|
Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Gelet op de artikel 39a,
eerste lid, van de Ziektewet;
Besluit:
Art. 1.
Indien de werknemer de
bedongen arbeid gedeeltelijk heeft
hervat of passende arbeid verricht en de omvang van de arbeid aansluit bij
zijn krachten en bekwaamheden, stelt het
UWV het tijdvak, bedoeld in
artikel 39a, eerste lid, van de Ziektewet, vast op
nihil in het geval de
werkgever de verplichtingen of regels, bedoeld in dat lid, zonder deugdelijke
grond niet of niet volledig is nagekomen.
Art. 2.
-1. Indien de werknemer geen
arbeid verricht of de door hem
verrichte arbeid niet voldoet aan artikel 1, stelt het
UWV het tijdvak, bedoeld
in artikel 39a, eerste lid, van de Ziektewet,
vast op het totaal van de
periodes waarin de werkgever
onvoldoende heeft gedaan als bedoeld in
het tweede lid.
-2. De werkgever heeft
onvoldoende gedaan gedurende de periode
waarin hij zonder deugdelijke grond
heeft nagelaten bepaalde
maatregelen te nemen of bepaalde
voorschriften te geven, of verplichtingen dan
wel regels als bedoeld in
artikel 39a, eerste lid, van de Ziektewet
na te
komen, hetgeen redelijkerwijs van
hem mocht worden gevergd. De periode
wordt uitgedrukt in hele weken en
zo nodig afgerond naar beneden.
Art. 3.
-1. Indien aan de werkgever
een termijn is gesteld als bedoeld in
artikel 38, zevende lid, van de Ziektewet en
hij de gevraagde gegevens
niet of niet volledig binnen die termijn
heeft verstrekt, stelt het
UWV, zo nodig in afwijking van artikel
1, het
tijdvak, bedoeld in artikel 39a,
eerste lid, van de Ziektewet, vast op één
week.
-2. Verhaal op grond van dit
artikel blijft achterwege indien
verhaal plaatsvindt met toepassing
van artikel 2.
Art. 4.
Dit besluit treedt in
werking met ingang van 1 maart 2005.
Dit besluit wordt, na
goedkeuring door de Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,¹ met de
toelichting in de Staatscourant
geplaatst.
1. Goedkeuring is verleend
bij Besluit van 21 januari 2005, Stcrt. 2005, 18, red.
Amsterdam, 4 januari 2005.
J.M. Linthorst, voorzitter
Raad van bestuur UWV.
TOELICHTING
[4 januari 2005]
Indien het dienstverband
eindigt binnen 104 weken na het ontstaan
van de ongeschiktheid tot werken
van de werknemer, kan de werknemer
in aansluiting daarop aanspraak maken op uitkering van ziekengeld. Op
grond van artikel 38, tweede lid,
van de Ziektewet moet bij het einde van zo’n dienstverband een
reïntegratieverslag aan het UWV [Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, red.] worden
overgelegd, tenzij tussen aanvang van
ziekte en einde dienstverband minder
dan zes weken zijn gelegen. Op basis
van dat reïntegratieverslag
beoordeelt het UWV of werkgever en
werknemer voldoende reïntegratie-inspanningen hebben verricht. Acht het
UWV de reïntegratie-inspanningen
van de werkgever onvoldoende, dan
stelt het op grond van artikel 39a,
eerste lid, van de Ziektewet een periode
vast waarin het aan de werknemer
uit te keren ziekengeld op de
werkgever wordt verhaald. Dit tijdvak
wordt in dat geval afgestemd op de
periode waarin de werkgever
onvoldoende reïntegratie-inspanningen
heeft geleverd en bedraagt ten hoogste 52 weken. In artikel
39a,
eerste lid, van de Ziektewet is tevens
bepaald dat het UWV nadere regels stelt met
betrekking tot de vaststelling van dit
tijdvak. Dit besluit strekt hiertoe.
Evenals bij vaste
dienstverbanden wordt bij tijdelijke
arbeidsrelaties verwacht dat werkgever en werknemer zich inzetten voor
reïntegratie, uiteraard voor zover dit aan de orde
is en in redelijkheid kan worden gevergd. Het vooruitzicht dat het
dienstverband op enig moment eindigt, mag
er dus niet toe leiden dat bij ziekte op voorhand wordt afgezien van
reïntegratie-inspanningen. Dit zou tot gevolg hebben dat onnodige vertraging
optreedt bij de aanpak van
de reïntegratie en dat het UWV
na het einde dienstverband extra inspanningen moet doen om de
reïntegratie weer op het goede spoor te
krijgen. Uiterlijk op de laatste dag van het dienstverband stelt de
werkgever het reïntegratieverslag op en
overhandigt dit aan de werknemer. De
werknemer verstrekt dit verslag op
verzoek aan het UWV. In de regel zal dit
gebeuren bij het eerste spreekuurcontact.
Omdat bij tijdelijke
arbeidsrelaties de periode tussen de eerste
arbeidsongeschiktheidsdag en einde dienstverband sterk kan verschillen, zal de
omvang van het reïntegratieverslag
naar gelang van die periode ook kunnen
verschillen. Met het oog daarop worden de Beleidsregels vorm- en
herkenbaarheidsvereisten reïntegratieverslagen aangevuld. Op basis van het
reïntegratieverslag beoordeelt het UWV de inspanningen van de
werkgever en de werknemer. De beoordeling
vindt plaats aan de hand van de
bovengenoemde [niet eerder genoemd, red.] Regeling
procesgang eerste en tweede ziektejaar en de - eveneens aangevulde -
Beleidsregels beoordelingskader poortwachter.
De
reïntegratie-inspanningen die in het kader van een tijdelijke
arbeidsrelatie van een werkgever en een werknemer worden verwacht, zijn in
grote lijnen dezelfde als wanneer
het zou gaan om een vast dienstverband. Er zijn echter, gelet op de
aard van tijdelijke arbeidsrelaties, verschillen
in de wijze waarop de
reïntegratieverplichting in concreto moet worden
ingevuld. Uitgangspunt blijft
uiteraard altijd de redelijkheid.
Factoren die bepalend zijn voor hetgeen
in redelijkheid van een werkgever te
verwachten is, zijn onder meer de
resterende duur van het dienstverband en de
hoogte van de kosten van de reïntegratie-inspanningen. De resterende
duur van het dienstverband stelt
immers grenzen aan interventies van de werkgever die gericht zijn op (eigen
of passende) arbeid binnen het eigen
bedrijf. Het kan echter wel zin hebben om
zich bij de reïntegratie te
oriënteren op mogelijkheden op arbeid bij een nieuwe werkgever (de zogenaamde
reïntegratie in het tweede spoor). In
sommige gevallen kan dan worden
volstaan met verwijzing naar het CWI [Centrum voor
werk en inkomen, red.] of naar een uitzendbureau. In andere
gevallen kan aanvullende hulp bij
sollicitaties nodig zijn. En soms is een
omscholing of traject aangewezen. Ook
de door de werkgever op te brengen kosten moeten redelijk zijn ten
opzichte van de resterende duur van het
dienstverband.
Bij tijdelijke
dienstverbanden kan het voorkomen dat een
interventie langer duurt dan de resterende duur van het dienstverband. Het kan ook
voorkomen dat de kosten van de
interventie niet in verhouding staan tot de resterende duur van het dienstverband.
Het valt dan - zonder
aanvullende voorziening - in
redelijkheid niet van de werkgever te vergen dat
hij dit soort interventies inzet.
Aan de andere kant zijn die interventies wel geïndiceerd en komt de reïntegratie in
gevaar als ze achterwege
worden gelaten. Om te voorkomen dat van reïntegratie-inspanningen zou worden
afgezien, kan het UWV in dit soort situaties een faciliterende
rol vervullen. In daartoe geëigende
situaties kan de werkgever het UWV tijdens
het dienstverband namelijk verzoeken te participeren in de keuze van
het in te zetten reïntegratietraject.
Het UWV kan de werkgever dan garanderen dat het ingezette
reïntegratietraject na einde dienstverband van
UWV-wege wordt gecontinueerd en/of
gedeeltelijk wordt gefinancierd. Hiermee
kan de werkgever op adequate wijze
invulling geven aan zijn reïntegratieverantwoordelijkheid zonder dat dit hem een te
zware last oplegt. Hiermee
kan tevens worden voorkomen dat er een
gat in de reïntegratie ontstaat.
Op verzoek van de werkgever kan het UWV
dus in de reïntegratie
participeren als er reïntegratie-interventies
nodig zijn die langer duren dan de nog
resterende periode van het
dienstverband of zeer aanzienlijke kosten met zich
meebrengen. Hiermee worden eventuele belemmeringen om reïntegratie-inspanningen te verrichten, weggenomen. De duur en kosten kunnen
derhalve geen deugdelijke grond zijn
om af te zien van geïndiceerde
interventies.
In verband met de hierboven
beschreven verschillen in de invulling
van de wettelijke reïntegratieverplichtingen bij tijdelijke
arbeidskrachten, met inachtneming van de mogelijkheid gebruik te maken van
UWV-facilitering, zijn de bestaande Beleidsregels
beoordelingskader poortwachter aangevuld. Hiermee wordt de lijn die in
het beoordelingskader voor vaste
dienstverbanden geldt, doorgetrokken naar situaties waarin het
dienstverband bij ziekte eindigt, waarbij
rekening wordt gehouden met de specifieke situatie die zich bij tijdelijke
dienstverbanden voordoet. Dit betreft niet
alleen de door werkgever en werknemer
te leveren reïntegratie-inspanningen,
maar ook de wijze waarop het UWV
de reïntegratie-inspanningen
beoordeelt. Net als bij vaste
dienstverbanden wordt ook bij tijdelijke dienstverbanden beoordeeld op resultaat. Is
dat resultaat bevredigend, omdat
de werknemer alweer in een bepaalde mate aan het werk is, dan is het
niet meer relevant of de werkgever aan
alle verplichtingen heeft voldaan en alle
voorgeschreven stappen heeft gezet. Een uitzondering geldt alleen
als het resultaat weliswaar bevredigend is,
maar de werkgever geen volledig
reïntegratieverslag heeft opgesteld. Zo’n reïntegratieverslag blijft nodig
zolang de
werknemer nog niet geheel is
hersteld voor zijn eigen werk, omdat hij dan nog steeds aanspraak maakt
op ziekengeld. Omdat de werkgever geen volledig
reïntegratieverslag heeft opgesteld, moet het UWV zelf de
benodigde informatie vergaren. Het UWV loopt daardoor vertraging op in de
beoordeling van de reïntegratie-inspanningen van werkgever en werknemer tijdens het dienstverband
en
in de eigen reïntegratieaanpak na einde van het dienstverband. Het
tijdvak van verhaal bedraagt in zo’n geval één week (zie verder de
toelichting op artikel 3).
Is geen sprake van een
bevredigend resultaat, dan gaat het UWV
na wat er tijdens de resterende
duur van het dienstverband inhoudelijk
aan de reïntegratie is gedaan. Dit betreft
vooral een inhoudelijke beoordeling van het verloop van de reïntegratie
en de stappen die zijn gezet. Wanneer het
UWV tot het oordeel komt dat voldoende reïntegratie-inspanningen
zijn verricht, is er geen aanleiding voor
een verhaalssanctie op grond van artikel 2. Wellicht ten overvloede zij
vermeld dat ook in deze situatie een
verhaalsperiode van één week wordt opgelegd als de werkgever geen
volledig reïntegratieverslag heeft opgesteld. Ook hier geldt immers dat zonder een
volledig reïntegratieverslag het UWV
zelf de benodigde informatie moet
vergaren. Wanneer het UWV op grond van deze beoordeling tot het - voorlopige
- oordeel komt dat de
werkgever onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft geleverd, wordt de
werkgever in de gelegenheid gesteld zijn
visie hierop te geven. Aldus heeft hij de
kans om een zogenaamde deugdelijke
grond aan te voeren. Blijft het
UWV dan bij het oordeel dat de werkgever
onvoldoende reïntegratie-inspanningen
heeft geleverd, dan stelt het UWV
op grond van artikel 39a, eerste lid,
van de Ziektewet een tijdvak vast
waarover het aan de werknemer uit te keren ziekengeld op de werkgever
wordt verhaald. Dit tijdvak wordt
afgestemd op de periodes waarin de werkgever onvoldoende
reïntegratie-inspanningen heeft verricht.
Indien een verhaalstijdvak
wordt vastgesteld, is het uitgangspunt dat op
de werkgever het uit te keren ziekengeld wordt verhaald gedurende de
periode waarin de reïntegratie van
de zieke werknemer door zijn toedoen
is vertraagd. De uiteindelijke duur van
het verhaal en de hoogte van het
te verhalen bedrag worden echter
begrensd door het ziekengeld dat
feitelijk wordt uitgekeerd. Als de werknemer
binnen het verhaalstijdvak herstelt
of als om andere redenen het
ziekengeld wordt beëindigd, wordt de
verhaalssanctie beëindigd. Wanneer de
betaling van het ziekengeld gedurende het
verhaalstijdvak wordt verminderd of onderbroken, bijvoorbeeld doordat de
werknemer tijdelijk
inkomsten uit arbeid geniet, betekent dit
eveneens dat de bedragen die op de
werkgever worden verhaald navenant
worden aangepast. Dit kan zich ook voordoen als de werknemer een
maatregel wordt opgelegd wegens het leveren
van onvoldoende reïntegratie-inspanningen. De duur en hoogte van de
verhaalsperiode worden ten slotte eveneens begrensd door het moment waarop het dienstverband
eindigt. Immers langer dan die
periode kan de werkgever niet in gebreke
worden gesteld.
Artikel 1
Net als bij gewone
arbeidsrelaties geldt in de Beleidsregels
beoordelingskader poortwachter het uitgangspunt dat het
reïntegratieresultaat voorop staat. Wordt er bij einde
dienstverband een bevredigend resultaat
geconstateerd in de vorm van een
gedeeltelijke werkhervatting die aansluit
bij de resterende mogelijkheden van
de werknemer, dan is het verder
irrelevant of de werkgever al dan niet
aan zijn verplichtingen heeft
voldaan. Het
UWV kijkt dan alleen naar
het resultaat en verbindt geen
consequenties aan eventuele procedurele
tekortkomingen. Het verhaalstijdvak wordt dan op nihil gesteld, zodat
geen verhaal plaatsvindt. Hiervan wordt
alleen afgeweken als het resultaat
weliswaar bevredigend is, maar de werkgever geen volledig
reïntegratieverslag heeft opgesteld en artikel 3
toepassing vindt.
Artikel 2
Is er geen sprake van een
bevredigend resultaat, dan beoordeelt
het
UWV of de werkgever gedurende de ziekteperiode van de werknemer steeds
tijdig die
reïntegratie-inspanningen heeft verricht die redelijkerwijs van hem
mochten worden verwacht. Wanneer
deze vraag bevestigend wordt
beantwoord, vindt geen verhaal plaats;
bij een ontkennend antwoord vindt wel verhaal plaats, tenzij de werkgever
een deugdelijke grond kan aanvoeren voor
zijn gedrag. Indien het
reïntegratieproces is vertraagd doordat de
werkgever zonder deugdelijke grond enige tijd
in gebreke is gebleven, dan is
de duur van die vertraging bepalend
voor het tijdvak waarover ziekengeld
op de werkgever wordt verhaald.
Heeft de werkgever bepaalde
maatregelen en voorschriften achterwege
gelaten, hoewel die in het algemeen voor
overeenkomstige situaties als adequaat worden beschouwd, of heeft hij deze
veel later ingezet dan
redelijkerwijs mocht worden verwacht, dan wordt van hem verwacht dat hij zijn
handelwijze motiveert. Het UWV beoordeelt of deze motivering kan worden beschouwd als
een deugdelijke grond. Is
het UWV van oordeel dat de werkgever
onvoldoende reïntegratie-inspanningen
heeft verricht en dat hij daarvoor
geen deugdelijke grond heeft
kunnen aanvoeren, dan stelt het vast gedurende welke periode (of perioden)
dit het geval is geweest. Daartoe
wordt bepaald vanaf welke datum
redelijkerwijs van de werkgever mocht
worden gevergd dat hij een aanvang
zou hebben gemaakt met het leveren van
adequate reïntegratie-inspanningen
Het verhaalstijdvak wordt
gesteld op hele weken. Waar nodig worden de
perioden afgerond naar beneden.
Artikel 3
Het reïntegratieverslag
stelt het
UWV in staat om de
reïntegratie-inspanningen die zijn verricht te
beoordelen en aan het einde van het
dienstverband voort te zetten. Het
ontbreken van een volledig en actueel reïntegratieverslag levert vertraging op, omdat
het UWV dan immers zelf de
benodigde reïntegratie-informatie
moet vergaren. Die vertraging is reden voor
verhaal van ziekengeld. Artikel 38, zevende lid, van de
Ziektewet bepaalt dat indien niet tijdig een
volledig reïntegratieverslag is ingediend, het UWV aan de werkgever een termijn
stelt om alsnog aanvullende gegevens
te verstrekken. Is die termijn verstreken
en is het reïntegratieverslag
door nalatigheid van de werkgever nog niet
volledig, dan wordt de periode
waarover het ziekengeld op de
werkgever wordt verhaald, vastgesteld op één
week. In afwijking van het bepaalde
in artikel 1 wordt deze week verhaal
ook opgelegd als sprake is van een
bevredigend reïntegratieresultaat.
Immers ook in deze situatie loopt het UWV tengevolge van het ontbreken
van een volledig
reïntegratieverslag vertraging op in de beoordeling van de
door werkgever en werknemer
tijdens het dienstverband geleverde reïntegratie-inspanningen en de beoordeling van de eigen
reïntegratieaanpak na einde van het dienstverband. Deze
week verhaal blijft achterwege
als verhaal plaatsvindt omdat de werkgever onvoldoende
reïntegratie-inspanningen heeft geleverd als bedoeld
in artikel 2. De verhaalsperiode van één
week wordt dan geacht daarin
verdisconteerd te zijn. De verhaalsperiode
van één week wordt dus alleen
opgelegd als er geen andere
aanleiding is om ziekengeld te verhalen.
Artikel 4
De bevoegdheid van het
UWV tot het stellen van regels omtrent
het verhaal van ziekengeld berust op
artikel 39a van de Ziektewet, zoals dat
zal luiden vanaf 1 maart 2005, de datum
waarop artikel IV, onderdeel G, van de Wet
verlenging loondoorbetaling
bij ziekte 2003 in werking treedt. De
in dit besluit gestelde regels
treden in werking op dezelfde datum als de
wetsbepaling waarop zij berusten.
Amsterdam, 4 januari 2005.
J.M. Linthorst, voorzitter
Raad van bestuur UWV.
|
|