St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Ziektewet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 10 september 2002

 

BESLUIT  BOETE  ZW/WAO  WERKGEVERS  2002 ¹
 
 

22 mei 2002, Stcrt. 2002, 112
Inwerkingtreding: 19 juni 2002
(T.a.v. artt. 38:4 en 38a:8 ZW en 71a:3 en 71a:4 WAO)

 

  
 

 

 
     Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
     Gelet op de artikelen 38, vierde lid en 38a, zesde lid, van de Ziektewet, en artikel 71a, derde en vierde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, zoals dit artikel luidde vóór 1 april 2002;

     Besluit:

1. Met het Besluit van 23 augustus 2002, Stb. 2002, 456, is onderhavig besluit aangepast en geïncorporeerd in het Boetebesluit socialezekerheidswetten. De toepassing van onderhavig besluit is daarmee komen te vervallen; in de loop van 2003 zal het worden ingetrokken. Zie ook het algemeen deel van de toelichting bij het Besluit afstemming boete werkgevers ZW, red.

 

 

Art. 1. Definities
In dit besluit wordt verstaan onder:
1. ZW: de Ziektewet;
2. WAO: de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
3. reïntegratieplan: het volledige reïntegratieplan, bedoeld in het Besluit minimumeisen reïntegratieplan 1997;
4. voorlopig reïntegratieplan: het voorlopige reïntegratieplan, bedoeld in het Besluit minimumeisen reïntegratieplan 1997;
5. volledig reïntegratieplan: het volledige reïntegratieplan, bedoeld in het Besluit minimumeisen reïntegratieplan 1997;
6. werkgever: de werkgever in de zin van de Ziektewet;
7. UWV: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

 

Art. 2. Hersteldmelding en melding laatste werkdag indien er geen aanspraak bestaat op ziekengeld
-1. De verplichting, bedoeld in artikel 38, tweede en derde lid, ZW, is niet of niet behoorlijk nagekomen, indien:
a. de aangifte van de laatste werkdag of de hersteldmelding niet of niet tijdig is gedaan; of
b. de datum van de laatste werkdag of herstel onjuist is opgegeven.
-2. De hoogte van de boete, bedoeld in artikel 38, vierde lid, ZW, bedraagt:
a.|68,00 indien de aangifte van de laatste werkdag of de hersteldmelding minder dan zeven kalenderdagen te laat is gedaan;
b.|227,00 indien de aangifte van de laatste werkdag of de hersteldmelding zeven kalenderdagen of meer doch minder dan 28 kalenderdagen te laat is gedaan;
c.|454,00 indien de aangifte van de laatste werkdag of de hersteldmelding 28 kalenderdagen of meer te laat of in het geheel niet is gedaan;
d.|454,00 indien de datum van de laatste werkdag of herstel onjuist is opgegeven.
-3. De boete wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in het eerste lid, bedraagt niet meer dan €|454,00.

 

Art. 3. Hersteldmelding indien er aanspraak bestaat op ziekengeld
-1. De verplichting, bedoeld in artikel 38a, vijfde lid, ZW, is niet of niet behoorlijk nagekomen, indien:
a. de hersteldmelding niet of niet tijdig is gedaan;
b. de datum van herstel onjuist is opgegeven.
-2. De hoogte van de boete, bedoeld in artikel 38a, zesde lid, ZW, bedraagt:
a.|68,00 indien de hersteldmelding minder dan zeven kalenderdagen te laat is gedaan;
b.|227,00 indien de hersteldmelding zeven kalenderdagen of meer doch minder dan 28 kalenderdagen te laat is gedaan;
c.|454,00 indien de hersteldmelding 28 kalenderdagen of meer te laat of in het geheel niet is gedaan;
d.|454,00 indien de datum van herstel onjuist is opgegeven.
-3. De boete wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in het eerste lid, bedraagt niet meer dan €|454,00.

 

Art. 4. Indienen van het reïntegratieplan
-1. De verplichting, bedoeld in artikel 71a, eerste en tweede lid, WAO, zoals dit artikel luidde vóór 1 april 2002, is niet of niet behoorlijk nagekomen, indien:
a. het voorlopige reïntegratieplan niet tijdig of in het geheel niet is ingediend of niet adequaat is;
b. het volledige reïntegratieplan niet tijdig of in het geheel niet is ingediend of niet adequaat is.
-2. De hoogte van de boete, bedoeld in artikel 71a, derde lid, WAO, zoals dit artikel luidde vóór 1 april 2002, bedraagt:
a.|68,00 indien het voorlopige of volledige reïntegratieplan minder dan zeven kalenderdagen te laat is ingediend;
b.|227,00 indien het voorlopige of volledige reïntegratieplan dat uiterlijk op de eerste dag nadat de ongeschiktheid van de werknemer dertien weken heeft geduurd, moet worden ingediend, zeven kalenderdagen of meer doch minder dan 28 kalenderdagen te laat is ingediend;
c.|454,00 indien het voorlopige of volledige reïntegratieplan dat uiterlijk op de eerste dag nadat de ongeschiktheid van de werknemer dertien weken of meer heeft geduurd, moet worden ingediend, 28 kalenderdagen of meer te laat, of in het geheel niet, is ingediend;
d.|454,00 indien het volledige reïntegratieplan dat uiterlijk vier maanden vóór het einde van de wachttijd van de WAO moet worden ingediend, zeven kalenderdagen of meer te laat, of in het geheel niet, is ingediend;
e.|454,00 indien het voorlopige of volledige reïntegratieplan niet adequaat is.
-3. De boete wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in het eerste lid, bedraagt niet meer dan €|454,00.

 

Art. 5. Meewerken aan het opstellen of uitvoeren van het reïntegratieplan
-1. De hoogte van de boete, bedoeld in artikel 71a, vierde lid, WAO, zoals dit artikel luidde vóór 1 april 2002, bedraagt:
a.|1134,00 indien de werkgever na een verzoek van het UWV weigert mee te werken aan het opstellen van een reïntegratieplan;
b.|1134,00 indien de werkgever weigert mee te werken aan het opstellen van een reïntegratieplan door het UWV;
c.|3403,00 indien de werkgever weigert mee te werken aan het opstellen van een reïntegratieplan door het UWV waardoor er geen sprake meer kan zijn van het uitvoeren van een reïntegratieplan;
d.|2269,00 indien de werkgever weigert mee te werken aan het uitvoeren van het reïntegratieplan.
-2. De boetes, bedoeld in het eerste lid, bedragen gezamenlijk niet meer dan €|4538,00.

 

Art. 6. Afstemming
-1. Indien de ernst van de gedraging, de mate waarin de werkgever de gedraging verweten kan worden of de omstandigheden waarin hij verkeert daartoe aanleiding geven, wordt de boete die is berekend met toepassing van de artikelen 3, 4 of 5, verlaagd.
-2. Indien er aanleiding is voor een verlaging, wordt de boete met 50% verlaagd.
-3. Van het opleggen van een boete wordt in elk geval afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

 

Art. 7. Intrekking besluit
Het Besluit boete ZW/WAO werkgevers wordt ingetrokken.

 

Art. 8. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de publicatie van de Staatscourant waarin het is geplaatst.

 

Art. 9. Citeertitel
Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit boete ZW/WAO werkgevers 2002.

 

 

     Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant gepubliceerd.

 

Amsterdam, 22 mei 2002.
De Raad van bestuur UWV,
namens deze,
de directeur divisie Arbeidsgeschiktheid,
J.H. Ouwehand.

 

 

 

TOELICHTING
[22 mei 2002]

 

Algemeen

 

     Dit besluit komt in de plaats van het Besluit boete ZW/WAO werkgevers van het voormalige Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) van 10 december 1997, Stcrt. 1997, 246. Aanpassing was nodig door de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 6 november 2001, RSV 2002/41, USZ 2002/19, waarin de Raad uitsprak dat het Besluit van 1997 niet in overeenstemming is met de wettelijke bepalingen en aangevuld zal moeten worden met nadere regels omtrent de materie van artikel 45a, tweede lid, van de Ziektewet (ZW) (en impliciet van artikel 29a, tweede lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)). Met het onderhavige besluit wordt aan de opdracht van de CRvB voldaan. Tevens is de tekst van het besluit op enkele punten verduidelijkt.
     Ingevolge artikel XV, eerste lid, van de Wet verbetering poortwachter (Wet van 29 november 2001, Stb. 2001, 628) blijft artikel 71a van de WAO, zoals dit artikel luidde vóór de inwerkingtreding van die wet per 1 april 2002, van toepassing ten aanzien van verzekerden wier eerste dag van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid is gelegen vóór 1 april 2002. Dit impliceert dat ook na die datum nog boetes op grond van overtreding van dat artikel kunnen worden opgelegd.

 

 

Artikelsgewijs

 

Artikel 1

     Het Besluit minimumeisen reïntegratieplan 1997 van het voormalige Lisv van 18 juni 1997, Stcrt. 1997, 140, kent een onderscheid in een voorlopig en een volledig reïntegratieplan. Waar nodig worden deze begrippen gebruikt. Anders wordt volstaan met het begrip reïntegratieplan.

 

Artikel 2

     In artikel 38, tweede lid, ZW is bepaald dat, onverminderd de ziekmelding uiterlijk op de eerste dag nadat de ongeschiktheid tot werken dertien weken heeft geduurd, de werkgever van de werknemer als bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdeel c, ZW aangifte doet van die ongeschiktheid op de laatste werkdag voordat de dienstbetrekking eindigt.
     In artikel 38, derde lid, ZW is bepaald dat als de werknemer, in dienst van een werkgever op wie een loondoorbetalingsplicht rust, weer geschikt is voor het verrichten van zijn arbeid, de werkgever aan het UWV zo spoedig mogelijk, doch in elk geval niet later dan op de vierde dag van die geschiktheid, de eerste dag meldt waarop de werknemer weer geschikt is tot het verrichten van zijn arbeid.
     Met de boetebepaling in artikel 38, vierde lid, ZW heeft de werkgever een prikkel om deze verplichtingen na te komen. Ingevolge de wet mag de boete ten hoogste €|454,- bedragen. Wat onder niet of niet behoorlijk nagekomen wordt verstaan, is omschreven in het eerste lid van artikel 2. In verband met het doen van een onjuiste mededeling is de in principe op te leggen boete op het wettelijk maximum van €|454,- gesteld. Mochten de beschreven overtredingen gelijktijdig voorkomen en komt dit voort uit één gedraging, dan wordt een boete van maximaal €|454,- opgelegd. Dat is geregeld in het derde lid.

 

Artikel 3

     In artikel 38a, vijfde lid, ZW is geregeld dat de werkgever zo spoedig mogelijk, doch in elk geval niet later dan op de tweede dag na ontvangst van een hersteldmelding van zijn werknemer, aan het UWV de eerste dag meldt waarop de werknemer weer geschikt is voor het verrichten van zijn arbeid. Met dit artikel heeft de werkgever voor al zijn werknemers die hij heeft ziek gemeld een verplichting tot tijdige hersteldmelding gekregen. Om voor een prikkel te zorgen, is een boetebepaling opgenomen in artikel 38a, zesde lid, ZW. Ook hier bedraagt de boete ten hoogste €|454,-. Met betrekking tot de boetebepaling stelt het UWV soortgelijke regels als in artikel 2.

 

Artikel 4

     In artikel 71a, eerste lid, WAO, zoals dit artikel luidde vóór 1 april 2002, en het op grond van dat artikel vastgestelde Besluit minimumeisen reïntegratieplan 1997, wordt onderscheid gemaakt tussen het voorlopige en het volledige reïntegratieplan. Uiterlijk op de eerste dag nadat de ongeschiktheid tot werken van de werknemer dertien weken heeft geduurd, kan de werkgever het voorlopige reïntegratieplan indienen als hij verwacht dat de werknemer uiterlijk vier maanden vóór het einde van de wachttijd WAO bij zijn eigen werkgever volledig zal hervatten. In het andere geval moet hij op dat tijdstip een volledig reïntegratieplan indienen. Zodra de werkgever verwacht dat de werknemer het werk toch niet meer volledig zal kunnen hervatten, moet hij alsnog een volledig reïntegratieplan indienen, doch uiterlijk vier maanden vóór het einde van de wachttijd WAO. Een volledig reïntegratieplan moet ook worden ingediend als het UWV daarom verzoekt. Er zijn derhalve twee momenten te markeren: uiterlijk bij dertien weken (het eerste lid, onderdeel a) en uiterlijk bij 35 weken (het eerste lid, onderdeel b), met ieder hun eigen verplichtingen en boetebepalingen.
     Een voorbeeld: De werkgever dient uiterlijk bij dertien weken een voorlopig reïntegratieplan in, omdat hij verwacht dat de werknemer spoedig volledig zal hervatten. Is het reïntegratieplan tijdig en adequaat, dan is de werkgever zijn verplichting nagekomen. Is het reïntegratieplan niet tijdig maar wel adequaat, dan wordt een boete opgelegd waarvan de hoogte in principe afhankelijk is van het aantal kalenderdagen dat het plan te laat is ingediend. Als het reïntegratieplan wel tijdig is maar niet adequaat, dan wordt een boete opgelegd van in principe €|454,-. Is het reïntegratieplan niet tijdig en niet adequaat, dan wordt ook een boete opgelegd van in principe €|454,-. Ingevolge de wet mag de boete niet meer bedragen dan €|454,-. Het in het geheel niet indienen van een reïntegratieplan wordt op dezelfde wijze behandeld als niet tijdig en niet adequaat indienen. Meestal zal na een voorlopig reïntegratieplan een hersteldmelding volgen aangezien de werkgever al verwachtte dat de werknemer weer volledig het werk zou hervatten. Het is mogelijk dat hij alsnog gaat verwachten dat de werknemer niet meer volledig zal hervatten. Hij moet dan direct een volledig reïntegratieplan indienen. Dit dient in elk geval uiterlijk vier maanden vóór het einde van de wachttijd WAO te gebeuren. Ook dan geldt weer: is het reïntegratieplan tijdig en adequaat, dan heeft de werkgever aan zijn verplichting voldaan. Is het reïntegratieplan niet tijdig maar wel adequaat, dan wordt een boete opgelegd waarvan de hoogte afhankelijk is van het aantal kalenderdagen dat het plan te laat is ingediend. Als het reïntegratieplan wel tijdig is maar niet adequaat, dan wordt een boete opgelegd van €|454,-. Is het reïntegratieplan niet tijdig en niet adequaat, dan wordt ook een boete opgelegd van €|454,-. Ingevolge de wet kan de boete per overtreding ten hoogste €|454,- bedragen.

 

Artikel 5

     In artikel 71a, vierde lid, WAO, zoals dit artikel luidde vóór 1 april 2002, wordt onderscheid gemaakt tussen het weigeren mee te werken aan het opstellen en het weigeren mee te werken aan het uitvoeren van het reïntegratieplan door de werkgever. Indien hiervan sprake is, wordt ingevolge de wet een boete opgelegd van ten hoogste €|4538,-. In artikel 5 van het onderhavige besluit wordt deze bepaling nader ingevuld. Een voorbeeld van het weigeren mee te werken aan het opstellen van het reïntegratieplan:
     De werkgever dient een inadequaat reïntegratieplan in. Als dit verwijtbaar is, wordt hem een boete opgelegd van in principe €|454,-. Vervolgens wordt de werkgever in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken het plan zo aan te vullen dat het wel adequaat is. Als hij dat verwijtbaar niet doet, wordt hem een boete opgelegd van in principe €|1134,- wegens het weigeren mee te werken aan het opstellen van een reïntegratieplan. Het UWV gaat nu zelf een plan opstellen. Hiervoor worden kosten in rekening gebracht. Weigert de werkgever verwijtbaar hieraan mee te werken, dan wordt om dezelfde reden weer een boete opgelegd van in principe €|1134,-. De boete bedraagt in principe €|3403,- als de weigerachtige houding van de werkgever tot gevolg heeft dat werkhervatting van de werknemer bij de eigen werkgever in de toekomst feitelijk niet meer mogelijk is. Er is dan geen reïntegratieplan dat kan worden uitgevoerd. Voor een adequate reïntegratie van de werknemer is het zinvoller als het UWV in deze situaties de verantwoordelijkheid overneemt en de werknemer tracht te reïntegreren bij een andere werkgever. De werkgever dient het door hem, of door tussenkomst van het UWV, opgestelde reïntegratieplan uit te voeren. Weigert hij, zonder deugdelijke grond, hieraan mee te werken, dan wordt hem een boete opgelegd van in principe €|2269,- wegens het weigeren mee te werken aan het uitvoeren van het reïntegratieplan.

 

Artikel 6

     Met dit artikel wordt het onderhavige besluit in overeenstemming gebracht met het wettelijk voorschrift om de boete die is berekend met toepassing van de artikelen 2, 3, 4 of 5 nader af te stemmen op de ernst van de gedraging, de mate waarin de werkgever de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin de werkgever verkeert, alsmede met het wettelijk voorschrift om geen boete op te leggen indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.


Ernst van de gedraging

     Op bepaalde in het onderhavige besluit omschreven overtredingen van de verplichtingen in het kader van de ZW en de WAO is in het onderhavige besluit als in principe op te leggen boete het bedrag van de in de ZW c.q. WAO toegestane maximumboete gesteld. De betreffende overtredingen worden dermate ernstig geacht dat oplegging van in principe het wettelijk maximum proportioneel wordt geacht, derhalve ongeacht of er "slechts" nalatigheid of verwijtbaar opzet in het spel was. Dit betekent dat toepassing van artikel 6 in die gevallen alleen tot een verlaging kan leiden (uiteraard alleen als daartoe aanleiding bestaat).


Verwijtbaarheid

     Een overtreding is verwijtbaar als deze is veroorzaakt door een omstandigheid die binnen de invloedssfeer van de werkgever ligt, waarop hij ten onrechte niet heeft geanticipeerd of gereageerd. Hierbij kan gedacht worden aan de overschakeling op een nieuw computersysteem door de arbodienst van een werkgever: dit is voorzienbaar en de beperking of voorkoming van mogelijke gevolgen is vooraf te regelen. Zeker wat betreft de inlevering van de reïntegratieplannen is het mogelijk de gevolgen te voorkomen door de ruime termijn die geldt voor inlevering.
     Bij ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid moet gedacht worden aan een situatie van overmacht waardoor de werkgever niet aan de nakoming van zijn plicht is toegekomen, zoals bijvoorbeeld het faillissement van het administratiekantoor dat de ziekmeldingen en hersteldmeldingen en het inleveren van reïntegratieplannen van een werkgever verzorgt. In zo’n geval kunnen gedurende een beperkte periode de te late meldingen worden geaccepteerd. De werkgever moet dan wel zo snel mogelijk zorgen voor de inzet van eigen mensen of een andere tussenpersoon om de achterstallige meldingen te inventariseren en de meldingen alsnog te verzorgen.
     Voor een verlaging van de in principe op te leggen boete wegens verminderde verwijtbaarheid kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een startende werkgever die nog minder bekend is met alle op hem rustende verplichtingen en daarom niet aan de nakoming van zijn mededelingsverplichting is toegekomen. Van verminderde verwijtbaarheid is in ieder geval sprake indien de werkgever onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt maar uit eigen beweging alsnog de juiste informatie verstrekt, voordat het UWV de gepleegde overtreding heeft geconstateerd.


Omstandigheden

     In verband met "de omstandigheden waarin hij verkeert" kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een werkgever die buiten zijn schuld financiële problemen heeft en door het op grond van dit besluit opleggen van een boete nog verder in de problemen komt, waardoor de continuïteit van zijn bedrijf in gevaar zou kunnen komen. Vandaar dat in dit artikel is geregeld dat de boete wordt verlaagd indien de oplegging van die boete de werkgever in ernstige financiële problemen zou brengen. Het ligt op de weg van de werkgever om te stellen en te bewijzen dat deze bepaling op hem van toepassing is.

 

Amsterdam, 22 mei 2002.
De Raad van bestuur UWV,
namens deze,
de directeur divisie Arbeidsgeschiktheid,
J.H. Ouwehand.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | Ziektewet | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x