|
Besluit van de Sociale
Verzekeringsraad van 20 april 1967
HOOFDSTUK I
Algemene bepalingen
Art. 1.
-1. Voor de toepassing van deze regels wordt onder loon verstaan het
loon in de zin van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering, met dien verstande
dat hetgeen niet of niet geheel is uitbetaald eveneens tot het loon
behoort.
-2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid worden geacht tot
het loon te behoren:
a. het werknemersaandeel in de pensioenpremie, tenzij deze premie door
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ingevolge een algemene
maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 59 van de Ziektewet ten
behoeve van de werknemer geheel of gedeeltelijk naast het ziekengeld
wordt verstrekt;
b. het rechtens geldende loon, voor zover dit niet is genoten;
c. bijdragen strekkende tot betaling van premie van een door of voor de
werknemer afgesloten particuliere ziektekostenverzekering, tenzij op de
werkgever de verplichting rust deze ook tijdens ziekte te verstrekken;
d. bedragen welke zijn ingehouden als bijdrage voor aanspraken die naar
aard en strekking overeenkomen met aanspraken ingevolge
socialeverzekeringswetten, waaronder begrepen aanspraken op grond
van hoofdstuk 3, afdeling 2, van de Wet arbeid en
zorg, of als bijdrage voor aanspraken op uitkeringen
wegens overlijden of invaliditeit tengevolge van een ongeval.
-3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid worden geacht niet
tot het loon te behoren:
a. aanspraken uit een dienstbetrekking als bedoeld in artikel
10, tweede lid, van de Wet
op de loonbelasting 1964:
b. bedragen welke de hoogte van het rechtens geldende loon te boven
gaan;
c. bedragen strekkende tot vergoeding van te maken onkosten, ook al
zijn deze niet in een afzonderlijke onkostenvergoeding vastgesteld;
d. gratificaties, tantièmes, uitkeringen ingevolge winstdeling,
uitkeringen in de vorm van aandelen en andere dergelijke uitkeringen;
e. vakantietoeslag, loon bestemd voor vakantiedagen, niet zijnde
vakantietoeslag, alsmede vergoeding voor niet-genoten vakantie;
f. feestdagentoeslag, tenzij in het desbetreffende beroep onder normale
omstandigheden in de bedrijfstak arbeid op feestdagen wordt verricht;
g. prestatie- en productiepremie, voor zover deze een incidenteel of
uitzonderlijk karakter dragen;
h. vergoeding voor reisuren, voor zover door het in aanmerking nemen van
deze uren de normale wekelijkse arbeidsduur volgens arbeidsovereenkomst
en toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst zou worden
overschreden;
i. afzonderlijke bijdragen strekkende tot betaling van premie van een
door of voor de werknemer afgesloten verzekering;
j. uitkeringen en verstrekkingen uit fondsen;
k. uitkeringen en verstrekkingen tot dekking van kosten ter
zake van
ziekte, invaliditeit, bevalling en sterfgeval;
l. vrije uniform- en andere kleding;
m. kindertoelagen;
n. afzonderlijke bijdragen strekkende tot tegemoetkoming in de betaling
van de rente van een hypotheek rustende op de woning van de werknemer,
alsmede het voordeel dat de werknemer heeft van aan hem vanwege zijn
werkgever verstrekte geldleningen waarvoor hem geen of een lagere
rente, dan wel geen of een lagere afsluitprovisie in rekening wordt
gebracht;
o. bedragen uitbetaald als beloning voor overwerk;
p. het voordeel dat voor de werknemer is gelegen in het gebruik voor
privédoeleinden van een auto en/of telefoon waarvan de kosten geheel
of gedeeltelijk door de werkgever worden gedragen;
q. uitkeringen die het karakter hebben van een dertiende maandloon of
een eindejaarsuitkering;
r. uitkeringen en verstrekkingen op grond van socialeverzekeringswetten,
waaronder begrepen toeslagen op grond van de Toeslagenwet
en uitkeringen op grond van hoofdstuk 3, afdeling
2, van de Wet
arbeid en zorg;
s. periodieke uitkeringen die naar aard en strekking overeenkomen met
uitkeringen op grond van de Ziektewet, hoofdstuk
3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en
zorg, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Werkloosheidswet;
t. uitkeringen over tijdvakken waarin de werknemer geen arbeid verricht,
indien die uitkeringen minder bedragen dan de helft van zijn loon;
u. het voordeel dat voor de werknemer is gelegen in een door de
werkgever ter beschikking gesteld recht op vrij reizen met
Nederlands openbaar vervoer;
v. de waarde van door de werkgever verstrekte aandelenoptierechten;
w. het voordeel dat voor de werknemer werkzaam in de geestelijke
en/of lichamelijke gezondheids- of welzijnszorg is gelegen in het
gebruiken van de maaltijd in de werktijd tezamen met de hem
toevertrouwde patiënten, pupillen of bewoners, indien hiertoe op basis
van de arbeidsovereenkomst of aanstelling een verplichting bestaat op
grond van opvoedkundige of therapeutische overwegingen of anderszins
overwegingen van resocialiserende aard;
x. het voordeel dat voor de werknemer is gelegen in
kinderopvang welke
door of vanwege de werkgever wordt verzorgd, alsmede een vergoeding van
de werkgever in de kosten van kinderopvang;
y. vervallen;
z. het voordeel dat voor de werknemer van een dagbladuitgeversbedrijf is
gelegen in een gratis abonnement op een dagblad uitgegeven door dat
bedrijf.
Art. 1a.
Voor de toepassing van deze regels wordt onder betaald verlof verstaan
onbetaald verlof als bedoeld in artikel 1, onderdeel h, van de Ziektewet.
Art. 1b.
Voor de toepassing van deze regeling wordt onder salarisbetalingsperiode
verstaan de door de werkgever gehanteerde gebruikelijke periode waarover
de werknemer zijn salaris ontvangt van ten hoogste één maand.
HOOFDSTUK II
Dagloonberekening naar het
beroep
Art. 2.
-1. Voor de werknemer die laatstelijk vóór het ontstaan van zijn
ongeschiktheid tot werken een beroep uitoefende, wordt het dagloon
vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de volgende artikelen van dit
hoofdstuk.
-2. In die artikelen wordt onder beroep verstaan het in het vorige lid
bedoelde beroep.
Art. 3.
-1. Voor de vaststelling van het dagloon wordt berekend het loon dat de
werknemer in de dertien kalender- of loonweken aan het ontstaan van
zijn ongeschiktheid tot werken onmiddellijk voorafgaande, in zijn beroep
gemiddeld heeft genoten over de in de volledige salarisbetalingsperioden
in die weken gelegen dagen waarop hij gedurende ten minste de voor hem
normale werktijd in de laatste dienstbetrekking werkzaam was, met dien
verstande dat bij deze berekening:
a. de dagen waarop hij tengevolge van ongeschiktheid tot werken niet
tegen zijn normale loon werkzaam was, benevens het over die dagen
genoten loon, buiten aanmerking blijven;
b. het aantal dagen werken in een kalender- of loonweek geacht wordt
niet meer dan vijf te bedragen.
-2. Indien er geen sprake is van volledige salarisbetalingsperioden als
bedoeld in het eerste lid, wordt voor de vaststelling van het dagloon het
loon berekend dat de werknemer in de dertien kalender- of loonweken
aan het ontstaan van zijn ongeschiktheid tot werken onmiddellijk
voorafgaande, in zijn beroep gemiddeld heeft genoten over de in die
weken gelegen dagen waarop hij gedurende ten minste de voor hem normale
werktijd in de laatste dienstbetrekking werkzaam was. Bij deze
berekening is het eerste lid, onderdeel a en b, van toepassing.
-3. Voor de toepassing van het eerste en tweede lid worden ten aanzien
van de werknemer voor wie bij het ontstaan van zijn ongeschiktheid tot
werken een regeling tot toepassing van een kortere dan de voor hem
normale werktijd geldt, de woorden "het ontstaan van zijn
ongeschiktheid tot werken" gelezen als: de invoering van de
regeling tot toepassing van een kortere dan de voor hem normale
werktijd. Onder een regeling tot toepassing van een kortere dan de voor
hem normale werktijd wordt niet verstaan onbetaald verlof.
-4. Voor de vaststelling van de periode van dertien kalender- of
loonweken, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt onbetaald verlof
tot een maximum van 78 weken niet in aanmerking genomen.
Art. 4.
Indien het loon van de werknemer na de aanvang van de in artikel 3
bedoelde periode, doch uiterlijk op de eerste dag van de ongeschiktheid
tot werken krachtens een voor hem geldende regeling is of zou zijn
gewijzigd, wordt de uitkomst van de berekening ingevolge het vorige
artikel - voor zoveel nodig - herzien, alsof die wijziging reeds was
ingegaan op de eerste dag waarop hij zijn beroep uitoefende in de
bedoelde periode.
Art. 5.
-1. Indien het op grond van artikel 3, eerste lid, berekende aantal
dagen minder bedraagt dan twintig, wordt voor de toepassing van de artikelen
3, eerste lid, en 4 uitgegaan van het loon dat de werknemer in de
volledige salarisbetalingsperioden, bedoeld in artikel 3, eerste lid, in
dienstbetrekking heeft genoten.
-2. Indien het op grond van artikel 3, tweede lid, berekende aantal
dagen minder bedraagt dan twintig, wordt voor de toepassing van de artikelen
3, tweede lid, en 4 uitgegaan van het loon dat de werknemer in de
periode, bedoeld in artikel 3, tweede lid, in dienstbetrekking heeft
genoten.
-3. Indien de uitkomst van de berekening overeenkomstig de artikelen
3,
eerste lid, en 4 en het eerste lid van dit artikel - gelet op het loon
dat de werknemer in de volledige salarisbetalingsperioden in de 52
kalender- of loonweken aan het ontstaan van zijn ongeschiktheid tot
werken onmiddellijk voorafgaande, gemiddeld per dag placht te genieten -
kennelijk geen juiste maatstaf voor de vaststelling van het dagloon
biedt, wordt voor de toepassing van de artikelen 3, eerste lid, en
4 uitgegaan van het loon dat de werknemer in de volledige
salarisbetalingsperioden in de periode van 52 kalender- of loonweken in
dienstbetrekking heeft genoten.
-4. Indien de uitkomst van de berekening overeenkomstig de artikelen
3,
tweede lid, en 4 en het tweede lid van dit artikel - gelet op het loon
dat de werknemer in de 52 kalender- of loonweken aan het ontstaan van
zijn ongeschiktheid tot werken onmiddellijk voorafgaande, gemiddeld per
dag placht te genieten - kennelijk geen juiste maatstaf voor de
vaststelling van het dagloon biedt, wordt voor de toepassing van de artikelen
3, tweede lid, en 4 uitgegaan van het loon dat de werknemer
in de periode van 52 kalender- of loonweken in dienstbetrekking heeft
genoten.
-5. Het derde of vierde lid vindt in ieder geval toepassing indien de
werknemer in de dertien kalender- of loonweken, bedoeld in artikel 3,
tariefdiensten heeft genoten welke, gelet op hetgeen in de bedrijfstak
gebruikelijk is, uitzonderlijk hoog zijn.
Indien de uitkomst van de berekening overeenkomstig het derde of vierde
lid, al dan niet op grond van de vorige volzin, gelet op de
tariefverdiensten die in de bedrijfstak gebruikelijk zijn, geen juiste
maatstaf voor de vaststelling van het dagloon biedt, wordt voor die
vaststelling uitgegaan van laatstgenoemde verdiensten.
-6. Indien in het geval, bedoeld in het derde lid, in de volledige
salarisbetalingsperioden in de periode van 52 kalender- of loonweken het
aantal van twintig dagen niet wordt bereikt, wordt het loon, bedoeld in artikel 3, eerste lid, geacht gelijk te zijn aan het loon dat
gelijksoortige werknemers in hetzelfde of een gelijksoortig bedrijf in dezelfde of een gelijksoortige
gemeente in de dertien kalender- of loonweken aan het ontstaan van de ongeschiktheid tot werken van de
werknemer onmiddellijk voorafgaande, in dienstbetrekking gemiddeld
hebben genoten over de in de volledige salarisbetalingsperioden in die
weken gelegen dagen waarop zij gedurende ten minste de voor de
werknemer normale werktijd werkzaam waren. Het derde en vijfde lid, artikel 3, eerste lid, onderdeel a en b, en
artikel 4 zijn van
overeenkomstige toepassing, alsof het een berekening van het dagloon
voor de gelijksoortige werknemers betrof en deze op dezelfde datum als
de werknemer ongeschikt tot werken waren geworden.
-7. Indien in het geval, bedoeld in het vierde lid, in de periode van 52
kalender- of loonweken het aantal van twintig dagen niet wordt bereikt, wordt
het loon, bedoeld in artikel 3, tweede lid, geacht gelijk te zijn aan
het loon dat gelijksoortige werknemers in hetzelfde of een
gelijksoortig bedrijf in dezelfde of een gelijksoortige gemeente in de
dertien kalender- of loonweken aan het ontstaan van de ongeschiktheid tot
werken van de werknemer onmiddellijk voorafgaande, in dienstbetrekking
gemiddeld hebben genoten over de in die weken gelegen dagen waarop zij
gedurende ten minste de voor de werknemer normale werktijd werkzaam
waren. Het vierde en vijfde lid, artikel 3, eerste lid, onderdeel a en
b, en artikel 4 zijn van overeenkomstige toepassing, alsof het een
berekening van het dagloon voor de gelijksoortige werknemers betrof en
deze op dezelfde datum als de werknemer ongeschikt tot werken waren
geworden.
-8. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
is bevoegd om,
indien opgave van het loon over de perioden, genoemd in het eerste tot
en met zevende lid en in artikel 3, in verband met de inrichting van de
loonadministratie van de betrokken werkgever bezwaarlijk is, in overleg
met die werkgever andere perioden vast te stellen, die zo weinig
mogelijk van eerstbedoelde perioden afwijken.
Art. 6.
-1. Indien de werknemer laatstelijk vóór het ontstaan van zijn
ongeschiktheid tot werken in zijn beroep werkzaam was tegen een loon
dat was vastgesteld op een vast bedrag per dag, week, maand of jaar,
wordt het dagloon vastgesteld op de wijze in de volgende leden bepaald.
Regelmatig verstrekte, naar tijdsruimte vastgestelde, toeslagen worden
tot het vaste bedrag gerekend.
-2. Indien het loon uitsluitend bestond uit een vast bedrag als bedoeld
in het vorige lid, is het dagloon gelijk aan respectievelijk het vaste
bedrag per dag, 1/260 van het 52-voud van het weekloon of 1/261 van het
twaalfvoud van het maandloon of van het jaarloon.
-3. Het bepaalde in artikel 4 is van overeenkomstige toepassing.
-4. Het in dit artikel bepaalde blijft buiten toepassing indien het -
mede gelet op het loon dat de werknemer in zijn beroep pleegt te
genieten - tot een kennelijk onjuist dagloon zou leiden.
Art. 7.
Voor het geval het loonpeil in het beroep van de werknemer op of na de
eerste dag van de ongeschiktheid tot werken doch vóór de eerste dag
waarover het ziekengeld wordt uitgekeerd dan wel tijdens het genot der
uitkering afwijkt van dat hetwelk medebepalend was voor het loon
waarmede bij de toepassing van de vorige artikelen rekening werd
gehouden, wordt dit loon - voor zoveel nodig - in overeenstemming met
eerstbedoelde loonpeil herzien.
HOOFDSTUK III
Bijzondere bepalingen
Art. 7a. Vervallen.
Art. 8.
-1. Het volgens de voorgaande artikelen berekende dagloon wordt
evenredig verlaagd voor de werknemer die:
a. anders dan ingevolge een regeling tot toepassing van een kortere dan
de voor hem normale werktijd, onbetaald verlof of verlof als bedoeld in
artikel 10a, eerste lid, gemiddeld een geringer dan het normale aantal
uren per week placht werkzaam te zijn;
b. aanspraak heeft op ziekengeld uit hoofde van meer dan één
verzekering;
1º. voor zover hij één of meer dienstbetrekkingen anders dan
ingevolge een regeling tot toepassing van een kortere dan de voor hem
normale werktijd, onbetaald verlof of verlof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, gemiddeld een geringer dan het normale aantal uren per
week in die dienstbetrekking, onderscheidenlijk die dienstbetrekkingen,
placht werkzaam te zijn;
2º. voor zover hij in één of meer dienstbetrekkingen welke ertoe
strekten dat niet regelmatig in elke kalenderweek arbeid werd verricht,
placht werkzaam te zijn;
c. anders dan op grond van onbetaald verlof uit eigen verkiezing placht
afwisselend wel en niet werkzaam te zijn;
d. placht afwisselend wel en niet arbeid te verrichten ter zake waarvan
een verzekering ingevolge de Ziektewet bestaat.
-2. Het bepaalde in het vorige lid vindt geen toepassing:
a. voor zover in verband met de in dat lid genoemde omstandigheden reeds
een lager dagloon is vastgesteld;
b. indien het arbeidspatroon van de werknemer kennelijk zodanig is
gewijzigd dat hij geacht kan worden niet meer te verkeren in één van
de in het eerste lid genoemde omstandigheden.
Art. 8a.
-1. Voor de werknemer wiens beroep is musicus of artiest en die
laatstelijk vóór het ontstaan van zijn ongeschiktheid tot werken zijn
beroep uitoefende in een arbeidsverhouding, niet zijnde een vaste
jaarbetrekking, wordt, in afwijking van het bepaalde in de artikelen 3
tot en met 6, het dagloon vastgesteld overeenkomstig het in dit artikel
bepaalde.
Voor de vaststelling van het dagloon wordt berekend hetgeen de
werknemer in de laatste 52 kalenderweken aan het ontstaan van de
ongeschiktheid tot werken onmiddellijk voorafgaande, in zijn beroep aan
loon en aan bruto-uitkering ingevolge de Werkloosheidswet tezamen
gemiddeld per dag heeft genoten, met dien verstande dat bij deze
berekening:
a. buiten aanmerking blijven de in die periode gelegen dagen waarop hij
tengevolge van ongeschiktheid tot werken niet tegen zijn normale loon
werkzaam was, benevens het over die dagen genoten loon;
b. voor de berekening van het aantal dagen per kalenderweek niet meer
dan vijf dagen in aanmerking worden genomen.
-2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder bruto-uitkering
ingevolge de Werkloosheidswet mede verstaan de brutovakantiebijslag,
bedoeld in artikel 33, derde lid, van de Werkloosheidswet.
Art. 9.
-1. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder
handelsvertegenwoordiger verstaan: degene wiens werkzaamheden bestaan in het tegen beloning regelmatig
bemiddeling verlenen tot het tot stand komen van overeenkomsten tussen
daartoe door hem te bezoeken personen en een ander en die uit dien
hoofde verzekerd is ingevolge artikel 3 of artikel
4, eerste lid,
onderdeel c dan wel d, van de Ziektewet.
-2. Behoudens in het geval, bedoeld in artikel 6, wordt het dagloon van
de handelsvertegenwoordiger vastgesteld op het loon dat hij in de
volledige salarisbetalingsperioden in de 52 kalender- of loonweken aan
het ontstaan van zijn ongeschiktheid tot werken onmiddellijk
voorafgaande, in zijn beroep gemiddeld per dag heeft genoten. Hierbij kunnen dagen waarop hij anders dan als handelsvertegenwoordiger
heeft gewerkt en dagen waarop hij als gevolg van omstandigheden buiten
zijn wil niet heeft gewerkt, buiten beschouwing worden gelaten. Artikel
3, eerste lid, onderdeel b, is van overeenkomstige toepassing.
-3. Behoudens in het geval, bedoeld in artikel 6, wordt, indien er geen
sprake is van volledige salarisbetalingsperioden als bedoeld in het
tweede lid, het dagloon van de handelsvertegenwoordiger vastgesteld op
het loon dat hij in de 52 kalender- of loonweken aan het ontstaan van
zijn ongeschiktheid tot werken onmiddellijk voorafgaande, in zijn beroep
gemiddeld per dag heeft genoten. Hierbij kunnen dagen waarop hij anders
dan als handelsvertegenwoordiger heeft gewerkt en dagen waarop hij als
gevolg van omstandigheden buiten zijn wil niet heeft gewerkt, buiten
beschouwing worden gelaten. Artikel 3, eerste lid, onderdeel b, is van
overeenkomstige toepassing.
Art. 10. Vervallen.
Art. 10a.
-1. Het dagloon van de werknemer wiens ongeschiktheid tot werken is
ontstaan tijdens een tussen hem en zijn werkgever overeengekomen periode
van verlof, waarbij wel een dienstbetrekking aanwezig is, wordt
vastgesteld met toepassing van de artikelen 1 tot en met
10. Bij deze
berekening wordt de normale werktijd gesteld op de werktijd in die
verlofperiode.
-2. Het dagloon van de werknemer, bedoeld in het eerste lid, wordt,
indien zijn ongeschiktheid tot werken na afloop van de periode, bedoeld
in het eerste lid, voortduurt, herzien met ingang van de eerste dag na
afloop van die periode. Het dagloon wordt daarbij bepaald op het bedrag
dat op de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken zou zijn
vastgesteld indien het verlof zou worden aangemerkt als onbetaald
verlof. Artikel 7 is van overeenkomstige toepassing.
Art. 10b. Vervallen.
Art. 11.
-1. Indien de dienstbetrekking, bedoeld in artikel
3, eerste lid,
van de Ziektewet, eindigt op of na de
eerste dag van de ongeschiktheid tot werken doch vóór de eerste dag
waarover het ziekengeld wordt uitgekeerd, dan wel tijdens het genot der
uitkering, wordt het volgens de voorgaande artikelen berekende dagloon,
in afwijking van het bepaalde in artikel 1, derde lid, aanhef en onder e, onderscheidenlijk
artikel 1, derde lid, aanhef en onder
q, over dagen
gelegen na de laatste dag van de dienstbetrekking verhoogd met:
a. een evenredig deel van de vakantietoeslag indien de werknemer tijdens
de duur van de dienstbetrekking tegenover zijn werkgever recht had op
vakantietoeslag in geld;
b. een evenredig deel van een uitkering die het karakter heeft van een
dertiende maandloon of een eindejaarsuitkering voor zover de werknemer
tijdens de duur van zijn dienstbetrekking tegenover zijn werkgever recht
had op deze uitkering.
-2. Indien de dienstbetrekking, bedoeld in artikel
3, eerste lid,
van de Ziektewet, eindigt op of na de
eerste dag van de ongeschiktheid tot werken doch vóór de eerste dag
waarover het ziekengeld wordt uitgekeerd, dan wel tijdens het genot der
uitkering, wordt het volgens de voorgaande artikelen berekende dagloon
over dagen gelegen na de laatste dag van de dienstbetrekking verhoogd
met een evenredig deel van een door de werkgever verstrekte bijdrage
strekkende tot betaling van premie van een door of voor de werknemer
afgesloten particuliere ziektekostenverzekering, voor zover die bijdrage
niet reeds op grond van artikel 1, tweede lid, onderdeel c, in het
dagloon is opgenomen.
Art. 11a.
-1. Bij de vaststelling van het dagloon voor een vakantiewerker wordt
voor de toepassing van dit artikel verstaan onder:
a. vakantiewerker: degene wiens voor het verrichten van arbeid in het
bedrijfs- en beroepsleven beschikbare tijd in belangrijke mate in beslag
wordt genomen door of in verband met het volgen van onderwijs of een
beroepsopleiding en die de arbeid uit hoofde waarvan hij werknemer is,
verricht in een tijdvak waarin dat onderwijs of die beroepsopleiding voor
hem door vakantie wordt onderbroken.
b. periode: het aaneengesloten tijdvak gedurende hetwelk de
vakantiewerker in elk geval arbeid zou hebben verricht indien hij niet
gedurende dat tijdvak ongeschikt tot werken zou zijn geworden;
-2. Het dagloon van een vakantiewerker wordt vastgesteld met toepassing
van het bepaalde in de voorgaande artikelen met uitzondering van de
artikelen 8, eerste lid, onderdeel c en d, en 8a.
-3. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid wordt het dagloon van
een vakantiewerker over dagen gelegen na afloop van de periode
vastgesteld op het loon dat hij gemiddeld per dag heeft genoten in de
52 kalender- of loonweken aan het ontstaan van zijn ongeschiktheid tot
werken onmiddellijk voorafgaande. Het bepaalde in artikel
3, eerste lid,
onderdeel b, is van overeenkomstige toepassing.
Art. 12.
-1. Het dagloon van degene die op de dag van het ontstaan van zijn
ongeschiktheid tot werken als werknemer wordt beschouwd op grond van
artikel 7 van de Ziektewet, wordt bepaald op het
dagloon waarnaar zijn
uitkering ingevolge de Werkloosheidswet wordt berekend of zou zijn
berekend, zo hij daarop recht zou hebben kunnen doen gelden.
-2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt het dagloon
van degene die op de dag van het ontstaan van zijn ongeschiktheid tot
werken een kortdurende uitkering of een vervolguitkering ingevolge de
Werkloosheidswet ontvangt, bepaald op:
a. het minimumloon per maand als bedoeld in artikel 8, eerste lid,
onderdeel a, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag (Stb.
1968, 657) of, indien het een werknemer jonger dan 23 jaar betreft, het
voor zijn leeftijd geldende minimumloon per maand, bedoeld in artikel 7,
derde lid, en artikel 8, derde lid, van genoemde
wet, beide vermeerderd
met de berekende vakantietoeslag, bedoeld in artikel 15 van die
wet, en
vervolgens gedeeld door 21,75;
b. het bedrag berekend met toepassing van onderdeel a, vermenigvuldigd
met een breuk waarvan de teller wordt gevormd door het verschil tussen
100 en het midden van de arbeidsongeschiktheidsklasse waarin de
uitkeringsgerechtigde is ingedeeld en de noemer door het getal 100,
indien hij een uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering naar een arbeidsongeschiktheid van
minder dan 80% ontvangt of - indien het bepaalde in artikel
25, 28, 30
of 33 van die wet te zijnen aanzien niet van toepassing was - zou
ontvangen;
c. het dagloon waarnaar zijn loondervingsuitkering ingevolge de
Werkloosheidswet werd of zou zijn berekend ingeval het dagloon
waarnaar die loondervingsuitkering werd of zou zijn berekend, lager is
dan het bedrag berekend overeenkomstig de onderdelen a en b.
-3. Indien de werknemer, bedoeld in het eerste en/of tweede lid, partieel
leerplichtig is op grond van de Leerplichtwet
1969 en hem in verband
daarmee over minder dan het voor hem normale aantal dagen per week
uitkering ingevolge de Werkloosheidswet werd verstrekt, wordt het
dagloon, berekend met toepassing van het eerste en tweede lid, naar
evenredigheid daarvan herzien.
-4. Indien de uitkering ingevolge de Werkloosheidswet met toepassing
van:
a. artikel 47, tweede lid, dan wel
artikel 51, tweede lid, dan wel
de artikelen 52, derde lid, 52i, tweede lid, of
52i, vierde
lid, in verband met de artikelen 51, tweede lid, of
52, derde lid, van die
wet werd vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller wordt gevormd
door het aantal uren werkloosheid per kalenderweek en de noemer door het
aantal arbeidsuren voorafgaande aan het intreden van het verlies van
arbeidsuren waarnaar zijn recht is berekend, wordt het dagloon, berekend
met toepassing van het eerste tot en met derde lid, met diezelfde breuk
vermenigvuldigd;
b. artikel 35b van die wet werd vermenigvuldigd met een
breuk waarvan
de teller wordt gevormd door het aantal arbeidsuren ter zake waarvan het
betrokken recht bestond en de noemer door het totaal aantal arbeidsuren
ter zake waarvan recht op vervolguitkering of kortdurende uitkering
bestond en waarop artikel 35b van de Werkloosheidswet van toepassing
was, wordt het dagloon, berekend met toepassing van het tweede en derde
lid, met diezelfde breuk vermenigvuldigd.
-5. Indien op de dag vóór het ontstaan van de ongeschiktheid tot
werken toepassing werd gegeven aan artikel 35 van de Werkloosheidswet,
wordt het dagloon, berekend met toepassing van het eerste tot en met
vierde lid, verminderd met 100/70-maal het bedrag dat krachtens genoemd
artikel niet tot uitbetaling kwam.
-6. Voor zolang krachtens artikel 33 van de Werkloosheidswet reservering
van vakantiebijslag plaatsvindt, wordt het dagloon, berekend met
toepassing van het eerste tot en met vijfde lid, verminderd met het
bedrag van het dagloon vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller
wordt gevormd door het getal dat als percentage wordt genoemd in artikel
15, eerste lid, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag en de
noemer door dat getal vermeerderd met 100.
-7. Indien bij de berekening van het dagloon, bedoeld in het eerste tot
en met zesde lid, in aanmerking zijn of zouden zijn genomen het
werknemersaandeel in de pensioenpremie, onderscheidenlijk de waarde van
de vakantiebon, wordt:
a. indien de werknemer krachtens de algemene maatregel van bestuur,
bedoeld in artikel 59 van de Ziektewet, naast het ziekengeld aanspraak
heeft op verstrekking van pensioenpremie, onderscheidenlijk van een
vakantiebon, het dagloon bedoeld in de aanhef verminderd met het
werknemersaandeel in de pensioenpremie, onderscheidenlijk de waarde van
de vakantiebon;
b. indien hij geen aanspraak heeft als bedoeld in onderdeel a, voor
zolang op grond van het uitkeringsreglement
werkloosheidsverzekering,
bedoeld in artikel 101 van de Werkloosheidswet, een deel van de
uitkering wordt betaald in de vorm van bijdragen aan sociale fondsen,
waaronder begrepen bonnen, zegels en certificaten die door het
desbetreffende fonds worden uitgegeven of voorgeschreven, het dagloon
bedoeld in de aanhef verminderd met 100/70-maal de waarde van dat deel
van de uitkering.
-8. Artikel 7 is niet van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
werknemer, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid. Indien het
dagloon ingevolge de Werkloosheidswet tijdens het ontvangen van
ziekengeld zou zijn gewijzigd in verband met toepassing van artikel 46
van de Werkloosheidswet, dan wel - indien het een werknemer als bedoeld
in het tweede lid betreft - de uitkering ingevolge de Werkloosheidswet
tijdens het ontvangen van ziekengeld zou zijn gewijzigd in verband met
een wijziging van het minimumloon, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt het dagloon berekend met toepassing van dit artikel in
overeenstemming met vorenbedoelde wijziging herzien.
-9. Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op de werknemer
voor wie bij het ontstaan van zijn ongeschiktheid tot werken een
regeling tot toepassing van een kortere dan de voor hem normale werktijd
geldt, tenzij ingevolge die regeling de werktijd voor hem gedurende de
gehele periode waarvoor die regeling geldt tot 0 uur is verkort.
Art. 12a.
-1. Indien de werknemer op de dag voorafgaande aan de dag van het
intreden van de ongeschiktheid tot werken de leeftijd nog niet heeft
bereikt waarop hij recht kan doen gelden op het minimumloon als bedoeld
in artikel 8, eerste lid, onderdeel c, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, terwijl hij op grond van deze wet met ingang van
een dag gelegen op of na de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken
doch vóór de eerste dag waarover het ziekengeld wordt uitgekeerd,
recht heeft op een hoger loon op grond van zijn leeftijd, wordt met
ingang van de dag waarop zijn recht op uitkering ingaat dat hogere loon
aan zijn dagloon ten grondslag gelegd.
-2. Indien de uitkeringsgerechtigde op de dag voorafgaande aan de dag
waarop zijn recht op uitkering ingaat de leeftijd nog niet heeft bereikt
waarop hij recht kan doen gelden op het minimumloon als bedoeld in
artikel 8, eerste lid, onderdeel c, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, terwijl hij, ware hij niet ongeschikt, met ingang
van een daarna gelegen dag krachtens deze wet aanspraak zou hebben gehad
op een hoger loon op grond van zijn leeftijd, wordt met ingang van
laatstbedoelde dag dat hogere loon aan zijn dagloon ten grondslag
gelegd.
Art. 13.
-1. Het dagloon van degene wiens aanspraak op ziekengeld berust op
het bepaalde in artikel 46 van de Ziektewet wordt bepaald op het
dagloon waarnaar zijn uitkering ingevolge de Werkloosheidswet zou zijn
berekend, zo hij daarop aanspraak zou hebben kunnen doen gelden.
-2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt het dagloon
van de aldaar bedoelde persoon die laatstelijk als werknemer werd
beschouwd op grond van het bepaalde in artikel 7 van de Ziektewet
en
die laatstelijk een kortdurende uitkering of een vervolguitkering
ingevolge de Werkloosheidswet ontving, bepaald op:
a. het minimumloon per maand als bedoeld in artikel 8, eerste lid,
onderdeel a, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag (Stb.
1968, 657) of, indien het een werknemer jonger dan 23 jaar betreft, het
voor zijn leeftijd geldende minimumloon per maand, bedoeld in artikel 7,
derde lid, en 8, derde lid, van genoemde
wet, beide vermeerderd met de
berekende vakantietoeslag, bedoeld in artikel 15 van die
wet, en
vervolgens gedeeld door 21,75;
b. het bedrag berekend met toepassing van onderdeel a, vermenigvuldigd
met een breuk waarvan de teller wordt gevormd door het verschil tussen
100 en het midden van de arbeidsongeschiktheidsklasse waarin de
uitkeringsgerechtigde is ingedeeld en de noemer door het getal 100,
indien hij een uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering naar een arbeidsongeschiktheid van
minder dan 80% ontvangt of - indien het bepaalde in artikel
25, 28, 30
of 33 van die wet te zijnen aanzien niet van toepassing was - zou
ontvangen;
c. het dagloon waarnaar zijn loondervingsuitkering ingevolge de
Werkloosheidswet werd of zou zijn berekend ingeval het dagloon
waarnaar die loondervingsuitkering werd of zou zijn berekend, lager is
dan het bedrag berekend overeenkomstig de onderdelen a en b.
-3. Het bepaalde in artikel 12, derde, zevende en achtste lid, is van
overeenkomstige toepassing.
-4. In afwijking van het bepaalde in dit artikel wordt het dagloon van
degene wiens aanspraak op ziekengeld berust op het bepaalde in artikel
46 van de Ziektewet
en voor wie bij het ontstaan van zijn ongeschiktheid
tot werken een regeling tot toepassing van een kortere dan de voor hem
normale werktijd geldt ingevolge welke voor hem de werktijd niet
gedurende de gehele periode waarvoor die regeling geldt tot 0 uur is
verkort, wordt berekend met toepassing van de regelen die voor hem
zouden hebben gegolden, zo hij op de dag van het ontstaan van zijn
ongeschiktheid tot werken verzekerd ware geweest.
Art. 14.
Indien aan de werknemer ingevolge een regeling krachtens een algemene
maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 87 van de Ziektewet
over zes dagen, onderscheidenlijk zeven dagen per week ziekengeld wordt uitgekeerd,
wordt het dagloon van deze werknemer, zoals vastgesteld volgens de
voorgaande artikelen, verminderd met 1/6, onderscheidenlijk 2/7 gedeelte.
HOOFDSTUK IV
Slotbepaling
Art. 15.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 1967.
|
|