|
Het
Landelijke instituut
sociale verzekeringen;
Gelet op de artikelen
38,
vierde lid, en 38a, zesde lid, van de Ziektewet en
artikel
71a, vierde en vijfde lid,
van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
¹
1. Ingevolge artikel II,
onderdeel M, van de Wet verbetering poortwachter (Stb. 2001, 628)
is artikel 71a WAO met ingang van 1
april 2002 vervangen en zijn de bepalingen inzake de reïntegratieplannen en werkgeversboeten
geschrapt. Zie verder Besluit
boete ZW/WAO werkgevers 2002, red.
Besluit:
Art. 1.
Definities
In dit besluit wordt
verstaan onder:
1. ZW: de Ziektewet;
2. WAO: de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
3. reïntegratieplan: het
volledige reïntegratieplan, bedoeld in het Besluit minimumeisen reïntegratieplan
1997;
4. voorlopig
reïntegratieplan: het voorlopige reïntegratieplan, bedoeld in
het Besluit minimumeisen
reïntegratieplan 1997;
5. volledige
reïntegratieplan: het volledige reïntegratieplan, bedoeld in
het Besluit minimumeisen
reïntegratieplan 1997;
6. de werkgever: de
werkgever in de zin van de Ziektewet;
7. de uitvoeringsinstelling:
de uitvoeringsinstelling die de werkzaamheden verricht als bedoeld in
artikel 41 van de Organisatiewet sociale
verzekeringen 1997.¹
1. Zie hoofdstuk 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, red.
Art. 2.
Hersteldmelding en
melding laatste werkdag indien er
geen aanspraak bestaat op ziekengeld
-1. De verplichting, bedoeld
in artikel 38, tweede en derde lid, ZW
is niet of niet behoorlijk nagekomen,
indien:
a. de aangifte op de laatste
werkdag of de hersteldmelding niet
tijdig is gedaan; of
b. de datum van de laatste
werkdag of herstel onjuist is
opgegeven.
-2. De hoogte van de boete,
bedoeld in artikel 38, vierde lid, ZW, bedraagt:
a. €|68,00 indien de aangifte
van de laatste werkdag of de
hersteldmelding minder dan zeven kalenderdagen te laat
is gedaan;
b. €|227,00
indien de aangifte
van de laatste werkdag of de
hersteldmelding zeven kalenderdagen of meer doch
minder dan 28 kalenderdagen te laat
is gedaan;
c. €|454,00
indien de
aangifte van de laatste werkdag of de
hersteldmelding 28 kalenderdagen of meer te
laat is gedaan;
d. €|454,00
indien de datum
van de laatste werkdag of herstel onjuist
is opgegeven.
-3. De boete wegens het niet
of niet behoorlijk nakomen van de
verplichting, bedoeld in het eerste lid,
bedraagt niet meer dan €|454,00.
Art. 3.
Hersteldmelding
indien er aanspraak bestaat op ziekengeld
-1. De verplichting, bedoeld
in artikel 38a, vijfde lid, ZW, is niet
of niet behoorlijk nagekomen, indien:
a. de hersteldmelding niet
tijdig is gedaan; of
b. de datum van herstel
onjuist is opgegeven.
-2. De hoogte van de boete,
bedoeld in artikel 38a, zesde lid, ZW, bedraagt:
a. €|68,00 indien de
hersteldmelding minder dan zeven kalenderdagen te laat
is gedaan;
b. €|227,00
indien de
hersteldmelding zeven kalenderdagen of meer doch
minder dan 28 kalenderdagen te laat
is gedaan;
c. €|454,00
indien de
hersteldmelding 28 kalenderdagen of meer te
laat is gedaan;
d. €|454,00
indien de datum
van herstel onjuist is opgegeven.
-3. De
boete wegens het niet of niet
behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld
in het eerste lid, bedraagt niet
meer dan €|454,00.
Art. 4.
Indienen van het
reïntegratieplan
-1. De verplichting, bedoeld
in artikel 71a, eerste, tweede en derde
lid, WAO is niet of niet behoorlijk nagekomen,
indien:
a. het voorlopige
reïntegratieplan niet tijdig is ingediend of niet
adequaat is; of
b. het volledige
reïntegratieplan niet tijdig is ingediend of niet
adequaat is.
-2. De hoogte van de boete,
bedoeld in artikel 71a, vierde lid, WAO
bedraagt:
a. €|68,00
indien het
voorlopige of volledige reïntegratieplan minder dan zeven kalenderdagen te laat is
ingediend;
b. €|227,00
indien het
voorlopige of volledige reïntegratieplan dat
uiterlijk op de eerste dag nadat de
ongeschiktheid van de werknemer dertien weken
heeft geduurd, moet worden ingediend, zeven kalenderdagen of meer doch
minder dan 28 kalenderdagen te laat
is ingediend;
c. €|454,00
indien het
voorlopige of volledige reïntegratieplan dat
uiterlijk op de eerste dag nadat de
ongeschiktheid van de werknemer dertien
weken heeft geduurd, moet worden ingediend, 28 kalenderdagen of meer te
laat is ingediend indien het voorlopige of volledige reïntegratieplan dat
uiterlijk op de eerste dag nadat de ongeschiktheid
van de werknemer dertien weken
heeft geduurd, moet worden
ingediend, 28 kalenderdagen of meer te
laat is ingediend;
d. €|454,00
indien het
volledige reïntegratieplan dat uiterlijk vier maanden vóór het einde van de wachttijd
van de WAO moet worden ingediend, zeven kalenderdagen of meer te laat is ingediend;
e. €|454,00
indien het
voorlopige of volledige reïntegratieplan niet
adequaat is.
-3. De boete wegens het niet
of niet behoorlijk nakomen van de
verplichting, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a of b, bedraagt niet
meer dan €|454,00.
Art. 5.
Meewerken aan het
opstellen of uitvoeren van het
reïntegratieplan
-1. De hoogte van de boete,
bedoeld in artikel 71a, vijfde lid, WAO
bedraagt:
a. €|1134,00
indien de
werkgever na een verzoek van de
uitvoeringsinstelling weigert mee te werken aan
het opstellen van een reïntegratieplan;
b. €|1134,00
indien de
werkgever weigert mee te werken aan het
opstellen van een reïntegratieplan door
de uitvoeringsinstelling;
c. €|3403,00
indien de
werkgever weigert mee te werken aan het
opstellen van een reïntegratieplan door
de uitvoeringsinstelling
waardoor er geen sprake meer kan zijn van het
uitvoeren van een reïntegratieplan; ¹
e. €|2269,00 indien de
werkgever weigert mee te werken aan het
uitvoeren van het reïntegratieplan.
-2. De boetes, bedoeld in het
eerste lid, bedragen gezamenlijk niet
meer dan €|4538,00.
1. Onderdeel d
ontbreekt, red.
Art. 6.
Inwerkingtreding
Indien de Veegwet SZW 1997 (Kamerstukken 25 641) in werking treedt, treedt dit besluit op
hetzelfde tijdstip in werking.
Art. 7.
Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald
als: Besluit boete ZW/WAO
werkgevers.
Dit besluit zal met
toelichting in de Staatscourant worden
gepubliceerd.
Amsterdam, 10 december 1997.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.
TOELICHTING
[10 december 1997]
Artikel 1
In het besluit wordt, waar
nodig, gesproken over de uitvoeringsinstelling. Formeel worden de
werkzaamheden verricht door het Landelijk
instituut sociale verzekeringen [zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.], feitelijk krachtens mandaat van het Lisv door de
uitvoeringsinstellingen. In dit besluit wordt bij deze feitelijke gang van
zaken aangesloten.
Het Besluit minimumeisen reïntegratieplan
1997 kent een onderscheid in
een voorlopig en een volledig
reïntegratieplan. Waar nodig worden deze
begrippen gebruikt. Anders wordt
volstaan met het begrip
reïntegratieplan.
Artikel 2
In artikel
38, tweede lid,
ZW is bepaald dat, onverminderd, de
ziekmelding uiterlijk de eerste dag
nadat de ongeschikt tot werken dertien weken
heeft geduurd, de werkgever van de
werknemer als bedoeld in artikel 29,
tweede lid, onderdeel c, aangifte
doet van die ongeschiktheid op de laatste
werkdag voordat de dienstbetrekking
eindigt. In artikel 38, derde lid, ZW is bepaald
dat als de werknemer van
de werkgever met een loondoorbetalingsplicht weer geschikt is tot het
verrichten van zijn arbeid, de werkgever
meldt aan de uitvoeringsinstelling, zo
spoedig mogelijk, doch in elk geval niet later
dan de vierde dag van die
geschiktheid, de eerste dag waarop de werknemer weer geschikt is tot het
verrichten van zijn arbeid.
Met de boetebepaling in
artikel 38, vierde lid, ZW heeft de
werkgever een prikkel om deze verplichtingen na te komen. Aangezien de boete
ten hoogste ƒ1000,- bedraagt, dient het Landelijk instituut sociale
verzekeringen regels te stellen. De verplichtingen
dienen niet of niet behoorlijk te zijn
nagekomen. Dit omvat een tweetal zaken: het
niet tijdig of het onjuist doen. Voor
het niet tijdig doen zijn de regels zo
geformuleerd dat de hoogte van de boete
afhankelijk is van het aantal kalenderdagen
dat de aangifte of melding te laat
is gedaan. Het onjuist doen is geen
aanleiding om de boete te verlagen.
Mochten beide situaties tegelijkertijd
voorkomen dan bedraagt de boete niet meer
dan ƒ1000,-. Dat is geregeld in het derde
lid.
Artikel 3
In artikel
38a, vijfde lid, ZW is geregeld dat de werkgever, zo
spoedig mogelijk, doch in elk geval
niet later dan op de tweede dag na
ontvangst van een hersteldmelding van zijn werknemer, de eerste dag meldt waarop
die werknemer weer geschikt is
tot het verrichten van zijn arbeid. Door dit
artikel heeft de werkgever voor al
zijn werknemers die hij heeft ziek gemeld een
verplichting tot tijdige hersteldmelding gekregen. Om voor een
prikkel te zorgen, is een boetebepaling
opgenomen in artikel 38a, zesde lid, ZW.
Ook hier bedraagt de boete ten
hoogste ƒ1000,-, waardoor het Landelijk
instituut sociale verzekeringen soortgelijke
regels als in artikel 2 heeft gesteld.
Artikel 4
In artikel
71a, eerste lid, WAO en het op grond hiervan gestelde
Besluit minimumeisen reïntegratieplan
1997 wordt een onderscheid gemaakt
tussen het voorlopige en volledige
reïntegratieplan. De eerste dag nadat de
ongeschiktheid tot werken dertien weken
heeft geduurd, kan de werkgever het
voorlopige reïntegratieplan indienen als hij verwacht
dat de werknemer volledig zal
hervatten bij de eigen werkgever uiterlijk
vier maanden vóór het einde van de
wachttijd van de WAO. Anders zal hij
op dat tijdstip een volledig
reïntegratieplan moeten indienen. Zodra de
werkgever verwacht dat de werknemer
het werk toch niet meer volledig kan
hervatten, moet hij alsnog een volledig reïntegratieplan indienen, doch uiterlijk
vier maanden vóór het einde van
de wachttijd van de WAO. Een volledig
reïntegratieplan moet ook worden ingediend als de uitvoeringsinstelling
daarom verzoekt. Er zijn derhalve twee
momenten te markeren: uiterlijk bij
dertien weken (het eerste lid, onderdeel a) en
uiterlijk bij 35 weken (het eerste lid, onderdeel b), met ieder hun eigen
verplichtingen en boetebepalingen. Een voorbeeld:
De werkgever dient uiterlijk
bij dertien weken een voorlopig
reïntegratieplan in, omdat hij verwacht dat
de werknemer spoedig volledig zal
hervatten. Is het reïntegratieplan tijdig en adequaat, dan is de verplichting
nagekomen. Is het reïntegratieplan niet tijdig, maar wel adequaat, dan wordt een
boete opgelegd waarvan de hoogte
afhankelijk is van het aantal
kalenderdagen dat het plan te laat is
ingediend. Als het reïntegratieplan wel tijdig is, maar niet adequaat, dan wordt een
boete opgelegd van ƒ1000,-. Is het
reïntegratieplan niet tijdig en niet adequaat,
dan wordt ook een boete opgelegd van ƒ1000,-. De boete kan op dit moment
immers niet meer bedragen dan ƒ1000,-.
Meestal zal na een voorlopig
reïntegratieplan een hersteldmelding volgen
aangezien de werkgever verwachtte dat
de werknemer weer volledig het
werk zal hervatten. Het is mogelijk
dat hij alsnog verwacht dat de werknemer
niet meer volledig zal hervatten.
Hij moet dan direct een volledig
reïntegratieplan indienen. Dit dient
uiterlijk vier maanden vóór het einde van de
wachttijd van de WAO te gebeuren. Ook
dan geldt weer: is het reïntegratieplan tijdig en adequaat, dan is de
werkgever zijn verplichting nagekomen. Is het reïntegratieplan niet tijdig, maar wel
adequaat, dan wordt een boete opgelegd waarvan de hoogte
afhankelijk is van het aantal kalenderdagen dat
het plan te laat is ingediend. Als
het reïntegratieplan wel tijdig is, maar niet
adequaat, dan wordt een boete opgelegd van ƒ1000,-. Is het
reïntegratieplan niet tijdig en niet adequaat, dan
wordt ook een boete opgelegd van ƒ1000,-. De boete kan hier weer niet
meer bedragen dan ƒ1000,-. Dat kan wel als
er al een boete is opgelegd bij
dertien weken wegens een niet tijdig of inadequaat voorlopig reïntegratieplan.
Aangezien er sprake is van
verschillende momenten, bij dertien weken en bij 35
weken, waarop de verzuimbegeleiding
van de werkgever wordt beoordeeld.
Het is bijvoorbeeld mogelijk dat een boete is opgelegd van ƒ150,- wegens
het vier kalenderdagen te laat
indienen van een voorlopig reïntegratieplan en dat vervolgens een boete wordt opgelegd van
ƒ1000,- wegens een inadequaat
volledig reïntegratieplan.
Ook hier geldt dat er geen
boete wordt opgelegd indien de werkgever
met een deugdelijke grond de
verplichting niet of niet behoorlijk is
nagekomen. De invulling van het begrip
deugdelijke grond zal afhangen van de
specifieke omstandigheden in het individuele geval. Van de werkgever mag
verwacht worden al datgene te doen
wat redelijkerwijs in zijn
vermogen ligt om het reïntegratieplan op te
stellen.
Artikel 5
In artikel
71a, vijfde lid, WAO wordt een onderscheid gemaakt
tussen het weigeren mee te werken aan
het opstellen en het weigeren mee te
werken aan het uitvoeren van het reïntegratieplan door de werkgever. Indien
daarvan sprake is, legt de uitvoeringsinstelling een boete op van ten hoogste
ƒ10 000,-. In dit artikel wordt deze bepaling nader ingevuld.
Een voorbeeld van het
weigeren mee te werken aan het opstellen van
het reïntegratieplan:
De werkgever dient een
inadequaat reïntegratieplan in. Als er
geen deugdelijke grond is, wordt hem een boete opgelegd van ƒ1000,-.
Vervolgens wordt de werkgever in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken het
plan zo aan te vullen dat het wel adequaat is. Als de werkgever dat, zonder
deugdelijke grond, niet doet, wordt hem
een boete opgelegd van ƒ2500,- wegens
het weigeren mee te werken aan het
opstellen van een reïntegratieplan.
De uitvoeringsinstelling gaat nu uit eigen beweging een plan opstellen. Hiervan
worden kosten in rekening gebracht. Weigert de werkgever hier, zonder deugdelijke grond, aan mee
te werken, dan wordt om dezelfde reden
weer een boete opgelegd van ƒ2500,-.
De boete bedraagt ƒ7500,- als de
weigerachtige houding tot gevolg heeft dat
werkhervatting van de werknemer bij de
eigen werkgever in de toekomst
feitelijk niet meer mogelijk is. Er is dan
geen reïntegratieplan dat kan worden uitgevoerd. Voor een adequate
reïntegratie van de werknemer is het zinvoller
als de uitvoeringsinstelling in
deze situaties de verantwoordelijkheid
overneemt en de werknemer tracht te
reïntegreren bij een andere werkgever.
De werkgever dient het door
hem, of door tussenkomst van de uitvoeringsinstelling, opgestelde reïntegratieplan
uit te voeren. Weigert hij, zonder deugdelijke grond,
hieraan mee te werken, dan wordt hem een
boete opgelegd van ƒ5000,- wegens
het weigeren mee te werken aan de
uitvoeren van het reïntegratieplan.
De boete wegens het weigeren
mee te werken aan het opstellen of
uitvoeren van het reïntegratieplan
kan in totaal ten hoogste ƒ10 000,-
bedragen. Ook hier geldt dat er geen boete
wordt opgelegd indien er sprake is
van een deugdelijke grond.
Amsterdam, 10 december 1997.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.
BIJLAGE
1. Inleiding
In deze bijlage van de
mededeling wordt beschreven hoe de
boetebepalingen ZW/WAO aan werkgevers dienen te worden uitgevoerd. In het
model voor de poortwachtersfunctie (Lisv-Mededeling M 97.65 van 25 juni 1997) is de systematiek rond het
indienen van het voorlopige en volledige
reïntegratieplan beschreven. Deze uitwerking
van de boetebepalingen is een
verdere uitbreiding hiervan. De inhoud zal worden gepubliceerd als het Besluit
boete ZW/WAO werkgevers.
2. De boetebepalingen
De boetebepalingen zijn
opgenomen in de volgende artikelen:
- hersteldmelding en
melding laatste werkdag (doelgroep: werknemer met werkgever zonder
aanspraak op ziekengeld, recht op loondoorbetaling)
Onverminderd de ziekmelding uiterlijk de eerste
dag nadat de ongeschiktheid tot werken dertien weken heeft geduurd, doet
de werkgever van de werknemer als bedoeld in artikel 29, tweede lid,
onderdeel c, aangifte van die ongeschiktheid op de laatste
werkdag voordat de dienstbetrekking eindigt (artikel 38,
tweede lid, ZW).
Als de werknemer van de werkgever met een
loondoorbetalingsplicht weer geschikt is tot het verrichten van zijn
arbeid, meldt de werkgever aan de uitvoeringsinstelling,
zo spoedig mogelijk, doch in elk geval niet later dan de vierde dag van
die geschiktheid, de eerste dag waarop de werknemer weer geschikt is tot
het verrichten van zijn arbeid (artikel 38,
derde lid, ZW).
Indien de werkgever deze verplichtingen niet of
niet behoorlijk is nagekomen, wordt hem een boete opgelegd van ten
hoogste ƒ1000,-. De artikelen 42a ¹, derde, vierde en zesde
lid,
45b, 45c, 45e,
eerste lid, eerste volzin, en tweede lid, en 45g,
eerste, vierde, zesde, achtste en negende lid, zijn van overeenkomstige
toepassing (artikel 38, vierde lid, ZW).
Met de laatste volzin is bepaald dat de
gebruikelijke regels rond het opleggen van een boete van toepassing
zijn, zoals de mogelijkheid om gebruik te maken van het zwijgrecht en
het niet opleggen van een boete indien iedere verwijtbaarheid ontbreekt.
Dit geldt voor alle boetebepalingen ZW/WAO.
1. Volgens de redactie
dient "artikelen 42a" te worden vervangen door: artikelen
45a.
- hersteldmelding
(doelgroep: werknemer met werkgever met aanspraak op ziekengeld en recht
op loondoorbetaling)
De werkgever meldt, zo spoedig mogelijk,
doch in elk geval niet later dan op de tweede dag na ontvangst van een
hersteldmelding van zijn werknemer, de eerste dag waarop die werknemer
weer geschikt is tot het verrichten van zijn arbeid (artikel 38a,
vijfde lid, ZW).
Indien de werkgever deze verplichting niet of
niet behoorlijk is nagekomen, wordt hem een boete opgelegd van ten
hoogste ƒ1000,- (artikel 38a, zesde
lid, ZW).
- indienen reïntegratieplan
(doelgroep: eerste lid: werknemer met werkgever zonder aanspraak
op ziekengeld; tweede en derde lid: werknemer met werkgever met
aanspraak op ziekengeld)
Gelijktijdig met de aangifte van
arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 38,
eerste lid, ZW legt de werkgever een adequaat
reïntegratieplan over (artikel 71a,
eerste lid, WAO).
De werkgever als bedoeld in
artikel 38a, derde lid, ZW legt
uiterlijk nadat de ongeschiktheid van zijn werknemer dertien weken heeft
geduurd, een adequaat reïntegratieplan over (artikel 71a,
tweede lid, WAO).
In afwijking hiervan legt de werkgever een
adequaat reïntegratieplan over uiterlijk nadat de ongeschiktheid van
zijn werknemer als bedoeld in artikel 29a ZW
dertien weken heeft geduurd na het beëindigen van het recht op
ziekengeld in verband met bevalling (artikel 71a,
derde lid, WAO).
Indien de werkgever zonder deugdelijke gronden
deze verplichtingen niet of niet behoorlijk is nagekomen, wordt hem een
boete opgelegd van ten hoogste ƒ1000,- (artikel 71a,
vierde lid, WAO).
- opstellen en uitvoeren
reïntegratieplan
Indien de werkgever zonder deugdelijke gronden
weigert mee te werken aan het opstellen of uitvoeren van het
reïntegratieplan, wordt hem een boete opgelegd van ten hoogste ƒ10
000,- (artikel 71a, vijfde lid, WAO).
3.
Hersteldmelding en melding laatste werkdag
Hieronder wordt de
boetebepaling uit artikel 38, vierde lid, ZW
ingevuld. Het gaat om de doelgroep: werknemer met werkgever zonder
aanspraak op ziekengeld; recht op loondoorbetaling. Met de invoering van
dit artikel heeft de werkgever in deze situaties een prikkel tot tijdige
ziekmelding. Verder wordt beoogd het systeem van vaste boetes te
verlaten.
Indien de werkgever de verplichting als bedoeld
in
artikel 38, tweede en derde lid, ZW
niet of niet behoorlijk is nagekomen, wordt hem een boete opgelegd van
ten hoogste ƒ1000,-. De verplichting is niet of niet behoorlijk
nagekomen:
1. indien de aangifte op de laatste werkdag of de hersteldmelding niet
tijdig is gedaan; of
2. indien de datum van de laatste werkdag of herstel onjuist is
opgegeven.
Voor de invulling van ten hoogste zijn de
volgende boetecategorieën te onderscheiden:
1. is de aangifte van de laatste werkdag of de hersteldmelding minder
dan zeven kalenderdagen te laat gedaan, dan wordt een boete opgelegd van
ƒ150,-;
2. is de aangifte van de laatste werkdag of de hersteldmelding zeven
kalenderdagen of meer doch minder dan 28 kalenderdagen te laat gedaan,
dan wordt een boete opgelegd van ƒ500,-;
3. is de aangifte van de laatste werkdag of de hersteldmelding 28
kalenderdagen of meer te laat gedaan, dan wordt een boete opgelegd van
ƒ1000,-;
4. is de datum van de laatste werkdag of herstel onjuist opgegeven, dan
wordt een boete opgelegd van ƒ1000,-.
De boete die wordt opgelegd op grond van artikel
38, vierde lid, ZW, bedraagt niet meer dan
ƒ1000,-. Er is dus geen cumulatie mogelijk. Meldt de werkgever te laat
en geeft hij bovendien een onjuiste datum door, dan bedraagt de boete
ƒ1000,-. In deze bepaling is geen mogelijkheid opgenomen om af te zien
van het opleggen van een boete wegens een deugdelijke grond. Een
dergelijk onderzoek kan dus achterwege blijven.
4.
Hersteldmelding
Hieronder wordt de
boetebepaling uit artikel 38a, zesde
lid, ZW
ingevuld. Het gaat om de doelgroep: werknemer met werkgever met
aanspraak op ziekengeld en recht op loondoorbetaling. Met de invoering
van dit artikel is geregeld dat de werkgever voor zijn werknemer met
aanspraak op ziekengeld die hij heeft ziek gemeld, een verplichting
heeft tot tijdige hersteldmelding. Tot nu toe had de werknemer zelf de
verplichting om dit te doen. Om voor een prikkel tot tijdige melding
door de werkgever te zorgen, is ook hier een boetebepaling opgenomen.
Verder wordt ook hier beoogd het systeem van vaste boetes te verlaten.
Voor de gevallen waarin de verzekerde geen werkgever (meer) heeft,
blijft voor hem de verplichting bestaan tot het doen van een ziek- en
hersteldmelding bij de uitvoeringsinstelling.
Indien de werkgever de verplichting als bedoeld
in
artikel 38a, vijfde lid, ZW
niet of niet behoorlijk is nagekomen, wordt hem een boete opgelegd van
ten hoogste ƒ1000,-. De verplichting is niet of niet behoorlijk
nagekomen:
1. indien de hersteldmelding niet tijdig is gedaan; of
2. indien de datum van herstel onjuist is opgegeven.
Voor de invulling van ten hoogste zijn de
volgende boetecategorieën te onderscheiden:
1. is de hersteldmelding minder dan zeven kalenderdagen te laat gedaan,
dan wordt een boete opgelegd van ƒ150,-;
2. is de hersteldmelding zeven kalenderdagen of meer doch minder dan 28
kalenderdagen te laat gedaan, dan wordt een boete opgelegd van ƒ500,-;
3. is de hersteldmelding 28 kalenderdagen of meer te laat gedaan, dan
wordt een boete opgelegd van ƒ1000,-;
4. is de datum van herstel onjuist opgegeven, dan wordt een boete
opgelegd van ƒ1000,-.
De boete die wordt opgelegd op grond van artikel 38a,
zesde lid, ZW, bedraagt niet meer dan ƒ1000,-.
Er is dus geen cumulatie mogelijk. Meldt de werkgever te laat en geeft
hij bovendien een onjuiste datum door, dan bedraagt de boete ƒ1000,-.
In deze bepaling is geen mogelijkheid opgenomen om af te zien van het
opleggen van een boete wegens een deugdelijke grond. Een dergelijk
onderzoek kan dus achterwege blijven.
5. Indienen
reïntegratieplan
Indienen reïntegratieplan
voor de doelgroep werknemer met werkgever
zonder aanspraak op ziekengeld;
recht op loondoorbetaling. Artikel 71a, eerste lid, WAO:
"Gelijktijdig met de aangifte van arbeidsongeschiktheid, bedoeld in artikel 38,
eerste lid, ZW, legt de werkgever aan de uitvoeringsinstelling
over een door hem in overleg met de werknemer opgesteld adequaat
reïntegratieplan ten behoeve van de herintreding van de werknemer in
het arbeidsproces. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen stelt regels inzake voorlopige of
volledige reïntegratieplannen en eventueel noodzakelijke vervolgplannen
en stelt minimumeisen waaraan deze plannen moeten voldoen."
De eisen zijn gesteld in het Besluit minimumeisen reïntegratieplan
1997. De uitwerking is gedaan in Mededeling M 97.65 en de
AD-standaard beoordeling reïntegratie-inspanningen werkgever.
Indienen reïntegratieplan
voor de doelgroep werknemer met werkgever met aanspraak op ziekengeld. Artikel 71a, tweede lid, WAO:
"De werkgever, bedoeld in artikel 38a,
derde lid,
ZW
legt, uiterlijk nadat de ongeschiktheid van de werknemer dertien weken
heeft geduurd, aan de uitvoeringsinstelling
over een door hem in overleg met de werknemer opgesteld adequaat
voorlopig of volledig reïntegratieplan ten behoeve van de herintreding
van de werknemer in het arbeidsproces.
Voor het bepalen van het tijdvak van dertien weken worden tijdvakken van
ongeschiktheid samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van
minder dan vier weken opvolgen. De tweede volzin van het eerste lid is
van toepassing."
Van toepassing is eveneens het Besluit minimumeisen reïntegratieplan
1997, Mededeling M 97.65 en de genoemde AD-standaard.
Tot nu toe werd alleen bepaald dat de werkgever
met een loondoorbetalingsplicht een reïntegratieplan moest indienen.
Geen plan was verplicht gesteld voor werknemers die ondanks dat zij
jegens de werkgever aanspraak hebben op doorbetaling van loon tijdens
ziekte, toch aanspraak maken op ziekengeld, terwijl hij in die gevallen
wel een reïntegratieplicht heeft. Een vergelijkbare bepaling is
opgenomen in het
Ziekengeldreglement 1997, maar vervalt nu er een wettelijke basis
is.
Indienen reïntegratieplan
bij ziekte direct aansluitend aan het bevallingsverlof. Artikel 71a, derde lid, WAO:
"In afwijking van het
vorige lid legt de werkgever van de
werkneemster die ongeschikt is tot werken
aansluitend aan het bevallingsverlof,
het reïntegratieplan over uiterlijk nadat
die ongeschiktheid dertien weken heeft geduurd na de beëindiging van het
recht op ziekengeld in verband met
bevalling."
De werkgever heeft dus de
verplichting om uiterlijk na dertien
weken een adequaat voorlopig of volledig
reïntegratieplan in te dienen voor zijn
werkneemster die ziek is direct
aansluitend aan het bevallingsverlof. Bij
ziekte tengevolge van de zwangerschap en tijdens de periode van
bevallingsverlof bestaat deze verplichting niet.
Boetebepaling rond indienen
reïntegratieplan. Artikel 71a, vierde lid, WAO:
"Indien de werkgever de verplichting, bedoeld in het eerste, tweede
en derde lid, zonder deugdelijke grond niet of niet behoorlijk is
nagekomen, legt de uitvoeringsinstelling
hem een boete op van ten hoogste ƒ1000,-."
In de volgende paragrafen wordt deze
boetebepaling nader uitgewerkt.
5.1. Beoordelen van het
voorlopige of volledige reïntegratieplan in de
dertiende week
Het eerste te
markeren moment bij het beoordelen van de verzuimbegeleiding van de
werkgever is de dertiende week. Dit is het moment dat de werkgever, en
diens arbodienst, de keuze maakt tussen het indienen van een voorlopig
of volledig reïntegratieplan. Een voorlopig plan volstaat indien de
werkgever, en diens arbodienst, verwachten dat de werknemer volledig zal
hervatten bij de eigen werkgever uiterlijk vier maanden vóór het einde
van de wachttijd van de WAO. Anders wordt een
volledig plan ingediend.
Indien de werkgever uiterlijk de eerste dag
nadat de ongeschiktheid tot werken dertien weken heeft geduurd de
verplichting als bedoeld in artikel 71a,
eerste, tweede en derde lid, WAO
en het Besluit minimumeisen reïntegratieplan
1997 zonder deugdelijke grond niet of niet behoorlijk is nagekomen,
wordt hem een boete opgelegd van ten hoogste ƒ1000,-. De verplichting
is niet of niet behoorlijk nagekomen:
1. indien het voorlopige of volledige reïntegratieplan niet tijdig is
ingediend; of
2. indien het voorlopige of volledige reïntegratieplan niet adequaat
is.
Voor de invulling van ten hoogste zijn de
volgende boetecategorieën te onderscheiden:
1. is het voorlopige of volledige reïntegratieplan minder dan zeven
kalenderdagen te laat ingediend, dan wordt een boete opgelegd van
ƒ150,-;
2. is het voorlopige of volledige reïntegratieplan zeven kalenderdagen
of meer doch minder dan 28 kalenderdagen te laat ingediend, dan wordt
een boete opgelegd van ƒ500,-;
3. is het voorlopige of volledige reïntegratieplan 28 kalenderdagen of
meer te laat ingediend, dan wordt een boete opgelegd van ƒ1000,-; is
het voorlopige of volledige reïntegratieplan niet adequaat, dan wordt
een boete opgelegd van ƒ1000,-.
De boete die hier wordt opgelegd, bedraagt niet
meer dan ƒ1000,-. Er is dus geen cumulatie mogelijk. Wordt het
voorlopige of volledige reïntegratieplan te laat ingediend en is het
ook niet adequaat, dan bedraagt de boete ƒ1000,-. Voordat de boete kan
worden opgelegd, dient de
uitvoeringsinstelling te onderzoeken of er sprake is van een
deugdelijke grond. Is deze aanwezig, dan wordt geen boete opgelegd. De
invulling van het begrip deugdelijke grond zal afhangen van de
specifieke omstandigheden in het individuele geval. Van de werkgever mag
verwacht worden al datgene te doen wat redelijkerwijs in zijn vermogen
ligt om het reïntegratieplan op te stellen.
5.2. Beoordelen van het
volledige reïntegratieplan uiterlijk de 35e week
Een ander te
markeren moment bij het beoordelen van de verzuimbegeleiding van de
werkgever is de 35e week. Dit is het uiterste moment dat de werkgever
het volledig reïntegratieplan kan indienen. Het plan is al ingediend
als hij eerder verwacht dat de werknemer niet meer volledig zal
hervatten bij de eigen werkgever. Er is dan alleen een beoordeling op
adequaatheid en niet op tijdigheid. Immers, het plan is voor het
uiterste moment ingediend.
Indien de werkgever uiterlijk vier maanden
vóór het einde van de wachttijd van de WAO
de verplichting als bedoeld in artikel 71a,
eerste, tweede en derde lid, WAO en het Besluit minimumeisen reïntegratieplan
1997 zonder deugdelijke grond niet of niet behoorlijk is nagekomen,
wordt hem een boete opgelegd van ten hoogste ƒ1000,-. De verplichting
is niet of niet behoorlijk nagekomen:
1. indien het volledige reïntegratieplan niet tijdig is ingediend; of
2. indien het volledige reïntegratieplan niet adequaat is.
Voor de invulling van ten hoogste zijn de
volgende boetecategorieën te onderscheiden:
1. is het volledige reïntegratieplan minder dan zeven kalenderdagen te
laat ingediend, dan wordt een boete opgelegd van ƒ150,-;
2. is het volledige reïntegratieplan zeven kalenderdagen of meer te
laat ingediend, dan wordt een boete opgelegd van ƒ1000,-;
3. is het volledige reïntegratieplan niet adequaat, dan wordt een boete
opgelegd van ƒ1000,-.
De boete die hier wordt opgelegd bedraagt niet
meer dan ƒ1000,-. Er is dus geen cumulatie mogelijk. Wordt het
volledige reïntegratieplan te laat ingediend en is het ook niet
adequaat, dan bedraagt de boete ƒ1000,-. Voordat de boete kan worden
opgelegd, dient de uitvoeringsinstelling te
onderzoeken of er sprake is van een deugdelijke grond. Is deze aanwezig,
dan wordt geen boete opgelegd. De invulling van het begrip deugdelijke
grond zal afhangen van de specifieke omstandigheden in het individuele
geval. Van de werkgever mag verwacht worden al datgene te doen wat
redelijkerwijs in zijn vermogen ligt om het reïntegratieplan op te
stellen.
5.3. De te onderscheiden
situaties
In artikel 71a,
eerste lid,
WAO en het op grond hiervan gestelde Besluit minimumeisen reïntegratieplan
1997 wordt een onderscheid gemaakt tussen het voorlopige en
volledige reïntegratieplan. De eerste dag nadat de ongeschiktheid tot
werken dertien weken heeft geduurd, kan de werkgever het voorlopige
reïntegratieplan indienen als hij verwacht dat de werknemer volledig
zal hervatten bij de eigen werkgever uiterlijk vier maanden vóór het
einde van de wachttijd van de WAO. Anders zal
hij op dat tijdstip een volledig reïntegratieplan moeten indienen.
Zodra de werkgever verwacht dat de werknemer het werk toch niet meer
volledig kan hervatten binnen acht maanden, moet hij alsnog een volledig
reïntegratieplan indienen, doch uiterlijk vier maanden vóór het einde
van de wachttijd van de WAO. Een volledig reïntegratieplan moet ook
worden ingediend als de
uitvoeringsinstelling daarom verzoekt. Er zijn derhalve twee
momenten te markeren: uiterlijk bij dertien weken en uiterlijk bij 35
weken, met ieder hun eigen verplichtingen en boetebepalingen.
Het kan voorkomen dat bij de beoordeling van
het reïntegratieplan niet meteen duidelijk is of het plan adequaat is.
De uitvoeringsinstelling kan dan contact opnemen met de werkgever, of
diens arbodienst, met als doel het wegnemen van deze onduidelijkheden.
Aangezien het reïntegratieplan in deze fase niet als inadequaat is te
beschouwen, is het opleggen van een boete nog niet aan de orde. Dat is
wel het geval als het plan na de verkregen informatie alsnog inadequaat
blijkt te zijn. In deze mogelijkheid zit een leereffect. Het model voor
de poortwachtersfunctie is een samenwerkingsmodel. De
uitvoeringsinstelling heeft de mogelijkheid om de werkgever, en diens
arbodienst, te leren wanneer een reïntegratieplan adequaat is. Naarmate
de werkgever vaker is uitgelegd wanneer een vraag duidelijk is
beantwoord, is het reïntegratieplan sneller als inadequaat aan te
merken.
Situatie 1
De
werkgever dient uiterlijk bij dertien weken een voorlopig
reïntegratieplan in, omdat hij verwacht dat de werknemer spoedig
volledig zal hervatten. Is het reïntegratieplan tijdig en adequaat, dan
is de verplichting nagekomen. Is het reïntegratieplan niet tijdig, maar
wel adequaat, dan wordt een boete opgelegd waarvan de hoogte afhankelijk
is van het aantal kalenderdagen dat het plan te laat is ingediend. Als
het reïntegratieplan wel tijdig is, maar niet adequaat, dan wordt een
boete opgelegd van ƒ1000,-. Is het reïntegratieplan niet tijdig en
niet adequaat, dan wordt ook een boete opgelegd van ƒ1000,-. De boete
kan op dit moment immers niet meer bedragen dan ƒ1000,-.
Meestal zal na een voorlopig reïntegratieplan
een hersteldmelding volgen aangezien de werkgever verwachtte dat de
werknemer weer volledig het werk zal hervatten. Het is mogelijk dat hij
alsnog verwacht dat de werknemer niet meer binnen acht maanden volledig
zal hervatten. Hij moet dan direct een volledig reïntegratieplan
indienen. Dit dient uiterlijk vier maanden vóór het einde van de
wachttijd van de WAO te gebeuren. Ook dan
geldt weer: is het reïntegratieplan tijdig en adequaat, dan is de
werkgever zijn verplichting nagekomen. Is het reïntegratieplan niet
tijdig, maar wel adequaat, dan wordt een boete opgelegd waarvan de
hoogte afhankelijk is van het aantal kalenderdagen dat het plan te laat
is ingediend. Als het reïntegratieplan wel tijdig is, maar niet
adequaat, dan wordt een boete opgelegd van ƒ1000,-. Is het reïntegratieplan
niet tijdig en niet adequaat, dan wordt ook een boete opgelegd van
ƒ1000,-. De boete kan hier weer niet meer bedragen dan ƒ1000,-. Dat
kan wel als er al een boete is opgelegd bij dertien weken aangezien er
sprake is van verschillende momenten waarop de verzuimbegeleiding van de
werkgever wordt beoordeeld. Het kan bijvoorbeeld mogelijk zijn dat een
boete is opgelegd van ƒ150,- wegens het vier kalenderdagen te laat
indienen van een voorlopig reïntegratieplan en dat vervolgens een boete
wordt opgelegd van ƒ1000,- wegens een inadequaat volledig reïntegratieplan.
Situatie 2
De
werkgever dient uiterlijk bij dertien weken een volledig
reïntegratieplan in, omdat hij verwacht dat de werknemer het werk niet
meer volledig zal hervatten.
Vervolgens geldt weer:
- Is het reïntegratieplan tijdig en adequaat, dan is de verplichting
nagekomen.
- Is het reïntegratieplan niet tijdig, maar wel adequaat, dan wordt een
boete opgelegd waarvan de hoogte afhankelijk is van het aantal
kalenderdagen dat het plan te laat is ingediend.
- Is het reïntegratieplan wel tijdig, maar niet adequaat, dan wordt een
boete opgelegd van ƒ1000,-.
- Is het reïntegratieplan niet tijdig en niet adequaat, dan wordt een
boete opgelegd van ƒ1000,-. De boete kan op dit moment immers niet meer
bedragen dan ƒ1000,-.
Situatie 3
Zoals in situatie 1. Maar de werkgever dient uiterlijk vier maanden
vóór het einde van de wachttijd van de WAO
geen volledig reïntegratieplan in. Er wordt dan een boete opgelegd van
ƒ1000,-. Het maakt niet uit of er al een boete is opgelegd bij dertien
weken wegens een niet tijdig of inadequaat voorlopig reïntegratieplan.
Situatie 4
De
werkgever dient uiterlijk bij dertien weken geen reïntegratieplan in,
dan wordt een boete opgelegd van ƒ1000,-.
Voor alle situaties geldt dat er geen boete
wordt opgelegd indien de werkgever met een deugdelijke grond de
verplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen. De invulling van het
begrip deugdelijke grond zal afhangen van de specifieke omstandigheden
in het individuele geval. Van de werkgever mag verwacht worden al
datgene te doen wat redelijkerwijs in zijn vermogen ligt om het
reïntegratieplan op te stellen.
6. Opstellen of uitvoeren
van het reïntegratieplan
Opstellen of uitvoeren reïntegratieplan.
Artikel 71a, vijfde lid, WAO:
"Indien de werkgever zonder deugdelijke grond weigert mee te
werken aan het opstellen of uitvoeren van het reïntegratieplan, legt de
uitvoeringsinstelling hem een boete op van ten hoogste ƒ10
000,-."
Opstellen reïntegratieplan
door de uitvoeringsinstelling. Artikel 71a,
zesde lid, WAO:
"Indien de werkgever in gebreke blijft bij het opstellen van
het reïntegratieplan, kan de uitvoeringsinstelling
het reïntegratieplan opstellen. De uitvoeringsinstelling kan hiervoor
kosten in rekening brengen."
Hieronder wordt de boetebepaling uit artikel 71a,
vijfde lid, WAO
en het opstellen van een reïntegratieplan door de uitvoeringsinstelling
ingevuld. De uitwerking van het weigeren mee te werken aan het opstellen
van het reïntegratieplan en het opstellen van een reïntegratieplan
door de uitvoeringsinstelling is als volgt:
- De werkgever dient een inadequaat reïntegratieplan in. Als er geen
deugdelijke grond is, wordt hem een boete opgelegd van ƒ1000,-.
Vervolgens wordt de werkgever in de gelegenheid gesteld om binnen twee
weken het plan zo aan te vullen dat het wel adequaat is. Als de
werkgever dat, zonder deugdelijke grond, niet doet, wordt hem een boete
opgelegd van ƒ2500,- wegens het weigeren mee te werken aan het
opstellen van een reïntegratieplan. De uitvoeringsinstelling gaat nu
uit eigen beweging een plan opstellen. Hiervan worden de reële kosten
in rekening gebracht. Weigert de werkgever hier, zonder deugdelijke
grond, aan mee te werken, dan wordt om dezelfde reden weer een boete
opgelegd van ƒ2500,-. De boete bedraagt ƒ7500,- als de weigerachtige
houding tot gevolg heeft dat werkhervatting van de werknemer bij de
eigen werkgever in de toekomst feitelijk niet meer mogelijk is. Er is
dan geen reïntegratieplan dat kan worden uitgevoerd. Voor een adequate
reïntegratie van de werknemer is het zinvoller als de
uitvoeringsinstelling in deze situaties de verantwoordelijkheid
overneemt en de werknemer tracht te reïntegreren bij een andere
werkgever.
- De uitvoeringsinstelling kan op verzoek van de werknemer een
reïntegratieplan gaan opstellen. Voordat zij dat gaat doen, wordt eerst
contact opgenomen met de werkgever, en diens arbodienst, om te
beoordelen of daar redenen voor zijn. Dit is het geval als de werkgever
onvoldoende invulling geeft aan zijn reïntegratietaak. Vervolgens wordt
aan hem meegedeeld dat hij binnen twee weken een volledig adequaat
reïntegratieplan moet opstellen. Doet hij dat, zonder deugdelijke
grond, niet, dan wordt een boete opgelegd van ƒ2500,- wegens het
weigeren mee te werken aan het opstellen van een reïntegratieplan. De
uitvoeringsinstelling gaat nu uit eigen beweging een plan opstellen.
Hiervan worden de reële kosten in rekening gebracht. Weigert de
werkgever hier, zonder deugdelijke grond, aan mee te werken, dan wordt
om dezelfde reden weer een boete opgelegd van ƒ2500,-. De boete
bedraagt ƒ7500,- als de weigerachtige houding tot gevolg heeft dat
werkhervatting van de werknemer bij de eigen werkgever in de toekomst
feitelijk niet meer mogelijk is. Er is dan geen reïntegratieplan dat
kan worden uitgevoerd. Voor een adequate reïntegratie van de werknemer
is het zinvoller als de uitvoeringsinstelling in deze situaties de
verantwoordelijkheid overneemt en de werknemer tracht te reïntegreren
bij een andere werkgever. De uitwerking van het weigeren mee te werken
aan het uitvoeren van het reïntegratieplan is als volgt:
- De werkgever dient het, al dan niet na tussenkomst of in overleg met
de uitvoeringsinstelling opgestelde, reïntegratieplan uit te voeren.
Weigert hij, zonder deugdelijke grond, hieraan mee te werken, dan wordt
hem een boete opgelegd van ƒ5000,- wegens het weigeren mee te werken
aan de uitvoeren van het reïntegratieplan.
- De werkgever dient het door de uitvoeringsinstelling opgestelde
reïntegratieplan uit te voeren. Weigert hij, zonder deugdelijke grond,
hieraan mee te werken, dan wordt hem een boete opgelegd van ƒ5000,-.
Zoals blijkt uit het voorgaande kan de boete
wegens het weigeren mee te werken aan het opstellen of uitvoeren van het
reïntegratieplan in totaal ten hoogste ƒ10 000,- bedragen. Ook hier
geldt dat er geen boete wordt opgelegd indien er sprake is van een
deugdelijke grond. De invulling van het begrip deugdelijke grond zal
afhangen van de specifieke omstandigheden in het individuele geval. Van
de werkgever mag verwacht worden al datgene te doen wat redelijkerwijs
in zijn vermogen ligt om het reïntegratieplan op te stellen.
|
|