|
Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Gelet op de
artikelen 38, vierde lid en 38a, zesde lid, van de Ziektewet,
en artikel 71a, derde en vierde lid, van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, zoals dit artikel luidde vóór
1 april 2002;
Besluit:
1. Met het Besluit van 23
augustus 2002, Stb. 2002, 456, is onderhavig besluit aangepast en
geïncorporeerd in het Boetebesluit
socialezekerheidswetten. De toepassing van onderhavig besluit is
daarmee komen te vervallen; in de loop van 2003 zal het worden
ingetrokken. Zie ook het algemeen deel van de toelichting bij het Besluit
afstemming boete werkgevers ZW, red.
Art.
1. Definities
In dit besluit wordt verstaan onder:
1. ZW: de Ziektewet;
2. WAO: de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
3. reïntegratieplan: het volledige
reïntegratieplan, bedoeld in het Besluit minimumeisen reïntegratieplan
1997;
4. voorlopig reïntegratieplan: het
voorlopige reïntegratieplan, bedoeld in het Besluit minimumeisen
reïntegratieplan 1997;
5. volledig reïntegratieplan: het
volledige reïntegratieplan, bedoeld in het Besluit minimumeisen reïntegratieplan
1997;
6. werkgever: de werkgever in de zin
van de Ziektewet;
7. UWV: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in
hoofdstuk 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
Art.
2. Hersteldmelding en melding laatste werkdag indien er geen
aanspraak bestaat op ziekengeld
-1. De verplichting, bedoeld in artikel
38,
tweede en derde lid, ZW, is niet of niet
behoorlijk nagekomen, indien:
a. de aangifte van de laatste
werkdag of de hersteldmelding niet of niet tijdig is gedaan; of
b. de datum van de laatste werkdag
of herstel onjuist is opgegeven.
-2. De hoogte van de boete, bedoeld in artikel
38, vierde lid, ZW, bedraagt:
a. €|68,00
indien de aangifte van de laatste werkdag of de hersteldmelding minder
dan zeven kalenderdagen te laat is gedaan;
b. €|227,00
indien de aangifte van de laatste werkdag of de hersteldmelding zeven
kalenderdagen of meer doch minder dan 28 kalenderdagen te laat is
gedaan;
c. €|454,00
indien de aangifte van de laatste werkdag of de hersteldmelding 28
kalenderdagen of meer te laat of in het geheel niet is gedaan;
d. €|454,00
indien de datum van de laatste werkdag of herstel onjuist is opgegeven.
-3. De boete wegens het niet of niet
behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in het eerste lid,
bedraagt niet meer dan €|454,00.
Art.
3. Hersteldmelding indien er aanspraak bestaat op ziekengeld
-1. De verplichting, bedoeld in artikel 38a,
vijfde lid, ZW, is niet of niet behoorlijk
nagekomen, indien:
a. de hersteldmelding niet of niet
tijdig is gedaan;
b. de datum van herstel onjuist is
opgegeven.
-2. De hoogte van de boete, bedoeld in artikel 38a, zesde lid, ZW, bedraagt:
a. €|68,00
indien de hersteldmelding minder dan zeven kalenderdagen te laat is
gedaan;
b. €|227,00
indien de hersteldmelding zeven kalenderdagen of meer doch minder dan 28
kalenderdagen te laat is gedaan;
c. €|454,00
indien de hersteldmelding 28 kalenderdagen of meer te laat of in het
geheel niet is gedaan;
d. €|454,00
indien de datum van herstel onjuist is opgegeven.
-3. De boete wegens het niet of niet
behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in het eerste lid,
bedraagt niet meer dan €|454,00.
Art.
4. Indienen van het reïntegratieplan
-1. De verplichting, bedoeld in artikel 71a,
eerste en tweede lid, WAO, zoals dit artikel
luidde vóór 1 april 2002, is niet of niet behoorlijk nagekomen,
indien:
a. het voorlopige reïntegratieplan
niet tijdig of in het geheel niet is ingediend of niet adequaat is;
b. het volledige reïntegratieplan
niet tijdig of in het geheel niet is ingediend of niet adequaat is.
-2. De hoogte van de boete, bedoeld in artikel 71a, derde lid, WAO, zoals dit
artikel luidde vóór 1 april 2002, bedraagt:
a. €|68,00
indien het voorlopige of volledige reïntegratieplan minder dan zeven
kalenderdagen te laat is ingediend;
b. €|227,00
indien het voorlopige of volledige reïntegratieplan dat uiterlijk op de
eerste dag nadat de ongeschiktheid van de werknemer dertien weken heeft
geduurd, moet worden ingediend, zeven kalenderdagen of meer doch minder
dan 28 kalenderdagen te laat is ingediend;
c. €|454,00
indien het voorlopige of volledige reïntegratieplan dat uiterlijk op de
eerste dag nadat de ongeschiktheid van de werknemer dertien weken of
meer heeft geduurd, moet worden ingediend, 28 kalenderdagen of meer te
laat, of in het geheel niet, is ingediend;
d. €|454,00
indien het volledige reïntegratieplan dat uiterlijk vier maanden vóór
het einde van de wachttijd van de WAO moet
worden ingediend, zeven kalenderdagen of meer te laat, of in het geheel
niet, is ingediend;
e. €|454,00
indien het voorlopige of volledige reïntegratieplan niet adequaat is.
-3. De boete wegens het niet of niet
behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in het eerste lid,
bedraagt niet meer dan €|454,00.
Art.
5. Meewerken aan het opstellen of uitvoeren van het
reïntegratieplan
-1. De hoogte van de boete, bedoeld in artikel 71a, vierde lid, WAO, zoals dit
artikel luidde vóór 1 april 2002, bedraagt:
a. €|1134,00
indien de werkgever na een verzoek van het UWV
weigert mee te werken aan het opstellen van een reïntegratieplan;
b. €|1134,00
indien de werkgever weigert mee te werken aan het opstellen van een
reïntegratieplan door het UWV;
c. €|3403,00
indien de werkgever weigert mee te werken aan het opstellen van een
reïntegratieplan door het UWV waardoor er geen sprake meer kan zijn van
het uitvoeren van een reïntegratieplan;
d. €|2269,00
indien de werkgever weigert mee te werken aan het uitvoeren van het
reïntegratieplan.
-2. De boetes, bedoeld in het eerste lid,
bedragen gezamenlijk niet meer dan €|4538,00.
Art.
6. Afstemming
-1. Indien de ernst van de gedraging, de
mate waarin de werkgever de gedraging verweten kan worden of de
omstandigheden waarin hij verkeert daartoe aanleiding geven, wordt de
boete die is berekend met toepassing van de artikelen 3,
4 of 5,
verlaagd.
-2. Indien er aanleiding is voor een
verlaging, wordt de boete met 50% verlaagd.
-3. Van het opleggen van een boete wordt in
elk geval afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
Art.
7. Intrekking besluit
Het Besluit boete ZW/WAO werkgevers
wordt ingetrokken.
Art.
8. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
publicatie van de Staatscourant waarin het is geplaatst.
Art.
9. Citeertitel
Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit boete ZW/WAO werkgevers
2002.
Dit
besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant
gepubliceerd.
Amsterdam, 22 mei 2002.
De Raad van bestuur UWV,
namens deze,
de directeur divisie Arbeidsgeschiktheid,
J.H. Ouwehand.
TOELICHTING
[22 mei 2002]
Algemeen
Dit
besluit komt in de plaats van het Besluit
boete ZW/WAO werkgevers van het voormalige Landelijk
instituut sociale verzekeringen (Lisv) van 10 december 1997, Stcrt.
1997, 246. Aanpassing was nodig door de uitspraak van de Centrale
Raad van Beroep (CRvB) van 6 november 2001, RSV 2002/41, USZ
2002/19, waarin de Raad uitsprak dat het Besluit van 1997 niet in
overeenstemming is met de wettelijke bepalingen en aangevuld zal moeten
worden met nadere regels omtrent de materie van artikel 45a,
tweede lid, van de Ziektewet (ZW) (en impliciet
van artikel 29a, tweede lid, van de Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)). Met het onderhavige
besluit wordt aan de opdracht van de CRvB voldaan. Tevens is de tekst
van het besluit op enkele punten verduidelijkt.
Ingevolge artikel XV, eerste lid, van de Wet
verbetering poortwachter (Wet van 29 november 2001, Stb. 2001,
628) blijft artikel 71a van de WAO,
zoals dit artikel luidde vóór de inwerkingtreding van die wet per 1
april 2002, van toepassing ten aanzien van verzekerden wier eerste dag
van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid is gelegen vóór 1
april 2002. Dit impliceert dat ook na die datum nog boetes op grond van
overtreding van dat artikel kunnen worden opgelegd.
Artikelsgewijs
Artikel 1
Het
Besluit minimumeisen reïntegratieplan
1997 van het voormalige Lisv
van 18 juni 1997, Stcrt. 1997, 140, kent een onderscheid in een
voorlopig en een volledig reïntegratieplan. Waar nodig worden deze
begrippen gebruikt. Anders wordt volstaan met het begrip
reïntegratieplan.
Artikel 2
In artikel
38, tweede lid, ZW is bepaald dat,
onverminderd de ziekmelding uiterlijk op de eerste dag nadat de
ongeschiktheid tot werken dertien weken heeft geduurd, de werkgever van
de werknemer als bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdeel c, ZW
aangifte doet van die ongeschiktheid op de laatste werkdag voordat de
dienstbetrekking eindigt.
In artikel 38, derde lid, ZW
is bepaald dat als de werknemer, in dienst van een werkgever op wie een
loondoorbetalingsplicht rust, weer geschikt is voor het verrichten van
zijn arbeid, de werkgever aan het UWV zo spoedig
mogelijk, doch in elk geval niet later dan op de vierde dag van die
geschiktheid, de eerste dag meldt waarop de werknemer weer geschikt is
tot het verrichten van zijn arbeid.
Met de boetebepaling in artikel
38, vierde lid,
ZW heeft de werkgever een prikkel om deze
verplichtingen na te komen. Ingevolge de wet mag
de boete ten hoogste €|454,- bedragen.
Wat onder niet of niet behoorlijk nagekomen wordt verstaan, is
omschreven in het eerste lid van artikel 2. In verband met het doen van
een onjuiste mededeling is de in principe op te leggen boete op het
wettelijk maximum van €|454,- gesteld.
Mochten de beschreven overtredingen gelijktijdig voorkomen en komt dit
voort uit één gedraging, dan wordt een boete van maximaal €|454,-
opgelegd. Dat is geregeld in het derde lid.
Artikel 3
In artikel 38a, vijfde lid, ZW is geregeld
dat de werkgever zo spoedig mogelijk, doch in elk geval niet later dan
op de tweede dag na ontvangst van een hersteldmelding van zijn
werknemer, aan het UWV de eerste dag meldt
waarop de werknemer weer geschikt is voor het verrichten van zijn
arbeid. Met dit artikel heeft de werkgever voor al zijn werknemers die
hij heeft ziek gemeld een verplichting tot tijdige hersteldmelding
gekregen. Om voor een prikkel te zorgen, is een boetebepaling opgenomen
in artikel 38a, zesde lid, ZW. Ook hier
bedraagt de boete ten hoogste €|454,-.
Met betrekking tot de boetebepaling stelt het UWV soortgelijke regels
als in artikel 2.
Artikel 4
In artikel 71a, eerste lid, WAO, zoals dit
artikel luidde vóór 1 april 2002, en het op grond van dat artikel
vastgestelde Besluit minimumeisen reïntegratieplan
1997, wordt
onderscheid gemaakt tussen het voorlopige en het volledige
reïntegratieplan. Uiterlijk op de eerste dag nadat de ongeschiktheid
tot werken van de werknemer dertien weken heeft geduurd, kan de
werkgever het voorlopige reïntegratieplan indienen als hij verwacht dat
de werknemer uiterlijk vier maanden vóór het einde van de wachttijd WAO
bij zijn eigen werkgever volledig zal hervatten. In het andere geval
moet hij op dat tijdstip een volledig reïntegratieplan indienen. Zodra
de werkgever verwacht dat de werknemer het werk toch niet meer volledig
zal kunnen hervatten, moet hij alsnog een volledig reïntegratieplan
indienen, doch uiterlijk vier maanden vóór het einde van de wachttijd
WAO. Een volledig reïntegratieplan moet ook worden ingediend als het UWV
daarom verzoekt. Er zijn derhalve twee momenten te markeren: uiterlijk
bij dertien weken (het eerste lid, onderdeel a) en uiterlijk bij
35 weken (het eerste lid, onderdeel b), met ieder hun eigen
verplichtingen en boetebepalingen.
Een voorbeeld: De werkgever dient uiterlijk bij
dertien weken een voorlopig reïntegratieplan in, omdat hij verwacht dat
de werknemer spoedig volledig zal hervatten. Is het reïntegratieplan
tijdig en adequaat, dan is de werkgever zijn verplichting nagekomen. Is
het reïntegratieplan niet tijdig maar wel adequaat, dan wordt een boete
opgelegd waarvan de hoogte in principe afhankelijk is van het aantal
kalenderdagen dat het plan te laat is ingediend. Als het
reïntegratieplan wel tijdig is maar niet adequaat, dan wordt een boete
opgelegd van in principe €|454,-. Is het
reïntegratieplan niet tijdig en niet adequaat, dan wordt ook een boete
opgelegd van in principe €|454,-.
Ingevolge de wet mag de boete niet meer
bedragen dan €|454,-. Het in het geheel
niet indienen van een reïntegratieplan wordt op dezelfde wijze
behandeld als niet tijdig en niet adequaat indienen. Meestal zal na een
voorlopig reïntegratieplan een hersteldmelding volgen aangezien de
werkgever al verwachtte dat de werknemer weer volledig het werk zou
hervatten. Het is mogelijk dat hij alsnog gaat verwachten dat de
werknemer niet meer volledig zal hervatten. Hij moet dan direct een
volledig reïntegratieplan indienen. Dit dient in elk geval uiterlijk
vier maanden vóór het einde van de wachttijd WAO te gebeuren. Ook dan
geldt weer: is het reïntegratieplan tijdig en adequaat, dan heeft de
werkgever aan zijn verplichting voldaan. Is het reïntegratieplan niet
tijdig maar wel adequaat, dan wordt een boete opgelegd waarvan de hoogte
afhankelijk is van het aantal kalenderdagen dat het plan te laat is
ingediend. Als het reïntegratieplan wel tijdig is maar niet adequaat,
dan wordt een boete opgelegd van €|454,-.
Is het reïntegratieplan niet tijdig en niet adequaat, dan wordt ook een
boete opgelegd van €|454,-. Ingevolge de
wet kan de boete per overtreding ten hoogste €|454,-
bedragen.
Artikel 5
In artikel 71a, vierde lid, WAO, zoals dit
artikel luidde vóór 1 april 2002, wordt onderscheid gemaakt tussen het
weigeren mee te werken aan het opstellen en het weigeren mee te werken
aan het uitvoeren van het reïntegratieplan door de werkgever. Indien
hiervan sprake is, wordt ingevolge de wet een
boete opgelegd van ten hoogste €|4538,-.
In artikel 5 van het onderhavige besluit wordt deze bepaling nader
ingevuld. Een voorbeeld van het weigeren mee te werken aan het opstellen
van het reïntegratieplan:
De werkgever dient een inadequaat
reïntegratieplan in. Als dit verwijtbaar is, wordt hem een boete
opgelegd van in principe €|454,-.
Vervolgens wordt de werkgever in de gelegenheid gesteld om binnen twee
weken het plan zo aan te vullen dat het wel adequaat is. Als hij dat
verwijtbaar niet doet, wordt hem een boete opgelegd van in principe €|1134,-
wegens het weigeren mee te werken aan het opstellen van een
reïntegratieplan. Het UWV
gaat nu zelf een plan
opstellen. Hiervoor worden kosten in rekening gebracht. Weigert de
werkgever verwijtbaar hieraan mee te werken, dan wordt om dezelfde reden
weer een boete opgelegd van in principe €|1134,-.
De boete bedraagt in principe €|3403,-
als de weigerachtige houding van de werkgever tot gevolg heeft dat
werkhervatting van de werknemer bij de eigen werkgever in de toekomst
feitelijk niet meer mogelijk is. Er is dan geen reïntegratieplan dat
kan worden uitgevoerd. Voor een adequate reïntegratie van de werknemer
is het zinvoller als het UWV in deze situaties de verantwoordelijkheid
overneemt en de werknemer tracht te reïntegreren bij een andere
werkgever. De werkgever dient het door hem, of door tussenkomst van het
UWV, opgestelde reïntegratieplan uit te voeren. Weigert hij, zonder
deugdelijke grond, hieraan mee te werken, dan wordt hem een boete
opgelegd van in principe €|2269,- wegens
het weigeren mee te werken aan het uitvoeren van het reïntegratieplan.
Artikel 6
Met
dit artikel wordt het onderhavige besluit in overeenstemming gebracht
met het wettelijk voorschrift om de boete die is berekend met toepassing
van de artikelen 2, 3, 4 of
5 nader af te stemmen op de ernst van de
gedraging, de mate waarin de werkgever de gedraging verweten kan worden
en de omstandigheden waarin de werkgever verkeert, alsmede met het
wettelijk voorschrift om geen boete op te leggen indien elke vorm van
verwijtbaarheid ontbreekt.
Ernst van de gedraging
Op
bepaalde in het onderhavige besluit omschreven overtredingen van de
verplichtingen in het kader van de ZW en de WAO
is in het onderhavige besluit als in principe op te leggen boete het
bedrag van de in de ZW c.q. WAO toegestane maximumboete gesteld. De
betreffende overtredingen worden dermate ernstig geacht dat oplegging
van in principe het wettelijk maximum proportioneel wordt geacht,
derhalve ongeacht of er "slechts" nalatigheid of verwijtbaar
opzet in het spel was. Dit betekent dat toepassing van artikel 6 in die
gevallen alleen tot een verlaging kan leiden (uiteraard alleen als
daartoe aanleiding bestaat).
Verwijtbaarheid
Een
overtreding is verwijtbaar als deze is veroorzaakt door een
omstandigheid die binnen de invloedssfeer van de werkgever ligt, waarop
hij ten onrechte niet heeft geanticipeerd of gereageerd. Hierbij kan
gedacht worden aan de overschakeling op een nieuw computersysteem door
de arbodienst van een werkgever: dit is voorzienbaar en de beperking of
voorkoming van mogelijke gevolgen is vooraf te regelen. Zeker wat
betreft de inlevering van de reïntegratieplannen is het mogelijk de
gevolgen te voorkomen door de ruime termijn die geldt voor inlevering.
Bij ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid
moet gedacht worden aan een situatie van overmacht waardoor de werkgever
niet aan de nakoming van zijn plicht is toegekomen, zoals bijvoorbeeld
het faillissement van het administratiekantoor dat de ziekmeldingen en
hersteldmeldingen en het inleveren van reïntegratieplannen van een
werkgever verzorgt. In zo’n geval kunnen gedurende een beperkte
periode de te late meldingen worden geaccepteerd. De werkgever moet dan
wel zo snel mogelijk zorgen voor de inzet van eigen mensen of een andere
tussenpersoon om de achterstallige meldingen te inventariseren en de
meldingen alsnog te verzorgen.
Voor een verlaging van de in principe op te
leggen boete wegens verminderde verwijtbaarheid kan bijvoorbeeld gedacht
worden aan een startende werkgever die nog minder bekend is met alle op
hem rustende verplichtingen en daarom niet aan de nakoming van zijn
mededelingsverplichting is toegekomen. Van verminderde verwijtbaarheid
is in ieder geval sprake indien de werkgever onjuiste of onvolledige
informatie heeft verstrekt maar uit eigen beweging alsnog de juiste
informatie verstrekt, voordat het UWV
de
gepleegde overtreding heeft geconstateerd.
Omstandigheden
In
verband met "de omstandigheden waarin hij verkeert" kan
bijvoorbeeld gedacht worden aan een werkgever die buiten zijn schuld
financiële problemen heeft en door het op grond van dit besluit
opleggen van een boete nog verder in de problemen komt, waardoor de
continuïteit van zijn bedrijf in gevaar zou kunnen komen. Vandaar dat
in dit artikel is geregeld dat de boete wordt verlaagd indien de
oplegging van die boete de werkgever in ernstige financiële problemen
zou brengen. Het ligt op de weg van de werkgever om te stellen en te
bewijzen dat deze bepaling op hem van toepassing is.
Amsterdam, 22 mei 2002.
De Raad van bestuur UWV,
namens deze,
de directeur divisie Arbeidsgeschiktheid,
J.H. Ouwehand.
|
|