Art. 15. [Bijstand voor schulden | Borgtocht]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 2002, 330Stb. 2003, 376]      [JurisprudentieLJN AE3939AE4212]
-1. Degene die bijstand vraagt ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast en die overigens bij het ontstaan van de schuldenlast, dan wel nadien, beschikte of beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, wordt niet geacht te verkeren in omstandigheden als bedoeld in artikel 7, eerste lid.
-2. In afwijking van het eerste lid kunnen burgemeester en wethouders:
a. bijzondere bijstand verlenen in de vorm van borgtocht indien het verzoek van de belanghebbende tot verlening van een saneringskrediet is afgewezen vanwege diens beperkte mogelijkheden tot terugbetaling en de borgtocht noodzakelijk is om de krediettransactie alsnog doorgang te doen vinden door een:
1º. gemeentelijke kredietbank als bedoeld in de Wet op het consumentenkrediet;
2º. kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1º, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 en die is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 52, tweede lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, indien de gemeente niet is aangesloten bij een gemeentelijke kredietbank, dan wel daarmee geen relatie onderhoudt;
b. bijzondere bijstand verlenen indien daartoe zeer dringende redenen bestaan en de in onderdeel a genoemde mogelijkheid geen uitkomst biedt;
c. bijstand verlenen aan de zelfstandige ter gedeeltelijke of volledige betaling van een bedrijfsschuld, mits de bijstand wordt verleend op grond van artikel 8, vijfde lid.