|
Websites met informatie over zorgverzekering en zorgtoeslag:
- Informatie zorgtoeslag
- Zorgverzekering nieuws
- Zorgpremie nieuws
- AWBZ
informatie
BESLUIT
van 28 juni 2005, houdende vaststelling van een algemene maatregel van
bestuur als bedoeld in de artikelen 11, 20,
22, 32, 34
en 89 van de Zorgverzekeringswet
(Besluit zorgverzekering)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 22 april 2005, kenmerk
Z/VV-2577868;
Gelet op de artikelen
11, derde en vierde lid, 20, 22,
vijfde lid, 32, tweede en derde lid, 34,
derde lid, en 89, vijfde lid, van de Zorgverzekeringswet;
De Raad van State
gehoord (advies van 20 juni 2005, nr. W13.05.0153/III);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 27 juni 2005, kenmerk
Z/VV-2596179;
Hebben goedgevonden en verstaan:
HOOFDSTUK
1
Definities
en algemene bepalingen
Art. 1.
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. wet: de
Zorgverzekeringswet;
b. verblijf: verblijf
gedurende het etmaal;
c. eigen bijdrage: een
eigen bijdrage als bedoeld in artikel 11, derde lid,
van
de wet;
d.
geregistreerd geneesmiddel:
een geneesmiddel waarvoor een handelsvergunning of
parallelhandelsvergunning is verleend krachtens de
Geneesmiddelenwet dan wel krachtens de verordening, bedoeld in artikel
1, eerste lid, onderdeel fff, van die
wet;
e. in-vitrofertilisatiepoging: zorg
volgens de in-vitrofertilisatiemethode, inhoudende:
1º. het door hormonale behandeling
bevorderen van de rijping van eicellen in het lichaam van de vrouw;
2º. de follikelfunctie;
3º. de bevruchting van eicellen en het
kweken van embryo’s in het laboratorium;
4º. het één of meer keren implanteren
van één of twee embryo’s in de baarmoederholte teneinde zwangerschap
te doen ontstaan;
f. vereveningsbijdrage: de bijdrage,
bedoeld in paragraaf 4.2 van de
wet;
g. vereveningsjaar: het kalenderjaar
waarop een vereveningsbijdrage betrekking heeft;
h. cluster van prestaties: het
cluster "variabele kosten van medisch-specialistische zorg",
het cluster "vaste zorgkosten", het uit de clusters "geneeskundige
geestelijke gezondheidszorg voor verzekerden jonger dan 18 jaar" en
"geneeskundige geestelijke gezondheidszorg voor verzekerden van 18
jaar of ouder" bestaande cluster "geneeskundige geestelijke
gezondheidszorg" of het cluster "overige prestaties";
i. variabele
kosten van medisch-specialistische zorg: de variabele kosten van in het
kader van medisch-specialistische zorg verleend verblijf, verpleging en
verzorging, met uitzondering van verblijf gepaard gaande met zorg zoals
klinisch psychologen en psychiaters die plegen te bieden, alsmede de
kosten van geneeskundige zorg zoals medisch specialisten die plegen te
bieden, met uitzondering van zorg zoals klinisch psychologen en
psychiaters die plegen te bieden, dit alles voor zover deze kosten onder
de dekking van een zorgverzekering vallen en niet bij ministeriële
regeling is bepaald dat deze als tot een ander cluster behorende kosten
worden aangemerkt;
j. vaste zorgkosten: de vaste kosten
van in het kader van medisch-specialistische zorg verleend verblijf,
verpleging en verzorging, met uitzondering van verblijf gepaard gaande
met zorg zoals klinisch psychologen en psychiaters die plegen te bieden,
alsmede bij ministeriële regeling aan te wijzen kosten, dit alles voor
zover deze kosten onder de dekking van een zorgverzekering vallen;
k. kosten van geneeskundige
geestelijke gezondheidszorg: de in de kosten voor verzekerden jonger dan
18 jaar enerzijds en de kosten voor verzekerden van 18 jaar of ouder
anderzijds onder te verdelen kosten van geneeskundige zorg zoals
klinisch psychologen en psychiaters die plegen te bieden alsmede het
daarmee gepaard gaande verblijf, voor zover deze kosten onder de dekking
van een zorgverzekering vallen en niet bij ministeriële regeling is
bepaald dat deze als tot een ander cluster behorende kosten worden
aangemerkt;
l. kosten van overige prestaties: de
kosten van onder de dekking van een zorgverzekering vallende prestaties
die niet als tot een ander cluster behorende kosten worden aangemerkt;
m. macrodeelbedrag: een in de
ministeriële regeling, bedoeld in artikel 3.1, derde
lid, voor een cluster van prestaties genoemd bedrag dat ex ante over de
zorgverzekeraars wordt verdeeld;
n. deelbedrag: een bedrag dat een
zorgverzekeraar voor een cluster van prestaties ontvangt;
o. leeftijd en geslacht:
vereveningscriteria op grond waarvan verzekerden worden ingedeeld op
grond van hun leeftijd, hun geslacht of hun leeftijd en geslacht;
p. FKG’s: farmaceutische
kostengroepen, een vereveningscriterium op grond waarvan verzekerden
worden ingedeeld in klassen chronische aandoeningen op basis van
geneesmiddelengebruik in het verleden;
q. FKG’s psychische aandoeningen:
farmaceutische kostengroepen psychische aandoeningen, een
vereveningscriterium op grond waarvan verzekerden worden ingedeeld in
klassen chronische psychische aandoeningen op basis van
geneesmiddelengebruik in het verleden;
r. DKG’s: diagnose kostengroepen,
een vereveningscriterium op grond waarvan verzekerden worden ingedeeld
in kostenhomogene klassen met verschillende chronische aandoeningen die
geïdentificeerd zijn op grond van de uitgevoerde diagnose behandeling
combinaties;
s. aard van het inkomen: een
vereveningscriterium op grond waarvan verzekerden worden ingedeeld in
klassen op basis van de aard van hun inkomen;
t. SES: sociaaleconomische status,
een vereveningscriterium op grond waarvan verzekerden worden ingedeeld
in klassen op basis van het aantal personen op een adres, hun leeftijd
en het gemiddelde inkomen per adres;
u. eenpersoonsadres: een
vereveningscriterium op grond waarvan verzekerden worden ingedeeld in
een klasse "woont op een adres waarop één persoon is ingeschreven"
of in een klasse "woont niet op een adres waarop één persoon is
ingeschreven";
v. regio: een vereveningscriterium
op grond waarvan verzekerden op basis van de vier cijfers van de
postcode van hun woonadres worden ingedeeld in klassen, waarbij op
postcodeniveau rekening is gehouden met de verschillen met betrekking
tot zorgaanbod, sociaaleconomische omstandigheden en gezondheid;
w. GGZ-regio: een
vereveningscriterium op grond waarvan verzekerden op basis van de vier
cijfers van de postcode van hun woonadres worden ingedeeld in klassen,
waarbij op postcodeniveau rekening is gehouden met de verschillen met
betrekking tot GGZ-zorgaanbod, sociaaleconomische omstandigheden en
geestelijke gezondheid;
x. kosten van geneeskundige
geestelijke gezondheidszorg boven de lage drempel: kosten per verzekerde
van intramuraal en extramuraal gebruik van geneeskundige geestelijke
gezondheidszorg in het voorafgaande jaar die hoger zijn dan een bij
ministeriële regeling te bepalen bedrag;
y. kosten van geneeskundige
geestelijke gezondheidszorg boven de hoge drempel: kosten per verzekerde
van intramuraal en extramuraal gebruik van geneeskundige geestelijke
gezondheidszorg in het voorafgaande jaar die hoger zijn dan een bij
ministeriële regeling te bepalen bedrag; [Rz]
z. meerjarig hoge kosten: een
vereveningscriterium op grond waarvan verzekerden op basis van de kosten
van de zorg die zij in de drie jaren voorafgaande aan het
vereveningsjaar hebben genoten, worden ingedeeld in klassen van
voorspelbare zorgkosten;
aa. nominale rekenpremie: een bij de
berekening van de vereveningsbijdrage in aanmerking te nemen bedrag ter
hoogte van de door Onze Minister ¹ geraamde premie die een
zorgverzekeraar op jaarbasis bij een premieplichtige verzekerde voor
verzekerde prestaties in rekening brengt;
bb. geraamde kosten: de bij de
ministeriële regeling, bedoeld in artikel 3.1, derde
lid, bepaalde macrodeelbedragen, vermeerderd of verminderd met na
vaststelling van deze deelbedragen maar vóór 1 januari van het
vereveningsjaar geraamde, bij ministeriële regeling te bepalen kosten
die het gevolg zijn van wijzigingen in de over het vereveningsjaar op
grond van een zorgverzekering te verzekeren prestaties waarmee bij het
opstellen van de ministeriële regeling, bedoeld in artikel
3.1, derde lid, nog geen rekening kon worden gehouden;
cc. hogekostencompensatie: het
verrekenen met het Zorgverzekeringsfonds van een bij ministeriële
regeling te bepalen percentage van de kosten van verzekerden met
betrekking tot in dit besluit aangewezen deelbedragen, voor zover zij
uitgaan boven een bij ministeriële regeling te omschrijven drempel;
dd. nacalculatie: bijstelling van
het deelbedrag op basis van het verschil tussen gerealiseerde kosten en
het herberekende deelbedrag per zorgverzekeraar, per onderscheiden
cluster van prestaties;
ee. bandbreedte: een bedrag
waarboven en waaronder meer- of minderkosten kunnen worden
nagecalculeerd.
1. Volgens de redactie dient
"Onze Minister" te worden vervangen door: de minister.
HOOFDSTUK
2
De
inhoud van de zorgverzekering
§ 1.
De te verzekeren
prestaties
Art.
2.1.
[Rz]
-1. De zorg en overige diensten, bedoeld in
artikel 11, eerste lid, onderdeel a, van de wet, omvatten de vormen van
zorg of diensten die naar inhoud en omvang zijn omschreven in de
artikelen 2.4 tot en met 2.15.
-2. De inhoud en omvang van de vormen van
zorg of diensten worden mede bepaald door de stand van de wetenschap en
praktijk en, bij het ontbreken van een zodanige maatstaf, door hetgeen in
het betrokken vakgebied geldt als verantwoorde en adequate zorg en
diensten.
-3. Onverminderd hetgeen is bepaald in de
artikelen 2.4 tot en met 2.15 heeft de verzekerde op een vorm van zorg
of een dienst slechts recht voor zover hij daarop naar inhoud en omvang
redelijkerwijs is aangewezen.
-4. Onder de zorg en overige diensten,
bedoeld in het eerste lid, valt niet forensische zorg als bedoeld in
artikel 2 van het Interimbesluit forensische zorg.
-5. In afwijking van het tweede lid vallen
onder de zorg en overige diensten, bedoeld in artikel 2.4,
ook de zorg en diensten die bij ministeriële regeling zijn aangewezen
onder de daarbij geregelde voorwaarden en gedurende een daarbij aan te
geven termijn van maximaal vier jaar, voor zover er sprake is van
verantwoorde zorg en diensten.
Art.
2.2.
-1. De vergoeding van kosten, bedoeld in
artikel 11, eerste lid, onderdeel b, van de wet, omvat de kosten die de
verzekerde heeft gemaakt voor zorg of overige diensten zoals die naar
inhoud en omvang zijn omschreven in de artikelen 2.4 tot en met
2.15.
-2. Bij het bepalen van de vergoeding
worden in mindering gebracht:
a. hetgeen de verzekerde als eigen
bijdrage had moeten betalen indien hij krachtens de zorgverzekering
recht zou hebben op prestaties bestaande uit zorg of overige diensten;
b. de kosten die hoger zijn dan in
de Nederlandse marktomstandigheden in redelijkheid passend is te achten.
Art.
2.3.
-1.
Indien de behoefte aan zorg of een andere dienst het gevolg is van één
of meer terroristische handelingen en de totale schade die in een
kalenderjaar tengevolge van dergelijke handelingen bij schade-, levens-
of natura-uitvaartverzekeraars waarop de Wet op het financieel
toezicht van toepassing is, zal worden gedeclareerd, naar verwachting van de
Nederlandse Herverzekeringsmaatschappij voor Terrorismeschaden NV hoger
zal zijn dan het door die maatschappij herverzekerde maximumbedrag per
kalenderjaar, heeft de verzekerde slechts recht op prestaties tot een
door die maatschappij te bepalen, voor alle verzekeringen gelijk
percentage van de kosten of waarde van de zorg of overige diensten.
-2. Het eerste lid geldt slechts indien de
zorgverzekeraar waarbij de verzekerde zijn zorgverzekering heeft zijn
verplichtingen die in geval van terroristische handelingen uit de
zorgverzekering voortvloeien, heeft herverzekerd bij de Nederlandse
Herverzekeringsmaatschappij voor Terrorismeschaden NV.
-3. Indien na een terroristische handeling
op grond van artikel 33 van de wet
of artikel 3.23 van dit besluit een aanvullende
bijdrage ter beschikking wordt gesteld, heeft de verzekerde in
aanvulling op de prestaties, bedoeld in het eerste lid, recht op
prestaties van een bij de regeling, bedoeld in artikel
33 van de wet
of artikel 3.23 van dit besluit, te bepalen omvang.
Art.
2.4.
[Rz]
-1. Geneeskundige zorg omvat zorg zoals
huisartsen, medisch specialisten, klinisch psychologen en verloskundigen
die plegen te bieden, dyslexiezorg als bedoeld in artikel
2.5a, zorg bij stoppen-met-rokenprogramma als bedoeld in artikel
2.5b, geriatrische revalidatie als bedoeld in artikel
2.5c en paramedische zorg
als bedoeld in artikel 2.6, met dien verstande dat:
a. de zorg niet omvat:
1º. het vaccineren ten behoeve van
grieppreventie;
2º.
prenatale screening naar aangeboren afwijkingen, anders dan via een
structureel echoscopisch onderzoek in het tweede trimester van de
zwangerschap, indien de verzekerde jonger is dan 36 jaar en hiervoor
geen medische indicatie heeft;
3º.
de vierde of volgende
in-vitrofertilisatiepoging per te realiseren zwangerschap, nadat drie
pogingen zijn geëindigd tussen het moment dat een follikelpunctie is
geslaagd en het moment dat er sprake is van een doorgaande zwangerschap
van tien weken te rekenen vanaf het moment van de follikelpunctie en
indien de implantatie van gecryopreserveerde embryo’s niet heeft
geleid tot een doorgaande zwangerschap van negen weken en drie dagen te
rekenen vanaf de implantatie;
4º.
de eerste en tweede in-vitrofertilisatiepoging bij een verzekerde jonger
dan 38 jaar indien er meer dan één embryo wordt teruggeplaatst;
5º.
vruchtbaarheidsgerelateerde zorg indien de verzekerde vrouw 43 jaar of
ouder is, behoudens voor zover het een in-vitrofertilisatiepoging
betreft die reeds is aangevangen voordat de verzekerde vrouw de leeftijd
van 43 jaar heeft bereikt;
6º.
zorg zoals tandarts-specialisten plegen te bieden;
b. behandeling van
plastisch-chirurgische aard slechts onder de zorg valt indien die strekt
tot correctie van:
1º. afwijkingen in het uiterlijk die
gepaard gaan met aantoonbare lichamelijke functiestoornissen;
2º. verminkingen die het gevolg zijn van
een ziekte, ongeval of geneeskundige verrichting;
3º. verlamde of verslapte bovenoogleden
die het gevolg zijn van een aangeboren afwijking of een bij de geboorte
aanwezige chronische aandoening;
4º. de volgende aangeboren misvormingen:
lip-, kaak- en gehemeltespleten, misvormingen van het benig aangezicht,
goedaardige woekeringen van bloedvaten, lymfevaten of bindweefsel,
geboortevlekken of misvormingen van urineweg- en geslachtsorganen;
5º. primaire geslachtskenmerken bij een
vastgestelde transseksualiteit;
c. transplantaties
van weefsels en organen slechts tot de zorg behoren indien de
transplantatie is verricht in een lidstaat van de Europese Unie, in een
staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte of in een andere staat indien de donor woonachtig is
in die staat en de echtgenoot, de geregistreerde partner of een
bloedverwant in de eerste, tweede of derde graad van de verzekerde is;
d. de zorg ten hoogste
vijf zittingen eerstelijnspsychologische zorg per kalenderjaar omvat.
-2. Bij ministeriële regeling kunnen
vormen van zorg worden
uitgezonderd.
Art.
2.5.
De geneeskundige zorg, bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, onderdeel c,
omvat tevens vergoeding van de kosten van:
a. specialistisch geneeskundige zorg
in verband met de selectie van de donor;
b. specialistisch geneeskundige zorg
in verband met de operatieve verwijdering van het
transplantatiemateriaal bij de gekozen donor;
c. het onderzoek, de preservering,
de verwijdering en het vervoer van het postmortale
transplantatiemateriaal in verband met de voorgenomen transplantatie;
d. de zorg waarop ingevolge dit
hoofdstuk aanspraak bestaat aan de donor gedurende ten hoogste dertien
weken, dan wel een halfjaar in geval van een levertransplantatie, na de datum van ontslag uit de instelling waarin de donor ter
selectie of verwijdering van het transplantatiemateriaal opgenomen is
geweest, voor zover die zorg verband houdt met die opneming;
e. het vervoer van de donor in de
laagste klasse van een openbaar middel van vervoer binnen Nederland of,
indien medisch noodzakelijk, vervoer per auto binnen Nederland in
verband met de selectie, opneming en ontslag uit het ziekenhuis en met
de zorg, bedoeld in onderdeel d;
f. het vervoer van en naar Nederland van een in het buitenland woonachtige
donor in verband met
transplantatie van een nier, beenmerg of lever bij een verzekerde in Nederland
en overige kosten gemoeid met de transplantatie die verband houden met
het wonen van de donor in het buitenland, met uitzondering van de
verblijfskosten in Nederland en gederfde inkomsten.
Art.
2.5a.
-1. Dyslexiezorg omvat zorg in verband met
ernstige dyslexie aan kinderen van 7 jaar of ouder die basisonderwijs
volgen.
-2. In afwijking van het eerste lid behoort
dyslexiezorg niet tot de te verzekeren prestaties, indien deze zorg
aanvangt:
a. in 2009: op of na het bereiken
van de 9-jarige leeftijd;
b. in 2010: op of na het bereiken
van de 10-jarige leeftijd;
c. in 2011: op of na het bereiken
van de 11-jarige leeftijd;
d. in 2012: op of na het bereiken
van de 12-jarige leeftijd;
e. in 2013: op of na het bereiken
van de 13-jarige leeftijd.
Art.
2.5b.
-1. Zorg bij
stoppen-met-rokenprogramma omvat geneeskundige en farmacotherapeutische
interventies ter ondersteuning van gedragsverandering met als doel te
stoppen met roken.
-2. De zorg, bedoeld in het eerste lid,
omvat het één keer per kalenderjaar volgen van een programma.
Art.
2.5c.
-1. Geriatrische revalidatie omvat
integrale en multidisciplinaire revalidatiezorg zoals specialisten
ouderengeneeskunde die plegen te bieden in verband met kwetsbaarheid,
complexe multimorbiditeit en afgenomen leer- en trainbaarheid, gericht
op het dusdanig verminderen van de functionele beperkingen van de
verzekerde dat terugkeer naar de thuissituatie mogelijk is.
-2. De geriatrische revalidatie valt
slechts onder de zorg, bedoeld in het eerste lid, indien:
a. de zorg aansluit op verblijf als
bedoeld in artikel 2.10 in verband met geneeskundige
zorg zoals medisch specialisten die plegen te bieden, waarbij dat
verblijf niet vooraf is gegaan aan verblijf als bedoeld in artikel
9 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ
gepaard gaande met behandeling als bedoeld in artikel
8 van dat besluit in dezelfde
instelling; en
b. de zorg bij aanvang gepaard gaat
met verblijf als bedoeld in artikel 2.10.
-3. De duur van de geriatrische
revalidatie, bedoeld in het tweede lid, bedraagt maximaal zes maanden.
In bijzondere gevallen kan de zorgverzekeraar een langere periode
toestaan.
Art.
2.6.
-1. Paramedische zorg omvat fysiotherapie,
oefentherapie, logopedie, ergotherapie en dieetadvisering.
-2. Fysiotherapie of oefentherapie omvat
zorg zoals fysiotherapeuten en oefentherapeuten die plegen te bieden ter
behandeling van de in bijlage 1 aangegeven aandoeningen, voor zover de
daarbij aangegeven termijn niet is overschreden. Deze zorg omvat voor de
verzekerden van 18 jaar of ouder niet de eerste 20 behandelingen.
-3. Fysiotherapie omvat tevens
bekkenfysiotherapie in verband met urine-incontinentie. Deze zorg omvat
voor de verzekerden van 18 jaar of ouder ten hoogste negen
behandelingen.
-4. Voor verzekerden jonger dan 18 jaar bestaat fysiotherapie en oefentherapie in andere gevallen dan het
tweede lid tevens uit ten hoogste negen behandelingen van dezelfde
aandoening per kalenderjaar, bij ontoereikend resultaat te verlengen met ten
hoogste negen behandelingen.
-5. Logopedie omvat zorg zoals logopedisten
die plegen te bieden, mits de zorg een geneeskundig doel heeft en van de
behandeling herstel of verbetering van de spraakfunctie of het
spraakvermogen kan worden verwacht.
-6. Ergotherapie omvat zorg zoals
ergotherapeuten die plegen te bieden, mits deze als doel heeft de
zelfzorg en de zelfredzaamheid van de verzekerde te bevorderen en te
herstellen, tot een maximum van tien behandeluren per kalenderjaar.
-7. Dieetadvisering omvat voorlichting
met een medisch doel over voeding en eetgewoonten, zoals diëtisten die
plegen te bieden, tot een maximum van drie behandeluren per
kalenderjaar.
Art.
2.7. [Rz]
-1. Mondzorg omvat zorg zoals tandartsen
die plegen te bieden, met dien verstande dat het slechts betreft
tandheelkundige zorg die noodzakelijk is:
a. indien de verzekerde een zodanige
ernstige ontwikkelingsstoornis, groeistoornis of verworven afwijking van
het tand-kaak-mondstelsel heeft dat hij zonder die zorg geen
tandheelkundige functie kan behouden of verwerven gelijkwaardig aan die
welke hij zou hebben gehad als de aandoening zich niet zou hebben
voorgedaan;
b. indien de verzekerde een
niet-tandheelkundige lichamelijke of geestelijke aandoening heeft en hij
zonder die zorg geen tandheelkundige functie kan behouden of verwerven
gelijkwaardig aan die welke hij zou hebben gehad als de aandoening zich
niet had voorgedaan; of
c. indien een medische behandeling
zonder die zorg aantoonbaar onvoldoende resultaat zal hebben en de
verzekerde zonder die andere zorg geen tandheelkundige functie kan
behouden of verwerven gelijkwaardig aan die welke hij zou hebben gehad
als de aandoening zich niet had voorgedaan.
-2. Onder de zorg, bedoeld in het eerste
lid, onderdeel a, is tevens begrepen het aanbrengen van een
tandheelkundig implantaat en het aanbrengen van het vaste gedeelte van
de suprastructuur, indien er sprake is van een zeer ernstig geslonken
tandeloze kaak en deze dienen ter bevestiging van een uitneembare
prothese;
-3. Orthodontische hulp is slechts onder de
zorg, bedoeld in het eerste lid, begrepen in geval van een zeer ernstige
ontwikkelings- of groeistoornis van het tand-kaak-mondstelsel, waarbij
medediagnostiek of medebehandeling van andere disciplines dan de
tandheelkundige noodzakelijk is.
-4. Mondzorg omvat voor verzekerden jonger
dan 18 jaar in andere gevallen dan het eerste lid, onderdeel a
tot en met c:
a. periodiek preventief
tandheelkundig onderzoek eenmaal per jaar, tenzij de verzekerde
tandheelkundig meer keren per jaar op die hulp is aangewezen;
b. incidenteel tandheelkundig
consult;
c. het verwijderen van tandsteen;
d. fluorideapplicatie maximaal tweemaal per jaar,
tenzij de verzekerde tandheelkundig meer keren per jaar op die hulp is
aangewezen;
e. sealing;
f. parodontale hulp;
g. anesthesie;
h. endodontische hulp;
i. restauratie van gebitselementen
met plastische materialen;
j. gnathologische hulp;
k. uitneembare prothetische
voorzieningen;
l. tandvervangende hulp met
niet-plastische materialen alsmede het aanbrengen van tandheelkundige
implantaten, indien het de vervanging van één of meer ontbrekende,
blijvende snij- of hoektanden betreft die niet zijn aangelegd, dan wel
omdat het ontbreken van die tand of die tanden het directe gevolg is van
een ongeval;
m. chirurgische tandheelkundige
hulp, met uitzondering van het aanbrengen van tandheelkundige implantaten;
n. röntgenonderzoek, met
uitzondering van röntgenonderzoek ten behoeve van orthodontische hulp.
-5. Mondzorg omvat voor verzekerden van 18 jaar
of ouder in andere gevallen dan het eerste lid, onderdeel
a tot en met c:
a. chirurgische tandheelkundige hulp
van specialistische aard en het daarbij behorende röntgenonderzoek, met
uitzondering van parodontale chirurgie, het aanbrengen van een
tandheelkundig implantaat en ongecompliceerde extracties;
b. uitneembare volledige
prothetische voorzieningen voor de boven- of onderkaak.
Art.
2.8. [Rz]
-1. Farmaceutische
zorg omvat terhandstelling van of advies en begeleiding zoals apothekers
die plegen te bieden ten behoeve van medicatiebeoordeling en verantwoord
gebruik van: [Rz]
a. de bij ministeriële regeling
aangewezen geregistreerde geneesmiddelen voor zover deze zijn aangewezen
door de zorgverzekeraar;
b. mits het rationele
farmacotherapie betreft, geneesmiddelen als bedoeld in:
1º. artikel 40, derde lid, onderdeel a,
van de
Geneesmiddelenwet;
2º. artikel 40, derde lid, onderdeel c,
van de
Geneesmiddelenwet, die op verzoek van een arts als bedoeld in die
bepaling, in Nederland zijn bereid door een fabrikant als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onderdeel mm, van die
wet; of
3º. artikel 40, derde lid, onderdeel c,
van de
Geneesmiddelenwet, die in de handel zijn in een andere lidstaat
of in een derde land en op verzoek van een arts als bedoeld in die
bepaling, binnen het grondgebied van Nederland worden gebracht en
bestemd zijn voor een patiënt van hem die aan een ziekte lijdt die in
Nederland niet vaker voorkomt dan bij 1 op de 150 000 inwoners;
c. polymere, oligomere, monomere en
modulaire dieetpreparaten.
-2. Farmaceutische zorg omvat geen:
a. farmaceutische zorg in bij
ministeriële regeling aangegeven gevallen;
b. geneesmiddelen in geval van
ziekterisico bij reizen;
c. geneesmiddelen voor onderzoek als
bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel b, van de
Geneesmiddelenwet;
d. geneesmiddelen die gelijkwaardig
of nagenoeg gelijkwaardig zijn aan enig niet aangewezen, geregistreerd
geneesmiddel;
e. geneesmiddelen als bedoeld in
artikel 40, derde lid, onderdeel e, van de
Geneesmiddelenwet.
-3. De aanwijzing door de zorgverzekeraar
geschiedt zodanig dat van alle werkzame stoffen die voorkomen in de bij
ministeriële regeling aangewezen geneesmiddelen ten minste één
geneesmiddel voor de verzekerde beschikbaar is.
-4. Farmaceutische zorg omvat ook een ander
bij ministeriële regeling aangewezen geneesmiddel dan het door de
zorgverzekeraar aangewezen geneesmiddel, voor zover behandeling met het
door de zorgverzekeraar aangewezen geneesmiddel voor de verzekerde
medisch niet verantwoord is.
-5. Bij de ministeriële regeling, bedoeld
in het eerste lid, onderdeel a, worden de aangewezen geneesmiddelen
zoveel mogelijk ingedeeld in groepen van onderling vervangbare
geneesmiddelen. In die ministeriële regeling wordt tevens de
aanvraagprocedure voor de aanwijzing geregeld, worden regels gesteld met
betrekking tot de systematiek van de indeling in groepen van onderling
vervangbare geneesmiddelen en worden regels gesteld met betrekking tot
de vaststelling van een vergoedingslimiet voor elke groep van onderling
vervangbare geneesmiddelen.
-6. In afwijking van het vijfde lid kan
bij ministeriële regeling worden bepaald dat voor bij die regeling
aangewezen groepen van onderling vervangbare geneesmiddelen de
vergoedinglimiet kan worden herberekend of buiten werking kan worden
gesteld.
Art.
2.9. [Rz]
-1. Hulpmiddelenzorg omvat bij
ministeriële regeling aangewezen, functionerende hulpmiddelen en
verbandmiddelen, waarbij kan worden geregeld:
a. in welke gevallen de verzekerde
recht heeft op die zorg;
b. vergoeding van bij die regeling
aangewezen kosten in verband met thuisdialyse.
-2. De kosten van normaal gebruik van
hulpmiddelen komen, tenzij bij ministeriële regeling anders is bepaald,
voor rekening van de verzekerde.
Art.
2.10. [Rz]
-1. Verblijf omvat verblijf gedurende een
ononderbroken periode van ten hoogste 365 dagen dat medisch
noodzakelijk is in verband met de geneeskundige zorg, bedoeld in artikel
2.4, of in verband met chirurgische tandheelkundige hulp van
specialistische aard als bedoeld in artikel 2.7, al dan niet gepaard gaande met verpleging, verzorging of
paramedische zorg.
-2. Een onderbreking van ten hoogste dertig
dagen wordt niet als onderbreking beschouwd, maar deze dagen tellen niet
mee voor de berekening van de 365 dagen.
-3. In afwijking van het tweede lid tellen
onderbrekingen wegens weekend- en vakantieverlof mee voor de berekening
van de 365 dagen.
Art.
2.11.
-1. Naast de in artikel 2.10 bedoelde verpleging omvat verpleging tevens
zorg zoals verpleegkundigen die plegen te bieden, zonder dat die zorg
gepaard gaat met verblijf, en die noodzakelijk is in verband met medisch-specialistische zorg.
-2. De zorg, bedoeld in het eerste lid,
omvat niet verpleging die noodzakelijk is in verband met thuisbeademing
of die noodzakelijk is in verband met palliatieve terminale zorg.
Art.
2.12. [Rz]
Naast de in artikel 2.10 bedoelde
verzorging omdat ¹ verzorging tevens zorg zoals kraamverzorgenden die
plegen te bieden aan moeder en kind in verband met een bevalling,
gedurende ten hoogste tien dagen, te rekenen vanaf de dag van bevalling.
1. Volgens de redactie
dient "omdat" te worden vervangen door: omvat.
Art.
2.13.
-1. Vervoer omvat ziekenvervoer per
motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b,
van de Tijdelijke
wet ambulancezorg, van de verzekerde over een afstand van maximaal 200
kilometer:
a. naar een persoon bij wie of een
instelling waarin hij zorg zal ontvangen waarvan de kosten geheel of
gedeeltelijk ten laste van de zorgverzekering komen;
b. naar een instelling waarin hij
geheel of gedeeltelijk ten laste van de bijzondere
ziektekostenverzekering als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten zal gaan verblijven;
c. vanuit een instelling, bedoeld in
onderdeel b, naar:
1º. een persoon bij wie of een instelling
waarin hij geheel of gedeeltelijk ten laste van de bijzondere
ziektekostenverzekering een onderzoek of een behandeling zal ondergaan;
2º. een persoon of instelling voor het
aanmeten en passen van een prothese die geheel of gedeeltelijk ten laste
van de bijzondere ziektekostenverzekering wordt verstrekt;
d. naar zijn woning of een andere
woning, indien hij in zijn woning redelijkerwijs niet de nodige
verzorging kan krijgen, indien hij komt van één van de personen of
instellingen, bedoeld in de onderdelen a, b of c.
-2. Indien de zorgverzekeraar een
verzekerde toestemming geeft zich te wenden tot een bepaalde persoon of
instelling, geldt de beperking van 200 kilometer niet.
Art.
2.14. [Rz]
-1. Het vervoer omvat tevens ziekenvervoer
per auto, anders dan per motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, eerste
lid, onderdeel b, van de Tijdelijke
wet ambulancezorg, dan wel uit vervoer in de laagste klasse
van een openbaar middel van vervoer van en naar een persoon, instelling
of woning als bedoeld in artikel 2.13, eerste lid, over een enkele
reisafstand van maximaal 200 kilometer, voor zover:
a. de verzekerde nierdialyses moet
ondergaan;
b. de verzekerde oncologische
behandelingen met chemotherapie of radiotherapie moet ondergaan;
c. de verzekerde zich uitsluitend
met een rolstoel kan verplaatsen;
d. het gezichtsvermogen van de
verzekerde zodanig is beperkt dat hij zich niet zonder begeleiding kan
verplaatsen.
-2. Indien het vervoer, bedoeld in het
eerste lid, vervoer met een particuliere auto betreft, bedraagt de
vergoeding een bij ministeriële regeling te bepalen bedrag per
kilometer.
-3. In afwijking van het eerste lid,
onderdeel a tot en met d, omvat vervoer ook vervoer in andere
gevallen
indien de verzekerde in verband met de behandeling van een langdurige
ziekte of aandoening langdurig is aangewezen op vervoer en het niet
verstrekken of vergoeden van dat vervoer voor de verzekerde zal leiden
tot een onbillijkheid van overwegende aard.
-4. Indien de zorgverzekeraar een
verzekerde toestemming ¹ zich te wenden tot een bepaalde persoon of
instelling, geldt de beperking van 200 kilometer niet.
1. Volgens de redactie
dient na "toestemming" te worden ingevoegd: geeft.
Art.
2.15.
-1. De zorgverzekeraar kan toestaan dat
het ziekenvervoer plaatsvindt met een ander door de zorgverzekeraar aan
te geven vervoermiddel dan een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onderdeel b, van de Tijdelijke
wet ambulancezorg,
auto of openbaar middel van vervoer.
-2. Het ziekenvervoer omvat tevens vervoer
van een begeleider indien begeleiding noodzakelijk is of indien het
betreft begeleiding van kinderen beneden 16 jaar. In bijzondere
gevallen kan de zorgverzekeraar vervoer van twee begeleiders toestaan.
§
1A. De eigen bijdragen
Art.
2.16.
De verzekerde betaalt voor
eerstelijnspsychologische zorg een eigen bijdrage per zitting of per
internetbehandeltraject.
Art.
2.16a.
De verzekerde van 18 jaar of ouder betaalt een eigen bijdrage voor
mondzorg, bedoeld in artikel 2.7, eerste en vijfde
lid, onderdeel b.
Art.
2.16b.
-1. De verzekerde betaalt een eigen
bijdrage voor een geneesmiddel als bedoeld in artikel 2.8,
eerste lid, dat is ingedeeld in een groep van onderling vervangbare
geneesmiddelen, indien de inkoopprijs hoger is dan de vergoedingslimiet.
Een eigen bijdrage wordt ook betaald voor zover een geneesmiddel is
bereid uit een geneesmiddel waarvoor een eigen bijdrage is verschuldigd.
-2. Bij ministeriële regeling wordt
geregeld hoe de eigen bijdrage wordt berekend.
Art.
2.16c.
De verzekerde betaalt voor een bij ministeriële regeling aan te wijzen
hulpmiddel als bedoeld in artikel 2.9, een eigen
bijdrage ter grootte van:
a. een daarbij vermeld bedrag wegens
besparing van kosten;
b. het verschil tussen de
aanschaffingskosten en het bij dat hulpmiddel vermelde bedrag, dat kan
verschillen naargelang de groep van verzekerden waartoe de verzekerde
behoort; of
c. een bij die regeling te bepalen
percentage van de kosten van het hulpmiddel.
Art.
2.16d.
-1. De verzekerde betaalt voor verzorging
als bedoeld in artikel 2.12, een eigen bijdrage per
uur indien het betreft verzorging ten huize van de verzekerde.
-2. De verzekerde en haar kind betalen
ieder voor verzorging als bedoeld in artikel 2.12
die verleend wordt in een instelling zonder dat verblijf in de
instelling medisch noodzakelijk is, een eigen bijdrage per dag,
vermeerderd met een bij ministeriële regeling te bepalen bedrag waarmee
het tarief van de instelling per dag te boven gaat.
Art.
2.16e.
-1. De verzekerde is voor ziekenvervoer,
anders dan per motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel b, van de Tijdelijke
wet ambulancezorg, een eigen
bijdrage per kalenderjaar verschuldigd.
-2. Bij ministeriële regeling kan worden
bepaald in welke situaties de eigen bijdrage niet van toepassing is.
Art.
2.16f.
Bij ministeriële regeling wordt de hoogte van de eigen bijdragen,
bedoeld in de artikelen 2.16, 2.16a
en 2.16c tot en met 2.16e,
vastgesteld.
§ 2.
Het eigen risico
Art.
2.17.
-1. Kosten van het gebruik van zorg en
overige diensten die buiten het verplicht eigen risico vallen, betreffen
kosten van:
a. verloskundige zorg en kraamzorg;
b. zorg zoals huisartsen die plegen
te bieden;
c. zorg die wordt bekostigd met
toepassing van de op grond van de Wet
marktordening gezondheidszorg vastgestelde beleidsregel voor de
prestatiebekostiging multidisciplinaire zorgverlening chronische
aandoeningen; en
d. nacontroles van de donor nadat de
periode, bedoeld in artikel 2.5, onderdeel d,
is verstreken.
-2. De zorgverzekeraar kan bepalen dat
kosten van het gebruik van zorg en overige diensten als bedoeld in artikel
11 van de wet
geheel of gedeeltelijk buiten het
verplicht eigen risico vallen, indien:
a. de verzekerde zich wendt tot een
door de zorgverzekeraar aangewezen zorgaanbieder; of
b. de verzekerde een door de
zorgverzekeraar aangewezen programma heeft gevolgd met betrekking tot
diabetes, depressie, hart- en vaatziekten, chronisch obstructief
longlijden, overgewicht of stoppen met roken en de kosten betrekking hebben op de
aandoening waarvoor de verzekerde dat programma heeft gevolgd; of
c. de verzekerde gebruik maakt van
een door de zorgverzekeraar aangewezen geneesmiddel of hulpmiddel.
-3. De dag, bedoeld in artikel
19, vierde
lid, van de wet, is 31 december.
-4. In afwijking van het derde lid is de
zorgverzekeraar gerechtigd het verplicht eigen risico in rekening te
brengen indien het aan de verzekerde te wijten is dat de rekening niet vóór de in het
derde lid genoemde dag is ingediend.
Art.
2.18.
-1. De kosten van inschrijving bij een
huisarts of bij een instelling die huisartsenzorg verleent, vallen
buiten het vrijwillig eigen risico.
-2. Onder kosten van inschrijving worden
verstaan:
a. een bedrag ter zake van de
inschrijving als patiënt, tot ten hoogste het tarief dat op grond van
de Wet
marktordening gezondheidszorg als beschikbaarheidstarief is
vastgesteld;
b. vergoedingen die samenhangen met
de wijze waarop de geneeskundige zorg in de praktijk van de huisarts of
in de instelling wordt verleend, met de kenmerken van het
patiëntenbestand of met de locatie van de praktijk of de instelling,
voor zover deze vergoedingen tussen de zorgverzekeraar van de verzekerde
en zijn huisarts of instelling zijn overeengekomen en de huisarts of
instelling deze vergoedingen krachtens eerderbedoelde overeenkomst bij
de inschrijving van een verzekerde in rekening mag brengen.
Art.
2.19.
Het percentage, bedoeld in artikel 21,
eerste lid, van de wet, bedraagt 100.
HOOFDSTUK
3
Zorgverzekeraars
§
1. De vereveningsbijdrage
§
1.1. De onderverdeling van het macroprestatiebedrag in
macrodeelbedragen, de totale geraamde opbrengst van de nominale
rekenpremie en de totale geraamde opbrengst van het verplicht eigen
risico
Art.
3.1.
-1. Het macroprestatiebedrag is de som van
de volgende macrodeelbedragen:
a. het macrodeelbedrag variabele
kosten van medisch-specialistische zorg;
b. het macrodeelbedrag vaste
zorgkosten;
c. het macrodeelbedrag kosten van
geneeskundige geestelijke gezondheidszorg;
d. het macrodeelbedrag kosten van
overige prestaties.
-2. Tot het macroprestatiebedrag of de
macrodeelbedragen behoren niet de kosten van zorg of andere verzekerde
diensten die noodzakelijk zijn geworden ten gevolge van een
terroristische handeling.
-3. De hoogte van het macroprestatiebedrag
en van de macrodeelbedragen voor een vereveningsjaar worden jaarlijks vóór 1
oktober van het daaraan voorafgaande jaar bij ministeriële regeling
bepaald. [Rz]
Art.
3.2.
-1. De hoogte van de totale opbrengst van
de nominale rekenpremie voor een vereveningsjaar wordt jaarlijks vóór 1 oktober
van het daaraan voorafgaande jaar bij ministeriële regeling geraamd. [Rz]
-2. De hoogte van de totale opbrengst van
het verplicht eigen risico voor een vereveningsjaar wordt jaarlijks vóór 1
oktober van het daaraan voorafgaande jaar bij ministeriële regeling
geraamd. [Rz]
§
1.2. De verdeling van de macrodeelbedragen en de berekening van
het normatieve bedrag ten behoeve van de toekenning van de
vereveningsbijdrage (ex ante) aan een zorgverzekeraar
Art.
3.3.
Het College zorgverzekeringen verdeelt de in
artikel 3.1 genoemde macrodeelbedragen op de bij en
krachtens de artikelen 3.4 tot en met 3.8
bepaalde wijze in deelbedragen.
Art.
3.4.
-1. Het College
zorgverzekeringen verdeelt het
macrodeelbedrag variabele kosten van medisch-specialistische zorg over
de zorgverzekeraars aan de hand van de verzekerdenaantallen per
zorgverzekeraar, verdeeld naar leeftijd en geslacht, FKG’s, DKG’s,
aard van het inkomen, SES, meerjarig hoge kosten en regio.
-2. Onze Minister
kent aan alle klassen van de genoemde criteria gewichten toe.
-3. De klassen, bedoeld in het eerste lid,
en de gewichten, bedoeld in het tweede lid, worden jaarlijks bij
ministeriële regeling bepaald. [Rz]
Art.
3.5.
-1. Het College zorgverzekeringen verdeelt het
macrodeelbedrag vaste zorgkosten over de
zorgverzekeraars aan de hand van verzekerdenaantallen en van historische
gegevens per zorgverzekeraar.
-2. De historische gegevens, bedoeld in het
eerste lid, worden jaarlijks bij ministeriële regeling bepaald. [Rz]
Art.
3.6.
-1. Het College
zorgverzekeringen verdeelt het
macrodeelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg
over de zorgverzekeraars aan de hand van de verzekerdenaantallen per
zorgverzekeraar, verdeeld naar leeftijd en geslacht, FKG’s psychische
aandoeningen, aard van het inkomen, SES, eenpersoonsadres, GGZ-regio,
leeftijd onder 18 jaar, kosten van geneeskundige geestelijke
gezondheidszorg boven de lage drempel en kosten van geneeskundige
geestelijke gezondheidszorg boven de hoge drempel.
-2. Onze Minister
kent aan alle klassen van de genoemde criteria gewichten toe.
-3. De klassen, bedoeld in het eerste lid,
en de gewichten, bedoeld in het tweede lid, worden jaarlijks bij
ministeriële regeling bepaald. [Rz]
Art.
3.7.
-1. Het College
zorgverzekeringen verdeelt het macrodeelbedrag kosten van overige
prestaties over de zorgverzekeraars aan de hand van de
verzekerdenaantallen per zorgverzekeraar, verdeeld naar leeftijd en
geslacht, FKG’s, DKG’s, aard van het inkomen, SES, meerjarig hoge
kosten en regio.
-2. Onze Minister
kent aan alle klassen van de genoemde criteria gewichten toe.
-3. De klassen, bedoeld in het eerste lid,
en de gewichten, bedoeld in het tweede lid, worden jaarlijks bij
ministeriële regeling bepaald. [Rz]
Art.
3.8.
In afwijking van de artikelen 3.4, 3.6
en 3.7 worden verzekerden die in het buitenland
wonen, ingedeeld in de klassen "geen FKG", "geen FKG
psychische aandoeningen", respectievelijk "DKG "0"" en worden de bij deze klasse behorende
gewichten voor deze verzekerden op bij ministeriële regeling bepaalde
wijze door het College
zorgverzekeringen vastgesteld.
Art.
3.9.
Het College zorgverzekeringen sommeert de
ingevolge de artikelen 3.3 tot en met 3.8 aan een
zorgverzekeraar toegerekende deelbedragen tot één normatief bedrag per
zorgverzekeraar.
Art.
3.10.
-1. Het College
zorgverzekeringen brengt vervolgens op het normatieve bedrag,
bedoeld in artikel 3.9, in mindering de voor de
zorgverzekeraar geraamde opbrengst van de nominale rekenpremie en de
voor de zorgverzekeraar geraamde opbrengst van het verplicht eigen
risico.
-2. De raming van de opbrengst van de
nominale rekenpremie en van het verplicht eigen risico vindt plaats op
een bij ministeriële regeling te bepalen wijze. [Rz]
-3. Het College zorgverzekeringen kent aan
de zorgverzekeraar een vereveningsbijdrage toe ter hoogte van de
uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste lid.
-4. Het College zorgverzekeringen deelt aan
de zorgverzekeraar het berekende normatieve bedrag, bedoeld in artikel
3.9, en de toegekende vereveningsbijdrage, bedoeld in het derde lid,
mee en geeft hierbij aan welke bedragen, bedoeld in het eerste lid, bij
de toekenning van de vereveningsbijdrage zijn betrokken.
§
1.3. De herberekening van het normatieve bedrag ten behoeve van de
vaststelling van de vereveningsbijdrage (ex post) aan een
zorgverzekeraar
Art.
3.11.
-1. Na
het vereveningsjaar herberekent het College
zorgverzekeringen de
deelbedragen, bedoeld in de artikelen 3.4, 3.6
en 3.7,
op de bij en krachtens dit artikel en de artikelen 3.12
tot en met 3.17 bepaalde wijze.
-2. Met inachtneming van het bepaalde bij
en krachtens de artikelen 3.13, 3.14
en 3.15, eerste lid, bepaalt het College
zorgverzekeringen de over het vereveningsjaar gerealiseerde kosten per
cluster van prestaties voor alle zorgverzekeraars tezamen.
-3. Tot de gerealiseerde kosten behoren
niet kosten waarvoor bijdragen als bedoeld in artikel
3.23 zijn verstrekt.
-4. Het College zorgverzekeringen
corrigeert de geraamde kosten per cluster van prestaties voor het
werkelijke aantal verzekerden in het vereveningsjaar en hun werkelijke
verzekerdenkenmerken.
-5. Met inachtneming van bij ministeriële
regeling te bepalen regels herberekent het College zorgverzekeringen,
uitgaande van de door alle zorgverzekeraars tezamen gerealiseerde kosten
voor het desbetreffende cluster van prestaties, de gewichten, bedoeld in
de artikelen 3.4, 3.6, 3.7
en 3.8, door deze te
vermenigvuldigen met een factor die gelijk is aan het quotiënt van de
gerealiseerde kosten, bedoeld in het tweede lid, en de gecorrigeerde
geraamde kosten, bedoeld in het vierde lid. [Rz]
-6. Bij ministeriële regeling wordt
bepaald in welke mate een verzekerde die niet gedurende het gehele
vereveningsjaar bij een zorgverzekeraar verzekerd is of die gedurende
het vereveningsjaar bij meerdere zorgverzekeraars tegelijk verzekerd is,
voor de vaststelling van de vereveningsbijdrage meetelt. [Rz]
Art.
3.12.
-1. Ten behoeve van de herberekening,
bedoeld in artikel 3.11, eerste lid, berekent het College zorgverzekeringen
allereerst de deelbedragen, bedoeld
in de artikelen 3.4 tot en met 3.7, uitgaande van:
a. de werkelijke
verzekerdenaantallen en de werkelijke verzekerdenkenmerken per
zorgverzekeraar;
b. de herberekende gewichten,
bedoeld in artikel 3.11, vijfde lid.
-2. Het College zorgverzekeringen
vermindert ieder op grond van het eerste lid voor een zorgverzekeraar
berekend deelbedrag met een bedrag dat het als volgt berekent:
a. het College zorgverzekeringen
berekent het verschil tussen de gerealiseerde kosten, bedoeld in artikel
3.11, tweede lid, en de gecorrigeerde geraamde kosten, bedoeld in artikel
3.11, vierde lid, voor het met het deelbedrag overeenkomende cluster
van prestaties;
b. het College zorgverzekeringen
deelt de onder a verkregen uitkomst door het totaal aantal in het
vereveningsjaar ingeschreven verzekerden van 18 jaar of ouder waarop artikel
24 van de wet niet van toepassing is;
c. het College zorgverzekeringen
vermenigvuldigt voor iedere zorgverzekeraar de onder b verkregen
uitkomst met het aantal in het vereveningsjaar bij die verzekeraar
ingeschreven verzekerden van 18 jaar of ouder waarop artikel
24 van de wet niet van toepassing is.
-3. Indien in andere artikelen of
artikelleden van dit hoofdstuk de clausule "het herberekende
deelbedrag" voor een in die artikelen of artikelleden genoemd
cluster van prestaties wordt gebruikt, wordt daarmee bedoeld het op
grond van het eerste en tweede lid voor het desbetreffende cluster van
prestaties berekende bedrag.
Art.
3.13.
Voor zover deze onder een zorgverzekering worden gedekt, deelt het College
zorgverzekeringen bij
ministeriële regeling te bepalen soorten kosten van zorg en overige
diensten die niet zonder meer aan een bepaalde kostencategorie kunnen
worden toegedeeld, overeenkomstig een bij die regeling te bepalen
verdeelsleutel toe aan de variabele kosten van medisch-specialistische
zorg, de vaste zorgkosten, de
kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg of de kosten van
overige prestaties. [Rz]
Art.
3.14.
Het College
zorgverzekeringen merkt voor een bij ministeriële regeling te
bepalen gedeelte van de verschillende geldende tarieven binnen de kosten
van medisch-specialistische zorg, kosten aan als variabele kosten van
medisch-specialistische zorg. [Rz]
Art.
3.15.
-1. Het College
zorgverzekeringen merkt voor een bij ministeriële regeling te
bepalen gedeelte van de verschillende geldende tarieven binnen de kosten
van medisch-specialistische zorg, kosten aan als vaste zorgkosten. [Rz]
-2. Het College zorgverzekeringen
calculeert in een bij ministeriële regeling te bepalen mate na op het
verschil tussen de vaste zorgkosten in het
betreffende jaar enerzijds en het op grond van artikel
3.12 herberekende deelbedrag vaste zorgkosten anderzijds, leidende tot een nieuw deelbedrag per zorgverzekeraar. [Rz]
Art.
3.16.
-1. Bij ministeriële regeling kan worden
bepaald dat het College zorgverzekeringen op
het op grond van artikel 3.12 herberekende
deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg op een
bij die regeling te bepalen wijze hogekostencompensatie toepast. [Rz]
-2. Het College zorgverzekeringen
calculeert in een bij ministeriële regeling te bepalen mate na op het
verschil tussen de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg
enerzijds en het op grond van artikel 3.12
herberekende deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke
gezondheidszorg dan wel, indien het eerste lid is toegepast, het
resultaat na de daar bedoelde hogekostencompensatie anderzijds. [Rz]
-3. Het resultaat van toepassing van het
tweede lid leidt tot een nieuw, in een deelbedrag voor verzekerden jonger dan
18 jaar enerzijds en een deelbedrag voor verzekerden van 18 jaar of
ouder anderzijds te onderscheiden, deelbedrag per zorgverzekeraar.
Art.
3.17. [Rz]
-1.
Indien voor een zorgverzekeraar het verschil tussen enerzijds het
ingevolge artikel 3.12 herberekende deelbedrag voor
het cluster "variabele kosten van medisch-specialistische zorg"
en anderzijds de gerealiseerde kosten voor het cluster "variabele
kosten van medisch-specialistische zorg", gedeeld door het aantal
bij hem ingeschreven verzekerden van 18 jaar of ouder waarop artikel
24 van de wet
niet van toepassing is, meer dan een bij ministeriële regeling te
bepalen bedrag afwijkt van het gemiddelde marktresultaat van de
zorgverzekeraars voor dit cluster, calculeert het College
zorgverzekeringen de buiten de bedoelde bandbreedte liggende meer-
of minderkosten voor een bij die regeling te bepalen percentage na.
-2. Indien voor een zorgverzekeraar het
verschil tussen het deelbedrag, bedoeld in artikel 3.16,
derde lid, voor verzekerden van 18 jaar of ouder en de gerealiseerde
kosten voor het cluster "geneeskundige geestelijke gezondheidszorg
voor verzekerden van 18 jaar of ouder", gedeeld door het aantal bij
hem ingeschreven verzekerden van 18 jaar of ouder waarop artikel
24 van de wet niet van toepassing is, meer
dan een bij ministeriële regeling te bepalen bedrag afwijkt van het
gemiddelde marktresultaat van de zorgverzekeraars voor het cluster
"geneeskundige geestelijke gezondheidszorg voor verzekerden van 18
jaar of ouder", calculeert het College zorgverzekeringen de buiten
de bedoelde bandbreedte liggende meer- of minderkosten voor een bij die
regeling te bepalen percentage na.
Art.
3.18.
Het College zorgverzekeringen sommeert de
ingevolge artikel 3.12 herberekende deelbedragen
voor de clusters "variabele kosten van medisch-specialistische zorg" en "overige prestaties", de op
grond van de artikelen 3.15 en 3.16
berekende nieuwe deelbedragen en, voor zover van toepassing, de op grond
van artikel 3.17 berekende bedragen, tot één
normatief bedrag per zorgverzekeraar.
Art.
3.19.
-1. Het College
zorgverzekeringen brengt vervolgens op het normatieve bedrag,
bedoeld in artikel 3.18, in mindering de voor de
zorgverzekeraar naar gerealiseerde verzekerdenaantallen berekende
opbrengst van de nominale rekenpremie en de voor de zorgverzekeraar naar
gerealiseerde verzekerdenaantallen genormeerde opbrengst van het
verplicht eigen risico.
-2. De berekening van de naar gerealiseerde
verzekerdenaantallen berekende opbrengst van de nominale rekenpremie en
van de naar gerealiseerde verzekerdenaantallen genormeerde opbrengst van
het verplicht eigen risico vindt plaats op een bij ministeriële
regeling te bepalen wijze. [Rz]
-3. Het College zorgverzekeringen stelt de
vereveningsbijdrage vast op de uitkomst van de berekening, bedoeld in
het eerste lid.
-4. Het College zorgverzekeringen deelt aan
de zorgverzekeraar het normatieve bedrag, bedoeld in artikel
3.18, en de vastgestelde vereveningsbijdrage, bedoeld in het derde
lid, mee en geeft hierbij aan welke bedragen, bedoeld in het eerste lid,
bij de vaststelling van de vereveningsbijdrage zijn betrokken.
§
1.4. Nadere bepalingen met betrekking tot paragraaf 1.3
Art.
3.20.
-1. Het College
zorgverzekeringen kan het normatieve bedrag, bedoeld in artikel
3.18, en de vereveningsbijdrage, bedoeld in artikel
3.19, ten behoeve van een zorgverzekeraar voorlopig vaststellen.
-2. Het College zorgverzekeringen kan bij
een voorlopige vaststelling als bedoeld in het eerste lid de
hogekostencompensatie, bedoeld in artikel 3.16, of
de nacalculatie, bedoeld in de artikelen 3.15, 3.16
of 3.17, achterwege laten.
-3. Artikel 3.19,
vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Art.
3.21.
-1. Waar het College
zorgverzekeringen bij de berekening van het normatieve bedrag,
bedoeld in artikel 3.9 of 3.18,
ten behoeve van een zorgverzekeraar gebruik maakt van historische
gegevens, kan hij, indien die gegevens niet beschikbaar zijn, uitgaan
van een andere basis die een goede benadering geeft van de ontbrekende
historische gegevens.
-2. Indien het toepassen van historische
gegevens tot onredelijke en niet-beoogde uitkomsten leidt, is het
College zorgverzekeringen bevoegd om uit te gaan van een alternatieve
basis.
§
1.5. Aanvullingen op de vereveningsbijdrage aan een
zorgverzekeraar
Art.
3.22.
-1. In aanvulling op de
vereveningsbijdrage, bedoeld in de artikelen 3.10 en
3.19, verstrekt het College
zorgverzekeringen een uitkering in verband met uitvoeringskosten voor
verzekerden jonger dan 18 jaar.
-2. De uitkering is gelijk aan een
jaarlijks bij ministeriële regeling te bepalen bedrag, vermenigvuldigd
met het aantal verzekerden jonger dan 18 jaar op 1 juli van het jaar
waarop de vereveningsbijdrage betrekking heeft. [Rz]
Art.
3.23.
-1. In aanvulling op de
vereveningsbijdrage, bedoeld in de artikelen 3.10 en
3.19, kan het College
zorgverzekeringen een bijdrage verstrekken in verband met een
substantieel verschil tussen kosten en deelbedrag per
verzekeraar dat rechtstreeks verband houdt met hogere kosten van
verzekerden als gevolg van een zeer uitzonderlijke omstandigheid.
-2. Ingevolge het eerste lid worden geen
bijdragen verstrekt dan nadat bij ministeriële regeling is
vastgesteld dat sprake is van een ramp die niet opgevangen kan
worden binnen de reguliere wijze van vaststelling van de
vereveningsbijdrage aan zorgverzekeraars. [Rz]
-3. Bij ministeriële regeling wordt de
wijze waarop het College zorgverzekeringen de bijdrage, bedoeld in het
eerste lid, vaststelt, geregeld. [Rz]
Art.
3.24. Vervallen.
HOOFDSTUK
3A
De
compensatie voor het verplicht eigen risico
Art.
3a.1. [Rz]
-1. Verzekerden hebben recht op de uitkering, bedoeld in artikel
118a, eerste lid, van de
wet, indien zij:
a. in de twee opeenvolgende jaren
voorafgaande aan het jaar waarop de uitkering betrekking heeft, voldoen
aan bij ministeriële regeling gestelde voorwaarden met betrekking tot
aan hen ter hand gestelde, in die regeling aan te wijzen geneesmiddelen; of
b. in het jaar dat drie jaren
voorafgaat en in het jaar dat twee jaren voorafgaat aan het jaar waarop de uitkering betrekking heeft, zijn
ingedeeld in bij ministeriële regeling aangewezen DKG’s; of
c. op 1 juli van het jaar waarop de
uitkering betrekking heeft, zonder onderbreking meer dan een halfjaar in
een AWBZ-instelling verblijven.
-2. Gewezen personen als bedoeld in artikel
2, tweede lid, onderdeel a, van de
wet hebben eveneens recht op een uitkering als bedoeld in het eerste
lid indien zij in de twee opeenvolgende jaren voorafgaande aan het jaar
waarop de uitkering betrekking dient te hebben zorg hebben ontvangen ten
laste van een ziektekostenregeling voor militairen die overeenkomt met
de zorg waarop het eerste lid, onderdeel a of b,
betrekking heeft.
-3. Een verzekerde wordt voor wat betreft
de geneeskundige zorg, bedoeld in artikel 10
van de
wet, die hij in een andere lidstaat van de Europese Unie heeft
ontvangen, ingedeeld in de DKG met de chronische aandoening die te
identificeren is op grond van uitgevoerde diagnose behandeling
combinaties die naar aard en strekking met die geneeskundige zorg
overeenkomen.
-4. Voor de toepassing van dit artikel en
de daarop berustende bepalingen wordt met een lidstaat van de Europese
Unie gelijkgesteld een andere staat die partij is bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte.
Art.
3a.2.
-1. Onze Minister
geeft het College
zorgverzekeringen voorafgaande
aan ieder kalenderjaar een aanwijzing over de voor dat jaar ten laste
van het Zorgverzekeringsfonds komende beheerskosten, bedoeld in artikel
39, derde lid, onderdeel f, van de
wet.
-2. Met inachtneming van het eerste lid
stelt het College zorgverzekeringen jaarlijks het budget voor de
beheerskosten, bedoeld in het eerste lid, vast.
-3. Het College zorgverzekeringen bepaalt
de wijze van betaalbaarstelling van het budget.
Art.
3a.3.
-1. Het CAK neemt in zijn jaarrekening op:
a. de omvang van de
egalisatiereserve voor de uitvoering van de compensatieregeling voor het
verplicht eigen risico, met dien verstande dat de totale
egalisatiereserve maximaal 5% van het totale beheerskostenbudget van het
betreffende jaar bedraagt;
b. het verschil tussen het budget en
de realisatie, dat ten laste of ten bate komt van de egalisatiereserve.
-2. Het College
zorgverzekeringen stelt
jaarlijks aan de hand van het financieel jaarverslag van het CAK vast of
de reserve het gestelde maximum te boven gaat. Indien dit het geval is,
stort het CAK het door het College zorgverzekeringen vastgestelde bedrag
van de overschrijding binnen vier weken in het Zorgverzekeringsfonds.
Art.
3a.4.
Indien het CAK op een naar het
oordeel van de zorgautoriteit onverantwoorde wijze op zijn beheerskosten
bespaart, wordt het budget, bedoeld in artikel 3a.2,
voor het desbetreffende kalenderjaar door het College
zorgverzekeringen verlaagd met het door de zorgautoriteit
aangegeven bedrag van die besparing.
HOOFDSTUK
3B
Aanwijzing
van vormen van zorg die niet medisch noodzakelijk zijn voor bepaalde
groepen vreemdelingen
Art.
3b.1.
Als vormen van zorg als bedoeld in artikel 122a,
tweede lid, van de
wet worden aangewezen:
a. genderbehandelingen;
b.
in-vitrofertilisatiebehandelingen.
HOOFDSTUK
4
Slotbepalingen
Art. 4.1.
Bij de inwerkingtreding van de
wet kunnen voor een zorgverzekeraar die
als nieuwe rechtspersoon de wet uitvoert de gegevens van zijn
rechtsvoorganger worden aangemerkt als historische gegevens.
Art. 4.2.
De rijksbelastingdienst verstrekt aan de zorgverzekeraar op een verzoek
als bedoeld in artikel 89, eerste lid, van de
wet, het persoonsgegeven
dat een persoon als niet-ingezetene aan de loonbelasting is onderworpen
ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid dan wel
als niet-ingezetene aan de inkomstenbelasting is onderworpen ter zake
van in Nederland verrichte beroepswerkzaamheden anders dan in
dienstbetrekking.
Art. 4.3.
Vervallen.
Art. 4.4.
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit zorgverzekering.
Lasten en bevelen dat dit
besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad
zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 28 juni
2005
BEATRIX
De Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
J.F. Hoogervorst
Uitgegeven de tweede
augustus 2005
De Minister van Justitie a.i.,
M.C.F. Verdonk
BIJLAGE
1
behorende bij
artikel 2.6, tweede lid
1. De aandoeningen, bedoeld
in artikel 2.6, tweede lid, betreffen:
a. één van de volgende
aandoeningen van het zenuwstelsel:
1º. cerebrovasculair
accident;
2º. ruggenmergaandoening;
3º. multipele sclerose;
4º. perifere
zenuwaandoening indien sprake is van motorische uitval;
5º. extrapiramidale aandoening;
6º. motorische
retardatie of een ontwikkelingsstoornis van het zenuwstelsel en hij
jonger is dan 17 jaar;
7º. aangeboren afwijking
van het centraal zenuwstelsel;
8º. cerebellaire aandoening;
9º. uitvalsverschijnselen als gevolg van een tumor in de hersenen of
het ruggenmerg dan wel als gevolg van hersenletsel;
10º. radiculair syndroom met motorische uitval;
11º. spierziekte;
12º. myasthenia gravis;
b. of één van de volgende
aandoeningen van het bewegingsapparaat:
1º. aangeboren
afwijking;
2º. progressieve
scoliose;
3º. juveniele
osteochondrose en hij jonger is dan 22 jaar;
4º. reflexdystrofie;
5º. vervallen;
6º. fractuur als gevolg
van morbus Kahler, botmetastase of morbus Paget;
7º. frozen shoulder (capsulitis adhaesiva);
8º. vervallen;
9°. vervallen;
10º. vervallen;
11º. vervallen;
12º. vervallen;
13º. hyperostotische
spondylose (morbus Forestier);
14º. collageenziekten;
15º. status na
amputatie;
16º. whiplash;
17º. postpartum
bekkeninstabiliteit;
18º. fracturen indien
deze conservatief worden behandeld;
c. vervallen;
d. of één van de volgende
aandoeningen:
1º. chronic obstructive pulmonary disease indien sprake is van stadium
II of hoger van de GOLD Classificatie voor COPD;
2º. aangeboren afwijking
van de tractus respiratorius;
3º. lymfoedeem;
4º. littekenweefsel van
de huid al dan niet na een trauma;
5º. status na opname in
een ziekenhuis, een verpleeginrichting of een instelling voor
revalidatie dan wel na dagbehandeling in een instelling voor revalidatie en de
hulp dient ter bespoediging van het herstel na ontslag naar huis of de
beëindiging van de dagbehandeling;
6º. claudicatio
intermittens (vasculair) graad 2 of 3 Fontaine;
7º. wekedelentumoren;
8º. diffuse
interstitiële longaandoening indien sprake is van ventilatoire beperking of
diffusiestoornis.
2. Indien het een
aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 10,
of onderdeel b, subonderdeel 17, is de duur van behandeling maximaal drie
maanden.
3. Indien het een
aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 18, is de
duur van behandeling maximaal zes maanden na conservatieve
behandeling.
4. Indien het een
aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 7,
of onderdeel d, subonderdeel 6, is de duur van behandeling maximaal twaalf maanden.
5. Indien het een aandoening
betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 5, is
de duur van de behandeling maximaal twaalf maanden in aansluiting op
ontslag naar huis of beëindiging van de behandeling in de instelling,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 5.
6. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel b, subonderdeel 16, is de duur van de behandeling maximaal
drie maanden. Indien hierna nog sprake is van de trias bewegingsverlies,
conditieverlies en cognitieve stoornissen, kan deze periode verlengd
worden met maximaal zes maanden.
7. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel d, subonderdeel 7, is de duur van behandeling maximaal twee
jaren na bestraling.
NOTA
VAN TOELICHTING
[28 juni 2005]
Algemeen
In dit besluit zijn
nadere regels gesteld ter uitvoering van de Zorgverzekeringswet
(Zvw). De regering heeft ervoor gekozen om alleen datgene te regelen wat
voor de uitvoering van de Zvw noodzakelijk is, en niet meer dan dat. Dit is
in overeenstemming met de in de Zvw neergelegde gedachtegang dat voor
zover regelgeving wordt getroffen, deze noodzakelijk en
proportioneel dient te zijn. Voorts is besloten om in het kader van terugdringing
van regelgeving alle nadere regelgeving voor de Zvw in één besluit en
in één ministeriële regeling neer te leggen. Een uitzondering hierop vormt
de kring van verzekerden van de Zvw. Degenen die van rechtswege
verzekerd zijn ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en de
daarop gebaseerde regelgeving, zijn verplicht zich krachtens een
zorgverzekering te verzekeren of te laten verzekeren. Dit betekent dat de kring
van verzekeringsplichtigen nader is geregeld in het Besluit
uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999. Wijzigingen in de
kring verzekerden AWBZ hebben dus gevolgen voor de kring van
verzekeringsplichtigen Zvw.
De opbouw van dit besluit
is overeenkomstig de opbouw van de Zvw.
In hoofdstuk 1 zijn de
definitiebepalingen opgenomen. In hoofdstuk 2 zijn de aanspraken van verzekerden, te weten het te verzekeren pakket en de
no-claimteruggave,
geregeld en in hoofdstuk 3 is de werking van de vereveningsregeling
neergelegd. Een aantal van de in de Zvw neergelegde mogelijkheden tot nadere
regelgeving zal eerst worden ingevuld wanneer gebleken is dat
daaraan behoefte bestaat. Eén en ander betekent dat de inhoud van de
nadere regelgeving, mede door de beperkte omvang ervan, aanzienlijk overzichtelijker en transparanter is geworden ten
opzichte van de situatie
onder de Ziekenfondswet.
Hoofdstuk 2. Rechten van
verzekerden
§ 1. De te verzekeren
prestaties
In deze paragraaf zijn
ter uitvoering van artikel 11 van de Zvw de inhoud en omvang van de
prestaties waarop de verzekerde krachtens de zorgverzekering recht heeft nader geregeld. Tevens is in deze paragraaf geregeld voor welke
vormen van zorg en voor welke diensten een deel van de kosten voor rekening van de verzekerde komt. Een ontwerp van dit
besluit was als bijlage
bij de nota naar aanleiding van het verslag aan de Tweede Kamer gevoegd
(Kamerstukken II 2004-2005, 29 763, nr.
7). In
verband met het aangenomen amendement-Omtzigt (Kamerstukken II 2004-2005, 29 763, nr.
40) is hoofdstuk 2
van dit ontwerp gewijzigd. Met dit amendement is artikel 11 van de
Zvw dusdanig gewijzigd dat nadere regeling van de inhoud en omvang van de
prestaties zoveel mogelijk bij algemene maatregel van bestuur
(AMvB) dient plaats te vinden. Aan die opdracht is uitvoering gegeven.
In de memorie van toelichting bij de Zvw
(Kamerstukken II 2003-2004, 29 763, nr. 3) is aangegeven dat de regering het van belang
acht dat de directe overheidsregulering van het zorgaanbod vermindert.
Binnen de door de wetgever geformuleerde kaders, zo is verwoord,
krijgen de betrokken actoren meer keuzemogelijkheden, beleids- en
beslissingsruimte én meer concurrentieprikkels. Eén van de instrumenten
om daartoe te komen, is de zogenoemde
functiegerichte omschrijving van de zorg die onder het verzekeringspakket valt.
De functiegerichte omschrijving houdt in dat alleen nog maar bij
wettelijk voorschrift geregeld is wat er onder de aanspraken valt (de
inhoud en omvang van de zorg) en wanneer (de indicatiegebieden) er
aanspraak bestaat. Wie de zorg verleent en waar die wordt verleend, is in het
gekozen functiegerichte systeem een verantwoordelijkheid van de zorgverzekeraar
om
daarover afspraken te maken met de verzekerde in de
zorgovereenkomst. Dit geldt ook voor de procedurele voorwaarden, zoals toestemmingsvereisten, verwijzingen en voorschrijfvereisten.
De functiegerichte
omschrijving biedt ruimte aan verzekerden, zorgverzekeraars en
zorgaanbieders om het verzekeringspakket naar eigen keuze in te vullen binnen
de door de wetgever gestelde grenzen. Daarmee wordt tegemoet gekomen
aan de wens van de verzekerden, zorgverzekeraars en
zorgaanbieders om niet alles in starre centrale regelgeving vast te
leggen, maar het pakket op eigen wijze te mogen concretiseren. Dit biedt
de mogelijkheid om zorgpolissen op maat aan te bieden.
Anders dan bij de Ziekenfondswet regelt de
Zvw dus niet alle elementen meer die voor
de verzekerde relevant zijn om te weten waar hij uit hoofde van zijn
zorgverzekeringsovereenkomst aanspraak op heeft. Alle elementen die
daarvoor relevant zijn, leest hij in zijn zorgpolis. Het gaat daarbij immers om
uitwerking van zowel de wettelijke voorschriften als de overeengekomen
voorschriften. De zorgpolis omschrijft de zorg waarop aanspraak bestaat,
dan wel bij restitutie welke zorg wordt vergoed, op
voorzieningsgerichte wijze zoals voorheen de Ziekenfondswet dat deed. Uitgangspunt is
dat in de zorgpolis staat vermeld welke zorg door wie wordt verleend,
waar deze wordt verleend en welke voorwaarden gelden, wil
op deze zorg aanspraak bestaan, dan wel willen de kosten worden vergoed.
Het is verder van belang
dat in de zorgpolis wordt beschreven aan welke hoedanigheid,
bekwaamheid of geschiktheid een zorgverlenende persoon of instelling
moet voldoen, wil diens zorg voor rekening van de zorgverzekering komen. In
de memorie van toelichting bij de Zvw is ingegaan op de kwaliteit
van zorg en hoe de verantwoordelijkheden wat dat betreft liggen. Ook
de mogelijkheid die de Zvw de zorgverzekeraar biedt om zich wat betreft
de kwaliteit van zorg te onderscheiden van andere zorgverzekeraars
zijn daar beschreven.
Doordat de
zorgverzekeraar en de verzekerden overeenkomen door wie en waar de zorg wordt
verleend, kan voorts zorg gedragen worden dat de verzekerde de zorg in de
voor hem noodzakelijke samenhang krijgt. Een voorbeeld is de zorg in
verband met een herseninfarct. Hierbij vindt samenwerking plaats
tussen allerlei beroepsbeoefenaren op het terrein van logopedie,
fysiotherapie en geneeskundige zorg. Een ander voorbeeld is de multidisciplinaire
samenwerking bij revalidatie. Het ontwikkelen van diagnose-behandelingcombinaties
(DBC’s) die op die samenwerking zijn afgestemd, versterken dit
proces van samenwerking.
Het functiegerichte
systeem houdt in dat de zorgverzekeraar in zijn zorgpolis vormgeeft aan
de poortwachtersfunctie van de huisarts. Die poortwachtersfunctie
wordt dus door de functiegerichte omschrijving van de aanspraken niet
opgeheven. Integendeel, de huisarts als centraal persoon in de gezondheidszorg is in Nederland dusdanig ingeburgerd dat
deze daar niet meer weg
te denken is. Het belang van de huisarts in de eerstelijnsgezondheidszorg
in Nederland is door de Tweede Kamer benadrukt door
aanvaarding van het amendement-Van der Vlies en Smilde (Kamerstukken II
2004-2005, 29 763, nr. 44). Met dat
amendement is in artikel 10, eerste lid, van de
Zvw
geregeld dat de
geneeskundige zorg in ieder geval integrale eerstelijnszorg omvat zoals die door huisartsen en verloskundigen pleegt
te geschieden.
Daarnaast geldt dat de
nieuwe structuur van de avond-, nacht- en weekenddiensten, de
taakherschikking binnen de gezondheidszorg en andere ontwikkelingen
met zich brengen dat de zorg zoals de huisartsen die plegen te bieden lang
niet meer uitsluitend door de huisartsen wordt verleend.
Praktijkverpleegkundigen, doktersassistenten, bedrijfsartsen, GGD-artsen zijn taken
gaan overnemen. Daarnaast zijn er de nieuwe beroepsgroepen, de nurse
practitioner en de physician assistant, die taken op dit gebied gaan
verrichten. Door voorwaarden als wie mag verwijzen en wie mag voorschrijven
niet meer bij wettelijk voorschrift te regelen, kan het veld flexibel op
de nieuwe ontwikkelingen inspelen en kunnen de voorwaarden flexibel in
de zorgpolis worden aangepast.
Uitgangspunt bij dit
hoofdstuk is het ziekenfondspakket zoals dat op het moment van
inwerkingtreding van dit besluit naar aard, inhoud en omvang is vastgesteld.
Dit pakket is gericht op de op genezing gerichte zorg en is getoetst aan
de uitgangspunten zoals in de memorie van toelichting bij de Zvw
zijn beschreven. Behalve de zorg van het ziekenfondspakket omvat de zorg zoals die
in dit hoofdstuk is omschreven ook de geneeskundige
geestelijke gezondheidszorg (geneeskundige ggz). Het kabinet heeft op 8 april
2005 besloten deze zorg in 2006 nog onder de AWBZ
te laten vallen (brief van 13 april
2005, Z/M-2574170). Op
dit punt treedt dit besluit derhalve pas op 1 januari 2007 in
werking. De niet-geneeskundige ggz, ook indien deze gepaard gaat met
verblijf, en de geneeskundige intramurale ggz na het eerste jaar blijven ook
per 1 januari 2007 onderdeel uitmaken van de AWBZ.
Van de geneeskundige ggz
maakt ook eerstelijnspsychologische zorg deel uit. De
eerstelijnspsychologische zorg viel al in het ziekenfondspakket voor zover deze werd
verleend in het kader van de huisartsenzorg. Met de aanvaarde motie-Buijs is
de regering opgedragen de eerstelijnspsycholoog als hulpverlener in het basispakket op te
nemen (Kamerstukken II 2001-2002, 27855, nr. 12). Doordat op
grond van de Zvw niet
meer geregeld wordt wie de zorg verleent, kan deze zorg ook door andere
beroepsbeoefenaren worden verleend en is aan deze motie voldaan.
Het voordeel is dat op deze wijze een verlichting van de werkdruk van de
huisarts en van de tweedelijns-ggz wordt bereikt. Omdat er een
zorginhoudelijke en financiële grens is aan eerstelijnspsychologische zorg die
als onderdeel
van de geneeskundige zorg ten laste van de
zorgverzekering moet komen, is het aantal zittingen per jaar gemaximeerd tot acht en
geldt hiervoor een eigen bijdrage. Aangezien de geneeskundige ggz pas per
1 januari 2007 uit de AWBZ wordt verwijderd, treedt ook de verruiming
met betrekking tot de eerstelijnspsychologische zorg (dat wil zeggen dat
andere personen dan de huisarts deze zorg voor rekening van de
zorgverzekering mogen verlenen, voor zover door de zorgverzekeraar
aangewezen) in werking met ingang van 1 januari 2007.
Voorts is de
in-vitrofertilisatiebehandeling voor zover die op grond van de Ziekenfondswet
werd
gesubsidieerd thans onder de aanspraken geregeld. In artikel 68
van de Zvw is, anders dan bij de Ziekenfondswet, het doel van subsidies
beperkt tot één doel, namelijk het moet gaan om een tijdelijke subsidie
voor zorg of andere diensten ten aanzien waarvan het voornemen bestaat
deze te doen opnemen in de te verzekeren prestaties.
In-vitrofertilisatiebehandeling is allang het experimentele stadium voorbij,
zodat er
geen reden is om de subsidie langer voort te zetten. Bovendien moet
het uitvoeren van bij ministeriële regeling te regelen subsidies door
particuliere verzekeraars tot het minimum beperkt worden. Door het regelen
van in-vitrofertilisatiebehandeling als aanspraak is uitvoering gegeven aan
de uitkomsten van de doorlichting premiesubsidies zoals die aan de Tweede
Kamer zijn meegedeeld (Kamerstukken II, 29
214, nrs. 1 en 9) en zijn aangekondigd in de Rijksbegroting
Volksgezondheid, Welzijn en Sport 2004 (Kamerstukken II 2003-2004, 29 200, hoofdstuk
XVI, nr.
2).
Door het functiegericht
omschrijven van de zorg waarop de Zvw van toepassing is, is
paragraaf 3.3.1 van de Regeling subsidies AWBZ en Ziekenfondswet overbodig
geworden. Een soortgelijke regeling zal dan ook niet op grond van de
Zvw getroffen worden.
Paragraaf 3.3.1,
getiteld: Initiatiefruimte ziekenfondsverzekering, maakte het mogelijk dat
ziekenfondsen 5% van de samengestelde deelbudgetten "variabele kosten
ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische zorg" en "kosten van
overige verstrekkingen en vergoedingen" konden inzetten voor zorgvernieuwingsactiviteiten op het terrein van
ziekenfondszorg. Daarbij
mocht het niet gaan om van het ziekenfondspakket uitgesloten zorg. Op
grond van deze paragraaf organiseerden ziekenfondsen binnen de gegeven ruimte de zorg op een wijze die de
verstrekkingenomschrijvingen
van de Ziekenfondswet niet mogelijk maakten. Deze
mogelijkheid hebben zorgverzekeraars wel op grond van de Zvw.
§ 2. De
no-claimteruggave
Paragraaf 2 van dit
hoofdstuk [paragraaf 3 van dit hoofdstuk, red.] heeft betrekking op de no-claimteruggave. Een
no-claimteruggaveregeling is in 2005 in de Ziekenfondswet
ingevoerd [zie Wet van 23 december 2004, Stb.
2004, 725, red.]. Met de
invoering van een gelijke regeling in de Zvw heeft de no-claimteruggave met
ingang van 1 januari 2006 ook betrekking op die personen die voorheen
particulier tegen ziektekosten verzekerd waren en op die personen die
voorheen onder de publiekrechtelijke ziektekostenregelingen vielen. De nadere regels
in dit besluit komen in hoofdzaak overeen met de regels zoals die bij de ziekenfondsverzekering golden.
Hoofdstuk 3.
Risicoverevening
Waarom risicoverevening
Private verzekeraars zijn
in de Zvw verantwoordelijk voor de uitvoering van de zorgverzekering,
gegeven de door overheid gestelde randvoorwaarden van een betaalbare,
toegankelijke gezondheidszorg van voldoende kwaliteit. In
een volledig vrije zorgverzekeringsmarkt met keuzevrijheid voor de
verzekerden en voldoende transparantie hebben verzekeraars
verschillende instrumenten om hun opereren te optimaliseren: risicoselectie,
premiestelling, doelmatige (zorg)inkoop, efficiënte bedrijfsvoering. Een
belangrijk uitgangspunt is dat de verzekeraars aan de verzekerden premies in
rekening kunnen brengen die samenhangen met het risico dat die
verzekerden voor de verzekeraar vormt. Dit is het equivalentiebeginsel.¹
Binnen de kaders van de
Zvw is er niet sprake van een dergelijke volledig vrije markt. Om
de toegankelijkheid tot de zorg zeker te stellen, is de markt aan
randvoorwaarden gebonden. De Zvw legt de zorgverzekeraars behalve
een acceptatieplicht (artikel 3) ook het verbod op om premies te
differentiëren naar verzekerdenkenmerken (artikel
17, tweede lid). De wet stelt
daarmee het equivalentiebeginsel buiten werking. Zonder
aanvullende mechanismen zijn zorgverzekeraars met een ongezonde populatie in
het nadeel ten opzichte van zorgverzekeraars met een gezonde populatie,
omdat zij gegeven hun populatie haast wel gedwongen zijn een hogere
premie te vragen dan hun concurrent met een gezondere populatie. Dit
ondermijnt het gelijke speelveld waarop concurrentie tussen
zorgverzekeraars zich moet afspelen.
Risicoverevening is nodig
om zorgverzekeraars te compenseren voor het feit dat zij in hun
portefeuilles verzekerden met verschillende gezondheidsrisico’s
hebben. Paragraaf 4.2 van de Zvw
(artikelen 32 tot en met 36) legt de
wettelijke basis voor een systeem van risicoverevening. Risicoverevening geldt
niet alleen voor bestaande zorgverzekeraars, maar ook voor nieuwe
(buitenlandse) toetreders.
Naast het bereiken van
een gelijk speelveld tussen zorgverzekeraars is risicoverevening ook van
belang voor het waarborgen van een goede toegankelijkheid van de
verzekering voor alle verzekerden. Door de wettelijke
acceptatieplicht wordt directe risicoselectie uitgesloten. Echter, omdat voor alle
verzekerden met eenzelfde polis een gelijke nominale premie moet worden
geheven, is er een prikkel tot indirecte risicoselectie. Immers als de premie per
verzekerde niet aangepast kan worden aan het bijbehorende risicoprofiel van de verzekerde, leidt een zorgverzekeraar
verlies op verzekerden
met een ongunstig risicoprofiel. Dit kan ertoe leiden dat
zorgverzekeraars, ondanks de acceptatieplicht, zullen trachten ongezonde verzekerden te
mijden. Deze vanuit het oogpunt van toegankelijkheid ongewenste
prikkel tot (indirecte) risicoselectie wordt gemitigeerd door een systeem van
risicoverevening.
Doordat door
risicoverevening de karakteristieken van de verzekerdenpopulatie (bijvoorbeeld jong/oud,
ziek/gezond) niet langer bepalend zijn voor het uiteindelijke
financiële resultaat van de zorgverzekeraar en ook de mogelijkheden om
premies te differentiëren zijn teruggebracht, neemt voor de zorgverzekeraar
het belang toe van andere instrumenten waarmee hij zijn optreden
in de markt kan operationaliseren, zoals de doelmatigheid van
zorginkoop en de efficiency van uitvoering van de verzekering. Hiermee
ontstaat een extra prikkel voor zorgverzekeraars om zich te richten op het
betaalbaar houden van de zorg, om zich zo via een lage nominale premie een
gunstige concurrentiepositie te verschaffen.
Het College toezicht
zorgverzekeringen (CTZ) ziet toe op de juistheid van de gegevens die door
zorgverzekeraars voor de verevening worden aangeleverd. Wanneer
bijvoorbeeld de verzekerdengegevens onjuist blijken of kosten niet
aan de juiste kostencategorieën zijn toegerekend, kan het CTZ
interveniëren, onder meer door de zorgverzekeraar een boete op te leggen. Daarnaast
worden de gegevens, na melding, door het College voor
zorgverzekeringen (CVZ) gecorrigeerd bij toepassing van de vereveningsregeling.
1. Volgens het
equivalentiebeginsel wordt de door de verzekeringnemer
te betalen premie gerelateerd aan het
risico dat hij door de verzekering zoekt te
dekken.
Ex-anterisicoverevening
Om de prikkel tot
doelmatig handelen te effectueren in combinatie met verevening van de
gezondheidsrisico's is in de
Zvw gekozen voor een
systeem van ex-anterisicoverevening. Kenmerkend hierin is dat niet de verschillen in kosten
worden gecompenseerd, maar dat de risico’s van de verzekerden op basis van
kenmerken die samenhangen met de gezondheidstoestand van de verzekerde zo goed
mogelijk worden ingeschat. Deze kenmerken dienen als
basis voor de bijdrage die deze zorgverzekeraar krijgt
uit het zogenoemde Zorgverzekeringsfonds. Aanvullend op deze
bijdrage kan de zorgverzekeraar bij zijn verzekerden een (nominale) premie in
rekening brengen, waarvan hij de hoogte zelf kan bepalen. Hierbij geldt wel dat de nominale premie voor alle verzekerden
met eenzelfde polis
gelijk moet zijn.
Elke zorgverzekeraar die
in Nederland een zorgverzekering aanbiedt die voldoet aan de eisen
vanuit de Zvw ontvangt dus aan het begin van het jaar een genormeerde
bijdrage die is afgestemd op de gezondheidsrisico’s van de verzekerden in
zijn portefeuille. Deze bijdrage is dusdanig bepaald dat zij tezamen met een
reële inschatting van de opbrengsten uit nominale premies gelijk
is aan de verwachte kosten van aanspraken (het zogenaamde "normatieve
bedrag"). Daardoor behoudt de zorgverzekeraar de prikkel om doelmatig met de verkregen middelen om
te gaan omdat hij zich
anders uit de markt zal prijzen. Immers, door doelmatig zorg in te
kopen en de verzekering doelmatig uit te voeren, kan de zorgverzekeraar zijn
nominale premie laag houden en zo nieuwe verzekerden aantrekken.
Dit
risicovereveningssysteem nivelleert de verschillen tussen zorgverzekeraars die zijn
ontstaan door verschillen in de risicosamenstelling van de portefeuilles als
gevolg van de acceptatieplicht en het verbod op premiedifferentiatie. Anderzijds bevat het systeem nog
voldoende prikkels voor
zorgverzekeraars om doelmatig met de beschikbare middelen om
te gaan; het blijft voor een zorgverzekeraar noodzakelijk om zich bij
de zorginkoop in te spannen om goede zorg tegen een redelijke prijs
in te kopen en om zodoende de premie voor zijn verzekering concurrerend
te houden.
De gedachte achter de
werking van het risicovereveningssysteem en de invloed daarvan op het
doelmatig handelen van zorgverzekeraars is betrekkelijk eenvoudig.
De zorgverzekeraars ontvangen een deel van hun middelen voor de
uitvoering van de verzekering uit het Zorgverzekeringsfonds volgens een
algemene verdeelsleutel. Deze wordt ex ante vastgesteld aan de hand van de
kenmerken van de verzekerden die een indicator vormen voor te verwachten
zorgkosten. Deze relaties zijn statistisch onderbouwd. Het risicovereveningsmodel bevat parameters die corrigeren
voor verschillen in de
gezondheidstoestand van de verzekerde als gevolg van verschillen in
de leeftijd, het geslacht en overige objectief meetbare gezondheidskenmerken van de verzekerden.
De normatieve
risicoverevening kent twee doelstellingen.
• Het eerste is het
verdelingsaspect: de verdeling van het Zorgverzekeringsfonds
over zorgverzekeraars zal zodanig moeten plaatsvinden dat
verschillen in gezondheidstoestand van de verzekerdenpopulaties bij zorgverzekeraars
worden verevend. Met andere woorden, zorgverzekeraars worden
gecompenseerd voor onevenredige voorspelbare verliezen
die het gevolg zijn van verschillen in de gezondheidstoestand van de verzekerden die
zij op grond van de wet moeten accepteren en waarvoor
zij de premies niet mogen laten variëren met de hoogte van het
gezondheidsrisico. Omgekeerd worden voorspelbare winsten op gezonde verzekerden afgeroomd.
• Het tweede is het doelmatigheidsaspect: zorgverzekeraars die doelmatig omgaan met de
middelen die zij uit het Zorgverzekeringsfonds ontvangen, kunnen een
voordeel behalen dat zij tot uitdrukking kunnen brengen in een lagere
nominale premie.
Voor de verdeling van de
middelen uit het Zorgverzekeringsfonds zijn objectieve criteria
nodig. Omdat de uiteindelijke bijdrage die zorgverzekeraars
ontvangen uitsluitend afhangt van de gezondheidsrisico’s van verzekerden, komen
alleen kenmerken van de verzekerden in aanmerking als
verdeelcriterium die samenhangen met de gezondheid van de verzekerde. Het
gehanteerde stelsel van gewichten per verdeelcriterium beoogt immers zo goed
mogelijk de kosten per individuele verzekerde te voorspellen: de kosten die voortvloeien uit de behoefte aan zorg waarop de verzekerde
krachtens de Zvw aanspraak heeft. Het moet bovendien gaan om
voorspelbare kosten, omdat de gewichten immers ex ante worden
vastgesteld. Dat stelt eisen aan de te hanteren verdeelcriteria op het terrein van de
bijdrage aan de verdelende werking, van de juiste prikkels, de
uitvoerbaarheid en de betrouwbaarheid.
Naast eisen aan de
verdeelcriteria sec worden ook eisen gesteld aan de ontwikkeling en
uitvoering van het vereveningssysteem zelf. Het is van groot belang dat er bij
betrokken partijen draagvlak bestaat voor de keuze van de te hanteren
verdeelcriteria. Ook moeten de bij de criteria behorende gewichten op
een betrouwbare en objectieve wijze worden vastgesteld, met maximale
transparantie richting alle betrokken marktpartijen. Dit wordt bereikt door de
gewichten van de verdeelcriteria te laten berekenen met
behulp van wetenschappelijke statistische methoden. In de begeleiding van dit
onderzoek hebben zorgverzekeraars ook een belangrijke adviserende
rol. Verder moet, met behulp van de berekende gewichten, op
transparante wijze de vaststelling van de uiteindelijke bijdrage per
zorgverzekeraar plaatsvinden, waarbij ook tijdig helderheid aan zorgverzekeraars
wordt geboden over de hoogte van de bijdragen.
In de uitwerking van het
risicovereveningssysteem dat van toepassing zal zijn in de Zvw wordt
met al deze aspecten rekening gehouden. Hierbij wordt voortgeborduurd op
ervaringen die in meer dan tien jaar zijn opgedaan met
risicoverevening in de ziekenfondsverzekering. Meerdere landen, waaronder
België, Duitsland, Verenigde Staten (Medicare-programma), Ierland,
Tsjechië, Zwitserland en Israël, hanteren een normatief verdeelmodel
voor zorgverzekeraars. Nederland loopt echter voorop in de wereld met
de ontwikkeling van het verdeelmodel dat gehanteerd wordt in de
ziekenfondsverzekering en dat ook aan de basis ligt van het verdeelmodel
binnen de Zvw. In Nederland is vooral het feit dat in het verdeelmodel rekening wordt gehouden met gezondheidskenmerken
(ook wel
morbiditeitskenmerken genoemd) vooruitstrevend.
Dit
komt verder alleen
voor bij het Medicare-programma in de Verenigde Staten. Voorts is de
centrale inning van premiemiddelen uniek.
Aandachtspunt is dat het
verdeelmodel dat gehanteerd wordt bij de risicoverevening
onderscheid maakt tussen vier verschillende categorieën van prestaties, te weten:
• variabele kosten van
ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp, dat betreft
geneeskundige zorg zoals medisch specialisten die plegen te bieden, met
uitzondering van geneeskundige zorg zoals klinisch psychologen en
psychiaters die plegen te bieden. Alsmede de variabele kosten van verblijf,
verpleging en verzorging, met uitzondering van verblijf gepaard gaande
met zorg zoals psychologen en psychiaters die plegen te bieden, voor
zover deze prestaties voor vergoeding op grond van de Zvw
in aanmerking
komen;
• vaste kosten van
ziekenhuisverpleging, dat betreft vaste kosten van verblijf, verpleging en
verzorging, met uitzondering van verblijf gepaard gaande met zorg zoals
klinisch psychologen en psychiaters die plegen te bieden, voor zover deze
prestaties voor vergoeding op grond van de Zvw in aanmerking komen;
• kosten van
geneeskundige ggz die betreft [, dat betreft, red.] de kosten van geneeskundige zorg zoals klinisch
psychologen en psychiaters die plegen te bieden alsmede het
daarmee gepaard gaand verblijf, voor zover deze prestaties voor
vergoeding op grond van de Zvw in aanmerking komen;
• kosten van overige
prestaties, dat betreft overige prestaties die voor vergoeding op grond van
de Zvw in aanmerking komen.
Achtergrond van dit
onderscheid in categorieën van prestaties is dat, in elk geval in de eerste
jaren van risicoverevening, sprake is van ex-postcompensatiemechanismen
(zie ook onderstaande paragraaf), omdat het ex-anterisicovereveningssysteem bij de start van de Zvw nog niet optimaal kan functioneren. Deze
ex-postcompensatiemechanismen mitigeren verschillen tussen de
uitgaven die zorgverzekeraars doen voor bepaalde prestaties en het bedrag
dat zij ontvangen uit het Zorgverzekeringsfonds samenhangend met deze prestaties. Deze
ex-postcompensatiemechanismen
zijn in de overgang
noodzakelijk vanwege het gegeven dat het systeem van
risicoverevening binnen de Zvw een bredere doelgroep kent dan binnen de Ziekenfondswet, er sprake is van overheveling van
kosten van curatieve
geestelijke gezondheidszorg vanuit de AWBZ en bovendien tegelijkertijd
met de invoering van de Zvw sprake is van veranderingen in de bekostiging van het zorgaanbod. Om deze
ex-postcompensatiemechanismen zo
beperkt mogelijk in te kunnen zetten, worden in de
overgangsfase binnen het risicovereveningsmodel de genoemde verschillende
categorieën van prestaties onderscheiden. Op het moment dat de ex-postcompensatiemechanismen zijn afgebouwd, kunnen de verschillende
categorieën van prestaties weer worden samengevoegd.
Voor elke categorie van
prestaties geldt een aparte formule waarmee wordt weergegeven wat het normatieve bedrag per categorie van
prestaties is (het
zogenaamde deelbedrag) op basis van de voor deze categorie van prestaties
geldende criteria met bijbehorende gewichten. De te hanteren criteria
kunnen dus uiteenlopen tussen verschillende categorieën van
prestaties. Overigens betekent het hanteren van categorieën van
prestaties niet dat de bijdrage die zorgverzekeraars ontvangen specifiek wordt
geoormerkt voor de verschillende categorieën van prestaties:
zorgverzekeraars kunnen de bijdrage die zij ontvangen uit het Zorgverzekeringsfonds
in principe aanwenden voor de verschillende prestaties binnen de Zvw.
Wél is het zo dat zorgverzekeraars moeten bijhouden hoeveel zij
uitgeven per categorie van prestaties en deze gegevens aan het CVZ
beschikbaar stellen, zodat het CVZ de ex-postcompensatiemechanismen
toe kan passen.
Ex-postaspecten
risicoverevening
Verzekerdennacalculatie
In de eerste plaats moet
achteraf de bijdrage aan zorgverzekeraars worden gecorrigeerd voor
verschillen tussen geraamde en gerealiseerde verzekerdenaantallen. De
bijdrage uit het Zorgverzekeringsfonds vindt in principe vooraf plaats op
basis van geraamde aantallen verzekerden onderverdeeld naar de
verschillende relevante kenmerken van verzekerden. Voorkomen dient te worden
dat een zorgverzekeraar die in enig jaar veel extra klanten
krijgt, bijvoorbeeld doordat bekend is geworden dat hij de benodigde zorg
zeer snel voor zijn verzekerden regelt en claims heel goed afwikkelt, voor deze
toestroom pas gecompenseerd wordt via de vereveningsbijdrage voor
een later jaar. Daarom is in de Zvw geregeld dat alle bijdragen
achteraf worden herberekend, rekening houdend met de werkelijke
verzekerdenaantallen per zorgverzekeraar en hun kenmerken.
Uitgavenkadernacalculatie
Daarnaast kan
in geval van
een kernexplosie of natuurramp, of andere buitengewone
gebeurtenissen die niet tot het normale bedrijfsrisico van zorgverzekeraars kunnen
worden gerekend, achteraf de bijdragen aan zorgverzekeraars worden
aangepast aan het uiteindelijke kostenbeeld. De hoogte en verdeling van
deze extra middelen, die verstrekt worden op grond van artikel 33 van
de Zvw, wordt niet in dit besluit vastgelegd, maar in een ministeriële
regeling.
Tijdelijke ex-postcompensatiemechanismen
Bij inwerkingtreding van
de Zvw is het nog niet mogelijk de kwaliteit te garanderen van de
relaties tussen kosten en kenmerken van de voormalig particuliere en
publiekrechtelijke verzekerden. Het is dan ook waarschijnlijk niet goed
mogelijk om bij de ex-antenormering het niveau van betrouwbaarheid te
halen dat bereikt is bij de risicoverevening in de Ziekenfondswet. Weliswaar
is reeds jarenlang ervaring opgedaan met de ontwikkeling van een
risicovereveningssysteem binnen de Ziekenfondswet, maar het
is onjuist de resultaten hiervan één-op-één te vertalen naar een
risicovereveningssysteem dat voor een bredere groep verzekerden geldt, te
weten verzekerden die nu zijn ondergebracht bij particuliere
ziektekostenverzekeraars en de uitvoeringsorganen van de publiekrechtelijke
ziektekostenregelingen voor ambtenaren. Om dit tekortschieten van de ex-antenormering op te vangen, zullen
(ex-post)methoden worden
toegepast, waarbij de verdeling van middelen over de zorgverzekeraars achteraf
wordt aangepast aan de hand van kostenrealisaties.
De noodzaak voor
tijdelijke ex-postcompensatiemechanismen wordt nog versterkt doordat de
invoering van de Zvw gekoppeld is aan een breder traject van
invoering van marktwerking binnen de gezondheidszorg. Hierbij wordt ook de
bekostiging van het zorgaanbod gewijzigd. Dit krijgt
onder andere vorm in de invoering van DBC’s, waarbij de vergoeding die
ziekenhuizen en medisch specialisten ontvangen voor verleende zorg beter dan
in de huidige bekostigingssystematiek aansluit bij de onderliggende
kosten. Door DBC-invoering nemen de kosten bij bijvoorbeeld jongere
verzekerden (die relatief intensieve zorg ontvangen) toe en bij oudere
verzekerden af. In de gewichten van de gehanteerde criteria kan, vanwege
onvoldoende informatie vooraf over de precieze omvang van dergelijke
verschuivingen, hiermee maar beperkt rekening worden gehouden.
Per 1 januari 2005 is
gestart met invoering van volledige DBC-financiering, waarbij
fasegewijs verdere aanpassingen in de bekostiging en financiering van
ziekenhuiszorg en medisch-specialistische hulp plaatsvindt. Hierbij valt
te denken aan verbreding van de set van DBC’s waarvoor vrije
prijsvorming mogelijk is en de overschakeling voor het deel van de zorg
gefinancierd middels DBC’s met vaste prijzen van de huidige functiegerichte
ziekenhuisbudgetten naar ziekenhuisbudgetten op basis van DBC’s. Door
de veranderingen die, ook nog in de eerste jaren na inwerking treden van de
Zvw, op het punt van onder andere bekostiging van ziekenhuiszorg en
specialistische hulp plaatsvinden, kost het tijd om de normering op orde te
krijgen in termen van de nieuwe bekostiging. Ook dit vergt ex-postcompensatiemechanismen.
Deze compensaties zijn in
principe alleen tijdelijk noodzakelijk en zullen worden afgebouwd zodra
betere informatie beschikbaar komt om de ex-antenormering aan te
passen aan de kostenpatronen van alle verzekerden in termen van de nieuwe
bekostiging van het zorgaanbod.
Binnen de ex-postcompensatiemechanismen kunnen de volgende vormen worden
onderscheiden:
- hogekostencompensatie,
waarbij kosten voor een verzekerde boven een drempelbedrag voor
een bepaald percentage onderling worden verevend dan wel
verrekend met het Zorgverzekeringsfonds. De hogekostencompensatie
beoogt tegemoet te komen aan kostenverschillen tussen zorgverzekeraars
als gevolg van een ongelijke verdeling van extreem hoge schades over
zorgverzekeraars. Hierbij geldt dat als geprobeerd wordt de
individuele gevallen vooraf op te sporen en te compenseren, de
complexiteit van het systeem van risicoverevening toeneemt;
- generieke verevening:
bijstelling van het (normatieve) deelbedrag op basis van het verschil
per zorgverzekeraar tussen kosten en het (normatieve) deelbedrag in relatie met
de verschillen tussen de kosten en het deelbedrag bij andere
zorgverzekeraars, per onderscheiden categorie van prestaties. Generieke verevening wordt gebruikt om mogelijke onvolkomenheden
in de verdelende werking
van het model te corrigeren;
- nacalculatie:
bijstelling van het (normatieve) deelbedrag op basis van het verschil per
zorgverzekeraar tussen kosten en het (normatieve) deelbedrag per
onderscheiden categorie van prestaties. Nacalculatie wordt gebruikt om de
hoogte van het financiële risico te koppelen aan de mogelijkheden die zorgverzekeraars hebben om de hoogte van de
feitelijke kosten te
beïnvloeden.
Het streven is van
genoemde ex-postcompensatiemechanismen de generieke verevening met
de grootste voorrang af te bouwen na inwerkingtreding van de
Zvw. Op grond van het derde lid in artikel 34 van de
Zvw
dient generieke
verevening uiterlijk in 2011 te zijn afgebouwd.
De verwachting is dat
afbouw van compensatiemechanismen het snelst kan voor "kosten van
overige prestaties", waarvoor in de huidige Ziekenfondswet al geen
generieke verevening en nacalculatie meer geldt. Wat betreft de "kosten
van curatieve geestelijke gezondheidszorg", waarvoor helemaal nieuw
gestart wordt met risicoverevening, is een langer overgangstraject
voorzien. Het afbouwtraject op het punt van "vaste kosten van
ziekenhuisverpleging" en "variabele kosten van
ziekenhuisverpleging"
zal sterk afhangen van het tempo van verdere veranderingen in de
financiering en bekostiging van ziekenhuiszorg. Dit omdat voortdurende
aanpassingen in de bekostiging van het aanbod gevolgen kunnen hebben
voor de schadelastverdeling over groepen consumenten.
Evaluatie
Het systeem van
risicoverevening zal jaarlijks door het CVZ
worden geëvalueerd. Hierbij
wordt zowel aandacht besteed aan de werking van de ex-anterisicoverevening
als aan de ex-postaspecten. Naast deze jaarlijkse evaluatie door het CVZ
zal een wetenschappelijke evaluatie door internationale experts plaatsvinden van de werking van het vereveningssysteem
twee en vijf jaar na invoering
van de Zvw. Bij laatstgenoemde evaluatie zal zowel
aandacht worden besteed aan de werking van het risicovereveningssysteem
in enge zin (bijvoorbeeld aansluiting tussen kosten en normatieve
bedragen op verschillende niveaus) als aan de mate waarin het
risicovereveningssysteem tegemoet komt aan de beoogde beleidsdoelen als
het creëren van een gelijk speelveld tussen zorgverzekeraars en het
waarborgen van een goede toegankelijkheid van de verzekering voor alle
verzekerden (tegengaan risicoselectie).
Juridisch kader
Binnen de
Zvw zelf zijn
de contouren van het risicovereveningssysteem neergelegd (artikel 32
tot en met 36). De verdere invulling van het
risicovereveningssysteem,
zoals bijvoorbeeld de gehanteerde verdeelcriteria, is in principe volledig
vastgelegd in hoofdstuk 3 van dit besluit. Deze methodiek draagt bij
aan de rechtszekerheid voor de zorgverzekeraars. Bij
ministeriële regeling wordt jaarlijks vastgelegd wat de hoogte is van het
totale bedrag dat verdeeld wordt over zorgverzekeraars en wat
de hierbij gehanteerde gewichten van de verdeelcriteria zijn. Het
totale bedrag dat verdeeld wordt, is afgeleid van de meest actuele raming van
de zorguitgaven en zal (vanzelfsprekend) van jaar op jaar verschillen.
Het jaarlijks vaststellen van de gewichten van de verdeelcriteria is
noodzakelijk omdat, bijvoorbeeld door veranderingen in de bekostigingssystematiek van het zorgaanbod of door veranderingen in
behandelmethoden, de
verdeling van kosten over verschillende groepen verzekerden van jaar op
jaar kan veranderen. Met deze veranderende kostenpatronen kan bij
een jaarlijkse aanpassing rekening worden gehouden. In de
ministeriële regeling wordt ten slotte aangegeven of, en zo ja, op welke
wijze
invulling wordt gegeven aan de bevoegdheid van de minister om op grond van
artikel 33 van de Zvw na aanvang van het kalenderjaar bijdragen
aan één of meer zorgverzekeraars toe te kennen.
Van belang is dat
zorgverzekeraars tijdig inzicht hebben in de bijdrage die zij mogen verwachten
uit het Zorgverzekeringsfonds. Met het oog op de premievaststelling is
daarom in de Zvw bepaald dat de jaarlijkse ministeriële regeling vóór 1 oktober aangeeft welk bedrag ten behoeve van het daaropvolgende kalenderjaar in totaal wordt toegekend en welke
gewichten hierbij worden
gehanteerd. De beleidsregels die de toedeling van deze middelen nader
vastleggen, zijn vervolgens vóór 15 oktober beschikbaar en vóór 1 november wordt
bekendgemaakt welke bijdrage
elke zorgverzekeraar
ontvangt voor het volgende kalenderjaar, gegeven de geraamde
verzekerdenaantallen en het geraamde totale macro-uitgavenkader.
Financiële aspecten
Financieringsbron en
kostengrondslag
De financieringsbron voor
de risicoverevening is het Zorgverzekeringsfonds. Achtergrond bij dit Zorgverzekeringsfonds is dat de regering
beoogt een
verzekeringsstelsel te creëren dat enerzijds het nemen van eigen
verantwoordelijkheid en marktwerking aanmoedigt en anderzijds een stevige verankering
geeft aan sociale randvoorwaarden (solidariteit tussen inkomens en risico’s).
De inkomenssolidariteit is vormgegeven door de invoering van een
inkomensgerelateerde verzekerdenbijdrage. Deze bijdrage dekt in totaal
50% van de totale macropremielast
en dient als de
voornaamste financieringsbron voor de risicoverevening. In praktijk vergoeden
werkgevers deze bijdrage voor werknemers door een verplichte inkomensafhankelijke werkgeversbijdrage. Het
Zorgverzekeringsfonds
wordt naast de bovengenoemde werkgeversbijdragen gevoed door
rijksbijdragen. De totale omvang van het Zorgverzekeringsfonds
ligt hiermee vast.
De
vereveningsbijdragen
uit het Zorgverzekeringsfonds zijn niet toereikend voor een
zorgverzekeraar om alle uitgaven voor de zorg aan zijn verzekerden te
dekken. Zorgverzekeraars zullen naast de bijdrage uit Zorgverzekeringsfonds een
nominale premie in rekening brengen bij hun verzekerden. In het risicovereveningssysteem wordt uitgegaan van een
voor iedereen gelijke
premie, de zogenaamde rekenpremie (met inbegrip van een toeslag in
verband met de no-claimteruggaveregeling). Deze rekenpremie geeft het
bedrag aan dat zorgverzekeraars gemiddeld in rekening moeten brengen
om in beginsel alle kosten van aanspraken te dekken. Het doel van
risicoverevening is immers kostenverschillen tussen zorgverzekeraars die
voortvloeien uit de verschillen in gezondheidsrisico’s van verzekerden te
compenseren.
Naast de kosten van de
(verzekerde) aanspraken maakt een zorgverzekeraar ook
kosten om de verzekering te kunnen uitvoeren. Daarenboven moet een
zorgverzekeraar aan zijn verplichtingen inzake de wettelijk vereiste
solvabiliteitsmarge en de technische voorzieningen voldoen. Hij zal dan ook
toevoegingen moeten doen aan reserves en voorzieningen om deze op
het gewenste peil te kunnen houden. Zorgverzekeraars die winst wensen te maken om de kapitaalverschaffers
te kunnen belonen, zullen
ook een winstopslag calculeren. Voor doelmatigheidsverschillen
in de uitvoering (bijvoorbeeld door schaaleffecten of uitbesteding van taken
op het punt van administratie en zorginkoop) hoeven
zorgverzekeraars niet, door correcties vanuit de overheid, in een gelijke
uitgangspositie te worden gebracht. De beheerskosten worden daarom niet meegenomen in het
risicovereveningssysteem. De
doelmatigheidsverschillen dienen in een opslag op de rekenpremie tot
uitdrukking te komen. Hetzelfde geldt uiteraard voor de opslagen voor
toevoegingen aan reserves en voorzieningen en te behalen winst. Deze opslagen
verschillen per zorgverzekeraar afhankelijk van zijn doelmatigheid en
vermogenspositie. De zorgverzekeraars zijn vrij in het bepalen van de hoogte van
de nominale premie. De hoogte moet echter voor ieder die kiest voor
dezelfde verzekeringsovereenkomst gelijk zijn.
Jaarlijks worden de
middelen uit het Zorgverzekeringsfonds verdeeld via het
vereveningssysteem over de zorgverzekeraars. Het
risicovereveningssysteem maakt - rekening
houdend met de relevante kenmerken van verzekerden - voor een zorgverzekeraar een inschatting mogelijk van zijn te
verwachten kosten van aanspraken, het zogenaamde normatieve bedrag. Deze
inschatting is de basis voor zijn bijdrage uit het Zorgverzekeringsfonds.
Door bij alle zorgverzekeraars op het zogenaamde normatieve bedrag in elk
geval de opbrengst van de rekenpremie (met inbegrip van de opslag
hierop in verband met de no-claimteruggaveregeling)
in mindering te brengen, wordt bereikt dat alle zorgverzekeraars in
min of meer gelijke uitgangsposities worden geplaatst.
Relatie met minimaal
vereiste solvabiliteitsmarge
De
memorie van
toelichting bij de Zvw gaat in op de consequenties van de overgang naar een
nieuw verzekeringsstelsel op het vlak van de financiële reserves van
ziekenfondsen, particuliere en publiekrechtelijke verzekeraars. De regering
gaat ervan uit dat de zorgverzekeraars - zowel de huidige ziekenfondsen
als de huidige particuliere ziektekostenverzekeraars - een adequate reserve
dienen aan te houden die niet zonder meer op hetzelfde niveau
hoeft te liggen als die welke een particuliere ziektekostenverzekeraar
thans moet aanhouden.
Vanwege het
privaatrechtelijke karakter van de Zvw
zijn de eisen inzake de minimaal vereiste
solvabiliteit uit de Europese schaderichtlijnen van toepassing. De Europese
schaderichtlijnen maken onderscheid tussen een nominale
solvabiliteitsmarge (van €|2 miljoen) en een variabele solvabiliteitsmarge. De
hoogste van de twee is bepalend voor de daadwerkelijke eis. De
variabele solvabiliteitsmarge is gerelateerd aan de omvang van de schaden en
de premies. In het geval van zorgverzekeraars zal de omvang van de
schaden leidend zijn. De solvabiliteitsmarge komt neer op 26% van de
gemiddeld geboekte brutoschaden in de afgelopen drie boekjaren
en van de gemiddelde toevoeging aan de schadevoorziening in deze jaren, indien en
voor zover deze schaden en toevoeging niet meer
bedragen dan €|35 miljoen, vermeerderd met
23% van deze schaden
en toevoeging, voor zover deze meer bedragen dan €|35 miljoen.
Kortheidshalve wordt
veelal gesproken over dat de minimaal vereiste solvabiliteitsmarge
gemiddeld ongeveer 24% bedraagt van de gemiddeld geboekte
schaden (en toevoegingen aan de schadevoorziening) in de afgelopen drie
jaar. Dit terwijl het exacte percentage dat geldt als de minimaal vereiste solvabiliteitsmarge tussen verzekeraars
verschilt afhankelijk van
de omvang van de gemiddeld geboekte schaden (en toevoegingen aan de
schadevoorziening) in de afgelopen drie jaar, waarbij overigens dit
percentage in elk geval tussen de 23 en 26% ligt.
Op grond van artikel 16bis, zesde lid, van de eerste richtlijn schadeverzekering gelezen in samenhang met
artikel 54, tweede lid, van de derde richtlijn schadeverzekering is een verlaging van de solvabiliteitsmarge met
twee derde mogelijk
als de ziekte(zorg)verzekering wordt beheerd als een levensverzekering. De
bedoeling van deze eis is het verlagen van het risicoprofiel van de
verzekering en de verzekering zoveel mogelijk de kenmerken te geven van
een levensverzekering. In dit verband wordt erop gewezen dat onder de
eerste richtlijn levensverzekering de zogenoemde "permanent health
insurance" valt. Deze verzekering kan worden gekenschetst als een niet
opzegbare ziektekostenverzekering.
In Nederland zijn de
schadeverzekeringsrichtlijnen geïmplementeerd in de Wet
toezicht verzekeringsbedrijf 1993 (Wtv 1993) onder de verantwoordelijkheid van de
Minister van Financiën. Artikel 16bis is geïmplementeerd in artikel 1, vijfde lid,
van het Besluit solvabiliteitsmarge verzekeringsbedrijf 1994. De richtlijn stelt
vijf voorwaarden voor een verlaging van de solvabiliteitsmarge.
Artikel 16bis van de eerste richtlijn schadeverzekering stelt de volgende eisen:
• De geheven premie
moet volgens verzekeringswiskundige methoden worden berekend.
Deze eis is gerelateerd
aan de idee dat de zorgverzekering als een levensverzekering moet
kunnen worden beheerd en dat de kenmerkende schadeverzekeringstechnische
risico’s via de premieberekening al zijn verevend. Dit is in de
Zvw het geval omdat, hoewel er sprake is van een doorsneepremie, de
risicoverevening ervoor zorgt dat alle statistische risico’s volgens
econometrische methoden worden verevend.
• Er moet een
actuarieel berekende ouderdomsvoorziening worden gevormd.
Deze eis is gerelateerd
aan een eigenschap van de levensverzekering, te weten het niet opzegbaar
zijn door de verzekeraar vanwege risico’s verbonden aan
bijvoorbeeld ouderdom. Het risicovereveningssysteem corrigeert volledig voor
leeftijd en geslacht, zodat een zorgverzekeraar geen voorziening hoeft te
hebben voor vergrijzing: gegeven de rekenpremie, is de vereveningsbijdrage
aan de verzekeraar vanuit het zorgverzekeringsfonds
voldoende om bij elke leeftijdssamenstelling de zorgkosten te vergoeden.
Kortom, een zorgverzekeraar met een relatief oude portefeuille krijgt
een grotere vereveningsbijdrage uit het zorgverzekeringsfonds dan
een zorgverzekeraar met een jonge portefeuille. Uit de nominale premie
die zorgverzekeraars vragen, hoeft dus geen voorziening voor
vergrijzingseffecten te worden gevormd.
• Een aanvullende
premie moet kunnen worden geheven om een reële veiligheidsmarge te vormen.
Zorgverzekeraars en niet
de overheid bepalen de hoogte van de nominale premie.
Zorgverzekeraars kunnen zodoende aan deze voorwaarde voldoen.
• De verzekeraar kan de
overeenkomst alleen vóór het einde van het derde verzekeringsjaar
opzeggen.
Het uitgangspunt is dat
de verzekering niet kan worden opgezegd door de verzekeraar. De
richtlijn laat hierop een beperkte uitzondering toe door te bepalen dat een
opzegging vóór het einde van het derde verzekeringsjaar
toelaatbaar is, maar op een later tijdstip niet meer. De richtlijn strekt er
derhalve niet toe te regelen dat de verzekering tot het derde verzekeringsjaar
opzegbaar zou moeten zijn. Bij de zorgverzekering speelt de genoemde
uitzondering geen rol. De zorgverzekering kan niet worden opgezegd vanwege
het toenemen van het risico in de loop van de tijd. In de Zvw
geldt een
acceptatieplicht en een zorgverzekeraar mag de overeenkomst slechts in
een aantal specifieke gevallen, die niet gerelateerd zijn aan de
verzekeringstechnische risico’s, opzeggen. De zorgverzekering voldoet
derhalve ruimschoots aan de gestelde eis.
• In de overeenkomst
moet de mogelijkheid zijn opgenomen om ook voor lopende contracten
de premies te verhogen of de verzekerde prestaties te
verminderen.
Deze eis is eveneens
bedoeld om het risicoprofiel te verminderen en gerelateerd aan de
hierboven genoemde beperkte mogelijkheid van de verzekeraar om de
verzekering op te zeggen. De Zvw legt geen verbod op tussentijdse
premieverhogingen. Uiteraard dienen zorgverzekeraars wel steeds te voldoen aan de
gestelde randvoorwaarden van een gelijke premie voor alle
verzekerden met dezelfde polis. De Zvw schrijft het te verzekeren pakket voor.
Hierin kan een verzekeraar dus geen eigen wijzigingen aanbrengen.
Wel kan de verzekeraar, ook bij lopende overeenkomsten, de
keuzemogelijkheid tussen zorgaanbieders of het aantal tranches
vrijwillig eigen risico beperken.
De verzekeringnemer heeft
bij premieverhoging of andere wijzigingen van de polisvoorwaarden
overigens wel het recht om de verzekeringsovereenkomst op te zeggen.
De regering is van mening
dat door het risicovereveningssysteem de zorgverzekering op grond
van de Zvw wordt beheerd als een levensverzekering en voldoet aan de
voorwaarden om tot twee derde afslag van de solvabiliteitseis te
komen. De minimaal vereiste solvabiliteitsmarge zal dus ongeveer 8% van de gemiddelde geboekte schaden (en toevoegingen aan de
schadevoorziening) in de afgelopen drie jaar bedragen. Deze
solvabiliteitseisen hebben alleen betrekking op de schade onder de zorgverzekering
in de zin van de Zvw. Alleen voor de activiteiten voor die zorgverzekering
geldt het risicovereveningssysteem, waardoor een zorgverzekeraar
lagere risico’s loopt. Voor aanvullende verzekeringen met de pure
schaderisico’s
voor een zorgverzekeraar gelden daarom ook hogere eisen conform de
Europese schadeverzekeringsrichtlijnen.
Wanneer de Zvw enige
jaren in werking is en er voldoende statistische gegevens zijn van de
werking van het risicovereveningssysteem, zal de risicoreductie ook
empirisch kunnen worden getoetst. Op grond van de empirische toetsing kan
vervolgens worden bezien of de twee derde afslag ook voor de langere
termijn gerechtvaardigd is, omdat de Europese schadeverzekeringsrichtlijn
een maximale afslag aangeeft wanneer aan de vijf voorwaarden is
voldaan.
Administratieve lasten
Dit besluit levert geen
extra administratieve lasten op voor burgers en voor het bedrijfsleven.
Onder administratieve lasten voor het bedrijfsleven worden begrepen de kosten
om te voldoen aan informatieverplichtingen voortvloeiend uit wet- en
regelgeving van de overheid. Het gaat om het verzamelen, bewerken,
registreren bewaren en ter beschikking stellen van informatie.
Administratieve lasten voor burgers zijn kosten om te voldoen aan
informatieverplichtingen die voortvloeien uit wet- en regelgeving van de overheid. Het gaat
hierbij zowel om het nakomen van verplichtingen als het uitoefenen van
rechten. Een informatieverplichting is een wettelijke verplichting tot het
leveren van informatie. Het leveren van informatie heeft betrekking op het
verzamelen, bewerken, registreren, bewaren en ter beschikking stellen van
informatie.
Toelichting
Ten opzichte van de
Ziekenfondswet zijn er geen extra belastende bepalingen. Integendeel,
op verschillende punten is er sprake van minder detaillering of zelfs van
het vervallen van het voorschrift voor de informatieverstrekking.
Zo zijn bij de geneeskundige zorg de erfelijkheidsadvisering, de niet-klinische
haemodialyse, de chronische intermitterende beademing, de hulp door
een audiologisch centrum en de hulp door een trombosedienst niet meer
apart geregeld. Ook is niet meer geregeld wie de zorg moet leveren, wie de zorg moet voorschrijven, voor welke zorg
een voorafgaande
toestemming van het uitvoeringsorgaan geldt, waar de zorg moet worden geleverd
en aan wie de eigen bijdrage moet worden betaald. Ten opzichte van
de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen 1998 (Wtz 1998) zijn
soortgelijke bepalingen, voor zover die golden, ook vervallen. Ten
aanzien van overige particuliere ziektekostenverzekeringen golden geen wettelijke
voorschriften over het pakket en eigen bijdragen. Wel volgden
particuliere ziektekostenverzekeraars met hun ziektekostenpakketten
veelal de overheid. Zo verwezen zij voor de farmaceutische zorg, de
hulpmiddelen en de paramedische zorg meestal naar de voorwaarden van
de overheid. Dat gold ook voor eigen betalingen bij die zorg. Verder
golden ook bij de publiekrechtelijk ziektekostenregelingen omschrijvingen van
vergoedingen en een uitgebreid systeem van procentuele eigen bijdragen.
De regeling met
betrekking tot de no-claimteruggave is in hoofdlijn gelijk aan die van de
Ziekenfondswet. De Wtz 1998 kende een verplicht eigen risico. De
no-claimteruggave komt in de plaats daarvan. Dit geldt ook voor de procentuele eigen
bijdragen bij de publiekrechtelijke ziektekostenregelingen. In de situatie dat een
particuliere ziektekostenverzekeraar geen enkel systeem van eigen
betalingen kende, betekent de no-claimteruggave extra administratieve
lasten. Deze toename valt echter in het niet tegen de mindere administratieve lasten als gevolg van het wegvallen van
voorwaarden en dergelijke
bij onder meer de Ziekenfondswet.
Ook de bepalingen over de
zorgverzekeraar en de wijze van risicoverevening leveren in dit besluit
ten opzichte van de Ziekenfondswet geen extra administratieve
lasten voor het bedrijfsleven op. Behalve dan dat de bepalingen nu ook
op publiekrechtelijke en particuliere verzekeraars en verzekerden betrekking
hebben. In de Zvw hebben de zorgverzekeraars een acceptatieplicht ten
aanzien van verzekeringsplichtigen. Dit kan ertoe leiden dat zij een groot
aantal mensen met een slecht verzekeringsrisico in hun verzekeringsportefeuille krijgen. Omdat hieruit een financieel nadeel
voortvloeit voor de
zorgverzekeraar, is een goed systeem van risicoverevening noodzakelijk. In de Zvw
is de wijze van risicoverevening wettelijk vastgelegd. Bij
de totstandkoming van de Zvw is uitgebreid ingegaan op de gevolgen
van deze wet voor de administratieve lasten. Deze wet is voorgelegd
aan het Adviescollege toetsing administratieve lasten. De bepalingen in
hoofdstuk 3 zijn een nadere uitwerking van de Zvw en brengen geen
verandering aan in de administratieve lasten voor het bedrijfsleven.
Nadere kwantificering van
de administratieve lasten van de Zorgverzekeringswet
en
onderliggende regelgeving
In de
memorie van
toelichting bij de Zvw is volstaan met een globale raming van de gevolgen
voor de administratieve lasten. Op dat moment kon nog onvoldoende
worden overzien wat er geregeld zou gaan worden in de lagere wet- en
regelgeving. Er is daarom gekozen om de administratieve lasten binnen de
bestaande Ziekenfondswet en de Wtz 1998 te bezien en na te gaan welke lasten
in ieder geval niet meer zouden terugkeren in de nieuwe
wet. Dit leverde
per saldo een reductie op van minimaal €|11 miljoen ten opzichte van
de Ziekenfondswet en Wtz 1998. (De administratieve lasten van deze beide
wetten bedragen €|726 miljoen per 31 december 2002).
Door de formulering van
de nadere regelgeving is het beeld van de administratieve lasten
die samenhangen met de Zvw en dit besluit inzichtelijker geworden.
De Zvw zelf biedt slechts mogelijkheden om nadere regels te stellen
waarin informatieverplichtingen kunnen voorkomen. Het besluit
duidt aan welke informatiebepalingen in de ministeriële regeling
zullen worden opgenomen. Het besluit geeft dus een verbeterd inzicht. Extra
lasten of extra vermindering van lasten vloeien niet voort uit het
besluit. Dit gaat zowel op voor bedrijven als voor burgers.
Het volgende kan hierover
worden opgemerkt.
Ten opzichte van de
huidige situatie is al een aantal maatregelen te noemen waardoor de
administratieve lasten per 1 januari 2006 zullen zijn afgenomen. Deze
maatregelen betreffen:
- afschaffen
modelovereenkomsten Ziekenfondswet (€|15 miljoen);
- afschaffen
contracteerplicht (€|37 miljoen);
- automatisering
verzekerdenadministratie (RINIS) ¹ (€|32 miljoen);
- afschaffen
procedurele toegangsvoorwaarden tot de zorg (€|50 miljoen);
- besluit hulpverlening
door trombosediensten ziekenfondsverzekering (€|12 miljoen);
- inschrijvingsbesluit
ziekenfondsverzekering (€|17 miljoen).
Voorts geldt dat in de
opzet van de Zvw, inclusief onderliggende regelgeving, geen regels
(en dus geen administratieve lasten) meer gelden voor het
declaratieverkeer en de receptregels. Dit laatste betreft de verplichting voor de
(huis)arts tot het schrijven van een recept, waarmee de verzekerde recht
heeft/toegang krijgt tot de geneesmiddelen. Met deze maatregelen zijn lasten
gemoeid van €|340 miljoen respectievelijk
€|188 miljoen.
De totale reductie die
uit deze maatregelen voortvloeit, bedraagt aldus €|682 miljoen. Hierbij
is rekening gehouden met een toename van lasten door de introductie van
de no-claimregeling in de Ziekenfondswet (€|9 miljoen).
Slechts een beperkt
aantal processen waaruit administratieve lasten voortkomen, wordt ook
onder de Zvw voorgeschreven. Op grond van de nog in te vullen
ministeriële regeling valt daar meer over te zeggen. Hiernaast ontstaan ook
nieuwe lasten door de ministeriële regeling. Dit zullen voornamelijk
lasten zijn die verzekeraars/Vektis [Vektis BV: informatiecentrum voor
de zorgverzekeringsbranche, red.] dragen op het gebied van de "verevening" en
"verantwoording". Ook moet rekening worden gehouden met een
toename omdat er sprake is van een groter aantal verzekeraars en
verzekerden. Ook van deze lasten is de omvang nu nog niet aan te geven. De
huidige informatiestromen zijn gebaseerd op goedwerkende (wettelijk
voorgeschreven) declaratie- en administratieprocessen. Van deze laatste processen komt de wettelijke basis echter te
vervallen. Hiervoor zal
andere, maar minder brede, regelgeving in de plaats komen. Op dit
moment kunnen de administratieve lasten die samenhangen met
verevening en verantwoording echter nog niet geschat worden. In de toelichting
bij de ministeriële regeling wordt een nadere invulling hiervan
gegeven.
1. Het Routeringsinstituut
(Inter)nationale Informatiestromen (RINIS)
gaat uit van geautomatiseerde en beveiligde informatiestromen. Het RINIS-concept heeft
tot doel een efficiënt en effectief
(her)gebruik van eenmalig vastgelegde gegevens
(geen dubbele processen en
investeringen) en handhaving en fraudebestrijding.
Advisering door het
College bescherming persoonsgegevens
Op 5 april 2005 zond het
College bescherming persoonsgegevens (CBP) een advies over
onderhavig besluit. Het CBP vindt het niet noodzakelijk dat het CVZ
ten behoeve
van de risicoverevening op basis van het sofinummer/burgerservicenummer
(BSN) persoonsgegevens van de verzekerden verwerkt,
althans vindt dat VWS de noodzaak daartoe onvoldoende
heeft aangetoond. Het CBP vreest dat dit leidt tot een bestand met (medische)
persoonsgegevens van vrijwel iedere burger in Nederland.
De verevening wordt
uitgevoerd door het CVZ. In dat verband regelt artikel
35, eerste lid, Zvw dat het CVZ ervoor moet zorgen dat er een administratie wordt
ingericht en in stand gehouden waarin van iedere verzekerde wordt
opgenomen:
a. het sofinummer (in de
toekomst: het BSN);
b. de zorgverzekeraar
waarbij de zorgverzekering loopt; en
c. die persoonsgegevens,
waaronder gezondheidsgegevens, die noodzakelijk zijn voor de
berekening van de aan de zorgverzekeraars toekomende bijdragen uit
het Zorgverzekeringsfonds.
Voorts dienen begin en
einde van iedere zorgverzekering bij het CVZ te worden gemeld (tweede
lid).
Dit betekent niet dat het
CVZ verplicht of zelfs maar bevoegd is per individuele verzekerde op
sofinummer/BSN alle voor de verevening relevante criteria in
zijn administratie op te slaan. Dit is slechts toegestaan voor zover dat voor de
risicoverevening noodzakelijk is. Artikel 35, eerste lid, onderdeel c,
Zvw bepaalt dit dan ook met zoveel woorden.
Voor sommige van de
werkzaamheden heeft het CVZ, bijvoorbeeld voor de ex-antetoekenning van
de vereveningsbijdragen, voldoende aan een opgave van het aantal
verzekerden met bepaalde kenmerken per verzekeraar (geaggregeerd
niveau). Voor andere werkzaamheden zijn echter gegevens op
individueel niveau - aan te leveren op sofinummer/BSN - noodzakelijk.
Voor geen van de werkzaamheden is het noodzakelijk dat het CVZ dergelijke
gegevens op individueel niveau herleidt of kan herleiden tot individuele
verzekerden (persoonsniveau). Het CVZ is niet bevoegd om het sofinummer/BSN tot individuele personen te herleiden.
Voor zover gegevens op
individueel niveau (aan de hand van het sofinummer of BSN)
moeten worden verwerkt, zullen deze worden opgenomen in de
ministeriële regeling, bedoeld in artikel 35, vierde lid,
Zvw. In de nota van
toelichting bij die regeling [de toelichting bij die regeling, red.]
zal worden beargumenteerd waarom verwerking van de
desbetreffende persoonsgegevens noodzakelijk is.
Er is één gegeven
waarvan artikel 35 Zvw
reeds zelf bepaalt dat het CVZ het moet verwerken en
dat is het sofinummer/BSN. Verwerking, door het CVZ, van dit nummer is om
drie redenen noodzakelijk. Allereerst is dit noodzakelijk om te kunnen
bepalen welk gewicht moet worden toegekend aan combinaties van
verzekerdenkenmerken indien die op elkaar
inwerken. Ten tweede is
dit noodzakelijk om te voorkomen dat voor één en dezelfde verzekerde
meerdere malen een volledige vereveningsbijdrage wordt betaald. Ten derde
is gebruik van het sofinummer/BSN noodzakelijk om te
voorkomen dat te hoge vereveningsbijdragen worden uitbetaald. Zo zullen de
gegevens omtrent de aard van inkomen op basis van het sofinummer/BSN (en binnen de grenzen van de
Wet structuur
uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen) door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
aan het CVZ worden verstrekt. Door deze gegevens te koppelen aan
de sofinummers/BS-nummers in de zorgverzekeraarsbestanden
wordt bereikt dat alleen extra vereveningsbedragen worden gegeven voor die
verzekerden die daadwerkelijk daarvoor in aanmerking komen.
De
plicht tot verwerking
van het nummer is, geheel conform artikel 24, eerste lid, Wbp [Wet
bescherming persoonsgegevens, red.] bij
(formele) wet geregeld, te weten in artikel 35, eerste lid, onderdeel a, van de
Zvw.
Dat het CVZ het slechts mag gebruiken voor de uitvoering van de Zvw
volgt reeds uit artikel 24, eerste lid, Wbp
en hoeft derhalve niet in de Zvw
te worden herhaald.
Nagegaan wordt nog waar
en in hoeverre "privacy enhancing technologies" de noodzaak tot
gebruik van sofinummer/BSN door het CVZ kan beperken, wegnemen.
Het CBP noemt in zijn
brief nog enkele andere kritiekpunten waarop in een afzonderlijke brief
aan het CBP is ingegaan. Deze punten hebben geen gevolgen voor het besluit.
Artikelsgewijs
Hoofdstuk 1. Definities
en algemene bepalingen
Artikel 1, onderdeel
b
Voor een definitie van
eigen bijdrage is gekozen omdat in dit besluit het woord bijdrage ook in een
andere betekenis is gedefinieerd (zie onderdeel j).
Artikel
1, onderdeel c
De definitie van verblijf
komt overeen met de definitie op grond van de AWBZ.
Artikel
1, onderdeel d
Een definitie van
geregistreerd geneesmiddel is noodzakelijk om aan te geven om welke
registraties het gaat. Om duidelijkheid te scheppen welke geneesmiddelen wel en
niet onder de ziektekostenverzekeringen vallen, is in het verleden gekozen
voor een duidelijke koppeling met de geneesmiddelenregelgeving.
Op deze wijze wordt ook bereikt dat alleen geneesmiddelen ten laste
van de zorgverzekering komen die voldoen aan de normen van die wet [de Wet
op de Geneesmiddelenvoorziening, red.].
Artikel
1, onderdeel e
tot en met r
In de regeling zijn de
begrippen "macroprestatiebedrag" en "normatieve bedrag" gerelateerd aan
de volledige dekking van de totale (geraamde) kosten van
prestaties. De termen "beschikbare middelen" en "berekende
bijdrage"
zijn gerelateerd aan het deel daarvan dat wordt gedekt door de bijdrage
uit het Zorgverzekeringsfonds. Na afloop van het jaar (ex post)
herberekent het CVZ het (ex ante berekende) normatieve bedrag voor iedere
zorgverzekeraar. Er is dan niet langer sprake van een "normatief
bedrag",
maar
van een "herberekend normatief bedrag". Het deel van het
"herberekende normatieve bedrag" dat een zorgverzekeraar uit het
Zorgverzekeringsfonds ontvangt, is de "vastgestelde bijdrage".
Hoofdstuk 2. De inhoud
van de zorgverzekering
§ 1. De te verzekeren
prestaties
Artikel 2.1
De
Zvw biedt de
mogelijkheid om in de zorgverzekering een recht op zorg in natura overeen te
komen (artikel 11, eerste lid, aanhef en
onder a) dan wel te
kiezen voor het recht op vergoeding van de kosten van zorg (artikel
11, eerste lid, aanhef en onder b). Een combinatie daarvan is
eveneens mogelijk (artikel 11, tweede lid).
Het derde lid van artikel
11 van de Zvw draagt op de inhoud en de omvang van de prestaties
(zorg in natura en restitutie) bij of krachtens AMvB nader te regelen.
Daarbij, zo bepaalt dat lid, kan het recht op een prestatie afhankelijk
worden gesteld van het betalen van een eigen bijdrage. Anders dan bij
de Ziekenfondswet is niet geregeld aan wie de verzekerde de bijdrage
betaalt. Dat is ter bepaling in de zorgovereenkomst/zorgpolis.
Met artikel 2.1 wordt
voor de zorg in natura aan bedoelde opdracht voldaan. In het eerste
lid is geregeld dat de zorg en overige diensten bestaan uit de zorgvormen
die naar inhoud en omvang in de artikelen 2.4 tot en met 2.12 zijn
omschreven.
Zoals hiervoor is
aangegeven, zijn alleen nog de aard, inhoud en omvang van de zorg bij
wettelijk voorschrift geregeld. De aard is geregeld in de Zvw zelf (artikel
10). De inhoud en omvang zijn geregeld bij en krachtens dit
hoofdstuk.
De zorgverzekeraar en de verzekerden hebben geen bevoegdheid om
andere of uitgebreidere zorgvormen in de zorgverzekering op te
nemen (artikel 1, onderdeel d, van de Zvw). Uit de
artikelen 10 en 11 van de
Zvw vloeit voort dat er ook geen bevoegdheid is om beperktere afspraken
te maken, op één uitzondering na. De zorgverzekeraar kan
namelijk, ingevolge het met het aanvaarde amendement-Van der Vlies
en Rouvout ( Kamerstukken II 2004-2005, 29 763, nr. 57) gewijzigde artikel 11, vierde lid, van de
Zvw,
pro-lifepolissen aanbieden waarin bepaalde om ethische of levensbeschouwelijke
redenen controversiële prestaties buiten de dekking van de zorgverzekering
blijven. De zorgverzekeraar en de verzekerde kunnen verder over te stellen voorwaarden alleen afspraken maken indien
deze van procedurele en
administratieve aard zijn. Voorwaarden zoals voor welke
indicatiegebieden geldt het recht op zorg of de vergoeding van de kosten
daarvan, zijn
derhalve niet aan de regelingsbevoegdheid van de zorgverzekeraar en
verzekerde overgelaten. Indicatiegebieden raken immers de aard, inhoud en
de omvang van de prestaties. Deze worden derhalve uitsluitend bij
wettelijk voorschrift geregeld. De voorwaarden waar zorgverzekeraar en
verzekerde wel afspraken over kunnen maken, zijn voorwaarden zoals
het vragen van een verwijsbriefje, een voorschrift, een melding van aanvang
zorg en het vragen van toestemming.
De inhoud en omvang van
de zorgvormen worden niet alleen bepaald door de omschrijvingen in
de artikelen 2.4 tot en met 2.15, maar ook door het tweede lid van
artikel 2.1.
Het tweede lid, samen met
de woorden "die plegen te bieden" in de artikelen 2.4 en
verder,
is een geactualiseerde vertaling van het gebruikelijkheidscriterium
zoals dat op grond van de Ziekenfondswet voor de huisartsen- en de
medisch-specialistische zorg was geregeld. Het gebruikelijkheidscriterium
had daar twee functies. In de eerste plaats grensde het
huisartsenzorg van medisch-specialistische zorg af. Deze grens is bij een
functiegericht systeem voor de aanspraak niet meer relevant.
In de tweede plaats
bepaalde het ook nog eens de grenzen van de aanspraken. In deze
betekenis is het gebruikelijkheidscriterium voor het onderhavige besluit
relevant. Bij deze betekenis slaat het woord gebruikelijk niet zozeer op de
frequentie waarin een verrichting of behandelingswijze toepassing vindt. Het
verklaart díe zorg tot dat deel van het pakket welke de betrokken
beroepsgroep tot het aanvaarde arsenaal van medische onderzoeks- en
behandelingsmogelijkheden rekent. Daarbij zijn zowel de stand van de medische wetenschap als de mate van acceptatie
in de medische praktijk
belangrijke graadmeters. In dit opzicht heeft het criterium veel gemeen met
de rechtspraak welke het gebruikelijk zijn afmeet aan de houding in
de kringen van de medische wetenschap en praktijkuitoefening. Het
woord houding maakt duidelijk dat niet bepalend is hoe vaak bepaalde zorg
toepassing vindt, doch in welke mate beroepsbeoefenaren dergelijke
hulp als een professioneel juiste handelwijze beschouwen. Staat eenmaal
vast dat een vorm van onderzoek of behandeling gebruikelijk
is, dan is daarmee het opgenomen zijn in het verzekeringspakket een
gegeven. Daarmee is niet gezegd dat de verzekerde de verlening van die zorg
kan verlangen. Het is de beroepsbeoefenaar die vanuit zijn
beroepsmatige verantwoordelijkheid in samenspraak met de
patiënt de onderzoeks- of behandelingswijze bepaalt. Bij de beroepsbeoefenaar
kunnen doelmatigheids- of kwaliteitsoverwegingen aanleiding zijn in het
concrete geval van het verlenen van de verlangde zorg af te
zien of een andere keuze te maken binnen het geheel van de zorg die
gebruikelijk is. Zorgverzekeraars kunnen met de zorgverleners bij
overeenkomst afspraken omtrent kwaliteit en doelmatigheid van de verzekerde zorg
maken. Die afspraken kunnen de vorm aannemen van
gedragsregels die in de overeenkomsten zelf zijn vervat of aanknopen bij
gedragsregels die binnen de beroepsgroep zelf als normen voor een verantwoord
beroepsmatig en vakmatig handelen worden gehanteerd.
Dat bepaalde zorg
gebruikelijk is en mitsdien tot het verzekeringspakket behoort, wil niet zeggen
dat de verzekerde daar zonder meer recht op heeft. Veelal zullen in
de zorgpolis voorwaarden als verwijzing, voorschrijven of
toestemming opgenomen zijn, waaraan moet zijn voldaan om de aanspraak
tot gelding te kunnen brengen. Daarbij gaat het er dus niet om of de
verzekerde voor die zorg verzekerd is, doch om een nadere beslissing omtrent
de vraag of in het individuele geval de verlangde zorg het
aangewezen middel is om in het gezondheidstekort van de verzekerde te
voorzien.
Het is de zorgverzekeraar
die de zorgverzekering uitvoert. Daarbij toetst hij ook of er sprake is
van gebruikelijke zorg. Bij twijfel doet een verzekerde er dan ook verstandig aan
bij zijn zorgverzekeraar te informeren of de gewenste zorg wel
onder de zorgverzekering valt. De zorgverlener dient bij twijfel aan
zijn kant uiteraard wel de verzekerde hierover te informeren, doch deze
informatie kan in het algemeen de zorgverzekeraar niet binden. Is er sprake
van gecontracteerde zorg, dan ligt de verantwoordelijkheid voor het antwoord op de
vraag of de zorg wel onder de zorgverzekering valt bij
de zorgaanbieder. Als blijkt dat dat niet het geval is en de zorg is wel
verleend, kan het niet-gebruikelijk zijn de verzekerde niet worden tegengeworpen. Die zorg kan dan ook niet bij de verzekerde
in rekening worden
gebracht. De praktijk laat overigens zien dat zorgverzekeraars met
twijfelgevallen prudent weten om te gaan.
Zorgverzekeraars kunnen
bij twijfel ook het CVZ als pakketbeheerder raadplegen. Het CVZ zal
hierin ook een actieve rol spelen.
Het Hof van Justitie van
de Europese Gemeenschappen heeft zich in het arrest van 12 juli 2001
in de zaak C-151/99 (Smits en Peerbooms) uitgesproken over het
Nederlandse gebruikelijkheidscriterium. Het Hof stelde dat de voorwaarde
van gebruikelijkheid alleen aanvaardbaar is indien deze verwijst naar
hetgeen door de internationale medische wetenschap voldoende
beproefd en deugdelijk is bevonden. Met het hanteren van het begrip
"stand der wetenschap" wordt voldaan aan deze voorwaarde van het Hof.
Het begrip "stand der wetenschap" kan immers slechts internationaal
worden uitgelegd. Het criterium is verder ruimer dan het door het Hof
gehanteerde criterium. In de eerste plaats is eraan toegevoegd "en
praktijk". Deze toevoeging is noodzakelijk omdat het pakket anders versmald
zou zijn tot enkel evidence based medicine. Slechts een klein deel
van het medisch arsenaal voldoet daaraan.
Verder is eraan
toegevoegd "door hetgeen in het betrokken vakgebied geldt als verantwoorde en
adequate zorg en diensten". Deze toevoeging is noodzakelijk omdat deze
bepaling thans betrekking heeft op alle zorgvormen en dus ook op
de zorg en diensten die minder of geen wetenschappelijke status
hebben of behoeven (bijvoorbeeld het zittend vervoer).
In
het derde lid is het
algemene wettelijke indicatievereiste neergelegd. Een dergelijke bepaling
staat ook in de AWBZ (artikel 9b, derde lid) en het
Besluit zorgaanspraken AWBZ (artikel
2, derde lid) en stond in het Verstrekkingenbesluit
ziekenfondsverzekering (artikel 2a, eerste lid). Anders dan in die
bepalingen zijn in dit lid de woorden "uit een oogpunt van doelmatige
zorgverlening" weggelaten. Uitgangspunt bij de Zvw
is immers dat de
doelmatigheid een onderwerp is dat behoort tot de verantwoordelijkheid van
de zorgverzekeraar en dus niet het onderwerp van wettelijke
voorschriften is. Een eventuele doelmatigheidsvereiste is aan de zorgverzekeraar en
de verzekerden om daarover afspraken te maken in de zorgverzekering en vervolgens op te nemen in de zorgpolis.
Dit geldt ook voor de
doelmatige organisatie van de zorg.
Het kan zijn dat bij
bepaalde zorgvormen of onderdelen daarvan nog specifieke eisen bij of
krachtens de artikelen 2.4 tot en met 2.15 gesteld zijn. Dan is er sprake
van een cumulatie van de algemene met de bijzondere
indicatie-eisen. Dat is tot uitdrukking gebracht in de eerste woorden van het derde
lid. Bezien wordt of de verzekerde voldoet aan het bijzondere
indicatievereiste en vervolgens of en in hoeverre de verzekerde ook dan nog
redelijkerwijs op de zorg is aangewezen.
Artikel 2.2
Omdat ook gekozen kan
worden voor een zorgverzekering met recht op restitutie, is deze
bepaling in dit besluit opgenomen. Door de formulering van het eerste lid is
voorkomen dat in de overige bepalingen van dit hoofdstuk steeds een
onderscheid tussen natura en restitutie gemaakt moet worden. Het tweede
lid, onderdeel a, voorkomt dat met betrekking tot de verderop in dit
hoofdstuk geregelde eigen bijdragen.
Voor de hoogte van de
vergoeding bij restitutie is thans in zijn algemeenheid nog het
tarief op grond van de Wet
tarieven gezondheidszorg (Wtg) bepalend. Echter,
niet voor elke zorgvorm geldt een Wtg-tarief. Zonder nadere
afspraken kunnen zorgaanbieders in die situaties zelf hun prijs
bepalen, hetgeen tot onredelijke hoge rekeningen kan leiden. Daarom is in
de memorie van toelichting bij de Zvw aangegeven dat bij de AMvB op grond
van artikel 11, derde lid, van die wet ook geregeld zal worden dat
slechts recht op vergoeding van de kosten van zorg bestaat voor zover
het door de verlener van zorg in rekening gebrachte bedrag in verhouding tot de door de overige zorgaanbieders
voor gelijksoortige
activiteiten berekende bedrag niet onredelijk hoog is. Er wordt derhalve een
marktconform bedrag vergoed. In verband daarmee is in het tweede
lid, onderdeel b, geregeld dat bij restitutie niet meer wordt vergoed dan
die kosten die in de Nederlandse marktomstandigheden in redelijkheid passend
zijn te achten.
Artikel 2.3
In de
memorie van toelichting is bij de toelichting op artikel 11 aangegeven dat bij AMvB
zal worden geregeld dat geen recht op zorg of overige diensten bestaat
als er sprake is van oorlogsmolest alsmede dat aangesloten zal worden
bij hetgeen de Minister van Financiën heeft bepaald op grond van de
Noodwet financieel
verkeer voor schaden tengevolge van terrorisme.
Bij nader inzien is het niet nodig om de uitsluiting met betrekking tot groot
molest te regelen. Immers, de Wet
toezicht verzekeringsbedrijf 1993 sluit groot molest reeds van de dekking van schadeverzekeringen uit.
Ingevolge de artikelen 64, tweede lid, en 89, tweede lid, van die
wet mogen verzekeraars namelijk geen schaden verzekeren veroorzaakt
door of ontstaan uit gewapend conflict, burgeroorlog, opstand, binnenlandse
onlusten, oproer en muiterij. In artikel 2.3 is daarom alleen een
regeling getroffen voor het geval de Minister van Financiën een regeling
heeft getroffen op grond van artikel 18b van de Noodwet
financieel verkeer. De Minister van Financiën heeft van deze bevoegdheid nog geen
gebruik gemaakt.
Overigens regelt artikel
55 van de Zvw dat ik in overeenstemming met de Minister van
Financiën een bijdrage aan het Zorgverzekeringsfonds kan verlenen ter gehele of
gedeeltelijke betaling van zorg of overige diensten ingeval de behoefte aan
die zorg of overige diensten is veroorzaakt door of ontstaan uit gewapend
conflict, burgeroorlog, opstand, binnenlandse onlusten, oproer,
muiterij of terrorisme.
Artikel 2.4
Het eerste lid regelt
waar de geneeskundige zorg uit bestaat. Het gaat om zorg zoals de
huisartsen, medisch specialisten, klinisch psychologen en verloskundigen die
plegen te bieden alsmede om paramedische zorg.
Zoals in het algemene
deel van deze nota van toelichting is aangegeven, is door amendement-Van
der Vlies en Smilde nr. 44 al in artikel 10, eerste lid, van de
Zvw geregeld dat de geneeskundige zorg in ieder geval zorg omvat zoals
huisartsen en verloskundigen die plegen te bieden. Er is voor gekozen om dit
nogmaals in artikel 2.4 te vermelden omdat zo in één oogopslag kan worden
gezien wat onder geneeskundige zorg wordt verstaan. Met het
weglaten van huisarts en verloskundigen zouden misverstanden kunnen
ontstaan.
Omwille van de
leesbaarheid is ervoor gekozen om de paramedische zorg in een aparte
bepaling (artikel 2.6) uit te werken.
Met de formulering "plegen te bieden" met daaraan gekoppeld de aanduiding van een
beroepsbeoefenaar" worden de inhoud en omvang van de zorg bepaald. Door
in de omschrijving de maat te nemen van voor iedereen kenbare
hulpverleners is het duidelijk welke zorg het betreft. De term "plegen te
bieden"
wordt ingevuld met toepassing van artikel 2.1, tweede lid. De
artikelen 2.1, tweede lid, en 2.4 vullen dus samen in wat de verzekerde geneeskundige
zorg inhoudt.
Het opnemen van
beroepsgroepen in de omschrijving kadert slechts de inhoud en omvang van de
zorg in. Het regelt niet dat zij de beroepsbeoefenaren zijn die de zorg voor
rekening van de zorgverzekering verlenen. Zoals gezegd,
is dat een verantwoordelijkheid van de zorgverzekeraar en de
verzekerde. Zij maken daarover afspraken in de zorgverzekeringsovereenkomst.
Dat kunnen dus andere zorgaanbieders zijn en hoeven zelfs in
het geheel niet de beroepsbeoefenaren te zijn die in de bepaling genoemd
worden.
Voor de zorg in het
eerste lid kunnen dus allerlei beroepsbeoefenaren en instellingen
ingeschakeld worden, bijvoorbeeld een huisarts, een verloskundige, een
ziekenhuis, een psychiater, een basisarts, een bedrijfsarts, de sociaal-psychiatrisch verpleegkundige en een gezondheidscentrum. Het inschakelen van
beroepsbeoefenaren hoeft zich overigens, voor zover het
geen voorbehouden handelingen betreft, niet te beperken tot
beroepsbeoefenaren waarop de registratie en titelbescherming op grond van de
Wet
op de beroepen in de individuele gezondheidszorg betrekking hebben.
Onder de zorg "zoals medisch specialisten die plegen te bieden" valt ook de kaakchirurgie.
Aangezien deze zorg in dit besluit onder artikel 2.7 is geregeld, is de zorg
zoals tandarts-specialisten die plegen te bieden van de onderhavige bepaling
uitgesloten.
Bij de geneeskundige zorg
zijn ook verpleegkundigen betrokken. Voor een toelichting hierop
verwijs ik naar de toelichting op artikel 2.11.
Onder de zorg in dit lid
valt ook de erfelijkheidsadvisering, de niet-klinische haemodialyse, de chronische
intermitterende beademing en de hulp door een
trombosedienst, die geregeld waren in de artikelen
20, 21, 22 en
24 van het Verstrekkingenbesluit
ziekenfondsverzekering. Dit zijn allemaal zorgvormen die
vallen onder de zorg zoals medisch specialisten die plegen te bieden.
Voor de afbakening van de erfelijkheidsadvisering is het Besluit aanwijzing
bijzondere medische verrichtingen van belang. De omschrijving in het kader
van de ziekenfondsverzekering ging ook daarvan uit.
De voor de niet-klinische
haemodialyse en de chronische intermitterende beademing benodigde
apparatuur valt op grond van dit besluit onder de
hulpmiddelenzorg.
In de onderdelen a tot en
met c en e en f is de geneeskundige zorg op een aantal onderdelen,
wat inhoud en omvang betreft, nader ingevuld. Deze nadere invulling is
gelijk aan de invulling zoals die geregeld was op grond van de Ziekenfondswet
en voor de geestelijke gezondheidszorg op grond van de AWBZ.
Onder geneeskundige zorg
vallen ook de materialen die ertoe bijdragen dat de arts of een andere hulpverlener geneeskundige zorg verleent. Vaak
bestaat de geneeskundige
zorg slechts of voor een groot deel uit de toepassing van
materialen, zoals genees-, verband- of hulpmiddelen. Te denken valt aan behandeling met chemotherapie, het aanbrengen van een
gipsverband, het plakken
van een pleister en het hechten van een wond. De toepassing van
bepaalde materialen is dan juist de geneeskundige zorg. Ook ten behoeve van
onderzoek kunnen materialen nodig zijn, bijvoorbeeld
contrastvloeistoffen bij röntgenonderzoek. Zo was dat onder de
Ziekenfondswet. Dat is
met de invoering van de Zvw niet anders geworden. Dit betekent
dat materialen als genees-, verband- of hulpmiddelen die door de hulpverlener
als onderdeel van de zorg worden toegepast, onder de
geneeskundige zorg vallen zoals die in deze bepaling is geregeld. Krijgt een
verzekerde een voorschrift mee om genees-, verband- of hulpmiddelen
aan hem te laten afleveren voor gebruik buiten de praktijk van de
hulpverlener dan wel buiten de instelling waaraan de hulpverlener verbonden
is, dan valt deze zorg onder artikel 2.8 of artikel
2.9.
Verder valt onder de
geneeskundige zorg ook het daarbij behorende laboratoriumonderzoek.
De uitsluiting van de
griepvaccinatie (onderdeel a, subonderdeel 1) was geregeld in het
Verstrekkingenbesluit
ziekenfondsverzekering omdat deze
preventie geschiedt in
het kader van het gesubsidieerde Nationaal Programma Grieppreventie.
In-vitrofertilisatie
(onderdeel a, subonderdeel 2) werd tot de inwerkingtreding van dit besluit
gesubsidieerd, maar is thans als aanspraak geregeld om de in het
algemene deel van de toelichting aangegeven reden.
De beperkingen met
betrekking tot behandeling van plastisch-chirurgische aard (onderdeel b) en de
transplantaties (onderdeel c) waren bij de ziekenfondsverzekering geregeld bij ministeriële regeling (de
Regeling
medisch-specialistische zorg Ziekenfondswet). Ter uitvoering van het amendement-Omtzigt
nr. 40 zijn die onderdelen in dit besluit geregeld. Wel is gebruik gemaakt
van de mogelijkheid die het met dit amendement gewijzigde artikel
11,
derde lid, onderdeel a, geeft om medisch-specialistische zorg bij ministeriële
regeling te beperken. Het gaat hier om beperkingen die met
ingang van 1 januari 2005 zijn ingevoerd, namelijk dat geen aanspraak
bestaat op:
1. behandeling van
verlamde of verslapte bovenoogleden anders dan als gevolg van een
aangeboren afwijking of van een bij de geboorte aanwezige chronische
aandoening;
2. abdominoplastiek en
liposuctie van de buik;
3. het operatief plaatsen
van een borstprothese anders dan na status bij een gehele of
gedeeltelijke borstamputatie;
4. het operatief
verwijderen en plaatsen van een borstprothese na de in onder 3 bedoelde
behandeling;
5. behandelingen tegen
snurken met uvuloplastiek;
6. behandelingen gericht
op de sterilisatie van de verzekerde;
7. behandelingen gericht
op het ongedaan maken van de sterilisatie van de verzekerde;
8. behandelingen gericht
op de circumcisie van de verzekerde.
Anders dan in de Regeling
medisch-specialistische zorg Ziekenfondswet is bij de transplantaties
niet meer geregeld dat het moet gaan om een indicatiegebied dat
algemeen voor de desbetreffende vorm van transplantatie is aanvaard. Het is niet
meer nodig om dit te regelen omdat dat al uit artikel
2.1, tweede lid, volgt.
Onderdeel d beperkt de
eerstelijnspsychologie tot maximaal acht zittingen.
Onderdeel e beperkt het
aantal zittingen psychotherapie op dezelfde wijze als dat op grond
van de AWBZ geregeld was.
Het derde lid betreft de
eigen bijdrage voor psychotherapie zoals die op grond van de AWBZ gold.
Dit betekent een bedrag per zitting tot een maximum per kalenderjaar.
Zoals in de toelichting op het amendement-Omtzigt nr. 40 is
aangegeven, voorziet artikel
11, derde lid, onderdeel c, erin dat een eigen
bijdrage bij ministeriële regeling kan worden geregeld.
Verder geeft deze
bepaling de bevoegdheid om een eigen bijdrage voor eerstelijnspsychologie te
regelen.
Artikel 2.5
Dit artikel heeft
betrekking op de vergoeding van de kosten die samenhangen met de in
artikel 2.4, eerste lid, onderdeel c, geregelde transplantatie. Het gaat
om kosten die nodig zijn vanwege het transplantatiemateriaal
en derhalve ook kosten vanwege de donor. Om voor vergoeding in
aanmerking te komen, is het niet nodig dat de donor verzekerd is in de zin
van de Zvw. Ook kosten gemaakt voor in het buitenland wonende
donoren komen voor vergoeding in aanmerking. Het betreft kosten van
vervoer van en naar Nederland, kosten die samenhangen met het feit dat de
screening en de selectie van potentiële donors in het buitenland
plaatsvinden, zoals reiskosten in het buitenland naar een instelling voor het
uitvoeren van de screening en de selectie- en transportkosten van bloedmonsters. De
verblijfskosten in Nederland en gederfde inkomsten zijn
nadrukkelijk van de aanspraak op vergoeding uitgesloten. Op een dergelijke
vergoeding hebben ook donoren in Nederland geen aanspraak voor rekening
van de zorgverzekering. De zorgverzekeraar is als uitvoerder van de Zvw
verantwoordelijk voor de beoordeling of de te maken kosten noodzakelijk
zijn. Zo kan afname van bloed voor screening en selectie meestal
gebeuren in het land waar de potentiële donor woont en is het niet altijd
noodzakelijk dat een in het buitenland woonachtige beenmergdonor naar
Nederland komt, omdat het ook mogelijk is beenmerg te preserveren
en naar Nederland te transporteren. Reiskosten zullen met name worden
gemaakt in de twee laatste fasen van de screening en selectie.
Het is dan ook zinnig als deze fasen zoveel mogelijk op elkaar aansluiten,
zodat zoveel mogelijk met één reis van de donor kan worden volstaan.
Artikel 2.6
Dit artikel heeft
betrekking op de paramedische zorg, naar inhoud en omvang zoals die in de
ziekenfondsverzekering geregeld waren.
Het tweede lid en bijlage
1 betreffen de fysiotherapie en de oefentherapie zoals die naar inhoud en
omvang geregeld waren in de Regeling paramedische hulp
ziekenfondsverzekering. De lijst van chronische aandoeningen waarbij
langdurige of intermitterende fysiotherapie of oefentherapie nodig kan
zijn, is geregeld in bijlage
1. Op die bijlage staan ook de termijnen zoals
die in die regeling stonden.
De
bepalingen van
procedurele aard zijn een aangelegenheid van zorgverzekeraar en
verzekerden om in de zorgverzekering overeen te komen en zijn derhalve
niet in dit lid, onderscheidenlijk deze bijlage, geregeld.
Het derde lid betreft de
logopedie zoals geregeld was in artikel 4, tweede lid, van de
Regeling paramedische hulp ziekenfondsverzekering.
Het vierde lid betreft de
ergotherapie zoals dat geregeld was in artikel
5, eerste lid, onderdeel c,
van het Verstrekkingenbesluit
ziekenfondsverzekering.
Het vijfde lid regelt de
dieetadvisering zoals die met ingang van 1 januari 2005 in de
ziekenfondsverzekering geregeld was.
Artikel 2.7
Deze bepaling regelt de
mondzorg. Anders dan in het ontwerp dat met de nota naar aanleiding
van het verslag aan de Tweede Kamer gestuurd was, zijn inhoud en
omvang, vanwege het aanvaarde amendement-Omtzigt nr. 40, thans
geheel in dit besluit geregeld. De inhoud en omvang van de zorg zijn gelijk
aan de inhoud en omvang zoals die geregeld waren met de Regeling
tandheelkundige hulp ziekenfondsverzekering.
In het eerste, tweede en
derde lid zijn de inhoud en omvang van de mondzorg voor alle
verzekerden geregeld. Deze is beperkt tot de zogenoemde bijzondere
tandheelkunde. Voorheen was dat geregeld in de artikelen 8 en 9 van de
Regeling tandheelkundige hulp ziekenfondsverzekering. Het eerste lid noemt voor
de inhoud en omvang van de mondzorg die onder het Zvw-pakket
valt de tandartsen. Bij tandartsen gaat het om tandarts
algemeen practici en tandarts-specialisten (kaakchirurgen en orthodontisten). Ook
hier kunnen andere beroepsbeoefenaren bij de zorg ingeschakeld
worden. Te denken valt aan tandprothetici, mondhygiënisten en
tandtechnici. De functiegerichte omschrijving maakt dat mogelijk.
Net als in de
ziekenfondsverzekering bestaat aanspraak op het aanbrengen van
tandheelkundige implantaten voor bijvoorbeeld oligodontiepatiënten,
schisispatiënten en oncologiepatiënten met gedeeltelijke resectie
van kaakdelen. Het aanbrengen van tandheelkundige implantaten valt in die
gevallen onder het eerste lid. Daarnaast is, net als in de
ziekenfondsverzekering, als onderdeel van de bijzondere tandheelkunde geregeld dat aanspraak
bestaat op een tandheelkundig implantaat indien er sprake is van een zeer ernstig geslonken tandeloze kaak en het
implantaat dient ter
bevestiging van een uitneembare prothese. Dit is geregeld in het tweede
lid.
De aanspraak op
orthodontie is met ingang van 1 januari 1995 in de ziekenfondsverzekering
beperkt tot de tandheelkundige aandoeningen waarop de bijzondere
tandheelkunde betrekking heeft. Het gaat daarbij om ingrijpende
orthodontische behandelingen bij verzekerden met een schisisafwijking dan wel
vergelijkbare zeer ernstige afwijkingen. Deze beperking is in het derde
lid geregeld.
Het vierde lid regelt het
uitgebreide pakket voor verzekerden tot 18 jaar in die situaties dat
niet bijzondere tandheelkunde, maar "gewone" tandheelkunde aan de orde
is. Dit pakket is gelijk aan het jeugdpakket zoals dat in de
ziekenfondsverzekering geregeld was.
Voor verzekerden vanaf 18 jaar is de mondzorg beperkt tot de chirurgische
tandheelkundige hulp van specialistische aard (kaakchirurgie) en het daarbij behorende
röntgenonderzoek en tot uitneembare volledige prothetische
voorzieningen voor de boven- of onderkaak, zoals die in het vijfde lid van de
onderhavige bepaling geregeld zijn. Gezien de functiegerichte omschrijving zijn deze
prothetische voorzieningen nu weer onder de mondzorg geregeld. De
mondzorg kan thans immers ook door onder andere tandprothetici
voor rekening van de zorgverzekering worden geleverd als
zorgverzekeraars en verzekerden dat overeenkomen.
Onder chirurgische
tandheelkundige hulp van specialistische aard wordt begrepen de
tandheelkundige hulp die wordt verleend door een tandarts met een registratie voor
mondziekten en kaakchirurgie.
In de
ziekenfondsverzekering waren eigen bijdragen geregeld voor de bijzondere tandheelkunde
alsmede voor de uitneembare prothetische voorzieningen. Deze
zullen op dezelfde wijze ook weer bij ministeriële regeling geregeld worden.
Dat betekent dat zal worden geregeld dat voor de volledige
gebitsprothesen een eigen bijdrage van 25% van de kosten geldt. Voor de volwassen
verzekerde van 18 jaar of ouder die zijn aanspraak ingevolge
artikel 2.7, eerste lid, onderdeel a, onderscheidenlijk de extreem angstige
verzekerde van 18 jaar of ouder die zijn aanspraak ingevolge
artikel 2.7, eerste lid, onderdeel b, tot gelding brengt, zal worden geregeld dat
voor bepaalde verrichtingen een bijdrage verschuldigd is ter
grootte van het bedrag dat ten hoogste in rekening mag worden gebracht
indien zodanige prestaties niet in het kader van bijzondere tandheelkunde
(derhalve slechts tegen het reguliere tandheelkundige tarief) zouden worden
geleverd. Deze verrichtingen zijn: preventief onderzoek,
incidenteel consult, extractie, parodontale hulp, endodontische hulp,
restauratie van gebitselementen met plastische materialen en uitneembare
prothetische voorzieningen.
Artikel 2.8
In dit artikel is de
farmaceutische zorg omschreven. De farmaceutische zorg bestaat uit
geneesmiddelen (in hoofdzaak: geregistreerde geneesmiddelen en apotheekbereidingen)
en dieetpreparaten. Onder de ziekenfondsverzekering
viel onder de farmaceutische zorg ook verbandmiddelen. Deze zijn met dit besluit
onder de hulpmiddelen begrepen.
Het gaat in deze bepaling
om farmaceutische zorg die bestaat uit middelen die aan de
verzekerde worden afgeleverd.
Sinds 1991 geldt bij de
farmaceutische zorg het zogenoemde geneesmiddelenvergoedingssysteem (GVS). Het
GVS houdt in
het indelen van geneesmiddelen in groepen
van onderling vervangbare geneesmiddelen volgens bepaalde
criteria. Per GVS-groep is een vergoedingslimiet berekend. Is de
werkelijke prijs van het geneesmiddel hoger, dan betaalt de verzekerde het
verschil bij. Uitgangspunt is dat de verzekerde deze eigen bijdrage kan
vermijden door te kiezen voor een geneesmiddel met een prijs lager dan de
limiet.
Met de invoering van het GVS is geregeld dat de
minister de geregistreerde geneesmiddelen die in het
pakket zitten, aanwijst. Deze middelen staan met merknaam op een
bijlage die onderdeel is van een ministeriële regeling. Onder de
ziekenfondsverzekering was dat bijlage 1 van de Regeling farmaceutische
hulp 1996. De geneesmiddelen die in groepen waren onderverdeeld,
stonden op onderdeel A van die bijlage. Omdat er ook geneesmidden bestaan
die niet zijn onder te verdelen op basis van de daarvoor vastgestelde
criteria, maar die in verband met de therapeutische waarde en de
doelmatigheid van het geneesmiddel dusdanig van belang zijn voor de
volksgezondheid dat de verzekerden toch toegang moeten hebben tot dat middel,
worden deze middelen ook aangewezen. Zij stonden onder de
ziekenfondsverzekering op onderdeel B van bedoelde bijlage.
Met het oog op de beoogde
regierol van zorgverzekeraars is met ingang van 19 december 2003
geregeld dat de zorgverzekeraar het pakket kan beperken tot door hem
aangewezen middelen onder de voorwaarde dat hij van elke werkzame
stof die zit in een bij ministeriële regeling aangewezen middel een middel
aanwijst. Deze beperking gold niet indien behandeling met het door
de zorgverzekeraar aangewezen middel voor de verzekerde medisch niet
verantwoord was.
Deze materie (de
aanwijzing door de minister en de eventuele keuze daaruit door de
zorgverzekeraar) is thans geregeld in het eerste lid, onderdeel a. Om de
beoogde regierol van zorgverzekeraars extra te benadrukken, is de
bepaling, anders dan in het Verstrekkingenbesluit
ziekenfondsverzekering,
zo geformuleerd dat de zorgverzekeraar bewust een beslissing moet
noemen over de middelen die hij in de zorgpolis wil opnemen. Dat wil niet
zeggen dat hij per se een selectie moet maken uit de bij ministeriële regeling aangewezen middelen. Hij kan
ervoor kiezen om
alle middelen aan te
wijzen. Hij kan ook bijvoorbeeld alle middelen aanwijzen op een enkele
uitzondering na. Hij kan voorts geleidelijk aan meer keuzen maken. Zijn
aanwijzing is wel aan dezelfde beperkingen onderhevig als onder de ziekenfondsverzekering. In het derde lid is, net
zoals dat in artikel 9a,
tweede lid, van het Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering
geregeld was, namelijk geregeld dat de zorgverzekeraar van elke
werkzame stof ten minste één middel moet aanwijzen. Elke
verzekerde moet namelijk kunnen rekenen op een geneesmiddelenpakket in
zijn zorgpolis dat dezelfde therapeutische breedte dekt. Met andere woorden, alle verzekerden moeten bij dezelfde
aandoening kunnen rekenen
op farmaceutische zorg voor rekening van zijn zorgverzekering.
De uitzondering op de
aanwijzing van de zorgverzekeraar, die geregeld was in artikel 9a, derde
lid, van het Verstrekkingenbesluit
ziekenfondsverzekering, is geregeld in het vierde
lid. Ingevolge dit lid geldt de beperking van de keuze
van de zorgverzekeraar niet jegens een verzekerde voor zover die beperking
ten koste zou gaan van diens gezondheid; als het medisch niet verantwoord
is de verzekerde slechts toegang te geven tot het aangewezen
geneesmiddel, behoudt de verzekerde aanspraak op een ander geneesmiddel.
Het
gaat hier om een hoge uitzondering, slechts als het medisch onverantwoord
is dat behandeld wordt met een door de zorgverzekeraar
aangewezen geneesmiddel, bestaat aanspraak op een ander middel. Het is aan
de zorgverzekeraar zelf om te bepalen hoe hij toetst of aan deze
voorwaarde voldaan is.
In het tweede lid is
geregeld wanneer farmaceutische zorg niet onder de prestatie valt. Het gaat
daarbij in onderdeel a om de situatie dat er bij de verzekerde geen sprake is
van een bepaalde medische indicatie. Deze medische indicaties
stonden voor geneesmiddelen op bijlage 2 van de Regeling farmaceutische
hulp 1996. Een soortgelijke lijst van indicaties zal ook in de op grond van
dit besluit te treffen ministeriële regeling geregeld worden. Daaraan zal dan
ook het indicatiegebied voor dieetpreparaten worden toegevoegd, dat geregeld was in
artikel 9, derde lid, onderdeel
d, van het
Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering.
De formulering van
onderdeel c van het eerste lid is ten opzichte van de bepaling in het Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering iets
aangepast. Er is gekozen
om de Europese omschrijving te volgen en te spreken over "een ziekte
die in Nederland niet vaker voorkomt dan bij 1 op de 150 000 inwoners in
plaats van de formulering "een in Nederland zelden voorkomende
aandoening". Het voornemen om deze andere omschrijving in te gaan
voeren, heb ik aan de Tweede Kamer kenbaar gemaakt in mijn brief van
7 april 2004 over de vergoeding van weesgeneesmiddelen (Kamerstukken II
2003-2004, 24 124, nr. 114).
In het
Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering was een aantal categorieën aangeduid
die de minister niet mag aanwijzen. Deze opsomming was niet
uitputtend en is in deze bepaling weggelaten. De minister heeft immers de
bevoegdheid om, gemotiveerd, geneesmiddelen of groepen van
geneesmiddelen wel of niet aan te wijzen en buiten de prestatie te laten.
Groepen die tot nu toe niet (meer) zijn aangewezen, zijn:
a. een groot deel van de
zogenoemde zelfzorgmiddelen en daarmee overeenkomende
geneesmiddelen;
b. de geneesmiddelen als
bedoeld in artikel 1 van het Besluit homeopathische farmaceutische
producten;
c. geneesmiddelen tegen
besmettelijke ziekten, tenzij aanwijzing daarvan om bijzondere
redenen noodzakelijk is te achten;
d. geneesmiddelen
waarvoor geen vergoedingslimiet is vast te stellen, tenzij in verband met de
therapeutische waarde en de doelmatigheid van het geneesmiddel het
belang van de volksgezondheid vergt dat verzekerden toegang tot dat middel
hebben.
Verder is het
geneesmiddelenpakket een aantal jaren geleden getrechterd op basis van
de Dunning-criteria.
Het Verstrekkingenbesluit
ziekenfondsverzekering bevatte ook een bepaling over de maximale
perioden waarover geneesmiddelen voor rekening van de
ziekenfondsverzekering mochten worden afgeleverd. Deze doelmatigheidsbepaling is bij de
Zvw een bevoegdheid van de
zorgverzekeraar. Deze
bevoegdheid houdt niet in dat de zorgverzekeraar de hoeveelheid
farmaceutische zorg die een verzekerde nodig heeft, mag beperken.
Omdat regeling van de GVS-criteria en de aanvraagprocedure voor de fabrikanten materieel
gezien beter bij ministeriële regeling kan geschieden, is afgezien
om deze onderwerpen in dit besluit te regelen zoals dat wel gedaan was
in het Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering.
Artikel 2.9
Het eerste lid van dit
artikel waarin de hulpmiddelenzorg is geregeld, is nagenoeg gelijk aan
artikel 15, eerste lid, van het Verstrekkingenbesluit
ziekenfondsverzekering.
Bij de ziekenfondsverzekering was in de Regeling hulpmiddelen 1996
limitatief geregeld op welke hulpmiddelen aanspraak bestond. Een dergelijke
regeling zal op grond van dit besluit eveneens getroffen worden. Wel zal
bezien worden of zoveel mogelijk gedereguleerd kan worden. Bij de in de
Regeling hulpmiddelen 1996 geregelde hulpmiddelen gaat het om allerlei prothesen,
orthesen, gezichtshulpmiddelen, gehoorhulpmiddelen,
verzorgingsmiddelen, hulpmiddelen voor anticonceptionele
doeleinden, eenvoudige hulpmiddelen voor de mobiliteit van personen,
pruiken, injectiespuiten, uitwendige hulpmiddelen voor het langdurig
compenseren van het functieverlies van aderen bij het transport van
bloed en het functieverlies van lymfevaten bij het transport van lymfe,
hulpmiddelen bij diabetes, apparatuur voor positieve uitademingsdruk,
draagbare, uitwendige infuuspompen, schoenvoorzieningen, hulpmiddelen voor het
toedienen van voeding, allergeenvrije en stofdichte hoezen,
hulpmiddelen voor communicatie, informatievoorziening en signalering, zuurstofapparaten,
zuurstofconcentratoren, longvibrators,
vernevelaars, beeldschermloepen, uitwendige elektrostimulators tegen chronische pijn,
hulpmiddelen voor continue positieve luchtdruk tijdens het
ademen (CPAP-apparatuur), soloapparatuur, tactielleesapparatuur,
vervanging van hoortoestelen die kunnen worden aangesloten op een te
implanteren beengeleider (BAHA-hoortoestel), inrichtingselementen van woningen en prothetische voorzieningen voor
de onder- of bovenkaak.
Deze laatste hulpmiddelen vallen thans onder mondzorg. Verder zullen
aan de genoemde hulpmiddelen in ieder geval nog de verbandmiddelen,
de apparatuur voor de niet-klinische haemodialyse en voor de chronische
intermitterende beademing toegevoegd worden. Bedoelde
hulpmiddelen worden bij ministeriële regeling meer gedetailleerd omschreven.
Daarbij wordt ook aangegeven in welke gevallen er recht op
bestaat.
Op termijn zal worden
bezien of tot een globalere omschrijving, met als aangrijpingspunt de te
corrigeren aandoening/handicap, kan worden overgegaan, zodat er meer
ruimte is voor innovatie. Het inzicht of en hoe dit zou kunnen, bestaat
op dit moment nog niet.
Er is voor gekozen om de
nadere regeling op ministerieel niveau te handhaven. Dat maakt het
mogelijk om de regeling jaarlijks aan te passen. Jaarlijks rapporteert het
CVZ namelijk over gesignaleerde knelpunten rond de verstrekking van
hulpmiddelen. In 1999 is het CVZ gestart met het bijhouden van de
signaleringslijst. Hierop staan alle signalen op het gebied van hulpmiddelen
die het CVZ bereiken. Daarbij kan het gaan om verzoeken van fabrikanten
om een nieuw hulpmiddel in de regeling op te nemen. Ook kan het gaan
om signalen vanuit de Commissie Verstrekkingengeschillen
van het CVZ, uit correspondentie of uit de uitvoeringspraktijk. In
het bijzonder gaat het ook om signalen die het CVZ vanuit de Werkgroep
Stofkam, waarin patiënten en zorgverzekeraars zitting hebben, en vanuit
de Begeleidingscommissie hulpmiddelen van Zorgverzekeraars
Nederland bereiken. Ten slotte zijn de uitvoeringsverslagen van zorgverzekeraars
hiervoor een belangrijke bron. Met ingang van 2001 heeft het CVZ op
basis van deze lijst het Signaleringsrapport hulpmiddelen uitgebracht.
De rapportages vormden de basis voor jaarlijkse actualisatie van de Regeling hulpmiddelen 1996.
Artikel 15, tweede lid,
van het Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering regelde dat bij
ministeriële regeling regels konden worden gesteld met betrekking
tot wijziging of herstel van hulpmiddelen en het verstrekken van
reservehulpmiddelen. Verder gaf artikel 15, vierde lid, onderdeel c, van het
Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering de bevoegdheid om bij
ministeriële regeling een eigen bijdrage te regelen ter grootte van een daarbij
aangegeven percentage van de aanschaffingskosten indien door toerekenbare
onachtzaamheid of opzet van de verzekerde schade aan het
hulpmiddel ontstaat. Omdat bij de Zvw uitgangspunt is dat de
doelmatigheid een aangelegenheid van de zorgverzekeraar is, zijn dergelijke bepalingen niet in dit besluit
opgenomen.
In het derde lid is
bepaald dat bij ministeriële regeling een eigen bijdrage kan worden
geregeld. Daarbij gaat het om eigen bijdragen voor:
1. Orthopedische
schoenen, verbandschoenen of allergeenvrije schoenen, omdat de
verzekerde de kosten van gewone schoenen uitspaart. Tevens betaalt
de verzekerde het verschil bij als de kosten hoger zijn dan een bepaald
bedrag.
2. Voor een hoortoestel
als de aanschaffingskosten hoger zijn dan een bepaald bedrag. De
verzekerde betaalt dan het verschil bij. Dat bedrag is hoger indien het
hoortoestel in een bril wordt ingebouwd.
3. Voor een pruik als de
kosten hoger zijn dan een bepaald bedrag. De verzekerde betaalt dan
het verschil bij.
4. Voor faxapparatuur als
de kosten hoger zijn dan een bepaald bedrag. De verzekerde betaalt dan
het verschil bij.
Artikel 2.10
In dit artikel is het
verblijf geregeld tot een periode van ten hoogste 365 dagen. In artikel
1,
onderdeel b, is verblijf gedefinieerd als verblijf gedurende het etmaal.
Niet is geregeld waar dat verblijf dan is. Dat is aan de zorgverzekeraar en de
verzekerde om in de zorgovereenkomst te regelen. Dat hoeft niet per se in een zorginstelling te zijn.
Indien het gaat om
verblijf in combinatie met medisch-specialistische zorg, komt het verblijf na
365 dagen ten laste van de AWBZ, net als tot 1 januari 2006 het geval
was.
Op grond van de
ziekenfondsverstrekkingen was verblijf slechts mogelijk indien dat
verblijf plaatsvond in ziekenhuizen of revalidatie-instellingen. Met toepassing van
paragraaf 3.3.1 van de Regeling subsidies AWBZ en
Ziekenfondswet (initiatiefruimte ziekenfondsverzekering) werd echter ook ander
verblijf uit de kas van de ziekenfondsverzekering gefinancierd dat
noodzakelijk was voor de geneeskundige zorg op grond van de Ziekenfondswet, bijvoorbeeld zorghotels. De
omschrijving van artikel
2.10 maakt het opnemen in de zorgverzekering van deze nieuwe
verblijfsvormen mogelijk. Behalve dit verblijf gaat het in deze bepaling
ook om
verblijf gedurende het eerste jaar, zoals dat met dit besluit voor mensen met
een psychiatrische aandoening uit de AWBZ is overgeheveld. Na het
eerste jaar blijft dit verblijf met de daarbij behorende zorg in de
AWBZ.
Het in deze bepaling
geregelde verblijf dat medisch noodzakelijk is in verband met geneeskundige
zorg, bedoeld in artikel 2.4 van dit besluit, omvat ook de daarmee
gepaard gaande verpleging en verzorging. Verpleging en verzorging
zijn als extra zorg in deze bepaling genoemd. Uiteraard omvat verblijf
meer dan slechts een bed, maar ook eten en drinken, het schoonhouden
van de kamer, enz. Zoals in de toelichting op artikel
2.4 is gesteld, omvat de geneeskundige zorg ook de noodzakelijke toepassing
van materialen, zoals genees-, verband- of hulpmiddelen. Ook deze
materialen zijn niet apart in deze bepaling vermeld. Datzelfde geldt
voor operatiematerialen en voor bijvoorbeeld verband-, verzorgings- en verpleegmiddelen die in het kader van
verzorging en verpleging
tijdens het verblijf worden toegepast. Paramedische zorg valt eveneens onder
de in artikel 2.4 geregelde geneeskundige zorg. Toch is paramedische zorg apart genoemd omdat het hier niet gaat
om medisch noodzakelijke
geneeskundige zorg door een arts waarvoor het verblijf primair is
aangewezen. Omdat de beperkingen van artikel 2.6 niet gelden voor de
paramedische zorg bij verblijf, is paramedische zorg expliciet in deze
bepaling genoemd.
In het
Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering was expliciet geregeld dat slechts
aanspraak bestond op verblijf in een ziekenhuis in de laagste klasse. Een
dergelijke voorwaarde wordt niet in dit hoofdstuk geregeld. Een eventueel
verschil in klasse heeft namelijk geen betekenis voor het kwaliteitsniveau
van de verzekerde zorg, maar heeft betrekking op niet-zorggerelateerde
aanvullende aspecten, zoals het beschikbaar stellen van een
eenpersoonskamer. Dit niet-zorggerelateerde aspect behoort tot het bereik
van de aanvullende verzekering.
Wat betreft de berekening
van de 365 dagen geldt het totale verblijf dat voor rekening van de Zvw
is gekomen. Verhuist de verzekerde dus van de ene Zvw-instelling naar
de andere Zvw-instelling, dan tellen de verblijfsdagen bij elkaar op, ook al is
het verblijf om een andere medische indicatie aangewezen.
Artikel 2.11
In
artikel 10 van de Zvw
is verpleging als apart onderdeel vermeld. Met het nadrukkelijk noemen
van verpleging in artikel 10 van de Zvw
is beoogd belangrijke
ontwikkelingen in deze zorg te faciliteren. In het advies van de Raad voor de
Volksgezondheid & Zorg, getiteld "Taakherschikking in de
gezondheidszorg"
(publicatienummer 02/17), worden deze ontwikkelingen bepleit.
De zorg zoals
verpleegkundigen die plegen te bieden, voor zover die onder de Zvw
valt, valt
in dit besluit deels onder artikel 2.4, deels onder artikel 2.10 en deels
onder artikel 2.11. Deze zorg moet onderscheiden worden van de verpleging
in de zin van de AWBZ.
Onder artikel 2.4 vallen
werkzaamheden die verpleegkundigen doen in het kader van de
geneeskundige zorg. Verpleegkundigen, praktijkverpleegkundigen of nurse
practitioners
nemen immers gaandeweg zowel meer taken van de
huisarts als van de medisch specialist over. Dat doen ze bijvoorbeeld in
de huisartsenpraktijk, waar ze specifieke groepen begeleiden en behandelen
voor onder andere diabetes, astma of hartfalen. In een aantal
ziekenhuizen houden nurse practitioners eigen spreekuren, veelal gerelateerd aan verschillende specialismen. Ook hier
gaat het om diabetes,
hartfalen (hartpoli’s) en verder reuma, mammapoli’s en andere oncologische zorg.
Verder is recent in
Nederland de opleiding voor physician assistant gestart. De opleiding
voor physician assistant is een hogere beroepsopleiding. Ook de physician
assistant kan taken van de arts overnemen.
In artikel 2.10 is de
verpleging geregeld die aangewezen is bij verblijf in een instelling.
Artikel 2.11 regelt de
verpleging aanvullend op de verpleging in artikel 2.10. Daarnaast zijn er
dus taken van verpleegkundigen als onderdeel van de geneeskundige zorg in
artikel 2.4.
Het gaat in artikel 2.11
met betrekking tot de verpleging waarover het CTZ in zijn rapport "Verkennend onderzoek diabetesproject
Zuid-Limburg",
aangeboden bij brief van 6 mei 2004, CTZ/24041757, heeft geconstateerd dat deze
verpleging onder de zorg in de Ziekenfondswet valt. Het CTZ heeft dat
rapport uitgebracht naar aanleiding van vragen over de financiering van
transmurale zorg vanuit ziekenhuizen. In eerste aanleg ging het om
transmurale initiatieven voor zorg aan diabetespatiënten. Later zijn ook projecten
gestart voor andere aandoeningen zoals astma/COPD (chronic
obstructive pulmonary diseases), reuma en hartfalen. Doel was om
met behulp van samenhangende zorg winst in gezondheid en welzijn te
bereiken. Het betreft zorgverlening voor chronisch zieken in een
zogenoemd diseasemanagementmodel. Centraal in de zorgverlening staat
dat aan patiënten advies, instructie en voorlichting en
gespecialiseerde verpleegkundige zorg wordt gegeven.
Voor de zorg is een
behandelprotocol opgesteld. In het behandelprotocol zijn drie routes
opgenomen voor in aanmerking komende patiënten met diabetes.
Deze routes zijn van belang bij het vaststellen of de verleende zorg - toen
- verzekerd is op grond van de Ziekenfondswet dan wel op grond van de AWBZ. Route 1 betreft nieuwe of slecht gereguleerde
diabetespatiënten waarbij de internist verantwoordelijk is voor de behandeling. De
kosten van de verpleging in deze situatie komen ten laste van het
ziekenhuisbudget. Het CTZ constateerde dat de kosten dan gedragen moeten
worden door de ziekenfondsverzekering en de particuliere
ziektekostenverzekeringen.
Bij route 3 gaat het om
verpleegkundige zorg aan diabetespatiënten gekoppeld aan behandeling
door de huisarts. Bij deze route komen de kosten van verpleging ten
laste van de AWBZ, zo constateerde het CTZ. Het gaat hier immers om
verpleging in de thuissituatie.
Route 2 zit daar tussenin.
Op basis van deze
conclusie van het CTZ is artikel 2.11 geformuleerd. Indien er sprake is van
verpleging in verband met medisch-specialistische zorg, valt deze onder de
Zvw. Dit geldt indien er sprake is van verblijf
(artikel 2.10) en indien
verblijf niet aan de orde is.
Is er sprake van
verpleging in verband met geneeskundige zorg als bedoeld in artikel
2.4,
niet zijnde medisch-specialistische zorg, dan valt die alleen onder de Zvw
indien er sprake is van verblijf.
Artikel 2.12
Deze bepaling regelt de
kraamzorg naar inhoud en omvang zoals die in de ziekenfondsverzekering
geregeld waren. Ingevolge het aanvaarde amendement-Van der Vlies
en Smilde nr. 20 is in artikel 10, eerste lid, onderdeel f, van de
Zvw nadrukkelijk geregeld dat verzorging ook kraamzorg omvat. Bij de
eigen bijdrage voor kraamzorg gaat het om een bedrag per uur voor
kraamzorg thuis en een bedrag per dag bij verblijf in een instelling indien
het gaat om verblijf zonder medische indicatie. Indien de kosten per
verblijfsdag hoger zijn dan een bepaald bedrag, betaalt de verzekerde
bovendien het meerdere bij.
Artikel 2.13
In dit artikel is het
vervoer per ambulance geregeld. Anders dan in de Regeling ziekenvervoer Ziekenfondswet is in de formulering geen
onderscheid meer gemaakt
tussen vervoer in Nederland en vervoer van en naar het buitenland.
Het vervoer is in
beginsel gemaximeerd tot vervoer over een afstand van 200 kilometer (enkele
reis). Daarmee is aangesloten bij hetgeen het CVZ
in zijn Circulaire
van 25 juni 2003, 04/45, aan de uitvoeringsorganen van de Ziekenfondswet
en AWBZ heeft aangegeven als een redelijke toepassing van het ziekenvervoer. Het CVZ heeft deze circulaire opgesteld
naar aanleiding van de
uitspraak die het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft
gedaan in de zaken Müller-Fauré en Van Riet (C-385/99).
In de situatie dat de
zorgverzekeraar de verzekerde toestemming geeft zich te wenden tot een
verder weg gevestigde instelling of beroepsbeoefenaar bestaat echter recht op
vervoer over een grotere afstand. Dit wordt geregeld in het
tweede lid.
Artikel 2.14
In eerste lid is het
vervoer geregeld per auto, anders dan ambulancevervoer, en per openbaar vervoer.
Conform de Regeling ziekenvervoer Ziekenfondswet gaat het
daarbij slechts om vier situaties waarbij recht bestaat op dat vervoer.
Ook hier geldt de beperking van maximaal 200 kilometer (enkele reis).
Het derde lid betreft de
hardheidsclausule zoals die ook onder de ziekenfondsverzekering
gold.
Het vierde lid regelt
dezelfde uitzondering op de 200 kilometer als artikel
2.13, tweede lid.
Artikel 2.15
Deze bepaling gold
eveneens onder de ziekenfondsverzekering. Bij deze uitzondering kan gedacht
worden aan vervoer per helikopter. Dit speelt vooral bij medisch
noodzakelijk vervoer vanaf de waddeneilanden.
Artikel 2.16
Deze bepaling strekt
ertoe bij ministeriële regeling een eigen bijdrage te regelen voor het in
artikel 2.14 geregelde vervoer. Het gaat om een eigen bijdrage voor
vervoer tot een bepaald bedrag per twaalf maanden. Hierbij gaat het niet om
een kalenderjaar, maar om een termijn die ingaat op het moment dat van het
vervoer gebruik gemaakt gaat worden.
§ 2. Het eigen risico
Artikel 2.17
Eind maart 2005 hebben
VWS, Zorgverzekeraars Nederland (ZN) en de Landelijke Huisartsen
Vereniging (LHV) afspraken gemaakt over een nieuw bekostigingssysteem van
huisartsenzorg. De hoofdlijnen van dat systeem zijn bij brief van 8
april 2005 aan de Tweede Kamer uiteengezet (Kamerstukken II 2004-2005, 29 247, nr.
24).
Samengevat komt het erop
neer dat een huisarts of instelling die huisartsenzorg verleent
voor iedere patiënt die hij of zij inschrijft als tegenprestatie voor zijn
beschikbaarheid een bedrag in rekening zal mogen brengen. Dit mag op
het moment waarop de patiënt zich bij hem inschrijft (tenzij deze
reeds bij een andere huisarts of instelling is ingeschreven) en
vervolgens ieder jaar. Het bedrag dat de huisarts of instelling in rekening
mag brengen, is ten hoogste het "beschikbaarheidstarief" dat het College
tarieven gezondheidszorg op grond van de Wtg
(in de toekomst: op grond van
de Wet marktordening
gezondheidszorg (Wmg)) zal vaststellen. Het
bedrag kan echter, indien de zorgverzekeraar van de verzekerde en zijn
huisarts of instelling dit in een zorgovereenkomst zijn
overeengekomen, ook lager zijn.
In zo’n
zorgovereenkomst kan tevens zijn neergelegd dat de huisarts of instelling een
additioneel bedrag in rekening mag brengen indien hij of zij wegens extra
werkzaamheden meer kosten heeft (te denken valt aan het werken met
praktijkondersteuners, het houden van een diabetesspreekuur of het deelnemen aan
farmacotherapeutisch overleg) indien zijn patiëntenbestand
bijzondere kenmerken heeft (bijvoorbeeld indien de leeftijd van zijn
patiënten veel hoger is dan het gemiddelde) of indien de huisvestingskosten van
de
praktijk hoger zijn dan gemiddeld. Het ligt in de rede dat de huisarts of
instelling dan met de zorgverzekeraar afspreekt dat hij deze gelden per
ingeschreven verzekerde van de zorgverzekeraar ontvangt. Aan patiënten
van zorgverzekeraars waarmee geen zorgovereenkomst is
gesloten, mogen deze bedragen niet in rekening worden gebracht.
Ten slotte mag een
huisarts of instelling voor ieder consult een bedrag in rekening brengen,
wederom tot aan het maximum daar daarvoor op grond van de Wtg is
vastgesteld.
Is een patiënt reeds bij
een andere huisarts ingeschreven, dan mag de huisarts of instelling
waar de patiënt - bijvoorbeeld omdat deze op zijn vakantieadres op zorg
aangewezen raakt - een passantentarief in rekening brengen.
De verplichting om voor
het ingeschreven staan een beschikbaarheidsvergoeding te betalen, zou verzekerden die een zorgverzekering met een
eigen risico hebben ertoe
kunnen bewegen zich pas bij een huisarts in te schrijven op het moment
waarop zij zorg nodig hebben. Zowel vanuit het oogpunt van continuïteit
van de zorgverlening aan de verzekerde als vanuit het doel van het
beschikbaarheidstarief, te weten het leveren van een vergoeding aan de
aanbieder voor zijn beschikbaarheid als leverancier voor huisartsenzorg, wordt dit ongewenst geacht. Daarom is
in artikel 2.17 de
vergoeding voor de beschikbaarheid van de huisartsenzorg buiten het
eigen risico gehouden. Hetzelfde geldt voor de tegelijk met deze vergoeding in rekening te brengen bedragen voor extra
werkzaamheden, voor een
patiëntenbestand met bijzondere kenmerken of voor een lokatie met
bijzondere kenmerken, voor zover althans over één of meer van deze modules
afspraken zijn gemaakt met de zorgverzekeraar van de patiënt en
bovendien is afgesproken dat deze kosten per verzekerde van die zorgverzekeraar
die zich bij de desbetreffende huisarts of instelling wenst in te
schrijven tegelijk met het bedrag voor de inschrijving in rekening
worden gebracht.
De delegatiebasis voor
artikel 2.17 zal door middel van een in de Invoerings-
en aanpassingswet Zorgverzekeringswet op te nemen wijziging van de Zvw in
artikel 20 Zvw
worden
opgenomen.
Het consulttarief en het
passantentarief vallen wél onder het eigen risico. In dezen is de
situatie anders dan bij de no-claimteruggave. Voor het berekenen van die
teruggave tellen kosten van zorg zoals huisartsen die plegen te bieden
namelijk in het geheel niet mee (zie artikel 2.19).
Aangezien
beschikbaarheidsvergoeding en afgesproken extra vergoedingen noch voor de
no-claimteruggave, noch voor een eigen risico meetellen, komen deze
kosten - uiteraard mits de patiënt een zorgverzekering heeft - geheel voor rekening van zijn zorgverzekeraar.
§ 3. De
no-claimteruggave
Artikel 2.18
Het eerste lid van deze
bepaling regelt het maximale no-claimteruggavebedrag.
Dit is het bedrag dat wordt uitgekeerd na afloop van het
kalenderjaar aan mensen die in het geheel geen zorg hebben gebruikt. De overige leden regelen het indexcijfer en de
afrondingsregels. Anders
dan bij de no-claimteruggave op grond van de Ziekenfondswet
is de
afronding op veelvouden van €|10,- geregeld. Daarmee wordt bereikt dat
de indexering leidt tot een maximale no-claimteruggave in
herkenbare bedragen.
Voor 2006 geldt, net als
voor 2005 in de ziekenfondsverzekering gold, een bedrag van €|255,-.
Dit bedrag was voor 2005 verhoogd van €|250,- naar €|255,- vanwege het
buiten de no-claimteruggaveregeling laten van de huisartsenzorg. Het is
niet de bedoeling dat dit bedrag door de gekozen afronding op een veelvoud
van €|10,- naar beneden lager wordt dan €|255,-. Om dit te
voorkomen, is het vijfde lid getroffen.
Artikel 2.19
Het eerste lid geeft
uitvoering aan artikel 22, vijfde lid, onderdeel b, van de
Zvw. De
zorgverzekeraar is verplicht om uiterlijk op 31 maart van het kalenderjaar volgend op
het kalenderjaar waarop de no-claimteruggave betrekking heeft de
no-claimteruggave uit te betalen door overmaking op de bankrekening van de
verzekerde.
In het tweede lid is, net
als bij ziekenfondsverzekering, geregeld dat de kosten van verloskundige
zorg en kraamzorg niet meetellen bij de no-claimteruggave. Tevens
is geregeld dat de kosten van de zorg zoals huisartsen die plegen te
bieden niet meetellen. Door de functiegerichte omschrijving geldt deze uitzondering dus ook indien de zorg door anderen
dan de huisarts wordt
verleend. De zorgverzekeraar zal in de zorgpolis duidelijk moeten aangeven
wanneer dat het geval is.
Als na vaststelling van
de uitkering nog rekeningen voor in het desbetreffende jaar
genoten zorg bij de zorgverzekeraar binnenkomen waarmee bij de berekening
van de no-claimteruggave geen rekening is gehouden, hebben deze
kosten ingevolge het derde lid gevolgen voor de inmiddels uitgekeerde
no-claimteruggave. Dit kan nog tot en met uiterlijk 31 maart van het
kalenderjaar daarna. Bijvoorbeeld rekeningen voor de in 2006 genoten zorg die nog
binnenkomen nadat de no-claimteruggave al in 2007 is uitgekeerd, maar
vóór 1 april 2008, kunnen ertoe leiden dat de vastgestelde
no-claimteruggave over 2006 alsnog lager wordt vastgesteld; daardoor ontstaat er een
vordering van de zorgverzekeraar op de verzekerde aan wie de
no-claimteruggave is uitbetaald. Voor zover de betrokken verzekerde op
dat latere tijdstip nog is ingeschreven bij dezelfde zorgverzekeraar,
kan de terugbetaling - voor zover dat mogelijk is - eventueel worden
verrekend met de no-claimteruggave over 2007. Als de verzekerde over 2007
geen no-claimteruggave van die zorgverzekeraar ontvangt, omdat hij in
2007 veel zorg heeft geconsumeerd of omdat hij inmiddels is ingeschreven
bij een andere zorgverzekeraar, zal de zorgverzekeraar op andere wijze tot verrekening met de verzekerde
moeten komen.
De extra termijn van één
jaar waarbinnen met alsnog ontvangen rekeningen rekening wordt
gehouden, lijkt op het eerste gezicht lang. Bedacht moet echter
worden dat de zorgaanbieders hun rekeningen soms vele maanden na de
zorgverlening verzenden. Bovendien zullen DBC’s pas na afsluiting ervan in
rekening worden gebracht. Ook DBC’s kunnen een duur van vele maanden
kennen. Ten slotte is het voordeel van het precies nemen van één jaar (in
plaats van, bijvoorbeeld, negen maanden) dat verrekening met de no-claimteruggave voor het daaropvolgende zorgjaar
kan plaatsvinden.
Rekeningen met betrekking
tot zorg in 2006 die na 31 maart 2008 binnenkomen, tellen niet
meer mee.
Hoofdstuk 3.
Zorgverzekeraars
§ 1. De
vereveningsbijdrage
§ 1.1. De onderverdeling
van het macroprestatiebedrag in macrodeelbedragen
Artikel 3.1
Het
macroprestatiebedrag
wordt onderverdeeld in vier onderscheiden macrodeelbedragen, voor verschillende categorieën van prestaties
(eerste lid).
De som van de macrodeelbedragen variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van
specialistische hulp en vaste kosten van ziekenhuisverpleging zijn gerelateerd aan de raming van het deel van de
kosten van geneeskundige
zorg zoals medisch specialisten die plegen te bieden, met uitzondering
van zorg zoals klinisch psychologen en psychiaters die plegen te bieden, alsmede de kosten van verblijf,
verpleging en verzorging
(met uitzondering van verblijf in verband met geneeskundige ggz), voor
zover deze prestaties voor vergoeding op grond van de Zvw
in aanmerking komen. Het macrodeelbedrag kosten van
geneeskundige ggz is
gerelateerd aan de kosten van geneeskundige zorg zoals klinisch
psychologen en psychiaters die plegen te bieden en het hiermee gepaard
gaand
verblijf, voor zover deze prestaties voor vergoeding op grond van
de Zvw in aanmerking komen. Het macrodeelbedrag kosten van overige
prestaties is gerelateerd aan de geraamde kosten van alle overige Zvw-prestaties die niet zijn opgenomen in de drie
eerder genoemde macrodeelbedragen.
In de eerste plaats is
bij de berekening van het macroprestatiebedrag de raming van de kosten
maatgevend voor de omvang ervan en niet de raming van de
financiering. Het verschil tussen beide vormt de raming van de mutatie van de
financieringsachterstand bij zorgaanbieders. De hoofdregel is dat slechts
eenmaal per jaar het macroprestatiebedrag wordt bepaald aan de hand
van de ramingen in de rijksbegroting van het betreffende jaar. Een
mogelijke uitzondering op deze hoofdregel betreft de middelen die tijdens het
voorgaande jaar beschikbaar zijn gesteld en waarmee nog geen rekening
was gehouden in de ramingen van het vorige jaar.
Wellicht ten overvloede
wordt nog opgemerkt dat weliswaar nacalculatie op de premielast
plaatsvindt om te waarborgen dat werkgevers daadwerkelijk 50% van de
totale macropremielast dekken, maar dat dit zich niet hetzelfde jaar
vertaalt in een nacalculatie op de financiële stroom van het
Zorgverzekeringsfonds naar de zorgverzekeraars.
Binnen de kosten van
ziekenhuiszorg maken met name de op dit moment door
zorgverzekeraars nauwelijks beïnvloedbare en via verzekerdenkenmerken
slecht normeerbare kapitaalslasten van ziekenhuisvoorzieningen
een verdere splitsing in (voor zorgverzekeraars) vaste en variabele kosten
noodzakelijk. Doordat - na de integrale invoering van DBC-financiering bij ziekenhuizen en
medisch specialisten per 1 januari 2005 - nog verdere ontwikkeling van de
DBC-systematiek voorzien is in de jaren
na 2005, kan van jaar op jaar variëren welke soorten tarieven binnen
de ziekenhuisverpleging worden gedeclareerd en hoe deze in termen van
vaste en variabele kosten dienen te worden aangemerkt. Daarom wordt
de precieze splitsing van vaste en variabele kosten bij ministeriële
regeling vastgelegd. Als de DBC-situatie over enkele jaren stabiel is, dan zal
de wijze van splitsing van vaste en variabele kosten in dit besluit worden
opgenomen.
Bij de discussie over
welke kosten als vast en welke kosten als variabel dienen te worden
aangemerkt, speelt overigens ook een rol hoe in de toekomst omgegaan wordt
met de overeenkomsten. Tevens is van belang hoe financiering
plaatsvindt van ziekenhuiskosten die niet via DBC’s gefinancierd (kunnen)
worden. Een mogelijk eindplaatje is dat de zorg die gefinancierd wordt
middels DBC’s (waaronder al dan niet ook de kapitaalslasten vallen) aangemerkt worden
als variabele kosten ziekenhuisverpleging en de overige kosten van
ziekenhuisverpleging en specialistische hulp als vaste kosten
ziekenhuisverpleging.
Het tweede lid geeft weer
dat bij ministeriële regeling de hoogte van de macrodeelbedragen per
categorie van prestaties wordt bepaald.
De kosten van
geneeskundige verzorging van Nederlandse verzekerden die op grond van een
internationale overeenkomst (dit is: een overeenkomst gesloten met een andere
lidstaat van de Europese Unie dan wel een andere staat die
partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte of een staat waarmee Nederland een verdrag inzake sociale
zekerheid heeft gesloten) recht op zorg in het buitenland hebben, komen
voor rekening van de zorgverzekeraars bij wie de verzekerden zijn
aangesloten. Betaling van deze kosten geschiedt via het CVZ. Het College
betaalt aan het bevoegde buitenlandse orgaan. Het CVZ brengt vervolgens
deze kosten in rekening bij de betrokken zorgverzekeraar.
Met een aantal landen is,
vanuit administratief oogpunt, een akkoord gesloten waarin is
afgesproken om af te zien van verrekening van de kosten van geneeskundige
verzorging (zogenaamde waivers). Waivers zorgen er in beginsel voor dat de
kosten die Nederlandse verzekerden in deze landen maken niet ten laste
komen van hun zorgverzekeraars. Deze situatie kan leiden tot een ongelijke
behandeling van zorgverzekeraars. Een zorgverzekeraar waarvan
een verzekerde medische kosten maakt in een waiverland hoeft deze
kosten niet te betalen, terwijl kosten die in een ander verdragsland worden
gemaakt wel voor rekening van de zorgverzekeraar komen.
Dit gaat in tegen het genoemde uitgangspunt dat medische kosten in een verdragsland ten laste komen van de
zorgverzekeraar. Daarbij
komt dat de kosten die personen uit waiverlanden in Nederland maken
weliswaar niet verrekend worden met het buitenland, maar wel door
het CVZ worden vergoed.
Doordat geen
administratie wordt bijgehouden van de medische kosten van Nederlandse
verzekerden in waiverlanden, kunnen deze kosten door het College niet aan een
bepaalde zorgverzekeraar worden toegerekend. Daarom is gekozen voor de
volgende oplossing.
Uitgaande van een
evenwichtige verhouding tussen de kosten die Nederlandse verzekerden
in waiverlanden maken en de kosten die verzekerden uit deze
landen in Nederland maken, wordt bij de vaststelling van het macroprestatiebedrag rekening gehouden dat een verzekeraar
de kosten waarvan een
verzekerde medische kosten maakt in een waiverland deze niet behoefd te
betalen en de kosten die verzekerden uit waiverlanden maken in Nederland door
het CVZ vergoed [lees: dat een verzekeraar waarvan een
verzekerde medische kosten maakt in een waiverland deze kosten niet behoefd te
betalen en de kosten die verzekerden uit waiverlanden maken in Nederland door
het CVZ worden vergoed, red.].
Bepaalde groepen personen
die in het buitenland wonen, hebben op grond van een
internationale overeenkomst ten laste van Nederland recht op (vergoeding van de
kosten van) geneeskundige zorg. Het gaat hier om personen met
(uitsluitend) een Nederlands pensioen en hun gezinsleden, alsmede de gezinsleden
van werknemers en grensarbeiders. Deze personen dienen aan het
CVZ een bijdrage te betalen. Het CVZ stort de ontvangen bijdragen in
het Zorgverzekeringsfonds. De kosten van geneeskundige verzorging van deze personen worden door het CVZ
betaald uit het
Zorgverzekeringsfonds. Deze kosten worden in mindering gebracht op het
macroprestatiebedrag.
§ 1.2. De verdeling van
de macrodeelbedragen en de berekening van het normatieve bedrag ten
behoeve van, en de bijdrage aan, een zorgverzekeraar
Artikel 3.2
Dit artikel verwijst voor
de verdeling van de onderscheiden macrodeelbedragen door naar de volgende
artikelen.
Artikel 3.3
Het
macrodeelbedrag
variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van
specialistische hulp wordt geheel verdeeld op grond van de criteria
"leeftijd en geslacht", "FKG’s", "DKG’s",
"aard van het inkomen" en "regio".
De basisverdeling van het macrodeelbedrag vindt plaats via het criterium "leeftijd en
geslacht", met hierbij toe- en afslagen op grond van andere verdeelcriteria.
Bij de gewichten voor de verschillende criteria wordt rekening gehouden
met de samenhang tussen de criteria. Zo wordt bij het gewicht voor
oudere verzekerden rekening gehouden met het feit dat ouderen relatief vaak
aan chronische ziekten lijden en op grond hiervan voor een toeslag
op grond van FKG’s en/of DKG’s in aanmerking komen.
Het CVZ
deelt verzekerden
in naar FKG-klasse aan de hand van het geneesmiddelengebruik van
verzekerden in het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de
bijdragen aan de zorgverzekeraars wordt berekend. Hierbij wordt een
indelingstabel gehanteerd van artikelnummers van geneesmiddelen die in dit
voorafgaand jaar (jaar t-1) zijn voorgeschreven en die gekoppeld zijn aan
de verschillende FKG’s. Indien aan een verzekerde meer dan 180-maal de "daily defined dosis" (DDD) van een relevant geneesmiddel is
afgeleverd, wordt deze verzekerde ingedeeld bij één van de
onderscheiden FKG’s.
De gewichten die de minister koppelt aan de FKG’s zijn gebaseerd op onderzoek naar de
voorspelbare vervolgkosten van verzekerden die zijn ingedeeld bij een
FKG.
Naast FKG’s is ook
sprake van een ander verdeelkenmerk waarmee chronisch zieken worden geïdentificeerd:
diagnosekostengroepen
(DKG’s), een
gezondheidsindicator op basis van zorggebruik in ziekenhuizen. Het idee achter DKG’s
is dat verzekerden die in jaar t-1 met bepaalde diagnosen zijn opgenomen in een ziekenhuis, in jaar t
gemiddeld hogere
(vervolg)kosten zullen hebben en dat de zorgverzekeraar hiervoor
gecompenseerd kan/moet worden middels een extra vergoeding.
Uitgesloten zijn diagnosen die een incidenteel karakter hebben (bijvoorbeeld
beenbreuken). In tegenstelling tot FKG’s, die elk naar een zelfstandige
medisch homogene aandoeningengroep verwijzen, zijn DKG’s clusters van aandoeningengroepen. De aandoeningengroepen
worden geïdentificeerd
op grond van informatie over uitgevoerde DBC’s in het jaar voorafgaand aan
het jaar waarvoor de bijdragen aan de zorgverzekeraars wordt
berekend. Deze DBC’s zijn samengevoegd op basis van klinische
homogeniteit in een aantal diagnosegroepen. Alleen die diagnosegroepen zijn bij
het DKG-verdeelkenmerk betrokken waarvan door een groep van
medische deskundigen is vastgesteld dat zij eenduidig wijzen op de
aanwezigheid van ernstige, chronische aandoeningen.
Door via FKG’s en DKG’s
voor aandoeningen met een chronisch karakter te compenseren, verbetert
de gewenste prikkelstructuur in het model: zorgverzekeraars hebben
er niet langer financieel nadeel van indien ze zich door goede zorg te
verlenen aan chronisch zieken aantrekkelijk maken voor deze groepen.
Zowel voor FKG’s als DKG’s
geldt dat, omdat bij de ex-anteberekening van de bijdragen aan zorgverzekeraars nog niet alle informatie uit het
voorafgaande jaar bekend
is, bij de ex-antesituatie uitgegaan wordt van gegevens van nog één
jaar eerder (jaar t-2). Bij de herberekening van de normatieve bedragen (ex
post) gaat het CVZ
wel uit van gegevens over het voorafgaand jaar.
Bij FKG’s en DKG’s
gaat het niet om statische criteria die eenmalig worden vastgesteld, maar
om criteria die regelmatig worden geactualiseerd. Jaarlijks wordt na
afstemming met enerzijds medische experts en anderzijds verzekeraars
nagegaan in hoeverre de gehanteerde FKG’s en DKG’s op afdoende wijze
chronische ziekten in beeld brengen, zodat prikkels voor
risicoselectie worden gereduceerd, en in hoeverre de juiste prikkels voor adequate
zorgverlening uitgaan van het hanteren van de verschillende specifieke FKG’s en DKG’s. Bij FKG’s speelt daarbij tevens de
grote dynamiek van de
geneesmiddelenmarkt (introductie van middelen voor "nieuwe"
aandoeningen; vervanging van oude door nieuwe middelen) een belangrijke rol, terwijl bij DKG’s de verdere ontwikkeling
van DBC’s aandacht
vraagt. Speciaal aandachtspunt in dit onderhoud van FKG’s en DKG’s zijn
de zeldzame chronische ziekten.
Bij de toepassing van het
criterium "aard van het inkomen" wordt per zorgverzekeraar
onder meer
rekening gehouden met het aantal verzekerden dat afhankelijk is van
verschillende soorten uitkeringen. Uit jarenlang onderzoek komt
naar voren dat verzekerden met bijvoorbeeld een
arbeidsongeschiktheidsuitkering of een bijstandsuitkering aanmerkelijk hogere kosten kennen dan
verzekerden die niet van een uitkering afhankelijk zijn. Dit
geldt zelfs als rekening wordt gehouden met de aanwezigheid van
chronische ziekten, als geïdentificeerd door FKG’s en DKG’s. Door met
kostenverschillen naar de aard van het inkomen rekening te houden in de
risicoverevening wordt een prikkel tot risicoselectie uitgesloten.
Aandachtspunt is dat
binnen de Zvw
- in tegenstelling tot de huidige Ziekenfondswet
- geen
relatie bestaat tussen de aard van het inkomen en verzekeringsgerechtigheid.
De administratie van zorgverzekeraars bevat dan ook geen gegevens
over het verdeelkenmerk "aard van het inkomen". De operationalisering van
het verdeelkenmerk "aard van het inkomen" zal plaats moeten vinden aan
de hand van externe bronnen. Hierbij kan zowel gedacht worden aan
informatie op postcodeniveau van bijvoorbeeld het CBS [Centraal
bureau voor de statistiek, red.] als aan data op individuniveau afkomstig van bijvoorbeeld
het UWV [Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, red.].
Nadere invulling van dit
verdeelkenmerk zal worden gegeven bij ministeriële regeling.
Voor de toepassing van
het regiocriterium is het aantal verzekerden naar clusters van
postcodegebieden relevant. Aan ieder cluster is een gewicht gekoppeld. De
clustering van postcodes vindt in principe plaats aan de hand van een model
dat in onderzoek ter zake is gehanteerd. Dit model verklaart op
postcodeniveau verschillen tussen het gemiddelde normatieve bedrag per
verzekerde (zonder toepassing van het regiocriterium) en de werkelijke
gemiddelde kosten per verzekerde met behulp van indicatoren voor door zorgverzekeraars op korte termijn niet te
beïnvloeden verschillen
met betrekking tot zorgaanbod, sociaal-economische omstandigheden en
resterende gezondheidsverschillen. De minister baseert de
vaststelling van de aan de clusters te koppelen gewichten op grond van de
uitkomsten van dit onderzoek. Bij de regiogewichten kan
rekening worden gehouden met zeer uitzonderlijke geografische
omstandigheden die niet in het algemene verklaringsmodel kunnen worden gevat.
De criteria "leeftijd en geslacht",
"FKG’s", "DKG’s", "aard van het inkomen" en
"regio"
zijn elk onderverdeeld in klassen. Deze klassen worden weergegeven bij
ministeriële regeling. Het CVZ bepaalt het normatieve bedrag van een
zorgverzekeraar aan de hand van een raming van de
verzekerdenaantallen naar klasse van verzekerden, de normbedragen naar
leeftijd en geslacht en de optelling van de toe- en afslagen op grond van FKG’s
en DKG’s, aard van het inkomen en regio.
Artikel 3.4
Bij het
macrodeelbedrag
vaste kosten van ziekenhuisverpleging wordt in het verdeelmodel een
onderscheid gemaakt tussen de vergoedingen voor uitgaven die
gefinancierd worden op basis van vaste bedragen per verzekerde en de
vergoeding voor overige vaste kosten van ziekenhuisverpleging die gebaseerd is op
historische overige vaste kosten van ziekenhuisverpleging per
verzekerde per zorgverzekeraar.
Achtergrond van deze
splitsing is dat sinds 1 januari 2005 de financiering van de academische
component, dat is het deel van het ziekenhuisbudget van
academische ziekenhuizen waarmee hun specifieke taken worden gedekt die
liggen op het terrein van de behandeling van topreferente patiënten,
de ontwikkel- en innovatiefunctie van nieuwe vormen van diagnostiek en
behandeling, alsmede de opleidingskosten, niet langer uit de
reguliere tarieven wordt gedekt. In plaats hiervan is sprake van financiering
middels een apart fonds dat gevuld wordt door zorgverzekeraars op basis
van een vast bedrag per verzekerde. Idee hierbij is dat de uitgaven ten
behoeve van de academische component niet zozeer ten goede komen
van de individuele patiënt die een academisch ziekenhuis bezoekt, maar
betrekking hebben op de gemeenschappelijke meerwaarde van
academische ziekenhuizen die ten goede komt aan de hele populatie. In het
risicovereveningssysteem wordt de vergoeding voor de kosten van de
academische component genormeerd op basis van een vast bedrag per
verzekerde. Niet uit te sluiten is dat in de loop der jaren ook andere
kostencategorieën op een dergelijke manier worden gefinancierd.
De overige vaste kosten
worden genormeerd op basis van historische vaste kosten. Ex ante
wordt uitgegaan van vaste kosten in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar
waarop de berekeningen betrekking hebben, waarbij de vaste kosten
eerst geschoond worden voor betalingen samenhangend met de
academische component en eventuele andere kosten die worden
gefinancierd middels een vast bedrag per verzekerde. Bij de herberekening van
het deelbedrag (ex post) wordt uitgegaan van vaste kosten in het jaar voorafgaande aan het jaar waarop de berekeningen
betrekking hebben,
wederom geschoond voor de betalingen samenhangend met de
academische component en eventuele andere kostencategorieën die worden gefinancierd middels een gelijk bedrag per
verzekerde. Bij de
berekening van het deelbedrag in de ex-antesituatie is dat niet mogelijk, omdat
de overige vaste kosten van het voorgaande jaar dan nog niet bekend zijn.
Door bij de herberekening van het normatieve bedrag, in de
ex-postsituatie, uit te gaan van een recenter
kostenbeeld sluit naar verwachting
het deelbedrag goed aan bij de kosten.
Artikel 3.5
Het
CVZ verdeelt het macrodeelbedrag kosten van geneeskundige ggz op grond van in elk geval
de normatieve criteria "leeftijd en geslacht" en "regio". Het streven is
op termijn deze set van criteria uit te breiden met meer directe indicatoren
van de geestelijke gezondheidstoestand. Bij het van start gaan van de Zvw ontbreekt empirisch materiaal om de
gewichten voor dergelijke
meer geavanceerde criteria vast te stellen. De minister kan bij de
vaststelling van deze gewichten, daar waar de minister geen gebruik kan maken
van historische gegevens omdat die niet beschikbaar zijn, uitgaan
van een andere basis.
Artikel 3.6
Het
CVZ verdeelt het macrodeelbedrag overige prestaties op grond van de normatieve criteria
"leeftijd en geslacht", "FKG", "DKG",
"aard van het inkomen" en "regio".
Het CVZ past deze verdeelcriteria op dezelfde wijze toe als bij de verdeling
van het macrodeelbedrag variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp
(artikel 3.3), met
dien verstande dat de
gewichten die de minister aan de criteria toekent per macrodeelbedrag
kunnen verschillen.
Artikel 3.7
Dit artikel regelt de
vaststelling van het totale normatieve bedrag van en bijdrage aan een
zorgverzekeraar. Hiertoe worden eerst de deelbedragen per categorie van
prestaties gesommeerd tot één normatief bedrag. Om de uiteindelijke bijdrage
aan de zorgverzekeraar vast te stellen, wordt dit normatieve bedrag
verlaagd met de opbrengst van de nominale rekenpremie en de gemiddelde
no-claimteruggave.
Door deze werkwijze
worden de risicoverschillen tussen verzekerden niet slechts voor het
deel van de zorguitgaven die via het Zorgverzekeringsfonds wordt vergoed,
verdisconteerd, maar voor de volle honderd procent. In principe
kunnen zorgverzekeraars voor alle verzekerden, ongeacht hun
risicoprofiel, toe met een vergelijkbare nominale premie voor de vergoeding van
hun aanspraken.
§ 1.3. De herberekening
van het normatieve bedrag ten behoeve van een zorgverzekeraar en de
vaststelling van de bijdrage aan een zorgverzekeraar
Artikel 3.8
Na afloop van het jaar
worden de normatieve bedragen van de zorgverzekeraars
herberekend. In dit artikel zijn enkele uitgangspunten omtrent deze (ex-post)herberekening opgenomen.
Het eerste en tweede lid
van artikel 3.8 haken er bij aan dat de toepassing van
hogekostencompensatie gevolgen heeft voor de gewichten van verzekerden
bij de deelbedragen waar hogekostencompensatie van toepassing is. Ter
illustratie: verzekerden met een chronische ziekte,
geïdentificeerd door FKG’s en DKG’s, hebben gemiddeld hoge kosten en
hiermee een hoge kans dat hun kosten (voor een deel) worden ingebracht bij de
hogekostencompensatie. De feitelijke
risicodragende kosten van
een dergelijke verzekerde zijn dus lager dan de totale betaalde kosten.
Er kan dan ook in een
situatie van hogekostencompensatie volstaan worden met een lagere
toeslag voor FKG’s en DKG’s dan wanneer er geen sprake zou zijn van
hogekostencompensatie.
Bij de vaststelling van
het normatieve bedrag (en de hiervan afgeleide bijdrage uit het Zorgverzekeringsfonds) in de
ex-antesituatie wordt met
dergelijke interacties
tussen gewichten en hogekostencompensatie nog geen rekening gehouden.
Het is echter de bedoeling dat dit wel gebeurt bij de uiteindelijke
definitieve vaststelling van het normatieve bedrag in de ex-postsituatie. Hierbij
is het op grond van artikel 3.13, zesde lid, mogelijk om deze correctie van de
gewichten in verband met hogekostencompensatie nog niet toe te passen
bij de voorlopige ex-postherberekeningen, maar
alleen bij de definitieve herberekeningen.
Er is overigens bewust
voor gekozen om in de ex-antesituatie de correctie op de gewichten
in verband met hogekostencompensatie nog niet toe te passen, omdat
de ex-anteberekening van het normatieve bedrag en de hiervan
afgeleide bijdrage zo goed mogelijk moet aansluiten bij de feitelijke kosten
waarmee een zorgverzekeraar wordt geconfronteerd. Een eventueel
batig dan wel negatief saldo van hogekostencompensatie wordt pas zichtbaar bij
de ex-postherberekeningen van de bijdragen en op dit moment moet pas in de gewichten het effect van
hogekostencompensatie
verdisconteerd worden.
Het derde lid van artikel
3.9 haakt er bij aan bij dat de werkelijk gemaakte kosten de basis
van de herberekening vormen en aldus relevant zijn voor de
toepassing van de hogekostencompensatie, de verevening en de
nacalculatie. Voorts is de nacalculatie op basis van de werkelijke aantallen
verzekerden per zorgverzekeraar van belang. Hierdoor wordt het normatieve
bedrag van de zorgverzekeraar bijgesteld op grond van verschillen tussen
het geraamde en het werkelijke aantal verzekerden in het betreffende jaar.
In het vierde lid is
aangegeven volgens welke verdeelsleutel het CVZ
de kosten van in het
buitenland ingeroepen ziekenhuisverpleging en van specialistische hulp
aanmerkt als vaste kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van
specialistische hulp dan wel als variabele kosten van ziekenhuisverpleging en
kosten van specialistische hulp. Deze verdeelsleutel wordt bij ministeriële
regeling vastgelegd.
De overige kosten worden
behandeld als kosten van overige prestaties. Alle verrekende kosten
buitenland zijn op reguliere wijze relevant voor de toepassing van
hogekostencompensatie, verevening en nacalculatie.
Artikel 3.9
Het
CVZ stelt vast welke
tarieven voor ziekenhuiszorg worden aangemerkt als variabele kosten van ziekenhuiszorg, op grond van bij ministeriële
regeling vastgelegde
verdeelsleutels per tariefsoort. Doordat - na de integrale invoering van
DBC-financiering bij ziekenhuizen en medisch specialisten per 1 januari 2005
- nog verdere ontwikkeling van de DBC-systematiek voorzien
is in de jaren na 2005, kan van jaar op jaar variëren welke soorten
tarieven binnen de ziekenhuisverpleging worden gedeclareerd en hoe deze
in termen van vaste en variabele kosten dienen te worden aangemerkt. Als
de DBC-situatie over enkele jaren stabiel is, dan zal de wijze van
splitsing van vaste en variabele kosten in dit besluit worden opgenomen. Wel
ligt reeds vast dat alle declaraties van specialisten worden meegenomen bij het
deelbedrag variabele kosten van ziekenhuisverpleging en
kosten van specialistische hulp.
Op het deelbedrag
variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp
zijn, bij de inwerkingtreding van de Zvw, verschillende
compensatiemechanismen van toepassing. Het gaat hierbij om achtereenvolgens
hogekostencompensatie, verevening en nacalculatie. Bij ministeriële
regeling wordt nader vastgelegd in welke mate deze ex-postcompensatiemechanismen worden ingezet. Streven is deze
ex-postcompensatiemechanismen in zo kort mogelijke tijd af te bouwen,
waarbij afbouw van
generieke verevening prioriteit heeft. Zoals ook in het algemene deel van de
memorie van toelichting is aangegeven, kan bij de aanvang van de Zvw hier
echter vooralsnog niet omheen gegaan worden, vanwege enerzijds de
verbreding van de doelgroep van de risicoverevening en anderzijds de
invoering van DBC’s.
Artikel 3.10
Het
CVZ stelt vast welke
tarieven voor ziekenhuiszorg worden aangemerkt als vaste kosten van ziekenhuiszorg, op grond van bij ministeriële
regeling vastgelegde
verdeelsleutels per tariefsoort. Hierbij zal per tariefsoort het
percentage van de kosten dat als vaste kosten wordt aangemerkt gelijk zijn
aan 100% minus het percentage van de kosten dat als variabele
kosten wordt aangemerkt.
Het CVZ
past op dit deelbedrag een bij ministeriële regeling te bepalen mate van nacalculatie
toe. Het zal hierbij, in elk geval in de overgangsfase, om een relatief hoog
percentage gaan. Immers, op het moment dat juist de door zorgverzekeraars
nauwelijks beïnvloedbare en via verzekerdenkenmerken slecht normeerbare
kosten
van ziekenhuisverpleging worden aangemerkt als vaste
kosten van ziekenhuisverpleging, is het niet billijk zorgverzekeraars hier
veel financieel risico over te laten lopen. Op het moment dat de vaste
kosten van ziekenhuisverpleging alleen bestaan uit kosten die gefinancierd
worden middels gelijke bedragen per verzekerde, is de normeerbaarheid
optimaal en bestaat er geen noodzaak meer voor een hoge mate van nacalculatie.
Artikel 3.11
Ter bepaling van het
herberekende deelbedrag kosten van curatieve geestelijke
gezondheidszorg (ex post) wordt eerst hogekostencompensatie, vervolgens generieke
verevening en ten slotte nacalculatie toegepast. Ook hier geldt
weer dat bij ministeriële regeling nader invulling wordt gegeven aan de mate
waarin deze compensatiemechanismen worden ingezet.
De geneeskundige ggz
wordt met ingang van 1 januari 2007 overgeheveld van de AWBZ
naar de Zvw.
Bij zorgverzekeraars ontbreekt historische informatie
over de neerslag van kosten over verschillende groepen van verzekerden.
Met behulp van externe gegevensbronnen, waaronder
instellingsregistraties binnen de geestelijke gezondheidszorg, is zo goed mogelijk
getracht in kaart te brengen hoe de neerslag van kosten binnen de
curatieve geestelijke gezondheidszorg plaatsvindt over
verschillende groepen naar leeftijd, geslacht en regio. Het
gaat hierbij echter
om relatief ruwe ramingen, waardoor bij aanvang van de Zvw waarschijnlijk
sprake zal zijn van relatief sterke ex-postcompensatiemechanismen.
Met het vanaf 2006 beschikbaar komen van informatie over de
neerslag van kosten van geneeskundige ggz over verzekerden kan
enerzijds de set van verdeelcriteria worden uitgebreid en anderzijds de
gewichten van de gehanteerde verdeelcriteria nauwkeuriger worden geschat. Afbouw
van compensatiemechanismen kan dan ook in de jaren na 2006 plaatsvinden. Dit zal wel meerdere jaren vergen,
omdat de gegevens uit
2006 in elk geval niet beschikbaar zijn voor de vaststelling van de
gewichten voor 2007 en waarschijnlijk ook nog niet voor de vaststelling van
gewichten in 2008.
Artikel 3.12
Ter bepaling van het
herberekende deelbedrag kosten van overige prestaties (ex post)
wordt bij de inwerkingtreding van de Zvw eerst hogekostencompensatie en
vervolgens generieke verevening toegepast. Bij ministeriële
regeling wordt nader vastgelegd in welke mate deze ex-postcompensatiemechanismen worden ingezet. Streven is deze
ex-postcompensatiemechanismen in zo kort mogelijke tijd af te bouwen. Dit lijkt ook
mogelijk,
gegeven dat binnen de huidige Ziekenfondswet reeds geen sprake meer is
van generieke verevening en nacalculatie op deze categorie van
kosten.
Bij de aanvang van de Zvw
kan hier echter vooralsnog niet omheen gegaan worden,
samenhangend met de verbreding van de risicoverevening in de Zvw ten opzichte
van de Ziekenfondswet. Evenals voor het deelbedrag variabele
kosten van ziekenhuiszorg en kosten van specialistische hulp, is
er om deze reden sprake van een lager niveau van betrouwbaarheid bij de
ex-antenormering dan wenselijk. Vereveningsmechanismen zijn bij uitstek geschikt
om achteraf te corrigeren voor tekortschieten van de verdelende werking vooraf. Nacalculatie op deze
deelraming is op grond
van dit besluit mogelijk, al lijkt vooralsnog de noodzaak hiervoor nog
niet zo groot.
Artikel 3.13
In dit artikel zijn
bepalingen opgenomen omtrent de vaststelling van het herberekende normatieve
bedrag en de vaststelling van de bijdrage aan een zorgverzekeraar. De
bijdrage aan een zorgverzekeraar uit het Zorgverzekeringsfonds
bestaat uit de som van de herberekende deelbedragen van die
zorgverzekeraar (eerste lid), waarop eerst nog een post in mindering moet
worden gebracht (tweede lid). Het betreft hier de opbrengst van de nominale
rekenpremie, die wordt berekend door uit te gaan van het werkelijke
aantal premiebetalende verzekerden per zorgverzekeraar en het
bedrag van de nominale rekenpremie. Vervolgens vindt er een correctie
plaats voor de gemiddelde no-claimteruggave.
In 2005 was er binnen de Ziekenfondswet
sprake van 100% nacalculatie op de uitgaven die
zorgverzekeraars doen aan hun verzekerden in verband met de
no-claimteruggave.
Dit omdat het nog niet goed mogelijk was het effect van de
no-claimteruggaveregeling te verwerken in de normering. Voor de jaren na 2005,
binnen de Zvw, is een afbouwtraject op deze nacalculatie voorzien.
Besluitvorming moet nog plaatsvinden over op welke termijn en in welke
mate dit afbouwtraject gaat plaatsvinden. Op het punt van het eigen
risico ontvangen zorgverzekeraars in elk geval niet een dergelijke
compensatie. Gegeven dat zorgverzekeraars op vrijwillige basis eigen risico’s
kunnen aanbieden, is het niet meer dan logisch dat zij volledig risicodragend
zijn op dit punt.
Het derde en het vierde
lid geven weer dat het CVZ
aan de hand van de bovengenoemde stappen de bijdrage aan de zorgverzekeraars
herberekent en hierbij
informatie verschaft aan de zorgverzekeraars over de
bedragen die gehanteerd zijn in deze herberekening.
Het vijfde lid regelt de
bevoegdheid van het CVZ om, vooruitlopend op de (definitieve)
herberekening van de normatieve bedragen deze op voorlopige basis te
herberekenen. Reden voor een dergelijke tussentijdse herberekening is
onder meer dat het CVZ al vrij snel na ommekomst van het kalenderjaar inzicht
heeft in de daadwerkelijk gerealiseerde verzekerdenaantallen - uitgesplitst naar kenmerken
- op grond waarvan reeds een eerste
herberekening van de bijdrage kan plaatsvinden (verzekerdennacalculatie).
Definitieve kosteninformatie op grond waarvan mechanismen als
hogekostencompensatie, verevening en nacalculatie kunnen worden toegepast,
kent veelal een aanzienlijke vertraging. Pas als deze informatie
beschikbaar is, kan de definitieve herberekening van de bijdrage plaatsvinden.
Het zesde lid geeft aan
dat bij deze voorlopige herberekeningen het CVZ bevoegd is om vooralsnog
de correctie voor hogekostencompensatie op de gewichten nog niet toe
te passen.
§ 1.4. Nadere bepaling
met betrekking tot paragraaf 1.2 en paragraaf 1.3
Artikel 3.14
Dit artikel regelt de
bevoegdheid van het CVZ om bij de (ex-ante)berekening en
(ex-post)vaststelling van het normatieve bedrag van een zorgverzekeraar, daar
waar het CVZ geen gebruik kan maken van historische gegevens
omdat die niet beschikbaar zijn, uit te gaan van een andere basis. Het gaat
hierbij in elk geval om FKG’s, DKG’s en historische overige vaste kosten.
Zoals ook in de toelichting op artikel 3.3 en
3.4 is aangegeven,
zijn deze bij de ex-anteberekening van de normatieve bijdrage en de
hiervan afgeleide bijdrage gebaseerd op gegevens uit het tweede
jaar voorafgaand aan het jaar waarop de berekeningen betrekking
hebben (jaar t-2) en in de ex-postberekeningen op basis van gegevens uit
het eerste jaar voorafgaand aan het jaar waarop de berekeningen
betrekking hebben (t-1).
Bij nieuw toegelaten
zorgverzekeraars kan het voorkomen dat deze geen gegevens beschikbaar
hebben uit jaar t-2 en/of jaar t-1 en zal het CVZ gebruik moeten maken van
een andere basis die een goede benadering geeft van de ontbrekende
historische gegevens (eerste lid).
Bij deze alternatieve
basis valt te denken aan landelijke gemiddelden, liefst rekening houdend
met wél bekende karakteristieken van de verzekerdenpopulatie van
de nieuw toegelaten zorgverzekeraar. Als voorbeeld: wat betreft de
mate van voorkomen van FKG’s en DKG’s zou het CVZ uit kunnen gaan
van landelijke leeftijd-/geslachtspecifieke prevalenties,
vermenigvuldigd met de samenstelling naar leeftijd en geslacht van betreffende
zorgverzekeraar.
Expliciet is hierbij
aangegeven dat bij inwerkingtreding van de Zvw
de mogelijkheid bestaat om
voor een verzekeraar die als nieuwe rechtspersoon aan de Zvw deelneemt
gegevens te gebruiken van een voorgaande rechtspersoon.
Dit is geregeld in artikel 4.1.
In het tweede lid is
aangegeven dat het CVZ kan afwijken van de wel beschikbare historische
gegevens op het moment dat toepassing hiervan tot onredelijke en
niet-beoogde uitkomsten leidt. Hierbij valt te denken aan de situatie van
zorgverzekeraars met een snel groeiend verzekerdenbestand. In een dergelijke
situatie is het denkbaar dat de historische verzekerdenpopulatie die
betrokken is bij de vaststelling van het normatieve bedrag, bijvoorbeeld op
het punt van prevalenties van FKG’s en DKG’s, niet
representatief is voor het actuele verzekerdenbestand. In dit geval kan het CVZ van een
alternatieve basis uitgaan. Mocht CVZ gebruik maken van deze bepaling,
dan is hiertoe overleg met de minister aangewezen. Het CVZ heeft
niet de bevoegdheid de bepalingen van de nadere regelgeving te negeren en
de middelen in het Zorgverzekeringsfonds geheel naar eigen inzicht
te verdelen.
§ 1.5. Aanvullingen op
de bijdrage aan een zorgverzekeraar
Artikel 3.15
Verzekerden onder de 18
jaar zijn geen nominale premie verschuldigd. Verzekeraars hebben voor verzekerden onder de 18 jaar naast zorgkosten
ook beheerskosten
(administratie, zorginkoop). Via artikel 3.15 krijgen verzekeraars voor deze
kosten een vergoeding.
Artikel 3.16
Dit artikel geeft weer
dat in aanvulling op de bijdragen die zijn vastgesteld op grond van artikel
3.13 het CVZ een uitkering kan verstrekken in verband met zeer
uitzonderlijke omstandigheden. Het gaat hierbij alleen om nationale rampen,
waarvan bovendien bij ministeriële regeling is vastgesteld dat deze niet
opgevangen kunnen worden binnen het reguliere systeem van
risicoverevening. Een reden hiervoor kan zijn dat de kosten buitengewoon
omvangrijk zijn en hierbij ook nog eens afwijkend verdeeld zijn
over verzekerdengroepen in vergelijking met "reguliere" zorgkosten.
Bij ministeriële regeling wordt vastgelegd hoe de uitkering wordt bepaald.
Aandachtspunt is dat
artikel 33 van de Zvw aangeeft dat bij ministeriële regeling na aanvang van
het kalenderjaar middelen kunnen worden verstrekt waarbij in de memorie van toelichting wordt gewezen op ernstige rampen als
mogelijke reden om dergelijke extra middelen te verstrekken. Strikt
genomen gaat het dan om middelen ten behoeve van kosten in het jaar van de
ramp zelf. Door het opnemen van artikel 3.16 in dit besluit is er ook een
basis gecreëerd om eventuele vervolgschade in latere jaren te
vergoeden. Bijvoorbeeld de ervaringen rondom de Volendam-ramp van 1
januari 2001 laten zien dat in bepaalde gevallen de kosten van rampen nog
lang kunnen naijlen. Specifieke compensatie hiervoor kan geboden
zijn.
Artikel 3.17
Bij de vaststelling van
de bijdragen per zorgverzekeraar wordt geen rekening gehouden met
verschillen in de gemiddelde no-claimteruggave per verzekeraar. Dit
artikel geeft de mogelijkheid om via nadere bepalingen in de
ministeriële regeling daar wel rekening mee te houden.
Hoofdstuk 4.
Slotbepalingen
Artikel 4.2
In
artikel 2, eerste lid,
van de Zvw is geregeld dat degene die ingevolge de
AWBZ en de daarop
gebaseerde regelgeving van rechtswege verzekerd is, verplicht is zich
krachtens een zorgverzekering te (laten) verzekeren. De zorgverzekeraar dient dus
te kunnen vaststellen dat iemand die een zorgverzekering wenst af
te sluiten verzekeringsplichtig is ingevolge de Zvw.
De kring van verzekerden
AWBZ betreft onder meer degene die geen ingezetene is, doch ter
zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de
loonbelasting is onderworpen. Voorts wordt op grond van internationale
regelgeving de Nederlandse wetgeving van toepassing verklaard op degene die
anders dan in dienstbetrekking zijn beroepswerkzaamheden in Nederland uitoefent.
Dit gegeven wordt door de belastingdienst op
verzoek aan de zorgverzekeraars geleverd ten behoeve van de vaststelling van
de verzekeringsplicht.
De gegevenslevering door
de belastingdienst aan de zorgverzekeraars wordt geregeld bij
algemene maatregel van bestuur, omdat het gaat om een gegevenslevering aan
derden, niet-publieke instanties. Het uitgangspunt dat een
dergelijke gegevenslevering aan derden uitsluitend plaatsvindt op basis van
specifieke bepalingen in een algemene maatregel van bestuur is
bijvoorbeeld ook neergelegd in artikel 73 van de
Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI), zoals dat komt te luiden na
inwerkingtreding van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv).
Artikel 89 van de Zvw
zal in deze lijn worden aangepast in het
wetsvoorstel Invoerings- en aanpassingswet
Zorgverzekeringswet.
Alle
gegevensuitwisselingen vinden plaats met gebruik van het sofinummer, tot het
gebruik waarvan de zorgverzekeraar zowel bevoegd als gehouden is. De
gegevensuitwisseling met de belastingdienst vindt plaats met behulp van de
infrastructuur die al gedurende geruime tijd gebruikt wordt voor het gegevensverkeer tussen de zorgsector en het
socialezekerheidsdomein.
Het CVZ kan ingevolge
artikel 92, tweede lid, van de Zvw
regels stellen omtrent het gebruik van
deze infrastructuur.
Artikel 4.3
Zoals in het
algemene
deel van de toelichting is aangegeven, zal de geneeskundige ggz in 2006
nog onderdeel uitmaken van de AWBZ en niet van de
Zvw. Daarom treden
de onderdelen van dit besluit die daarop betrekking hebben niet
per 1 januari 2006, maar per 1 januari 2007 in werking.
De Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
J.F. Hoogervorst
|
|