Art. 26. [Recht op algemene bijstand; hoogte, vakantietoeslag en verhoging met loonbelasting en premies | Heffingskorting buiten beschouwing bij vaststelling recht]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 1995, 200Stcrt. 1997, 244Stcrt. 1998, 242Stcrt. 1999, 243Stcrt. 2000, 245Stb. 2000, 571Stcrt. 2001, 122Stcrt. 2001, 244Stcrt. 2002, 125Stcrt. 2002, 241Stcrt. 2003, 57Stb. 2003, 376]      [JurisprudentieLJN AB2483]
-1. Onverminderd hoofdstuk II heeft de alleenstaande of het gezin recht op algemene bijstand, indien:
a. het in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de bijstandsnorm, bedoeld in paragraaf 2 en 3; en
b. er geen in aanmerking te nemen vermogen is.
-2. De hoogte van de algemene bijstand is het verschil tussen het inkomen en de bijstandsnorm, bedoeld in paragraaf 2 en 3.
-3. In de algemene bijstand is een vakantietoeslag begrepen ter hoogte van 4,7 procent van die bijstand.
-4. De algemene bijstand wordt verhoogd met de loonbelasting en premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de bijstand verleent, krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is, alsmede met de over die bijstand verschuldigde ziekenfondspremie.
-5. Bij de vaststelling van het recht op algemene bijstand, bedoeld in het eerste lid, blijft ten aanzien van de alleenstaande of het gezin de heffingskorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001, buiten beschouwing.