|
MEMORIE VAN TOELICHTING (wijziging 1967)
Nadere regelgeving:
- Bekendmaking
op grond van de Wet beperking export uitkeringen 2003
- Beleidsregel boete werknemer 2010
- Beleidsregel
maatregelen UWV
-
Beleidsregels beoordelingskader
poortwachter
- Beleidsregels Protocol Jobcoach
- Beleidsregels schorsing,
opschorting, intrekking en herziening
uitkeringen 2006
- Beleidsregels UWV normbedragen
voorzieningen 2008
- Beleidsregels UWV normbedragen
voorzieningen 2009
- Beleidsregels UWV normbedragen
voorzieningen 2010
- Beleidsregels vorm- en herkenbaarheidsvereisten
reïntegratieverslagen
- Beleidsregels
weigering ziekengeld bij
bestaande of te verwachten ongeschiktheid
- Beleidsregel terug- en invordering
- Besluit aanwijzing gevallen waarin
arbeidsverhouding als dienstbetrekking wordt beschouwd
-
Besluit
aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998
- Besluit
afstemming boete werkgevers ZW
- Besluit afwijkende regels beperking export uitkeringen
- Besluit beleid toetsing verblijfstitel
- Besluit betaling
zonder machtiging aan het College voor zorgverzekeringen
- Besluit
boete ZW/WAO werkgevers 2002
- Besluit
dagloonregels werknemersverzekeringen
- Besluit
extramurale vrijheidsbeneming en sociale zekerheid
- Besluit kostenvergoedingen arbeidsongeschiktheidswetten
- Besluit
maatschappelijke ondersteuning
- Besluit ongeschiktheid bij of kort na aanvang verzekering
Ziektewet
- Besluit
passende arbeid schoolverlaters en academici WW en ZW
- Besluit
uitbreiding en beperking kring verzekerden werknemersverzekeringen 1990
- Besluit
verhaal ziekengeld
- Besluit
werkzaamheden, administratieve voorschriften en kosten eigen risico
dragen ZW
- Boetebesluit socialezekerheidswetten
- Controlevoorschriften Ziektewet 2010
- Maatregelenbesluit
socialezekerheidswetten
- Regeling
aanwijzing als werkgever en uitzondering verzekeringsplicht
werknemersverzekeringen
- Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder
- Regeling
aanwijzing
uitvoeringsinstelling bij nawerking verzekeringen
- Regeling aanwijzing uitvoeringsinstelling verplichte verzekeringen 2000
- Regeling
aanwijzing uitvoeringsinstelling vrijwillige verzekeringen
- Regeling aanwijzing van in buitenland gevestigde werkgever
- Regeling
aanwijzing volkenrechtelijke organisaties in Nederland 2010
- Regeling bepaling eerste werkdag
- Regeling bepaling eerste werkdag (2006)
- Regeling herziening waardering
producten uit eigen bedrijf
- Regeling indicatiestelling no-riskpolis en premiekorting
UWV
- Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar
- Regeling samenloop ziekengeld met AAW- en
WAO-uitkering
- Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en
terugvordering onverschuldigde betalingen
- Regeling
terugvordering geringe bedragen
- Regeling uitbreiding kring van verzekerden ingevolge de Ziektewet en de Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering
- Regeling voorschotverstrekking ZW
- Regeling werkzaamheden, administratieve voorschriften en kosten
eigen risico dragen ZW
- Regels vrijwillige
ziekengeldverzekering 2007
- Reglement justitiële jeugdinrichtingen
- Reïntegratieregeling
- SZW-intrekkingsregeling
2004
- Ziekengeldreglement 2004
Vervallen
nadere regelgeving:
- Algemene dagloonregelen Ziektewet (vervallen)
- Arbeidsgehandicaptebesluit
(vervallen)
- Bekendmaking op grond van de Wet beperking export
uitkeringen 2001
(vervallen)
- Beleidsregel afbakening maatregel en boete
(vervallen)
- Beleidsregel boete werknemer
(vervallen)
- Beleidsregels
UWV normbedragen voorzieningen 2006 (vervallen)
- Beleidsregels
UWV normbedragen voorzieningen 2007 (vervallen)
- Beleidsregel zwijgrecht (vervallen)
- Besluit afstemming boete werknemers (vervallen)
- Besluit betaling zonder machtiging aan de Ziekenfondsraad
(vervallen)
- Besluit boete ZW/WAO werkgevers (vervallen)
- Besluit
eigen risico dragen ZW
(vervallen)
- Besluit herziening
en intrekking uitkeringen (vervallen)
-
Besluit
incasso boeten en onverschuldigde betalingen werkgevers
(vervallen)
- Besluit toepassing Ziektewet ten aanzien van partieel leerplichtige
werknemers (vervallen)
- Besluit waarschuwing
(vervallen)
- Controlevoorschriften Ziektewet 2001
(vervallen)
- Controlevoorschriften Ziektewet 2004
(vervallen)
- Faseringsbesluit overheidswerknemers
onder de Ziektewet en de Werkloosheidswet (vervallen)
- Maatregelenbesluit Tica (vervallen)
- Maatregelenbesluit
UWV
(vervallen)
- Regeling aanwijzing ontwikkelingsorganisaties BEU 2002
(vervallen)
- Regeling
aanwijzing volkenrechtelijke organisaties in Nederland (vervallen)
- Regeling
betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en
onverschuldigde betalingen (vervallen)
- Regeling ontheffing
garantieplicht ZW (vervallen)
- Regeling schorsing, opschorting, herziening en intrekking uitkeringen
(vervallen)
- Regeling vaststelling rekenpremies Ziektewet en wachtgeldfondsen
(vaststellen)
-
Regels vrijwillige
ziekengeldverzekering 2006 (vervallen)
- Ziekengeldreglement 1997 (vervallen)
- Ziekengelduitkering bij bijzondere werktijdregeling
(vervallen)
Relevante
overige regelgeving:
- Beleidsregels UWV gebruik
polisgegevens
- Besluit minimumeisen reïntegratieplan 1997
- Besluit
premievaststelling vrijwillige verzekering ZW 2003 (vervallen)
- Besluit premievaststelling vrijwillige
verzekering ZW 2004 (vervallen)
- Besluit premievaststelling vrijwillige
verzekering ZW 2005 (vervallen)
- Besluit premievaststelling vrijwillige
verzekering ZW 2006 (vervallen)
- Besluit premievaststelling vrijwillige
verzekering ZW 2007
- Besluit premievaststelling
vrijwillige verzekering ZW 2008
- Besluit premievaststelling vrijwillige
verzekering ZW 2009
- Besluit premievaststelling vrijwillige
verzekering ZW 2010
- Besluit premie vrijwillige
verzekering 2002 (vervallen)
- Besluit schadebeleid
- Besluit
vaststelling wachtgeldpremies eigenrisicodragers Ziektewet 2003
(vervallen)
- Besluit
verzekeringsplicht zeevarenden
- Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen
1945
- Ontslagbesluit
-
Regeling inzage- en correctierecht UWV
- Regeling procesgang eerste en tweede
ziektejaar voor vangnetters zonder werkgever
- Reglement
behandeling bezwaarschriften UWV 2009
- Tijdelijke
SZW-borgstellingsregeling startende ondernemers vanuit een uitkering
(vervallen)
- Wet arbeid en zorg
- Wet
beperking export uitkeringen
- Wet
beslistermijnen sociale verzekeringen
- Wet eigen
risico dragen Ziektewet (vervallen)
- Wet
overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen
- Wet
terugdringing ziekteverzuim
- Wet
uitbreiding loondoorbetalingsplicht bij ziekte
- Wet
verlenging loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003
Inhoudsopgave
ZW
| Eerste
afdeling |
Algemene
bepalingen |
artt.
1 - 18 |
| §
1x |
Algemeen |
artt.
1 - 2b |
| §
2x |
Werknemer |
artt.
3 - 8c |
| §
3x |
Werkgever |
artt.
9 - 13 |
| §
4x |
Loon |
artt.
14 - 18 |
| Tweede
afdeling |
Van de
verzekering van uitkering van ziekengeld |
artt.
19 - 72a |
| Hoofdstuk
Ix |
Van de
verzekerden |
artt.
20 - 28 |
| Hoofdstuk
IIx |
Van het
ziekengeld |
artt.
29 - 52c |
| Hoofdstuk
IIax |
Reïntegratie-instrumenten |
art.
52d - 52f |
| Hoofdstuk
IIIx |
Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen |
artt.
53 - 62 |
| Hoofdstuk
IIIax |
Eigen risico dragen door de werkgever |
artt.
63 - 63e |
| Hoofdstuk
IVx |
De
vrijwillige verzekering |
artt.
64 - 72 |
| Derde
afdeling |
Bepalingen
in verband met de Algemene wet bestuursrecht en het beroep in cassatie |
artt.
72a - 75c |
| §
1x |
Algemeen |
artt.
72a - 74 |
| §
2x |
Medische
beschikkingen |
artt.
75 - 75i |
| §
3x |
Geschillen van
geneeskundige aard
|
artt.
75j - 75l |
| §
4x |
Beroep
in cassatie |
art.
75m |
| Vierde
afdeling |
Aanspraak op bezoldiging en
reïntegratieverplichtingen overheidspersoneel |
artt.
76 - 76e |
| Vijfde
afdeling |
Straf-,
overgangs- en slotbepalingen |
artt.
77 - 91 |
| Hoofdstuk
Ix |
Strafbepalingen |
artt.
77 - 84 |
| Hoofdstuk
IIx |
Overgangs-
en slotbepalingen |
artt.
85 - 96 |
| xxxxxxxxxxxxxx| |
|
xxxxxxxxxxxx |
Geschiedenis:
Staatsblad
1995, 200; Staatsblad 1995, 250;
Staatsblad 1995, 560; Staatsblad
1995, 598; Staatsblad 1995, 690;
Staatsblad 1995, 691; Staatsblad 1995,
696; Staatsblad 1996, 134;
Staatsblad 1996, 248; Staatsblad 1996,
478; Staatsblad 1996, 562;
Staatsblad 1997,
96; Staatsblad 1997, 178;
Staatsblad 1997, 465; Staatsblad 1997,
660; Staatsblad 1997, 768;
Staatsblad 1997, 773; Staatsblad 1997,
789; Staatsblad 1997, 794;
Staatsblad 1998,
203; Staatsblad 1998, 278;
Staatsblad 1998,
290; Staatsblad 1998, 267;
Staatsblad 1998,
412; Staatsblad 1998, 741;
Staatsblad 1998,
742; Staatsblad 1999, 22;
Staatsblad 1999,
184; Staatsblad 1999, 185;
Staatsblad 1999,
250; Staatsblad 1999, 564;
Staatsblad 1999,
594; Staatsblad 1999, 595;
Staatsblad 2000, 40; Staatsblad 2000,
496; Staatsblad 2000, 561;
Staatsblad 2000,
627; Staatsblad 2001, 481;
Staatsblad 2001,
568; Staatsblad 2001, 625;
Staatsblad 2001, 628; Staatsblad 2001,
692; Staatsblad 2001, 695;
Staatsblad 2002,
330; Staatsblad 2002, 584;
Staatsblad 2003, 238; Staatsblad 2003,
239; Staatsblad 2003, 376;
Staatsblad 2003, 524; Staatsblad 2003,
544; Staatsblad 2003, 555;
Staatsblad 2004, 306; Staatsblad
2004, 311; Staatsblad
2004, 493; Staatsblad
2005, 37; Staatsblad 2004, 700;
Staatsblad 2004, 717; Staatsblad 2004, 720;
Staatsblad 2004, 731; Staatsblad
2005, 65; Staatsblad 2005, 202;
Staatsblad 2005, 525;
Staatsblad 2005, 530; Staatsblad
2005, 573; Staatsblad
2005, 683; Staatsblad 2005, 710;
Staatsblad 2005, 708; Staatsblad
2005, 718; Staatsblad 2006, 303;
Staatsblad 2006, 673; Staatsblad
2006, 703; Staatsblad
2006, 682; Staatsblad 2007, 305;
Staatsblad 2007, 551; Staatsblad
2007, 553; Staatsblad 2007, 555;
Staatsblad 2008, 192; Staatsblad
2008, 199; Staatsblad 2008, 414;
Staatsblad 2008, 510; Staatsblad
2008, 600; Staatsblad 2009, 108;
Staatsblad 2009, 384;
Staatsblad 2009, 152; Staatsblad
2009, 265; Staatsblad 2009, 390; Staatsblad
2009, 282; Staatsblad 2009, 287;
Staatsblad 2009, 318; Staatsblad
2009, 542; Staatsblad 2009, 580;
Staatsblad 2009, 589; Staatsblad
2009, 596; Staatsblad 2010, 72;
Staatsblad 2010, 146; Staatsblad
2010, 350.
WET van 5 juni 1913, Stb.
1913, 204, tot regeling der arbeiders-ziekteverzekering
(Ziektewet). Laatste tekstplaatsing: Stb. 1999,
22.
Inwerkingtreding: 1 augustus 1929 (Stb. 1929, 375).
WIJ
WILHELMINA, bij de gratie Gods,
Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of hooren
lezen, saluut! doen te weten:
Alzoo Wij in overweging genomen
hebben, dat het wenschelijk is aan arbeiders een geldelijke uitkeering
bij ziekte te verzekeren, en bepalingen te maken omtrent de voorziening
tegen ziekte van arbeiders;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van
State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben
goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
EERSTE
AFDELING
Algemene
bepalingen
§ 1.
Algemeen
Art. 1.
[Begripsbepalingen] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963; Stb. 1996, 134; Stb.
1997, 96; Stb. 1997, 660;
Stb. 1997, 789; Stb.
1998, 203; Stb. 1998, 412;
Stb. 1998, 742; versie
1 januari 1999; Stb. 1999,
595; Stb. 2000, 496;
Stb. 2001, 625; Stb.
2002, 584; Stb. 2004, 306;
Stb.
2005, 37; Stb. 2004, 700;
Stb.
2005, 710; Stb. 2009, 596]
-1. Voor de toepassing van deze wet en
van de tot haar uitvoering genomen besluiten wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van
de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen;
c. lichamen: rechtspersonen, maat- en
vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder rechtspersoonlijkheid die met
verenigingen maatschappelijk gelijk kunnen worden
gesteld, ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen en doelvermogens;
d. vreemdeling: hetgeen daaronder
wordt verstaan in de Vreemdelingenwet
2000;
e. onbetaald verlof: een
tussen werkgever en werknemer voor een gedeelte of het geheel
van de arbeidstijd overeengekomen verlof waarin de werknemer geen arbeid
jegens de werkgever verricht;
f. rechtens zijn vrijheid is ontnomen:
rechtens zijn vrijheid is ontnomen, behoudens de gevallen, bedoeld in de
Wet
bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen en in artikel 37, eerste lid, van het
Wetboek van
Strafrecht;
g. justitiële inrichting: een
penitentiaire inrichting, een inrichting voor verpleging van
terbeschikkinggestelden of een inrichting als bedoeld in artikel 1,
onderdeel b, van de Beginselenwet
justitiële jeugdinrichtingen;
h. eigenrisicodrager: de werkgever aan wie de toestemming is verleend, bedoeld in artikel
40,
eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet financiering sociale verzekeringen;
i. overheidswerkgever: de
werkgever, bedoeld in artikel 1, onderdeel k, van de
Wet
overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen.
-2. Voor de toepassing van deze wet en
van de tot haar uitvoering genomen besluiten wordt gelijkgesteld met:
a. echtgenoot: geregistreerde partner;
b. echtgenoten: geregistreerde
partners;
c. gehuwd: als partner geregistreerd.
-3. Voor de toepassing van deze wet en
van de tot haar uitvoering genomen besluiten wordt:
a. als gehuwd of als echtgenoot mede
aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere
ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft
een bloedverwant in de eerste graad;
b. als ongehuwd mede aangemerkt degene
die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij
gehuwd is.
-4. Van een gezamenlijke huishouding is
sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning
hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het
leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
-5. Een gezamenlijke huishouding wordt
in ieder geval aanwezig geacht indien de betrokkenen hun hoofdverblijf
hebben in dezelfde woning en:
a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest
of eerder voor de toepassing van deze wet daarmee gelijk zijn gesteld;
b. uit hun relatie een kind is geboren
of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de één door de ander;
c. zij zich wederzijds verplicht
hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend
samenlevingscontract; of
d. zij op grond van een registratie
worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking
overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het vierde
lid.
-6. Bij algemene maatregel van bestuur
wordt vastgesteld welke registraties, en gedurende welk tijdvak, in
aanmerking worden genomen voor de toepassing van het vijfde lid, onderdeel
d. [Bargh98]
-7. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen regels worden gesteld ten aanzien van hetgeen wordt verstaan
onder het blijk geven zorg te dragen voor een ander, zoals bedoeld in het
vierde lid.
-8. Onder bloedverwant in de eerste graad
als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, wordt mede verstaan
een meerderjarig aangehuwd kind of een meerderjarig voormalig pleegkind
van de ongehuwde meerderjarige.
-9. Onder voormalig pleegkind als bedoeld
in het achtste lid wordt verstaan een pleegkind waarvoor de ongehuwde
meerderjarige een pleegvergoeding ontving of ontvangt op grond van de Wet
op de jeugdzorg of kinderbijslag ontving
op grond van de Algemene Kinderbijslagwet.
Art.
1a.
Vervallen. [Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963]
Art.
1b.
Vervallen. [Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963]
Art.
2. [Woonplaats, vestigingsplaats]
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963; versie
1 januari 1999; Stb.
2005, 710]
-1. Waar iemand woont en waar een
lichaam gevestigd is, wordt naar de omstandigheden beoordeeld.
-2. Voor de toepassing van het eerste
lid worden schepen die binnen Nederland hun thuishaven
hebben, beschouwd als deel van Nederland.
Art. 2a.
Vervallen. [Geschiedenis:
versie
1 januari 1999; Stb.
2002, 584]
Art.
2b. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 1996, 134; Stb.
1997, 96; Stb. 1997, 789;
versie
1 januari 1999; Stb. 1999,
564; Stb. 2000, 627
+ bis]
§ 2.
De werknemer
Art.
3. [Begrip werknemer] [Bbtv]
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963; Stb. 1998, 203; versie
1 januari 1999; Stb.
2000, 496 + bis; Stb.
2010, 350]
-1. Werknemer is de natuurlijke persoon, jonger dan 65
jaar, die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke
dienstbetrekking staat.
-2. Wie zijn dienstbetrekking buiten
Nederland vervult, wordt niet als werknemer beschouwd, tenzij hij in Nederland
woont en zijn werkgever eveneens in Nederland woont of gevestigd is.
Voor zover een werkgever:
a. in Nederland een vaste inrichting
voor de uitoefening van zijn bedrijf of beroep of een in Nederland wonende of
gevestigde vaste vertegenwoordiger heeft; of
b. in Nederland één of meer personen
in dienst heeft en hij door of vanwege Onze Minister als werkgever is
aangewezen; [Rabgw]
wordt hij voor de toepassing van de eerste volzin
gelijkgesteld met een in Nederland wonende of gevestigde werkgever.
-3. In afwijking van het eerste en
tweede lid wordt niet als werknemer beschouwd de vreemdeling die niet rechtmatig in
Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdeel a tot
en met e en l, van de Vreemdelingenwet
2000.
-4. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kan worden bepaald dat: [Bubkvw90]
a. personen die buiten Nederland
wonen ook als werknemer worden beschouwd, voor zover zij hun
dienstbetrekking buiten Nederland vervullen;
b. personen die in Nederland wonen
ook als werknemer worden beschouwd, voor zover zij hun dienstbetrekking buiten Nederland
vervullen
en hun werkgever buiten Nederland
woont of gevestigd is.
-5. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kan van het eerste, tweede en derde lid worden afgeweken
ten aanzien van: [Bubkvw90]
a. vreemdelingen;
b. personen op wie een regeling van
toepassing is inzake verzekering tegen geldelijke gevolgen van arbeidsongeschiktheid van de
Nederlandse
Antillen, van Aruba, van een andere mogendheid of van een volkenrechtelijke organisatie; en
c. personen die slechts tijdelijk in
Nederland verblijven of tijdelijk in Nederland werkzaam zijn.
-6. Bij een maatregel als bedoeld in
het vijfde lid kan worden afgeweken van het derde lid ten aanzien van:
a. vreemdelingen die rechtmatig in
Nederland arbeid verrichten dan wel hebben verricht;
b. vreemdelingen die, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel
8, onderdeel a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet
2000, rechtmatig in Nederland verblijf hebben als
bedoeld in artikel 8, onderdeel g of h, van de Vreemdelingenwet
2000.
Art.
3a. [Begrip werknemer i.v.m. internationaal
recht] [Geschiedenis:
Stb. 1998, 267; versie
1 januari 1999]
Zo nodig in afwijking van artikel 3 en
de daarop berustende bepalingen:
a. wordt als werknemer beschouwd de
persoon van wie de verzekering op grond van deze wet voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van een
verdrag of van een besluit van een
volkenrechtelijke organisatie;
b. wordt niet als werknemer beschouwd
de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een
volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van
toepassing is.
Art.
4. [Uitbreiding begrip dienstbetrekking |
Begrippen coöperatie en zelfstandige] [Geschiedenis:
OvW; MvT
+ bis; versie
25 april 1963; Stb. 1996, 562;
Stb.
1997, 465; versie
1 januari 1999; Stb. 2001, 695;
Stb. 2003, 238; Stb.
2003, 239; Stb.
2004, 720; Stb. 2005,
573]
-1. Als dienstbetrekking wordt mede
beschouwd de arbeidsverhouding van:
a. degene die anders dan als
zelfstandige en anders dan als thuiswerker, ingevolge een overeenkomst tot
aanneming van werk als bedoeld in artikel 750 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek, persoonlijk een werk tot stand brengt;
b. degene die de onder a bedoelde
persoon bij het tot stand brengen van dat werk bijstaat;
c. degene die krachtens overeenkomst
met een ander tegen beloning geregeld zijn bemiddeling verleent tot
het tot stand komen van overeenkomsten tussen daartoe door hem te bezoeken
personen en die ander, mits hij de bedoelde bemiddeling uitsluitend voor die ander
verleent, het verlenen van die
bemiddeling niet een voor hem bijkomstige werkzaamheid is en hij zich daarbij
doorgaans niet door meer dan twee andere personen laat
bijstaan;
d. degene die krachtens overeenkomst
met een ander tegen beloning geregeld zijn bemiddeling verleent tot
het tot stand komen van overeenkomsten tussen daartoe door hem te bezoeken
personen en een opdrachtgever van die ander, mits hij
de bedoelde bemiddeling uitsluitend voor die ander verleent, het verlenen
van die bemiddeling niet een voor hem bijkomstige
werkzaamheid is en hij zich daarbij doorgaans niet door meer dan twee
andere personen laat bijstaan;
e. vervallen;
f. degene die als lid van de
bemanning van een vissersvaartuig aanspraak heeft op een aandeel in de besomming,
tenzij hij:
1º. als zodanig tegen geldelijke
gevolgen van arbeidsongeschiktheid verzekerd is bij het Sociaal Fonds
voor de Maatschapsvisserij; of
2º. exploitant of mede-exploitant van
het vaartuig is;
g. degene die werkzaam is om
vakbekwaamheid te verwerven, onder wie mede wordt begrepen degene die
als leerling van een instelling van onderwijs praktisch werkzaam is,
alsmede degene die aan een bedrijfsschool opleiding ontvangt, één
en ander indien een beloning wordt genoten die niet uitsluitend bestaat in het ontvangen van
onderricht;
h. degene die als bestuurder werkzaam
is ten behoeve van een coöperatie die met haar leden uitsluitend arbeidsovereenkomsten als
bedoeld in artikel 610, eerste lid, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek sluit, indien hij lid is van de
coöperatie en deze blijkens haar statuten en met inachtneming van de
vereisten gesteld in het derde lid en krachtens het vierde lid kan
worden beschouwd als een coöperatie met werknemerszelfbestuur;
i. de persoon die op
grond van de Kaderwet
dienstplicht zijn militaire dienstplicht vervult dan
wel de persoon die op grond van de Wet
gewetensbezwaren militaire dienst is verplicht tot het verrichten van vervangende dienst;
j. de persoon die op
grond van artikel 37 van de Oorlogswet
voor Nederland is aangemerkt
als militair.
-2. Het bepaalde in het vorige lid,
onderdeel a en b, blijft buiten toepassing indien de onder a bedoelde overeenkomst
rechtstreeks is aangegaan met een natuurlijk persoon ten behoeve van
diens persoonlijke aangelegenheden.
-3. Een coöperatie als bedoeld in het
eerste lid, onderdeel h, dient te voldoen aan de vereisten dat:
a. doorgaans ten minste twee derde
deel van het aantal van de personen met wie de coöperatie een
arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 610, eerste lid, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek heeft gesloten, lid van de coöperatie is;
b. het lidmaatschap van de coöperatie
door ieder van de in onderdeel a bedoelde personen onder dezelfde
voorwaarden kan worden verkregen en voorwaarden van geldelijke aard geen wezenlijke
belemmering
vormen voor de verkrijging van het
lidmaatschap;
c. de leden van de coöperatie ieder
één stem hebben;
d. de arbeidsvoorwaarden van de leden
van de coöperatie niet wezenlijk verschillen van hetgeen gebruikelijk
is bij gelijksoortige ondernemingen in de desbetreffende bedrijfstak;
e. een lid van de coöperatie,
behoudens in geval van liquidatie van de coöperatie, bij beëindiging van zijn
lidmaatschap ten hoogste aanspraak kan maken op het door hem uit hoofde
van een geldelijke voorwaarde als bedoeld in onderdeel b, hetzij uit anderen hoofde
aan de coöperatie betaalde bedrag, herrekend naar geldontwaarding.
4. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen regels worden gesteld waarbij de in het derde lid genoemde vereisten:
a. nader worden bepaald;
b. worden aangevuld met andere
vereisten op grond waarvan de coöperatie kan worden beschouwd als een
coöperatie met werknemerszelfbestuur.
-5. Voor de toepassing van
het eerste lid, onderdeel a, wordt onder zelfstandige verstaan de
persoon die:
a. in Nederland woont en die
belastbare winst uit onderneming geniet als bedoeld in paragraaf
3.2.1 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, tenzij hij de onderneming niet voor
eigen rekening feitelijk drijft; of
b. niet in Nederland woont
en die belastbare winst uit Nederlandse onderneming geniet als
bedoeld in afdeling 7.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, tenzij hij de
onderneming niet voor eigen rekening feitelijk drijft;
c.
directeur-grootaandeelhouder is als bedoeld in artikel
6, eerste lid, onderdeel d, en het werk tot
stand brengt uitsluitend voor rekening en risico van de onderneming
van de rechtspersoon waarvan hij directeur-grootaandeelhouder is.
Art.
5. [Nadere regelgeving uitbreiding begrip
dienstbetrekking] [Bagad] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963; versie
1 januari 1999]
Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen regelen worden gesteld ingevolge welke eveneens als dienstbetrekking wordt beschouwd de
arbeidsverhouding van:
a. degene die als thuiswerker arbeid
verricht;
b. degene die de onder a bedoelde
persoon als hulp bij het verrichten van de arbeid bijstaat;
c. degene die als musicus of
anderszins als artiest optreedt dan wel als beroep een tak van sport beoefent;
d. degene die tegen beloning
persoonlijk arbeid verricht en wiens arbeidsverhouding niet reeds ingevolge de voorgaande
bepalingen als dienstbetrekking wordt beschouwd, doch hiermede
maatschappelijk gelijk kan worden gesteld.
Art.
6. [Beperking begrip dienstbetrekking |
Directeur-grootaandeelhouder] [Geschiedenis:
OvW; MvT
+ bis; versie
25 april 1963; Stb. 1995, 250;
Stb.
1997, 178; Stb. 1997, 768;
Stb. 1997, 794; Stb.
1998, 412; Stb. 1998, 742;
versie
1 januari 1999; Stb. 2001, 695;
Stb. 2004, 493; Stb.
2004, 720; Stb. 2005,
573; Stb. 2005, 683;
Stb. 2005, 708; Stb. 2006, 682;
Stb.
2010, 72 + bis; Stb.
2010, 146]
-1. Als dienstbetrekking wordt niet
beschouwd de arbeidsverhouding van:
a. degene die minister,
staatssecretaris, commissaris van de Koning, burgemeester, Nationale ombudsman,
substituut-ombudsman, lid van gedeputeerde staten of wethouder, waaronder
begrepen een lid van het dagelijks bestuur van een deelgemeente,
voorzitter van een waterschap, is; ¹
b. degene die als
vrijwilliger werkzaamheden verricht als politiebeambte, alsmede van degene die
als vrijwilliger al dan niet tegen loon werkzaamheden verricht
bij een gemeentelijke brandweer;
c. degene die doorgaans op
minder dan vier dagen per week uitsluitend of nagenoeg uitsluitend
diensten verricht ten behoeve van het huishouden van de
natuurlijke persoon tot wie hij in dienstbetrekking staat;
d. de directeur-grootaandeelhouder;
e. een persoon, indien
degene met wie hij de arbeidsverhouding heeft, met betrekking tot die arbeidsverhouding op grond van artikel
6a van de Wet
op de loonbelasting 1964 niet als inhoudingsplichtige wordt beschouwd;
f. degene die als vrijwilliger als bedoeld in artikel 2, zesde
lid, van de Wet
op de loonbelasting 1964, uitsluitend vergoedingen of
verstrekkingen als bedoeld in dat lid ontvangt met een gezamenlijke
waarde van ten hoogste €|150,00 per maand en €|1500,00
per kalenderjaar.
-2. Geen dienstbetrekking wordt geacht
aanwezig te zijn op dagen waarop geen arbeid wordt verricht en geen
uitkering of een uitkering van minder dan de helft van het normale loon van
de werkgever wordt genoten, tenzij het niet verrichten van de arbeid zijn
oorzaak vindt in:
a. een normale onderbreking van of
verhindering tot het verrichten van de arbeid, zolang deze onderbreking of
verhindering niet langer dan één maand heeft geduurd;
b. weersinvloeden, gebrek aan
materialen of dergelijke omstandigheden;
c. vervallen;
d. de omstandigheid dat de
dienstbetrekking ertoe strekt dat slechts een gedeelte van een normale werkweek
arbeid wordt verricht;
e. de omstandigheid dat de
dienstbetrekking ertoe strekt dat niet regelmatig in elke kalenderweek arbeid
wordt verricht, voor zover het betreft de kalenderweek waarin arbeid
wordt verricht of arbeid zou worden verricht indien de betrokkene niet arbeidsongeschikt was
geworden;
f. arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan ziekengeld op grond van deze wet is toegekend of
ter zake waarvan recht bestaat op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
-3. Voor de toepassing van
het eerste lid, onderdeel c, wordt onder het verrichten van diensten ten
behoeve van een huishouden mede verstaan het verlenen van zorg aan de
leden van dat huishouden.
-4. Het eerste en tweede lid
zijn alleen van toepassing op de aldaar bedoelde arbeidsverhoudingen.
-5. Door Onze Minister
worden, in
overeenstemming met Onze Minister van Financiën, regels gesteld omtrent
hetgeen onder directeur-grootaandeelhouder, bedoeld in het eerste lid, onderdeel
d, wordt verstaan. [Rad]
1. Volgens de redactie dient
onderdeel a te luiden als volgt:
a. die minister,
staatssecretaris, commissaris van de Koning, burgemeester, Nationale ombudsman, substituut-ombudsman, lid van gedeputeerde staten,
wethouder, waaronder
begrepen een lid van het dagelijks bestuur van een deelgemeente, of
voorzitter van een waterschap is;
Art. 6a.
Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 2001, 695; Stb.
2004, 720]
Art.
7. [Uitbreiding begrip werknemer met WW-er]
[Geschiedenis:
OvW; MvT
+ bis; versie
25 april 1963; Stb.
1997, 96 + bis; Stb.
1998, 741; versie
1 januari 1999; Stb. 1999,
564; Stb. 2001, 625]
Voor de toepassing van deze wet wordt
als werknemer beschouwd:
a. degene die krachtens de verplichte
verzekering op grond van de Werkloosheidswet uitkering ontvangt;
b. in door Onze Minister
aan te wijzen
gevallen degene die ten minste vijf of ten minste de helft van zijn
arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren als bedoeld in artikel
16, eerste
lid,
onderdeel a, van de Werkloosheidswet, doch aan wie geen uitkering wordt
verleend op grond van enige bepaling van die wet of van het
uitkeringsreglement werkloosheidsverzekeringen van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen. [RukvZW]
Art.
8. [Uitbreiding begrip werknemer met ZW- en
TW-er] [Geschiedenis:
OvW; MvT
+ bis; versie
25 april 1963; versie
1 januari 1999; Stb.
2003, 555]
Voor de toepassing van deze wet wordt
mede als werknemer beschouwd:
a. degene die krachtens de verplichte
verzekering ingevolge deze wet ziekengeld ontvangt;
b. in door Onze Minister
aan te wijzen
gevallen degene die wegens ziekte niet werkt, doch aan wie geen
ziekengeld wordt verleend op grond van enige bepaling van deze wet; [RukvZW]
c. degene die wegens ziekte niet werkt, doch aan wie geen
ziekengeld wordt betaald op grond van artikel
29, eerste lid, maar wel
een toeslag op grond van de Toeslagenwet.
Art.
8a. [Uitbreiding begrip werknemer met WIA-
en WAO-er] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963; versie
1 januari 1999; Stb. 2005,
573; Stb. 2005, 718]
-1.
Voor de toepassing van deze wet wordt
mede als werknemer beschouwd degene die op grond van de verplichte verzekering ingevolge de
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen dan wel
ingevolge de
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
uitkering ontvangt.
-2. Het eerste lid is niet
van toepassing op diegene die niet in Nederland woont.
Art.
8b. [Beperking begrip dienstbetrekking voor
bepaalde overheidswerknemers] [FoZW]
[Geschiedenis:
Stb. 1997, 768 + bis;
versie
1 januari 1999; Stb. 1999,
564; Stb. 2000, 561]
-1. Tot een bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur, op voordracht van Onze Minister, tezamen met
Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, te bepalen tijdstip:
a. wordt niet als dienstbetrekking
beschouwd de arbeidsverhouding van de overheidswerknemer, bedoeld in artikel
1, onderdeel
l, van de Wet
overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen; alsmede
b. is artikel 8a
niet van toepassing
op degene die uitsluitend uit hoofde van één of meer arbeidsverhoudingen
als overheidswerknemer, dan wel uitsluitend uit hoofde van één of meer voormalige
arbeidsverhoudingen
als gewezen overheidswerknemer, een
uitkering ontvangt op grond van de verplichte verzekering op
grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
-2. Het in het eerste lid bedoelde
tijdstip kan voor groepen van overheidswerknemers als bedoeld in onderdeel
a van dat
lid, alsmede voor groepen van overheidswerknemers en gewezen overheidswerknemers met
recht op een uitkering op grond van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering als bedoeld in onderdeel b van dat
lid, verschillend worden vastgesteld.
-3. Bij of krachtens de algemene
maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, kunnen nadere en, zo nodig,
tijdelijk van deze wet afwijkende regels worden gesteld.
Art.
8c.
[Uitbreiding begrip werknemer met Wazo-er]
[Geschiedenis:
Stb. 2001, 568]
Voor de toepassing van
deze wet wordt mede als werknemer beschouwd:
a. de werknemer of
gelijkgestelde, bedoeld in artikel 3:6, eerste lid, van de Wet arbeid en
zorg, aan
wie uitkering wordt betaald op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2,
paragraaf 1, van die wet;
b. in door Onze Minister aan te wijzen gevallen, degene die in verband met zwangerschap en
bevalling niet werkt, anders dan bedoeld in artikel 29a, doch aan wie geen
uitkering wordt betaald op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf
1,
van de Wet arbeid en zorg.
§ 3.
De werkgever
Art.
9. [Begrip werkgever] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963; versie
1 januari 1999; Stb.
2005, 710]
Werkgever is de
overheidswerkgever onderscheidenlijk de natuurlijke persoon tot wie of het
lichaam tot welk één of meer natuurlijke personen in dienstbetrekking
staan.
Art.
10. [Uitbreiding begrip werkgever]
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963; Stb. 1997, 465; versie
1 januari 1999; Stb. 2005,
573]
Als werkgever wordt beschouwd:
1º. in de gevallen, bedoeld in
artikel 4, eerste lid, onderdeel:
a en b: de aanbesteder;
c en d: degene met wie de
overeenkomst tot bemiddeling is gesloten;
f: de exploitant of mede-exploitant
van het vaartuig;
g: degene bij wie de werkzaamheden
worden verricht of de opleiding wordt genoten;
h: de coöperatie;
i: Onze Minister van
Defensie onderscheidenlijk Onze Minister;
j: Onze Minister van
Defensie.
2º. in de gevallen, bedoeld in
artikel 5, onderdeel:
a: de opdrachtgever;
b: de thuiswerker;
c: degene met wie het optreden of de
sportbeoefening is overeengekomen;
d: degene die bij de in artikel 5
bedoelde algemene maatregel van bestuur als werkgever wordt
aangewezen.
Art.
11. [UWV als werkgever
uitkeringsgerechtigden]
[RukvZW] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963; Stb.
1997, 96; Stb. 1998, 741;
versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 568; Stb. 2001,
625 + bis; Stb.
2003, 555; Stb.
2005, 525; Stb. 2005, 708]
-1. Het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen wordt als werkgever beschouwd in de gevallen,
bedoeld in artikel 7, onderdeel a, artikel
8, onderdeel a
en c, artikel
8a en artikel 8c, onderdeel a.
-2. In de gevallen,
bedoeld in artikel 7, onderdeel b, artikel
8, onderdeel b, en artikel
8c,
onderdeel b, wordt als werkgever beschouwd degene die door Onze Minister
als
werkgever wordt aangewezen.
-3. Ingeval het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen de
uitkering of toeslag, bedoeld in de artikelen, genoemd in het eerste lid, vermeerderd met de daarover door de werkgever
verschuldigde premies en de vergoeding, bedoeld in artikel
46 van de Zorgverzekeringswet, betaalt aan de werkgever,
bedoeld in artikel 9, 10 of 12, teneinde deze
uitkering of toeslag door diens tussenkomst
te doen uitbetalen, treedt voor de toepassing van het eerste lid deze in de plaats van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, onafhankelijk van het voortbestaan van de dienstbetrekking met die werkgever.
-4. Bij ministeriële
regeling kunnen met betrekking tot de door de werkgever verschuldigde
premies, bedoeld in het derde lid, nadere en zo nodig afwijkende regels
worden gesteld.
Art.
11a. [Afbakening eigen risico]
[Geschiedenis:
Stb. 1997, 178; Stb.
1998, 742; versie
1 januari 1999; Stb. 2005,
573; Stb. 2006, 703;
Stb. 2006, 703]
-1. Het ziekengeld van de werknemer die
op de eerste dag van de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn
arbeid
ter zake waarvan ziekengeld wordt uitgekeerd, in dienstbetrekking stond tot een werkgever die het
in
artikel 75a, eerste lid, van de Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering bedoelde risico zelf draagt, wordt
uitbetaald door tussenkomst van deze werkgever.
-2. In geval van overgang van een
onderneming in de zin van artikel 662 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek,
alsmede in geval van een dergelijke overgang bij faillissement, waarbij de
werkgever, bedoeld in het eerste lid, de onderneming overdraagt, is het
eerste lid niet langer van toepassing.
-3. Indien de onderneming van de
werkgever, bedoeld in het eerste lid, wordt overgenomen als bedoeld in het tweede
lid en de werkgever die de onderneming verkrijgt het in het eerste lid
bedoelde risico zelf draagt, wordt de uitbetaling van het ziekengeld
voortgezet door tussenkomst van laatstbedoelde werkgever.
-4. Indien slechts een deel van een
onderneming wordt overgenomen als bedoeld in het tweede lid, blijft, in
afwijking van het tweede lid, het eerste lid van toepassing als de werknemer,
bedoeld in dat lid, in dienstbetrekking blijft staan tot de werkgever, bedoeld
in dat lid. Indien de werknemer in dienstbetrekking komt te staan tot de
werkgever die een deel van de onderneming verkrijgt en die werkgever het in het
eerste lid bedoelde risico zelf draagt, wordt de uitbetaling van het ziekengeld voortgezet door
tussenkomst
van die werkgever.
-5. Artikel 11, derde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Art.
12. [Aanwijzing als werkgever]
[Rawuvw] [Geschiedenis:
OvW; MvT
+ bis; versie
25 april 1963; versie
1 januari 1999]
Onze Minister
kan, in overeenstemming
met Onze Minister van Financiën, in afwijking van het bepaalde in de
artikelen 9 en 10 een ander dan de aldaar bedoelde personen aanwijzen als
werkgever met betrekking tot:
a. degene die krachtens overeenkomst
met een ander tegen beloning geregeld zijn bemiddeling verleent tot het
tot stand komen van overeenkomsten tussen daartoe door hem te bezoeken
personen en een opdrachtgever van die ander;
b. degene die een thuiswerker als
hulp bij het verrichten van de arbeid bijstaat;
c. degene die als musicus of
anderszins als artiest optreedt dan wel als beroep een tak van sport beoefent.
Art.
13. [Gelegenheid tot uitoefening wettelijke
bevoegdheden en verplichtingen werknemer] [Geschiedenis:
OvW; MvT
+ bis; versie
25 april 1963; versie
1 januari 1999]
De werkgever is verplicht de werknemer
gelegenheid te geven tot het uitoefenen van de hem bij of krachtens deze wet
toegekende bevoegdheden en tot het nakomen van de hem bij of
krachtens deze wet opgelegde verplichtingen, voor zover de uitoefening van
die
bevoegdheden en de nakoming van die verplichtingen niet buiten de arbeidstijd kan
geschieden.
§ 4.
Het loon
Art.
14. [Begrip loon] [Geschiedenis:
OvW; MvT
+ bis; versie
25 april 1963; versie
1 januari 1999; Stb.
2005, 37]
-1. Deze wet verstaat onder loon het
loon in de zin van hoofdstuk
3 van de Wet financiering sociale verzekeringen.
-2. Loon door verschillende personen
tezamen onverdeeld genoten, wordt, voor zover niet blijkt van een andere
verdeling, geacht door ieder van hen voor een gelijk deel te zijn genoten.
Art.
15. [Vaststelling dagloon] [Geschiedenis:
OvW; MvT
+ bis; versie
25 april 1963; Stb. 1997, 96 + bis;
versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 625; Stb. 2004, 311;
Stb. 2005, 708]
-1.
Voor de berekening van het ziekengeld waarop op grond van deze wet
recht bestaat, wordt als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de
werknemer in de periode van één jaar die eindigt op de laatste dag
van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin
de ongeschiktheid tot werken is ingetreden, verdiende, doch ten hoogste het bedrag, bedoeld in
artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen,
met betrekking tot een loontijdvak van één dag.
-2. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur worden ten aanzien van de vaststelling van
het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan nadere
en zo nodig afwijkende regels gesteld. [AdZ] [Bdw]
[Rhwpeb]
Art.
16. [Herziening daglonen] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963; versie
1 januari 1999; Stb. 2004, 311;
Stb. 2009, 265]
-1. De daglonen worden herzien met ingang van de dag waarop en in de
mate waarin het bedrag, genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel c,
van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, wordt herzien.
-2. Onze Minister maakt in de Staatscourant bekend met ingang van welke
dag en met welk percentage een herziening als bedoeld in het eerste lid
plaatsvindt.
-3. Een herziening van de uitkering als gevolg van een
herziening van het dagloon vindt plaats zonder dat dit bij beschikking
is vastgesteld.
-4. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen betaalt de herziene uitkering, bedoeld in
het derde lid, bij de eerstvolgende uitkeringsbetaling nadat de
herziening, bedoeld in het eerste lid, heeft plaatsgevonden.
Art.
17. Vervallen. [Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963; versie
1 januari 1999]
Art.
18. Vervallen. [Geschiedenis:
versie 25 april 1963; versie
1 januari 1999]
TWEEDE
AFDELING
Van de
verzekering van uitkering van ziekengeld
Art. 19.
[Recht op ziekengeld] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963; Stb. 1995, 691; Stb.
1996, 134; versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 568; Stb. 2001, 692; Stb.
2007, 553]
-1. De verzekerde heeft bij
ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch
vast te stellen gevolg van ziekte recht op ziekengeld overeenkomstig het
bij of krachtens deze wet bepaalde.
-2. De vrouwelijke verzekerde heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van haar arbeid die haar oorzaak
vindt in zwangerschap of bevalling recht op ziekengeld overeenkomstig het bij of krachtens deze
wet bepaalde.
-3. De vrouwelijke
verzekerde heeft geen recht op ziekengeld gedurende de periode dat
zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig artikel
3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg of een uitkering op
grond van artikel 3:8 van die wet.
-4. Voor de toepassing van deze wet wordt onder ziekte mede verstaan gebreken.
-5. Ten aanzien van een verzekerde die geen
werkgever heeft als bedoeld in artikel 9, 10
of 12 wordt onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn
arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een
soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn. In afwijking
van de eerste zin wordt indien de verzekerde de arbeid gedurende minder dan één
week heeft verricht en daaraan voorafgaand gedurende ten minste zes maanden
andere arbeid heeft verricht onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn
arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die
gewoonlijk kenmerkend zijn voor de andere arbeid die in die zes maanden
hoofdzakelijk is verricht.
Art.
19a. [Beperking export ziekengeld]
[Geschiedenis:
Stb. 1998, 742; Stb.
1999, 250 + bis; Stb.
1999, 594 + bis; Stb.
2001, 568 + bis; Stb.
2003, 524; Stb. 2010,
350]
-1. Geen recht op ziekengeld heeft de
verzekerde gedurende de periode dat hij niet in Nederland woont.
-2. Het eerste lid is niet van
toepassing indien de verzekerde woont in een land waarin op grond van een verdrag
of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie recht op ziekengeld kan
bestaan.
-3. Indien het recht op ziekengeld op
grond van het eerste lid is geëindigd dan wel niet is ontstaan, wordt
betrokkene vanaf de dag:
a. dat hij in Nederland woont; of
b. dat
hij in een land woont waarmee een verdrag in werking is getreden dan
wel een besluit van een volkenrechtelijke organisatie van kracht is
geworden, op grond waarvan recht op ziekengeld kan
bestaan;
weer als verzekerde aangemerkt indien
hij op die dag aan de overige voorwaarden, bedoeld in artikel
19,
voldoet. Deze verzekerde heeft aanspraak op heropening dan wel toekenning van
het recht op ziekengeld voor de resterende periode, bedoeld in
artikel 29, vijfde lid, dan wel artikel 29a, vierde lid, met inachtneming van de bepalingen van deze wet.
Artikel 44, eerste lid,
onderdeel a, is niet van toepassing.
-4. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen ten aanzien van het eerste lid afwijkende regels
worden gesteld ten gunste van: [Barbeu]
[RaoB02]
a. de verzekerde die werkzaamheden
verricht in het algemeen belang en niet in Nederland woont;
b. de verzekerde die in de
Nederlandse Antillen of Aruba woont; of
c. de gezinsleden van de in de
onderdelen a of b bedoelde verzekerde.
-5. Onze Minister deelt mede
in welke landen op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie recht op ziekengeld
kan bestaan. In deze
mededeling wordt tevens opgenomen: [BB01]
[BB03]
a. de vindplaats van het
desbetreffende verdrag of besluit; en
b. de eventueel in dat
verdrag of besluit aanwezige beperkingen.
Art.
19b. [Uitsluiting bij detentie]
[Geschiedenis:
Stb. 1999, 595 + bis;
Stb. 2001, 568]
-1. Geen recht op ziekengeld heeft de
verzekerde gedurende de periode dat hem rechtens zijn vrijheid is
ontnomen, vanaf de dag dat deze vrijheidsontneming één maand heeft geduurd.
Indien de
eerste dag van de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid is
gelegen in een periode dat de verzekerde rechtens zijn vrijheid
is ontnomen, ontstaat geen recht op ziekengeld.
-2. Indien het recht op ziekengeld op
grond van het eerste lid is geëindigd dan wel niet is ontstaan, wordt
betrokkene vanaf de dag dat hij in vrijheid wordt gesteld weer als verzekerde
aangemerkt indien hij op die dag aan de overige voorwaarden, bedoeld in
artikel 19, voldoet. Deze verzekerde heeft aanspraak op heropening dan wel
toekenning van het recht op ziekengeld voor de resterende periode, bedoeld in
artikel 29, vijfde lid, dan wel artikel 29a, vierde lid, met inachtneming van de bepalingen van deze wet.
Artikel 44, eerste lid, onderdeel
a, is niet van
toepassing.
-3. Voor de toepassing van het eerste
lid worden perioden van vrijheidsontneming samengeteld indien zij elkaar met een
onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
-4. Het eerste lid is niet van
toepassing en het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op bij algemene maatregel
van bestuur aan te wijzen categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of
vrijheidsbenemende maatregel buiten
een justitiële inrichting plaatsvindt. [Bevsz]
[Rjj]
HOOFDSTUK
I
Van de
verzekerden
Art.
20. [Kring verzekerden] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963; versie
1 januari 1999]
De werknemers in de zin van deze wet
zijn verzekerd.
Art.
21. [Beperking kring verzekerden]
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963; Stb. 1995, 560; Stb.
1998, 290; versie
1 januari 1999]
In afwijking van artikel 20 wordt voor
de toepassing van de tweede afdeling, hoofdstuk II, en van
artikel 64, de
werknemer niet als verzekerde beschouwd voor zover hij werknemer is als bedoeld
in artikel 8a.
Art. 22.
Vervallen. [Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963; versie
1 januari 1999]
Art.
23. Vervallen. [Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963; versie
1 januari 1999]
Art.
24. Vervallen. [Geschiedenis:
versie 25 april 1963; versie
1 januari 1999]
Art.
25. Vervallen. [Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963; versie
1 januari 1999]
Art.
26. Vervallen. [Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963; versie
1 januari 1999]
Art.
26a. [Nadere regelgeving UWV samenloop uit
meerderen hoofde] [Geschiedenis:
versie 25 april 1963; Stb. 1997, 96; versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 625]
Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan nadere regelen geven in geval van samenloop van verzekering
ingevolge deze wet uit meerderen hoofde.
Art. 27. Vervallen.
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963; versie
1 januari 1999]
Art.
28. [Verplicht geneeskundig onderzoek] [Bka]
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963; Stb. 1995, 691; Stb.
1997, 96 + bis + bis;
versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 625 + bis]
-1. De verzekerde is bij ongeschiktheid
tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte verplicht, zo dikwijls dit
nodig wordt geoordeeld, zich te onderwerpen aan een geneeskundig onderzoek door
een door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen aangewezen arts zich op last van de arts tot het ondergaan van zodanig
onderzoek te laten opnemen in de hem aangewezen inrichting en in het
algemeen de voorschriften van de arts die ertoe strekken om een geneeskundig onderzoek mogelijk te
maken,
op te volgen.
-2. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen is bevoegd met het oog op de toepassing van het bepaalde in
artikel 44, eerste lid, onderdeel a, een geneeskundig onderzoek te gelasten bij de
aanvang
der verzekering.
-3. Vervallen.
-4. De voor de verzekerde aan een
geneeskundig onderzoek verbonden kosten worden aan hem door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen vergoed. Door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kunnen dienaangaande regelen worden gesteld.
HOOFDSTUK
II
Van het
ziekengeld
Art.
29. [Uitsluiting en uitkering van
ziekengeld | Hoogte ziekengeld] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963; Stb. 1995, 691; Stb.
1996, 134 + bis; Stb.
1997, 96; Stb. 1997, 465;
Stb. 1997, 768; Stb.
1997, 789; Stb. 1998, 412
+ bis + bis;
Stb. 1998, 742; versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 568; Stb. 2001,
625; Stb. 2001, 692;
Stb.
2002, 584; Stb. 2003, 544;
Stb. 2003, 555; Stb.
2004, 311; Stb. 2005, 65;
Stb. 2005, 525; Stb. 2005,
573; Stb.
2005, 710; Stb.
2006, 303; Stb. 2006, 703;
Stb. 2007, 553; Stb.
2009, 152; Stb. 2009, 287;
Stb. 2009, 318]
-1.
Behoudens het tweede lid,
onderdeel e, en de artikelen 29a,
29b en 29d wordt geen ziekengeld
uitgekeerd, indien de verzekerde uit hoofde van de dienstbetrekking op grond
waarvan hij de arbeid behoort te verrichten:
a. recht heeft op loon als
bedoeld in artikel 629 van
Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek, dan wel
indien het recht op loon door toepassing van het derde, vijfde, zesde of
negende lid van dat artikel geheel of gedeeltelijk ontbreekt;
b. recht heeft op
bezoldiging als bedoeld in artikel 76a, eerste lid, dan wel indien het recht op
die bezoldiging op grond van artikel 76a, derde of zevende lid, of
artikel
76b, eerste, tweede of derde lid, geheel of gedeeltelijk
ontbreekt.
-2. Het ziekengeld wordt uitgekeerd over
iedere dag van ongeschiktheid tot werken, doch over maximaal vijf dagen
per kalenderweek en niet over zaterdagen en zondagen. In de eerste
kalenderweek wordt in afwijking van het bepaalde in de eerste zin het
ziekengeld uitgekeerd over zaterdag en zondag, doch over maximaal vijf
dagen per kalenderweek, indien de zaterdag of zondag aantoonbaar een
werkdag zou zijn geweest, met dien verstande dat:
a. als de zaterdag aantoonbaar een
werkdag zou zijn geweest, uitkering van ziekengeld plaatsvindt over de
zaterdag;
b. als de zaterdag en zondag
aantoonbaar werkdagen zouden zijn geweest, uitkering van ziekengeld
plaatsvindt over de zaterdag en zondag;
c. als de zondag aantoonbaar een
werkdag zou zijn geweest, uitkering van ziekengeld plaatsvindt over de
zondag.
Het ziekengeld wordt uitgekeerd aan:
a. de verzekerde van wie de
arbeidsverhouding op grond van artikel 4 of 5 als dienstbetrekking wordt
beschouwd, vanaf de derde dag van de ongeschiktheid tot werken;
b. degene wiens aanspraak berust op
artikel 46, vanaf de derde dag van de ongeschiktheid tot werken;
c. de verzekerde van wie de
dienstbetrekking, bedoeld in artikel 3, binnen het in het vijfde lid genoemde tijdvak
van 104 weken eindigt, vanaf de eerste dag van ongeschiktheid tot werken nadat de
dienstbetrekking
is geëindigd, doch niet eerder dan
vanaf de derde dag van de ongeschiktheid tot werken;
d. de verzekerde die:
1º. op grond van artikel 7, onderdeel a, als werknemer wordt
beschouwd, vanaf de eerste dag van de veertiende week van de
ongeschiktheid tot werken of zoveel eerder als de uitkering, bedoeld in
dat onderdeel, eindigt op grond van artikel
20, eerste lid, onderdeel a, b, d of e, van de
Werkloosheidswet;
2º. op grond van artikel 7, onderdeel b, als werknemer wordt
beschouwd, vanaf de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken;
e. de verzekerde die wegens
orgaandonatie ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, vanaf de eerste dag
van de ongeschiktheid tot werken;
f. de vrouwelijke verzekerde,
overeenkomstig artikel 29a;
g. de werknemer, bedoeld in de artikelen 29b
en 29d.
-3. Als eerste dag van de
ongeschiktheid tot werken geldt de eerste werkdag waarop wegens ziekte niet is gewerkt
of het werken tijdens de werktijd is gestaakt. Bij ministeriële regeling kunnen nadere en
afwijkende regels worden gesteld in verband met het voor bijzondere
gevallen vaststellen van welke dag als eerste werkdag wordt aangemerkt. [Rbew]
[Rbew06]
-4. Geen ziekengeld wordt uitgekeerd op
en na de eerste dag van de maand waarin de verzekerde de leeftijd van
65 jaar bereikt alsmede over de periode waarover de verzekerde een uitkering op
grond van artikel 3:7, tweede lid, 3:9 of
3:10, tweede en derde lid, van de
Wet arbeid en zorg ontvangt.
-5. Geen ziekengeld wordt uitgekeerd
nadat een tijdvak van 104 weken van ongeschiktheid tot werken is
verstreken, te rekenen vanaf de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken. Voor het bepalen van dit tijdvak worden
tijdvakken van ongeschiktheid tot werken samengeteld indien zij elkaar met
een
onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en
aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap
of bevalling op grond van artikel 3:7,
eerste lid, 3:8 of 3:10,
eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt
genoten, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden
voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.
In de gevallen waarin de tweede volzin
toepassing vindt, worden gedurende de desbetreffende periode van 104 weken de
eerste twee dagen van de ongeschiktheid tot werken waarover op grond van het
tweede lid, onderdeel a en b, geen ziekengeld wordt
uitgekeerd, slechts eenmaal in aanmerking genomen.
-6. Geen ziekengeld wordt uitgekeerd voor
zover de verzekerde, bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, artikel
29a, artikel 29b of artikel
29d, door toepassing
van artikel 629, derde lid, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek geen recht heeft op loon dan wel op
grond van artikel 76b, tweede lid, geen recht
heeft op bezoldiging.
-7. Het ziekengeld, bedoeld in het
tweede lid, onderdeel a tot en met d, bedraagt 70% van het dagloon van de
verzekerde.
-8. Het ziekengeld, bedoeld in het
tweede lid, onderdeel e, wordt gesteld op het dagloon.
-9. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan nadere regels stellen met betrekking tot het tweede lid,
onderdeel e.
-10. Het tijdvak van 104 weken, bedoeld in het vijfde lid, wordt verlengd met de duur van het
tijdvak dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van
artikel
26, derde lid, van de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen of artikel
71b,
derde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
heeft vastgesteld.
-11. Het tweede lid,
onderdeel a, b of c, is niet van toepassing indien onderdeel
g van dat lid
van toepassing is.
-12. Het tweede lid, onderdeel d, is niet van toepassing indien onderdeel
e of f van dat lid van toepassing is.
-13. Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel d, onder 1º,
worden perioden van ongeschiktheid samengeteld indien zij elkaar met
een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct
voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin uitkering in verband
met zwangerschap of bevalling op grond van artikel
3:7, eerste lid, 3:8
of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de
ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien
uit dezelfde oorzaak.
Art.
29a. [Recht op ziekengeld bij zwangerschap]
[Geschiedenis:
Stb. 1995, 691; Stb.
1996, 134; Stb.
1997, 96; versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 568; Stb. 2003,
555; Stb. 2007, 553;
Stb. 2009, 152]
-1. De vrouwelijke
verzekerde heeft, indien zij voorafgaand aan de dag waarop zij recht heeft op
uitkering op grond van artikel 3:7, eerste lid,
3:8, tweede lid, of 3:10,
eerste lid, van de Wet arbeid en zorg, ongeschikt wordt tot het verrichten van
haar arbeid en die ongeschiktheid haar oorzaak vindt in de zwangerschap recht op
ziekengeld ter hoogte van haar dagloon vanaf de eerste dag waarop die
ongeschiktheid bestaat.
-2. De vrouwelijke
verzekerde die in de periode waarin zij recht had kunnen hebben op
uitkering op grond van artikel 3:7, eerste lid,
3:8, tweede lid, of 3:10,
eerste lid, van de Wet arbeid en zorg doch die uitkering nog niet is aangevangen,
wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van haar arbeid, heeft
recht op ziekengeld ter hoogte van haar dagloon. Dit ziekengeld wordt
uitgekeerd vanaf de eerste dag van de ongeschiktheid tot
werken.
-3. De vrouwelijke
verzekerde heeft geen recht op ziekengeld over perioden waarover zij
uitkering op grond van artikel 3:7, eerste lid,
3:8, eerste lid, of 3:10,
eerste lid, van de Wet arbeid en zorg geniet.
-4. Nadat het recht op
uitkering op grond van artikel 3:7, eerste lid,
3:8, derde lid, of 3:10,
eerste lid, van de Wet arbeid en zorg is geëindigd, heeft de vrouwelijke
verzekerde, indien zij aansluitend ongeschikt is tot het verrichten van haar
arbeid en die ongeschiktheid haar oorzaak vindt in de bevalling of de daaraan
voorafgaande zwangerschap, recht op ziekengeld ter hoogte van haar
dagloon zolang die ongeschiktheid duurt, doch ten hoogste gedurende 104 aaneengesloten weken. Dit ziekengeld wordt uitgekeerd vanaf de
eerste dag nadat het recht op uitkering, bedoeld in de eerste zin, is
geëindigd.
-5. Artikel 29, vijfde
lid, blijft buiten toepassing ten aanzien van de vrouwelijke verzekerde
die op grond van het tweede of vierde lid van dit artikel recht heeft op
ziekengeld ter hoogte van haar dagloon.
-6. Artikel 30 blijft
buiten toepassing ten aanzien van de vrouwelijke verzekerde die op grond
van het eerste of tweede lid recht heeft op ziekengeld.
Art.
29b. [Recht op ziekengeld bij
arbeidshandicap; hoogte ziekengeld] [Geschiedenis:
Stb. 1995, 560; Stb.
1996, 134; Stb. 1997,
178; Stb. 1997, 465;
Stb. 1998, 290 + bis;
Stb. 1998, 742 + bis;
versie
1 januari 1999; Stb.
2002, 584; Stb. 2003,
376; Stb. 2003, 544 + bis;
Stb. 2003, 555; Stb. 2005,
573; Stb.
2005, 710; Stb. 2006, 703;
Stb. 2008, 600; Stb.
2009, 282; Stb.
2009, 580]
-1. De werknemer:
a. die onmiddellijk voorafgaand
aan een dienstbetrekking als bedoeld in artikel
3, 4 of 5
recht had op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen;
b. die onmiddellijk voorafgaand aan zijn dienstbetrekking met een
werkgever, niet zijnde een werkgever als bedoeld in artikel 7 van de
Wet sociale werkvoorziening,
een indicatiebeschikking als bedoeld in artikel 11 van
die wet
had;
c. van wie in een
arbeidskundig onderzoek is vastgesteld dat hij op de eerste dag na afloop van
de wachttijd, bedoeld in artikel 23 van de Wet werk en inkomen
naar arbeidsvermogen, of van het tijdvak, bedoeld in
artikel 24 of 25, negende
lid, van die wet:
1º. minder dan 35%
arbeidsongeschikt is;
2º. alsmede op de eerste dag van dertien weken voorafgaand aan die dag
geen dienstbetrekking had met een andere dan zijn eigen werkgever,
tenzij de dienstbetrekking met die andere werkgever reeds bestond op de
eerste dag van de wachttijd;
3º. niet in staat is tot
het verrichten van eigen of andere passende arbeid bij de eigen
werkgever; en
4º. binnen vijf jaar na
die dag in dienstbetrekking werkzaamheden gaat verrichten bij een
werkgever;
d. die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt en in verband met ziekte of gebrek een
belemmering ondervindt of heeft ondervonden bij het volgen van
onderwijs en binnen vijf jaar na afronding van dat onderwijs arbeid in
dienstbetrekking gaat verrichten; of
e. die geen werknemer is
als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, 18 jaar is of ouder
en in verband met ziekte of gebrek een belemmering ondervindt of heeft
ondervonden bij het volgen van onderwijs en binnen vijf jaar na
afronding van dat onderwijs arbeid in dienstbetrekking gaat verrichten;
heeft vanaf de eerste dag
van zijn ongeschiktheid tot werken recht op ziekengeld over perioden
van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte die zijn aangevangen in
de vijf jaren na aanvang van de dienstbetrekking.
-2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing op de werknemer die, onmiddellijk
voorafgaand aan een dienstbetrekking als bedoeld in artikel
3, 4 of 5, naar
het oordeel van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen een structurele
functionele beperking had en voor wiens ondersteuning bij
arbeidsinschakeling het college van burgemeester en wethouders, onmiddellijk
voorafgaand aan die dienstbetrekking, op grond van artikel
7, eerste
lid, aanhef en onder a, van de Wet werk en
bijstand of artikel 11, eerste lid,
van de Wet investeren in jongeren
verantwoordelijk was.
-3. De werknemer:
a. die voorafgaand aan zijn dienstbetrekking, bedoeld in artikel
3, 4 of 5, recht had of heeft gehad op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
of arbeidsondersteuning op
grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten;
b. die een arbeidsovereenkomst heeft gesloten met een werkgever als
bedoeld in artikel 7 van de Wet sociale
werkvoorziening; of
c. wiens dienstbetrekking, bedoeld in artikel
3, 4 of 5, is aangevangen
voordat zijn recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering of
arbeidsondersteuning op grond van
de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten ontstond,
omdat die dienstbetrekking is aangevangen voordat hij 18 jaar werd;
heeft vanaf de eerste dag van zijn ongeschiktheid tot werken recht
op ziekengeld over perioden van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte
die zijn aangevangen na aanvang van de dienstbetrekking. Het recht op
ziekengeld van de werknemer, bedoeld in onderdeel c, ontstaat niet
eerder dan zijn recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering of
arbeidsondersteuning op grond
van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten.
-4. De werknemer die recht
heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en ten aanzien van wie een
dienstbetrekking, bedoeld
in artikel 3, 4 of
5, bij diens werkgever wordt voortgezet nadat dat
recht is vastgesteld, heeft vanaf de eerste dag van zijn ongeschiktheid tot
werken recht op ziekengeld over perioden van ongeschiktheid tot werken
wegens ziekte die zijn aangevangen in de vijf jaren na vaststelling van
het recht op uitkering.
-5. Het ziekengeld,
bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, bedraagt 70% van het dagloon van
de verzekerde.
-6. In afwijking van het
vijfde lid wordt het ziekengeld in het tijdvak van 52 weken vanaf de eerste
dag van ongeschiktheid tot werken van de werknemer, bedoeld in
artikel 3, op verzoek van de werkgever gesteld op het dagloon, met dien
verstande dat het ziekengeld niet meer kan bedragen dan de aanspraak
van de werknemer op het loon dat de werkgever verschuldigd
zou zijn indien daarop geen ziekengeld in mindering zou zijn
gebracht. Voor het bepalen van het tijdvak van 52 weken zijn de tweede en
derde zin van artikel 29, vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.
-7. Indien de werknemer,
bedoeld in het derde lid, werkzaam is op een arbeidsovereenkomst als
bedoeld in artikel 7 van de Wet sociale
werkvoorziening, wordt
het dagloon, bedoeld in het vijfde en zesde lid, verminderd met het, naar
werkdagen herleide, aan de werkgever verstrekte
subsidiebedrag, bedoeld in artikel 7 van de Wet sociale
werkvoorziening.
-8. Dit artikel is niet
van toepassing indien de werknemer werkzaam is in een dienstbetrekking in
de zin van artikel 2 van de Wet sociale
werkvoorziening.
-9. Ter uitvoering van het
tweede lid wordt op verzoek van het college van burgemeester en
wethouders, bedoeld in dat lid, de aanwezigheid van een structurele
functionele beperking vastgesteld. Bij ministeriële regeling kunnen nadere
regels worden gesteld voor het tweede lid en dit lid in ieder geval met
betrekking tot de gegevens die bij de aanvraag worden verstrekt en de
kosten die voor de beoordeling van de aanvraag bij de aanvrager in
rekening worden gebracht. [RinpU]
-10. Bij ministeriële
regeling kunnen voorwaarden worden gesteld met betrekking tot de
toepassing van het tweede lid. [RinpU]
-11. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verstrekt op
verzoek van de werknemer of de persoon die verwacht een dienstbetrekking
met een werkgever te zullen aangaan een verklaring of de aanvrager naar
het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voldoet
aan de voorwaarden voor toepassing van het eerste lid, onderdeel d of
e.
Art.
29c. [Verlenging termijn no-riskpolis bij
verhoogd gezondheidsrisico] [Geschiedenis:
Stb. 2009, 318]
Indien ten aanzien van een werknemer
als bedoeld in de artikelen 29b en 90
van deze wet ¹ bij aanvang van het dienstverband wordt vastgesteld dat
hij lijdt aan een ziekte of een gebrek die respectievelijk dat maakt dat
hij binnen de in artikel 29b, eerste en vierde
lid, van deze wet ¹ bedoelde termijn van vijf jaren na aanvang van de
dienstbetrekking respectievelijk na vaststelling van het recht op
uitkering een aanzienlijk verhoogd risico heeft op ernstige
gezondheidsklachten, wordt die termijn van vijf jaar vóór afloop
daarvan verlengd indien op dat moment de ziekte of het gebrek dan wel
het verhoogde risico op ernstige gezondheidsklachten naar het oordeel
van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen nog bestaat.
1. Volgens de redactie
dient "van deze wet" telkens te vervallen.
Art.
29d. [Compensatieregeling
loonkosten zieke oudere en voormalig langdurig werklozen] [Geschiedenis:
Stb. 2009, 287 + bis]
-1. De werknemer die is geboren vóór 8
juli 1954 en die onmiddellijk voorafgaand aan een dienstbetrekking als
bedoeld in artikel 3, 4 of 5
gedurende ten minste 52 weken recht had op een uitkering op grond van hoofdstuk
II van de Werkloosheidswet, heeft vanaf de
eerste dag van zijn ongeschiktheid tot werken wegens ziekte recht op
ziekengeld over perioden van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte die
zijn aangevangen in de vijf jaren na aanvang van zijn dienstbetrekking.
Voor het bepalen van de perioden van ongeschiktheid tot werken wegens
ziekte is artikel 29, vijfde lid, tweede en derde zin,
van overeenkomstige toepassing. De uitbetaling van het ziekengeld,
bedoeld in de eerste zin, vindt niet eerder plaats dan de eerste dag van
de veertiende week van de ongeschiktheid tot werken.
-2. Het ziekengeld, bedoeld in het eerste
lid, bedraagt 70% van het dagloon van de werknemer.
-3. In afwijking van het tweede lid wordt
het ziekengeld in het tijdvak van 52 weken vanaf de eerste dag van
ongeschiktheid tot werken wegens ziekte van de werknemer, bedoeld in artikel
3, op verzoek van de werkgever gesteld op het dagloon, met dien
verstande dat het ziekengeld niet meer kan bedragen dan de aanspraak van
de werknemer op het loon dat de werkgever verschuldigd zou zijn indien
daarop geen ziekengeld in mindering zou zijn gebracht.
-4. Dit artikel is niet van toepassing
indien de werknemer werkzaam is in een dienstbetrekking in de zin van artikel
2 of 7 van de Wet
sociale werkvoorziening.
-5. Voor het bepalen van het tijdvak van 52
weken, bedoeld in het eerste lid, worden onderbrekingen van het recht op
uitkering op grond van de Werkloosheidswet van
minder dan vier weken gelijkgesteld met perioden waarin de werknemer
recht had op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet.
Art.
30. [Plichten gericht op
arbeidsinschakeling | Passende arbeid] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963; Stb. 1996, 134; Stb.
1997, 96 + bis; Stb.
1998, 742; versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 625 + bis; Stb. 2005,
573; Stb. 2007, 553;
Stb. 2008, 600]
-1. De zieke werknemer die in staat is
hem passende arbeid te verrichten, is verplicht te trachten deze arbeid te
verkrijgen en, indien hij daartoe in de gelegenheid wordt gesteld, deze arbeid
te verrichten.
-2. Weigert de werknemer die aanspraak
maakt op ziekengeld zonder deugdelijke grond de in het vorige lid bedoelde
arbeid te verrichten, dan stelt het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen het ziekengeld op het bedrag
waarmede het dagloon overtreft het
loon dat hij zou hebben ontvangen indien hij deze arbeid wel verricht
had.
-3. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
kan de in het eerste
lid bedoelde werknemer verplichten zich als werkzoekende te laten registreren en die registratie
tijdig te doen verlengen, indien hem daartoe het recht toekomt op grond
van artikel 30b van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen.
-4. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de door hem daartoe aangewezen
deskundige kunnen degene aan wie ziekengeld is toegekend voorschriften
geven in het belang van een behandeling of van genezing dan wel voor
zover dit voortvloeit uit de taak, bedoeld in artikel 30 van de
Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, tot behoud, herstel en
bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid.
-5. Als passende arbeid als bedoeld in het
eerste lid wordt beschouwd alle arbeid die voor de krachten en
bekwaamheden van de werknemer is berekend, tenzij aanvaarding om redenen
van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden
gevergd. Niet als passende arbeid wordt beschouwd arbeid op grond van
een arbeidsovereenkomst als bedoeld in hoofdstuk
2 van de Wet sociale werkvoorziening.
-6. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het begrip passende arbeid,
bedoeld in het eerste en vijfde lid. [Bpasa]
Art.
30a. [Herziening of intrekking
toekenningsbesluit] [Bhiu]
[Bsoihu06] [Rsohiu]
[Geschiedenis:
Stb. 1996, 248; Stb.
1997, 96 + bis; versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 625; Stb. 2009, 265]
-1. Onverminderd het elders in deze wet
bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een besluit tot
toekenning van ziekengeld en ter zake van weigering van ziekengeld, herziet
het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen een dergelijk besluit of trekt hij dat
in:
a. indien het niet of niet behoorlijk
nakomen van een verplichting op grond van artikel 30,
31, 38, 45 of 49
heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
ziekengeld;
b. indien anderszins het ziekengeld
ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
c. indien het niet of niet behoorlijk
nakomen van een verplichting op grond van artikel 31 of
49 ertoe leidt
dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op ziekengeld bestaat.
-2. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan geheel of gedeeltelijk van herziening of
intrekking afzien indien daarvoor dringende redenen zijn.
Art.
30b.
[Tijdstip intrekking of verlaging ziekengeld na
bezwaar of beroep werkgever]
[Geschiedenis:
Stb.
2002, 584]
-1. De intrekking of
verlaging van een uitkering die voortvloeit uit het door de werkgever ingesteld bezwaar of
beroep vindt niet eerder plaats
dan de dag volgend op die
waarop de beslissing op bezwaar is bekendgemaakt of de uitspraak is
gedaan. De eerste zin is van overeenkomstige toepassing in geval van
intrekking van het bezwaar of beroep omdat het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen geheel of gedeeltelijk is tegemoet gekomen aan het
bezwaar of beroep van de werkgever.
-2. Het eerste lid geldt niet indien de uitkering door eigen schuld of toedoen van de werknemer
ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.
Art.
31. [Inkomsten uit arbeid of
ouderdomspensioen] [Geschiedenis:
OvW; MvT
+ bis; versie
25 april 1963; Stb. 1997, 96 + bis
+ bis + bis
+ bis; versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 568; Stb. 2001,
625; Stb. 2003, 544]
-1. De verzekerde die aanspraak maakt
op ziekengeld en tevens loon, inkomsten uit arbeid anders dan in
dienstbetrekking of ouderdomspensioen ontvangt, is verplicht hiervan vóór
de uitkering van ziekengeld op door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen in zijn reglement te bepalen wijze mededeling te doen.
-2. De verzekerde ontvangt aan
ziekengeld niet meer dan het bedrag waarmede zijn dagloon het bedrag van het door
hem ontvangen loon overtreft.
-3. Voor de toepassing van het tweede
lid wordt onder loon mede verstaan inkomsten uit arbeid anders dan in dienstbetrekking, met dien
verstande
dat deze inkomsten buiten aanmerking
blijven, voor zover deze ook reeds werden verworven onmiddellijk
voorafgaande aan de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken wegens
ziekte of de dag met ingang waarvan de uitkering op grond van artikel
3:7,
3:8,
3:9 of 3:10 van de Wet arbeid en zorg werd toegekend.
-4. Indien de verzekerde gedurende de
ongeschiktheid tot werken wegens ziekte tevens recht heeft op ouderdomspensioen, wordt, volgens door het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen te stellen regels en behoudens in door hem aan te geven gevallen, het
ziekengeld slechts uitbetaald voor zover dit het ouderdomspensioen
overtreft.
-5. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan met betrekking tot het bepaalde in dit artikel nadere regels
stellen.
Art.
32. [Samenloop ziekengeld met
arbeidsongeschiktheidsuitkering] [Geschiedenis:
OvW; MvT
+ bis; versie
25 april 1963; Stb.
1997, 96; Stb. 1997, 789;
Stb. 1997, 794; Stb.
1998, 742; versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 625; Stb. 2003,
555; Stb. 2005, 708;
Stb.
2009, 580]
-1. Indien de verzekerde ter zake van
de ongeschiktheid tot werken wegens ziekte zowel recht heeft op toekenning
van ziekengeld op grond van deze wet als op heropening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering in
verband
met artikel 47 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 21 van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of artikel
3:22 van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten dan wel toekenning
van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel
3:3 van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten, wordt het
ziekengeld slechts uitbetaald, voor zover het:
a. de arbeidsongeschiktheidsuitkering
op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen dan wel de Wet
werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten overtreft, indien
uitsluitend artikel 21 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen,
onderscheidenlijk artikel 3:3 of 3:22
van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten, van
toepassing is;
of
b. de arbeidsongeschiktheidsuitkering
op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering overtreft, indien zowel
artikel 47 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering als
artikel 21
van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of
artikel 3:3 of 3:22
van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten van toepassing zijn, dan wel
uitsluitend artikel 47 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering van toepassing is.
-2. Indien de verzekerde ter zake van
de ongeschiktheid tot werken wegens ziekte zowel recht heeft op toekenning
van ziekengeld op grond van deze wet als op herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband
met de artikelen 38, 39 of
39a van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, 13,
14,
15 of 16 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen of de artikelen 3:14,
3:15, 3:16
of 3:17 van de Wet
werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, wordt
het ziekengeld
slechts uitbetaald, voor zover:
a. het bedrag waarmee de
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten in verband met die herziening is verhoogd, overtreft, indien
artikel 13,
14, 15
of 16 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of
artikel 3:14, 3:15,
3:16 of 3:17
van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten van toepassing is;
of
b. het bedrag waarmee de arbeidsongeschiktheidsuitkering op
grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering in verband met die herziening is verhoogd,
overtreft, indien zowel artikel 38, 39 of
39a van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering als artikel
13, 14, 15 of 16 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen of artikel 3:14, 3:15,
3:16 of 3:17
van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten van toepassing
zijn, dan wel uitsluitend artikel 38, 39 of
39a van
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering van toepassing is.
-3. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen is bevoegd in bijzondere gevallen van het ziekengeld een hoger
bedrag uit te betalen dan in het eerste en tweede lid is bepaald.
-4. Onze Minister
kan met betrekking
tot gevallen van samenloop van ziekengeld met arbeidsongeschiktheidsuitkering op
grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten regels stellen. Bij
deze regels kan worden afgeweken van het eerste tot en met derde lid en van artikel 32a. [RszAW]
Art.
32a. [Samenloop ziekengeld met
arbeidsongeschiktheidsuitkering] [Geschiedenis:
Stb. 1997, 789; Stb.
1998, 742; versie
1 januari 1999; Stb.
2009, 580]
Indien de verzekerde ter zake van de
ongeschiktheid tot werken wegens ziekte zowel recht heeft op ziekengeld
op grond van deze wet als op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van
artikel 20 van
de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, artikel 3:21 van de Wet
werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, dan wel artikel 43a
van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, wordt het ziekengeld
slechts uitbetaald, voor zover het:
a. de arbeidsongeschiktheidsuitkering
op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen of de Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten overtreft, indien
artikel 20 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen of artikel 3:21 van de
Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten van toepassing is; en
b. de arbeidsongeschiktheidsuitkering
op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
overtreft, indien zowel
artikel 20 van
de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of
artikel 3:21 van de Wet
werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten als artikel 43a
van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering van toepassing zijn,
dan wel uitsluitend laatstgenoemd
artikel van toepassing is.
Art.
33. [Terugvordering] [Bti]
[Geschiedenis:
OvW; MvT
+ bis; versie
25 april 1963; Stb. 1996, 248; Stb.
1997, 96 + bis; Stb.
1997, 789; Stb. 1998, 278
+ bis; Stb.
1998, 742; versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 625 + bis; Stb. 2005,
573; Stb.
2005, 710; Stb. 2009, 265;
Stb. 2009, 589]
-1. Het ziekengeld dat als gevolg van
een besluit als bedoeld in artikel 30, tweede lid, 30a,
44 of 45
onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald,
wordt door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen teruggevorderd.
-2. In afwijking van het eerste lid kan
het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen besluiten van terugvordering of van
verdere terugvordering af te zien, indien degene van
wie wordt teruggevorderd:
a. gedurende vijf jaar volledig aan
zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;
b. gedurende vijf jaar niet volledig
aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode,
vermeerderd
met de daarover verschuldigde
wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog
heeft betaald;
c. gedurende vijf jaar geen betalingen
heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal
gaan verrichten; of
d. een bedrag overeenkomend met ten
minste 50% van de restsom in één keer aflost.
-3. De in het tweede lid, onderdeel a en
b,
genoemde termijn is drie jaar, indien:
a. het gemiddeld inkomen van de
belanghebbende in die periode de beslagvrije voet, bedoeld in de
artikelen 475c en 475d van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, niet
te boven is gegaan; en
b. de terugvordering niet het gevolg
is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in
artikel 49.
-4. Indien daarvoor dringende redenen
aanwezig zijn, kan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen besluiten geheel
of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
-5. Degene van wie wordt teruggevorderd, is verplicht desgevraagd aan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de inlichtingen te
verstrekken die voor de terugvordering van belang zijn.
-6. In afwijking van het eerste lid kan
het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, onder voorwaarden die Onze Minister
kan stellen, besluiten van terugvordering af te zien indien het terug te vorderen bedrag een door
Onze Minister vast te stellen bedrag
niet te boven gaat. [Rtgb]
Art.
33a. [Invordering bij dwangbevel]
[Geschiedenis:
Stb. 1995, 200; Stb.
1996, 248; Stb. 1998, 278;
versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 625; Stb. 2009, 265]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan de onverschuldigd betaalde uitkering,
bedoeld in artikel 33, eerste lid, invorderen bij
dwangbevel.
-2. Artikel 45g
is van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat indien het gemiddeld inkomen van de belanghebbende gedurende drie
jaar de beslagvrije voet, bedoeld in de
artikelen 475c en 475d van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, niet te boven is gegaan, het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen de aflossingsbedragen lager vaststelt.
Art.
33b. [Nadere regelgeving tenuitvoerlegging
onverschuldigde betaling]
[Geschiedenis:
Stb. 1996, 248; Stb.
1997, 96; Stb. 1998, 278;
versie
1 januari 1999; Stb. 1999,
564; Stb.
2001, 625 + bis; Stb.
2009, 265]
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking
tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij is
vastgesteld dat onverschuldigd is betaald. [Bibobw]
[Rbttbot]
[Rtbbtob]
Art. 34.
[Schuldregeling] [Geschiedenis:
OvW; MvT
+ bis; versie
25 april 1963; Stb. 1996, 248; versie
1 januari 1999; Stb. 2008,
510]
-1. In afwijking van artikel
33, eerste lid, kan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, op verzoek van de werknemer, besluiten
gedeeltelijk van terugvordering of gedeeltelijk van verdere
terugvordering af te zien bij medewerking aan een schuldregeling,
indien:
a. redelijkerwijs te voorzien is dat
de werknemer niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden
of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te
betalen;
b. redelijkerwijs te voorzien is dat
een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen, behoudens de in
het tweede lid bedoelde vorderingen, van de overige schuldeisers zonder
een zodanig besluit niet tot stand zal komen;
c. de vordering van het
Uitvoeringinstituut werknemersverzekeringen wegens onverschuldigde
betaling ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de
vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang;
d. een naar het oordeel van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen betrouwbare schuldregeling
tot stand is gekomen door tussenkomst van een schuldhulpverlener als
bedoeld in artikel 48 van de Wet
op het consumentenkrediet;
e. aannemelijk is dat medewerking
aan een schuldregeling niet concurrentieverstorend werkt; en
f. uitdeling in het kader van de
schuldregeling plaatsvindt overeenkomstig artikel 349 van de Faillissementswet.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing
indien een vordering is ontstaan door het niet nakomen door de werknemer
van de verplichting, bedoeld in artikel 31, en
hiervoor een boete als bedoeld in artikel 45a
is opgelegd, dan wel met betrekking tot het niet naleven van die
verplichting aangifte is gedaan op grond van het Wetboek
van Strafrecht.
-3. Het besluit tot het afzien van
terugvordering of van verdere terugvordering wordt ingetrokken of ten
nadele van de werknemer gewijzigd, indien:
a. niet binnen twaalf maanden nadat
dat besluit is bekendgemaakt een schuldregeling tot stand is gekomen die
voldoet aan de eisen, bedoeld in het eerste lid;
b. de werknemer zijn schuld aan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen niet overeenkomstig de
schuldregeling voldoet; of
c. onjuiste of onvolledige gegevens
zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot
een ander besluit zou hebben geleid.
-4. Bij ministeriële regeling kunnen met
betrekking tot dit artikel nadere regels worden gesteld ten aanzien van
de bevoegdheid om mee te werken aan schuldregelingen.
Art.
34a. [Preferentie] [Geschiedenis:
Stb. 2008, 510]
Een vordering van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen als bedoeld in de artikelen 33
en 34 van deze wet is bevoorrecht en volgt
onmiddellijk na de vorderingen uit artikel 288 van Boek
3 van het Burgerlijk Wetboek.
Art.
35. [Overlijdensuitkering] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963; Stb. 1995, 696; Stb.
1996, 134; Stb.
1997, 96; Stb. 1997, 773;
Stb. 1997, 789 + bis;
versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 625]
-1. Na het overlijden van
degene aan
wie ziekengeld is toegekend, wordt met ingang van de dag na het
overlijden ziekengeld in de vorm van een overlijdensuitkering uitbetaald:
a. aan de langstlevende van de
echtgenoten;
b. bij ontstentenis van de in
onderdeel a bedoelde persoon, aan de minderjarige kinderen tot wie de
overledene in familierechtelijke betrekking stond;
c. bij ontstentenis van de in de
onderdelen a en b bedoelde personen, aan degenen ten aanzien van wie de
overledene grotendeels in de kosten van het bestaan voorzag en met
wie hij in gezinsverband leefde.
-2. Met degene aan wie ziekengeld is
toegekend, wordt voor de toepassing van dit artikel gelijkgesteld degene
wiens overlijden heeft plaatsgevonden in de maand waarin hij de leeftijd van
65 jaar zou hebben bereikt doch vóór het bereiken van deze
leeftijd is overleden en die uitsluitend ingevolge artikel
29, vierde lid, over
de dag van zijn overlijden geen recht op ziekengeld had.
-3. De overlijdensuitkering is gelijk
aan het bedrag van het ziekengeld over één maand, doch niet over de
zaterdagen en zondagen, berekend naar de hoogte van dat ziekengeld op de
dag
of laatstelijk vóór de dag van overlijden van degene aan wie het
ziekengeld is toegekend.
-4. In verband met het overlijden van
degene aan wie ziekengeld is toegekend, is artikel 29, vierde lid, niet van
toepassing.
-5. De overlijdensuitkering wordt op
verzoek aan de rechthebbende of rechthebbenden, genoemd in het eerste lid,
door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen uitbetaald.
-6. De overlijdensuitkering wordt in
een bedrag ineens uitbetaald.
-7. Het bedrag van de
overlijdensuitkering wordt verminderd met het bedrag aan ziekengeld dat, over na het
overlijden gelegen dagen, reeds is uitbetaald.
-8. De overlijdensuitkering is niet
vatbaar voor beslag.
Art.
36. [Overlijdensuitkering en fictieve
toekenning ziekengeld] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963; Stb. 1995, 696; Stb.
1996, 134; versie
1 januari 1999; Stb.
2006, 303]
-1. In de
gevallen waarin op de dag
van het overlijden van de verzekerde of van degene die verzekerd is geweest,
nog geen ziekengeld is toegekend omdat aan het overlijden geen periode van arbeidsongeschiktheid
voorafging of artikel
29, tweede lid, onderdeel d, onder 1º, van toepassing was,
dient de uitbetaling als bedoeld in artikel 35, eerste lid, plaats te vinden alsof hem met ingang van de
dag na het overlijden ziekengeld is toegekend.
-2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder degene die verzekerd is geweest uitsluitend verstaan degene
die, ware hij niet overleden, doch arbeidsongeschikt geworden, nog aanspraak op ziekengeld had kunnen
ontlenen aan artikel 46.
Art.
37. [Oproep en onderzoek door UWV;
onkostenvergoeding] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963; Stb. 1997, 96 + bis;
versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 625 + bis]
-1. Het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen is bevoegd verzekerden bij ongeschiktheid tot het verrichten van
hun arbeid wegens ziekte op te roepen en te ondervragen op plaats,
dag en uur, door hem te bepalen.
-2. Opgeroepenen en, indien hun
toestand geleide nodig maakt, mede hun geleiders, worden reiskosten,
verblijfkosten en tijdverlies vergoed in de gevallen en volgens regels door het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen vast te stellen. [Bka]
Art.
38. [Ziekmelding door
loondoorbetalingsplichtige werkgever, re-integratieverslag en boete]
[Geschiedenis:
versie 25 april 1963; Stb. 1995, 691; Stb.
1996, 134 + bis + bis;
Stb.
1997, 96 + bis; Stb.
1997, 789; Stb. 1998, 742;
versie
1 januari 1999; Stb. 1999,
564; Stb. 2001, 481;
Stb. 2001, 568; Stb.
2001, 625 + bis; Stb.
2001, 628; Stb. 2003, 544;
Stb. 2003, 555; Stb.
2004, 731; Stb. 2005, 65;
Stb. 2005,
573; Stb. 2005, 708;
Stb. 2008, 414; Stb.
2009, 265]
-1. De werkgever van de verzekerde die
bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte recht
heeft op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel aanspraak heeft op
bezoldiging op grond van artikel
76a, eerste lid, doet, uiterlijk op de eerste
dag nadat de ongeschiktheid van die
werknemer 42 weken heeft geduurd, aangifte van die ongeschiktheid bij
het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen. De werkgever geeft
daarbij de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken op. Voor het bepalen van
het tijdvak van 42 weken worden tijdvakken van
ongeschiktheid tot werken samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking
van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en
aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap
of bevalling op grond van artikel 3:7,
eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt
genoten, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden
voort te vloeien uit dezelfde oorzaak. Bij de vaststelling van het tijdvak van
42 weken blijven
perioden waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van
artikel 3:7, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten,
buiten beschouwing.
-2. Onverminderd het eerste lid doet de
werkgever van de verzekerde, bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdeel
c, aangifte van de ongeschiktheid tot werken van die verzekerde aan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op de laatste werkdag voordat de
dienstbetrekking eindigt. Indien tussen de eerste dag van de ongeschiktheid
tot werken en de laatste werkdag, bedoeld in de eerste zin, ten minste
zes weken is gelegen, stelt de werkgever die geen
eigenrisicodrager is uiterlijk
op die laatste werkdag in overleg met de werknemer een
reïntegratieverslag op en verstrekt de werkgever hiervan een afschrift
aan de werknemer. De werknemer
verstrekt op diens verzoek het reïntegratieverslag aan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
beoordeelt of de werkgever en de werknemer in redelijkheid hebben kunnen
komen tot de reïntegratie-inspanningen die zijn verricht. [Bbp]
[Bvhr]
-3. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste
€|454,00 indien de werkgever de
verplichting, bedoeld in de eerste zin van het tweede lid, niet of niet
behoorlijk is nagekomen. De artikelen 45a,
derde, vierde en zesde lid, 45c, en 45g,
vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. [BabwZ]
[BbZWw]
[BbZWw02] [Bibobw]
[Bszw]
-4. Dit artikel is, met
uitzondering van de tweede en derde zin van het tweede lid en het
zevende lid, niet van toepassing op de verzekerde die aanspraak maakt op
ziekengeld op grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel e, f of
g, en
de werkgever van die verzekerde.
-5. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de aangifte
van de ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid, bedoeld in het
eerste lid, en met betrekking tot het tweede lid. [Rpetz]
-6. Indien bij de behandeling van de aangifte, bedoeld in het tweede
lid, blijkt dat de werkgever zijn verplichting om een
reïntegratieverslag op te stellen niet of niet volledig is nagekomen,
stelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de werkgever
een termijn waarbinnen het reïntegratieverslag wordt verstrekt of
aangevuld. [Bvhr]
-7. Indien bij de
behandeling van de aangifte, bedoeld in het tweede lid, blijkt dat de werknemer
zijn verplichting tot het verstrekken van het reïntegratieverslag aan
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen niet of niet volledig is
nagekomen, stelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
aan de werknemer een termijn waarbinnen het reïntegratieverslag
wordt verstrekt onderscheidenlijk aangevuld.
-8. Indien een aanvraag tot verkorte
wachttijd als bedoeld in artikel 23, zesde
lid, van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen, of een verzoek om verlenging van het tijdvak waarin
een verzekerde jegens zijn werkgever recht heeft op loon of bezoldiging
als bedoeld in artikel 24, eerste lid, van
de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen,
wordt ingediend zonder dat een aangifte op grond van het eerste lid
heeft plaatsgevonden, wordt deze aanvraag, respectievelijk dit verzoek,
beschouwd als een aangifte op grond van het eerste lid.
Art.
38a. [Ziek- en hersteldmelding vangnetter
met werkgever | Boete werkgever] [Geschiedenis:
Stb. 1996, 134; Stb.
1997, 96; Stb. 1997, 789;
Stb. 1998, 742; versie
1 januari 1999; Stb. 1999,
564; Stb. 2001, 481;
Stb. 2001, 625; Stb.
2003, 544; Stb. 2007, 553;
Stb. 2009, 265 + bis;
Stb. 2009, 318]
-1. De verzekerde die een werkgever heeft
als bedoeld in de eerste afdeling, paragraaf 3, en
die aanspraak maakt op ziekengeld is in geval van ongeschiktheid tot het
verrichten van zijn arbeid wegens ziekte verplicht dit op de tweede dag
van die ongeschiktheid te melden aan zijn werkgever.
-2. De werkgever meldt na ontvangst van de
in het eerste lid bedoelde melding, aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen uiterlijk op de vierde dag van de
ongeschiktheid tot werken, de eerste werkdag waarop de verzekerde wegens
ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid.
-3. Indien de werkgever jegens wie de
verzekerde recht heeft op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek, de melding, bedoeld in het tweede lid,
later doet dan in dat lid is voorgeschreven, wordt het ziekengeld niet
uitbetaald tot de datum van die melding.
-4. Indien de verzekerde na een ziekmelding
als bedoeld in het eerste lid weer geschikt is tot het verrichten van
zijn arbeid, meldt hij aan de werkgever uiterlijk de tweede dag van die
geschiktheid, de eerste dag waarop hij weer geschikt is tot het
verrichten van zijn arbeid.
-5. De werkgever meldt na ontvangst van de
in het vierde lid bedoelde melding, aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen uiterlijk op de tweede dag na de hersteldmelding
door de verzekerde, de eerste dag waarop die verzekerde weer geschikt is
tot het verrichten van zijn arbeid.
-6. Indien de verzekerde door toepassing
van artikel 629, derde lid, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek geen recht heeft op loon dan wel op
grond van artikel 76b, tweede lid, geen recht
heeft op bezoldiging, meldt de werkgever dit aan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
-7. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste
€|454,00 indien de werkgever de
verplichting, bedoeld in het vijfde of zesde lid, niet of niet
behoorlijk is nagekomen. De artikelen 45a,
derde, vierde en zesde lid, en 45g, vierde
lid, zijn van overeenkomstige toepassing. [BabwZ]
[BbZWw]
[BbZWw02] [Bszw]
Art.
38ab. [Ziek- en hersteldmelding vangnetter
zonder werkgever] [Geschiedenis:
Stb.
2007, 553; Stb. 2009, 318]
-1. Indien de
verzekerde die aanspraak maakt op ziekengeld geen werkgever heeft als
bedoeld in de eerste afdeling, paragraaf 3, is deze
in geval van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens
ziekte verplicht dit op de tweede dag van die ongeschiktheid te melden
aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
-2. Indien de verzekerde na een ziekmelding
als bedoeld in het eerste lid, weer geschikt is tot het verrichten van
zijn arbeid, meldt hij aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen uiterlijk de tweede dag ¹ van die geschiktheid,
de eerste dag waarop hij weer geschikt is tot het verrichten van zijn
arbeid.
1. Volgens de redactie dient
"uiterlijk de vierde dag" te worden vervangen door: uiterlijk
op de tweede dag.
Art.
38b. [Melding werknemer aan werkgever recht
op ziekengeld bij arbeidshandicap; meldingsplicht werkgever]
[Geschiedenis:
Stb. 2005,
573; Stb.
2005, 710; Stb. 2009, 287]
-1. Op verzoek informeert
de werknemer zijn werkgever over zijn mogelijke aanspraak op
ziekengeld op grond van artikel 29b
of 29d. De eerste zin is niet van toepassing
gedurende de eerste twee maanden na aanvang van zijn
dienstbetrekking.
-2. In afwijking van
artikel 38a, tweede lid, meldt de werkgever zo spoedig mogelijk, doch in
elk geval niet later dan de vierde dag na het tijdstip waarop het hem
redelijkerwijs duidelijk kan zijn dat de werknemer aanspraak op ziekengeld
kan maken op grond van artikel 29a of
29b, aan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de eerste werkdag
waarop die werknemer
wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid.
-3. Artikel 38a, derde
lid, is van overeenkomstige toepassing op de melding, bedoeld in het
tweede lid.
-4. In afwijking van artikel
38a, tweede lid, meldt de werkgever, indien een mogelijke
aanspraak op grond van artikel 29d bestaat,
uiterlijk op de vierde dag nadat dertien weken van ongeschiktheid tot
het verrichten van arbeid wegens ziekte van de werknemer zijn
verstreken, aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de
eerste werkdag waarop die werknemer wegens ziekte ongeschikt is tot het
verrichten van zijn arbeid.
-5. Artikel 38a,
derde lid, is van overeenkomstige toepassing op de melding, bedoeld in
het tweede en derde lid.
Art.
39. [UWV-controle arbeidsongeschiktheid en
verzuimbegeleiding] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963; Stb. 1995, 691; Stb.
1996, 134; Stb.
1997, 96 + bis + bis
+ bis; versie
1 januari 1999; Stb. 1999,
564; Stb. 2001, 625;
Stb. 2001, 628]
-1. Het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen verricht bij verzekerden van wie op grond van
artikel 38, tweede lid, of
38a een
aangifte van ziekte of van wie een ziekmelding is ontvangen, controle op
het bestaan van ongeschiktheid tot het verrichten van hun arbeid wegens
ziekte en hij beoordeelt bij gebleken ongeschiktheid of de werkgever zijn
taak met betrekking tot verzuimbegeleiding op adequate wijze uitoefent.
-2. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen stelt ter uitvoering van de controle op het bestaan van
ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid controlevoorschriften vast, die
voor één of meer bepaalde groepen van werknemers kunnen verschillen. [CZ01]
[CZ04] [CZ10]
-3. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen is bevoegd zijn controlebevindingen mee te delen aan de werkgever tot wie
de aan controle onderworpen werknemer in dienstbetrekking staat.
Het deelt de werkgever op diens verzoek mee of een bepaalde tot
hem in dienstbetrekking staande werknemer volgens de gegevens die het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen ter beschikking staan, geschikt is tot
het verrichten van zijn arbeid.
Art.
39a. [Verhaal op werkgever bij schending
verplichtingen] [Geschiedenis:
Stb. 1995, 598; Stb.
1995, 691; Stb. 1996,
134; Stb.
1997, 96; versie
1 januari 1999; Stb. 1999, 184;
Stb.
2001, 625; Stb. 2001, 628;
Stb. 2003, 555; Stb.
2005, 37; Stb.
2004, 731; Stb.
2005, 525; Stb. 2005,
573; Stb. 2005, 708;
Stb. 2009, 265]
-1. Indien bij de behandeling van de aangifte of de beoordeling, bedoeld
in artikel 38, tweede lid, blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke
grond zijn verplichtingen op grond van de tweede zin van dat
lid of artikel 71a, eerste, tweede of vijfde lid, van de
Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering dan wel de krachtens het zevende
lid van dat artikel gestelde regels of op grond
van artikel 25, eerste, tweede of vijfde lid, van de
Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen dan wel de krachtens het zevende lid van dat
artikel gestelde regels, niet of niet volledig nakomt of
onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht, verhaalt het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen op die werkgever het
ziekengeld, alsmede de op grond van enige wet over deze uitkering
verschuldigde premies die niet op deze uitkering in mindering kunnen
worden gebracht en de vergoeding, bedoeld in artikel
46 van
de Zorgverzekeringswet, dat zal worden betaald over een door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vast te stellen tijdvak.
Dit tijdvak vangt aan op de eerste dag van ongeschiktheid tot werken
nadat de dienstbetrekking is geëindigd en wordt afgestemd op de periode
waarin de werkgever de in de vorige volzin bedoelde verplichtingen of
regels niet is nagekomen of onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft
verricht. Het tijdvak bedraagt ten hoogste 52 weken. Indien binnen het door
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vastgestelde tijdvak een
periode van ongeschiktheid tot werken gedurende een
periode van vier weken of meer wordt onderbroken door geschiktheid tot
werken, wordt het ziekengeld over de periode van
ongeschiktheid tot werken die is gelegen na die vier weken of meer weken niet verhaald
op de werkgever, bedoeld in de eerste zin.
Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt regels met betrekking
tot het vaststellen van het in de tweede zin bedoelde tijdvak. Deze
regels behoeven de goedkeuring van Onze Minister.
[Bvz]
-2. Indien de werkgever, bedoeld in het eerste lid, niet meer bestaat,
wordt voor de toepassing van het eerste lid onder werkgever verstaan de
rechtsopvolger van die werkgever. De eerste zin is niet van toepassing
met betrekking tot de rechtsopvolger na faillissement.
-3. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan de in het eerste lid bedoelde bedragen
invorderen bij dwangbevel.
-4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld.
Art.
39b. [Verjaringstermijnen verhaal]
[Geschiedenis:
Stb. 1995, 691; Stb.
1996, 134; versie
1 januari 1999; Stb.
2005, 37; Stb.
2005, 525]
-1. Een beschikking tot verhaal van
uitkering, premies en vergoeding als bedoeld in
artikel 39a, eerste lid, wordt niet meer gegeven indien meer dan vijf
jaren sedert het einde van het kalenderjaar zijn verstreken waarin zij
zijn betaald of afgedragen.
-2. Uitkeringen, premies en vergoedingen die niet zijn ingevorderd binnen tien jaren na
het geven van de beschikking tot verhaal worden niet meer ingevorderd.
-3. De rechtsvordering tot terugbetaling van een onverschuldigd betaald
bedrag in verband met verhaal van uitkering, premies en vergoeding verjaart door
verloop van vijf jaren sedert het einde van het kalenderjaar waarin de
beschikking tot verhaal is gegeven.
Art.
39c. [Preferentie bij verhaal]
[Geschiedenis:
Stb. 1995, 691; Stb.
1996, 134; versie
1 januari 1999; Stb.
2005, 37]
De vordering van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wegens
verhaal als bedoeld in artikel 39a, eerste lid, is bevoorrecht op alle
goederen van de werkgever en gaat boven alle andere voorrechten met
uitzondering van die van de artikelen 287 en 288, onderdeel a, alsmede dat
van artikel 284 van Boek
3 van het Burgerlijk Wetboek.
Art.
39d. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 1996, 134; versie
1 januari 1999]
Art.
40. [Betaling aan instellingen]
[BbzmC] [BbzmZ]
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963; Stb. 1995, 691; Stb.
1995, 696 + bis + bis;
Stb. 1996, 134; Stb.
1996, 478 + bis; Stb.
1997, 96 + bis; versie
1 januari 1999; Stb. 1999, 185;
Stb. 2001, 625; Stb.
2005, 525; Stb.
2005, 530; Stb. 2009, 265]
-1. Indien degene aan
wie ziekengeld is toegekend aanspraak heeft op verstrekking of
vergoeding van zorg als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten en op grond van die wet een bijdrage voor die zorg verschuldigd is, is
het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen bevoegd het ziekengeld
tot het bedrag van die bijdrage in plaats van aan degene aan wie het
ziekengeld is toegekend, zonder diens machtiging uit te betalen aan het College voor
zorgverzekeringen, genoemd in artikel
58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet.
-2. Indien degene aan wie ziekengeld
is toegekend in een inrichting ter verpleging van geesteszieken of van zwakzinnigen is opgenomen en het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van de desbetreffende inrichting
of van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
die de opnamekosten betaalt het verzoek ontvangt om het ziekengeld aan die inrichting
of die gemeente uit te betalen, is het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen bevoegd dat verzoek zonder het stellen van andere voorwaarden in te
willigen.
-3. Indien het eerste lid toepassing
vindt, heeft de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid betrekking op het gedeelte
van het ziekengeld dat niet aan het College voor zorgverzekeringen
wordt uitbetaald.
-4. Een herziening van de betaling op
grond van het eerste lid als gevolg van een wijziging van de
verschuldigde bijdrage vindt plaats zonder dat dit bij beschikking is
vastgesteld.
Art.
41. [Opschorting betaling ziekengeld bij
onrechtmatig verblijf in Nederland]
[Bsoihu06] [Geschiedenis:
versie 25 april 1963; Stb. 1997, 789 + bis;
Stb. 1998, 203; versie
1 januari 1999; Stb.
2000, 496; Stb. 2001,
625]
-1. Het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen schort de betaling van het ziekengeld op indien degene aan wie
ziekengeld is toegekend een vreemdeling is die niet rechtmatig in
Nederland verblijf houdt als bedoeld in artikel 8 van de Vreemdelingenwet
2000.
-2. De betaling van het ziekengeld
wordt hervat indien betrokkene daartoe een aanvraag indient en het het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen is gebleken dat hij feitelijk buiten
Nederland woont of verblijf houdt.
Art. 42. Vervallen.
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963; Stb.
1997, 96 + bis;
versie
1 januari 1999; Stb. 1999,
595]
Art.
43. [Uitsluiting gemoedsbezwaarde]
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963; versie
1 januari 1999; Stb.
2005, 37]
De verzekerde aan wie een ontheffing wegens
gemoedsbezwaren als bedoeld in artikel 64 van de
Wet financiering sociale verzekeringen
is verleend, komt
geen ziekengeld toe.
Art.
44. [Buiten aanmerking laten
arbeidsongeschiktheid] [BoavZ]
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963; Stb. 1995, 691; Stb.
1996, 134 + bis; Stb.
1996, 248; Stb.
1997, 96 + bis + bis;
Stb. 1998, 412; Stb.
1998, 742; versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 625]
-1. Het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen is bevoegd de uitkering van ziekengeld geheel of gedeeltelijk,
tijdelijk of blijvend te weigeren indien de ongeschiktheid tot werken wegens
ziekte, anders dan wegens zwangerschap of bevalling: [Bwzbvo]
a. bestond op het tijdstip dat de
verzekering een aanvang nam;
b. binnen een halfjaar na het
tijdstip waarop de verzekering een aanvang nam, is ingetreden, terwijl de
gezondheidstoestand van de betrokkene ten tijde van de aanvang van zijn
verzekering het intreden van de ongeschiktheid tot werken
binnen een halfjaar kennelijk moest doen verwachten.
-2. Het eerste lid blijft buiten
toepassing ten aanzien van degene die onmiddellijk voorafgaande aan het
tijdstip waarop
de verzekering een aanvang nam ononderbroken onbetaald verlof,
tot een maximum van achttien maanden, heeft genoten, behoudens voor
zover het betreft ongeschiktheid tot werken in de zin van het eerste lid die bestond op de dag voorafgaande aan de eerste dag van dit verlof. Als
ononderbroken onbetaald verlof wordt aangemerkt perioden van
onbetaald verlof die elkaar met een onderbreking van minder dan één
maand opvolgen.
-3. Het bepaalde in het eerste lid,
onderdeel b, blijft buiten toepassing ten aanzien van degene die onmiddellijk
voorafgaande aan het tijdstip dat de verzekering een aanvang nam, in
verband met het bepaalde in artikel 6, eerste lid, onderdeel a of b, niet
verzekerd was.
-4. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de in dit
artikel bepaalde bevoegdheid van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen de uitkering van het ziekengeld
geheel of gedeeltelijk te weigeren.
Art.
45. [Weigering ziekengeld bij niet-naleving
voorschriften | Afstemming maatregel] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963; Stb. 1996, 134 + bis
+ bis; Stb.
1996, 248; Stb. 1997,
96 + bis + bis
+ bis + bis;
Stb. 1997, 789; Stb.
1997, 794; Stb. 1998, 742
+ bis + bis;
versie
1 januari 1999; Stb. 1999,
564; Stb. 2001, 568;
Stb. 2001, 625 + bis
+ bis; Stb.
2001, 692; Stb. 2003,
555; Stb. 2004, 731;
Stb. 2005,
573; Stb.
2005, 710; Stb. 2005, 708;
Stb.
2006, 303; Stb. 2006, 703;
Stb. 2007, 305; Stb.
2007, 553; Stb. 2009, 265;
Stb. 2009, 318; Stb.
2009, 580]
-1. Het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen weigert het ziekengeld geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of
blijvend:
a. indien de verzekerde niet binnen
redelijke termijn geneeskundige hulp inroept en niet zich gedurende
het gehele verloop van de ziekte onder behandeling blijft stellen of
indien hij de voorschriften van de behandelende arts niet opvolgt;
b. indien de verzekerde gedurende de
ongeschiktheid tot werken zich schuldig maakt aan gedragingen
waardoor zijn genezing wordt belemmerd of nalaat
voldoende mee te werken om
aanpassing aan zijn ziekte of gebrek te verkrijgen;
c. indien de verzekerde zonder
deugdelijke grond nalaat gevolg te geven aan een verzoek ingevolge deze wet
gedaan door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen om te
verschijnen of indien het geneeskundig onderzoek door een door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen aangewezen deskundige
door toedoen van de verzekerde niet kan plaatshebben;
d. indien de verzekerde het
voorschrift gegeven in artikel 38a, eerste lid,
of in artikel 38ab, eerste lid, niet opgevolgd heeft;
e. indien de verzekerde zich niet
houdt aan de in artikel 39, tweede lid, bedoelde controlevoorschriften;
f. indien met betrekking tot de
ongeschiktheid tot werken bij de uitvoering van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen onderscheidenlijk de Wet werk
en arbeidsondersteuning jonggehandicapten toepassing wordt gegeven aan
artikel 88 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen in
verband met het niet naleven van de artikelen 27, tweede lid, onderdeel
a
tot en met c, of vijfde lid, 28, eerste lid,
29 of 30, eerste of
tweede lid, van laatstgenoemde wet,
artikel 25
of 28,
onderdeel a of b, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 45 of
46,
onderdeel a of b, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen,
artikel 3:37 of 3:38,
eerste lid, onderdeel a of b, van de Wet
werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten onderscheidenlijk artikel
2:67 van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten in verband met het niet naleven van de artikelen
2:7, tweede lid, onderdeel a tot en met c, en zesde
lid, 2:8, eerste lid, 2:31
of 2:32, tweede lid, van laatstgenoemde
wet;
g. indien de verzekerde zijn
ongeschiktheid tot werken opzettelijk heeft veroorzaakt;
h. indien de verzekerde de
verplichting, bedoeld in artikel 55, tweede lid, van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, niet of niet behoorlijk is nagekomen;
i. indien de verzekerde de
verplichting, bedoeld in artikel 31, eerste lid, of 49, niet binnen de door het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen daarvoor vastgestelde termijn is
nagekomen;
j. indien de verzekerde door zijn doen
en laten het Algemeen Werkloosheidsfonds, het sectorfonds of het Uitvoeringsfonds voor de
overheid benadeelt of zou
kunnen benadelen. Onder benadeling in de zin van dit onderdeel is niet
begrepen
het niet nakomen van de verplichtingen, bedoeld in de artikelen
31, eerste lid, en 49;
k. indien de verzekerde een hem op
grond van artikel 30 opgelegde verplichting niet nakomt, tenzij
artikel 30, tweede lid, van toepassing is;
l. indien de verzekerde zonder redelijke gronden niet meewerkt
aan een scholing of opleiding die wenselijk wordt geacht voor zijn
inschakeling in de arbeid;
m. indien de verzekerde zonder deugdelijke grond weigert of heeft
geweigerd mee te werken aan door zijn werkgever of door een door die
werkgever aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften of
getroffen maatregelen die erop gericht zijn om de verzekerde in staat te
stellen passende arbeid te verrichten, dan wel indien bij de behandeling
van de aangifte of de beoordeling, bedoeld in
artikel 38, tweede lid,
blijkt dat de verzekerde zonder deugdelijke grond onvoldoende
reïntegratie-inspanningen heeft verricht;
n. indien de verzekerde zich
niet houdt aan het voorschrift, bedoeld in artikel
38, tweede lid,
derde zin;
o. indien de
belanghebbende zonder redelijke gronden niet meewerkt aan het opstellen van het plan van aanpak, bedoeld in artikel
26,
eerste lid, van de Wet werk en inkomen
naar arbeidsvermogen, of het re-integratieplan,
bedoeld in artikel 30a, derde lid, van
de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
p. indien de
belanghebbende de verplichtingen die zijn opgenomen in het plan van aanpak, bedoeld in artikel
26,
eerste lid, van de Wet werk en inkomen
naar arbeidsvermogen, of in het re-integratieplan, bedoeld in
artikel 30a,
derde lid, van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, niet of niet behoorlijk is
nagekomen;
q.
indien de verzekerde die recht heeft op arbeidsondersteuning op grond
van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten op grond van artikel
2:39, vierde lid, van die wet geen
inkomensvoorziening ontvangt.
-2. Een maatregel als bedoeld in het
eerste lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de
verzekerde de gedraging verweten kan worden. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval
afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
-3. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een maatregel
als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een
schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet tijdig nakomen van de
verplichting, bedoeld in artikel 31, eerste lid, 38,
tweede lid, derde zin, of 49, indien het niet tijdig
nakomen van de verplichting niet heeft geleid tot het ten onrechte of
tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, tenzij het niet tijdig
nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar
te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een
zodanige waarschuwing is gegeven. [BmU]
[Bw]
-4. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een maatregel
indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-5. Het opleggen van een maatregel blijft
achterwege, indien voor dezelfde gedraging:
a. een bestuurlijke boete als
bedoeld in artikel 45a wordt opgelegd;
b. een maatregel op grond van artikel
27, vierde lid, van de Werkloosheidswet
wordt opgelegd; of
c. een bestuurlijke boete als
bedoeld in artikel 27a van de Werkloosheidswet
wordt opgelegd.
-6. Bij algemene maatregel van bestuur
worden nadere regels gesteld met betrekking tot het eerste en het tweede
lid. [Mszw]
[MT] [MU]
-7. Onder benadeling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel j,
wordt mede verstaan de situatie dat de verzekerde zonder deugdelijke
grond heeft nagelaten verweer te voeren tegen of heeft ingestemd met een
beëindiging van de dienstbetrekking in de periode, bedoeld in artikel
29, eerste lid.
-8. Indien aan de persoon, bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdeel
d, aanhef en onder 1º, in de eerste dertien weken van zijn
ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte een
maatregel op grond van artikel 27, vierde lid, van de
Werkloosheidswet
is opgelegd, wordt de beschikking waarbij die maatregel is opgelegd
vanaf de eerste dag van de veertiende week van zijn ongeschiktheid of
zoveel eerder als de uitkering op grond van de Werkloosheidswet eindigt
op grond van het bepaalde in artikel 20, eerste lid,
onderdeel a,
b, d
of e, van de Werkloosheidswet, geacht gebaseerd te zijn op het eerste
lid.
Art.
45a. [Bestuurlijke boete bij niet-nakoming
inlichtingenverplichting | Afstemming boete] [Babw]
[Bbw10] [Bbwn]
[Geschiedenis:
Stb. 1996, 248; Stb.
1997, 96 + bis + bis
+ bis; Stb.
1997, 789; Stb. 1998, 742
+ bis; versie
1 januari 1999; Stb. 1999,
564; Stb. 2001, 481;
Stb. 2001, 625; Stb. 2005, 708;
Stb.
2006, 303; Stb. 2009, 265]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen legt een bestuurlijke boete op van ten
hoogste €|2269,00 ter zake van het niet
of niet behoorlijk nakomen door de verzekerde van de verplichting,
bedoeld in artikel 31, eerste lid, of 49.
-2. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke
boete als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een
schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet of niet behoorlijk
nakomen door de verzekerde van de verplichting, bedoeld in artikel
31, eerste lid, of 49, indien dit niet heeft
geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
uitkering, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de
verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen
vanaf de datum waarop eerder aan de werknemer een zodanige waarschuwing
is gegeven.
[Bw]
-3. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke
boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-4. Degene aan wie een bestuurlijke boete
is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen de inlichtingen te verstrekken die voor de
tenuitvoerlegging van de boete van belang zijn.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur
worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete. [Bszw]
-6. Het opleggen van een bestuurlijke boete
blijft achterwege indien voor dezelfde gedraging een bestuurlijke boete
als bedoeld in artikel 27a van de Werkloosheidswet
wordt opgelegd.
Art.
45b. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 1996, 248; Stb.
1997, 96 + bis; versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 625; Stb. 2009, 265]
Art.
45c. [Nadere regelgeving tenuitvoerlegging
bestuurlijke boete]
[Geschiedenis:
Stb. 1996, 248; Stb.
1997, 96 + bis; versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 625 + bis + bis;
Stb. 2009, 265]
Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging
van de beschikking waarbij de bestuurlijke boete is opgelegd. [Bibobw]
[Rbttbot]
[Rtbbtob]
Art.
45d. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 1996, 248; Stb.
1997, 96; versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 625; Stb. 2009, 265]
Art.
45e. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 1996, 248; Stb.
1997, 96; versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 625 + bis; Stb.
2009, 265]
Art.
45f. [Reformatio in peius] [Geschiedenis:
Stb. 1996, 248; versie
1 januari 1999; Stb. 2009,
265]
In afwijking van artikel 8:69 van de
Algemene wet bestuursrecht kan de rechter in beroep of hoger beroep het
bedrag
waarop de bestuurlijke boete is vastgesteld ook ten nadele van de verzekerde wijzigen.
Art.
45g.
[Invordering bestuurlijke boete]
[Geschiedenis:
Stb. 1995, 690; Stb.
1996, 248; Stb.
1997, 96 + bis; Stb.
1997, 789; Stb. 1997, 794;
Stb. 1998, 742 + bis;
versie
1 januari 1999; Stb. 1999,
564; Stb. 2001, 568;
Stb. 2001, 625 + bis;
Stb. 2003, 376; Stb.
2004, 717; Stb. 2005,
573; Stb.
2009, 265; Stb.
2009, 390; Stb. 2009, 282; Stb. 2009, 318;
Stb.
2009, 580]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen verrekent de bestuurlijke boete met een
uitkering op grond van deze wet, de Werkloosheidswet,
de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen,
de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten, de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, de Wet
inkomensvoorziening oudere werklozen, de Wet
arbeid en zorg of een toeslag op grond van de Toeslagenwet,
die degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, ontvangt.
-2. De Sociale
verzekeringsbank onderscheidenlijk de gemeente
betaalt het bedrag van de bestuurlijke boete, zonder dat daarvoor een
machtiging nodig is, op zijn verzoek aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen indien degene aan wie een bestuurlijke boete is
opgelegd een uitkering ontvangt op grond van de Algemene
Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet,
de Wet werk en bijstand,
de Wet investeren in jongeren, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere
en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen of de Wet
werk en inkomen kunstenaars.
-3. De in artikel 479g van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering aan de raad voor
de kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Indien het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen gebruik maakt van deze
bevoegdheid, geschiedt de bekendmaking van het dwangbevel, in afwijking
van artikel 4:123, eerste lid, van de Algemene
wet bestuursrecht, door middel van toezending per post aan de
persoon aan wie de boete is opgelegd.
-4. Zolang de verzekerde zijn verplichting,
bedoeld in artikel 45a, vierde lid, niet of
niet behoorlijk nakomt:
a. is het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, in afwijking van artikel
4:93, vierde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht, bevoegd tot verrekening van de bestuurlijke boete
voor zover beslag op de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn;
b. geldt de beslagvrije voet,
bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van artikel
4:116 van de Algemene wet bestuursrecht,
niet bij de invordering van een bestuurlijke boete bij dwangbevel.
Art.
45h. [In kennis stellen
re-integratiebedrijf sanctieoplegging] [Geschiedenis:
Stb. 2005,
573; Stb. 2009, 265]
Indien het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
de verzekerde de uitkering van ziekengeld op grond van deze wet tijdelijk of
blijvend, geheel of gedeeltelijk heeft geweigerd dan wel hem een
bestuurlijke boete heeft
opgelegd, stelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het
reïntegratiebedrijf dat ten behoeve van die verzekerde werkzaamheden
gericht op vergroting van de mogelijkheden tot het verrichten van arbeid of
op inschakeling in de arbeid verricht, van die beschikking in kennis voor
zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de werkzaamheden door het
reïntegratiebedrijf.
Art.
45i. [Niet meewerken aan medisch onderzoek
vóór recht op uitkering] [Geschiedenis:
Stb. 2006, 703]
Indien voor het vaststellen van het recht op ziekengeld op grond van
deze wet, in het kader van een ziekmelding voor de toekenning van
ziekengeld op grond van deze wet, naar het oordeel van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een medisch onderzoek nodig
is en de betrokkene niet meewerkt aan dat onderzoek, blijven eventuele
uit deze wet voortvloeiende aanspraken op ziekengeld op grond van deze
wet buiten beschouwing, voor zolang het recht op ziekengeld niet kan
worden vastgesteld.
Art.
46. [Nawerking verzekering] [Raunv]
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963; Stb.
1997, 96; Stb. 1998, 412 +
bis + bis;
versie
1 januari 1999; Stb. 2000,
561; Stb. 2001, 625;
Stb.
2009, 390]
-1.
Degene die:
a. gedurende twee maanden onafgebroken
op alle dagen verzekerd is geweest; of
b. in de loop van de twee maanden
voorafgaande aan het einde van zijn verzekering op ten minste zestien dagen verzekerd is
geweest;
heeft, indien hij in het onder a
bedoelde geval binnen één maand na het einde van die twee maanden en in het
onder b bedoelde geval binnen acht dagen na het einde van zijn verzekering ongeschikt tot werken wordt,
tegenover
het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen aanspraak op
ziekengeld alsof hij verzekerd was gebleven.
Indien de verzekering berust op een dienstbetrekking als bedoeld in artikel
3, ontstaat de in de eerste zin bedoelde
aanspraak
op ziekengeld eerst na het eindigen van die dienstbetrekking.
-2. Voor de toepassing van het in het
vorige lid, onderdeel a, bepaalde wordt de daargenoemde termijn van twee maanden
geacht niet te zijn onderbroken indien de betrokkene gedurende niet
meer dan zeven dagen niet verzekerd is geweest. Voor de
toepassing van het bepaalde in dit en het vorige lid wordt arbeid, in een
aaneengesloten nachtdienst op twee dagen verricht, gerekend als arbeid op één
dag.
-3. Voor de vaststelling van het bedrag
van het ziekengeld wordt de ongeschiktheid tot werken geacht te zijn ingetreden
in de kalenderweek waarin de verzekering is geëindigd.
-4. De in het eerste lid bedoelde
aanspraak komt niet toe aan:
a. degene die de eerste dag van de
maand waarin hij 65 jaar wordt, heeft bereikt, of in verband met
artikel 6, eerste lid, onderdeel a of b, niet verzekerd is;
b. degene die ingevolge de wetgeving
van een andere mogendheid aanspraak heeft op uitkering bij ziekte; en
c.
degene die recht heeft op een uitkering op grond van de Wet
inkomensvoorziening oudere werklozen of op een uitkering op grond
van de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers.
-5. De in het eerste lid bedoelde
aanspraak komt mede toe, voor zover het betreft de toepassing van artikel
29a,
aan de vrouw wier bevalling waarschijnlijk is, onderscheidenlijk wier bevalling
plaatsvindt binnen een tijdsverloop van tien weken na het einde van haar
verplichte verzekering.
-6. Voor de toepassing van dit artikel
is ongeschikt tot werken degene die ongeschikt is tot het verrichten van
de arbeid waarmede hij in zijn onderhoud placht te voorzien.
Art.
47. Vervallen. [Geschiedenis:
versie 25 april 1963; Stb. 1995, 250; versie
1 januari 1999; Stb. 2009,
265]
Art.
47a. [Voorschot, opschorting en schorsing]
[Bsoihu06] [Geschiedenis:
Stb. 1997, 789; Stb.
1998, 742; versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 625; Stb. 2001, 628;
Stb. 2005,
573 + bis; Stb.
2009, 265]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen betaalt geen voorschot indien onzekerheid
bestaat over het recht op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek of het recht op bezoldiging op grond
van artikel 76a, eerste lid. [RvZ]
-2. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen schort de betaling van ziekengeld op of schorst de
betaling, indien het
van oordeel is of het gegronde vermoeden heeft dat:
[Rsohiu]
a. het recht op ziekengeld niet of
niet meer bestaat;
b. recht op een lagere
ziekengelduitkering bestaat;
c. artikel 44, eerste lid, van
toepassing is of de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger een verplichting als
bedoeld in artikel 30, 31, 45 of
49 niet of niet behoorlijk is
nagekomen.
-3. Indien een
reïntegratiebedrijf aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen heeft gemeld dat het gegronde vermoeden bestaat dat een
persoon aan wie
ziekengeld is toegekend onvoldoende medewerking verleent aan de op hem
betrekking hebbende werkzaamheden van het reïntegratiebedrijf,
neemt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een besluit omtrent de
gehele of gedeeltelijke opschorting of schorsing van de betaling
van het ziekengeld aan die persoon voor de duur van ten hoogste acht
weken.
-4. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt het reïntegratiebedrijf in
kennis van een besluit tot opschorting of schorsing als bedoeld in het vierde
lid.
Art.
48. [Betaling aan minderjarige]
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963; Stb.
1997, 96; versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 625]
Voor zover betreft het in ontvangst
nemen van een uitkering ingevolge deze wet en het verlenen van kwijting voor
de betaling daarvan, wordt een minderjarige met een meerderjarige gelijkgesteld.
Indien de wettelijke vertegenwoordiger zich tegen de betaling aan de
minderjarige schriftelijk verzet bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen,
geschiedt de uitbetaling aan de wettelijke vertegenwoordiger.
Art.
49. [Inlichtingenverplichting]
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963; Stb. 1996, 248; Stb.
1997, 96; versie
1 januari 1999; Stb. 2001, 625;
Stb. 2005,
573; Stb. 2007, 555; Stb.
2009, 589]
De verzekerde is verplicht aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te
delen waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen
zijn op het recht op of de hoogte van een door hem aangevraagde of aan
hem toegekende ziekengelduitkering. Deze verplichting
geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het UWV kunnen
worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek
aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële
regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt
bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is. [Bamb]
Art.
50. [Onvervreemdbaarheid ziekengeld]
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963; versie
1 januari 1999]
-1. Het ziekengeld is:
a. onvervreemdbaar;
b. niet vatbaar voor verpanding of
belening.
-2. Volmacht tot ontvangst van het
ziekengeld, onder welke vorm of benaming ook verleend, is steeds herroepelijk.
-3. Elk beding strijdig met enige
bepaling van dit artikel is nietig.
Art.
51. [Uitgesloten aansprakelijkheid Rijk]
[Geschiedenis:
versie 25 april 1963; Stb.
1997, 96; Stb. 1998, 742;
versie
1 januari 1999; Stb. 2001, 625]
Het Rijk is niet
aansprakelijk voor het doen van uitkeringen of de verstrekking van
bijdragen als bedoeld in artikel 59.
Art.
52. [Samenloop aanspraken bij regres]
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963; versie
1 januari 1999]
Bij de vaststelling van de
schadevergoeding waarop de verzekerde naar burgerlijk recht aanspraak kan maken ter
zake van
zijn ongeschiktheid tot werken wegens ziekte houdt de rechter
rekening met de aanspraken die hij krachtens deze wet heeft.
Art.
52a. [Regresrecht UWV en eigenrisicodrager]
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963; Stb.
1997, 96; versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 625; Stb.
2002, 584; Stb.
2008, 199]
-1.
Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen heeft voor de krachtens deze wet gemaakte kosten verhaal op
degene die
in verband met het veroorzaken van ongeschiktheid tot werken jegens de
verzekerde naar burgerlijk recht tot schadevergoeding is verplicht, doch
ten hoogste tot het bedrag waarvoor deze bij het ontbreken van de
aanspraken krachtens deze wet naar burgerlijk recht aansprakelijk zou zijn,
verminderd met een bedrag gelijk aan dat van de schadevergoeding tot betaling waarvan
de aansprakelijke persoon jegens de verzekerde naar burgerlijk recht is gehouden.
-2. De eigenrisicodrager
treedt voor de toepassing van het eerste lid in de plaats van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
-3. De in het eerste lid bedoelde
aansprakelijke is eveneens verplicht tot vergoeding van de door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of de eigenrisicodrager
gemaakte redelijke kosten ter nakoming van de verplichtingen tot
inschakeling in de arbeid van de verzekerde, die op het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of de eigenrisicodrager
rusten op grond van deze wet en de daarop berustende bepalingen alsmede
de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen en de daarop berustende bepalingen. De aansprakelijke kan
hetzelfde verweer voeren dat hem jegens de verzekerde ten dienste zou
hebben gestaan.
Art.
52b. [Regresrecht binnen arbeidsverhouding]
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963; versie
1 januari 1999; Stb.
2005, 37]
-1. Het bepaalde in het vorige artikel
geldt ten aanzien van de naar burgerlijk recht tot schadevergoeding verplichte
werkgever van de verzekerde, onderscheidenlijk ten aanzien van de naar burgerlijk
recht tot schadevergoeding verplichte verzekerde die in
dienstbetrekking staat tot dezelfde werkgever als de verzekerde jegens wie
naar burgerlijk recht verplichting tot schadevergoeding bestaat, slechts
indien de ongeschiktheid tot werken is te wijten aan opzet of
bewuste roekeloosheid van die werkgever onderscheidenlijk verzekerde.
-2. Voor de toepassing van het vorige
lid wordt mede als werkgever beschouwd de inlener, bedoeld in artikel 34 van de Invorderingswet
1990.
Art.
52c. [Afzien van beschikking]
[Geschiedenis:
Stb. 1995, 250; versie
1 januari 1999; Stb. 2009,
265]
-1. Het ziekengeld wordt betaald zonder
dat dit bij beschikking is vastgesteld indien redelijkerwijs mag worden
aangenomen dat aan een beschikking geen behoefte bestaat.
-2. Het ziekengeld wordt beëindigd zonder
dat dit bij beschikking is vastgesteld indien sprake is van een spontane
werkhervatting. Indien de belanghebbende binnen een redelijke termijn om
een beschikking verzoekt, dan wordt deze zo spoedig mogelijk alsnog
verstrekt.
-3. Een herziening van het ziekengeld als
gevolg van een aanpassing van het dagloon aan het loonpeil in het beroep
van de werknemer vindt plaats zonder dat dit bij beschikking is
vastgesteld.
-4. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen betaalt het ziekengeld, bedoeld in het
eerste lid, binnen zes weken na indiening van de aanvraag.
-5. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen betaalt de herziene uitkering, bedoeld in het
derde lid, bij de eerstvolgende ziekengeldbetaling nadat de aanpassing
van het dagloon, bedoeld in dat lid, heeft plaatsgevonden.
HOOFDSTUK
IIA
Reïntegratie-instrumenten
Art.
52d. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 2005,
573; Stb.
2005, 710; Stb. 2009, 589]
Art.
52e. Proefplaatsing [Geschiedenis:
Stb.
2005, 710; Stb. 2006, 703]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan, in het kader van de bevordering van de
inschakeling in de arbeid, toestemming verlenen aan de persoon aan wie
ziekengeld is toegekend, om op een proefplaats bij een werkgever
gedurende maximaal drie maanden onbeloonde werkzaamheden te verrichten.
-2. Tijdens het verrichten van
werkzaamheden op een proefplaats wordt het ziekengeld niet ingetrokken
of herzien.
-3. De onbeloonde werkzaamheden op een
proefplaats zijn:
a. werkzaamheden waartoe de persoon,
bedoeld in het eerste lid, met zijn krachten en bekwaamheden in staat
is;
b. werkzaamheden waarbij de
werkgever bij wie de proefplaatsing geschiedt een aansprakelijkheids- en
ongevallenverzekering ten behoeve van de persoon, bedoeld in het eerste
lid, heeft afgesloten;
c. werkzaamheden die de persoon,
bedoeld in het eerste lid, niet reeds eerder onbeloond op een
proefplaats bij die werkgever of diens rechtsvoorganger heeft verricht;
en
d. werkzaamheden waarbij er, naar
het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, een reëel
uitzicht is op een op de onbeloonde werkzaamheden aansluitende
dienstbetrekking van dezelfde of grotere omvang voor ten minste zes
maanden.
-4. Indien de werkzaamheden, bedoeld in het
eerste lid, wegens ziekte worden onderbroken, wordt de periode van
onderbreking, voor de toepassing van dat lid buiten beschouwing gelaten.
-5. Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels worden gesteld met betrekking tot de uitvoering van dit
artikel.
Art.
52f. Nadere regels m.b.t. aanvraag proefplaatsing [Geschiedenis:
Stb.
2005, 710]
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met
betrekking tot de aanvraag van toestemming als bedoeld in artikel
52e.
HOOFDSTUK
III
Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
Art.
53. [Uitvoeringsinstelling] [Geschiedenis:
versie 25 april 1963; Stb.
1997, 96; versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 625]
In de uitvoering van deze
wet wordt voorzien door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
Art.
54. [Ziekengeldreglement] [Zr97]
[Zr04] [Geschiedenis:
versie 25 april 1963; Stb.
1997, 96 + bis + bis;
versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 625]
-1. Het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen stelt een ziekengeldreglement vast.
-2. Het ziekengeldreglement mag geen
bepalingen bevatten welke strijdig zijn met deze wet en de daarop
berustende bepalingen of met de statuten van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
-3. Het ziekengeldreglement mag geen
bepalingen bevatten inzake hogere, langere of andere uitkeringen dan deze
wet vaststelt dan wel bepaalt.
Art.
55. [Verzekering bij UWV] [Rauvv00]
[RukvZW] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963; Stb.
1997, 96; Stb. 1998, 741;
versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 568; Stb. 2001, 625]
-1. De werknemer is
verzekerd bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
-2. Voor de toepassing van
deze wet gelden aaneensluitende verzekeringen bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen als één verzekering.
Art. 56.
Vervallen. [Geschiedenis:
OvW; versie 25 april 1963; Stb.
1997, 96; versie
1 januari 1999; Stb. 2001, 625]
Art.
57. Vervallen. [Geschiedenis:
versie 25 april 1963; versie
1 januari 1999]
Art.
58. Vervallen. [Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963; Stb. 1995, 691; versie
1 januari 1999]
Art.
59. [Nadere regelgeving andere uitkeringen
of bijdragen] [Geschiedenis:
versie 25 april 1963; Stb.
1997, 96; versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 625]
Bij algemene maatregel van bestuur kan
worden bepaald dat in bij die maatregel aan te wijzen gevallen aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen de bevoegdheid wordt verleend te bepalen dat aan één of meer bij hem verzekerde groepen van werknemers, met
inachtneming van bij die maatregel te stellen regels, behalve het in deze
wet geregelde ziekengeld andere uitkeringen worden gedaan of bijdragen worden
verstrekt voor één of meer sociale fondsen.
Art.
60. [Uitkeringen ten laste van
sectorfondsen en AWf] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963; Stb. 1995, 691; Stb.
1996, 134; versie
1 januari 1999; Stb.
2005, 37; Stb. 2007, 551]
De uitkeringen op grond van deze wet
komen ten laste van de sectorfondsen en ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds, bedoeld in de artikelen 94 en 93 van de Wet financiering sociale verzekeringen.
Art. 60a.
Treedt niet in werking. [Geschiedenis:
Stb. 1997, 768]
Art. 61.
[Uitkeringen ten laste van Ufo en Rijk]
[Geschiedenis:
versie 25 april 1963; Stb. 1996, 134; versie
1 januari 1999; Stb. 2000,
561; Stb. 2005, 37;
Stb. 2005,
573 + bis]
-1.
In afwijking van artikel 60
komen de uitkeringen op grond van deze wet ten aanzien van
overheidswerknemers en degenen die op grond van artikel 7,
artikel 8 of
artikel 8a werknemer zijn wegens het ontvangen van een uitkering
uit hoofde van een dienstbetrekking als overheidswerknemer, ten laste
van het Uitvoeringsfonds voor de overheid, bedoeld in artikel 106 van de Wet financiering sociale verzekeringen.
[RvrZw]
-2. In afwijking van het
eerste lid en artikel 60 komen de uitgaven en de kosten verbonden aan de
verstrekking van uitkeringen en aan de reïntegratie van
personen als bedoeld in artikel 4, eerste lid,
onderdeel i en j, alsmede de op grond
van enige wet over deze uitkeringen door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
verschuldigde premies die
niet op deze uitkeringen
in mindering kunnen worden gebracht en de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van
de Zorgverzekeringswet, ten laste van het Rijk.
Art. 62.
[Gegevensverstrekking UWV ziekteverzuim] [Geschiedenis:
versie 25 april 1963; Stb. 1995, 598; Stb. 1997, 96;
versie
1 januari 1999; Stb. 2001, 625;
Stb. 2003, 544]
Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen verstrekt, volgens nadere bij ministeriële
regeling vast te stellen regels, uit de door dit instituut gevoerde administratie aan een daartoe door
Onze Minister aangewezen onder hem ressorterende ambtenaar gegevens omtrent het ziekteverzuim van
werknemers.
HOOFDSTUK
IIIA
Eigen risico dragen door de werkgever
Art. 63. Vervallen.
[Geschiedenis:
versie 25 april 1963; Stb. 1996, 134;
Stb.
1996, 248; versie
1 januari 1999; Stb. 2002, 330;
Stb.
2002, 584; Stb.
2005, 37 + bis; Stb. 2005, 202]
Art.
63a. [Werkzaamheden eigenrisicodrager]
[Geschiedenis:
Stb. 1995, 691; Stb.
1996, 134; versie
1 januari 1999; Stb.
2002, 584; Stb.
2005, 37; Stb.
2005, 525; Stb. 2005,
573; Stb. 2006, 703]
-1. De eigenrisicodrager
verricht met betrekking tot de personen, bedoeld in artikel
29, tweede lid, onderdeel a, b en c, die
laatstelijk tot hem in dienstbetrekking stonden, de werkzaamheden ter zake van de voorbereiding van besluiten op grond
van deze wet inzake uitkeringen, met uitzondering van besluiten op grond
van artikel 45a en besluiten op grond van bezwaar of beroep. De
eigenrisicodrager begeleidt de personen, bedoeld in
artikel 29, tweede lid, onderdeel a, b en c, die laatstelijk tot hem in
dienstbetrekking stonden, bij
gebleken ongeschiktheid als zou hij in een privaatrechtelijke dienstbetrekking tot de
eigenrisicodrager staan, met toepassing van artikel 26, derde
lid, van de Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen dan wel artikel 71b, derde lid,
van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
-2. Bij de uitvoering van
het eerste lid treedt de eigenrisicodrager voor de toepassing van de
artikelen 28, eerste lid, 30, derde lid, 37, eerste lid, en
39, eerste en tweede
lid, in de plaats van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
De eerste zin blijft buiten toepassing voor zover noodzakelijk voor het
verrichten van werkzaamheden op grond van het vierde of vijfde lid door
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
-3. De eigenrisicodrager
betaalt het door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
toegekende ziekengeld namens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de personen, bedoeld in
artikel 29, tweede lid, onderdeel a, b en c, die laatstelijk tot hem in
dienstbetrekking stonden. Indien de eigenrisicodrager het ziekengeld niet betaalt, wordt dit
betaald door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen verhaalt het ziekengeld,
alsmede de op grond van enige wet over deze uitkering verschuldigde
premies die niet op deze uitkering in mindering kunnen worden gebracht en de
vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet,
op de eigenrisicodrager.
-4. Op verzoek van een
eigenrisicodrager verricht het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
de werkzaamheden als bedoeld in de eerste zin van het eerste lid of onderdelen hiervan. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
brengt de kosten daarvan, alsmede de kosten die voortvloeien
uit het derde lid, in rekening bij de eigenrisicodrager.
-5. Indien de
eigenrisicodrager werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid naar het oordeel van
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen niet, niet
voldoende of niet juist verricht, verricht het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen die werkzaamheden. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen brengt de kosten daarvan, alsmede de kosten die
voortvloeien uit het derde lid, in rekening bij de eigenrisicodrager.
-6. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vergoedt aan de eigenrisicodrager op
aanvraag de schade die deze lijdt door toepassing van artikel 30b, eerste
lid.
-7. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met
betrekking tot dit artikel. [BwavkerdZ]
[RwavkerdZ]
Art.
63b.
[Afbakening eigen risico]
[Geschiedenis:
Stb.
2002, 584; Stb.
2005, 37; Stb.
2005, 525]
-1. De eigenrisicodrager
draagt het risico, bedoeld in
artikel 40, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet financiering sociale verzekeringen, voor zover de eerste
dag van ongeschiktheid tot werken is gelegen op of na de dag waarop de werkgever eigenrisicodrager is geworden.
-2. Indien het zelf dragen
van het risico eindigt of wordt beëindigd, blijft de werkgever ten aanzien
van een persoon het risico, bedoeld in
artikel 40, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet financiering sociale verzekeringen, dragen,
voor zover de eerste dag van ongeschiktheid tot werken is gelegen vóór
het einde van het eigen risico dragen. Indien de werkgever in staat van
faillissement is verklaard of indien ten aanzien van hem de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel indien
hij ophoudt werkgever te zijn, betaalt het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen het ziekengeld en verhaalt
het deze uitkering,
alsmede de op grond van enige wet over deze uitkering verschuldigde premies die
niet op deze uitkering in mindering kunnen worden gebracht en de
vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet, op de kredietinstelling of verzekeraar, bedoeld in artikel
40, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen.
-3. In geval van overgang
van een onderneming in de zin van artikel 662 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede in geval van een dergelijke overgang bij
faillissement, waarbij de werkgever die de onderneming overdraagt
eigenrisicodrager is, gaat het risico van de betaling van ziekengeld
dat is of wordt toegekend aan de werknemer die op de eerste dag van de
ongeschiktheid tot werken in dienstbetrekking stond tot de werkgever
die de onderneming heeft overgedragen alsmede aan degene die op grond van
artikel 46 van deze wet aanspraak op
ziekengeld heeft en
laatstelijk vóór het einde van de verzekering tot voornoemde werkgever in
dienstbetrekking stond, over op de werkgever die de onderneming
verkrijgt, ook indien deze geen eigenrisicodrager is.
-4. Indien slechts een
deel van een onderneming als bedoeld in het derde lid overgaat, blijft het in dat lid bedoelde risico berusten bij de
werkgever die een deel
van de onderneming overdraagt.
Art.
63c.
[Verplichte melding afzien verdere bijstand
arbodienst]
[Geschiedenis:
Stb.
2002, 584; Stb.
2005, 37; Stb.
2009, 265]
Indien de werkgever zich met
betrekking tot de begeleiding van zijn zieke werknemers niet meer laat
bijstaan door een arbodienst, meldt hij dat zo spoedig mogelijk. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen legt een bestuurlijke boete op van ten
hoogste €|454,00 indien de werkgever deze
verplichting niet is nagekomen. De artikelen 45a,
derde, vierde en zesde lid, 45c, en 45g,
vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Art.
63d.
[Onderbroken arbeidsongeschiktheid]
[Geschiedenis:
Stb.
2002, 584; Stb. 2005, 65]
Voor de toepassing van
dit hoofdstuk wordt de ongeschiktheid tot werken geacht niet te
zijn onderbroken indien de tijdvakken van ongeschiktheid tot werken
elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en
aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap
of bevalling op grond van artikel 3:7,
eerste lid, 3:8 of 3:10,
eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt
genoten, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden
voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.
Art. 63e.
Vervallen. [Geschiedenis:
Stb.
2002, 584; Stb.
2005, 37]
HOOFDSTUK
IV
De
vrijwillige verzekering
Art.
64. [Verplichte toelating tot vrijwillige
verzekering] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963; Stb. 1996, 134 + bis;
Stb.
1997, 96; Stb. 1997, 789
+ bis; Stb.
1997, 794; versie
1 januari 1999; Stb. 2000,
561; Stb. 2001, 625;
Stb. 2003, 544; Stb. 2005,
573; Stb. 2005, 708;
Stb. 2006, 703]
-1. Het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen is verplicht overeenkomstig het bij of krachtens dit hoofdstuk
bepaalde tot de vrijwillige verzekering toe te laten, mits hij de leeftijd van
65 jaar nog niet heeft bereikt en hier te lande woont:
a. degene wiens verplichte
verzekering is geëindigd en te wiens aanzien op grond van gebleken omstandigheden
redelijkerwijze valt aan te nemen dat onderbreking van die verplichte verzekering van korte
duur zal zijn, dan wel dat het zijn
bedoeling is bij geboden gelegenheid opnieuw een dienstbetrekking aan te
gaan;
b. degene die, terwijl hij hier te
lande woonde, in het buitenland verplicht verzekerd was tegen geldelijke
gevolgen van ziekte, mits:
1º. hij niet meer in het buitenland
verzekerd is, omdat hij niet langer werkzaamheden verricht in het buitenland;
2º. op grond van gebleken
omstandigheden redelijkerwijze valt aan te nemen dat het zijn bedoeling
is bij geboden gelegenheid opnieuw een dienstbetrekking aan te
gaan;
c. degene wiens verplichte
verzekering is geëindigd en die als zelfstandige als bedoeld in artikel
4,
vijfde lid, werkzaamheden verricht of gaat verrichten, of als echtgenoot van die
zelfstandige meewerkt of gaat meewerken in diens onderneming, indien gedurende één
jaar onmiddellijk voorafgaande aan het einde van zijn verplichte
verzekering onafgebroken,
al dan niet in Nederland, bij of krachtens een wettelijke regeling een voorziening tegen
geldelijke gevolgen
van ziekte op hem van toepassing is geweest;
d. degene wiens dienstbetrekking ertoe
strekt dat slechts een gedeelte van een normale werkweek arbeid wordt
verricht - niet uitsluitend als gevolg van een voor betrokkene
geldende werktijdregeling krachtens welke een normale werkweek van gemiddeld minder dan zes
dagen van toepassing is - en die uit hoofde van die dienstbetrekking verplicht verzekerd is, indien
gedurende de drie jaren onmiddellijk voorafgaande aan de dag van aanvang
van zijn vrijwillige verzekering onafgebroken, al dan niet hier te
lande, ingevolge het bepaalde bij of krachtens een wettelijke
regeling een voorziening tegen geldelijke gevolgen van ziekte op hem van
toepassing is geweest;
e. degene wiens arbeidsverhouding op
grond van artikel 6, eerste lid, onderdeel c, niet als dienstbetrekking
wordt beschouwd;
f. degene wiens recht op
een uitkering krachtens de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen is beëindigd;
g. degene aan wie een
arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering is toegekend, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van
minder dan 45%;
h. degene wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%, wegens afneming
van de arbeidsongeschiktheid is herzien naar een arbeidsongeschiktheid van
minder dan 45%;
i. degene wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%, is ingetrokken;
j. degene die op grond van artikel 7
als werknemer wordt beschouwd en tevens als zelfstandige een bedrijf
of beroep uitoefent of gaat uitoefenen, of als echtgenoot van die zelfstandige
in dat bedrijf of beroep meewerkt of gaat meewerken, indien
gedurende de drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan de dag
van aanvang van zijn vrijwillige verzekering onafgebroken, al dan niet
in Nederland, bij of krachtens een wettelijke regeling een
voorziening tegen geldelijke gevolgen van ziekte op hem van toepassing is
geweest.
-2. De in het eerste lid bedoelde
verplichting bestaat eveneens ten aanzien van de persoon, jonger dan 65 jaar,
die op grond van het bepaalde bij of krachtens artikel 3, tweede,
vierde en vijfde lid, niet als werknemer wordt beschouwd en:
a. wiens verplichte verzekering is
geëindigd en die buiten Nederland woont, aldaar direct aansluitend op de
beëindiging van de verplichte verzekering een dienstbetrekking
vervult voor de duur van maximaal vijf jaar en wiens werkgever binnen Nederland woont of gevestigd is;
b. die Nederlander is en die is uitgezonden om werkzaamheden te
verrichten voor door Onze Minister in overeenstemming met
Onze Minister
voor Ontwikkelingssamenwerking aan te wijzen organisaties voor
ontwikkelingssamenwerking;
c. die Nederlander is en die is
uitgezonden om, in of buiten Nederland, werkzaamheden te verrichten voor een volkenrechtelijke
organisatie waarvan Nederland lid is dan wel waarvan de werkzaamheden
door Nederland worden ondersteund;
d. die in Nederland woont en buiten
Nederland een dienstbetrekking vervult; of
e. die Nederlander is en buiten
Nederland werkzaamheden verricht die worden bekostigd door het Rijk en
die tevens in opdracht van het Rijk worden verricht in het kader van een
wettelijke taakomschrijving of ter uitvoering van een internationaal
verdrag dan wel een daarmee gelijk te stellen overeenkomst of een
besluit van een volkenrechtelijke organisatie.
-3. Aan het vervullen van een
dienstbetrekking, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, dient een aaneengesloten
periode van verplichte verzekering van ten minste één jaar te zijn voorafgegaan.
-4. Met de Nederlander, bedoeld in het
tweede lid, onderdeel b, c en e, wordt gelijkgesteld de
persoon die
onderdaan is van één van de lidstaten van de Europese Gemeenschap of onderdaan
is van een staat waarmee Nederland een verdrag inzake sociale
zekerheid heeft gesloten, mits hij vóór hij werd uitgezonden in Nederland
woonde.
Art.
65. [Onafgebroken verzekeringsduur]
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963; Stb. 1997, 794; versie
1 januari 1999; Stb. 2005,
573]
-1. De in
artikel 64, eerste lid,
onderdeel c respectievelijk d, genoemde termijn van één jaar respectievelijk van
drie jaren wordt geacht niet te zijn onderbroken:
a. indien de betrokkene gedurende niet
meer dan 60 dagen niet verzekerd is geweest;
b. gedurende de wachttijd als bedoeld in
artikel 23 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen dan
wel de artikelen 19, 37 en
38 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
c. gedurende het tijdvak waarover een uitkering krachtens de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen is genoten dan wel waarover een arbeidsongeschiktheidsuitkering
krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering is
genoten, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%.
-2. De in artikel 64, eerste lid,
onderdeel c respectievelijk d, genoemde voorwaarde van een verzekeringsduur
van één jaar respectievelijk van drie jaren wordt geacht te zijn
vervuld indien de betrokkene in het genot is van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen dan wel een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van
de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Art.
66. [Indiening verzoek en aanvang
vrijwillige verzekering] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963; Stb.
1997, 96 + bis; versie
1 januari 1999; Stb. 2000,
561; Stb. 2001, 625
+ bis; Stb. 2005,
573; Stb. 2008, 192]
-1. Het verzoek om
toelating tot de vrijwillige verzekering wordt ingediend bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen:
a. door de in artikel
64, eerste lid,
onderdeel a, b en c, bedoelde personen: binnen dertien
weken na het einde van hun
verplichte verzekering;
b. door de in artikel 64,
eerste lid, onderdeel f, bedoelde personen: binnen dertien
weken na
dagtekening van de beschikking waarbij het recht op een uitkering werd
beëindigd;
c. door de in artikel
64, eerste lid, onderdeel g, h en i, bedoelde personen: binnen
dertien
weken na de dagtekening
van de beschikking waarbij de
arbeidsongeschiktheidsuitkering onderscheidenlijk werd toegekend, herzien of
ingetrokken;
d. door de in artikel
64, eerste lid,
onderdeel j, bedoelde persoon: binnen dertien
weken na de dag waarop zijn
werkzaamheden als zelfstandige of zijn werkzaamheden als echtgenoot
van de zelfstandige in diens bedrijfs- of beroepsuitoefening
een aanvang hebben genomen;
e. door de in artikel
64, tweede lid,
onderdeel a, bedoelde persoon: binnen dertien
weken na de dag waarop de
verplichte verzekering is geëindigd;
f. door de in artikel
64, tweede lid,
onderdeel b, c en e, bedoelde persoon: binnen dertien
weken na de dag van zijn
vertrek naar het buitenland dan wel, indien de in artikel
64, tweede
lid, onderdeel c, bedoelde werkzaamheden worden verricht in
Nederland, binnen dertien
weken na de dag waarop die werkzaamheden een
aanvang hebben genomen;
g. door de in artikel
64, tweede lid,
onderdeel d, bedoelde persoon: binnen dertien
weken na de dag waarop
zijn werkzaamheden buiten Nederland een aanvang hebben genomen.
-2. De in het eerste lid, onderdeel c,
bedoelde personen worden geacht een verzoek om toelating binnen dertien
weken
na de dagtekening van de beschikking te hebben gedaan indien dit verzoek
geschiedt binnen vier weken na de dag waarop zij redelijkerwijze
hebben kunnen kennisnemen van die beschikking.
-3. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen is bevoegd te verklaren dat een verzoek om toelating tot de
vrijwillige verzekering, ingediend na de daartoe op grond van deze wet of
de
daarop berustende bepalingen gestelde termijn, geacht wordt tijdig te zijn
ingekomen indien de persoon die het verzoek heeft gedaan
redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest.
-4. De vrijwillige verzekering vangt
aan:
a. voor de in artikel
64, eerste lid,
onderdeel a, b en c, en tweede lid, onderdeel a, bedoelde persoon: op de
dag na die waarop de verplichte verzekering is geëindigd;
b. voor de in artikel
64, eerste lid,
onderdeel d, e en j, bedoelde persoon: op de dag van ontvangst van zijn
verzoek om toelating;
c. voor de in artikel 64,
eerste lid, onderdeel f, bedoelde persoon: op de dag met ingang waarvan
het recht op een uitkering krachtens de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen is beëindigd;
d. voor de in artikel
64, eerste lid, onderdeel g,
h en i, bedoelde persoon: op de dag met ingang waarvan de
arbeidsongeschiktheidsuitkering
krachtens de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt toegekend, herzien
of
ingetrokken;
e. voor de in artikel
64, tweede lid,
onderdeel b, c en e, bedoelde persoon: op de dag van
zijn vertrek naar het buitenland dan wel, indien de in artikel
64,
tweede lid, onderdeel c, bedoelde werkzaamheden worden verricht
in Nederland, op de dag waarop die werkzaamheden een aanvang hebben
genomen;
f. voor de in artikel
64, tweede lid,
onderdeel d, bedoelde persoon: op de dag waarop zijn werkzaamheden
buiten Nederland een aanvang hebben genomen.
Art. 67. Vervallen.
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963; Stb.
1997, 96; versie
1 januari 1999; Stb. 2001, 625
+ bis]
Art.
67a. [Beëindiging
vrijwillige verzekering] [Geschiedenis:
Stb.
1997, 96; versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 625]
Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen beëindigt de vrijwillige verzekering:
a. op verzoek van de vrijwillig
verzekerde met ingang van een door hem te bepalen datum;
b. met ingang van de dag waarop de
termijn van vijf jaar, bedoeld in artikel 64, tweede lid, onderdeel a, is
verstreken;
c. met ingang van de dag waarop de
werkzaamheden, bedoeld in artikel 64, tweede lid, worden beëindigd en de
vrijwillige verzekerde niet langer geacht kan worden inkomsten te verkrijgen
wegens eindiging van die werkzaamheden dan wel inkomsten te derven in
geval
van ziekte;
d. met ingang van de dag waarop de
vrijwillig verzekerde verplicht verzekerd wordt ingevolge deze wet;
e. indien de verschuldigde premie over
een periode van twee volle kalendermaanden niet, niet volledig of niet tijdig
wordt betaald; of
f. indien niet langer wordt voldaan
aan andere vereisten voor toelating tot de vrijwillige verzekering, bedoeld in
artikel 64, tweede lid.
Art.
68. [Vaststelling hoogte dagloon]
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963; Stb. 1995, 691; Stb.
1997, 96; versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 625; Stb. 2005,
37; Stb. 2005, 708]
-1. De
persoon die om toelating tot de
vrijwillige verzekering verzoekt, bedoeld in artikel 64, eerste en tweede lid,
bepaalt bij de aanvang van de vrijwillige verzekering de hoogte van
het dagloon, met dien verstande dat:
a. dit niet meer kan bedragen dan het
in artikel
17, eerste lid, van de Wet financiering sociale
verzekeringen bedoelde bedrag met betrekking tot een loontijdvak van
één dag eventueel verhoogd of verlaagd op grond van
artikel
18
van die wet;
b. dit niet meer kan bedragen dan het
loon of het inkomen dat hij in geval van ziekte naar het oordeel van
het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen derft; en
c. dit, ingeval naast de vrijwillige
verzekering een vrijwillige verzekering als bedoeld in hoofdstuk III van de
Werkloosheidswet is afgesloten, gelijk is aan het dagloon dat ten
grondslag ligt aan de vrijwillige werkloosheidsverzekering.
-2. De uitkering op grond van de
vrijwillige verzekering wordt berekend naar het in het eerste lid bedoelde
dagloon.
Art.
69. [Recht op ziekengeld] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963; Stb. 1997, 178; Stb.
1997, 794; versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 568; Stb. 2001, 692]
-1. De vrijwillig verzekerde heeft
recht op ziekengeld indien hij wegens ziekte, zwangerschap of bevalling ongeschikt is tot het verrichten van
hem passende arbeid.
-2. De vrouwelijke
verzekerde heeft geen recht op ziekengeld gedurende de periode dat
zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig artikel
3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg of een uitkering op
grond van artikel 3:8 van die wet.
Art.
70. [Wachttijd en hoogte ziekengeld]
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963; Stb. 1995, 691; Stb.
1996, 134; Stb. 1997, 789;
versie
1 januari 1999; Stb. 2001,
628; Stb. 2005,
573]
-1. Het ziekengeld van de vrijwillig
verzekerde die bij ongeschiktheid tot werken wegens ziekte geen aanspraak kan
maken
op betaling van loon als bedoeld in artikel 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek of bezoldiging als bedoeld
in artikel
76a, eerste lid, wordt uitgekeerd vanaf de derde dag van de
ongeschiktheid tot werken.
-2. Het ziekengeld bedraagt 70% van het
dagloon van de verzekerde.
Art.
71. [Nadere regelgeving UWV]
[Rvz06] [Rvz07]
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963; Stb. 1997, 96; versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 625; Stb. 2005,
37]
Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen stelt nadere regels met betrekking tot de vrijwillige verzekering. Deze
regels bevatten in ieder geval bepalingen met betrekking tot:
a. de toelating tot de vrijwillige
verzekering;
b. het einde van de vrijwillige
verzekering; en
c. het dagloon, bedoeld in artikel
68,
eerste lid.
Art.
72. [Schakelbepaling] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963; versie
1 januari 1999]
Met betrekking tot het bepaalde bij of
krachtens dit hoofdstuk zijn, met inachtneming van de wijzigingen welke de aard van
het onderwerp vordert, de overige bepalingen van deze wet en de ter
uitvoering van die bepalingen genomen besluiten, voor zoveel nodig, van
overeenkomstige toepassing, voor zover daarvan in het bij of krachtens
dit hoofdstuk bepaalde niet is afgeweken.
DERDE
AFDELING
Bepalingen
in verband met de Algemene wet bestuursrecht en het beroep in cassatie
§ 1.
Algemeen
Art.
72a.
[Beperking begrip belanghebbende]
[Geschiedenis:
versie
1 januari 1999; Stb.
2000, 627; Stb.
2005, 37 + bis]
In afwijking van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht is de
werkgever geen belanghebbende bij een besluit van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen over het verzekerd zijn
op grond van deze wet als bedoeld in artikel 72c,
eerste lid.
Art.
72b.
[Algemene beslistermijnen aanvraag]
[Geschiedenis:
versie
1 januari 1999; Stb.
2000, 627 + bis; Stb.
2001, 625; Stb.
2005, 37; Stb.
2009, 318; Stb. 2009, 542]
-1. Onverminderd artikel 72c
worden
beschikkingen op grond van deze wet en de daarop berustende bepalingen
gegeven binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.
-2. De redelijke termijn is in ieder geval
verstreken wanneer binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen
beschikking is gegeven, noch een kennisgeving als bedoeld in het derde
lid is gedaan.
-3. Indien een beschikking niet binnen de
termijn van acht weken kan worden gegeven, wordt die termijn met een
redelijke termijn verlengd en wordt de aanvrager daarvan schriftelijk in
kennis gesteld.
Art.
72c.
[Bijzondere beslistermijnen aanvraag]
[Geschiedenis:
Stb. 2000, 627; Stb.
2001, 625; Stb.
2005, 37 + bis; Stb. 2005,
573; Stb. 2005, 710;
Stb.
2007, 553; Stb. 2009, 542]
-1. Een aanvraag tot het geven van een beschikking over het verzekerd
zijn op grond van deze wet kan door de werknemer uitsluitend bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen worden ingediend. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen geeft de beschikking binnen
dertien weken na ontvangst van de aanvraag.
-2. Een beschikking die uitsluitend
betrekking heeft op het al dan niet bestaan of voortbestaan van de
ongeschiktheid tot werken, wordt gegeven binnen vier weken na ontvangst
van de aanvraag, de aangifte van de ongeschiktheid of van de ziekmelding
aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen,
bedoeld in de artikelen 29a, vierde lid, 38, tweede lid,
38a, tweede lid, en 38ab,
eerste lid.
-3. Indien een beschikking als bedoeld in
het eerste of tweede lid niet binnen de toepasselijke termijn kan worden
gegeven, wordt dit schriftelijk aan de aanvrager medegedeeld onder
vermelding van een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de beschikking
wel tegemoet kan worden gezien.
Art.
72d. [Afzien horen belanghebbende]
[Geschiedenis:
Stb.
2005, 710]
In afwijking van artikel 7:3 van de Algemene
wet bestuursrecht kan van het horen van een belanghebbende worden
afgezien indien de belanghebbende niet binnen een door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen gestelde redelijke termijn verklaart dat hij
gebruik wil maken van het recht te worden gehoord.
Art.
73. [Nadere regelgeving behandeling medisch
bezwaar] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963; Stb. 1996, 134; Stb.
1997, 178; versie
1 januari 1999]
Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de behandeling van bezwaarschriften tegen
besluiten waaraan
een medische beoordeling ten grondslag
ligt.
Art. 73a.
Vervallen. [Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963; Stb. 2001, 695; Stb.
2004, 720]
Art. 73b. Vervallen.
[Geschiedenis:
versie
1 januari 1999]
Art.
74. [Beslistermijn bezwaar] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963; Stb. 1997, 178 + bis;
versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 625; Stb. 2009, 384]
In afwijking van artikel
7:10, eerste
lid, van de Algemene wet bestuursrecht beslist het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen binnen dertien weken, gerekend vanaf de dag
na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is
verstreken.
§ 2.
Medische beschikkingen
Art.
75.
[Begripsbepalingen]
[Geschiedenis:
versie 25 april 1963;
Stb. 1997, 178; versie
1 januari 1999; Stb.
2002, 584; Stb. 2003, 544;
Stb.
2005, 710; Stb. 2006, 673]
Voor de toepassing van
deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. medische beschikking:
een beschikking waaraan een beoordeling van medische gegevens ten
grondslag ligt;
b. werknemer: de persoon
op wiens medische gegevens de beoordeling betrekking heeft;
c. werkgever: de
belanghebbende bij een medische beschikking, die niet de werknemer is;
d. bedrijfsarts: de
persoon, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, die belast is met de bijstand, bedoeld in artikel 14, eerste
lid, onderdeel b, van die
wet.
Art.
75a. [Toestemming werknemer voor inzage
medische stukken door werkgever] [Geschiedenis:
Stb. 1997, 178; versie
1 januari 1999; Stb.
2002, 584; Stb. 2003, 544;
Stb.
2005, 710]
-1. Stukken die medische
gegevens bevatten, worden door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen niet aan de eigenrisicodrager of de werkgever ter
inzage of ter kennisname gegeven of toegezonden, tenzij de werknemer
hiervoor schriftelijk toestemming heeft gegeven.
-2. De toestemming kan te
allen tijde schriftelijk worden ingetrokken.
-3. Tijdens het horen in
bezwaar kan de toestemming ook mondeling worden ingetrokken.
Art.
75b.
[Inzage door bedrijfsarts, arbodienst of
gemachtigde van werkgever bij weigering inzage medische stukken]
[Geschiedenis:
Stb. 1997, 178 + bis;
versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 625; Stb.
2002, 584; Stb.
2005, 710]
-1. Indien door de
werknemer geen toestemming is gegeven als bedoeld in artikel 75a, is de
inzage in dan wel kennisname of toezending van stukken die medische
gegevens bevatten, voorbehouden aan de bedrijfsarts of de
arbodienst van de eigenrisicodrager dan wel aan een gemachtigde van de
eigenrisicodrager of van de werkgever die advocaat of arts is dan wel
daarvoor van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen bijzondere toestemming
heeft gekregen.
-2. De gemachtigde,
bedoeld in het eerste lid, treedt in de plaats van de eigenrisicodrager of van
de werkgever bij de voorbereiding van een medische beschikking voor
zover betrekking hebbend op medische gegevens.
-3. De arbodienst of de
bedrijfsarts dan wel de gemachtigde, bedoeld in het eerste lid, treedt in
de plaats van de eigenrisicodrager bij:
a. het opstellen van een
bezwaar- of beroepschrift; en
b. de behandeling van een
bezwaar;
voor zover betrekking
hebbend op medische gegevens.
-4. Artikel 7:4, tweede,
vierde en zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht
is niet van
toepassing op stukken of inlichtingen die medische gegevens
bevatten.
Art.
75c. [Medische motivering beschikking in
aparte bijlage] [Geschiedenis:
Stb. 1997, 789; versie
1 januari 1999; Stb.
2002, 584; Stb. 2003, 544;
Stb. 2005, 202; Stb.
2005, 710]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen vermeldt de motivering van een
medische beschikking, voor zover betrekking hebbend op medische gegevens, in
een aparte bijlage.
-2. Indien de werknemer
geen toestemming heeft gegeven als bedoeld in artikel 75a, wordt de
bijlage, bedoeld in het eerste lid, niet aan de eigenrisicodrager of de
werkgever verstrekt.
-3. De bijlage wordt
verstrekt aan de bedrijfsarts of de arbodienst van de eigenrisicodrager dan wel
aan de gemachtigde van de eigenrisicodrager of van de werkgever,
bedoeld in artikel 75b.
-4. Het tweede en derde
lid zijn van overeenkomstige toepassing op een rapport of een advies van
een arts of een psycholoog waarnaar bij de motivering van een
medische beschikking wordt verwezen.
Art.
75d.
[Bekendmaking medische beschikking]
[Geschiedenis:
Stb.
2002, 584; Stb. 2003, 544;
Stb. 2005, 202; Stb.
2005, 710]
Bij de bekendmaking van
een medische beschikking wordt gewezen op de artikelen 75a,
75b,
75c en 75e.
Art.
75e. [Medische
gronden bezwaar en beroep in aparte bijlage]
[Geschiedenis:
Stb.
2002, 584; Stb.
2005, 710]
De gronden van het
bezwaar of beroep, bedoeld in artikel 6:5, eerste lid, onderdeel d, van de
Algemene wet bestuursrecht, worden in een aparte bijlage vermeld
voor zover
ze betrekking hebben op medische gegevens.
Art.
75f. [Onderzoek
ter zitting met gesloten deuren]
[Geschiedenis:
Stb.
2002, 584; Stb.
2005, 710]
-1. Indien artikel 8:32,
tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht
is toegepast, vindt in
afwijking van artikel 8:62, eerste lid, van
die wet het onderzoek ter zitting, voor
zover betrekking hebbend op medische gegevens, met gesloten
deuren plaats, tenzij de rechtbank ambtshalve of op verzoek van
één van de
partijen bepaalt dat het onderzoek openbaar is.
-2. In de uitnodiging,
bedoeld in artikel 8:56 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt
mededeling gedaan van het eerste lid.
Art.
75g.
[Onderzoek ter zitting met gesloten deuren]
[Geschiedenis:
Stb.
2002, 584; Stb. 2003, 544;
Stb.
2005, 710]
Artikel 75f is van
overeenkomstige toepassing bij de behandeling van het hoger beroep en bij
de behandeling van een verzoek om een voorlopige voorziening.
Art. 75h.
Vervallen. [Geschiedenis:
Stb.
2002, 584; Stb. 2003, 544;
Stb.
2005, 710]
Art. 75i.
Vervallen. [Geschiedenis:
Stb.
2002, 584; Stb. 2003, 544;
Stb.
2005, 710]
§ 3.
Geschillen van
geneeskundige aard
Art.
75j. [Toepassingsbereik] [Geschiedenis:
Stb.
2002, 584; Stb. 2003, 544
+ bis]
Deze paragraaf is van
toepassing op geschillen van geneeskundige aard over het al dan niet bestaan
of voortbestaan van ongeschiktheid tot werken.
Art.
75k. [Indieningstermijn medisch
bezwaarschrift] [Geschiedenis:
Stb.
2002, 584; Stb. 2003, 544
+ bis]
In afwijking van artikel 6:7
van de Algemene wet bestuursrecht bedraagt de termijn voor het indienen
van een bezwaarschrift in een geschil als bedoeld in artikel 75j
twee
weken.
Art. 75l.
[Gedingstukken medisch bezwaar] [Geschiedenis:
Stb. 2003, 544; Stb.
2009, 384; Stb. 2009, 542]
-1. In afwijking van artikel 7:4, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht kunnen belanghebbenden in
een geschil als bedoeld in artikel 75j
nog tijdens het horen nadere
stukken indienen.
-2. In afwijking van artikel 7:4, tweede lid, van de
Algemene wet bestuursrecht, en met
inachtneming van de overige artikelen van deze paragraaf, worden in een
geschil als bedoeld in artikel 75j het bezwaarschrift en alle verder op de zaak
betrekking hebbende stukken:
a. voorafgaand aan het horen
aan belanghebbenden gezonden; dan wel
b. ten minste twee dagen
voorafgaand aan de hoorzitting voor belanghebbenden ter inzage
gelegd.
§
4.
Beroep in cassatie
Art.
75m. [Beroep in cassatie] [Geschiedenis:
Stb. 1997, 789; versie
1 januari 1999; Stb. 2003, 544;
Stb.
2005, 37]
-1. Tegen uitspraken van de
Centrale Raad van Beroep kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter zake
van schending of verkeerde toepassing van de artikelen 1, derde tot en met zevende lid,
2 tot en met 12 en 14,
eerste lid, en de daarop berustende bepalingen.
-2. Op dit beroep zijn de voorschriften
betreffende het beroep in cassatie tegen de uitspraken van de
gerechtshoven inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige toepassing,
waarbij de Centrale Raad van Beroep de plaats inneemt van een
gerechtshof.
VIERDE
AFDELING
Aanspraak op bezoldiging en
reïntegratieverplichtingen overheidspersoneel
Art.
76. [Toepassingsbereik] [Geschiedenis:
OvW; versie 25 april 1963; versie
1 januari 1999; Stb. 2000, 40;
Stb. 2005,
573 + bis + bis;
Stb. 2006, 703]
Deze afdeling is van
toepassing op personen die:
a.
in dienst zijn van staat, provincie, gemeente, waterschap of enig
ander publiekrechtelijk lichaam; en
b. op grond van de Kaderwet
dienstplicht de militaire dienst vervullen dan wel die op grond van
de Wet
gewetensbezwaren militaire dienst zijn verplicht tot het
verrichten van vervangende dienst.
Art.
76a. [Hoogte en duur aanspraak op
bezoldiging bij arbeidsongeschiktheid] [Geschiedenis:
Stb. 2005,
573 + bis; Stb.
2005, 710; Stb. 2008, 414]
-1. Bij verhindering
wegens ongeschiktheid als gevolg van ziekte, zwangerschap of bevalling
om de dienst te verrichten of het ambt te vervullen, bestaat ten
aanzien van de werkgever
jegens wie de persoon, bedoeld in artikel 76,
krachtens publiekrechtelijke aanstelling gehouden is tot het verrichten van
arbeid, gedurende een tijdvak van
104 weken aanspraak op 70% van de bezoldiging, bedoeld in het Bezoldigingsbesluit
Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, dan wel van hetgeen
daarmee overeenkomt, voor zover deze bezoldiging niet meer
bedraagt dan hetgeen overeenkomt met het bedrag, bedoeld in
artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale
verzekeringen. De
aanspraak bedraagt de eerste 52 weken echter minimaal het bedrag van
het minimumloon dat voor betrokkene zou gelden indien de
Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag op hem van toepassing zou zijn.
De eerste twee volzinnen zijn van overeenkomstige toepassing voor zover in
verband met ziekte, zwangerschap of bevalling ook na ontslag
aanspraak bestaat op betaling van bezoldiging of van hetgeen daarmee
overeenkomt.
-2. Is bezoldiging of
hetgeen daarmee overeenkomt, op een andere wijze dan naar tijdruimte
vastgesteld, dan is deze afdeling van toepassing, met dien verstande dat als
bezoldiging wordt beschouwd de gemiddelde bezoldiging die
betrokkene, wanneer hij niet verhinderd was geweest, gedurende die tijd had
kunnen verdienen.
-3. Van het eerste lid kan
bij algemeen verbindend voorschrift ten nadele van betrokkene slechts in
zoverre worden afgeweken dat betrokkene voor de eerste twee dagen van
het in het eerste lid bedoelde tijdvak van 104 weken geen aanspraak
heeft op bezoldiging of hetgeen daarmee overeenkomt.
-4. In afwijking van het
eerste lid heeft de vrouwelijke werknemer de in dat lid bedoelde
aanspraak niet gedurende de periode dat zij zwangerschaps- of bevallingsverlof
geniet overeenkomstig artikel 3:1, tweede en derde lid, van de
Wet arbeid en zorg.
-5. Voor de toepassing van
het eerste en derde lid worden perioden waarin betrokkene wegens ongeschiktheid
tengevolge van ziekte,
zwangerschap of bevalling
verhinderd is om zijn dienst te verrichten of zijn ambt te vervullen,
samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken
opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een
periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten
overeenkomstig artikel 3:1, tweede en derde lid, van de
Wet arbeid en zorg,
tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien
uit dezelfde oorzaak.
-6. Het tijdvak van 104
weken, bedoeld in het eerste lid, wordt verlengd:
a. met de duur van de
vertraging indien de aanvraag, bedoeld in artikel
64, eerste lid, van de Wet werk en inkomen
naar arbeidsvermogen later wordt gedaan dan in of op
grond van dat artikel is voorgeschreven;
b. met de duur van de
verlenging van het tijdvak waarin recht bestaat op loon of bezoldiging op
grond van artikel 24, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen dan wel met de duur van de verlenging van de
wachttijd, bedoeld in artikel 19, zevende lid, van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering; en
c. met de duur van het
tijdvak dat het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van artikel
25,
negende lid, van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen dan wel artikel 71a, negende lid, van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
heeft vastgesteld.
-7. Het eerste lid is niet
van toepassing op zakgeldgenietenden.
Art.
76b. [Uitsluiting en verval aanspraak op
bezoldiging bij arbeidsongeschiktheid] [Geschiedenis:
Stb. 2005,
573]
-1. Bij algemeen
verbindend voorschrift kan worden bepaald dat de aanspraak, bedoeld in
artikel 76a, eerste lid, niet bestaat, indien:
a. de ziekte is
voorgewend, althans zodanig overdreven is voorgesteld dat reden voor
verhindering niet kan worden aangenomen;
b. de ziekte door opzet
van de betrokkene is veroorzaakt, tenzij hem daarvan op grond van zijn
psychische toestand geen verwijt kan worden gemaakt;
c. de verhindering het
gevolg is van een ziekte of gebrek waarover betrokkene bij het
aangaan van de arbeidsverhouding opzettelijk valse inlichtingen aan de
werkgever jegens wie de persoon, bedoeld in artikel 76,
krachtens publiekrechtelijke aanstelling gehouden is tot het verrichten van
arbeid heeft verstrekt.
-2. Bij algemeen
verbindend voorschrift kan worden bepaald dat de aanspraak, bedoeld in
artikel 76a, eerste lid, vervalt, wanneer en voor zolang betrokkene:
a. weigert zich te
onderwerpen aan een onderzoek vanwege de bedrijfsgeneeskundige of
een daarmee gelijk te stellen geneeskundige of, na voor zulk een
onderzoek te zijn opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt;
b. weigert de volledige
medewerking te verlenen aan een geneeskundig onderzoek, een observatie
of een maatregel in het belang van het behoud, het herstel of de
bevordering van zijn arbeidsgeschiktheid, tenzij de maatregel een ingreep van
heelkundige aard mocht zijn;
c. zonder voldoende
gronden nalaat zich onder behandeling van een geneeskundige te stellen
of blijven stellen, dan wel zich niet houdt aan de voorschriften hem door de
behandelende geneeskundige gegeven, met dien verstande dat te
dezen voorschriften tot het verlenen van medewerking aan een ingreep van
heelkundige aard zijn uitgezonderd;
d. zich zodanig gedraagt
dat zijn genezing wordt belemmerd of vertraagd;
e. tijdens de
verhindering dienst te verrichten, voor zichzelf of derden arbeid verricht, tenzij
dit door de bedrijfsgeneeskundige of een daarmee gelijk te stellen
geneeskundige in het belang van zijn genezing wenselijk wordt geacht;
f. in gebreke blijft op
het door de bedrijfsgeneeskundige of een daarmee gelijk te stellen
geneeskundige bepaalde tijdstip en in de door deze bepaalde mate zijn
dienst te hervatten, tenzij hij daarvoor een inmiddels opgekomen, door
deze als geldig erkende reden heeft opgegeven;
g. weigert passende
arbeid te verrichten welke door het bevoegd gezag wordt opgedragen en
waartoe hij door de bedrijfsgeneeskundige of een daarmee gelijk te stellen
geneeskundige in staat wordt geacht;
h. zonder deugdelijke
grond weigert mee te werken aan door de werkgever, bedoeld in het eerste
lid, onderdeel c, of een door hem aangewezen deskundige gegeven
redelijke voorschriften of getroffen maatregelen die erop gericht zijn de
betrokkene in staat te stellen passende arbeid te verrichten;
i. zonder deugdelijke
grond weigert mee te werken aan het opstellen, evalueren en bijstellen
van een plan van aanpak als bedoeld in artikel
25, tweede lid, van de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen en artikel 71a, tweede lid, van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
-3. Bij algemeen
verbindend voorschrift kan worden bepaald dat de aanspraak, bedoeld in
artikel 76a, eerste lid, geheel of ten dele vervallen kan worden verklaard
indien betrokkene de voor hem ter zake van afwezigheid tijdens
ziekte gestelde voorschriften overtreedt.
-4. Algemeen verbindende
voorschriften waarin geen speciale regeling is getroffen voor de
aanspraken bij ziekte op bezoldiging of hetgeen daarmee overeenkomt,
gelden voor de toepassing van artikel 76a, derde lid, als voorschriften waarbij van
artikel 76a, eerste lid, wordt afgeweken.
Art.
76c. [Vermindering aanspraak op bezoldiging
bij arbeidsongeschiktheid] [Geschiedenis:
Stb. 2005,
573]
De aanspraak, bedoeld in
artikel 76a, eerste lid, wordt verminderd met:
a. het bedrag van de
vergoeding of uitkering welke betrokkene ontvangt krachtens een
wettelijk voorgeschreven verzekering;
b. het bedrag van
bezoldiging of het loon, door betrokkene in of buiten dienstbetrekking genoten
voor werkzaamheden die hij heeft verricht gedurende de tijd dat hij
zijn dienst had kunnen verrichten of zijn ambt had kunnen vervullen, zo
hij daartoe wegens ziekte niet verhinderd was geweest.
Art.
76d. [Opzegging particuliere verzekering]
[Geschiedenis:
Stb. 2005,
573]
Indien betrokkene vóór de
aanvang van zijn dienstbetrekking of ambtsvervulling een
overeenkomst had gesloten tot verzekering van de geldelijke gevolgen van
verhindering tot werken wegens ziekte, mag hij die overeenkomst voor
zover hij daaraan rechten kan ontlenen die gelijkwaardig zijn aan
die welke voor hem uit deze afdeling voortvloeien, voor het vervolg, echter
niet eerder dan met ingang van de aanvang van de dienstbetrekking of
ambtvervulling opzeggen. De door betrokkene vooruitbetaalde premie
wordt door de verzekeraar naargelang van het opgezegde gedeelte van de
overeenkomst terugbetaald, onder aftrek van ten hoogste 25% van het
terug te betalen bedrag voor administratiekosten.
Art.
76e. [Re-integratieverplichtingen
overheidswerkgever] [Geschiedenis:
Stb. 2005,
573; Stb. 2006, 673;
Stb. 2006, 703; Stb.
2009, 108]
-1. De werkgever jegens wie de
persoon, bedoeld in artikel 76,
krachtens publiekrechtelijke aanstelling gehouden is tot het verrichten van
arbeid bevordert ten aanzien van de
werknemer die in verband
met ongeschiktheid tengevolge van ziekte verhinderd is de bedongen
arbeid te verrichten, de inschakeling in de arbeid in zijn bedrijf.
Indien vaststaat dat de eigen arbeid niet meer kan worden verricht en in het
bedrijf van de werkgever,
bedoeld in de eerste volzin, geen andere passende arbeid voorhanden is,
bevordert die werkgever, gedurende het tijdvak waarin de werknemer jegens hem recht op loon
heeft op grond van deze afdeling, artikel 71a, negende lid, van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
of artikel
25, negende lid,
van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de inschakeling van de werknemer in voor hem passende arbeid
in het bedrijf van een
andere werkgever.
-2. Uit hoofde van de
uitoefening van zijn taak, bedoeld in het eerste lid, is de werkgever,
bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, verplicht zo tijdig
mogelijk zodanige maatregelen te
treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is,
opdat de werknemer die in verband met ongeschiktheid tengevolge van ziekte verhinderd is de bedongen arbeid te
verrichten, in staat
wordt gesteld de eigen of andere passende arbeid te verrichten.
-3. Uit hoofde van de
uitoefening van zijn taak, bedoeld in het eerste lid, stelt de werkgever,
bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, in overeenstemming met de werknemer een plan van
aanpak op als bedoeld in artikel 71a, tweede lid, van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
en artikel
25, tweede lid, van de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Het plan van aanpak wordt met
medewerking van de werknemer regelmatig geëvalueerd en zo nodig
bijgesteld.
-4. Onder passende arbeid
als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt verstaan alle arbeid die
voor de krachten en bekwaamheden van de werknemer is berekend,
tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale
aard niet van hem kan worden gevergd.
-5. De werkgever, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, en
degene door wie de werkgever zich op grond van artikel 14 van de Arbeidsomstandighedenwet
laat bijstaan, verstrekken een re-integratiebedrijf als bedoeld in artikel
1 van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen, gegevens voor zover deze noodzakelijk zijn voor de
uitvoering van de door de werkgever, bedoeld in het eerste lid, eerste
volzin, aan dit bedrijf opgedragen werkzaamheden, alsmede het
burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaal
nummer van de persoon wiens inschakeling in de arbeid door dat
re-integratiebedrijf wordt bevorderd. Het re-integratiebedrijf verwerkt
deze gegevens slechts voor zover dat noodzakelijk is voor deze
werkzaamheden en gebruikt slechts met dat doel dat burgerservicenummer,
onderscheidenlijk het sociaal-fiscaal nummer, bij die verwerking.
-6. Dit artikel is van
overeenkomstige toepassing op de eigenrisicodrager, bedoeld in artikel
1,
eerste lid, onderdeel h, en de personen, bedoeld in artikel
29, tweede
lid, onderdeel a, b en c, die laatstelijk tot hem in dienstbetrekking
stonden, gedurende de periode dat de eigenrisicodrager aan die
personen
ziekengeld moet betalen.
VIJFDE
AFDELING
Straf-,
overgangs- en slotbepalingen
HOOFDSTUK
I
Strafbepalingen
Art.
77. [Strafbepaling overtreding artikel 13]
[Geschiedenis:
versie 25 april 1963; versie
1 januari 1999; Stb. 2000, 40;
Stb. 2005,
573 + bis]
Hij die niet voldoet aan één der
verplichtingen, omschreven in artikel 13, wordt gestraft met hechtenis van ten
hoogste één maand of geldboete van de tweede categorie.
Art.
78. Vervallen. [Geschiedenis:
versie 25 april 1963; Stb. 1996, 134; versie
1 januari 1999; Stb. 2005,
573]
Art.
79. Vervallen. [Geschiedenis:
OvW; versie 25 april 1963; versie
1 januari 1999; Stb. 2000, 40;
Stb. 2005,
573]
Art.
80. Vervallen. [Geschiedenis:
OvW; versie 25 april 1963; Stb. 1996, 134; Stb.
1997, 96; versie
1 januari 1999; Stb. 1999,
564; Stb. 2000, 40; Stb. 2005,
573]
Art.
81. Vervallen. [Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963; Stb. 1996, 248; Stb.
1997, 96; versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 625; Stb. 2005,
573; Stb. 2009, 265]
Art. 82. Vervallen.
[Geschiedenis:
versie 25 april 1963; versie
1 januari 1999; Stb. 2005,
573]
Art.
83. [Overtredingen] [Geschiedenis:
versie 25 april 1963; Stb. 1996, 134; versie
1 januari 1999; Stb. 2000, 40;
Stb. 2005,
573]
De bij of krachtens deze wet strafbaar
gestelde feiten zijn overtredingen.
Art. 84. Vervallen.
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963; versie
1 januari 1999; Stb. 2005,
573]
HOOFDSTUK
II
Overgangs-
en slotbepalingen
Art.
85. [Verjaringstermijn betaalbaarstelling]
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963; versie
1 januari 1999; Stb. 2005,
573]
De termijnen van het
ziekengeld welke
niet zijn ingevorderd binnen twee jaren na de dag der betaalbaarstelling
worden niet meer uitbetaald.
Art. 86.
[Overgangsrecht 1 januari 2006 vaststelling
dagloon] [Geschiedenis:
versie 25 april 1963; versie
1 januari 1999; Stb.
2003, 555; Stb. 2004, 311;
Stb. 2005, 37; Stb.
2005, 65; Stb. 2005,
573]
Artikel 15 en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden op de
dag voorafgaand aan de dag van inwerkingtreding van artikel
IV,
onderdeel A, van de Wet administratieve lastenverlichting en
vereenvoudiging in socialeverzekeringswetten, blijven van toepassing op
de persoon wiens recht op ziekengeld is ontstaan vóór de datum van
inwerkingtreding van dat artikel met betrekking tot die uitkering.
Art.
86a. [Overgangsrecht 1 mei 2007 zieke
werkloze] [Geschiedenis:
Stb.
2006, 303; Stb. 2006, 703]
Ten aanzien van de verzekerde wiens eerste dag van ongeschiktheid tot
het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte is gelegen vóór het
tijdstip van inwerkingtreding van artikel IX, onderdeel A en
B, van de
Wet wijziging WW-stelsel blijven de artikelen
29, tweede lid, onderdeel
d, en 36, eerste lid, van toepassing zoals deze luidden op of
vóór dat tijdstip en blijft artikel 29,
twaalfde lid, buiten toepassing.
Art. 87.
Vervallen. [Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963; versie
1 januari 1999; Stb. 2005,
573; Stb. 2009, 318]
Art.
87a. [Nadere regelgeving afwijking
loondoorbetalingsplicht en opzegging Wulbz-verzekering] [Geschiedenis:
Stb. 1996, 134; Stb.
1997, 789; versie
1 januari 1999; Stb. 2001,
628; Stb. 2005,
573 + bis]
-1. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kan worden bepaald dat in afwijking van artikel
29,
eerste lid, ziekengeld wordt uitgekeerd aan verzekerden die in dienstbetrekking
staan tot bij of krachtens die maatregel te bepalen werkgevers.
-2. Artikel 88 is van overeenkomstige
toepassing.
-3. De werkgever kan een
verzekeringsovereenkomst met betrekking tot zijn verplichting tot doorbetaling van loon
als bedoeld in artikel 629, eerste lid, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek of bezoldiging als bedoeld
in artikel
76a, eerste lid opzeggen met ingang van de dag dat de algemene maatregel van bestuur,
bedoeld in het eerste lid, te zijnen aanzien in werking treedt of, indien
de opzegging later geschiedt, met ingang van de dag waarop deze de verzekeraar
bereikt. In het geval dat de premie is vooruitbetaald, wordt deze
door de verzekeraar naar evenredigheid aan de werkgever terugbetaald.
-4. Een krachtens het eerste lid
vastgestelde algemene maatregel van bestuur treedt niet eerder in werking dan acht
weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is
geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de
beide kamers der Staten-Generaal.
Art.
87b. [Overgangsrecht 1 april 2009
ziekengeld over weekenddagen] [Geschiedenis:
Stb.
2009, 152]
Artikel 29, tweede lid, van de Ziektewet,
zoals dat luidt na de inwerkingtreding van de Wet
van 29 december 2008 tot wijziging van de Ziektewet om uitkering van
ziekengeld mogelijk te maken aan personen die op zaterdagen en zondagen
werken (Stb. 2009, 152), is niet van toepassing op
verzekerden voor wie de eerste kalenderweek van de ongeschiktheid tot
het verrichten van arbeid volledig is gelegen vóór de datum van
inwerkingtreding van die wet.
Art.
88. [Verval particuliere verzekering]
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963; versie
1 januari 1999; Stb. 2005,
573]
-1. Een overeenkomst met betrekking tot
de verzekering van geldelijke gevolgen van ongeschiktheid tot werken wegens
ziekte, gesloten door degene die verplicht verzekerd wordt, vervalt
met ingang van de dag waarop de verzekeraar van de verzekerde mededeling van het verplicht
verzekerd worden ontvangt, voor zover
aan de overeenkomst rechten kunnen worden ontleend gelijkwaardig
aan die welke uit de in deze wet geregelde verplichte verzekering
voortvloeien. Bereikt deze mededeling de verzekeraar vóór de dag waarop de
betrokkene verplicht verzekerd wordt, dan vervalt de overeenkomst met
ingang van die dag.
-2. De premie welke degene wiens
verzekering krachtens het bepaalde in het eerste lid geheel of gedeeltelijk
is vervallen, heeft vooruitbetaald, wordt door de verzekeraar al
naargelang van het vervallen gedeelte der overeenkomst terugbetaald, onder
aftrek van ten hoogste 25 procent van het terug te betalen bedrag voor
administratiekosten.
Art.
89. [Buitentoepassingverklaring Atw]
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 25 april 1963; Stb. 1996, 134; versie
1 januari 1999; Stb. 2005,
573]
De Algemene
termijnenwet is niet van
toepassing op de in deze wet gestelde termijnen van uitkering van geldelijke
schadeloosstelling alsmede op de termijnen gesteld in de artikelen
6, tweede lid,
onderdeel a en c, 29, vijfde lid, 35 en
46, eerste en vijfde lid.
Art.
90. [Overgangsrecht 29 december 2005
arbeidsgehandicapte ex Wet Rea] [Geschiedenis:
Stb. 1997, 768 + bis
+ bis; versie
1 januari 1999; Stb. 2000, 561
+ bis; Stb. 2005,
573 + bis; Stb.
2005, 710; Stb. 2006, 703]
-1.
Als werknemer in de zin van artikel 29b,
eerste lid, wordt, naast de werknemers, bedoeld in dat lid, eveneens
aangemerkt de persoon die voorafgaand aan de inwerkingtreding
van artikel 1.4, onderdeel G, van de Wet
invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
arbeidsgehandicapte was op grond van artikel 2
van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de
dag waarop dat artikel vervalt op grond van artikel
2.10 van de Wet invoering en financiering Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen, voor de duur van:
a. zijn
arbeidsongeschiktheidsuitkering en vijf jaar na die periode voor de
arbeidsgehandicapte, bedoeld in dat artikel 2,
eerste lid, onderdeel a, van de
Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten;
b. de toekenning van de voorziening
en vijf jaar na die periode voor de arbeidsgehandicapte, bedoeld in dat artikel 2,
eerste lid, onderdeel b, van de
Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten;
c. de indicatiebeschikking of
herindicatiebeschikking op grond van de Wet sociale
werkvoorziening voor de arbeidsgehandicapte, bedoeld in dat artikel
2, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten;
d. vijf jaar na de beëindiging van
zijn dienstbetrekking op grond van de Wet sociale
werkvoorziening voor de arbeidsgehandicapte, bedoeld in dat artikel
2, eerste lid, onderdeel
d, van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten;
e. vijf jaar na de
herindicatiebeschikking op grond van de Wet sociale werkvoorziening voor
de arbeidsgehandicapte, bedoeld in dat artikel 2,
eerste lid, onderdeel e, van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten;
f. vijf jaar na beëindiging van
zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering of de eindiging van de voorziening,
bedoeld in dat artikel 2, eerste lid,
onderdeel b, van de
Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten, voor de arbeidsgehandicapte,
bedoeld in het tweede lid van dat artikel;
g. vijf jaar na de dag waarop in
verband met ziekte of gebrek een belemmering bij het verkrijgen of
verrichten van arbeid is ontstaan voor de arbeidsgehandicapte, bedoeld
in dat artikel 2, derde of vierde lid, van
de
Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten.
-2. In afwijking van het eerste lid,
onderdeel a, geldt geen duurbeperking voor de persoon die op de
dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel
1.4, onderdeel G, van de Wet invoering en
financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
arbeidsgehandicapte was op grond van zijn recht op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.
Art.
91. [Overgangsrecht 29 december 2005 recht
op ziekengeld bij arbeidshandicap] [Geschiedenis:
Stb. 1997, 768 + bis
+ bis; versie
1 januari 1999; Stb. 2000, 561
+ bis; Stb. 2005,
573 + bis; Stb.
2005, 710]
Artikel 29b, zoals dat
luidde vóór de inwerkingtreding van artikel
1.4, onderdeel G, van de Wet invoering en
financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen,
blijft van toepassing op de werknemer die op of vóór die dag recht had op
ziekengeld op grond van dat artikel. Het ziekengeld, bedoeld in de eerste
volzin, wordt niet betaald na de periode waarover de werknemer op grond van
artikel 29b, zoals dat luidde op de dag vóór de inwerkingtreding van
artikel 1.4, onderdeel G, van de Wet
invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, recht had.
Art.
91a. Overgangsrecht no-riskpolis i.v.m. gewijzigd
loonsanctiesysteem [Geschiedenis:
Stb.
2005, 710]
Met betrekking tot personen die op of na 1 januari 2004, maar vóór 15
augustus 2004 ziek zijn geworden, wordt in artikel 29b,
eerste lid, onderdeel c, aanhef, voor "bedoeld in artikel
24 of 25, negende lid, van die
wet" gelezen: bedoeld in artikel 24
van die wet of het tijdvak dat voortvloeit uit
de toepassing van artikel 123b,
tweede lid, van die wet.
Art.
92. [Uitsluiting Wamil-er] [Geschiedenis:
Stb. 2005,
573]
Geen recht op ziekengeld
heeft de persoon die belanghebbende is als bedoeld in artikel 1 van
de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
militairen.
Art.
93. [Reikwijdte m.b.t. Wet bevordering
activering ZW-ers] [Geschiedenis:
Stb.
2007, 553]
-1. De artikelen
19, vijfde lid, 29, zesde lid, 30,
vijfde en zesde lid, en 38ab zijn niet van
toepassing met betrekking tot het recht op ziekengeld van personen die vóór
de dag van de inwerkingtreding van de Wet van 12 december 2007, houdende
regels tot bevordering van de activering van personen die aanspraak
maken op een uitkering op grond van de Ziektewet
(Stb. 2007, 553), recht hadden op ziekengeld.
-2. Ten aanzien van personen die vóór de
inwerkingtreding van de Wet
van 12 december 2007, houdende regels tot bevordering van de activering
van personen die aanspraak maken op een uitkering op grond van de
Ziektewet (Stb. 2007, 553), recht
hadden op ziekengeld zijn met betrekking tot dat recht de artikelen
29a, zesde lid, 38a, 45,
eerste lid, en 72c, tweede lid, zoals deze
luidden op de dag vóór de inwerkingtreding van de in het eerste lid
bedoelde wet van toepassing.
Art.
94. [Overgangsrecht 13 juni 2008 verhaal
re-integratiekosten] [Geschiedenis:
Stb.
2008, 199; Stb. 2009, 318]
In gedingen aangevangen vóór het van toepassing worden van artikel
52a, derde lid, bepaalt de rechter op verzoek van één van
de partijen of ambtshalve een termijn waarbinnen partijen de gelegenheid
wordt geboden hun stellingen en conclusies voor zover nodig aan te
passen aan artikel 52a, derde lid. Stelt de
rechter partijen tot een zodanige aanpassing in de gelegenheid, dan
staat tegen die beslissing geen rechtsmiddel open; wijst de rechter een
daartoe strekkend verzoek af, dan staat een rechtsmiddel daartegen
slechts gelijktijdig met de einduitspraak open.
Art.
95. [Overgangsrecht
8 juli 2009 begrip dienstbetrekking] [Geschiedenis:
Stb. 2009, 287]
De artikelen van deze wet zoals deze
luidden vóór de datum van inwerkingtreding van de Tijdelijke
wet compensatieregeling loonkosten bij ziekte van oudere en voormalig
langdurig werklozen blijven van toepassing op dienstbetrekkingen,
bedoeld in artikel 3, 4 of 5,
die zijn aangegaan vóór die datum.
Art.
96. [Verval
en wijziging artikelen ZW] [Geschiedenis:
Stb. 2009, 287]
-1.
De artikelen 29d, 38b,
derde lid, en 95 vervallen tien jaar na het tijdstip
van inwerkingtreding van de Tijdelijke
wet compensatieregeling loonkosten bij ziekte van oudere en voormalig
langdurig werklozen.
-2.
Op het tijdstip waarop artikel 29d vervalt,
wordt artikel 29 als volgt gewijzigd:
1.
In het eerste lid, aanhef, wordt ", 29b
en 29d" vervangen door: en 29b.
2.
In het tweede lid, onderdeel g, wordt "de artikelen
29b en 29d" vervangen door: artikel
29b.
3.
Op het tijdstip waarop artikel 38b, derde lid,
vervalt, wordt in artikel 38b, eerste lid,
"artikel 29b of 29d"
vervangen door "artikel 29b", wordt artikel
38b, vierde lid, vernummerd tot derde lid, en wordt in dat
lid "het tweede en het derde lid" vervangen door: het tweede
lid.
Lasten en
bevelen dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat alle Ministeriële Departementen,
Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren wie zulks aangaat, aan de
nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven op het Loo, den 5den Juni 1913
WILHELMINA
De Minister van Landbouw,
Nijverheid en Handel,
A.S. Talma
Uitgegeven den negenden Juni
1913
De Minister van Justitie ad
interim,
Heemskerk
MEMORIE
VAN TOELICHTING (wijziging 1967)
|
|