na uitvoering van de
gesubsidieerde activiteiten
overeenkomstig de geldende verplichtingen,
niet is besteed aan de doeleinden
waarvoor het is verstrekt, wordt het gereserveerd.
-2. Voor de berekening van
het in het eerste lid bedoelde te
reserveren bedrag wordt het totaal van de
met de gesubsidieerde activiteiten
samenhangende baten, bestaande uit de
verleende instellingssubsidie en de gerealiseerde
overige baten, verminderd met de
lasten van de gesubsidieerde
activiteiten. Deze uitkomst wordt toegerekend naar
rato van de verleende
instellingssubsidie en de, in de ingediende
begroting opgenomen, met de gesubsidieerde
activiteiten samenhangende, overige
baten. Het te reserveren bedrag is het
aan de instellingssubsidie toegerekende deel.
-3. Toevoegingen aan
voorzieningen als bedoeld in artikel 374,
eerste lid, van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek, die samenhangen met de
gesubsidieerde activiteiten, worden
gerekend tot de lasten van de gesubsidieerde
activiteiten, bedoeld in het tweede
lid.
-4. Indien in de
ingediende begroting onder de met de
gesubsidieerde activiteiten samenhangende baten een
vrijgevallen voorziening is opgenomen,
blijft deze buiten beschouwing
bij de berekening van het te reserveren
bedrag, bedoeld in het tweede
lid.
-5. De verplichting,
bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor de
ontvanger van een ondersteuningssubsidie.
-6. De in het eerste lid
bedoelde reservering wordt uitsluitend besteed
aan doeleinden waarvoor de
subsidie werd verstrekt.
-7. Het totaal van de in
het eerste lid bedoelde reservering in
enig jaar bedraagt ten hoogste 10%
van het bedrag van de voor dat
jaar verleende subsidie, zonder
toepassing van de in artikel 6.2.15 bedoelde vermindering.
-8. Toevoeging aan de in
het eerste lid bedoelde reservering kan
niet plaatsvinden als de in het eerste lid bedoelde reservering reeds 10% of
meer van het voor dat jaar verleende
subsidie betreft.
Art. 6.2.24.
Op de balans worden de
voorzieningen, gesplitst naar hun aard,
en de reservering opgenomen. In de toelichting op de balans worden de
toevoegingen en de onttrekkingen aan de
voorzieningen en reservering toegelicht.
Art. 6.2.25.
-1. De subsidieontvanger
draagt er zorg voor dat, behoudens
schriftelijke toestemming van het College
zorgverzekeringen, publicatie of het
anderszins openbaar maken op grond
van deze regeling gesubsidieerd onderzoek,
delen of samenvattingen daarvan,
niet plaatsheeft binnen drie maanden nadat
deze aan het College zorgverzekeringen
zijn voorgelegd.
-2. Het College
zorgverzekeringen is bevoegd om onderzoek,
bedoeld in het eerste lid, desgewenst te voorzien van commentaar, een- of
meermalen te vermenigvuldigen of te publiceren of anderszins openbaar te
maken of te doen openbaar maken, met
vermelding van de bron, zonder dat hiervoor
enige vergoeding is verschuldigd.
-3. De subsidieontvanger
draagt er zorg voor dat de in het eerste
lid bedoelde onderzoeksgegevens op verzoek van het College zorgverzekeringen
onmiddellijk en kosteloos aan het
College zorgverzekeringen of aan door het College
zorgverzekeringen aangewezen natuurlijke personen of
rechtspersonen beschikbaar worden gesteld.
-4. Indien een
gesubsidieerde activiteit leidt tot een publicatie,
kan het College zorgverzekeringen bepalen dat de subsidieontvanger er zorg voor draagt dat
bij de publicatie wordt
aangegeven wie de uitvoerder en subsidiënt
van het project zijn geweest.
-5. Indien een subsidie
gericht is of mede gericht is op de
totstandkoming van een werk als bedoeld in
artikel 10, subonderdeel 1,¹ van de Auteurswet, draagt de subsidieontvanger er
zorg voor auteursrechthebbende te
zijn ter zake van dat werk.
-6. De subsidieontvanger
vrijwaart de Staat der Nederlanden en
het College zorgverzekeringen voor aanspraken van derden ter zake van alle
schade die zij lijden tengevolge van de
door of vanwege de subsidieontvanger
verrichte publicaties.
1. Volgens de redactie
dient "artikel 10, subonderdeel 1" te worden vervangen door:
artikel 10, eerste lid, onder 1º.
Art. 6.2.26.
Aan de subsidie kunnen
verplichtingen als bedoeld in artikel
4:39 van de Algemene wet bestuursrecht worden
verbonden.
Art. 6.2.27.
-1. De subsidieontvanger
is in de gevallen, genoemd in artikel 4:41,
tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, een vergoeding voor
vermogensvorming verschuldigd.
-2. Bij de bepaling van de
hoogte van de vergoeding wordt
uitgegaan van de waarde van de goederen en andere vermogensbestanddelen op het tijdstip
waarop de vergoeding
verschuldigd wordt, met dien verstande
dat in geval van ontvangst van
schadevergoeding voor verlies of
beschadiging van zaken wordt uitgegaan van het
bedrag dat als schadevergoeding door de
instelling wordt ontvangen. Indien
het onroerende zaken betreft, geschiedt
de waardebepaling door één of drie
onafhankelijke deskundigen.
-3. Toepassing van het
eerste lid blijft achterwege indien de
activiteiten van de subsidieontvanger, na toestemming van het College
zorgverzekeringen, door een andere rechtspersoon
worden voortgezet en de activa tegen
boekwaarde aan die andere rechtspersoon in
eigendom zijn overgedragen.
Art. 6.2.28.
-1. De vergoeding die de
instelling betaalt aan een
organisatie die zich de ondersteuning van één
of meer gesubsidieerde instellingen ten doel
stelt, voor door die organisatie aan
de instelling ter beschikking gestelde
goederen, is niet hoger dan het bedrag dat
op grond van de verkrijgingsprijs of vervaardigingsprijs verminderd met de
ontvangen investeringssubsidies en bestemmingsgiften berekend wordt, rekening
houdend met de geldende
afschrijvingspercentages.
-2. De vergoeding die de
instelling betaalt aan een
organisatie die zich de ondersteuning van één
of meer gesubsidieerde instellingen ten doel
stelt, voor door die organisatie aan
de instelling geleverde diensten, is indien het diensten betreft die in het
algemeen door soortgelijke instellingen
in eigen beheer worden verricht, niet
hoger dan het bedrag dat gelijk is aan
de kosten die de instelling zou hebben
gehad bij het verrichten van de diensten in eigen
beheer.
-3. De vergoeding die de
instelling betaalt aan een
organisatie die zich de ondersteuning van één
of meer gesubsidieerde instellingen ten doel
stelt, voor door die organisatie aan
de instelling geleverde diensten, andere dan de in het tweede lid bedoelde
diensten, is niet hoger dan het bedrag dat
voor het doen verrichten van dergelijke
diensten door andere organisaties
gebruikelijk kan worden geacht.
Art. 6.2.29.
De subsidieontvanger die
aan derden goederen ter beschikking
stelt of voor derden diensten verricht,
brengt daarvoor een vergoeding in
rekening die ten minste kostendekkend is,
tenzij het derden betreft voor wie de gesubsidieerde activiteiten bestemd
zijn.
Art. 6.2.30.
-1. De subsidieontvanger
verstrekt aan de door het College
zorgverzekeringen aangewezen ambtenaren of andere
personen op hun verzoek alle
bescheiden en inlichtingen die noodzakelijk zijn
voor een juiste vervulling van hun
taak. De bescheiden worden op
één adres getoond en de
inlichtingen, op verzoek, schriftelijk verstrekt.
Indien de instelling slechts kan voldoen aan
deze verplichting door inbreuk te maken op
het recht van enig persoon op
bescherming van zijn persoonlijke
levenssfeer, verstrekt de instelling de verlangde gegevens op zodanige wijze dat deze
niet tot personen herleidbaar zijn.
-2. Ook anderszins wordt zoveel mogelijk medewerking verleend
teneinde de door het College zorgverzekeringen aangewezen ambtenaren of andere
personen in staat te stellen hun
taak op een juiste wijze te vervullen.
-3. De subsidieontvanger
werkt mee aan door of namens het
College zorgverzekeringen ingestelde onderzoekingen
die erop zijn gericht
inlichtingen te verschaffen ten behoeve van de
ontwikkeling van het beleid.
-4. De subsidieontvanger
machtigt de in artikel 6.2.35 bedoelde
accountant overeenkomstig het eerste tot en met het
derde lid te handelen.
Art. 6.2.31.
Indien bij het College zorgverzekeringen het vermoeden is gerezen
dat artikel 6.2.28 niet is nageleefd,
spant de subsidieontvanger zich desgevraagd in de jaarrekening van de
desbetreffende organisatie over te leggen.
§ 2.1.9.
De aanvraag tot
subsidievaststelling
Art. 6.2.32.
-1. Binnen zes maanden na
afloop van de periode of het project
waarvoor subsidie is verleend, dient de subsidieontvanger een aanvraag in voor de
subsidievaststelling.
-2. De aanvraag voor de
subsidievaststelling gaat vergezeld van:
a. het verslag, bedoeld
in artikel 6.2.22;
b. de subsidiedeclaratie,
bedoeld in artikel 6.2.33;
c. de jaarrekening; en
d. indien de aanvraag is
ondertekend door één of meer andere
personen dan de personen die op grond
van de statuten bevoegd zijn de
instelling te vertegenwoordigen, een afschrift van de volmacht op grond waarvan
de aanvraag door die andere persoon
of personen is ondertekend.
-3. Een subsidiedeclaratie
kan achterwege blijven indien de daarmee
te verstrekken informatie reeds in de in te zenden jaarrekening is
opgenomen.
-4. De jaarrekening
behoeft niet te worden ingezonden indien het
gaat om een projectsubsidie of een subsidie aan een
rechtspersoon krachtens publiekrecht
ingesteld.
-5. Het College
zorgverzekeringen kan ontheffing en
vrijstelling verlenen van de in het eerste lid
genoemde aanvraagtermijn.
Art. 6.2.33.
De subsidiedeclaratie
geeft een zodanig inzicht dat een
verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent de
aanwending en de besteding van de
subsidie door de instelling en
geeft de nodige informatie om de subsidie
vast te stellen. De subsidiedeclaratie
sluit aan op de indeling van de bij de
subsidieaanvraag ingediende begroting.
Belangrijke verschillen tussen
declaratie en begroting worden toegelicht. In de subsidiedeclaratie van instellingssubsidies
wordt de aansluiting tussen de
subsidiedeclaratie en de jaarrekening
toegelicht.
Art. 6.2.34.
-1. De afdelingen 2 tot en
met 8 van titel 9 van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek zijn van overeenkomstige toepassing op de jaarrekening, met
dien verstande dat de winst-
en verliesrekening vervangen wordt door een
exploitatierekening. Op deze rekening zijn de bepalingen omtrent de
winst- en verliesrekening zoveel mogelijk van
overeenkomstige toepassing. Bepalingen omtrent winst en verlies
zijn van overeenkomstige toepassing op het
exploitatiesaldo.
-2. De grondslag voor de
waardering van activa en passiva is de verkrijgings- of vervaardigingsprijs
verminderd met de ontvangen
investeringssubsidies en bestemmingsgiften.
-3. Het College
zorgverzekeringen kan bepalen dat bepalingen
van de in het eerste lid bedoelde titel
of onderdelen daarvan niet van
toepassing zijn op bepaalde instellingen.
Art. 6.2.35.
-1. De jaarrekening en de
subsidiedeclaratie zijn ieder afzonderlijk
voorzien van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393,
eerste lid, van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek.
-2. De jaarrekening of de
subsidiedeclaratie gaat vergezeld van een
rapportage omtrent de naleving van
de subsidiebepalingen door de
subsidieontvanger, opgesteld door de
accountant overeenkomstig een door het College
zorgverzekeringen vast te stellen protocol.
-3. De subsidieontvanger
draagt er zorg voor dat de accountant
meewerkt aan door of namens het
College zorgverzekeringen in te stellen onderzoeken
naar de door de accountant
verrichte werkzaamheden. Voor de aan dit onderzoek verbonden kosten wordt
geen subsidie verstrekt.
§ 2.1.10.
De
vaststelling van de subsidie
Art. 6.2.36.1.
Binnen zes maanden na
ontvangst van de aanvraag, bedoeld in
artikel 6.2.32, geeft het College
zorgverzekeringen een beschikking tot
vaststelling van de subsidie.
Art.
6.2.36.2.
Indien het College
zorgverzekeringen bij de vaststelling van de subsidie rekening
houdt met de ontwikkeling van het prijspeil of met de ontwikkeling in de
kosten van de arbeidsvoorwaarden, en het bedrag aan subsidies dat alsdan
op grond van een subsidieparagraaf vastgesteld zou worden het in die
paragraaf genoemde subsidieplafond voor het desbetreffende jaar zou
overschrijden, wordt dat plafond verhoogd met het verschil tussen het
totaal door het College zorgverzekeringen op grond van die paragraaf aan
subsidies vast te stellen bedrag en dat plafond.
§ 2.2.
Specifieke
subsidies
§ 2.2.1.
Weesgeneesmiddelen extramuraal
Vervallen
Art. 6.2.37.1.
Vervallen.
Art. 6.2.37.2.
Vervallen.
Art. 6.2.37.3.
Vervallen.
Art. 6.2.37.4.
Vervallen.
Art. 6.2.37.5.
Vervallen.
§ 2.2.2.
Agalsidase
Vervallen
Art. 6.2.38.1.
Vervallen.
Art. 6.2.38.2.
Vervallen.
Art. 6.2.38.3.
Vervallen.
Art. 6.2.38.4.
Vervallen.
Art. 6.2.38.5.
Vervallen.
Art. 6.2.38.6.
Vervallen.
§ 2.2.3.
Subsidiëring
gezondheidscentra
Vervallen
Art. 6.2.39.1.
Vervallen.
Art. 6.2.39.2.
Vervallen.
Art. 6.2.39.3.
Vervallen.
Art. 6.2.39.4.
Vervallen.
Art. 6.2.39.5.
Vervallen.
Art. 6.2.39.6.
Vervallen.
Art. 6.2.39.7.
Vervallen.
Art. 6.2.39.8.
Vervallen.
Art. 6.2.39.9.
Vervallen.
Art. 6.2.39.10.
Vervallen.
Art. 6.2.39.11.
Vervallen.
Art. 6.2.39.12.
Vervallen.
Art. 6.2.39.13.
Vervallen.
Art. 6.2.39.14.
Vervallen.
§
2.2.3a. Beëindiging subsidiëring gezondheidscentra
Vervallen
Art.
6.2.39a.1. Vervallen.
Art.
6.2.39a.2. Vervallen.
Art.
6.2.39a.3. Vervallen.
Art.
6.2.39a.4. Vervallen.
Art.
6.2.39a.5. Vervallen.
§ 2.2.4.
Subsidiëring
zwaarder gestructureerde
samenwerkingsverbanden
Vervallen
Art. 6.2.40.1.
Vervallen.
Art. 6.2.40.2.
Vervallen.
Art. 6.2.40.3.
Vervallen.
Art. 6.2.40.4.
Vervallen.
Art. 6.2.40.5.
Vervallen.
Art. 6.2.40.6.
Vervallen.
Art. 6.2.40.7.
Vervallen.
§
2.2.4a. Beëindiging subsidiëring zwaarder gesubsidieerde
samenwerkingsverbanden
Vervallen
Art.
6.2.40a.1. Vervallen.
Art.
6.2.40a.2. Vervallen.
§
2.2.5. Subsidiëring samenwerkingsverbanden Vinex-locaties 2007-2008
Vervallen
Art.
6.2.41.1. Vervallen.
Art.
6.2.41.2. Vervallen.
Art.
6.2.41.3. Vervallen.
Art.
6.2.41.4. Vervallen.
Art.
6.2.41.5. Vervallen.
Art.
6.2.41.6. Vervallen.
Art.
6.2.41.7. Vervallen.
Art. 6.2.41.8.
Vervallen.
Art. 6.2.41.9.
Vervallen.
Art. 6.2.41.10.
Vervallen.
§ 3.
Bijdrage van
verdragsgerechtigden
Art. 6.3.1.
-1. De voor een persoon, bedoeld in artikel 69,
eerste lid, van de
Zorgverzekeringswet, verschuldigde bijdrage
wordt berekend door de grondslag van de bijdrage te vermenigvuldigen met
het getal dat wordt berekend uit de verhouding tussen de gemiddelde uitgaven voor zorg voor een persoon ten
laste van de sociale zorgverzekering in het woonland van deze persoon en
de gemiddelde uitgaven voor zorg voor een persoon ten laste van de
sociale zorgverzekeringen in Nederland.
-2. De grondslag van de bijdrage is gelijk
aan de som van:
a. een inkomensafhankelijke
bijdrage, berekend overeenkomstig paragraaf 5.2
van de
Zorgverzekeringswet;
b. een inkomensafhankelijke
bijdrage, berekend overeenkomstig de op grond van de Wet financiering sociale verzekeringen
verschuldigde premie voor de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
en verminderd met het bedrag waarop de partner van degene die de
bijdrage verschuldigd is volgens de artikelen 8.9 en 8.9a van de Wet
inkomstenbelasting 2001 recht zou hebben indien degene die de
bijdrage verschuldigd is verzekerd zou zijn ingevolge de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten, voor zover op grond van deze bepalingen geen
teruggave in de inkomstenbelasting is verleend; en
c. vanaf de eerste dag van de
kalendermaand volgende op de kalendermaand waarin deze persoon de
leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, een bijdrage per maand
overeenkomende met een twaalfde van het bedrag van de geraamde
gemiddelde premie voor een verzekerde voor een zorgverzekering in het
berekeningsjaar, bedoeld in artikel
4 van de Wet op de zorgtoeslag
(hierna: nominale deel).
Voor de toepassing van deze bepaling wordt onder een partner verstaan
een partner in de zin van artikel 1.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001.
-3. De peildatum voor de vaststelling van
het in het eerste lid genoemde woonland is telkens de eerste dag van de
kalendermaand volgende op de kalendermaand waarin een wijziging van het
woonland heeft plaatsgevonden.
-4. Artikel 46
van de
Zorgverzekeringswet is op
de bijdrageplichtige persoon, bedoeld in het eerste lid, van
overeenkomstige toepassing, waarbij de in onderdeel a van het
tweede lid bedoelde bijdrage als inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld
in artikel 41 van de
Zorgverzekeringswet, wordt
beschouwd.
-5. Voor de toepassing van de Wet op de zorgtoeslag
wordt het in het tweede lid bedoelde nominale deel als premie voor een
zorgverzekering beschouwd.
-6.
De inkomensgegevens, benodigd voor de berekening van de in het tweede
lid bedoelde grondslag, worden ontleend aan het toetsingsinkomen,
bedoeld in artikel 8, eerste tot en met tweede lid, van de Algemene
wet inkomensafhankelijke regelingen.
-7. Indien het in artikel 8, tweede lid, van
de Algemene
wet inkomensafhankelijke regelingen bedoelde, niet in Nederland
belastbaar inkomen niet is vastgesteld op grond van artikel 8a
van de Algemene
wet inkomensafhankelijke regelingen, wordt het door de rijksbelastingdienst
vastgesteld met overeenkomstige toepassing van dat artikel.
-8. Ter zake van de opgaaf van niet in
Nederland belastbaar inkomen is de Algemene
wet inzake rijksbelastingen, met uitzondering van hoofdstuk VIIIa,
van toepassing als ware deze opgaaf een aangifte inkomstenbelasting.
-9. Het in het eerste lid genoemde
verhoudingsgetal wordt per land vastgesteld en met een toelichting over
de wijze van berekening jaarlijks uiterlijk in november in de Staatscourant
gepubliceerd.
Art. 6.3.2.
-1.
Organen die pensioen of rente uitkeren, verrichten de hen door het College
zorgverzekeringen opgedragen
werkzaamheden ter voorbereiding en uitvoering van de heffings- en
inningsbeschikkingen, bedoeld in artikel 69,
vierde lid, van de Zorgverzekeringswet.
-2. De werkzaamheden, bedoeld in het eerste
lid, houden ten minste in dat deze organen, nadat zij daartoe door het
College zorgverzekeringen van de benodigde gegevens zijn voorzien,
bijdragen die bijdrageplichtige personen en hun gezinsleden verschuldigd
zijn op het pensioen of de rente van die bijdrageplichtigen inhouden en
aan het Zorgverzekeringsfonds afdragen.
-3. Het College zorgverzekeringen kan een
orgaan opdragen een bijdrage op het pensioen of de rente in te houden en
af te dragen, zolang het niet beschikt over de gegevens, bedoeld in het
tweede lid. In dat geval berekent het orgaan de bijdrage uitgaande van
de bij hem bekende gegevens over de samenstelling van het gezin van de
bijdrageplichtige.
-4. Indien een bijdrageplichtige recht
heeft op meer dan één pensioen of rente, wordt het in artikel 6.3.1,
tweede lid, bedoelde nominale deel van de bijdrage ingehouden op het
pensioen dat of de rente die het eerst is toegekend. Indien dit pensioen
of deze rente daartoe niet toereikend is, kan het College
zorgverzekeringen hetzelfde of een ander orgaan opdragen het restant op
een ander pensioen of een andere rente in te houden.
-5. Voor de toepassing van het tweede lid
wordt een toeslag, waaronder begrepen een toeslag als bedoeld in de Toeslagenwet,
een toelage of enige aanvulling, onder welke benaming ook, op de
uitkering, die door het orgaan in het algemeen met dezelfde regelmaat en
gelijktijdig met de uitkering betaalbaar wordt gesteld, als onderdeel
van het pensioen of van de rente aangemerkt.
-6. Onder de in het eerste lid bedoelde
organen worden mede verstaan werkgevers aan wie op grond van artikel 40 van
de Wet financiering sociale verzekeringen
toestemming is verleend het risico te dragen van de betalingen, bedoeld
in artikel
40, eerste lid, van die wet.
Art.
6.3.3.
-1.
Het verschil tussen de door de bijdrageplichtige en zijn gezinsleden
verschuldigde bijdragen en de ingehouden en afgedragen of anderszins
geïnde bijdragen wordt, met inachtneming van het zesde tot en met
achtste lid van artikel
6.3.1 en het tweede lid van dit
artikel, door het College
zorgverzekeringen
vastgesteld en verrekend, geïnd of
uitgekeerd. Uitkering vindt plaats aan de bijdrageplichtige dan wel,
indien artikel
6.3.4 van toepassing is, aan de
verzekeringsplichtige.
-2. De in artikel
6.3.1, eerste lid,
bedoelde persoon die aanspraak maakt op één of meer van de in
hoofdstuk 8 van de Wet
inkomstenbelasting 2001
vermelde heffingskortingen niet zijnde de algemene heffingskorting, de
jonggehandicaptenkorting, de ouderenkorting of de alleenstaande
ouderenkorting, kan het College zorgverzekeringen verzoeken daar bij de
vaststelling van het verschil, bedoeld in het eerste lid, rekening mee
te houden.
-3. Indien slechts een bijdrage als bedoeld
in artikel
6.3.1, tweede lid,
onderdeel c, verschuldigd is, stelt het College zorgverzekeringen
het in het eerste lid bedoelde verschil vast vóór 1 april van het jaar
volgend op het kalenderjaar waarop de bijdrage betrekking heeft. In
andere gevallen stelt het College het verschil vóór 30 september van
het jaar volgend op kalenderjaar waarop de bijdrage betrekking heeft
voorlopig vast en stelt het het verschil uiterlijk zes maanden na het
tijdstip waarop zowel de aanslag inkomstenbelasting als de beschikking
niet in Nederland belastbaar inkomen onherroepelijk zijn geworden,
definitief vast.
-4. Bij de vaststelling van het in het
eerste lid bedoelde verschil brengt het College zorgverzekeringen
enkelvoudige wettelijke rente in rekening over te weinig geheven of
geïnde bijdrage dan wel vergoedt het wettelijke rente in geval van te
veel geheven of geïnde bijdrage, over het tijdvak dat aanvangt op de
dag na het einde van het kalenderjaar waarop de bijdrage betrekking
heeft en eindigt op de dag van de dagtekening van de vaststelling door
het College zorgverzekeringen.
-5. Het College zorgverzekeringen is
bevoegd het te restitueren bedrag, indien dit
minder bedraagt dan €|25,00, te
verrekenen met een in de
toekomst gelegen verschuldigde bijdrage.
Art.
6.3.4.
De voor een gezinslid van
een verzekeringsplichtige verschuldigde bijdrage, bedoeld in artikel
6.3.1,
wordt door het College zorgverzekeringen geheven en geïnd bij de
verzekeringsplichtige.
Art.
6.3.5. Vervallen.
Art.
6.3.6.
Voor de berekening van het in artikel 6.3.1 bedoelde
nominale deel van de bijdrage die de in
artikel 6.3.2, tweede lid, bedoelde
rechthebbende op een pensioen of rente verschuldigd is,
worden wijzigingen met betrekking tot de aan zijn aanspraak op zorg
verbonden gezinsleden welke in de
loop van een kalendermaand doch na de
eerste dag van de kalendermaand
plaatsvinden, eerst in aanmerking
genomen vanaf de eerste dag van de
daaropvolgende kalendermaand.
Art.
6.3.7.
Voor de toepassing van
artikel 69, derde lid, van de
Zorgverzekeringswet wordt met het tijdstip van aanmelding
bij het College zorgverzekeringen gelijkgesteld de datum waarop de
kennisgeving aan het College zorgverzekeringen
van de aanmelding van de rechthebbende op pensioen of rente bij het
orgaan van de woonplaats van de rechthebbende door dat orgaan is
ondertekend.
§ 4.
Spaarrekening
gemoedsbezwaarden
Art, 6.4.1.
-1. Voor het bepalen van het saldo van de
rekening als bedoeld in artikel 70,
eerste lid, van de
Zorgverzekeringswet gaat het College
zorgverzekeringen uit van de
bijdragevervangende belasting die de belastingdienst
op grond van de Wet
inkomstenbelasting 2001
vaststelt.
-2. Zolang de bijdragevervangende
belasting nog niet is vastgesteld, bepaalt het College zorgverzekeringen
het saldo van de rekening op grond van de gegevens zoals die op dat
moment beschikbaar zijn in de polisadministratie van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen. Het College zorgverzekeringen kan de
gemoedsbezwaarde verzoeken om originele loon- en salarisstroken of
anderszins over te leggen waaruit de inhouding van bijdragevervangende
belasting tot dat moment blijkt.
-3. Een vaststelling als bedoeld in het
eerste lid die afwijkt van het door het College zorgverzekeringen
bepaalde saldo van de rekening voor dat jaar wordt verrekend met het
saldo van de rekening in het daaropvolgende jaar. Een verrekening heeft
alleen gevolgen voor het saldo van de rekening in het jaar waarin die
verrekening plaatsvindt.
-4. Uitkeringen ter vergoeding van kosten
van zorg of overige diensten als bedoeld in artikel
11 van de
Zorgverzekeringswet doet het College zorgverzekeringen uitsluitend
op basis van originele nota’s. Voor de hoogte van de uitkering is het
saldo van de rekening, bedoeld in artikel 70,
eerste lid, van de
Zorgverzekeringswet, bepalend.
-5. Verzoeken tot het doen van uitkeringen
ter vergoeding van kosten van zorg of overige diensten als bedoeld in artikel
11 van de
Zorgverzekeringswet moeten zijn gedaan uiterlijk binnen twee
kalenderjaren volgend op het kalenderjaar waarin de zorg is aangevangen.
-6. Een uitkering wordt, met inachtneming
van het vierde en vijfde lid, in mindering gebracht op het saldo van de
rekening van het jaar waarin het verzoek wordt ingediend.
Art.
6.4.2.
Een gemoedsbezwaarde die een gezamenlijke huishouding met één of meer
andere gemoedsbezwaarden verlaat, kan het College
zorgverzekeringen verzoeken een
evenredig gedeelte van het saldo van de in artikel 70,
tweede lid, van de
Zorgverzekeringswet bedoelde rekening over te maken op een voor hem
te openen rekening als bedoeld in artikel 70,
eerste lid, van de
Zorgverzekeringswet.
§
4a. De bestanden waarmee onverzekerden worden opgespoord
Art.
6.4a.1.
De bestanden, bedoeld in artikel
9a, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet
zijn:
a. het
bestand van personen die verzekerd zijn op grond van de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten;
b.
het bestand met personen als bedoeld
in artikel 2, tweede lid, onderdeel a,
van de Zorgverzekeringswet;
c.
het bestand met personen als bedoeld
in artikel 2,
tweede lid, onderdeel b, van de Zorgverzekeringswet;
d.
het bestand van personen die op grond
van een zorgverzekering verzekerd zijn.
§
5. De bestuursrechtelijke premie
Art.
6.5.1.
-1.
Het deel van de bestuursrechtelijke premie, bedoeld in artikel
18d van de Zorgverzekeringswet, dat
op een uitkering of inkomensvoorziening als bedoeld in de Algemene
Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet,
de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen
arbeidsongeschiktheidscriteria, de
Wet
werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Toeslagenwet,
de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen,
de Wet werk en bijstand, de Wet
werk en inkomen kunstenaars zoals deze luidde op 31 december 2011, op een vervolguitkering van de
WGA-uitkering als bedoeld in de Wet werk en inkomen
naar arbeidsvermogen of op een vervolguitkering als bedoeld in de Werkloosheidswet
zoals deze wet luidde op de dag voorafgaande aan
de inwerkingtreding van de Wet van 19 december
2003 tot wijziging van de Werkloosheidswet in verband met afschaffing
van de vervolguitkering (Stb. 2003, 546) wordt ingehouden,
bedraagt maximaal 100% van de standaardpremie, bedoeld in de Wet
op de zorgtoeslag.
-2.
Bij samenloop over eenzelfde tijdvak van bestuursrechtelijke
premieheffing met één of meer van de navolgende, ingevolge de socialezekerheidswetgeving
voorgeschreven inhoudingen of verrekeningen gaat de bestuursrechtelijke
premieheffing voor:
a.
door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk
5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen, de Sociale verzekeringsbank,
genoemd in hoofdstuk 6 van die
wet, of door een college van burgemeester en wethouders verrichte
inhouding of verrekening van een door één van deze instanties in het
kader van een door die instantie uitgevoerde socialezekerheidswet
opgelegde bestuurlijke boete;
b.
inhoudingen of verrekeningen als bedoeld in artikel 24, tweede juncto
eerste lid, van de Wet
inburgering.
Art.
6.5.2.
-1.
Het College zorgverzekeringen houdt de
bestuursrechtelijke premie of het deel van de bestuursrechtelijke premie
dat niet reeds op een andere manier geïnd is, in op de zorgtoeslag
waarop artikel 18f, zesde lid, van
de Zorgverzekeringswet toepassing heeft
gevonden en keert het restant aan de verzekeringnemer uit.
-2.
Het eerste lid blijft buiten toepassing ten aanzien van een
verzekeringnemer die aan inkomsten als bedoeld in artikel
18f, tweede lid, van de Zorgverzekeringswet
louter één of meer uitkeringen als bedoeld in artikel
6.5.1, eerste lid, ontvangt.
Art.
6.5.3.
Indien na beëindiging van de verschuldigdheid van de
bestuursrechtelijke premie ter zake van die premie een restschuld
bestaat, maakt het College zorgverzekeringen
voor de inning daarvan geen gebruik meer van de instrumenten, bedoeld in
artikel 18f, tweede of zesde lid,
van de Zorgverzekeringswet.
Art.
6.5.4.
-1.
Het College zorgverzekeringen kent de
zorgverzekeraar voor iedere zorgverzekering ter zake waarvan hij aan de
voorwaarden, bedoeld in artikel 34a,
eerste lid, van de Zorgverzekeringswet heeft
voldaan een bijdrage toe.
-2.
De bijdrage wordt toegekend over de periode waarover ter zake van de
zorgverzekering bestuursrechtelijke premie verschuldigd is.
-3.
In aanvulling op het tweede lid wordt de bijdrage tevens toegekend over
de periode waarover ten aanzien van een zorgverzekering de
bestuursrechtelijke premie niet verschuldigd was omdat de melding,
bedoeld in artikel 18c, eerste lid,
van de Zorgverzekeringswet ten gevolge van de
toepasselijkheid van het tweede lid, onderdeel b, c of d,
van dat artikel nog niet kon worden gedaan.
-4.
De bijdrage bedraagt per maand de tot een maandbedrag herleide
standaardpremie, bedoeld in de Wet op de
zorgtoeslag.
-5.
Het College zorgverzekeringen verstrekt de zorgverzekeraar over de
periode, bedoeld in het tweede lid, een voorschot op de bijdrage.
-6.
Uiterlijk in april van het tweede jaar volgende op het kalenderjaar ter
zake waarvan de bijdragen, bedoeld in de vorige leden, zijn toegekend,
stelt het College zorgverzekeringen per zorgverzekeraar het totaalbedrag
aan over dat jaar te verstrekken bijdragen vast.
-7.
Het totaalbedrag aan te verstrekken bijdrage is gelijk aan de som van de
over het kalenderjaar bevoorschotte bijdragen vermeerderd met de som van
de bijdragen die de zorgverzekeraar ingevolge het derde lid zijn
toegekend en verminderd met de som van de bijdragen die zijn toegekend
voor zorgverzekeringen ter zake waarvan naar het oordeel van de
Nederlandse Zorgautoriteit niet de voorwaarden, bedoeld in artikel
34a, tweede lid, van de Zorgverzekeringswet,
in acht zijn genomen en met ingevolge het derde lid toegekende bijdragen
voor zover naar het oordeel van die autoriteit de daar bedoelde
vertraging in de aanmelding in overwegende mate aan de zorgverzekeraar
te wijten is.
-8.
Het College zorgverzekeringen is bevoegd verschillen tussen het bedrag
aan vastgestelde bijdragen en toegekende bijdragen te verrekenen met
over een later jaar te bevoorschotten bijdragen als bedoeld in dit
artikel.
Art.
6.5.5.
Indien ten aanzien van een zorgverzekering, rente en incassokosten
buiten beschouwing latend, op de datum van inwerkingtreding van deze wet
¹ reeds een achterstand in de betaling van de verschuldigde premie ter
hoogte van zes of meer maandpremies is ontstaan, is de zorgverzekeraar
bevoegd deze schuld, zonder dat dit gevolgen heeft voor zijn bijdragen
voor het onverminderd verzekerd houden van de desbetreffende verzekerde,
kwijt te schelden, mits:
a.
hij voldaan heeft aan artikel 18a
van de Zorgverzekeringswet in verbinding met artikel
IX, eerste en tweede lid, van de Wet van 18 juli 2009 tot wijziging
van de Zorgverzekeringswet, de Wet
op de zorgtoeslag en enige andere wetten,
houdende maatregelen om ook wanbetalers voor hun zorgverzekering te
laten betalen (structurele maatregelen wanbetalers
zorgverzekering); en
b.
door tussenkomst van een schuldhulpverlener als bedoeld in artikel 48
van de Wet
op het consumentenkrediet een schuldregeling tot stand is gekomen
waarin, naast de verzekeringnemer, ten minste de zorgverzekeraar
deelneemt; en
c.
voor de zorgverzekering gedurende ten minste twee jaren te rekenen vanaf
de datum waarop de schuldregeling is ingegaan, naast nieuw vervallende
premietermijnen een bij de regeling afgesproken deel van de reeds
bestaande schuld is afbetaald.
1. Volgens
de redactie dient "deze wet" te worden vervangen door:
de Wet van 18 juli 2009 tot wijziging van de Zorgverzekeringswet,
de Wet op de zorgtoeslag en enige andere wetten,
houdende maatregelen om ook wanbetalers voor hun zorgverzekering te
laten betalen (structurele maatregelen wanbetalers
zorgverzekering).
HOOFDSTUK
7
Verwerking
persoonsgegevens
Art.
7.1.
-1. Als persoonsgegevens, waaronder
persoonsgegevens betreffende de gezondheid als bedoeld in de Wet
bescherming persoonsgegevens, die voor een zorgverzekeraar noodzakelijk zijn voor de uitvoering
van de zorgverzekering of van de Zorgverzekeringswet
worden aangemerkt de in artikel 7.2 bedoelde
persoonsgegevens.
-2. Een zorgverzekeraar mag de in het
eerste lid bedoelde gegevens gebruiken voor het verrichten van formele
controle dan wel materiële controle ten behoeve van:
a. de gehele of gedeeltelijke
betaling aan een zorgaanbieder;
b. de gehele of gedeeltelijke
vergoeding aan een verzekerde van het in rekening gebrachte tarief voor
aan een verzekerde geleverde prestatie;
c. de vaststelling van de eigen
bijdragen van een verzekerde;
d. de vaststelling van een verplicht
of vrijwillig eigen
risico van een verzekerde; en
e. het verrichten van fraudeonderzoek.
-3. Een zorgverzekeraar mag de in het
eerste lid bedoelde gegevens gebruiken voor het uitoefenen van
verhaalsrecht.
Art.
7.2.
De zorgverzekeraar beschikt ten behoeve van de in het voorgaande artikel
aangegeven doelen en van de uitvoering van artikel 7.4a,
over de volgende gegevens van de verzekerde:
a. naam, adres, postcode en
woonplaats;
b. polisnummer, burgerservicenummer
of, bij het ontbreken daarvan, sociaal-fiscaal nummer, geslacht en
geboortedatum;
c. de prestatiebeschrijving van de
aan de verzekerde geleverde prestatie;
d. wanneer de prestatie is geleverd;
e. het voor de geleverde prestatie
in rekening gebrachte tarief;
f. de gegevens die op grond van een
declaratieregeling moeten worden verstrekt;
g.
de gegevens die noodzakelijk zijn om vast te stellen of de prestatie
behoort tot het verzekerde pakket van die verzekerde; en
h. het bank- of girorekeningnummer;
i. overige gegevens die noodzakelijk
zijn voor het verrichten van materiële controle dan wel
fraudeonderzoek.
Art.
7.3.
-1. De zorgaanbieder is verplicht de in artikel 7.2,
onderdeel a tot en met g, bedoelde gegevens
te verstrekken aan:
a. de zorgverzekeraar, of een door
die zorgverzekeraar daartoe aangewezen persoon, indien die zorgaanbieder
het tarief voor de geleverde prestatie krachtens een door hem met de
zorgverzekeraar gesloten overeenkomst rechtstreeks bij die
zorgverzekeraar in rekening brengt;
b. de verzekerde indien de
zorgaanbieder het tarief voor de geleverde prestatie bij de verzekerde
in rekening brengt.
-2. De zorgaanbieder is verplicht de in artikel
7.2, onderdeel i, bedoelde gegevens desgevraagd te
verstrekken aan de zorgverzekeraar of aan een door die zorgverzekeraar
daartoe aangewezen persoon.
-3. Voor de door de zorgverzekeraar of de
bewerker aangewezen persoon gelden dezelfde wettelijke voorschriften
inzake de geheimhouding van de verwerkte gegevens als voor de
zorgverzekeraar of de bewerker die hem heeft aangewezen
Art.
7.4.
-1. De zorgverzekeraar verricht materiële
controle op de wijze zoals bepaald in de artikelen 7.5
tot en met 7.9.
-2. De zorgaanbieder is verplicht zijn
medewerking te verlenen aan de overeenkomstig het eerste lid uitgevoerde
materiële controle.
-3. De zorgverzekeraar verricht
fraudeonderzoek op de wijze zoals bepaald in artikel
7.10.
-4. De zorgaanbieder is verplicht zijn
medewerking te verlenen aan overeenkomstig het derde lid uitgevoerd
fraudeonderzoek.
Art.
7.4a.
De zorgverzekeraar verstrekt aan het
Centraal Administratiekantoor vóór 1 oktober van het jaar waarin een
uitkering als bedoeld in artikel 118a
van de
Zorgverzekeringswet wordt
verstrekt, van zijn verzekerden of gewezen verzekerden die in dat jaar
de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt of nog zullen bereiken en die in
de twee kalenderjaren voorafgaande aan dat jaar voldoen aan de
voorwaarden, bedoeld in artikel 8.3, eerste lid, of
in een DKG als bedoeld in artikel 8.3, tweede lid,
zijn ingedeeld, de volgende
persoonsgegevens:
a. het burgerservicenummer of, bij
het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaal nummer;
b. het bank- of girorekeningnummer.
Art.
7.5.
-1. De zorgverzekeraar stelt voorafgaand
aan de uitvoering van materiële controle het doel ervan vast door te
bepalen wanneer voldoende zekerheid is verkregen dat de door de
zorgaanbieder in rekening gebrachte prestatie is geleverd of die
geleverde prestatie het meest was aangewezen gezien de
gezondheidstoestand van de verzekerde. Bij de vaststelling neemt de
zorgverzekeraar het bij of krachtens de Wet
marktordening gezondheidszorg door de Nederlandse Zorgautoriteit
bepaalde met betrekking tot het uitvoeren van controles in acht.
-2. De vaststelling door de zorgverzekeraar
wanneer voldoende zekerheid is verkregen dat de geleverde prestatie het
meest was aangewezen gezien de gezondheidstoestand van de verzekerde,
geschiedt met inachtneming van het bepaalde in artikel
2.1 van het Besluit zorgverzekering en
zodanig dat voor verzekerden en zorgaanbieders zoveel mogelijk
inzichtelijk is welke maatstaven daarbij gelden.
-3. De zorgverzekeraar mag verzekerden met
gebruikmaking van persoonsgegevens waarover hij in verband met de
uitvoering van de zorgverzekering reeds beschikt enquêteformulieren
zenden om onderzoek te doen:
1º. of de in rekening gebrachte zorg
daadwerkelijk is verleend; en
2º. naar de door die verzekerden ervaren
kwaliteit van de verzekerde zorg die een zorgaanbieder verleent of heeft
verleend.
-4. Bij de verzending van
enquêteformulieren als bedoeld in het derde lid informeert de
zorgverzekeraar de verzekerde erover dat hij niet verplicht is tot
beantwoording van de gestelde vragen en dat onthouden van medewerking op
geen enkele wijze tot zijn nadeel zal strekken.
-5. De zorgverzekeraar draagt er zorg voor
dat terugontvangen enquêteformulieren als bedoeld in het derde lid,
onder 2º, niet herleidbaar zijn tot personen en dat niet herleidbaar is
welke verzekerden geen formulier hebben teruggestuurd.
Art.
7.6.
-1. De zorgverzekeraar voert een algemene
risicoanalyse uit op basis van gegevens waarover deze in verband met de
uitvoering van de zorgverzekering beschikt.
-2. De zorgverzekeraar stelt op basis van
de in het eerste lid uitgevoerde algemene risicoanalyse een algemeen
controleplan vast, waarin de objecten van materiële controle en de in
te zetten controle-instrumenten zijn opgenomen.
-3. Het naar aanleiding van de algemene
risicoanalyse opgestelde algemene controleplan voorziet niet in de inzet
van het controle-instrument detailcontrole.
-4. Indien uit het uitgevoerde algemene
controleplan blijkt dat het controledoel, bedoeld in artikel
7.5, eerste lid, is bereikt, kan alleen detailcontrole worden
uitgevoerd als er van een ander dan de zorgverzekeraar afkomstige of uit
de uitgevoerde controle voortvloeiende aanwijzingen zijn waaruit blijkt
dat er sprake is van onvoldoende zekerheid.
Art.
7.7.
De zorgverzekeraar maakt informatie openbaar over het ingevolge artikel
7.5 vastgestelde controledoel en het ingevolge artikel
7.6 vastgestelde algemene controleplan op een zodanige wijze dat die
informatie voor verzekerden en zorgaanbieders gemakkelijk verkrijgbaar
is.
Art.
7.8.
-1. De zorgverzekeraar voert geen
detailcontrole uit dan nadat is voldaan aan de volgende voorwaarden:
a. de zorgverzekeraar heeft een
specifieke risicoanalyse verricht op de bevindingen uit het uitgevoerde
algemene controleplan, bedoeld in artikel 7.6, tweede
lid;
b. de zorgverzekeraar heeft naar
aanleiding van de specifieke risicoanalyse een specifiek controleplan en
specifiek controledoel opgesteld, waarin de objecten van materiële
controle en de methoden van detailcontrole zijn opgenomen;
c. het overeenkomstig onderdeel b
vastgestelde specifieke doel van de materiële controle kan zonder
detailcontrole niet worden bereikt;
d. uit het specifieke controleplan
blijkt dat de detailcontrole niet verdergaat dan gelet op het met het
onderzoeksdoel en de omstandigheden van het te onderzoeken geval
noodzakelijk is;
e. de zorgverzekeraar heeft de
zorgaanbieder voorafgaand aan de uitvoering van de detailcontrole
toereikende - en op verzoek van de zorgaanbieder schriftelijke -
informatie verstrekt waarin wordt gemotiveerd hoe is voldaan aan de in
dit lid genoemde voorwaarden.
-2. Indien bij de uitvoering van
detailcontrole persoonsgegevens van verzekerden worden verwerkt,
geschiedt dit onder verantwoordelijkheid van een medisch adviseur in
opdracht van de zorgverzekeraar en is deze op voorafgaand verzoek van de
zorgaanbieder aanwezig bij dit deel van de controle.
-3. In afwijking van het eerste lid kan de
zorgverzekeraar met betrekking tot een individuele verzekerde
detailcontrole uitvoeren zonder dat de in dat lid genoemde voorwaarden
van toepassing zijn, indien deze verzekerde ten behoeve van de
materiële controle schriftelijk toestemming aan de zorgaanbieder heeft
gegeven voor verstrekking van persoonsgegevens betreffende diens
gezondheid aan de zorgverzekeraar. De zorgverzekeraar verwerkt bij de
detailcontrole niet meer gegevens dan gelet op het onderzoeksdoel en de
omstandigheden van het geval noodzakelijk is.
-4. De zorgverzekeraar informeert de
zorgaanbieder over de zakelijke inhoud van de voorgenomen uitkomsten van
de detailcontrole en stelt de zorgaanbieder in de gelegenheid daarop
binnen een redelijke termijn te reageren. De zorgverzekeraar betrekt de
reactie van de zorgaanbieder bij de vaststelling van de definitieve
uitkomsten van de detailcontrole en bericht deze uitkomsten aan de
zorgaanbieder.
Art.
7.9.
-1. De zorgverzekeraar legt de specifieke
risicoanalyse en de uitvoering van detailcontroles in zijn administratie
vast om toetsing door en verantwoording aan toezichthouders mogelijk te
maken. Daarbij worden niet meer persoonsgegevens, waaronder
persoonsgegevens betreffende de gezondheid, verwerkt dan voor dit doel
noodzakelijk is.
-2. De zorgverzekeraar bewaart na
detailcontroles de daarbij verwerkte persoonsgegevens van verzekerden
niet langer dan noodzakelijk is voor het doel waarvoor zij zijn
verkregen.
Art.
7.10.
-1. Bij fraudeonderzoek zijn de voorwaarden,
bedoeld in artikel 7.8, eerste lid, onderdeel b
en d, van overeenkomstige toepassing en is de in onderdeel e
bedoelde voorwaarde van overeenkomstige toepassing voor zover het
onderzoeksbelang of het belang van de bescherming van de persoonlijke
levenssfeer van de betrokken verzekerde zich daar niet tegen verzet.
-2. In afwijking van het eerste lid kan de
zorgverzekeraar met betrekking tot een individuele verzekerde
detailcontrole uitvoeren zonder dat de in dat lid genoemde voorwaarden
van toepassing zijn, indien deze verzekerde ten behoeve van het
fraudeonderzoek schriftelijk toestemming heeft gegeven voor verstrekking
van persoonsgegevens betreffende diens gezondheid aan de
zorgverzekeraar. De zorgverzekeraar verwerkt bij de detailcontrole niet
meer gegevens dan gelet op het onderzoeksdoel en de omstandigheden van
het geval noodzakelijk is.
Art.
7.11.
De zorgverzekeraar verwerkt de persoonsgegevens, bedoeld in artikel
87, eerste en tweede lid, van de wet
slechts verder voor de uitvoering van de zorgverzekering en de
aanvullende ziektekostenverzekering indien en voor zover dit
noodzakelijk is voor de doelen omschreven in artikel 7.1
van deze regeling.
HOOFDSTUK
7A
Gegevens
die de zorgaanbieder moet verstrekken aan het College voor
zorgverzekeringen indien hij in aanmerking wenst te komen voor een
bijdrage in de kosten in verband met het verlenen van medisch
noodzakelijke zorg aan bepaalde groepen vreemdelingen
Art.
7a.1.
-1. De gegevens als bedoeld in artikel
122a, elfde lid, van Zorgverzekeringswet, bestaan
uit:
a. de prestatiebeschrijving van de
aan de vreemdeling geleverde prestatie;
b. het voor de geleverde prestatie
in rekening gebrachte tarief;
c. de in verband met het voor die
prestatie in rekening gebrachte tarief ontvangen betalingen of
vergoedingen van de vreemdeling, zijn verzekeraar of derden;
d. de leeftijd, de nationaliteit, de
initialen en het geslacht van de vreemdeling.
-2. Bij de gegevens, bedoeld in het eerste
lid, wordt vermeld wanneer de prestatie is geleverd.
HOOFDSTUK
8
Overige en
slotbepalingen
Art.
8.1.
Indien de verzekerde op
het tijdstip van inwerkingtreding van deze
regeling in het bezit is van een hoortoestel als bedoeld in artikel
2.14,
eerste lid, onderdeel a, wordt dit toestel voor
de toepassing van artikel 2.14, derde
tot en met het zesde lid, beschouwd
als te zijn verstrekt op grond van deze
regeling.
Art. 8.2.
-1. Ter zake van het verlenen
van zorg of diensten in ziekenhuizen
en medisch-specialistische zorg anders dan in ziekenhuizen is artikel 118, eerste
lid, van de
Zorgverzekeringswet van toepassing.
-2. Het eerste lid is niet
van toepassing op instellingen waarin
een enkelvoudige onderzoeks- of behandelfunctie wordt uitgeoefend, klinische
revalidatie-instellingen, centra voor epileptici, brandwondencentra en
astmacentra.
Art. 8.3.
-1. Verzekerden voldoen aan de voorwaarden,
bedoeld in artikel 3a.1, eerste lid,
onderdeel a, van het Besluit zorgverzekering,
indien:
a. aan hen een geneesmiddel, genoemd
in bijlage 5 voor de daarbij
vermelde aandoening, ter hand is gesteld;
b. er sprake ¹ van terhandstelling
van dat geneesmiddel van meer dan 180 Defined Daily Doses per
kalenderjaar; en
c. het geneesmiddel voor rekening
van de zorgverzekering komt.
-2. De DKG’s, bedoeld in artikel 3a.1,
onderdeel b, van het Besluit zorgverzekering,
zijn de DKG’s, genoemd in bijlage 6.
1. Volgens de redactie
dient na "sprake" te worden ingevoegd: is.
Art.
8.4.
Deze regeling treedt in
werking met ingang van 1 januari
2006, met uitzondering van de artikelen 2.2 en
2.3, die in werking treden met ingang
van 1 januari 2007.
Art.
8.5.
Deze regeling wordt
aangehaald als: Regeling zorgverzekering.
Deze regeling zal met de
toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
J.F. Hoogervorst.
BIJLAGEN
bij de Regeling zorgverzekering
TOELICHTING
[1 september 2005, Stcrt.
2005, 171]
Algemeen
In deze regeling zijn
nadere regels gesteld ter uitvoering
van de Zorgverzekeringswet (Zvw) en het Besluit
zorgverzekering. Zoals ook in de nota
van toelichting bij het Besluit
zorgverzekering is aangegeven, is ervoor gekozen alle
nadere regelgeving voor de Zvw
in één besluit en één regeling neer te
leggen. De opbouw van deze regeling
is overeenkomstig de opbouw van de Zvw en
die van het Besluit
zorgverzekering.
In hoofdstuk 1 zijn de
definitiebepalingen opgenomen. In hoofdstuk 2
zijn de nadere regels met
betrekking tot de prestaties geregeld en in hoofdstuk
3 de nadere regels met
betrekking tot de verevening. In de hoofdstuk 4 zullen
nadere bepalingen opgenomen
worden omtrent het
Zorgverzekeringsfonds. De regels in hoofdstuk 5 betreffen de
inkomensafhankelijke bijdrage, terwijl
hoofdstuk 6 handelt over het College
zorgverzekeringen en het College toezicht.
De regels aangaande
gegevensverstrekking worden opgenomen in hoofdstuk 7.
Hoofdstuk 8 bevat de overgangs- en
slotbepalingen.
De Regeling
zorgverzekering zoals die met ingang van 1 januari
2006 van kracht wordt, is met de onderhavige regeling niet compleet.
Daartoe zal de regeling nog vóór 1
januari 2006 één of meer keren met nog
openstaande bepalingen worden aangevuld. Ook bijlage 1
zal nog worden
toegevoegd. Wel is er al voor gekozen om in de
aanhef van de onderhavige regeling de
volledige delegatiebasis te vermelden.
Evenals dat in het kader
van het Besluit zorgverzekering
het geval was, zal een aantal van de in
de Zvw neergelegde mogelijkheden tot nadere
regelgeving eerst worden ingevuld
indien mocht blijken dat daaraan behoefte bestaat.
Zoals blijkt uit de
aanhef, geschiedt vaststelling van de regeling in overeenstemming met de Minister van Financiën en de
Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Het betreft een aantal artikelen in hoofdstuk 4 en 5.
Verevening
Voorts zijn in deze
regeling de voor het jaar 2006 voor alle
zorgverzekeraars tezamen ten laste van het Zorgverzekeringsfonds beschikbare middelen voor
de kosten van prestaties
ingevolge de Zvw vastgesteld. De
vaststelling van de beschikbare middelen is
gebaseerd op artikel 32, vierde lid,
onderdeel a, van de Zvw. Vergoedingen uit
het Zorgverzekeringsfonds die niet samenhangen met prestaties, zoals
subsidies, en betalingen uit het
Zorgverzekeringsfonds buiten zorgverzekeraars
om, zoals voor gemoedsbezwaarden en bepaalde groepen verzekerden die in het
buitenland verkeren, vallen buiten
deze regeling.
De omvang van de
beschikbare middelen is afgeleid uit het macroprestatiebedrag. Derhalve wordt in de
onderhavige regeling
zowel het bedrag van de beschikbare
middelen als het macroprestatiebedrag vastgesteld. Het
macroprestatiebedrag
wordt in 2006 verdeeld in drie macrodeelbedragen:
- het macrodeelbedrag
variabele kosten van ziekenhuisverpleging
en kosten van specialistische hulp;
- het macrodeelbedrag
vaste kosten van ziekenhuisverpleging;
- het macrodeelbedrag
kosten van overige prestaties.
Op grond van artikel 4.3
van het Besluit zorgverzekering is pas in
2007 sprake van een macrodeelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke
gezondheidszorg.
De verdeling van de drie
macrodeelbedragen vindt plaats op basis van de criteria, genoemd in
het Besluit zorgverzekering, waarbij in deze regeling nader wordt ingegaan op
de invulling van de criteria in
klassen en de bijbehorende gewichten, alsmede op ex-postcompensatiemechanismen
die bij de herberekeningen van de
bijdragen aan zorgverzekeraars in 2006
worden toegepast. Verder wordt ingegaan op
de aanvullingen op de
bijdrage aan zorgverzekeraars, genoemd in paragraaf 1.5
van hoofdstuk 3 van het
Besluit zorgverzekering.
Administratieve lasten
Met betrekking tot de
bepalingen over de prestaties en de eigen
bijdrage in paragraaf 1 van hoofdstuk
2 zijn de gevolgen voor de
administratieve lasten afdoende beschreven in de
nota van toelichting bij het Besluit
zorgverzekering. Hieraan is dus niets toe
te voegen.
De bepalingen in de
paragrafen 2 en 3 van hoofdstuk 2, die
betrekking hebben op het geneesmiddelenvergoedingssysteem (GVS), komen overeen met
de bepalingen in het
Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering
over dit onderwerp. Deze leiden dus niet tot
nieuwe administratieve lasten.
Het
risicovereveningssysteem in de Zorgverzekeringswet is
vergelijkbaar met het verdeelmodel voor
de verstrekkingenbudgettering in de Ziekenfondswet (Zfw). De ervaringen die
zijn opgedaan in meer dan tien jaar budgettering in de
ziekenfondsverzekering hebben aangetoond dat het
ontwikkelde verdeelmodel in staat is
om min of meer gelijke
verzekeringsrisico’s te bewerkstelligen. In hoofdstuk 3,
artikelen
3.1 tot en met 3.14, van deze
regeling is de precieze vormgeving van
het risicovereveningssysteem 2006 beschreven.
Gegevensstromen
Ziekenfondswet
In de
Zfw is
voorgeschreven dat ziekenfondsen informatie verstrekken
over hun verzekerden aan het College
zorgverzekeringen. Het College zorgverzekeringen kende op basis van deze
gegevens een vereveningsbijdrage toe
aan ziekenfondsen. Dit gebeurde voorafgaande
aan het uitkeringsjaar.
Vervolgens leverden zorgverzekeraars opnieuw
gegevens na afloop van het
uitkeringsjaar voor de herberekening en de definitieve vaststelling van de
vereveningsbijdrage. De informatieverplichting
was vastgelegd in de regeling waarin de
verstrekkingenbudgettering Zfw werd geregeld en in beleidsregels van het
College zorgverzekeringen.
De informatiebehoefte van
het College zorgverzekeringen
voorafgaande aan het uitkeringsjaar betrof gegevens over het aantal verzekerden,
uitgesplitst naar leeftijd, geslacht, regio en verzekeringsgrond, en gegevens over
het farmaciegebruik en ziekenhuisverpleging
op verzekerdenniveau.
De informatiebehoefte van
het College zorgverzekeringen na het
uitkeringsjaar betrof gegevens over het werkelijke aantal verzekerden, uitgesplitst
naar leeftijd, geslacht, regio en
verzekeringsgrond, over de werkelijke
uitgaven van ziekenfondsen,
uitgesplitst naar vaste en variabele kosten van
ziekenhuisverpleging en kosten overige
verstrekkingen, en gegevens over het
farmaciegebruik en ziekenhuisverpleging
op verzekerdenniveau.
Onder de Zfw verzochten
ziekenfondsen aan de
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV)
om informatie over de
arbeidsverhouding van de verzekerden op
grond waarvan zij ziekenfondsverzekerd
zijn. Deze verplichting was opgenomen in artikel 4a, derde lid, van het
Inschrijvingsbesluit ziekenfondsverzekering.
Gegevensstromen
Zorgverzekeringswet
Onder de
Zorgverzekeringswet (Zvw) blijft de
informatieverplichting nagenoeg gelijk (ervan uitgaande
dat verzekeraars diagnose-behandelingcombinaties (DBC’s) op het laagste
aggregatieniveau ontvangen van zorgaanbieders). De gegevensstromen op grond
van artikel 35 van de Zvw
zijn
weergegeven in hoofdstuk 3 (artikel
3.15) van deze regeling. Alleen worden de
aantallen verzekerden naar verzekeringsgrond in
de Zvw niet meer opgevraagd
bij de zorgverzekeraars, maar rechtstreeks door het College
zorgverzekeringen bij het UWV. Onder
de Zvw is de
arbeidsverhouding voor de verzekering niet
meer van belang. Iedereen is
verzekerd volgens de Zvw. Dit betekent dat de
informatiestroom op basis van bovengenoemd artikel van het Inschrijvingsbesluit ziekenfondsverzekering
tussen zorgverzekeraar en het UWV komt te
vervallen. Dit leidt tot een
vermindering van de administratieve lasten
van €|4,1 miljoen.
Verbreding
verzekerdenpopulatie
Vanaf 2006 heeft de
risicoverevening betrekking op de gehele
Nederlandse bevolking. Dit betekent
dat de informatiebepalingen in deze regeling niet alleen betrekking hebben
op de voormalige ziekenfondsen en ziekenfondsverzekerden, maar ook op voormalig
publiekrechtelijke en
particuliere verzekeraars en verzekerden. Met deze
uitbreiding van het aantal
verzekerden en verzekeraars is bij de
bepaling van de administratieve lasten
van de Zvw reeds rekening gehouden. De
bepalingen in de ministeriële regeling
zijn verder slechts een nadere uitwerking van
de Zvw en het Besluit
zorgverzekering en brengen geen verandering aan in
de administratieve lasten voor het
bedrijfsleven, behoudens bovenstaande
vermindering van de administratieve
lasten van €|4,1 miljoen voor bedrijven.
Artikelsgewijs
Artikel
1, tweede lid [Stcrt.
2005, 203, red.]
In het tweede lid van
artikel 1 is aangegeven dat de Nederlandse
Antillen en Aruba in deze regeling
ook als mogendheid worden aangemerkt. Dit
houdt verband met een uitspraak
van de Centrale Raad van Beroep van 28
september 1989, AAW/WAO 1985, B 264
(RSV 1990, nr. 103). In deze
uitspraak oordeelde de Raad dat, gelet op het
feit dat blijkens het Statuut voor
het Koninkrijk der Nederlanden de
Nederlandse Antillen (in 1985 nog Aruba
omvattend) en Nederland deel uitmaken
van één koninkrijk, alsmede gelet
op de wijze waarop blijkens het
statuut binnen het koninkrijk de onderlinge
betrekkingen tussen de beide landen en
hun beider buitenlandse betrekkingen
geregeld zijn, niet gezegd kan worden
dat vanuit Nederland de Nederlandse Antillen als een andere mogendheid
gezien kunnen worden. Om voor de
toepassing van de onderhavige regeling een
minder gunstige behandeling van de
Nederlandse Antillen en Aruba te
voorkomen, worden deze landen van het
koninkrijk als een mogendheid
aangemerkt.
Hoofdstuk 2. Bepalingen
omtrent de prestaties
In dit hoofdstuk staan de
bepalingen omtrent de prestaties en
eigen bijdragen. Ook bevat dit hoofdstuk bepalingen die betrekking hebben op
het GVS. In dit hoofdstuk is de volgorde
van het Besluit zorgverzekering gevolgd.
Voor de overzichtelijkheid is ervoor gekozen om de bepalingen die betrekking
hebben op de indeling van
geneesmiddelen in groepen van onderling vervangbare
geneesmiddelen, de berekening van de
vergoedingslimiet en de berekening van de
eigen bijdrage, in een aparte
paragraaf te zetten (paragraaf 2). Dit geldt
ook voor de aanvraagprocedure voor
registratiehouders. Die staat in paragraaf 3.
Artikel 2.1 is gebaseerd
op artikel 2.4, tweede lid, van het
Besluit zorgverzekering.
De artikelen 2.2 en 2.3
zijn gebaseerd op artikel 2.4, derde
lid, van het Besluit zorgverzekering.
Artikel 2.4 is gebaseerd
op artikel 2.7, zesde lid, van het
Besluit zorgverzekering.
Artikel 2.5 is gebaseerd
op 2.8, eerste en tweede lid, van het
Besluit zorgverzekering.
De artikelen 2.6 tot en
met 2.36 zijn gebaseerd op artikel 2.9
van het Besluit zorgverzekering.
Artikel 2.37 is gebaseerd
op artikel 2.12, tweede lid, van het
Besluit zorgverzekering.
Artikel 2.38 is gebaseerd
op de artikelen 2.14, tweede lid, en 2.16
van het Besluit zorgverzekering.
De artikelen 2.39 tot en
met 2.48 en 2.50 zijn gebaseerd op
artikel 2.8, vijfde lid, van het Besluit
zorgverzekering.
Artikel 2.49 is gebaseerd
op artikel 2.8, zesde lid, van het
Besluit zorgverzekering.
Omwille van de
leesbaarheid is in de toelichting op de
artikelen uitgegaan van de keuze voor zorg in natura. Daar waar staat verstrekking van
die zorg, of recht of aanspraak op zorg en
dergelijke, wordt ook bedoeld de
situatie dat er sprake is van restitutie.
§ 1. De prestaties en
eigen bijdragen
§ 1.1. Geneeskundige
zorg
Artikel 2.1
Dit artikel regelt de
uitsluiting op grond van artikel 2.4, tweede
lid, van het Besluit zorgverzekering
van zorg zoals medisch specialisten die
plegen te bieden. Het gaat om de
uitsluitingen zoals die met ingang van 1 januari 2005 geregeld waren in artikel 2,
tweede lid, en artikel 5 van de Regeling medisch-specialistische zorg Ziekenfondswet.
Artikel 2.2
Dit artikel treedt pas
per 1 januari 2007 in werking. In dit
artikel is de eigen bijdrage voor psychotherapie geregeld zoals die tot die datum
op grond van de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten (AWBZ) geregeld is. De
bedragen die in deze bepaling staan, zijn
de bedragen zoals die in 2006 voor de
AWBZ (in artikel 7 van de Bijdrageregeling zorg) zullen worden
vastgesteld. Met ingang van 1 januari 2007 wordt
deze zorg naar de prestaties van de Zvw overgeheveld. De bedragen zullen nog
per die datum worden geïndexeerd.
In het tweede lid is, net
als bij de AWBZ, geregeld dat de
verzekerde de bijdrage niet
verschuldigd is indien hij reeds de hoge intramurale AWBZ-bijdrage verschuldigd is.
Artikel 2.3
Met ingang van 1 januari
2007 worden de prestaties van de Zvw uitgebreid met acht zittingen eerstelijnspsychologie. Voor deze zorg geldt op
grond van deze bepaling, die ook pas per
1 januari 2007 van kracht wordt, een
eigen bijdrage van €|10,- per zitting. Dit
is het bedrag zoals dat per 1 januari 2007
geldt.
§ 1.2. Mondzorg
Artikel 2.4
In deze bepaling zijn de
eigen bijdragen voor mondzorg geregeld.
Het gaat om dezelfde eigen bijdragen
als bij de ziekenfondsverzekering.
Het eerste lid regelt de
eigen bijdragen voor de bijzondere
tandheelkunde. Voor de verzekerde van 18 jaar of ouder die zijn aanspraak
ingevolge artikel 2.7, eerste lid, onderdeel a,
van het Besluit zorgverzekering,
onderscheidenlijk de extreem angstige
verzekerde van 18 jaar of ouder die zijn aanspraak ingevolge artikel
2.7,
eerste lid, onderdeel b, van dat besluit tot
gelding brengt, is geregeld dat voor preventief onderzoek, incidenteel
consult, extractie, parodontale hulp,
endodontische hulp, restauratie van
gebitselementen met plastische materialen
en uitneembare prothetische
voorzieningen een bijdrage verschuldigd is
ter grootte van het bedrag dat ten
hoogste in rekening mag worden gebracht
indien zodanige prestaties niet in het
kader van bijzondere tandheelkunde (derhalve
slechts tegen het reguliere tandheelkundige tarief) zouden worden geleverd.
Het tweede lid regelt de
eigen bijdrage voor de volledige
gebitsprothese die in het kader van de
bijzondere tandheelkunde wordt geleverd, waaronder
de volledige gebitsprothese
die geplaatst wordt op tandheelkundige implantaten.
Het derde lid regelt de
eigen bijdrage voor de "gewone"
volledige gebitsprothese. Net als in de ziekenfondsverzekering gold, is een eigen
bijdrage geregeld van 25% van de kosten van
de voorziening.
§ 1.3. Farmaceutische
zorg
Artikel 2.5
Eerste lid
Het eerste lid regelt dat
de aangewezen geregistreerde middelen
staan vermeld in bijlage 1 van deze regeling. Net als bij de
ziekenfondsverzekering bestaat deze bijlage uit een
onderdeel A waarop de geneesmiddelen met een
vergoedingslimiet staan en uit een
onderdeel B met middelen zonder vergoedingslimiet.
Met ingang van 19
december 2003 was voor de
ziekenfondsverzekering geregeld dat de
zorgverzekeraar het pakket kan beperken tot de door
hem aangewezen middelen onder de voorwaarde dat hij van elke werkzame
stof ten minste één middel aanwijst. In
het Besluit zorgverzekering is
geregeld dat de zorgverzekeraar middelen aanwijst uit de
bij ministeriële regeling
aangewezen middelen. Ook daarbij geldt dat hij
van elke werkzame stof ten minste één middel aanwijst. Verder geldt
ook de uitzondering dat de verzekerde recht
heeft op een ander bij ministeriële
regeling aangewezen middel indien het door
de zorgverzekeraar aangewezen middel voor de verzekerde medisch niet
verantwoord is. Het gaat daarbij dus wel
om een hoge uitzondering.
Net als bij de
ziekenfondsverzekering, worden niet alle
geregistreerde geneesmiddelen bij ministeriële regeling aangewezen. De volgende
geneesmiddelen worden niet aangewezen.
1. Homeopathische
farmaceutische producten.
2. De zogenoemde
zelfzorggeneesmiddelen en de niet-zelfzorggeneesmiddelen met eenzelfde werkzaam bestanddeel en
in eenzelfde toedieningsvorm.
Zelfzorggeneesmiddelen zijn middelen die zonder
recept mogen worden afgeleverd.
Een uitzondering op deze uitsluiting
vormen laxantia, kalktabletten, middelen
bij allergie, middelen tegen diarree en maagledigingsmiddelen. Recht op deze middelen
bestaat alleen indien de
verzekerde langer dan zes maanden op deze
middelen is aangewezen, het middel
voor hem strekt tot behandeling
van een chronische aandoening en er geen
sprake is van een nieuwe medicatie
voor die persoon. Deze voorwaarden staan in bijlage
2 van deze regeling.
3. De geneesmiddelen die
niet tot de essentiële zorg behoren
en per 1 april 1996 uit het
ziekenfondspakket zijn verwijderd (Ministeriële Regeling
van 23 februari 1996, VMP/VA-96550,
tot wijziging van de Regeling farmaceutische hulp 1996 in verband met
beperking van de aanspraak op
geneesmiddelen, Stcrt. 1996, 46). Dit is geschied op basis van de criteria die door de
voorganger van het College zorgverzekeringen, de Ziekenfondsraad, zijn ontwikkeld (rapport van 28 september 1995,
uitgave Ziekenfondsraad 1995, nr. 680). Hierna
wordt steeds gesproken van
College zorgverzekeringen, ook al gaat het tot 1
juli 1999 nog om de Ziekenfondsraad.
De ontwikkelde criteria
kunnen zowel toegepast worden op het
bestaande pakket als dienen voor een oordeel over de toelating van nieuwe
geneesmiddelen. De criteria van het
College zorgverzekeringen zijn een hanteerbare en
toepasbare uitwerking van de
voorstellen die de Commissie criteria geneesmiddelenkeuze op 29 april 1994 in haar
rapport "Verdeling door
verdunning" (ISBN 90-74262-02-3) heeft
gedaan. De criteria zijn: noodzaak van
medische interventie, werkzaamheid,
effectiviteit, therapeutische waarde,
doelmatigheid en eigen rekening en
verantwoording. In zijn rapport van 23 november 1995 (uitgave Ziekenfondsraad 1995, nr.
691b) heeft het College
zorgverzekeringen de criteria therapeutische
waarde en doelmatigheid verder uitgewerkt, wat
relevant is voor de onder punt 4
bedoelde middelen.
4. Geneesmiddelen
waarvoor geen vergoedingslimiet op
grond van paragraaf 2 van dit hoofdstuk is
vast te stellen, tenzij de
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in
verband met de therapeutische
waarde en de doelmatigheid van het
geneesmiddel van oordeel is dat het
belang van de volksgezondheid vergt dat verzekerden toegang hebben tot dat
middel.
Dit criterium is met
ingang van 1 juli 1999 in de
ziekenfondsverzekering ingevoerd. In de nota van
toelichting bij het Koninklijk besluit van 15
februari 1999 tot wijziging van het
Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering in
verband met wijziging van
bepalingen die de aanspraak op
farmaceutische zorg regelen (Stb. 1999, 109) is op de
achtergronden hiervan ingegaan. Ook
zijn uitvoerig de criteria die onder punt 3 zijn aangegeven in die toelichting
toegelicht.
Het criterium behelst dat
nieuwe geneesmiddelen die
onderling vervangbaar zijn met geneesmiddelen
die al in het pakket zitten zonder
meer opgenomen kunnen worden in het
pakket. Immers deze middelen zijn vergelijkbaar met geneesmiddelen
waarvan de noodzaak van medische
interventie, werkzaamheid, effectiviteit en therapeutische waarde vaststaan. Voorts
is kostenbeheersing
gegarandeerd omdat voor die nieuwe
geneesmiddelen vergoedingslimieten worden vastgesteld.
Met betrekking tot nieuwe
geneesmiddelen die niet zijn in te delen
in een groep van onderling
vervangbare geneesmiddelen zal eerst
de noodzaak van medische interventie,
werkzaamheid, effectiviteit en therapeutische waarde worden
vastgesteld. Vervolgens zal bezien moeten worden
of er sprake is van therapeutische
gelijk- of meerwaarde en of de toepassing van
het nieuwe geneesmiddel
doelmatig is. Doelmatigheid wordt
beoordeeld op basis van gegevens uit farmaco-economisch onderzoek. Het College zorgverzekeringen heeft
desgevraagd richtlijnen voor het
farmaco-economisch onderzoek opgesteld (rapport richtlijnen voor farmacotherapeutisch
onderzoek van 25 maart 1999, CURE/99
15001).
In de periode van 1 juli
1999 tot 1 januari 2005 was het
indienen van een farmaco-economisch
dossier door de registratiehouder nog
niet verplicht. Tot een niet-verplichte
periode was besloten omdat registratiehouders
in staat moesten worden gesteld
het farmaco-economisch onderzoek te gaan
uitvoeren zoals in de richtlijnen
is aangegeven. Sinds 1 januari 2005 moet
de registratiehouder bij zijn aanvraag om een geneesmiddel op bijlage 1, onderdeel B, te plaatsen een
farmaco-economisch dossier voegen, wil zijn aanvraag in behandeling genomen
worden. Vanaf die datum staat dan ook
op het formulier, bedoeld in artikel 2.50,
tweede lid, van deze regeling dat het
resultaat van het farmaco-economisch
onderzoek moeten worden overgelegd bij een
dergelijke aanvraag. Bij de
beoordeling van de doelmatigheid zullen
tevens de gevolgen voor de rijksbegroting
relevant zijn.
Tweede lid
Het tweede lid is de
basis voor bijlage 2, waarin, net als bij de
ziekenfondsverzekering, indicatievoorwaarden voor bepaalde categorieën van
geneesmiddelen staan waaraan de
verzekerde moet voldoen, wil recht
bestaan op dat middel voor rekening van de
zorgverzekering.
In bijlage 2 van de Regeling
farmaceutische hulp 1996 was bij
verschillende groepen geneesmiddelen op voorstel van het College
zorgverzekeringen de voorwaarde gesteld dat de
verzekerde een algemeen aanvaarde
medische indicatie moet hebben. Deze
voorwaarde heeft eigenlijk geen
toegevoegde waarde, want deze geldt in het
algemeen voor de zorg die voorheen
in het ziekenfondspakket zat en thans in het Zvw-pakket. Bedoeld werd echter de
specifieke invulling die
het College zorgverzekeringen geeft
in zijn Farmacotherapeutisch Kompas aan de indicatie bij deze groepen van
geneesmiddelen. Er is voor gekozen om
deze invulling (zie de onderdelen 41 en 42) thans op bijlage
2 zelf te zetten.
Derde lid
Het derde lid geeft de
basis voor het stellen van
indicatievoorwaarden in bijlage 2
voor polymere, oligomere, monomere en modulaire
dieetpreparaten. Deze voorwaarden
staan in onderdeel 1 van deze bijlage
en
zijn iets anders geformuleerd dan
voorheen, zodat ze beter aansluiten op hetgeen het College zorgverzekeringen voorstelde in zijn rapport van 23
mei 1996 (uitgave Ziekenfondsraad,
nr. 712).
§ 1.4. Hulpmiddelenzorg
Artikel 2.6
Eerste lid, algemeen
In het eerste lid van
deze bepaling zijn, op grond van artikel 2.9
van het Besluit zorgverzekering, de
soorten hulpmiddelen aangewezen die onder de
te verzekeren Zvw-prestaties vallen.
Omdat bij de Zvw
uitgangspunt is dat de doelmatigheid een
aangelegenheid van de zorgverzekeraar
is, wordt bij de hulpmiddelenzorg aan de
zorgverzekeraars ruimte geboden om
decentraal in een klantgerichte benadering te komen tot een transparante en
controleerbare invulling van adequate
zorg. Om te komen tot een
transparante invulling is het aan de
zorgverzekeraars om de uiteindelijk te verstrekken hulpmiddelenzorg het eindresultaat te
laten zijn van een geprotocolleerde
vertaling van een diagnose en indicatie in
concrete voorzieningen. Inadequate uitkomsten van een dergelijke vertaling
kunnen worden aangepakt door kritische
beschouwing en verbetering van de
doelmatigheid van het verstrekkingenproces.
Het uitgangspunt bij de
verstrekking van hulpmiddelen is dat
zorgverzekeraars een hulpmiddel gebruiksklaar afleveren. Immers,
artikel 2.9 van het Besluit zorgverzekering
bepaalt dat het gaat om functionerende
hulpmiddelen. Een hulpmiddel is
gebruiksklaar als het werkt en de verzekerde
weet hoe hij met het hulpmiddel moet
omgaan. Dit betekent dat de
gebruikersinstructie onderdeel is van het hulpmiddel.
Artikel 2, eerste lid,
aanhef, van de Regeling hulpmiddelen 1996
regelde nog expliciet dat "te
allen tijde aanspraak moet bestaan op een
adequaat hulpmiddel". Dat het
recht op een hulpmiddel een goed functionerend en
bij de beperking van de
verzekerde passend (dus adequaat) hulpmiddel
moet betreffen, spreekt echter voor zich.
Dit houdt ook in dat, net als bij
de Regeling hulpmiddelen 1996, een hulpmiddel vervangen of gewijzigd kan worden.
Mocht een hulpmiddel niet meer
goed of onvoldoende functioneren, dan is er
immers geen sprake meer van een
adequaat functionerend hulpmiddel en dient dit
hulpmiddel in voorkomende gevallen
hersteld of vervangen te worden.
Ook kan een reservehulpmiddel
aangewezen zijn. De keuze tot vervanging
dan wel reparatie van een hulpmiddel is
afhankelijk van de doelmatigheidsafweging van de zorgverzekeraar. In
sommige gevallen zal het voordeliger zijn
een hulpmiddel te laten repareren, in
andere gevallen juist weer niet.
Ook onderdeel van de
doelmatigheidsafweging van een zorgverzekeraar
is de keuze recht te geven op
een hulpmiddel in eigendom dan wel in
bruikleen. Een aantal hulpmiddelen leent
zich zowel voor eigendom als voor
bruikleen. In artikel 2, derde lid, van
de Regeling hulpmiddelen 1996 was
deze keuzemogelijkheid expliciet neergelegd. In
deze regeling keert die
bepaling niet terug. Dat betekent niet dat een zorgverzekeraar deze keuzemogelijkheid
niet meer heeft. Op grond van
doelmatigheidsafwegingen kan een zorgverzekeraar ervoor kiezen recht te
geven op een hulpmiddel in eigendom dan wel juist
in bruikleen. Bruikleen
heeft het voordeel dat de zorgverzekeraar
een hulpmiddel kan terugvorderen indien
een verzekerde er geen gebruik (meer)
van maakt.
De hulpmiddelenzorg omvat
in principe niet de vergoeding van
energiekosten zoals gebruik van elektriciteit, batterijen en oplaadapparatuur. Het
middel wordt echter wel gebruiksklaar
afgeleverd met inbegrip van eventuele
batterijen of oplaadapparatuur. Indien
energiekosten bij bepaalde hulpmiddelen
wel voor vergoeding in aanmerking komen, is
dit uitdrukkelijk vermeld.
Aan de lijst van soorten
van hulpmiddelen zoals die in artikel 2
van de Regeling hulpmiddelen 1996 vermeld stonden, zijn nog de volgende
hulpmiddelen toegevoegd:
- de hulp- en
blindengeleidehonden die tot 1 januari 2006 ten
laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten werden gesubsidieerd;
- hulpmiddelen ter
compensatie van onvoldoende arm-, hand-,
en vingerfunctie, waarmee de "robotmanipulator",
die tot 1 januari 2006 uit de
Algemene Kas werd gesubsidieerd, in
het Zvw-pakket is opgenomen;
- zelfmeetapparatuur voor
bloedstollingtijden; thuisdialyseapparatuur.
De zelfmeetapparatuur
voor bloedstollingtijden was onder de
ziekenfondsverzekering geregeld als onderdeel
van de verstrekking "hulpverlening
door trombosediensten". De thuisdialyseapparatuur was geregeld als
onderdeel van de verstrekking
niet-klinische hemodialyse ziekenfondsverzekering.
Daaronder viel ook buikspoeling
thuis. Besloten is de apparatuur
die bij deze zorg nodig is apart
onder de hulpmiddelenzorg te regelen. De zorg die
nodig is voor het zelf meten van
bloedstollingstijden en voor thuisdialyse,
maakt onderdeel uit van de
geneeskundige zorg, bedoeld in artikel
2.4 van het Besluit zorgverzekering.
De zorgverzekeraar kan ervoor kiezen om als
voorheen te regelen dat de zorg,
inclusief de apparatuur, geleverd
wordt door dialysecentra onderscheidenlijk
de trombosediensten. Hij kan dat ook anders
gaan doen als dat hij dat
bijvoorbeeld doelmatiger vindt.
Voor een dergelijke
regeling is niet gekozen indien er sprake
is van mechanische beademing van een verzekerde thuis. Het gaat hier om
zorg en apparatuur zoals die voorheen
geregeld waren in de verstrekking
chronische intermitterende beademing. De reden
hiervoor is dat mechanische beademing dusdanig specialistisch is dat de
daarvoor benodigde apparatuur niet kan
worden losgekoppeld van de daarbij behorende
zorg, die in Nederland slechts
wordt geleverd door twee
beademingscentra.
Eerste lid, onderdeel m
De voorwaarden voor de
elastische kousen zijn in termen van
verloren gegane lichaamsfuncties omschreven. Door deze omschrijving kunnen
aantrekhulpmiddelen, uittrekhulpmiddelen en hulpmiddelen die zowel
voor het aan als voor het uittrekken
kunnen worden gebruikt, worden
verstrekt of vergoed.
Onderdeel m spreekt van
langdurig compenseren van
functieverlies. Dit om onderscheid te maken
tussen hulpmiddelen die tijdelijk worden
ingezet als onderdeel van de medische
behandeling en zodoende behoren tot
de aanspraak op die behandeling
(bijvoorbeeld de therapeutische elastische
kousen in verband met de nabehandeling van
het verwijderen van
spataderen). Aangezien er bovendien sprake moet
zijn van een functieverlies van de
aderen, bestaat geen aanspraak op
steunkousen (klasse 1).
Eerste lid, onderdeel v
De longvibrator wordt
toegepast bij chronische longpatiënten bij wie het bronchiale slijm
regelmatig moet worden verwijderd. Deze
voorziening vervangt in de daarvoor
in aanmerking komende gevallen de
anders noodzakelijke tapotage.
Eerste lid, onderdeel w
De vernevelaar is
voornamelijk aangewezen bij kinderen lijdende
aan mucoviscidosis met longbeschadiging.
Eerste lid, onderdeel x
De beeldschermloep is een
hulpmiddel voor die slechtzienden
die slechts door gebruik van dit toestel
in staat zijn te lezen. Het apparaat kan
pas worden verstrekt indien de verzekerde niet
in staat is met een eenvoudiger
hulpmiddel te lezen en met de bediening
van het apparaat vertrouwd is.
Eerste lid, onderdeel y
De uitwendige
elektrostimulator tegen chronische pijn geeft in
een aantal gevallen een aanzienlijke verlichting van overigens onbehandelbare
pijn. Daar niet te voorspellen is of
de toepassing van dit apparaat in een
individueel geval effect heeft, dient het
apparaat pas te worden verstrekt indien
het apparaat gedurende een
proefperiode resultaat oplevert.
De aanspraak omvat ook
het toebehoren, zoals elektroden en
elektrodepasta, maar niet de vervangende batterijen. Kabels, fixatiemiddelen
en draagtas zijn eveneens onder het
toebehoren begrepen.
Tweede lid
In het tweede lid zijn de
verbandmiddelen aangewezen. In de
ziekenfondsverzekering waren deze nog geregeld
als onderdeel van de
farmaceutische hulp.
Artikel 2.7
Bij sommige hulpmiddelen
is een leeftijd relevant. Het eerste lid
regelt dat dan de leeftijd van de verzekerde op het moment waarop hij zich
wendt tot een aanbieder relevant is.
Het tweede lid regelt dat
het in bruikleen geven tevens vergoeding
van kosten van vervoer van het hulpmiddel naar en van de woning van de
verzekerde, het regelmatige
technische onderhoud ervan evenals de voor het
gebruik, ontsmetting en reiniging van de
apparatuur benodigde chemicaliën
omvat.
Artikel 2.8
Onderdeel a
Onderdeel
a betreft zowel
conventionele, niet-bekrachtigde
prothesen als prothesen in een
bekrachtigde uitvoering.
Bij bekrachtigde
prothesen bestond de krachtbron tot voor kort
uit koolzuurgas, afkomstig uit al of niet draagbare cilinders. Op dit gebied is echter
sprake van een nieuwe ontwikkeling.
De meest voorkomende bekrachtigde
prothese is nu de myo-elektrische
handprothese. De krachtbron bestaat
hierbij uit elektriciteit, afkomstig uit oplaadbare
accu’s. Voor het in- en
uitschakelen worden actiepotentialen van
één of meer spieren gebruikt. Het grote
voordeel van deze prothese is dat deze
gedeeltelijk de grijpfunctie van de normale hand kan
nabootsen. Hierdoor worden allerlei
handelingen weer mogelijk, die ook in
sociaal opzicht van groot belang
zijn. De gehandicapte met een myo-elektrische
handprothese kan op vrijwel normale
wijze eet- en drinkgerei
hanteren.
Het gaat om de volgende
typen prothesen:
a. de noodprothese;
b. de definitieve of
functionele prothese;
c. de sierprothese.
Daarnaast bestaat de
mogelijkheid een reserve-exemplaar te
verstrekken of te vergoeden. In verband met de arbeidssituatie kan het nodig zijn naast
een myo-elektrische handprothese ook een conventionele arm-/handprothese
te verstrekken.
Onderdeel b
De in onderdeel b
vermelde hulp- en aanzetstukken zijn
bedoeld voor handelingen in het dagelijkse leven. Als regel zijn hiervoor zes tot
acht aanzetstukken voldoende. Hulp- en
aanzetstukken die niet eenvoudig van aard
zijn en zeer specifiek voor de
arbeidssituatie dan wel voor het beoefenen van
een liefhebberij nodig zijn, vallen niet
onder de omschrijving in deze
bepaling.
Artikel 2.9
Algemeen
De in de handel
verkrijgbare prothesen kunnen van uiteenlopende
materialen zijn vervaardigd. De materialen waarvan de gebruiksklaar
verkrijgbare mammaprothesen zijn vervaardigd, dienen waterbestendig te zijn.
Mammaprothesen,
vervaardigd van schuimrubber, voldoen
niet aan deze eis. Volledigheidshalve wordt hierbij aangetekend dat de verschaffing van
een mammaprothese niet de
voorlopige prothese omvat die kort na een
operatie wordt verstrekt gedurende
het genezingsproces. Deze laatstbedoelde
prothese is als verbandmateriaal
aan te merken en maakt deel uit van de
geneeskundige zorg zoals medisch specialisten die plegen te bieden. De
bustehouder valt niet onder de aanspraak.
Een mammaprothese is
geïndiceerd bij de operatieve
verwijdering van de borstklier en bij het geheel of nagenoeg geheel achterwege blijven
van de natuurlijke ontwikkeling van de
borstklier(en).
Onderdeel a
De in onderdeel
a
omschreven gebruiksklaar verkrijgbare
mammaprothese voor uitwendige toepassing is niet in alle situaties te gebruiken. Zo kan de
druk van de uitwendige prothese
door letsel of afwijkingen aan de
borstwand niet altijd worden verdragen. Bij een
sterke postoperatieve vervorming van de
okselplooi geven deze prothesen
cosmetisch niet altijd een bevredigend
resultaat.
Onderdeel b
Op grond van onderdeel
b
kan ook een individueel vervaardigde
mammaprothese aangeschaft worden, zodat
met vorenstaande bezwaren rekening kan
worden gehouden.
Nu de ontwikkeling
zodanig is dat meer verschillende
modellen en maten van confectieprothesen in
de handel worden gebracht, zal het
steeds minder vaak voorkomen dat een
individueel vervaardigde mammaprothese nodig is. Aangezien individueel
vervaardigde mammaprothesen
aanzienlijk duurder zijn dan de fabrieksmatig
vervaardigde prothesen, zijn deze
slechts aangewezen indien de toepassing van
een confectieprothese om medische redenen niet mogelijk is, dan wel uit
cosmetisch oogpunt een duidelijk onbevredigend resultaat oplevert. Hierbij dient
bedacht te worden dat een misvorming
van de voorste okselplooi ook door de
kleding heen zichtbaar is. Ook aan een
individueel vervaardigde
mammaprothese kan de eis worden gesteld dat
deze waterbestendig is.
Artikel 2.10
Het ontwerpen van een
individuele gelaatsprothese vereist
expertise. Hierbij zijn van belang de aard
van de verminking en het te verwachten
resultaat van de gelaatsprothese. De
vervaardiging van de vervanging van een
eerder afgeleverde gelaatsprothese is in de
regel minder arbeidsintensief,
omdat de leverancier mallen pleegt te bewaren.
Daarom zal de kostprijs van
vervangende exemplaren als regel
aanmerkelijk lager zijn dan die van het
eerste exemplaar.
Artikel 2.11
De hier vermelde
scleraschaal is niet bedoeld als optisch
hulpmiddel, maar ter afdekking van een
ernstige misvorming van het voorste deel van
de oogbol uit cosmetische overwegingen.
Artikel 2.12
Eerste lid, algemeen
Voor de orthesen voor
romp, arm, been, voet, hoofd of hals
geldt dat alle middelen die tot het gestelde doel kunnen leiden, te weten
ondersteuning bij deficiëntie van
lichaamsdelen, daaronder vallen. De hulpmiddelen
kunnen zowel op conventionele
wijze zijn uitgevoerd als van moderne
materialen zijn vervaardigd.
Eerste lid, onderdeel a
Deze korsetten omvatten
zowel orthopedische maatkorsetten en
halffabrikaten als orthopedische confectiekorsetten. In de praktijk worden
orthopedische confectiekorsetten steeds vaker
voorgeschreven, ter vervanging van
orthopedische maatkorsetten. Op grond
van praktijkervaringen is
gebleken dat een grote groep patiënten
adequaat kan worden geholpen met een
orthopedisch confectiekorset waarvan
de kosten aanzienlijk lager zijn.
Eerste lid, onderdeel b
Onder orthopedische
beugelapparatuur wordt een veelheid van
orthopedische voorzieningen verstaan,
die tot doel hebben een verloren gegane
functie zo goed mogelijk te vervangen.
Onder het begrip
beugelapparatuur vallen zowel beugels in
engere zin als ook de bijbehorende
kappen of kokers. Stabeugels (staplank,
statafel of sta-unit), voor zover individueel
gericht op de geneeskundige behandeling van één verzekerde, vallen ook
hieronder.
Eerste lid, onderdeel c
De verstevigde
spalk-, redressie- of correctieapparatuur is niet scherp van de in onderdeel
b bedoelde
middelen af te grenzen. Hieronder vallen
zowel voorzieningen voor de romp zoals
zitschalen, reclinatiekorsetten en
rechthouders als voorzieningen voor de
ledematen. De omschrijving sluit de verschaffing van zit- of ligschalen
niet uit, omdat deze kunnen worden beschouwd
als uitsluitend te bestaan uit verstevigd
materiaal. Tot de aanspraak behoren
ook (dynamische) ligorthesen. De vaste
ligorthese bestaat uit een uit één
stuk gegoten vorm. De dynamische
ligorthese bestaat uit afzonderlijke
elementen, waarvan een aantal moet voldoen
aan de vereiste versteviging om de
ligorthese effectief te maken. De keuze voor
een vaste of een dynamische ligorthese
is afhankelijk van de aandoening. Er
zijn in de wetenschappelijke literatuur geen
onderzoeksgegevens bekend waaruit blijkt dat (dynamische) ligorthesen voor een hele
(sub)groep doelmatig
zijn. Ook is nog niet gebleken dat
(dynamische) ligorthesen voor een gehele (sub)groep niet effectief zijn.
De dynamische ligorthese
is in de uitvoeringspraktijk een veel gebruikt hulpmiddel. Uit het
oogpunt van doelmatigheid geven behandelaars in het
algemeen de voorkeur aan een
dynamische ligorthese wanneer een
vaste ligorthese niet voldoende
slaapcomfort biedt. De zorgverzekeraar moet zich
daarom telkens bij het beoordelen van
individuele gevallen baseren op de
aanvraag van de behandelaar, eventueel
aangevuld met het advies van de
leverancier.
Zitorthesen die onderdeel
uitmaken van een rolstoel of kinderduwwandelwagen worden geacht met dat
hulpmiddel één geheel te vormen.
Deze orthesen kunnen niet op grond van
deze regeling worden verstrekt of
vergoed.
De rolstoel en
kinderduwwandelwagen dienen compleet en
gebruiksklaar - derhalve inclusief de
zit- of staorthese - op grond
van de Wet voorzieningen gehandicapten door de
gemeenten te worden
verstrekt.
Een verstevigde spalk-, redressie- of correctieapparatuur kan
alleen voor rekening van de
zorgverzekering worden geleverd indien de
verzekerde langdurig op het gebruik
van deze middelen is aangewezen.
Zorgverzekeraars werden
in het verleden geconfronteerd met
aanvragen voor deze orthesen (veelal ten behoeve van verzekerden die nog in
het ziekenhuis verbleven dan wel uit het
ziekenhuis worden ontslagen) bij
indicaties die voorheen werden behandeld
met conservatieve materialen zoals gips,
waarvan de kosten ten laste van
het ziekenhuisbudget kwamen. De onderhavige
beperkende omschrijving biedt een
handvat om de verschuiving van
kosten van postoperatieve behandelingen naar deze regeling tegen te gaan.
In het verleden werden in
toenemende mate bandages ten laste
van de ziekenfondsverzekering verstrekt die uitsluitend bestemd waren voor het
gebruik tijdens
sportactiviteiten, ter preventie van sportblessures. Om dit oneigenlijke
gebruik van de
zorgverzekering te voorkomen, is, net als bij de
ziekenfondsverzekering geregeld was, geregeld
dat de orthese verstevigd moet
zijn, waarbij het moet gaan om een
versteviging die een functioneel onderdeel
vormt van de orthese en een
therapeutische meerwaarde vertegenwoordigt ten opzichte van eenzelfde
niet-verstevigde orthese. Daarnaast is geregeld dat
er in geval van een kniebrace sprake moet
zijn van een (gecombineerd) letsel van
de knie waarbij de kruisbanden of
collateraalbanden zijn gescheurd en bij de
indicatie "eenzijdige gonartrose". Het gaat
dan om een standafwijking van
minimaal 10 graden varus/valgusstand. Een
knieoperatie is in deze gevallen in
principe de beste oplossing, maar in sommige gevallen is er een contra-indicatie
voor een operatie of kan deze niet op korte
termijn worden uitgevoerd. Een
verstevigde orthese kan zinvol zijn bij
contra-indicaties, mits de orthese voldoende zijwaartse horizontale correctie geeft.
Omdat de ervaring leert
dat behandeling van deze gevallen met een
verstevigde kniebrace niet altijd effectief is, verdient het aanbeveling
een brace alleen te verstrekken als
blijkt dat een proefbrace (gips) gedurende drie weken een positief effect
heeft.
Eerste lid, onderdeel d
Een kap ter bescherming
van de schedel is niet beperkt tot
situaties waarin sprake is van een schedeldefect. Ook wanneer een schedeldefect dreigt
in verband met frequente evenwichts-
of bewustzijnsstoornissen, kan de kap worden verstrekt. Deze kan in
dit geval dus ook preventief worden
verstrekt.
Eerste lid, onderdeel f
In dit onderdeel is een
stemprothese of spraakversterker, al dan
niet gecombineerd, geregeld. In de praktijk beter bekend als de laryngofoon
(een merknaam). De stemprothese kan de
mogelijkheid hebben tot verandering
van intonatie.
Eerste lid, onderdeel h
Onderdeel
h regelt de
orthesen die bestaan uit het
orthopedisch schoeisel en orthopedische
voorzieningen aan confectieschoeisel. Om voor orthopedisch schoeisel of
orthopedische voorzieningen in aanmerking te komen,
is bepaald dat er sprake moet zijn
van een indicatie als bedoeld in bijlage
3,
onderdeel 1, van de regeling. Plat-,
spreid- en knikvoeten, eeltlagen en likdoorns
vormen als regel geen indicatie voor de verschaffing van orthopedisch schoeisel.
Dit betekent dat slechts aanspraak bestaat
op duurder schoeisel als niet met
een goedkopere schoen of voorziening aan
een schoen kan worden volstaan.
Subonderdeel 1
Individueel vervaardigde
orthopedische schoenen zijn schoenen
die volgens gedetailleerde
specificaties worden vervaardigd op basis van een voor
betrokkene specifieke leest.
Subonderdeel 2
Individueel vervaardigde
binnenschoenen zonder zool en hak, te
dragen in confectieschoenen, worden toegepast bij partiële voetdefecten of
beenverkorting. De binnenschoen vult het
defect aan, waardoor een ongeveer
normale voetvorm dan wel beenlengte wordt
verkregen.
Subonderdeel 3
Onder semi-orthopedisch
schoeisel is te verstaan fabrieksmatig
in serie vervaardigde schoenen, waaraan volgens
gedetailleerd voorschrift speciale
voorzieningen worden aangebracht. De mogelijkheden tot het aanbrengen van
correcties zijn bij dit
soort schoeisel geringer dan bij volledig
individueel vervaardigd orthopedisch
schoeisel. De besparing ten aanzien van
de kosten en vooral ten aanzien van de
levertijd is groot.
Subonderdeel 4
De orthopedische
voorzieningen aan confectieschoenen dienen
ter vervanging van orthopedische
schoenen of semi-orthopedische
schoenen. Hierbij wordt opgemerkt dat de
verzekerde slechts aanspraak heeft
op de voorzieningen en niet op de
confectieschoenen, waaraan de voorzieningen
worden aangebracht.
Tweede lid
Het tweede lid regelt dat
preventief gebruik in verband met
het beoefenen van sport geen grond is
voor het leveren voor rekening van de
zorgverzekering van verstevigde spalk-, redressie- of correctieapparatuur.
Derde lid
Het vierde lid regelt de
eigen bijdrage die voor orthopedische
schoenen betaald moeten worden. Aan de eigen bijdrage voor orthopedische
schoenen ligt het besparingsmotief ten
grondslag. Immers, iedereen zal regelmatig schoenen moeten aanschaffen. Het
is billijk dat ook verzekerden die
aangewezen zijn op orthopedische schoenen een vergelijkbaar bedrag in
de aanschaffingskosten van deze schoenen
betalen.
Artikel 2.13
De gezichtshulpmiddelen
worden in vier hoofdgroepen
onderscheiden, te weten: brillenglazen, waaronder filterglazen met of zonder
visuscorrigerende werking, contactlenzen,
bandagelenzen zonder visuscorrigerende
werking en bijzondere optische
hulpmiddelen. Onder de laatste groep
vallen voorzieningen als telescoopbrillen,
verrekijkerbrillen, loepen, enz. De
zorgverzekeraar dient te bevorderen dat
zoveel mogelijk een goed bruikbare, doch
eenvoudige uitvoering wordt gekozen.
Tevens dient de zorgverzekeraar te
beoordelen of het gezichtshulpmiddel
geschikt is voor een bepaalde verzekerde. Zo heeft een handloep met een sterke vergroting
geen zin als de verzekerde niet in
staat is de kritische leesafstand door
bijkomende hulpmiddelen (zoals
statief) te handhaven. De bijkomende
hulpmiddelen zoals het eventuele montuur,
statief of verlichting vallen eveneens onder de
aanspraak.
Niet tot de bijzondere
optische hulpmiddelen in de zin van dit artikel
worden gerekend technische hulpmiddelen die een vergroot beeld
van het voorwerp projecteren, zoals de
epidiascoop.
Onderdeel a
In het algemeen hebben
verzekerden geen aanspraak op
brillenglazen, waaronder filterglazen met of zonder visuscorrigerende werking en contactlenzen.
Slechts bij bepaalde
indicaties volgens bijlage 3, onderdeel 2,
van de regeling kunnen deze middelen
worden verstrekt, indien althans sprake is
van een medische noodzaak tot vervanging
van deze hulpmiddelen binnen een
periode van twaalf maanden.
Onderdeel c
Van de verschaffing van
contactlenzen worden de bandagelenzen
zonder visuscorrigerende werking (sterkte nul) onderscheiden. De
verschaffing van deze bandagelenzen blijft
gebonden aan een aantal, in bijlage 3, onderdeel
3, met name genoemde indicaties.
Artikel 2.14
Eerste lid, onderdeel a,
en tweede lid
Bij de omschrijving van
de onder de gehoorhulpmiddelen
vallende hoortoestellen is aansluiting gezocht
bij de door de Gezondheidsraad
opgestelde definities van een hoortoestel.
In het tweede lid wordt
aangegeven wat onder een bijzondere
uitvoering begrepen wordt. De
modellen kunnen ingedeeld worden in:
kastmodel, achter het oortoestel, toestel
in brilmontuur en in de uitwendige gehoorgang gedragen toestel. Tot de
hoortoestellen worden niet gerekend babyfoons,
telefoonversterkers, koptelefoons,
luisterkragen en systemen voor optische of
gevoelszintuiglijke waarneming zoals
bijvoorbeeld communicatie-units
bestaande uit vibrators, flitslampen of
knipperlichten en licht- of trilwekkers.
De kosten van vervanging
van batterijen of accu’s moeten worden
gerekend tot kosten van het
normale gebruik en onderhoud van een
hoortoestel of oorsuismaskeerder (onderdeel c), welke kosten op grond van
artikel 2.9, tweede lid, van het Besluit
zorgverzekering voor rekening van de
verzekerde komen. Periodieke onderhoudsbeurten worden eveneens niet
geacht tot de aanspraak te behoren. De vervanging
van oorstukjes valt echter
wel onder de aanspraak.
Eerste lid, onderdeel b
Naast ringleiding en
infraroodapparatuur is er overeenkomstige
apparatuur op de markt die werkt op FM-basis. De keuze voor een bepaald
systeem - ringleiding, infrarood of
FM-apparatuur - is afhankelijk van de
woonsituatie van de verzekerde of het
hoortoestel dat hij gebruikt.
De
geluidsoverdrachtssystemen hebben een verschillende
werking. Bij ringleidingen wordt een
magnetisch veld opgewekt waar de
T-stand van een hoortoestel gevoelig voor
is. Op ringleidingsystemen kunnen onder meer televisie, radio of
stereo-installatie worden aangesloten om ongestoord
te kunnen luisteren.
Infraroodsystemen werken
met onzichtbare lichtsignalen
die door een speciale ontvanger worden opgevangen. Een FM-installatie werkt
met hoogfrequente radiosignalen die door
een soort antenne worden opgevangen. Bij infrarood- en FM-installaties hoort
de slechthorende het geluid door een
hoofdtelefoon of een zogenaamde
kinbeugel. Ook op deze apparatuur is het
mogelijk televisie, radio of
stereo-installatie aan te sluiten.
Het verschil tussen
infrarood- en FM-apparatuur is dat bij
infraroodapparatuur de ontvanger op de zender moet zijn gericht om het
infraroodsignaal op te vangen. Hierdoor kan een
persoon dus niet vrij in de kamer rondlopen zonder het signaal te storen.
Dit in tegenstelling tot FM-apparatuur.
Doordat deze techniek gebruik maakt van
hoogfrequente FM-golven hoeft de
ontvanger niet recht voor de zender te zitten.
De gebruiker kan zich vrij bewegen en
eventuele obstakels vormen geen
probleem. In de praktijk blijkt dat FM-apparatuur veel voordelen biedt en naar
verwachting op termijn de
infraroodapparatuur zal vervangen.
Verondersteld mag worden
dat in de woon-werksituatie een
eenvoudige ringleiding-, infrarood- of FM-apparatuur veelal voldoende is.
Indien genoemde
geluidsbronnen worden uitgebreid met
bijvoorbeeld deurbel, telefoon of babyfoon, kan niet worden volstaan met eenvoudige
apparatuur. In dat geval dient gebruik
te worden gemaakt van speciale
randapparatuur. De meerkosten van de
benodigde uitbreiding van de apparatuur komen
in dat geval voor rekening van
de verzekerde.
Toepassing van de
ringleiding, infrarood- of FM-apparatuur voor
algemeen gebruik zoals in
vergaderzalen, theaters of kerken valt niet onder
de hulpmiddelenzorg in de zin van deze
regeling.
Eerste lid, onderdeel c
Oorsuizen is een klacht
die regelmatig voorkomt. Een deel van de
mensen die dergelijke klachten
hebben, ondervindt hiervan veel hinder. In
deze gevallen kan een maskeerder ter
behandeling van oorsuizen, ofwel een tinnitusmaskeerder, soms enige verlichting
geven.
Dit apparaat lijkt op een
hoortoestel, maar in plaats van
geluiden te versterken, produceert het zelf een maskerend geluid, dat zo dicht
mogelijk aansluit bij de tinnitus en dit
zodoende onderdrukt.
Voor de kosten van
vervanging van batterijen, accu’s of
hoortoestellen, zie de toelichting op
onderdeel a.
Derde tot en met zesde
lid
Geregeld is dat de hoogte
van de geldende vergoedingslimiet bij
verstrekking van een nieuw
gehoortoestel als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a, afhankelijk is van de duur van het
gebruik van het te vervangen toestel.
Doelstelling hiervan is verruiming van de
keuzevrijheid van de verzekerde waar het
gaat om de vervanging van een hoortoestel.
Voor verzekerden jonger
dan 16 jaar is de hoogte van de
vergoedingslimiet niet afhankelijk van de gebruiksduur. Voor deze groep
verzekerden geldt - zowel bij de
eerste aanschaf van hoortoestellen als bij vervanging van hoortoestellen
- de
hoogste vergoedingslimiet. Hieraan ligt de
overweging ten grondslag dat bij
kinderen in de groei frequente aanpassing van
hoortoestellen op medische grond
noodzakelijk is. Bovendien slijten de
toestellen bij jonge gebruikers sneller dan
bij volwassenen. Gevolg was dat deze groep verzekerden geconfronteerd werd met
onevenredig hoge en frequente
bijbetaling.
Artikel 2.15
Eerste lid, algemeen
De voorzieningen voor
stomapatiënten en incontinentieabsorptiemateriaal zijn in deze bepaling
uitgewerkt. Bij deze middelen gaat het om
uiteenlopende voorzieningen die in het
algemeen per stuk weinig kostbaar zijn, maar door de betrokkenen bij herhaling
en langdurig moeten worden gebruikt.
Eerste lid, onderdeel a
Met
"noodzakelijke
hulpstukken ter bevestiging" worden
hulpstukken ter bevestiging van een
urinezak aan het been en rekjes voor
bevestiging van de urinezak aan het bed
bedoeld.
Eerste lid, onderdeel b
De voor rekening van de
zorgverzekering komende voorzieningen
voor stomapatiënten zijn
limitatief omschreven.
In de praktijk is
gebleken dat voor de gazen en wegwerpzakjes
geen goed alternatief kan worden
geboden en dat de kosten voor deze
producten voor de verzekerde bovendien
substantieel zijn.
Met de reinigingsgaasjes
worden niet-steriele non-woven gazen bedoeld,
die gebruikt worden voor het reinigen van de stoma. Het is niet
noodzakelijk steriele gazen en als medisch
aangeprezen schoonmaakmiddelen te
gebruiken. De beschikbare
stomareinigingsdoekjes zijn vergelijkbaar met niet-steriele non-woven gazen. De patiënt dient
zelf te voorzien in de middelen
voor het schoonmaken van de huid
rond het stoma. Er is een ruim
assortiment antiallergische en al dan niet
desinfecterende schoonmaakmiddelen bij
drogist of supermarkt verkrijgbaar.
Deze middelen zijn niet kostbaar en
kunnen gerekend worden tot het gebied van
de persoonlijke hygiëne.
Indikmiddelen worden
toegepast bij zeer dunne ontlasting,
hetgeen voorkomt bij een kleine groep ileostomapatiënten. Door het gebruik van deze
indikmiddelen hebben deze mensen een
betere kwaliteit van leven.
Subonderdeel 1
Tot de benodigde hulp- en
verbindingsstukken behoren ook de gordels
ter bevestiging van
stomazakjes op het lichaam.
Subonderdeel 2
Onder huidbeschermende
middelen valt een uitgebreid scala
huidbeschermende zalven en crèmes met een zeer grote prijsdifferentiatie.
Daaronder vallen ook sprays of tissues met een
huidbeschermende werking. Deze middelen
zijn bijvoorbeeld geïndiceerd
bij mensen met een gevoelige huid of
een hoge stoma, waarbij de huid als
gevolg van dunne, agressieve
uitscheiding een grotere kans heeft op ontsteking.
De toepassing van huidbeschermende
middelen in de vorm van een spray of
tissue kan beter worden gedoseerd
dan een crème of zalf, waardoor
problemen als bijvoorbeeld lekkage kunnen worden voorkomen.
De reeks beschikbare
producten varieert van goedkope smeersels
tot dure specialités, aangeboden
in het assortiment van de fabrikanten van
stomamateriaal. Het is nooit aangetoond
dat genoemde specialités effectiever zijn dan de goedkope
smeersels. De zorgverzekeraar kan de aanvraag voor een onnodig kostbaar middel
afwijzen, met het argument dat het geen
doelmatige zorgverlening betreft.
Subonderdeel 4
Onder stomabeschermers
voor gelaryngectomeerden worden verstaan
camouflagebeffen en douchebeschermers voor gelaryngectomeerden met
een kunstmatige luchtwegingang, voor
zover deze niet als kledingstuk zijn
te beschouwen en geen verbandmiddelen
zijn.
Eerste lid, onderdeel c
Onder stompkousen worden
ook elastische stompkousen verstaan.
Eerste lid, onderdeel d
Onder toebehoren bij
katheters worden onder andere schoonmaakdesinfectiemiddelen, receptaculum en
glijvloeistof verstaan.
Tevens staan in dit onderdeel
blaasspoelvloeistoffen genoemd. Deze vielen
onder de ziekenfondsverzekering onder de farmaceutische hulp, maar zijn onderdeel
geworden van hulpmiddelenzorg.
Eerste lid, onderdeel e
Dit onderdeel betreft het
incontinentieabsorptiemateriaal dat verder is beschreven in het tweede lid.
Eerste lid, onderdeel g
Slijmuitzuigapparatuur
wordt toegepast bij de volgende
indicaties en omstandigheden:
- tracheostoma, al of niet
met canule;
- terminale longziekten, al
of niet postoperatief;
- progressieve
neurologische aandoeningen, zoals multiple sclerose
(MS), antilymfocytenserum (ALS)
en andere spierziekten;
- veel slijmproductie na
grote KNO-operaties;
- terminale patiënten die
veel slijm opgeven;
- prematuren (te kleine, te
vroeg geboren kinderen);
- kinderen met ernstige
aangeboren afwijkingen of
stofwisselingsziekten.
Slijmuitzuigapparatuur
wordt ook in het ziekenhuis gebruikt, maar
dan gaat het om grote, verrijdbare apparaten die hier buiten beschouwing worden
gelaten. De aanspraak op
slijmuitzuigapparatuur betreft niet alleen het
gebruik van het apparaat, maar ook het toebehoren. Onder toebehoren wordt
verstaan de bijbehorende artikelen die tijdens het
gebruik regelmatig moeten worden
vervangen. Dit zijn bijvoorbeeld de
uitzuigcanule, patiëntenslang,
vacuümslang met filter, slangenset, uitzuigpot en
reinigingsmiddel. Bij kinderen worden ook
vingertipjes gebruikt. De
vervangingsfrequentie van het toebehoren is
onder meer afhankelijk van het apparaat en het
gebruik.
Tweede lid
In het tweede lid is het
incontinentieabsorptiemateriaal limitatief omschreven.
Duurzame textiele
fixatiebroeken en wegwerpfixatiebroeken
(netbroeken) zijn uitgesloten van de verstrekking. Deze textiele
fixatiebroeken voor inlegluiers zijn niet duurder dan
normaal ondergoed. Aangezien elke
verzekerde kosten maakt voor
ondergoed, kunnen textiele fixatiebroeken
voor eigen rekening en verantwoording van
verzekerden blijven. Het gebruik van
wegwerpfixatiebroeken heeft geen toegevoegde waarde in vergelijking
met textiele broeken. Om verschuiving naar het
gebruik van wegwerpfixatiebroeken
te voorkomen, zijn ook deze broeken
uitgesloten van de prestatie.
De hulpmiddelen die in
deze regeling zijn opgenomen, zijn in
alle gevallen bestemd voor langdurig gebruik. Om die reden is geregeld dat
inlegluiers of luierbroeken op grond van de
zorgverzekeringen kunnen worden vergoed
indien sprake is van
urine-incontinentie die langer dan twee maanden
bestaat en bij faecesincontinentie die
langer dan twee weken bestaat.
Kortdurende incontinentieklachten, zoals tengevolge van zwangerschap of na een
operatie, vormen geen indicatie.
Inlegluiers en luierbroeken ter ondersteuning van oefentherapie bij
urine-incontinentie voor de duur van deze
therapie vallen ook onder de Zvw-prestatie. Oefentherapie, blaastraining of
bekkenbodemspieroefeningen onder begeleiding van een fysiotherapeut of
oefentherapeut vormen een belangrijke bijdrage
aan het verminderen of wegnemen
van klachten van urine-incontinentie.
Als gevolg hiervan zal de patiënt na deze
behandeling in de toekomst minder of
geen absorptiemateriaal gebruiken. Om te
voorkomen dat mensen met
neurologische aandoeningen, zoals
mensen met MS en terminale patiënten, de
eerste maanden van hun incontinentie het absorptiemateriaal zelf moeten betalen, is
geregeld dat incontinentieabsorptiemateriaal
bij ziektebeelden waarvan mag worden
aangenomen dat incontinentie niet
vanzelf geneest of
bekkenbodemspieroefeningen of blaastraining niet
zullen helpen, eveneens onder de
Zvw-prestaties vallen.
Inlegluiers en
luierbroeken bij incontinentie voor urine of faeces
kunnen voor rekening van de zorgverzekering worden verstrekt aan verzekerden
die de leeftijd van 5 jaar
hebben bereikt. Indien er sprake is van
een niet-fysiologische vorm van incontinentie
bij kinderen van 3 of 4 jaar, kunnen inlegluiers en
luierbroeken eveneens voor rekening van de
zorgverzekering komen. Het onderscheid niet-fysiologisch/fysiologisch wordt vanaf
de leeftijd van 5 jaar
niet gemaakt.
Er is geregeld dat er
geen sprake mag zijn van enuresis
nocturna (nachtelijk bedplassen). Oneigenlijk gebruik wordt hierdoor voorkomen,
terwijl wel tegemoet gekomen kan worden aan de behoeften van de groep
zwaar gehandicapte incontinente kinderen.
Tweede lid, onderdeel d
In dit onderdeel zijn
onderleggers ter bescherming van het bed
geregeld voor verzekerden bij wie tengevolge van de aandoening het verlies
van bloed, exsudaat, vocht, urine of faeces
dusdanige hygiënische problemen
oplevert dat deze niet met een
luiersysteem en slechts door het gebruik
van bedbeschermende onderleggers kunnen
worden ondervangen.
Artikel 2.16
Deze bepaling regelt de
hulpmiddelen voor anticonceptionele
doeleinden voor verzekerden jonger dan 21 jaar. Dit sluit aan bij
de anticonceptiemiddelen die onderdeel uitmaken
van de farmaceutische zorg.
Artikel 2.17
In deze bepaling zijn de
hulpmiddelen voor de mobiliteit van
personen limitatief opgesomd. Kruipsteunen vallen daar niet onder, omdat deze
worden vergoed op grond van de Wet
voorzieningen gehandicapten.
Onderdeel a
Recht op loophulpmiddelen
bestaat indien niet volstaan kan
worden met een eenvoudiger
loophulpmiddel zoals een wandelstok of een kruk en
indien sprake is van één van de in de
subonderdelen 1 tot en met 3 genoemde
stoornissen. Bij evenwichtsstoornissen kan
door de verstrekking van een loophulpmiddel
het vallen, en daarmee het
optreden van (heup)fracturen, worden
voorkomen.
Ten tweede kan een
loophulpmiddel, zoals een rollator of
looprekje, dienen als ondersteuning bij het voortbewegen bij verzekerden met
functiestoornissen aan de onderste
extremiteiten, zoals patiënten met reumatoïde artritis. Tot slot kan een
loophulpmiddel gebruikt worden door verzekerden
die zich niet binnenshuis en in een
kleine straal daaromheen zelfstandig zonder
hulpmiddel kunnen verplaatsen als gevolg van een ernstig beperkt
uithoudingsvermogen of lichamelijke zwakte. Dit
kan het geval zijn bij aandoeningen als
chronic obstructive pulmonary
diseases (COPD) of hartinsufficiëntie.
Onderdeel b
Ingevolge onderdeel
b
heeft de verzekerde recht op een serveertafel
indien hij tengevolge van een
hand- of armstoornis op een serveertafel is
aangewezen. Indien verzekerde reeds
beschikt over een rollator, een trippelstoel of een rolstoel voorzien van een
serveerfunctie, is verstrekking van een
serveertafel niet doelmatig.
Onderdeel c
Behalve de
blindentaststok behoren ook de reservetaststok en
specifieke stokken voor kinderen (taststok
die in lengte instelbaar is) al tot het
recht op loophulpmiddelen. Blindentaststokken zijn een wezenlijk hulpmiddel
voor blinden en slechtzienden, omdat
zij voor de mobiliteit zijn
aangewezen op deze voorziening.
Steun- en wandelstokken,
al dan niet wit of voorzien van rode
bandjes (herkenningsstok), vallen niet onder deze hulpmiddelen.
Voorts worden de kosten
van aanschaf van dopjes voor
taststokken beschouwd als kosten voor normaal gebruik in de zin van artikel
2.9,
tweede lid, van het Besluit zorgverzekering.
Onderdeel d
Onder stoelen voorzien
van een trippelfunctie (trippelstoel) worden
verstaan stoelen waarmee het
mogelijk is zich binnenshuis zittend te
verplaatsen. Uit de uitvoeringspraktijk
zijn situaties bekend waar de afbakening
tussen de zogenaamde werkstoel en
de stoel voorzien van een trippelfunctie
problemen oplevert. Omdat het
onderscheid tussen werk- en trippelstoel
moeilijk gemaakt kan worden, is het van belang bij het bepalen van de aanspraak
uit te gaan van het doel waarvoor de
stoel zal worden gebruikt. Er is sprake
van een werkstoel, ongeacht van
welke functies deze stoel is voorzien,
indien de stoel gebruikt wordt voor
verplaatsing op de werkplek en strekt tot
behoud van arbeidsgeschiktheid. In
dat geval kan aanspraak op vergoeding
worden gemaakt krachtens de Wet
op de (re)integratie arbeidsgehandicapten, ook wanneer deze
werkstoelen in de thuissituatie worden
toegepast.
Uitgangspunt is dat de
verzekerde op een trippelstoel is
aangewezen als het voor hem van belang is om tijdens verplaatsingen de handen vrij te hebben
voor bijvoorbeeld het
verrichten van huishoudelijke activiteiten in de keuken. De verzekerde heeft recht
op zo’n stoel als hij zich binnenshuis
alleen zittend kan verplaatsen en niet
beschikt over een binnenshuis bruikbare
rolstoel, indien hij voldoet aan de
voorwaarde voor een looprek of
rollator, maar deze tengevolge van een
gebrekkige hand- of armfunctie niet adequaat kan gebruiken of niet in staat is zich
met losse handen staande te houden. Dit
laatste aspect is belangrijk voor het
verrichten van eenvoudige dagelijkse bezigheden in
de keuken. De verzekerde
moet verder langdurig op een
trippelstoel zijn aangewezen.
Bij uitsluitend staproblemen bestaat geen indicatie voor een
trippelstoel. In die situatie kan een eenvoudige voorziening als bijvoorbeeld een hoge
kruk al uitkomst bieden. Een
dergelijke voorziening komt voor eigen rekening
van de gebruiker.
Artikel 2.18
Onder de in deze bepaling
bedoelde haarwerken vallen zowel
pruiken van echt haar als van
synthetisch materiaal. Bezwaren van
maatschappelijke aard zijn geen grond voor het
verstrekken of vergoeden van haarwerken
ten laste van de zorgverzekering.
In het tweede lid is
geregeld dat de verzekerde een eigen
bijdrage betaalt indien de haarwerken
duurder zijn dan het in dat lid genoemde
bedrag.
Artikel 2.19
Injectiespuiten of
-pennen, al dan niet als wegwerpartikel
steriel verpakt met toebehoren, dienen
slechts te worden verstrekt of vergoed aan verzekerden die in verband met een
chronische ziekte regelmatig inspuiting van
geneesmiddelen behoeven. Naast lijders
aan diabetes mellitus, astma
bronchiale en hemofilie kunnen genoemd
worden verzekerden die thuis hemodialyse
toepassen.
Naar keuze van de
verzekerde en de behandelend arts kunnen
injectiespuiten en -naalden worden
verstrekt of vergoed, al dan niet voor eenmalig gebruik.
Op het gebied van
injectiespuiten zijn vele ontwikkelingen
gaande. De zogenoemde hogedrukspuiten - die overigens niet vallen onder het
tweede lid - dienen alleen in zeer
bijzondere gevallen verstrekt te worden, aangezien de effecten op langere
termijn van het gebruik van een
dergelijke spuit niet bekend zijn.
Bij zijn oordeelsvorming
over de verschaffing van een hogedrukspuit
dient de zorgverzekeraar met toepassing van artikel
2.1, derde lid,
van het Besluit zorgverzekering mede te
bezien of toebehoren, zoals een apparaatje dat
speciaal ontwikkeld is voor het
geven van pijnloze injecties met
behulp van een normale injectiespuit,
als een alternatief is aan te merken.
Bijkomende middelen welke
beogen het injecteren te
vergemakkelijken of comfortabeler te maken, behoren in het algemeen niet tot de
onderhavige hulpmiddelen.
In het tweede lid is een
aan een handicap van de verzekerde
aangepaste injectiespuit geregeld
indien sprake is van ernstige afwijkingen
van het gezichtsvermogen of
ernstige motorische afwijkingen.
Artikel 2.20
Deze bepaling regelt de
hulpmiddelen bij diabetes. Daaronder
valt niet urinetestmateriaal. Deze wijze van testen op glucose heeft geen
therapeutische meerwaarde en wordt in de praktijk
niet meer toegepast.
Onderdeel b
Bij de teststrips gaat
het om teststrips die horen bij de
bloedglucosemeter die op grond van de zorgverzekering door de zorgverzekeraar is
verstrekt of vergoed.
Tweede lid
Verschaffing van
bijzondere prikapparatuur of een aan een handicap
aangepaste bloedglucosetestmeter is slechts mogelijk als er sprake is van
bijkomende handicaps, waardoor
verzekerde redelijkerwijs niet kan volstaan met een
niet aangepaste uitvoering.
Artikel 2.21
Het ademen met positieve
eindexpiratoire monddruk (positive
expiratory pressure, PEP) vergemakkelijkt bij patiënten met chronische
ademhalingsaandoeningen het ophoesten van
stagnerend slijm. Hiervoor wordt gebruik
gemaakt van een instrument bestaande
uit een masker of mondstuk, met als
aanzetstukken een weerstandsbuis en een
ademventiel dat de in- en uitademingsweg scheidt.
Het middel wordt enkele
malen per dag gedurende vijftien
tot twintig minuten gebruikt.
Bij het in gebruik nemen
is controle met behulp van een
manometer noodzakelijk. Deze manometer vormt een
extra accessoire dat niet door
de patiënt behoeft te worden
aangeschaft, maar dat tijdens de instructie kan
worden gebruikt.
Artikel 2.22
De geneesmiddelen die met
deze draagbare uitwendige infuuspompen
worden toegediend, zijn opgenomen in bijlage 1
van deze regeling. Voor
het verkrijgen van de pomp moet dus een
beroep gedaan worden op de
hulpmiddelenzorg en voor het bijbehorende
geneesmiddel op de farmaceutische
zorg. Tot het toebehoren van de infuuspompen
worden onder meer gerekend
fixatiemateriaal, desinfectantia, verbindingsslangetjes en naalden. Bij de eerste
aanschaf behoren ook de batterijen, maar
deze kunnen niet voor rekening van de
zorgverzekering worden vervangen.
Implanteerbare
infuuspompen vallen niet onder de
hulpmiddelenzorg, maar onder de geneeskundige
zorg, bedoeld in artikel 2.4 van het
Besluit zorgverzekering.
Artikel 2.23
Eerste lid, algemeen
De aanspraak op
schoenvoorzieningen omvat zowel de
verschaffing van verbandschoenen als van allergeenvrije schoenen.
Eerste lid, onderdeel a
De verschaffing van
verbandschoenen gaat uit van
fabrieksmatig vervaardigde verbandschoenen.
Eerste lid, onderdeel b
Allergeenvrij schoeisel
wordt voorgeschreven aan patiënten die als
gevolg van een bepaalde allergie
geen gewoon confectieschoeisel kunnen
verdragen. Het gaat in principe om
in serie vervaardigd allergeenvrij schoeisel.
Tweede en derde lid
Voor verbandschoenen
geldt een maximumvergoedingsbedrag. De prijs van fabrieksmatig
vervaardigde verbandschoenen blijft in het algemeen
onder dit maximaal voor
rekening van de verzekering komende bedrag.
Aan de eigen bijdrage
voor allergeenvrije schoenen ligt het
besparingsmotief ten grondslag. Immers, iedereen zal regelmatig schoenen
moeten aanschaffen. Het is daarom billijk dat
ook verzekerden die aangewezen zijn op
allergeenvrije schoenen een
vergelijkbaar bedrag in de
aanschaffingskosten van deze schoenen
verschuldigd zijn.
Artikel 2.24
In verband met de
ontwikkelingen op het gebied van de
thuisverpleging is behoefte ontstaan aan de verschaffing van toedieningssystemen
voor voeding in de thuissituatie.
Patiënten bij wie normale voeding om
enigerlei reden ongewenst of onmogelijk
is geworden, zijn aangewezen op een
alternatieve wijze van voeden.
De hulpmiddelen in deze
bepaling omvatten zowel enterale
(via maagdarmkanaal) als parenterale (via de bloedbaan) toedieningssystemen voor
voeding.
Met de omschrijving is
beoogd uitsluitend die middelen voor
rekening van de zorgverzekering te laten komen die nodig zijn bij toepassing
van de toedieningssystemen in de thuissituatie.
Middelen die tijdens
ziekenhuisopname worden ingebracht c.q.
toegepast, vallen niet onder de hulpmiddelenzorg op grond van artikel 2.9
van het Besluit zorgverzekering.
Wat betreft het
toebehoren bij de diverse toedieningssystemen wordt onder meer gedacht aan
aansluitstukken, -slangen, flessen,
aanpriknaalden, infuusstandaard en
dergelijke, alsmede desinfectantia, voor
zover het middelen betreft die niet vallen
onder de op grond van artikel 2.8 van het
Besluit zorgverzekering geregelde farmaceutische
zorg. Daarnaast is het bij
parenterale voeding gebruikelijk dat middelen
worden gebruikt als steriele
handschoenen, nierbekkenschaaltjes, spatels en monddoekjes. Deze middelen behoren
eveneens tot in de onderhavige
bepaling geregelde hulpmiddelen.
Eerste lid, onderdeel d
Onder een eetapparaat
wordt verstaan een specifiek voor het
eten bedoelde mechanische hulp ten
behoeve van personen met beperkingen in het
gebruik van armen of handen. De
eethulp stelt deze personen in staat zelfstandig de maaltijd te gebruiken, in
een zelf te bepalen tempo. Het te verstrekken
apparaat bestaat uit een onderstel (frame/aandrijfgedeelte en
lepelarm) waarop een bord kan worden
verplaatst. Het bord kan links- of
rechtsom draaien. De in de lepelarm geplaatste
lepel wordt automatisch naar het bord
bewogen en vervolgens naar boven in afhapstand.
Artikel 2.25
Klachten die verband
houden met een allergie voor huisstofmijt kunnen verminderen door het contact met huisstofmijt zo gering mogelijk te
maken.
De plaats waar het
contact met de huisstofmijt het grootst is, is de
slaapkamer en met name het bed,
waarin de huisstofmijt zich, gezien de
temperatuur en het vochtgehalte, goed
kan ontwikkelen. Naast de maatregelen die
de verzekerde zelf kan treffen om de
slaapkamer schoon en stofvrij te
houden, kunnen matras, dekbed en kussen
worden voorzien van een afschermende
hoes, die ervoor zorgdraagt dat het contact met de huisstofmijt zoveel
mogelijk wordt vermeden.
De zorgverzekeraar heeft
de keuze één passende tweepersoonsset
of twee eenpersoonssets te vergoeden. Hij heeft
dus de mogelijkheid zorg op
maat te leveren en de individuele
omstandigheden van verzekerde te laten
meewegen.
Artikel 2.26
Eerste lid, onderdeel a
Het gaat hier om zowel de
computerhardware als de software.
Een computer in de
thuissituatie is in het algemeen slechts
geïndiceerd bij motorisch gehandicapten
voor wie de computer met aanpassing
als enig of nagenoeg enig middel
adequate communicatie mogelijk maakt. Naast de
computer als communicatiemiddel
kunnen motorisch zeer ernstig
gehandicapten deze voorziening ook
gebruiken voor omgevingsbediening. Met
de computer is het mogelijk ramen,
deuren en gordijnen te openen of te sluiten.
Tevens kunnen allerlei apparaten
hiermee aan- of uitgezet worden. Ook voor
het telefoneren wordt de
omgevingsbesturing gebruikt. Voor deze
categorie zwaar gehandicapten bestaat
geen goedkoper alternatief. Dit is in
het algemeen wel het geval bij blinden en
slechtzienden en licht motorisch
gehandicapten. Voor deze gehandicapten zijn
goedkopere communicatiemiddelen voorhanden welke als adequaat kunnen
worden aangemerkt, maar in vergelijking tot
de computer minder snel en
efficiënt zijn. Voorbeelden hiervan zijn
de brailletypemachine, zwartschrift typemachine, beeldschermloep, reglette
met prikpen, memorecorder,
rekenmachine en dergelijke.
Sjablonen maken het
mogelijk cheques in te vullen.
Een snellere en
efficiëntere manier van werken is voor deze
categorie gehandicapten een eigen
keuze. In dat geval wordt de computerhardware niet vergoed, maar de
benodigde aanpassing en de speciale softwareprogrammatuur, zoals
grootlettersoftware,
wel (zie onderdelen d en e van dit
lid).
Voorts is een computer in
de thuissituatie geïndiceerd bij
doofblinden.
Voor deze groep kan een
computer dienen als hulpmiddel
voor de communicatie met anderen, als hulpmiddel voor communicatie en als
teksttelefoon.
Voor rekening van de
zorgverzekering komt tevens een
intensieve opleiding.
Eerste lid, onderdeel b
De schrijfmachines zijn
al dan niet elektrische schrijfmachines met of
zonder geheugen en brailleschrijfmachines. Deze apparatuur kan
noodzakelijk zijn om de visueel of
motorisch gehandicapte in staat te stellen tot
het onderhouden van zijn maatschappelijke
(schriftelijke) contacten en dient als
zodanig te worden beschouwd als een
hulpmiddel voor communicatie. Deze
voorziening komt slechts aan de orde wanneer de verzekerde geregeld schriftelijke
contacten onderhoudt.
Elektronische
brailleschrijfmachines zijn in het algemeen
slechts aangewezen wanneer sprake is van
zowel een visuele als een motorische
handicap.
Eerste lid, onderdeel c
Hieronder valt
bijvoorbeeld de sprekende rekenmachine voor de
visueel gehandicapte.
Eerste lid, onderdeel d
Het gaat hier om een
breed scala aan in- en uitvoerapparatuur en de
daarbij behorende programmatuur, noodzakelijke upgrades daarvan en het
installeren, de gebruiksinstructie en
accessoires voor computers, schrijfmachines en rekenmachines. Hierbij
moet worden gedacht aan:
- invoerapparatuur;
- eenfunctiebestuurde
toetsenborden; deze bestaan uit een
matrix met letters en tekens; het kiezen van
de symbolen gebeurt met behulp van
een schakelaar en scanner;
- toetsenborden voor eenhandige bediening;
- stifttoetsenborden,
waarbij de toetsen met een stift worden
ingedrukt;
- vergrote toetsenborden;
- verkleinde toetsenborden,
waarbij toetsen met één hand bereikbaar
zijn;
- afdekplaten, om te
voorkomen dat als gevolg van een storing in
de fijne motoriek meer dan één toets tegelijk wordt ingedrukt;
- lichtvlekbediende
toetsenborden; dergelijke toetsenborden zijn
bedoeld als hulpmiddel voor zeer
ernstig motorisch gehandicapten die door
uitval van de ledematen voor contacten
met de omgeving zijn aangewezen op
speciale communicatieapparatuur; de verzekerde dient over een redelijke
bewegingsfunctie van het hoofd te
beschikken; bij de gebruiker wordt namelijk
een lichtbron aan het brilmontuur of de
hoofdband bevestigd; door een
lichtstraal te richten op een bedieningsplateau
met lichtgevoelige cellen welke
corresponderen met het toetsenbord wordt de
gewenste letter aangewezen;
- muizen;
- aangepaste printers en
plotters; deze apparatuur in de
thuissituatie is in het algemeen slechts
geïndiceerd als onderdeel van een
computerconfiguratie bij motorisch gehandicapten
zonder adequaat alternatief;
- brailleleesregel; het
betreft een brailleleesregel met circa 20 braillecellen
die aangesloten kan worden op een computer;
- apparatuur voor
synthetische spraak; voor mensen met een
visuele stoornis kan de onderhavige
apparatuur bijvoorbeeld tekst uit een
tekstverwerker voorlezen; deze apparatuur is in het
algemeen slechts geïndiceerd indien de verzekerde niet reeds de
beschikking heeft over een
brailleleesregel;
- hulpstukken voor
papierinvoer;
- onderarmsteunen voor
schrijfmachines of computers.
Eerste lid, onderdeel g
Subonderdeel 1
De memorecorder heeft de
functie van een (zak)agenda of
aantekenboekje en wordt gebruikt voor het maken van aantekeningen of voor het vastleggen
van gegevens.
Voor de visueel
gehandicapte is de memorecorder een
alternatief voor het vastleggen van het
gesproken woord, het maken van een notitie
en dergelijke.
Subonderdeel 2
Voor het afspelen van het
digitaal gesproken boek is een
speciale cd-romlezer nodig of een computer met een uitleesprogramma
(programmatuur) gebaseerd op een
internationaal geaccepteerde standaard voor verwerking
en afspelen van digitaal
opgenomen gesproken lectuur, het
zogenoemde digital audiobased information
system (daisy). De daisy-speler
is een draagbare cd-romspeler die niet
vervangen kan worden door een reguliere cd-romspeler. Er is daisy-apparatuur in
verschillende
prijsklassen, voorzien van verschillende functionaliteiten. Voor het lezen van ontspannende
lectuur hoeft men in het algemeen geen gebruik te maken van
indexmogelijkheden, waardoor men kan volstaan met
eenvoudige apparatuur. Voor het
raadplegen van naslagwerken is meestal
een uitgebreider apparaat nodig.
Met de daisy-software kan
op een normale pc, voorzien van
speciale in- en uitvoerapparatuur voor
blinden, het gesproken boek worden
weergegeven.
De daisy-speler en daisy-software zijn geïndiceerd voor visueel
gehandicapten, voor motorisch gehandicapten en voor dyslectici.
Als een daisy-speler
overwegend nodig is voor het volgen
van onderwijs of voor het werk, moet
deze op grond van de Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten bij het UWV worden aangevraagd.
Subonderdeel 3
Het voorleesapparaat is
voor het voorlezen van gedrukte informatie
en geschikt voor blinden en zeer slechtzienden die geen geschreven tekst
meer kunnen lezen en niet te helpen
zijn met enig ander hulpmiddel dat
informatie voor hen toegankelijk maakt,
zoals een beeldschermloep, contrastverhogende apparatuur of optische hulpmiddelen.
Het gaat om de groep veelal
oudere, blinde en slechtziende mensen waarvoor een computer met scanner,
tekstherkenning en spraaksoftware evenmin
soelaas biedt, omdat zij niet met
deze apparatuur overweg kunnen. Vaak zal
het voorleesapparaat worden
ingezet ter vervanging van een
beeldschermloep op het moment dat deze
vanwege het achteruitgaan van het gezichtsvermogen niet meer bruikbaar is.
Eerste lid, onderdeel h
Hulpmiddelen voor het
kiezen van telefoonnummers (subonderdeel 1) en telefoonhoornhouders (subonderdeel 2)
kunnen geïndiceerd zijn
voor motorisch gehandicapten.
De aangepaste telefoons,
bedoeld in subonderdeel 2, kunnen
geïndiceerd zijn voor motorisch zeer zwaar gehandicapten en kunnen worden bediend
met omgevingsbesturingsapparatuur
(zie de toelichting op onderdeel
a van het eerste lid).
De teksttelefoon
(subonderdeel 4) oftewel de doventelefoon
is een apparaat dat auditief gehandicapten die niet met behulp van enig ander
hulpmiddel kunnen telefoneren in
staat stelt toch van het hulpmiddel gebruik te maken. Gesprekskosten en kosten
in verband met het gebruik van de
Teleplusdienst worden niet vergoed.
De beeldtelefoon
(subonderdeel 4) is opgenomen als
keuzemogelijkheid voor auditief gehandicapten
die niet met behulp van enig ander
hulpmiddel kunnen telefoneren én gebruik
maken van de NGT [Nederlandse gebarentaal, red.].
In bijlage 3, onderdeel 9,
zijn de indicaties voor beeldtelefoons
opgenomen. De beeldtelefoon levert een bijdrage aan de maatschappelijke
participatie van deze groep doven en het tolken
op afstand krijgt hiermee een
positieve impuls.
In plaats van een
teksttelefoon of een beeldtelefoon kan de
verzekerde kiezen voor de verstrekking van
een faxapparaat. Aan faxapparatuur is een
maximumvergoeding verbonden. De meerkosten komen derhalve voor eigen rekening. Voor motorisch
gehandicapten zijn aangepaste telefoons
of aanpassingen aan telefoons
geïndiceerd.
Eerste lid, onderdeel i
Onder spraakvervangende
hulpmiddelen vallen onder meer letter-
of symbolensets en -borden, draagbare communicators (zowel schrift als
spraak), stemgenerators, stemversterkers voor
individueel gebruik, luisterhoorns en
luisterslangen.
De doelgroep voor
apparatuur met spraakuitvoer bestaat uit
personen die niet met behulp van
spraak kunnen communiceren. Zij hebben
de behoefte en de mogelijkheden om
door middel van spraakuitvoer op een
meer directe manier aan gesprekken
deel te nemen. Hun handicap en hun
communicatiegedrag maken dat de
conventionele communicatiehulpmiddelen, zoals het symbolenaanwijssysteem,
niet (meer) adequaat zijn. De meest
urgente groep van spraakgehandicapten
die voor deze voorziening in aanmerking
komen, zijn spraakgehandicapten die
buiten de spraakuitvoerapparatuur
eigenlijk geen alternatieve mogelijkheid hebben om op een adequate manier te
communiceren.
Globaal gezien wordt
gebruik gemaakt van twee verschillende
technieken voor opslag en uitvoer van spraak, namelijk de techniek van de
gedigitaliseerde spraak en de synthetische
spraaktechniek. Bij de gedigitaliseerde
spraaktechniek wordt de spraak niet
analoog, zoals bij een bandrecorder,
maar digitaal opgeslagen. De te genereren woorden
of zinnen worden vooraf via
een microfoon, die is aangesloten op een
computer, ingesproken. Bij de
synthetische spraaktechniek behoeven
vooraf geen woorden of zinnen te worden ingesproken.
De spraak wordt
samengesteld aan de hand van een tevoren
ingesproken klankpatroon.
Eerste lid, onderdeel j
Subonderdeel 1
Een wek- en
waarschuwingsinstallatie heeft ten doel via
substitutie een auditief gehandicapte te
attenderen op auditieve waarschuwingssignalen. De
apparatuur zet deze signalen
(deurbel, telefoon, wekker, babyalarm) om
naar zichtbare of voelbare signalen
(flitsen of trillingen). Een
dergelijk systeem kan bestaan uit een centrale,
een elektrische wekker, een trilelement
of een aantal flitslampen.
De centrale is het deel
van de trilinstallatie waarop alle benodigde
onderdelen worden aangesloten. De elektrische wekker is verbonden met
het trilelement, dat onder het hoofdkussen
van de gebruiker wordt gelegd.
De wekker kan deel uitmaken van de
totale installatie inclusief de centrale,
maar kan er ook los van staan. In het
laatste geval is er een aparte wekinstallatie
en een aparte waarschuwingsinstallatie;
bij de wekinstallatie activeert de wekker het
trilelement. Bij de
waarschuwingsinstallatie activeert de centrale, wanneer de telefoon gaat of wanneer wordt
aangebeld, de flitslampen - de
lampen flitsen dan een aantal keren achterelkaar - of een (op het lichaam
draagbaar, draadloos) trilelement. Meestal is
een set flitslampen voldoende en adequaat om
de gewenste alarmfunctie te
vervullen, maar er zijn gevallen denkbaar (bijvoorbeeld bij doofblindheid)
waarbij een (draadloos) trilelement
noodzakelijk is. Voor doofblinden
zijn er aparte, door henzelf instelbare
wekkers met een extra krachtig trilelement dat op de wekker wordt aangesloten
en onder het hoofdkussen wordt gelegd
Subonderdeel 2
De hier bedoelde
apparatuur bestaat uit een draagbare, draadloze
noodschakelaar waarmee in noodsituaties
een telefoonkiesautomaat in
werking kan worden gesteld. Deze
automaat legt contact met patiënten of een 24-uursbemande centrale, die op hun
beurt een hulpverlener inschakelen
voor daadwerkelijke assistentie. Het doel van
de alarmeringsapparatuur is
zelfstandig wonen mogelijk te maken voor personen die sociaal redzaam zijn
en redzaam zijn in de algemeen dagelijkse
levensverrichtingen, maar als gevolg van
ziekte of gebrek een verhoogd
risico lopen in een noodsituatie terecht te
komen. De apparatuur kan worden verstrekt aan
gehandicapten:
- voor wie een duidelijke
noodzaak bestaat om in geval van
nood onmiddellijk medische of technische
hulp van buitenaf in te roepen;
- die bovendien gedurende
langere tijd op zichzelf zijn
aangewezen;
- en van wie men niet kan
verwachten dat ze in een
noodsituatie de telefoon zelfstandig kunnen
bedienen.
Bewakingsapparatuur ter
voorkoming van wiegendood valt niet
onder de onderhavige apparatuur.
Artikel 2.27
Zuurstofapparaten dan wel
zuurstofconcentratoren met toebehoren zijn
voorzieningen waarmee rechtstreekse zuurstoftoediening
mogelijk is. De apparatuur kan al dan niet draagbaar
zijn. Eén van de redenen dat
de aanspraak niet alleen
zuurstofapparaten en zuurstof, maar ook
zuurstofconcentratoren omvat, is dat in gevallen
dat bij het gebruik van een
zuurstofapparaat een groot aantal
zuurstofflessen noodzakelijk is, de verschaffing van
een zuurstofconcentrator voor de
verzekering op enig moment een kostenverlagend effect heeft. De zorgverzekeraar
bepaalt of een zuurstofapparaat dan wel
een zuurstofconcentrator aangewezen is. Dit maakt onderdeel uit van de
doelmatigheidsafweging van de zorgverzekeraar.
De elektriciteitskosten
in verband met het gebruik van een
zuurstofconcentrator komen voor rekening van
de zorgverzekering, omdat het niet redelijk
wordt geacht de verzekerde met
extra kosten te belasten wanneer de
verschaffing van een concentrator in
vergelijking met een zuurstofapparaat voor de
verzekering voordeliger is.
Artikel 2.28
Continuous positive
airway pressure (CPAP)-apparatuur is
bestemd voor verzekerden met het obstructief slaapapneu syndroom (OSAS).
De indicatievoorwaarden
voor CPAP-apparatuur, zoals aangegeven in bijlage
3, onderdeel 11, voldoen
aan de huidige stand van de medische
wetenschap ten aanzien van het stellen
van de diagnose OSAS. Patiënten met een
hoge pre-testwaarschijnlijkheid op OSAS kunnen in aanmerking komen voor
verstrekking van CPAP-apparatuur.
Het vereiste dat
conservatieve maatregelen moeten worden
nagestreefd, mag er niet toe leiden dat
aan patiënten die er niet in slagen om
bijvoorbeeld gewicht te verminderen, de
noodzakelijke en effectieve CPAP-behandeling wordt onthouden. De
CPAP-instelling dient bij voorkeur te geschieden
door middel van polysomnografie. Deze
moet minimaal bestaan uit een analyse
van het slaappatroon (met behulp van EEG, EOG
en EMG), meting van het
ademhalingspatroon (ademhalingspogingen en
adequaatheid van de ademhaling), zuurstofsaturatie, ECG, snurkgeluid en slaaphouding. Bij hoge
pre-testwaarschijnlijkheid op OSAS is ook polygrafie (minimaal
bestaande uit meting van het
ademhalingspatroon, zuurstofsaturatie, snurkgeluid en slaaphouding)
voldoende.
Een verwarmde
luchtbevochtiger komt als toebehoren bij CPAP-apparatuur voor verstrekking in
aanmerking als, ondanks
optimalisering van de neusfunctie, de
CPAP-behandeling niet wordt verdragen tengevolge van irritatie van de bovenste
luchtwegen en een geslaagde
proefbehandeling heeft plaatsgevonden met de verwarmde
luchtbevochtiger. De CPAP-apparatuur met verlaagde expiratiedruk
kan worden gebruikt in de 5% van de
gevallen dat het gebruik van normale CPAP-apparatuur niet volstaat, omdat de drukken die nodig zijn om
de luchtweg open te houden te hoog
zijn om comfortabel te kunnen uitademen.
Artikel 2.29
Een
soloapparaat is een
hulpmiddel ten behoeve van auditief
gehandicapten. Tot de soloapparatuur en toebehoren worden gerekend: de ontvanger en
zender met bijbehorende
microfoons, de oplaadapparatuur, alsmede
de snoertjes en koppelingsaccessoires
bij gebruik van een hoortoestel.
In bijlage 3, onderdeel
12, zijn de indicaties voor en de voorwaarden
waaronder tot verschaffing van de soloapparatuur kan worden overgegaan,
vastgelegd.
De verschaffing van soloapparatuur is ook mogelijk ten behoeve
van verzekerden die in een gestructureerd en georganiseerd verband onbetaalde
werkzaamheden verrichten.
Artikel 2.30
Tactielleesapparaten
zijn aangewezen voor visueel
gehandicapten. Tot het toebehoren van het tactielleesapparaat wordt onder meer
gerekend: de oplaadapparatuur, een kleinelettercamera, alsmede snoertjes en
accessoires die het mogelijk maken de
apparatuur te koppelen aan een schrijfmachine of beeldscherm. Of een bepaald toebehoren
wordt verstrekt, hangt af
van de werkzaamheden waarvoor het apparaat zal worden gebruikt.
De kosten voor de test
die de verzekerde dient te ondergaan om te
bezien of de verzekerde in staat is
met het apparaat om te gaan, komen voor
rekening van de zorgverzekering.
Een indicatie kan
aanwezig zijn als de apparatuur voor de
verzekerde nodig is in de onderwijs- of beroepssituatie en in de
privésituatie ter
verbetering van de levensomstandigheden.
Ter beoordeling van dit
laatste kunnen in volgorde van
belangrijkheid de volgende criteria worden gehanteerd:
- de verzekerde vormt een
eenoudergezin met jonge, nog van de
ouder afhankelijke kinderen;
- de verzekerde woont
alleen en verkeert in een isolement;
- er is sprake van een
huishouden en de verzekerde en zijn of
haar partner zijn visueel gehandicapt;
- er is sprake van een
situatie waarin de visueel gehandicapte
verzekerde onbetaalde werkzaamheden verricht
die aantoonbaar veel leeswerk
met zich meebrengen.
Artikel 2.31
De Bone Anchored Hearing
Aid (BAHA) is een extern
gedragen hoortoestel dat kan worden
aangesloten op een te implanteren
beengeleider. Het implantaat, het inwendig deel, maakt
geen onderdeel uit van het BAHA-hoortoestel. Het implantaat is
operatiemateriaal en valt onder de
geneeskundige zorg als omschreven in
artikel 2.4 van het Besluit
zorgverzekering. Operatiemateriaal komt ten laste van het ziekenhuisbudget.
Dit
geldt ook voor het BAHA-hoortoestel dat
de eerste keer na de operatie wordt
geleverd en derhalve onderdeel is van zorg
zoals medisch specialisten die plegen te bieden. Dit geldt niet voor de
vervanging van het hoortoestel. In de
onderhavige bepaling is dan ook de vervanging
van het BAHA-hoortoestel
geregeld. Dit betekent dat de eerste
verstrekking van het uitwendige deel van het BAHA-hoortoestel daarmee onderdeel is van
de aanspraak op
medisch-specialistische zorg.
Anders dan bij de
conventionele hoortoestellen het geval is, geldt voor
de BAHA-hoortoestellen geen maximumvergoeding.
De BAHA is geïndiceerd
indien sprake is van slechthorendheid
door geleidingsverlies.
Er gelden geen andere
indicatievereisten dan voor conventionele
hoortoestellen. Er bestaat pas recht op een BAHA-hoortoestel indien behandeling met
een conventioneel hoortoestel
geen uitkomst biedt.
Artikel 2.32
In deze bepaling is de
zelfmeetapparatuur voor stollingstijden van
het bloed geregeld. Onder de ziekenfondsverzekering was dat geregeld in
artikel 2 van het Besluit hulpverlening
door trombosediensten ziekenfondsverzekering.
Bij deze meetapparatuur kan
het gaan om langetermijnpatiënten
en om mensen die door hun
werkzaamheden niet in staat zijn om zich bij
trombosediensten te laten controleren.
Het toebehoren bij deze
apparatuur zijn de bij de apparatuur
behorende teststrips, een vingerpriksysteem met
lancetten en vloeistof voor
kwaliteitscontrole.
Het opleiden van de
verzekerde in het gebruik van de
apparatuur, het begeleiden van de verzekerde bij
zijn metingen en het geven van adviezen
aan de verzekerde over de toepassing van
geneesmiddelen ter beïnvloeding van de bloedstolling horen ook
bij het zelf meten van bloedstollingstijden. Deze zorg valt onder de
geneeskundige zorg, bedoeld in artikel 2.4
van het Besluit zorgverzekering. De
verzekerde die op de zelfmeetapparatuur
voor stollingstijden van het bloed is
aangewezen, heeft eveneens recht op de
daarbij behorende zorg.
Artikel 2.33
Eerste lid
Voor alle hulpmiddelen
die op grond van dit artikel kunnen
worden verstrekt, geldt dat de aanspraak is beperkt tot situaties waarin de verzekerde
langdurig op het gebruik van deze
middelen is aangewezen. In geval van kortdurend
gebruik van deze middelen wordt
ervan uitgegaan dat deze middelen in
bruikleen worden verschaft door
instellingen die daartoe op grond van de AWBZ zijn
toegelaten.
Eerste lid, onderdeel a
Bij de verschaffing van
aan functiebeperkingen aangepaste tafels gaat
het voornamelijk om in hoogte verstelbare tafels voor
rolstoelgebruikers. Ook bedleestafels voor bedlegerigen vallen onder de aanspraak.
Eerste lid, onderdeel b
Het onderdeel
inrichtingelementen voor woningen heeft
voornamelijk betrekking op aan een functiebeperking aangepaste stoelen (vroeger: aan een
handicap aangepaste stoel). Onder een aan een functiebeperking aangepaste stoel wordt
verstaan een stoel die
voorzien is van persoonsgebonden aanpassingen dan wel door verstellen
aanpasbaar is, zodanig dat deze stoel hiermee
compensatie biedt voor een functiebeperking die niet op eenvoudige wijze kan
worden gecompenseerd door
aanschaf van een in de reguliere
meubelhandel verkrijgbare stoel.
De verzekerde heeft
aanspraak op een aan een functiebeperking
aangepaste stoel indien hij
problemen heeft met het zitten, het gaan zitten
of het opstaan en hij niet kan volstaan met
een stoel die voldoet aan de normale
ergonomische eisen. Er is een
zitprobleem als bijvoorbeeld sprake is van een
balansprobleem, ernstige scoliose,
spasticiteit of van een bewegingsbeperking in
heup of knie. Een aangepaste stoel voor een opstaprobleem is geïndiceerd als
zelfstandig opstaan uit een stoel met
een optimale zithoogte voor betrokkene
redelijkerwijs niet mogelijk is. In de
praktijk zal het meestal gaan om
gecombineerde problematiek waarbij, naast
functiestoornissen van de benen, ook sprake
is van functiestoornissen van de bovenste extremiteiten. Problemen
op het gebied van staan of lopen vormen
geen indicatie voor de verstrekking van
een aangepaste stoel. Bij loopproblemen
kan bekeken worden of de
verzekerde in aanmerking komt voor
verstrekking van een loophulpmiddel als
bedoeld in artikel 2.17. Uitsluitend rugklachten, niet anders dan pijnklachten
in de lage rug, die aanleiding geven tot zitproblemen vormen ook geen indicatie
voor verschaffing van een aangepaste stoel.
Tot slot bestaat geen recht
bij vetzucht, reuzen- of dwerggroei.
Onder aanpassingen die
voldoen aan de normale ergonomische eisen worden de volgende aanpassingen begrepen: neksteun, hoofdsteun,
beensteun, lendensteun, verstelbare rugleuning,
voetsteun, verstelbare zitting,
verstelbare armleuning, aanpassingen met
betrekking tot zithoogte, zitdiepte of
zitbreedte. Indien de verzekerde een
dergelijke aanpassing wenst, kan worden
volstaan met de aanschaf van een passende stoel voor eigen rekening. Zogenoemde
seniorenstoelen en andere stoelen voor
bepaalde leeftijdsgroepen vallen niet onder de hulpmiddelenzorg. Op een
aanpassing van een stoel met een
trippelfunctie bestaat recht op grond van
artikel 2.17.
Eerste lid, onderdeel c
en e
Er bestaan diverse
antidecubitushulpmiddelen, zoals antidecubituszitkussens, -bedden en -matrassen.
Gezien de hoge
kosten die met deze voorziening
gemoeid kunnen zijn, is het belangrijk
dat steeds de goedkoopste adequate voorziening
wordt verstrekt.
Eerste lid, onderdeel d
Bedden in een speciale
uitvoering, met inbegrip van de daarvoor
bestemde matrassen, zijn
geïndiceerd indien sprake is van een indicatie voor
verpleging. Daarnaast kan een
aangepast bed noodzakelijk zijn ter bewaring van de
zelfstandigheid. Bij deze laatste
categorie moet gedacht worden aan
verzekerden die onvoldoende kracht
hebben in armen of rug om uit bed op te
staan. In die gevallen waarin niet kan
worden volstaan met andere hulpmiddelen
om uit bed te komen, zoals
bijvoorbeeld een papegaai, bestaat de mogelijkheid een zogenoemd transferbed te
verstrekken.
Vage klachten of
rugpijnklachten van al dan niet bekende aard
vormen geen indicatie voor een
aangepast bed. Naast transferbedden kunnen,
indien sprake is van een indicatie voor
verpleging, behandelbedden worden
verstrekt. Het gaat hier om de
zogenoemde hoog-laagbedden, al dan niet
voorzien van een transfersysteem.
Ten slotte is in bepaalde
situaties een zogenaamd verblijfbed
aangewezen. Deze bedden beschikken
over een transfersysteem, een hoog-laagverstelling
en de mogelijkheid de
patiënt van de rug op zijn zijde of op zijn
buik te draaien.
Eerste lid, onderdeel f
en g
De aanspraak omvat tevens
bijkomende hulpmiddelen, zoals
dekenbogen, onrusthekken, bedgalgen
en -portalen, bedverkorters en -verlengers
die nodig kunnen zijn bij de
verpleging van een verzekerde.
Tweede lid
Zwenkwielen, beremming en
hoog-laagverstelling zijn geen
aangepaste voorzieningen voor het
zitten, gaan zitten of opstaan. De
zorgverzekeraar kan een aangepaste stoel met
deze aanpassingen ter verhoging van de
functionaliteit toestaan als de stoel op
diverse plaatsen met een
verschillende werkplekhoogte moet worden gebruikt. De zorgverzekeraar is
slechts gehouden de goedkoopste beschikbare
adequate voorziening voor rekening van de
zorgverzekering te laten komen.
Artikel 2.34
Eerste lid
Onder de geleidehonden
vallen de hulp- en blindengeleidehonden die
tot 1 januari 2006 werden gesubsidieerd
ten laste van het Algemeen Fonds
Bijzondere Ziektekosten (paragraaf
2.2.12 en 2.2.3 van de Regeling subsidies
AWBZ en Ziekenfondswet). Onder de
geleidehonden vallen niet de zogenoemde epilepsiehonden.
Voor deze voor de
zorgverzekeraars nieuwe voorziening kan
gebruik gemaakt worden van de bij
het College zorgverzekeringen door
jarenlange ervaring opgedane kennis voor een
doelmatige verstrekking van deze
honden.
Tweede lid
Net als bij de
subsidieregeling is er recht op een tegemoetkoming in
de gebruikskosten van de hond. Gebruikskosten zijn de kosten van de
verzekerde voor het levensonderhoud en de
medische en dagelijkse verzorging van
de hulp- of blindengeleidehond. Er is
echter niet voor gekozen om een maximumbedrag te regelen. Bij de
subsidie ging het in 2005 om een bedrag van €|984,-. Een dergelijk bedrag is in de praktijk voldoende.
Artikel 2.35
Met
"hulpmiddelen ter
compensatie van onvoldoende arm-, hand-,
en vingerfunctie" is de zogenoemde robotmanipulator onderdeel geworden van de
hulpmiddelenzorg. Tot 1 januari 2006 werden
deze gesubsidieerd uit het
Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten
(paragraaf 3.2.5 Regeling subsidies
AWBZ en Ziekenfondswet).
Deze bepaling beperkt de
verstrekking van hulpmiddelen ter
compensatie van onvoldoende arm-, hand-,
en vingerfunctie tot de verzekerden die zo
ernstige beperkingen in arm-, had-
en vingerfunctie hebben dat zij niet
zelfstandig kunnen eten of drinken of
voorwerpen kunnen verplaatsen en
voor de uitvoering van deze basale
activiteiten volledig afhankelijk zijn van
professionals. De beperkingen van de
gebruikers worden doorgaans bepaald door
progressieve spierziekten
(bijvoorbeeld Duchenne-spierdystrofie), ernstige spasticiteit en andere ziektebeelden,
zoals hoge dwarslaesie, multiple sclerose en reumatoïde arthritis.
De doelmatigheid van de
inzet van deze hulpmiddelen wordt
mede bepaald door:
- het bevorderen van de
mogelijkheid om (langer) zelfstandig
te wonen;
- het doen afnemen van een
beroep op de mantelzorg;
- het doen afnemen van een
beroep op de professionele zorg.
Een in opdracht van het
College zorgverzekeringen ontwikkeld
indicatieprotocol mag hierbij vooralsnog worden gezien als kennisbron
voor een doelmatige uitvoering van dit
onderdeel van de hulpmiddelenzorg.
Artikel 2.36
Deze bepaling regelt de
thuisdialyseapparatuur en dat wat noodzakelijk
is om de dialyse thuis uit
te kunnen voeren. Voor de
ziekenfondsverzekering was dit geregeld in het
Besluit niet-klinische haemodialyse ziekenfondsverzekering en het daarop gebaseerde
regeling van het College zorgverzekeringen: de Regeling nader regelen
niet-klinische hemodialyse
ziekenfondsverzekering. Er is gekozen voor een
minder gedetailleerde regeling,
met name met betrekking tot de
vergoeding van de kosten waar onderdeel d betrekking op heeft en die benoemd
waren in de regeling van het College
zorgverzekeringen. Er is nu bepaald dat het
moet gaan om redelijk te achten kosten
die rechtstreeks met de thuisdialyse
samenhangen. Niet meer is uitputtend
geregeld welke kosten mogen worden vergoed. Het
gaat om kosten die in dit verband
redelijk zijn.
Bij de dialyse thuis gaat
het niet alleen om hemodialyse, maar ook
om buikspoeling (peritoneaal dialyse). Onderdeel c (aanpassingen van de
woning) is alleen bij de peritoneaal
dialyse eventueel aan de orde. De kosten,
bedoeld in onderdeel d, hebben onder meer
betrekking op kosten van water,
elektriciteit en dergelijke.
Bij de thuisdialyse hoort
ook het opleiden van degenen die de
dialyse uitvoeren dan wel daar behulpzaam bij zijn, alsmede de medische zorg,
thans de ondersteuning en
begeleiding vanuit een dialysecentrum. Deze zorg
valt onder artikel 2.4 van het
Besluit zorgverzekering.
§ 1.5. Verzorging
Artikel 2.37
In deze bepaling zijn de
eigen bijdragen geregeld voor verzorging
zoals kraamverzorgenden die plegen te bieden,
zoals die voor de
ziekenfondsverzekering geregeld waren. De
verzekerde betaalt voor de verzorging thuis
een bedrag per uur.
Indien er sprake is van
verblijf in een instelling zonder dat
verblijf medisch noodzakelijk is, betaalt
zowel de moeder als het kind een bedrag
per dag, dat vermeerderd wordt met het
bedrag waarmee het tarief het tweede bedrag dat in het tweede lid
genoemd wordt te boven gaat.
§ 1.6. Ziekenvervoer
Artikel 2.38
De eigenbijdrageregeling
voor het ziekenvervoer komt overeen met die
welke voor de ziekenfondsverzekering gold. Anders dan bij de
ziekenfondsverzekering geldt de maximale
bijdrage niet meer voor de verzekerde
en zijn medeverzekerden tezamen, maar voor elke individuele verzekerde. Daarbij is uitgegaan
van hetzelfde maximale
bedrag. De situatie dat meer
mensen in een gezin in dezelfde periode
gebruik maken zodanig dat het gezin
door het individualiseren van het maximum in een
moeilijke financiële positie komt,
zal nauwelijks voorkomen. Om de beoogde financiële opbrengst te
halen, is afgezien van verlaging van het
maximum.
Anders dan bij de
ziekenfondsverzekering is niet meer bepaald dat
gereden moet worden volgens de
kortst gebruikelijke route. Een dergelijke
doelmatigheidsvoorwaarde is bij de Zvw aan de zorgverzekeraar en wordt
niet meer bij wettelijk voorschrift
bepaald.
[Zie ook hieronder, red.].
Artikel 2.38
[Stcrt. 2005,
203, red.]
[Zie ook hierboven, red.]. In afwijking van de
ziekenfondsverzekering is gekozen voor een eigen
bijdrage per kalenderjaar in
plaats van per twaalf maanden. De reden
hiervoor is dat de looptijd van de
modelovereenkomst een kalenderjaar bestrijkt.
Ook wisseling van zorgverzekeraar bij
het begin van een kalenderjaar maakt
dat een maximering per twaalf maanden niet
past bij de zorgverzekering.
§ 2. De regels voor
indeling van de geneesmiddelen in groepen
van onderling vervangbare
geneesmiddelen en voor de berekening van de
vergoedingslimieten en eigen bijdrage voor
geneesmiddelen
Artikel 2.39
In dit artikel zijn in de
onderdelen a tot en met d en f de bronnen
aangegeven voor de beslissing over
de onderlinge vervangbaarheid van
geneesmiddelen en de vaststelling van de
standaarddosis of kuurdosis. De bron,
genoemd in onderdeel f, is relevant voor het
oordeel of een geneesmiddel dat
volgens GVS-criteria niet onderling
vervangbaar is met een in het pakket
opgenomen geneesmiddel, in het
pakket kan worden opgenomen.
Het gaat om bronnen
waarvan de objectiviteit en
betrouwbaarheid buiten twijfel staan.
Artikel 2.40
Deze bepaling bevat de
criteria aan de hand waarvan wordt
beoordeeld of geneesmiddelen in het
kader van het GVS als onderling vervangbaar
worden beschouwd.
Eerste lid
In het eerste lid zijn de
criteria aangegeven op grond waarvan
geneesmiddelen als onderling vervangbaar worden aangemerkt.
Tweede lid
Het tweede lid geeft een
nadere regeling met betrekking tot de toedieningsweg. De indeling is gebaseerd
op het gegeven of een toediening wel of
niet door middel van injectie plaatsvindt
en vervolgens of het beoogde
therapeutische effect via de systemische
route of ter plekke (lokaal)
plaatsvindt. Voor de toepassing van het GVS worden vier
verschillende toedieningswegen onderscheiden.
Derde lid
In het derde lid is
geregeld wanneer geneesmiddelen niet als
onderling vervangbaar worden aangemerkt. Daarbij is in de eerste plaats van
belang dat duidelijk komt vast te staan of er
tussen geneesmiddelen verschillen in eigenschappen bestaan, en zo ja, welke
(onderdeel a). Alleen
verschillen die volgens de in artikel
2.39 bedoelde bronnen met voldoende
zekerheid vaststaan, worden in de beschouwing betrokken. In de tweede
plaats is het niet nodig en niet
gewenst van indeling in een groep af te zien
indien het gaat om verschillen die zich
slechts manifesteren bij individuele
patiënten of bij subgroepen van patiënten voor wie het geneesmiddel is
geïndiceerd. Het moet gaan om verschillen die
voor de gehele betrokken patiëntenpopulatie van belang zijn (onderdeel
b). Deze
verschillen moeten blijken uit de in artikel
2.39 genoemde bronnen. In de derde
plaats moeten de in onderdeel b
bedoelde verschillen van dusdanig gewicht zijn
dat zij bepalend kunnen worden geacht voor
de keuze van het geneesmiddel
(onderdeel c). Hierbij dient niet ieder
verschil op zichzelf te worden beschouwd, maar
dient een vergelijking plaats
te vinden tussen het geheel van
eigenschappen van het ene geneesmiddel en het
geheel van eigenschappen van het
andere geneesmiddel ("tezamen genomen").
Bij de vraag of die verschillen
bepalend zijn voor de keuze is het
feitelijk voorschrijfgedrag niet zonder meer
beslissend. Deze vraag dient te
worden beantwoord aan de hand
van de objectieve gegevens uit de bronnen,
genoemd in artikel 2.39.
Vierde lid
Het vierde lid regelt dat
geneesmiddelen die behoren tot een
subgroep die alleen uit preparaten bestaat of alleen uit specialités onder dezelfde merknaam,
niet als onderling vervangbaar
worden beschouwd.
Vijfde lid en zesde lid
Het vijfde lid bevat een
bijzondere regel voor de indeling van
combinatiepreparaten. Als alle werkzame bestanddelen van een
combinatiepreparaat voorkomen in geneesmiddelen die in
een groep van onderling vervangbare
geneesmiddelen zijn opgenomen, wordt het
combinatiepreparaat opgenomen in een groep van geneesmiddelen die één
van de werkzame bestanddelen van het
combinatiepreparaat bevatten. In artikel 2.47
is voorzien in de berekening van de vergoedingslimiet voor
deze combinatiepreparaten. Deze regeling geldt ingevolge het zesde lid
van artikel 2.40 niet voor
combinatiepreparaten van oestrogenen en progestagenen en van thiazide- en
kaliumsparende diuretica.
Artikel 2.41
Deze bepaling geeft een
regeling voor de bepaling van de
standaarddosis. Uitgangspunt voor de vaststelling van
de standaarddosis is de
Defined Daily Dose (DDD), een internationaal
geldende en objectief vastgestelde standaardhoeveelheidsmaat, die weergeeft
"the
assumed average dose per day for
a drug used on its main indication in
adults". Bij geneesmiddelen die op de
peildatum (1 oktober 1998) op de
markt waren, wordt uitgegaan van de op
die datum geldende DDD; bij
geneesmiddelen die later op de markt kwamen
of komen, van de DDD zoals deze
geldt op het moment van opneming in
het pakket.
Vijfde lid
Het vijfde lid, aanhef en
onder b, voorziet in een afwijkende
bepaling van de standaarddosis indien de
DDD valt "buiten de in Nederland
gebruikelijke doseringsrange". Deze uitzondering is in
het bijzonder bedoeld voor
gevallen waarin een geneesmiddel in
Nederland doorgaans wordt gebruikt voor een
andere indicatie, en daarmee
soms met geheel andere doseringen, dan de
hoofdindicatie, waarvan bij de
vaststelling van de DDD is uitgegaan. Wat de
in Nederland gebruikelijke
doseringsrange is, wordt in overeenstemming met artikel 2.39 beoordeeld aan de hand
van de registertekst en de in
medisch-farmaceutische kringen gangbare literatuur, waaronder het Farmacotherapeutisch
Kompas. Deze bronnen geven een
variatie in de effectieve dosering aan,
die veelal afhankelijk is van de
aard en de ernst van de aandoening. Het
gaat daarbij om geadviseerde doseringen.
Zevende en achtste lid
In het zevende lid is de
herberekening van de vergoedingslimiet
vastgelegd, die plaatsvindt indien in
de relevante gegevens voor de bepaling
van de standaarddosis wijziging optreedt.
Indien slechts de DDD wijzigt
van geneesmiddelen die niet meetelden bij de
berekening van de vergoedingslimiet
toen de groep van onderling
vervangbare geneesmiddelen voor de
eerste keer werd samengesteld,
wijzigt slechts de vergoedingslimiet van de
geneesmiddelen waarvan de DDD wijzigt.
Indien de DDD wijzigt van geneesmiddelen die wel meetelden bij de
berekening van de vergoedingslimiet toen de
groep voor de eerste keer werd
samengesteld, verandert de vergoedingslimiet van
alle geneesmiddelen binnen de
groep. In het achtste lid is
laatstbedoelde herberekening van de vergoedingslimiet
van alle geneesmiddelen binnen een
groep geregeld.
Benadrukt zij dat een
herberekening zoals bedoeld in het
zevende lid, onderdeel a, en achtste lid, alleen plaatsvindt indien er sprake is van
een herziening van de DDD van een
categorie van geneesmiddelen in de Anatomical Therapeutic Chemical Classification
op niveau 4.
Artikel 2.42
Eerste en tweede lid
Voor de berekening van de
vergoedingslimiet geldt een peildatum, te
weten 1 oktober 1998. De
berekening van de vergoedingslimieten gaat
op basis van die peildatum als volgt.
Bestaat een groep alleen
uit "oude" geneesmiddelen
(geneesmiddelen die op 1 oktober 1998 op de
markt waren), dan wordt uitgegaan van de
prijzen per 1 oktober 1998 (eerste
lid). Bestaat een groep alleen uit "nieuwe"
geneesmiddelen, dan wordt uitgegaan van
de introductieprijs van het geneesmiddel dat
het eerst op de markt is
gekomen (tweede lid). Bestaat een groep
uit zowel oude als nieuwe
geneesmiddelen, dan zijn de per 1 oktober 1998
geldende prijzen van de oude geneesmiddelen
bepalend. Dit geldt ook als de groep
bestaat uit een oud en één of meer nieuwe
geneesmiddelen. Voor zover na 1 oktober
1998 voor de op dat moment
bestaande geneesmiddelen nieuwe, duurdere
alternatieven op de markt zijn gekomen, behoren de extra kosten daarvan niet
ten laste van de zorgverzekering te
komen. In dat geval wordt van de verzekerde aan wie een nieuw, duurder
geneesmiddel wordt voorgeschreven een eigen
bijdrage verlangd. Bij een nieuwe peildatum
wordt dezelfde systematiek
gevolgd.
Derde lid en artikel 2.47
Het derde lid bepaalt dat
de prijzen van parallel geïmporteerde
geneesmiddelen buiten beschouwing worden
gelaten. De reden daarvan is dat
parallel geïmporteerde geneesmiddelen tegen
veelal variërende prijzen
worden verkocht. Er is dus geen eenduidige
prijs te hanteren. Ter vermijding van
misverstand wordt opgemerkt dat parallel
geïmporteerde geneesmiddelen wel worden
betrokken bij de indeling in
groepen van onderling vervangbare
geneesmiddelen. Verder wordt in deze bepaling
geregeld dat de prijzen van combinatiepreparaten die op grond van artikel
2.40,
vijfde lid, worden ondergebracht in een
groep geneesmiddelen, niet zijnde
combinatiepreparaten, eveneens buiten
beschouwing blijven. De reden daarvan
is dat de vergoedingslimiet van dergelijke
combinatiepreparaten afzonderlijk wordt berekend op de wijze
zoals in artikel 2.47 voorzien. In een
afwijkende berekeningswijze van de vergoedingslimiet voor een combinatiepreparaat dat op
grond van artikel 2.40,
vijfde lid, wordt opgenomen in een groep geneesmiddelen die geen
combinatiepreparaat zijn, is voorzien omdat het in die
situatie onjuist zou zijn indien
voor het combinatiepreparaat dezelfde
vergoedingslimiet zou gelden als voor de
overige geneesmiddelen uit de groep, omdat het
combinatiepreparaat slechts één werkzaam bestanddeel met één of
meer geneesmiddelen uit die groep
geneesmiddelen gemeen heeft; een
combinatiepreparaat kenmerkt zich immers
hierdoor dat het meer dan één werkzaam
bestanddeel bevat. Daarom is volgens
artikel 2.47, eerste lid, in dit geval
de vergoedingslimiet gelijk aan de som van de
vergoedingslimieten die voor de afzonderlijke werkzame bestanddelen
geldt.
Indien de geneesmiddelen
van de groep geneesmiddelen die
geen combinatiepreparaat zijn en waarmee het
combinatiepreparaat als onderling vervangbaar wordt aangemerkt, een
werkzaam bestanddeel bevatten in
een andere hoeveelheid of in een andere
toedieningsvorm dan in het
combinatiepreparaat voorkomt, wordt volgens
het tweede lid van artikel 2.47
uitgegaan van de vergoedingslimiet die voor dat werkzaam bestanddeel zou hebben
gegolden indien het in dezelfde
hoeveelheid en in dezelfde toedieningsvorm als in het combinatiepreparaat
zou zijn voorgekomen.
Artikel 2.43 tot
en met 2.47
[Voor artikel 2.47 zie ook hierboven, red.]. Deze bepalingen regelen
hoe voor een groep van onderling
vervangbare geneesmiddelen een
gemiddelde prijs wordt berekend die de
basis is voor de berekening van de
vergoedingslimiet.
Artikel 2.48
Hoewel de
artikelen 2.40
tot en met 2.47 in beginsel een sluitend
en consistent geheel van regels en
criteria bevatten aan de hand waarvan kan
worden beslist of een geneesmiddel
onderling vervangbaar is met één of meer andere
geneesmiddelen, en indien dat het geval
is, welke vergoedingslimiet
voor een dergelijk geneesmiddel geldt, heeft
de praktijk geleerd dat zich
niettemin uitzonderlijke gevallen kunnen voordoen waarbij strikte toepassing van
deze bepalingen leidt tot resultaten die
niet met de strekking ervan overeenkomen. In
dergelijke gevallen kan het gewenst
zijn van strikte toepassing van de
bepalingen af te zien. Dan zal zoveel mogelijk
worden beslist met overeenkomstige
toepassing van de bepalingen en in overeenstemming met de strekking daarvan. Dit
brengt onder meer mee dat voor een
afwijking in elk geval geen plaats is in
situaties die in deze regeling
uitdrukkelijk zijn voorzien of verdisconteerd.
Uiteraard is het ook niet de bedoeling met de
onderhavige bepaling de mogelijkheid
te openen om op andere dan strikt zakelijke en objectieve gronden van de
artikelen
2.40 tot en met 2.47 vervatte
criteria en regels af te wijken.
Artikel 2.49
Dit artikel betreft de
precieze berekening van de bijdrage die de verzekerde verschuldigd is voor een geneesmiddel waarvan de inkoopprijs
hoger is dan de vergoedingslimiet in het
kader van het GVS. Dat de verzekerde in
dat geval een bijdrage verschuldigd is,
is al geregeld in artikel 2.8, zesde
lid, van het Besluit zorgverzekering.
§ 3. De
aanvraagprocedure voor aanwijzing geregistreerde
geneesmiddelen
Artikel 2.50
Deze bepaling regelt de
aanvraagprocedure voor registratiehouders
om te vragen om een geneesmiddel bij ministeriële regeling
aan te wijzen.
Het regelen van de
aanvraagprocedure houdt verband met
Richtlijn 89/105/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21
december 1988 betreffende de
doorzichtigheid van maatregelen ter regeling
van de prijsstelling van geneesmiddelen voor
menselijk gebruik en de opneming
daarvan in de nationale stelsels van
gezondheidszorg (PbEG 1989 L 40/8).
De beslissing op de
aanvraag is geen beschikking in de zin van
die de Algemene wet bestuursrecht, maar (wijzigingen van) een algemeen
verbindend voorschrift. Zo heeft ook
de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State in zijn vonnis van 18
augustus 2002 geoordeeld (RZA, 2000, 887).
Zesde lid
In het zesde lid is, in
overeenstemming met vorenbedoelde
richtlijn, geregeld dat aan de aanvrager
wordt meegedeeld welke rechtsmiddelen hem
ter beschikking staan. Zoals al gesteld,
gaat het hier om vaststelling van een
algemeen verbindend voorschrift. Het
rechtsmiddel dat de aanvrager ter
beschikking staat, is dus niet een
administratiefrechtelijke, maar een
civielrechtelijke beroepsgang. In de brief die de
aanvrager ingevolge het zesde lid ontvangt,
wordt medegedeeld dat een rechtsvordering
bij de burgerlijke rechter kan worden ingesteld.
Negende lid
Het negende lid regelt
dat, indien het gaat om een geneesmiddel
met dezelfde werkzame bestanddelen, van dezelfde sterkte en in dezelfde
farmaceutische vorm als een
geregistreerd geneesmiddel dat al in het aansprakenpakket zit, het tweede tot en met
vierde lid, het zesde lid, tweede volzin, en
het zevende en achtste lid niet van
toepassing zijn. Het gaat hier om parallel
geïmporteerde en generieke geneesmiddelen. Voor deze middelen wordt ambtshalve
dezelfde vergoedingslimiet
vastgesteld als voor het identieke middel waarvoor al een vergoedingslimiet is
vastgesteld. Parallel geïmporteerde en
generieke geneesmiddelen worden dan ook niet apart beoordeeld aan de hand
van de artikelen 2.40 tot en met 2.47.
Gelet daarop zijn diverse onderdelen van de
procedure in artikel 2.50 niet van
toepassing.
Hoofdstuk 3. Verevening
Artikel 3.1
In dit artikel wordt
geregeld welke middelen voor bijdragen aan
zorgverzekeraars ter dekking van de kosten van prestaties in het kader
van de Zvw in het jaar 2006 ten laste van
het Zorgverzekeringsfonds beschikbaar zijn. Het College
zorgverzekeringen verdeelt deze middelen over zorgverzekeraars op
basis van de in het Besluit
zorgverzekering uiteengezette systematiek, met in
achtneming van voorliggende
regeling.
Daarnaast zijn middelen
ten laste van het Zorgverzekeringsfonds
beschikbaar voor aanvullende
bijdragen aan zorgverzekeraars. De basis hiervoor is
opgenomen in paragraaf 1.5 van
hoofdstuk 3 in het Besluit zorgverzekering.
Artikel 3.2
De hoogte van het
macroprestatiebedrag volgt uit de
kostenramingen die zijn opgenomen in de Rijksbegroting
Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hoofdstuk XVI)
2006. Het verschil tussen de
beschikbare middelen uit het
Zorgverzekeringsfonds en het macroprestatiebedrag
hangt samen met het gegeven dat zorgverzekeraars de kosten van prestaties
niet uitsluitend uit de hen ingevolge deze
regeling toe te kennen middelen dekken,
maar tevens uit de opbrengsten van
nominale premie.
Uit technische
overwegingen is ervoor gekozen bij de bepaling
van de wijze waarop de middelen
behoren te worden verdeeld over
zorgverzekeraars uit te gaan van het macroprestatiebedrag. De gewichten die
gekoppeld
zijn aan de verdeelcriteria kunnen
daardoor uitsluitend aan de hand van het macroprestatiebedrag worden vastgesteld en
zijn dus volledig
onafhankelijk van de nominale rekenpremie, die
voor 2006 is bepaald op €|970,- (dit
is inclusief opslag ad €|255,- in verband met
de no-claimteruggave).
In het eerste lid van dit
artikel wordt de hoogte van het macroprestatiebedrag vastgesteld. De basis
hiervoor is het totaal van de betrokken
kosten van Zvw-prestaties. De beschikbare middelen, genoemd in het eerste
lid, onderdeel a, kunnen uit het macroprestatiebedrag worden afgeleid door daarop de
geraamde opbrengsten van de
nominale rekenpremie in mindering te brengen.
Omdat, op grond van artikel 3.17 in
het Besluit zorgverzekering, in
artikel 3.15 is bepaald dat de bijdrage
voor zorgverzekeraars wordt verhoogd met de specifieke geraamde
no-claimteruggave, is het niet nodig hierbij te
corrigeren voor de gemiddelde no-claimteruggave voor alle verzekerden.
Het prestatiebedrag in de Rijksbegroting Volksgezondheid, Welzijn
en Sport voor de Zvw-gefinancierde uitgaven 2006 vormt de basis van
de in dit artikel vermelde bedragen. Aan de
in de begroting vermelde bedragen zijn
toegevoegd de extra middelen die als
onverdeelde post zijn opgenomen in de Rijksbegroting Volksgezondheid, Welzijn
en Sport 2006.
Het macroprestatiebedrag
wordt in 2006 onderverdeeld in
drie onderscheiden macrodeelbedragen. Bij
de onderverdeling van het macroprestatiebedrag in deelbedragen is in
principe aangesloten bij de sectorindeling in
de Rijksbegroting 2006, zij het met enkele uitzonderingen en
bijzonderheden.
In de eerste plaats is
bij de vaststelling van het macroprestatiebedrag de raming van de kosten
maatgevend voor de omvang ervan en niet
de raming van de financiering. Het
verschil tussen beide vormt de raming van de
mutatie van de
financieringsachterstand bij ziekenhuizen.
In de tweede plaats wordt
binnen de kosten voor
ziekenhuisverpleging een onderscheid gemaakt
tussen voor zorgverzekeraars variabele en vaste kosten van ziekenhuisverpleging.
Belangrijkste aangrijpingspunt hiervoor
is een classificatie van componenten in de
budgetsystematiek van algemene, academische
en categorale ziekenhuizen.
Alle budgetcomponenten die het College tarieven gezondheidszorg (CTG)
hanteert bij de bepaling van de hoogte
van de instellingsbudgetten zijn aangemerkt als
hetzij vaste, hetzij variabele componenten. Deze classificatie wordt
aan het College
zorgverzekeringen ter
hand gesteld. Op verzoek van het College
zorgverzekeringen splitst het CTG
aan de
hand van deze classificatie de
budgetten van algemene, academische en categorale
ziekenhuizen in een vast en een
variabel deel. Op grond daarvan wordt ter
dekking van deze vaste en variabele
instellingsbudgetten eveneens een splitsing
aangebracht in de in rekening
gebrachte tarieven. In de
toelichting op artikel 3.8 en op artikel 3.9 wordt
nader op deze splitsing ingegaan.
De splitsing in vast en
variabel van het onderdeel van het macroprestatiebedrag dat betrekking heeft op ziekenhuisverpleging is uitgevoerd aan de hand
van cijfers die door het CTG
beschikbaar zijn gesteld over vaste en
variabele kosten bij verschillende soorten
ziekenhuizen en overige instellingen
die ziekenhuisverpleging verzorgen. Hierbij is de schoning van de
instellingsbudgetten voor de onderhandelbare DBC’s (het zogenaamde B-segment) als
variabel aangemerkt.
Ten slotte zijn aan de
onderscheiden macrodeelbedragen
componenten toegevoegd voor kosten in verband met de financiering van
geneeskundige hulp in het buitenland. Het gaat
hierbij om een bedrag van in totaal €|299,9
miljoen. Deze kosten hangen zowel samen
met Nederlandse ingezetenen die in het
buitenland zorg afnemen
(bijvoorbeeld bij ziekte tijdens tijdelijk verblijf of zorg in het buitenland met
toestemming van de zorgverzekeraar) als met
ingezetenen van andere landen die
onder de Zvw vallen omdat zij in
Nederlandse loondienst zijn.
Artikel 3.3
De gewichten van de
verdeelcriteria die het College
zorgverzekeringen hanteert bij de berekening van het normatieve bedrag ten behoeve van
een zorgverzekeraar zijn als bijlage bij deze
regeling opgenomen. Deze gewichten
zijn gebaseerd op statistische analyse
van het verband tussen de kosten
per verzekerde en relevante
verzekerdenkenmerken. Uit bijlage 4
blijkt voorts
welke klassen van verzekerden worden gehanteerd bij de toepassing van de
onderscheiden verdeelcriteria.
Het College
zorgverzekeringen bepaalt het normatieve
bedrag per zorgverzekeraar aan de hand van een raming van de
verzekerdenaantallen naar klassen van verzekerden, de
normbedragen naar leeftijd en geslacht
en de optelling van de toe- en afslagen
op grond van farmaceutische
kostengroepen (FKG’s), diagnosekostengroepen (DKG’s),
aard van het inkomen en regio.
De ex-antenormbedragen
worden momenteel dusdanig
vastgesteld dat alle beschikbare middelen via
de kenmerken leeftijd en geslacht
worden verdeeld, waarna vervolgens
herschikkingen plaatsvinden op basis van
de andere verdeelkenmerken (FKG’s, DKG’s, aard van het inkomen en
regio).
In de nota van toelichting bij het
Besluit zorgverzekering is al in algemene zin
ingegaan op de vijf gehanteerde criteria: leeftijd en geslacht, FKG’s,
DKG’s, aard van het inkomen en
regio. In deze toelichting wordt daarom alleen ingegaan op enkele specifieke
aandachtspunten bij de nadere invulling
van de criteria in 2006. Tot deze
invulling van de criteria is besloten na
bestuurlijk overleg met Zorgverzekeraars
Nederland (ZN) op 4 juli 2005. Hierbij
is notie genomen van de uitkomsten van in
2004 en 2005 uitgevoerde statistisch onderzoeken en het eenstemmige advies
dat de technische Werkgroep Onderzoek
Risicoverevening (WOR) - met hierin
vertegenwoordigers van VWS, College zorgverzekeringen, ZN, KPZ
[Kontaktcommissie Publiekrechtelijke Ziektekostenregelingen voor
ambtenaren, red.], zorgverzekeraars en diverse onderzoeksbureaus
- op
grond van deze onderzoeken heeft gegeven
aan de minister.
• Leeftijd en geslacht
worden in samenhang bezien, omdat het
kostenpatroon naar leeftijd tussen
mannen en vrouwen verschilt. Dit verschil
hangt onder meer samen met de kosten van
zwangerschap en geboorten bij vrouwen
tussen (vooral) 20 en 40 jaar. Bij dit
criterium wordt gewerkt met vijfjaarsklassen.
• In 2006 wordt gewerkt met
in totaal 17 FKG’s, waarbij
individuele verzekerden in ten hoogste één FKG worden ingedeeld, te weten de
duurste waarvoor zij in aanmerking komen.
Hiernaast is sprake van een referentiegroep van verzekerden die in geen enkele FKG
zijn ingedeeld.
In vergelijking met de Zfw-verstrekkingenbudgettering
2005 is in de Zvw-risicoverevening
2006 sprake van vijf nieuwe FKG’s:
diabetes type II (in twee varianten),
cholesterol, schildklieraandoeningen en glaucoom. Door het onderscheid in twee
varianten binnen diabetes type ll - naast de al reeds bestaande FKG voor
diabetes type I - wordt rekening gehouden
met het verschil in meerkosten tengevolge
van de intensiteit van de behandeling.
De vijf nieuwe FKG’s
kennen lagere vervolgkosten dan de
meeste van de twaalf reeds in de Zfw-verstrekkingenbudgettering gehanteerde
FKG’s. Echter, juist
binnen de context van de nieuwe Zvw is het wenselijk nog verder te corrigeren voor
chronische ziekte, om zo een goede
toegankelijkheid van de verzekering voor
alle verzekerden te waarborgen. Er zal in
2005 en 2006 nog verder gekeken
worden of uitbreiding van de set
van FKG’s wenselijk is, bijvoorbeeld met FKG’s
voor zeldzame chronische aandoeningen of met FKG’s samenhangend
met psychiatrische aandoeningen. Het laatste
ook in het licht van de beoogde
overheveling van de geneeskundige
geestelijke gezondheidszorg naar de
Zvw per 1 januari 2007.
• Wat betreft DKG’s is er
in 2006 sprake van dertien clusters van
aandoeningengroepen. De aandoeningengroepen zelf zijn klinisch homogeen,
waarna vervolgens samenvoeging heeft
plaatsgevonden op basis van kostenhomogeniteit. Alleen díe
diagnosegroepen zijn bij het DKG-criterium betrokken
waarvan door een groep van medische
deskundigen is vastgesteld dat sprake is
van eenduidig bepaalde ernstige,
chronische aandoeningen.
Aandachtspunt bij de
vaststelling van DKG’s is de invoering
van DBC-financiering per 1 januari 2005. In de uiteindelijke
vaststelling van de bijdragen aan zorgverzekeraars zal
de prevalentie van DKG’s worden vastgesteld op basis van DBC’s.
Echter, voor het bepalen van de gewichten en de (ex-ante)toekenning van bedragen
is deze DBC-informatie nog niet beschikbaar. In plaats hiervan wordt
uitgegaan van diagnose-informatie zoals
geregistreerd in de Landelijke Medische
Registratie (LMR), in combinatie met
informatie over enkele specifieke
nevenverrichtingen (chemotherapie,
radiotherapie, dialyse, thuisbeademing)
uit de zorgverzekeraaradministraties. Hierbij worden alleen diagnosecodes en
nevenverrichtingen beschouwd die zich laten
doorvertalen in DBC’s die de DKG’s
bepalen, uitgaande van een
vertalingstabel die onder begeleiding van een
commissie van medisch-inhoudelijke
deskundigen is vastgesteld. Omdat DBC’s
naar specialisme zijn geordend, zijn de
onder de DKG’s liggende
aandoeningengroepen "in oude termen" niet alleen gebaseerd op diagnose-informatie,
maar ook op behandelend specialisme.
• Bij het criterium aard
van het inkomen worden vijf categorieën onderscheiden, waarvoor uit statistisch onderzoek is gebleken dat er sprake is
van een verschillend kostenniveau en waarvoor
de WOR het noodzakelijk
achtte deze mee te nemen om voorspelbaar
verlies op grote groepen verzekerden
te voorkomen. Het gaat om:
- arbeidsongeschikte
verzekerden;
- bijstandsgerechtigde
verzekerden;
- overige
uitkeringsgerechtigden;
- zelfstandigen;
- verzekerden in
loondienst, in de VUT of met pensioen, dan wel
zonder eigen inkomstenbron (de referentiegroep).
Binnen elk van deze
categorieën wordt een nader onderscheid
gemaakt op basis van leeftijd van de verzekerde. In de beleidsregels van het
College zorgverzekeringen zal worden aangegeven hoe om te gaan met samenloop
van verschillende categorieën aard van het
inkomen (bijvoorbeeld een
verzekerde met zowel een WW- als een WAO-uitkering
of een verzekerde die
zowel in loondienst is als een zelfstandig
inkomen geniet).
De Zfw-verstrekkingenbudgettering kende in plaats van het
criterium aard van het inkomen het
criterium verzekeringsgrond. Bij de invoering van de Zvw
voor de gehele bevolking
hoeven zorgverzekeraars echter niet langer de
verzekeringsgrond van de verzekerden in hun administratie vast te
leggen. Daarmee verdwijnt de informatie
over de verzekeringsgrond uit beeld. Door het
wegvallen van de informatie over de verzekeringsgrond zal informatie aan andere
gegevensbronnen moeten
worden ontleend, zoals via het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen
(UWV)
en de belastingdienst. In de
toelichting op artikel 3.17 wordt hier
nader op ingegaan. Consequentie hiervan is
wel dat de medeverzekerden van bijstandsgerechtigden en overige
uitkeringsgerechtigden die in de Zfw-verstrekkingenbudgettering meeliepen met de verzekeringsgrond
van de hoofdverzekerde, bij het criterium aard
van het inkomen niet langer
apart worden onderscheiden en gewoon
meelopen in de referentiegroep.
• Het criterium regio
beoogt verschillen met betrekking tot
zorgaanbod, sociaal-economische omstandigheden en
resterende gezondheidsverschillen te
meten door viercijferige
postcodes te clusteren op basis van een model
dat de verschillen verklaart tussen het
gemiddelde normatieve bedrag per
verzekerde en de werkelijke gemiddelde
kosten per verzekerde.
Uit onderzoeksresultaten
komt naar voren dat het
regiocriterium zoals gehanteerd in de Zfw-verstrekkingenbudgettering, ook na aanpassing voor de
verbreding van de
verzekerdenpopulatie onder de Zvw, onvoldoende
in staat is compensatie te bieden
voor de bestaande (sociaal-economische)
verschillen tussen de (voormalige)
ziekenfondsverzekerden en particuliere
verzekerden (waaronder ook publiekrechtelijk verzekerden). Op viercijferig
postcodeniveau zijn de regiogebieden
klaarblijkelijk dusdanig gemengd dat
niet goed gediscrimineerd wordt tussen de ex particulier verzekerden - met
veelal een bovengemiddelde
sociaal-economische status en hieraan
gerelateerde dito gezondheidstoestand - en ex-ziekenfondsverzekerden, met veelal een wat lagere
sociaal-economische status en dito gezondheidstoestand. Op termijn kan wellicht
verdere differentiatie van de viercijferige
postcodes naar buurtniveau dit verschil
in beeld brengen. Voor 2006 is een meer
pragmatische oplossing gekozen. De regio-indeling bestaat in principe uit
tien clusters van postcodes die geschat
zijn op de totale (voormalig ziekenfonds-
en particuliere) populatie. Echter,
hierbij gelden aparte gewichten voor voormalig ziekenfondsverzekerden en voormalig particulier
verzekerden. Opvallend
patroon hierbij is dat de spreiding van
de gewichten veel groter is voor
voormalig ziekenfondsverzekerden dan voor voormalig particulier verzekerden.
Ofwel: de invloed van regiokenmerken op het kostenpatroon van
(voormalig) ziekenfondsverzekerden is veel groter dan het effect op (voormalig)
particulier verzekerden.
In de uitvoering moeten
zorgverzekeraars niet - vanwege de
toegepaste differentiatie - alleen
aangeven hoeveel verzekerden in de
verschillende regio’s wonen, maar ook hoe deze
aantallen uiteenvallen in (voormalig) ziekenfondsverzekerden en (voormalig)
particulier verzekerden.
De gewichten van de
criteria zijn geschat op basis van
individuele kostencijfers van voormalig ziekenfondsverzekerden en van privaatrechtelijke
en publiekrechtelijke
particulier verzekerden uit 2003. Bij deze
schatting wordt de samenhang tussen de
verschillende criteria meegenomen.
Bijvoorbeeld in het gewicht van FKG’s
en DKG’s is verdisconteerd dat
chronisch zieken in het algemeen ouder zijn
dan verzekerden zonder chronische ziekte.
Aandachtspunt hierbij is
dat in de kostencijfers 2003 niet de
schadelastverschuivingen als gevolg van de overstap op DBC-financiering per 1
januari 2005 bevatten. Hiervoor is
gepoogd te corrigeren aan de hand van de
verwachte verschillende leeftijd/geslachtgroepen
als gevolg van DBC-invoering.
Hiernaast zijn diverse andere
correcties op het datamateriaal toegepast,
zoals het simuleren van de kosten
huisartsenzorg voor het voor 2006 afgesproken
gemengde abonnement/consultsysteem,
het harmoniseren van verzekerdenpakketten, het bijschatten van eigen
risico’s en het corrigeren voor in 2004
doorgevoerde pakketmaatregelen. Dat
zoveel datacorrecties moesten worden toegepast, illustreert ook dat de
overgang naar de Zvw - in combinatie met
gelijktijdige veranderingen bij de
bekostiging en financiering van het zorgaanbod - onzekerheden met zich meebrengt. Om
deze onzekerheid tot een
acceptabel niveau te reduceren, worden in 2006
diverse ex-postcorrectiemechanismen
toegepast, waaronder nacalculatie op basis van een bandbreedteregeling (zie
ook artikel 3.12).
Bij de kenmerken FKG’s
en DKG’s is sprake van een
referentiegroep waarin verzekerden zijn
ingedeeld die niet in aanmerking komen voor een
vergoeding voor chronische ziekte
door toewijzing van FKG’s respectievelijk DKG’s. Het College
zorgverzekeringen stelt het gewicht van deze
referentiegroep dusdanig vast dat het totaal van
de toe- en afslagen voor
respectievelijk FKG’s en DKG’s - rekening
houdend met verzekerdenaantallen per klasse - op nul uitkomt. Deze berekening
wordt in 2006 niet alleen ex ante, maar ook ex post uitgevoerd, waarbij rekening wordt
gehouden met werkelijke
verzekerdenaantallen.
Achtergrond hiervan is
dat bij de overgang naar risicoverevening in
de Zvw het ramen van de
verdeling van verzekerdenkenmerken lastiger is.
Belangrijkste complicatie is dat niet
voor alle particuliere zorgverzekeraars de huidige aantallen verzekerden met
een FKG of DKG bekend zijn, wat het
lastig maakt exact te ramen hoeveel
FKG-ers of DKG-ers er in 2006 zullen
zijn onder voormalig particulier
verzekerden. Op het moment dat de
verdeling van verzekerden over de verschillende
kenmerken anders uitpakt dan verwacht, zou zonder ex-postherrekening van
het gewicht van verzekerden zonder FKG en
van het gewicht van verzekerden
zonder DKG ex post de bijdrage van
FKG’s en DKG’s sterk van nul af
kunnen wijken. Om dit ongewenste effect
te voorkomen, worden de gewichten van
de betreffende
referentiegroepen pas achteraf vastgesteld, rekening
houdend met werkelijke
verzekerdenaantallen.
Iets vergelijkbaars
speelt voor het kenmerk aard van het
inkomen. De data van voormalige
particuliere verzekerden zijn op dit punt niet
optimaal. Bovendien hinderen de lopende en
voorziene grote veranderingen in de
sociale zekerheid het nauwkeurig ramen van
verzekerdenaantallen naar de verschillende categorieën binnen het
criterium aard van het inkomen. Om dit
te ondervangen, wordt zowel ex ante als
ex post het gewicht voor de
verschillende leeftijdscategorieën binnen de referentiegroep vastgesteld.
Aandachtspunt is nog dat
in de gewichten die in eerste instantie
(ex ante) worden gebruikt voor de berekening van het normatieve bedrag ten
behoeve van een zorgverzekeraar, geen
rekening wordt gehouden met de samenhang
met de hogekostencompensatie.
Pas bij de (ex-post)vaststelling van de bijdrage wordt wel met deze samenhang
rekening gehouden.
Artikel 3.4
Binnen de normering van
de vaste kosten van ziekenhuisverpleging
wordt een splitsing aangebracht in
de normering van de kosten die
gefinancierd worden op basis van gelijke
bedragen per verzekerde en de normering van de
overige vaste kosten. In 2006
gaat het wat betreft de eerste
categorie om de kosten van de academische
component. Deze kosten worden
gefinancierd via een fonds dat gevuld wordt
door zorgverzekeraars, naar rato van het aantal
verzekerden. Hierbij bedraagt het
vaste bedrag per verzekerde €|36,36. De hoogte van dit bedrag is
afgeleid uit de hoogte van de academische
component 2006 (inclusief overlopende
kosten uit 2005) ad €|590,9 miljoen en het
geraamde aantal verzekerden in 2006 van 16 252 000.
De overige vaste kosten
van ziekenhuisverpleging worden genormeerd op basis van historische
vaste kosten van ziekenhuisverpleging. Het College
zorgverzekeringen werkt deze berekening nader uit in zijn beleidsregels. Voor
zorgverzekeraars die in
2005 onder de Zfw
vielen, is bekend wat
hun historische vaste kosten zijn. Wél
moet hierbij nog worden gecorrigeerd
voor de kosten van de academische
component die vóór 2005 niet apart werden
onderscheiden. Voor overige
zorgverzekeraars zijn de historische vaste kosten niet bekend. Het College
zorgverzekeringen zal voor de ex-anteberekeningen
benaderingen moeten maken op basis van
historische cijfers over kosten
ziekenhuisverpleging per zorgverzekeraar (voor zover beschikbaar) en landelijke informatie
over het aandeel van de kosten
ziekenhuisverpleging (exclusief de academische
component) dat als vast wordt
aangemerkt.
Vanwege het ontbreken van
historische informatie zal bij de ex-postvaststelling van het
macrodeelbedrag vaste kosten van
ziekenhuisverpleging worden uitgegaan van de
daadwerkelijke vaste kosten (met uitzondering van de kosten samenhangend met
de academische component) in 2006.
Hierbij wordt niet alleen de onderlinge
verdeling tussen zorgverzekeraars
gebaseerd op realisatiecijfers, maar
ook het macro beschikbare bedrag.
Artikel 3.5
Artikel 3.5 handelt over
de gevolgen voor de bijdrage uit het
Zorgverzekeringsfonds indien verzekerden tegelijkertijd bij meerdere
zorgverzekeraars staan ingeschreven. Onder de Zvw
is het mogelijk dat verzekerden
bij meerdere zorgverzekeraars zijn
ingeschreven. Gelet op de verwachte
hoogte van de nominale premie, is het
niet aannemelijk dat veel volwassen
verzekerden dubbel verzekerd zullen zijn. Verzekerden onder de 18 jaar betalen
echter geen nominale premie, waardoor - zonder nadere maatregelen - dubbel verzekerd zijn hier niet uit te
sluiten is. Om te voorkomen dat
zorgverzekeraars onbedoeld voordeel ontlenen aan
dubbele inschrijvingen, wordt de
vereveningsbijdrage aangepast aan het aantal
zorgverzekeraars waarbij een verzekerde is ingeschreven.
Bijvoorbeeld voor een verzekerde die tegelijkertijd bij twee zorgverzekeraars staat
ingeschreven, geldt de helft van de
reguliere vereveningsbijdrage; voor een verzekerde die bij drie zorgverzekeraars
staat ingeschreven, geldt een derde van de
reguliere vereveningsbijdrage. Dit
past goed bij de in artikel 7.17.2.24a BW
opgenomen regel dat ingeval een
verzekerde voor eenzelfde schade bij
meerdere zorgverzekeraars is ingeschreven, de schadeverzekeraars (uiteindelijk) ieder een
evenredig deel van de
schade dienen te dragen.
Overigens weet het College
zorgverzekeringen op basis van het tweede
lid van artikel 35 van de Zvw
bij welke zorgverzekeraar(s) een verzekerde in
welke periode is ingeschreven.
Hierbij is het College zorgverzekeringen
op basis van het derde lid van artikel
35 van de Zvw
gehouden betrokken zorgverzekeraars terstond te informeren op
het moment dat geconstateerd wordt
dat een verzekerde bij twee of meer
zorgverzekeraars verzekerd is. Deze
informatie biedt de zorgverzekeraar een
handvat om de situatie van dubbele verzekering
op te heffen.
Artikel 3.6
In het eerste lid is
aangegeven dat het College zorgverzekeringen
bij de herberekening van de bijdrage (ex post)
bij de gewichten van de
verdeelcriteria van het macrodeelbedrag
variabele kosten van ziekenhuisverpleging en
kosten van specialistische hulp en van het
macrodeelbedrag overige prestaties rekening houdt met de samenhang
met de hogekostencompensatie in de vorm van hogekostenverevening (HKV;
geregeld in artikel 3.11 van deze
regeling). Door bij de vaststelling van
de herberekende gewichten mede te
betrekken dat 90% van de kosten van
verzekerden, voor zover deze de in
artikel 3.11 genoemde grens te boven
gaan, in een "pool" verevend
zullen worden, worden over- en
ondercompensaties op bepaalde risicoklassen, die juist
relatief vaak dan wel weinig worden
ingebracht in de HKV-poolen, tegengegaan.
Het tweede lid geeft aan
dat de gewichten voor verzekerden zonder FKG, verzekerden zonder DKG
alsmede alle leeftijdscategorieën van
de referentiegroep van het criterium aard
van het inkomen dusdanig worden herberekend dat ook ex post - rekening houdend met de werkelijke
verzekerdenaantallen - de bijdrage van de criteria
FKG’s, DKG’s en aard van het inkomen
op nul uitkomt. In de toelichting op
artikel 3.3 is reeds op de achtergrond hiervan
ingegaan.
Het derde lid gaat in op
de verzekerdennacalculatie: het College
zorgverzekeringen herberekent het normatieve bedrag per
zorgverzekeraar, en de onderliggende deelbedragen, op basis
van de gewichten, bedoeld in het
eerste en tweede lid, en de
gerealiseerde verzekerdenaantallen per klasse van de
criteria.
Vervolgens geeft het
vierde lid aan dat in de herberekening van
de gewichten voor genoemde deelbedragen ook rekening wordt gehouden met de
over alle zorgverzekeraars
gerealiseerde kosten in 2006. Op het moment dat
deze afwijken van de gestelde macroprestatiebedragen worden alle gewichten van
de criteria opnieuw ingeschaald.
Hierbij is de inschalingsfactor per
deelbedrag gelijk aan de verhouding tussen
de gerealiseerde kosten over alle
zorgverzekeraars per deelbedrag en het totaal
van de herberekende deelbedragen over alle
zorgverzekeraars. Aan de hand van de
dusdanig herberekende gewichten
worden de normatieve bedragen nader
herberekend.
Het vijfde lid geeft aan
dat bij de herberekening van het normatieve bedrag het College
zorgverzekeringen voor alle criteria uitgaat van
realisatiecijfers uit het jaar 2006. Bij de (ex-ante)toekenning van het normatieve bedrag
zijn deze realisaties nog niet bekend en gaat het College
zorgverzekeringen uit van ramingen met betrekking
tot aantallen verzekerden per
zorgverzekeraar, onderverdeeld naar de verschillende
criteria (leeftijd, geslacht, aard
van het inkomen, regio, FKG’s, DKG’s).
In de nota van toelichting bij het
Besluit zorgverzekering is aangegeven dat voor
FKG’s en DKG’s uitgegaan wordt
van gegevens uit het voorafgaande
jaar. Dit sluit aan bij het concept achter
FKG’s en DKG’s dat voorspelbare
vervolgkosten dienen te worden gecompenseerd.
Voor 2006 is echter van de normale
systematiek afgeweken, omdat het gebruik van
historische gegevens zowel
principiële als praktische bezwaren kent,
daar deze in 2006 betrekking zouden
hebben op een periode waarin de Zvw
nog
niet van kracht was.
Artikel 3.7
In dit artikel is
aangegeven op welke wijze de kosten van zorg
genoten in het buitenland, wat betreft
de risicoverevening, uiteenvallen in: 1)
variabele kosten van ziekenhuisverpleging
en kosten van specialistische hulp;
2) vaste kosten van ziekenhuisverpleging;
3) overige prestaties. Hierbij is
een onderscheid gemaakt tussen kosten die
zijn gemaakt met toepassing van een
bepaling van de Verordening (EEG) nr.
1408/71 inzake sociale zekerheid dan wel
het Verdrag betreffende de sociale
zekerheid van Rijnvarenden, welke recht
geeft op zorg na toestemming van de
zorgverzekeraar (kortweg:
toestemmingsgevallen) en overige buitenlandse
kosten.
- De eerste categorie wordt
per definitie als kosten van
ziekenhuisverpleging en specialistische hulp aangemerkt, waarbij deze in vast en variabel
zijn gesplitst op basis van de macroverhouding vast/variabel, gecorrigeerd
voor het feit dat opnamen in een
buitenlands ziekenhuis niet kunnen leiden tot
een DKG-vergoeding.
- Bij de tweede categorie
wordt een onderscheid gemaakt
tussen gevallen waarin bekend is of het
al dan niet om kosten van
ziekenhuisverpleging en specialistische hulp gaat en gevallen
waarin deze informatie niet
bekend is.
Als de aard van de
prestatie bekend is, wordt binnen de kosten
van ziekenhuisverpleging en specialistische hulp dezelfde sleutel
gehanteerd als bij toestemmingsgevallen voor de splitsing in vaste en variabele
kosten en worden overige kosten als
overige prestaties aangemerkt.
Indien de aard van de
prestatie niet bekend is, worden de
kosten via een sleutel gesplitst in de
drie onderscheiden deelprestaties. Voor de
gehanteerde sleutel is gekeken naar de twee
bronnen van deze kosten buitenland:
kosten van grensarbeiders en kosten
van Nederlandse ingezetenen bij tijdelijk
verblijf. Hierbij is afgeleid dat
25% van de kosten als overige prestaties
kan worden aangemerkt. De overige
75% wordt in dezelfde verhouding in
vast en variabel gesplitst als wanneer wel
met zekerheid bekend is dat het kosten
van ziekenhuisverpleging en specialistische hulp
betreft.
Alle verrekende kosten
buitenland zijn op reguliere wijze
relevant voor de toepassing van HKV, verevening en
nacalculatie. Enige uitzondering
hierbij zijn de kosten van verzekerde
prestaties die verzekerden buiten Nederland vanaf 1 januari 2006 hebben
gemaakt en die het College zorgverzekeringen
op declaraties op kasbasis naar het
werkelijke bedrag in 2006 vergoedt.
Op grond van onderdeel d en e van
artikel 3.11 wordt 30% van deze kosten voor
zover zij als variabele kosten
ziekenhuisverpleging en kosten van
specialistische hulp zijn aangemerkt en 5% van
deze kosten voor zover zij als kosten
van overige prestaties zijn aangemerkt, ingebracht in de HKV-pool.
Artikel 3.8
De basis voor de
verdeling van de verschillende tarieven binnen de kosten ziekenhuisverpleging in
variabele en vaste kosten van
ziekenhuisverpleging, zoals die wordt
weergegeven in het eerste tot en met achtste lid
van artikel 3.8 en het tweede tot en met
negende lid van artikel 3.9, is
gelegen in de artikelen 3.9 en 3.10 van het
Besluit zorgverzekering.
Per 1 januari 2005 is
gestart met DBC-financiering binnen de ziekenhuiszorg. De indeling van kosten in
enerzijds vaste kosten
ziekenhuisverpleging en anderzijds variabele
kosten ziekenhuisverpleging is in hoofdlijnen
gebaseerd op een onderverdeling van
de verschillende DBC-tarieven in vaste en
variabele elementen. Omdat niet
alle instellingen en alle specialismen
volledig overgaan op DBC-financiering, moet ook nog aangegeven worden hoe de andere ("oude")
tarieven worden gesplitst
in vast en variabel. Hiernaast is ook bij de
instellingen die in hoofdzaak worden
gefinancierd op basis van DBC’s nog
sprake van aanvullende financiering in de vorm
van overige trajecten en
verrichtingen en van ondersteunende en overige producten.
Wat betreft de DBC-tarieven wordt een onderscheid gemaakt
tussen enerzijds onderhandelbare DBC-tarieven (behorend bij het zogenoemde
B-segment) en niet-onderhandelbare DBC-tarieven (het zogenoemde A-segment). De
onderhandelbare DBC-tarieven zijn in
principe variabel, met
uitzondering van de 12,5% van het tarief dat als
dekking van de kapitaallasten wordt aangemerkt (eerste
lid van artikel 3.8). Dit deel
zal, gegeven dat zorgverzekeraars zeer
beperkte invloed hebben op de hoogte van
de kapitaallasten, vooralsnog als vast
worden aangemerkt. Dit geldt onafhankelijk
van het type instelling of
zorgverlener dat de onderhandelbare DBC levert.
Voor de
niet-onderhandelbare DBC’s geldt dat het percentage
variabel in de kostencomponent verschilt tussen instellingen. Voor algemene en
academische ziekenhuizen, alsmede
voor het Oogziekenhuis (tweede lid), geldt dat
zij nog steeds een budget kennen
dat gevuld wordt met landelijk
geldende prijzen, waar bovenop
instellingsspecifieke toeslagen komen ter sluiting van
het instellingsbudget. Binnen het instellingsbudget is het mogelijk een
onderscheid te maken in een vast en
variabel deel. Deze onderverdeling dient
als basis voor de splitsing van de
kostencomponent van niet-onderhandelbare DBC-tarieven in vast en variabel,
tezamen met informatie over de vast-variabelverdeling van de verschillende
(overige) tarieven waarmee het
instellingsbudget gevuld wordt.
Als gevolg van de Wtg ExPres, een wijziging van de
Wet tarieven
gezondheidszorg (Wtg), biedt de Wtg mogelijkheden voor experimenten
waarbij ook voor DBC’s die niet
vallen onder de reguliere onderhandelbare DBC’s
toch sprake kan zijn van vrije
prijsvorming. Een voorbeeld hiervan is het
in 2005 gestarte experiment in de Sint
Maartenskliniek. Het derde lid geeft aan
dat de vast-variabelverhouding die voor deze experimenten geldt, door het
College
zorgverzekeringen wordt vastgesteld.
Hierbij is het de bedoeling te
kijken naar de budgetopbouw van de
instelling in de jaren direct voorafgaand
aan het experiment.
Zowel voor de
niet-onderhandelbare DBC’s als voor de DBC’s
die vallen onder een door de minister
goedgekeurd experiment op grond van de Wtg ExPres, levert het College
tarieven gezondheidszorg per instelling informatie
aan over de splitsing van de
kostencomponent van niet-onderhandelbare DBC-tarieven in vaste en variabele
elementen aan het College zorgverzekeringen
(vierde lid).
Zelfstandige
behandelcentra en extramuraal werkende specialisten
kennen geen budgetten. De
hierboven geschetste systematiek van het
afleiden van vast-variabelsleutels voor niet-onderhandelbare DBC’s is dan ook voor hen niet van toepassing.
In plaats hiervan geldt voor alle
zelfstandige behandelcentra en extramuraal werkende specialisten dezelfde
sleutel, waarbij 75% van de
kostencomponent van de tarieven van
niet-onderhandelbare DBC’s als variabele kosten
wordt aangemerkt. Dezelfde sleutel geldt
ook voor andere dan de in het tweede lid
genoemde instellingen dan wel
zorgverleners die DBC-tarieven in rekening kunnen brengen, zoals bijvoorbeeld de
zelfstandige centra voor
erfelijkheidsonderzoek (vijfde lid).
Naast DBC’s kunnen
instellingen en zorgverleners die in
hoofdzaak gefinancierd worden door DBC’s nog
een aantal overige trajecten en
verrichtingen declareren (waaronder de huidige
zogenoemde vaste verpleegtarieven
als "verkeerde bedden", "gezonde
moeders" en "gezonde zuigelingen";
klassenverpleging en intensive care) en
ondersteunende en overige producten
(bijvoorbeeld voor eerstelijnszorg). In
2006 wordt de kostencomponent van deze overige
trajecten en verrichtingen en van
ondersteunende en overige producten voor
75% als variabele kosten
aangemerkt. Dezelfde verhouding geldt voor
alle tarieven van instellingen op het
gebied van ziekenhuiszorg die nog niet per 1
januari 2006 DBC-gefinancierd
zijn. Enige uitzondering hierop zijn gedeclareerde verpleegtarieven van
instellingen die niet gefinancierd worden
door DBC’s (zoals bijvoorbeeld
klinische revalidatiecentra) die voor 60% als
variabele kosten van ziekenhuisverpleging
en kosten van specialistische hulp
worden aangemerkt en voor 40% als vaste
kosten van ziekenhuisverpleging
(zesde lid). Wat betreft de splitsing van
de kosten van buitenlandse instellingen geldt hetgeen is toegelicht bij artikel 3.7.
De renteheffingstarieven,
de tarieven die instellingen in
rekening mogen brengen bij zorgverzekeraars bovenop de reguliere tarieven in het
geval de zorgverzekeraar niet overgaat tot de
bevoorschotting van zorg gefinancierd op
basis van DBC’s, worden om de
prikkel tot bevoorschotting te
maximeren buiten de risicoverevening
gehouden. Het zevende lid benoemt expliciet dat
deze renteheffingstarieven niet meelopen bij de variabele kosten.
Ten slotte merkt het
College zorgverzekeringen de honorariumcomponent van onderhandelbare dan
wel niet-onderhandelbare DBC’s en de
honorariumcomponent van overige trajecten en verrichtingen en van ondersteunende en
overige producten,
alsmede eventuele overige declaraties van
vrijgevestigde specialisten, volledig
aan als variabele kosten van
ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp. Bij de overige declaraties van
vrijgevestigde specialisten kan
bijvoorbeeld gedacht worden aan declaraties van kaakchirurgen die nog geen
DBC’s
declareren (achtste lid).
Ter bepaling van het
herberekende deelbedrag variabele
kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp (ex post) wordt
eerst de hogekostencompensatie,
vervolgens een generieke verevening ter
grootte van 30% en ten slotte
nacalculatie ter grootte van 35% toegepast.
De genoemde verevenings-
en nacalculatiepercentages sluiten aan bij het in 2005 geldende
risicoregime met betrekking tot variabele kosten van
ziekenhuisverpleging en kosten van
specialistische hulp in de Zfw-verstrekkingenbudgettering. Hiernaast is nog sprake
van aanvullende nacalculatie
op grond van een bandbreedteregeling.
Op de achtergrond en de werking hiervan
wordt nader ingegaan bij de
toelichting op artikel 3.12.
Artikel 3.9
Het eerste lid van
artikel 3.9 regelt dat het deelbedrag vaste
kosten van ziekenhuisverpleging, wat betreft de overige vaste kosten per
zorgverzekeraar, wordt herberekend op basis van
de overige vaste kosten in 2006.
Het tweede tot en met
achtste lid gaat in op de vaststelling van
de vaste kosten, waarbij voor alle verschillende tariefsoorten het
percentage van de kosten dat als vaste kosten
wordt aangemerkt gelijk is aan 100% minus
het percentage van de kosten
dat als variabele kosten wordt aangemerkt
in de respectievelijke bijbehorende leden in
artikel 3.8.
Het negende lid geeft aan
dat de renteheffingstarieven niet meetellen bij de vaste kosten van ziekenhuisverpleging,
net als zij niet
meetellen bij de variabele kosten van
ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp.
Het College
zorgverzekeringen past op dit deelbedrag 95%
nacalculatie toe (tiende lid). Merk op dat
doordat er in 2006 sprake is van exacte
normering van zowel de kosten van de
academische component als van de overige vaste kosten, zorgverzekeraars
effectief geen risico lopen op het macrodeelbedrag vaste kosten van ziekenhuisverpleging. Het gaat hierbij om een
oplossing in de overgangssituatie,
doordat historische vaste kosten ontbreken
voor zorgverzekeraars die niet in 2005 onder de Zfw
vielen.
Artikel 3.10
Ter bepaling van het
herberekende deelbedrag kosten van overige
prestaties wordt de hogekostencompensatie in 2006 toegepast in de vorm
van HKV. Het College zorgverzekeringen past in 2006 geen generieke
verevening toe, noch is sprake van
nacalculatie op de resultaten, behoudens
nacalculatie op grond van de
bandbreedteregeling als bedoeld in artikel 3.12.
Artikel 3.11
Met betrekking tot het
deelbedrag variabele kosten van
ziekenhuisverpleging en kosten van
specialistische hulp en het deelbedrag overige
prestaties vindt een specifieke verevening
plaats van hoge kosten. Voor de toepassing is relevant de som van de kosten
behorend bij de twee bovengenoemde
deelbedragen.
De HKV houdt in dat
zorgverzekeraars 90% van de kosten van
individuele verzekerden, voor zover
deze kosten het bedrag van €|12 500,- op
jaarbasis te boven gaan, ten laste van
een pool kunnen brengen. Zorgverzekeraars
dienen daartoe na afloop van het
jaar 2006 de kostengegevens van alle
verzekerden met kosten die boven het
genoemde bedrag uitstijgen aan te
melden bij het College
zorgverzekeringen. Het College zorgverzekeringen kan
vervolgens de totale omvang van de pool
vaststellen.
Zorgverzekeraars splitsen
de poolinbreng voor iedere individuele
verzekerde op basis van de
verhouding van de kosten behorend bij de
twee deelbedragen zoals die zich bij de
desbetreffende verzekerde voordoet. Vervolgens wordt per zorgverzekeraar een
door het College zorgverzekeringen vast te
stellen percentage van de twee
deelbedragen variabele kosten van
ziekenhuisverpleging en kosten van
specialistische hulp en kosten van overige
prestaties ten gunste van de pool
gebracht. Bij deze berekeningswijze zijn in
totaal de ten laste en de ten gunste
van de pool te brengen bedragen per
deelbedrag aan elkaar gelijk. De aldus opgebouwde HKV vindt plaats door een
bijstelling per zorgverzekeraar van
de deelbedragen variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van
specialistische hulp en kosten van
overige prestaties, op basis van het saldo van
de per zorgverzekeraar per deelbedrag ten laste
en ten gunste van de pool gebrachte bedragen.
Artikel 3.12
Door een samenloop van
maatregelen is 2006 een jaar met een
relatief grote mate van onzekerheid voor
de zorgverzekeraars. Deze onzekerheden komen samen in het
risicovereveningssysteem. De kwaliteit van de data
die gebruikt worden voor de
risicoverevening is door de toevoeging van
privaatrechtelijke en publiekrechtelijke
particuliere verzekerden namelijk minder goed dan
de afgelopen jaren gebruikelijk was. Bovendien compliceert de overstap
op DBC-financiering de normering, omdat op
het moment van de vaststelling van de gewichten van de criteria
nog geen volledig beeld bestaat van de
gevolgen hiervan voor de
kostenneerslag over verzekerden.
Om deze onzekerheid
binnen acceptabele grenzen te houden, is - ook met het oog op de prikkels tot doelmatige zorginkoop bij zorgverzekeraars
- ervoor gekozen om naast de
algemeen geldende verevenings- en
nacalculatiepercentages - extra nacalculatie
toe te passen wanneer het uiteindelijke
resultaat (na toepassing van ex-postcompensatiemechanismen HKV, generieke verevening en nacalculatie) buiten
een bandbreedte van plus of minus €|35,-
per premieplichtige verzekerde valt. De
insteek van premieplichtige verzekerden - i.e. verzekerden van 18 jaar
of ouder
- is gekozen omdat eventuele winsten
en verliezen moeten worden gedragen
door de premieplichtigen. De
omvang van de bandbreedte is ontleend
aan de bandbreedte waarbinnen in de Zfw-verstrekkingenbudgettering resultaten van de grotere
zorgverzekeraars met meer dan 100 000
verzekerden (waarbij toevalsuitschieters niet
of nauwelijks een rol spelen) plachten
te vallen. Buiten de genoemde bandbreedte
geldt geen volledige compensatie,
maar wordt 90% nagecalculeerd, om nog in
enige mate een prikkel tot
kostenbeheersing te handhaven.
Artikel 3.13
Bij de definitieve
vaststelling van het normatieve bedrag van een
zorgverzekeraar wordt gebruik gemaakt van
informatie over onder andere de
inbreng per zorgverzekeraar in de
pool voor HKV. Deze informatie over de
HKV 2006 is pas in het voorjaar 2008
beschikbaar. Achtergrond van de late
beschikbaarheid van deze informatie is
dat DBC’s boekhoudkundig
verantwoord moeten worden op het moment van DBC-opening, terwijl deze pas bij
DBC-sluiting worden gedeclareerd. Dit impliceert dat - nog
los van eventuele declaratievertragingen - pas begin 2008 het kostenbeeld met
betrekking tot DBC’s bekend is. Door het later beschikbaar komen van
kosteninformatie treedt een jaar vertraging op in de
uiteindelijke vaststelling van het
normatieve bedrag.
Om zorgverzekeraars vóór
deze tijd al inzicht te bieden in hun
te verwachten bijdrage - en hieraan gekoppeld: financiële resultaat - over 2006,
is het College
zorgverzekeringen bevoegd
in het jaar volgend op het jaar
waarop het normatieve bedrag betrekking heeft
het normatieve bedrag van een
zorgverzekeraar voorlopig te herberekenen
en voorlopig vast te
stellen, zonder rekening te houden met HKV en
eventuele andere nog ontbrekende
gegevens. Bij deze voorlopige
afrekening kan uitgegaan worden van de jaarstaat 2006, die per 1 juli 2007
beschikbaar is. Verschil met (eventuele)
bijstellingen van de eerdere toekenning is dat in
deze voorlopige afrekening wel rekening
wordt gehouden met de effecten
van andere ex-postcompensatiemechanismen als generieke verevening en
nacalculatie.
Artikel 3.14
Verzekerden onder de 18
jaar zijn geen nominale premie
verschuldigd. Zorgverzekeraars hebben voor verzekerden onder de 18 jaar naast
zorgkosten ook beheerskosten
(administratie, zorginkoop), waarvoor ze uit het
Zorgverzekeringsfonds compensatie ontvangen. De vergoeding uit het
Zorgverzekeringsfonds is voor 2006 op €|50,-
per verzekerde onder de 18 jaar
vastgesteld. Dit bedrag is bepaald op
basis van historische gegevens over
beheerskosten in het kader van de Zfw, waarbij
is verdisconteerd dat niet-nominaalpremieplichtige verzekerden gemiddeld
lagere beheerskosten kennen dan wel-nominaalpremieplichtige verzekerden, omdat
voor hen gemiddeld minder
declaraties verwerkt hoeven worden.
Jonge verzekerden zijn immers gemiddeld
gezonder dan oudere verzekerden.
Artikel 3.15
Op basis van
artikel 22
van de Zvw hebben verzekerden met
zorgkosten lager dan een zeker bedrag
(voor 2006: €|255,-) recht op
no-claimteruggave. De te verwachten gemiddelde
no-claimteruggave die zorgverzekeraars
moeten betalen, is afhankelijk van hun
verzekerdenpopulatie. Zo zullen naar
verwachting zorgverzekeraars met een jonge, gezonde populatie gemiddeld vaker
en meer no-claimteruggave moeten betalen dan zorgverzekeraars met een
oude, ongezondere populatie. Op het moment
dat hiermee in de risicoverevening geen rekening zou worden
gehouden, treedt verstoring van het
gelijke speelveld op. Immers, in dat geval
zouden zorgverzekeraars met een jonge, gezonde
populatie een gemiddeld hogere nominale premie moeten vragen dan
zorgverzekeraars met een oude, ongezondere
populatie.
Deze overweging heeft
geleid tot differentiëring in de normering van de
vergoedingen die zorgverzekeraars aan
hun verzekerden betalen in
het kader van de no-claimregeling.
Differentiatie vindt plaats op grond van de
criteria leeftijd en geslacht, aard van het
inkomen en regio. Deze uitkering
komt in plaats van de geraamde gemiddelde no-claimteruggave waarmee anders - ingeval geen invulling was
gegeven aan artikel 3.17 van het
Besluit zorgverzekering - bij de vaststelling
van de bijdrage aan de zorgverzekeraar op basis van het normatieve bedrag en de
nominale premies was rekening gehouden.
FKG’s en DKG’s zijn bij deze
normering buiten beschouwing gelaten,
omdat deze - gegeven ook de
beperkte bandbreedte waarbinnen de
no-claimteruggave valt - slechts zeer beperkte
meerwaarde bleken te hebben in aanvulling op de andere criteria.
Bij de herberekening van
de bijdrage wordt rekening gehouden
met de gerealiseerde totale no-claimteruggave
over alle zorgverzekeraars.
Dit gebeurt door de oorspronkelijk
gehanteerde gewichten voor de normering van de no-claimteruggave aan te passen met een factor die de verhouding
weergeeft tussen de gerealiseerde (macro)no-claimteruggave en de oorspronkelijk geraamde
(macro)no-claimteruggave.
Artikel 3.16
In
artikel 32, vierde
lid, onderdeel d, van de Zvw is aangegeven
dat bij ministeriële regeling nader wordt geregeld hoe de bijdragen door het
College zorgverzekeringen worden betaald. In dit artikel is het uitgangspunt vastgelegd
dat het College
zorgverzekeringen bij de betaling van de bijdragen
aan zorgverzekeraars aansluit bij het
gemiddelde betaalpatroon van de
zorgverzekeraars. Het College zorgverzekeringen zal het betalingsschema nader
uitwerken in beleidsregels.
Artikel 3.17
Algemeen: basisgegevens
voor de uitvoering van de risicoverevening
Voor het bepalen van de
bijdragen uit het
Zorgverzekeringsfonds, bedoeld in de artikelen 32 tot en
met 34 van de Zvw, heeft het College
zorgverzekeringen specifieke informatie
nodig over de kenmerken van verzekerden. Het College zorgverzekeringen kan
deze gegevens vragen op grond van het
eerste lid van artikel 88 van de Zvw.
Voor het functioneren van het
vereveningssysteem in de Zvw worden door het
College zorgverzekeringen aan
zorgverzekeraars vergelijkbare gegevens
gevraagd als voorheen werden
gevraagd aan ziekenfondsen voor de uitvoering van de Zfw-verstrekkingenbudgettering.
De zorgverzekeraars leveren voornamelijk gegevens op geaggregeerd
niveau aan bij het College
zorgverzekeringen. Uitzonderingen hierop zijn de gegevens
die gehanteerd worden voor de
compensatie van chronische patiënten
(genoemd in het eerste lid),
compensatie op basis van het criterium aard van
het inkomen (tweede lid) en de
gegevens met betrekking tot geboortedatum,
geslacht, adres en aard van het inkomen
(derde lid). Voor de uitvoering van de
risicoverevening is het noodzakelijk dat
het College zorgverzekeringen over
deze verzekerdengegevens beschikt. Op het moment worden deze gegevens voor
de ex-antevaststelling van de normatieve bedragen 2006 op een zodanige
wijze opgevraagd en opgeslagen dat ze door
het College bescherming persoonsgegevens (CBP) beschouwd worden als
persoonsgegevens.
Zoals ook bij brief van 3
juni 2005 aan de voorzitter van de
Tweede Kamer der Staten-Generaal is aangegeven, is met het CBP afgesproken om na
te gaan waar en in hoeverre "privacy
enhancing technologies" in het
proces van de risicoverevening het door het CBP
gesignaleerde privacyrisico kan voorkomen. In het verlengde hiervan is
in de zomer van 2005 met het CBP een
eerste inventarisatie gemaakt van de
mogelijkheden van "versleutelingstechnieken"
om te voorkomen dat het College
zorgverzekeringen voor de uitvoering van de
risicoverevening persoonsgegevens
aanhoudt. Na adequate versleuteling
zou voor de risicoverevening geen
sprake meer zijn van gebruik van
persoonsgegevens in de zin van de Wet
bescherming persoonsgegevens. Daarbij geldt wel als
randvoorwaarde dat het College
zorgverzekeringen zijn werkzaamheden op een adequate manier moet
kunnen blijven uitvoeren.
Om de mogelijkheid van
koppeling van de verschillende
informatiestromen ook in de toekomst te waarborgen, is het nodig om bij de
verschillende leveranciers van gegevens aan het
College zorgverzekeringen op eenzelfde wijze te versleutelen.
Momenteel voert de Stichting
Informatievoorziening Zorg (IVZ) een inventarisatie
uit naar de mogelijkheden om de
gegevensstromen ten behoeve van de risicoverevening op technische wijze te
versleutelen. De verwachting is dat deze
inventarisatie uiterlijk eind oktober
2005 is afgerond, waarna nader overleg met CBP, College zorgverzekeringen en ZN
plaats zal vinden over de uitwerking van de
versleuteling.
Insteek hierbij is om
reeds in 2006 over te gaan tot
versleuteling van de verzekerdengegevens die
het College zorgverzekeringen
gebruikt voor de uitvoering van de risicoverevening
voor het jaar 2006 (wat betreft de ex-postvaststelling van de
normatieve bedragen) en verdere jaren, waarbij
de basis voor de versleuteling het
burgerservicenummer zal zijn. In bijlage 1 wordt een schematische schets
gegeven van de huidige situatie wat
betreft de ex-antetoekenning van de
normatieve bedragen en de beoogde
eindsituatie, met dan wel zonder versleuteling. Het
CBP heeft bij brief van 16 augustus
2005 aangegeven in te kunnen stemmen met
de in schema 3 van deze bijlage
geschetste beoogde structurele situatie,
onder voorwaarde dat het gebruik van
persoonsgegevens in een tijdelijke
overgangssituatie niet het schema voor de structurele situatie doorkruist.
De tijdelijke
overgangssituatie betreft de ex-antetoekenning van
de bijdragen ten behoeve van het jaar
|