Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.
   

 

 

 

 

 

 

AFDELING  1

Algemene bijstand

 

§ 1.  Algemeen

 

Art. 26. [Recht op algemene bijstand; hoogte, vakantietoeslag en verhoging met loonbelasting en premies | Heffingskorting buiten beschouwing bij vaststelling recht]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 1995, 200Stcrt. 1997, 244Stcrt. 1998, 242Stcrt. 1999, 243Stcrt. 2000, 245Stb. 2000, 571Stcrt. 2001, 122Stcrt. 2001, 244Stcrt. 2002, 125Stcrt. 2002, 241Stcrt. 2003, 57Stb. 2003, 376]      [JurisprudentieLJN AB2483]
-1. Onverminderd hoofdstuk II heeft de alleenstaande of het gezin recht op algemene bijstand, indien:
a. het in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de bijstandsnorm, bedoeld in paragraaf 2 en 3; en
b. er geen in aanmerking te nemen vermogen is.
-2. De hoogte van de algemene bijstand is het verschil tussen het inkomen en de bijstandsnorm, bedoeld in paragraaf 2 en 3.
-3. In de algemene bijstand is een vakantietoeslag begrepen ter hoogte van 4,7 procent van die bijstand.
-4. De algemene bijstand wordt verhoogd met de loonbelasting en premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de bijstand verleent, krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is, alsmede met de over die bijstand verschuldigde ziekenfondspremie.
-5. Bij de vaststelling van het recht op algemene bijstand, bedoeld in het eerste lid, blijft ten aanzien van de alleenstaande of het gezin de heffingskorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001, buiten beschouwing.

 

Art. 27. [Periode van vaststelling van algemene bijstand]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 1998, 742Stb. 2003, 376]      [JurisprudentieLJN AE3939]
-1. De algemene bijstand wordt per kalendermaand vastgesteld.
-2. De algemene bijstand wordt vastgesteld over het deel van de kalendermaand waarover recht op bijstand bestaat, indien de alleenstaande of het gezin voorafgaand aan of volgend op de bijstandverlening:
a. gedurende een periode van ten minste 30 dagen geen algemene bijstand ontvangt; of
b. anderszins geen recht op algemene bijstand heeft.
-3. Burgemeester en wethouders kunnen besluiten de algemene bijstand over een langere periode vast te stellen voor zover het patroon van de inkomensverwerving en de hoogte daarvan daartoe aanleiding geeft.

 

Art. 28. [Geen algemene bijstand voor bedrijfskapitaal]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 2003, 376]
Deze afdeling is niet van toepassing op bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal.

 

 

§ 2.  De bijstandsnorm

 

Art. 29. [Bijstandsnormen 18, 19 en 20-jarigen]  [GeschiedenisMvT + bisversie 12 april 1995Stb. 1995, 200Stb. 1995, 691Stcrt. 1996, 43Stcrt. 1996, 121Stcrt. 1996, 247Stcrt. 1997, 119Stcrt. 1997, 244Stcrt. 1998, 60Stcrt. 1998, 119Stcrt. 1998, 242Stcrt. 1999, 122Stcrt. 1999, 243Stcrt. 2000, 123Stcrt. 2000, 245Stcrt. 2001, 122Stcrt. 2001, 244Stcrt. 2002, 125Stcrt. 2002, 241Stcrt. 2003, 57Stcrt. 2003, 119Stb. 2003, 376]      [JurisprudentieLJN AE3732]
-1. Voor belanghebbenden jonger dan 21 jaar zonder ten laste komende kinderen is de bijstandsnorm per kalendermaand, indien het betreft:
a. een alleenstaande van 18, 19 of 20 jaar: €|196,92;
b. gehuwden waarvan beide echtgenoten 18, 19 of 20 jaar zijn: €|393,84;
c. gehuwden waarvan één echtgenoot 18, 19 of 20 jaar is en de andere echtgenoot 21 jaar of ouder: €|766,74.
-2. Voor belanghebbenden jonger dan 21 jaar met één of meer ten laste komende kinderen is de bijstandsnorm per kalendermaand, indien het betreft:
a. een alleenstaande ouder van 18, 19 of 20 jaar: €|424,85;
b. gehuwden waarvan beide echtgenoten 18, 19 of 20 jaar zijn: €|621,77;
c. gehuwden waarvan één echtgenoot 18, 19 of 20 jaar is en de andere echtgenoot 21 jaar of ouder: €|994,67.

 

Art. 30. [Bijstandsnormen 21-jarigen of ouder en 65-jarigen of ouder]  [GeschiedenisMvT + bisversie 12 april 1995Stb. 1995, 200Stcrt. 1996, 43Stcrt. 1996, 121Stcrt. 1996, 247Stcrt. 1997, 119Stcrt. 1997, 244Stb. 1997, 791 + bisStcrt. 1998, 60 + bisStcrt. 1998, 119Stcrt. 1998, 242Stcrt. 1999, 122Stcrt. 1999, 243Stcrt. 2000, 123Stcrt. 2000, 245Stcrt. 2001, 122Stcrt. 2001, 244Stcrt. 2002, 125Stcrt. 2002, 241Stcrt. 2003, 57Stcrt. 2003, 119Stb. 2003, 376]      [JurisprudentieLJN AB0237]
-1. Voor belanghebbenden van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar is de bijstandsnorm per kalendermaand, indien het betreft:
a. een alleenstaande: €|569,82;
b. een alleenstaande ouder: €|797,75;
c. gehuwden waarvan beide echtgenoten jonger zijn dan 65 jaar: €|1139,64.
-2. Voor belanghebbenden van 65 jaar of ouder is de bijstandsnorm per kalendermaand, indien het betreft:
a. een alleenstaande: €|846,75;
b. een alleenstaande ouder: €|1074,68;
c. gehuwden waarvan beide echtgenoten 65 jaar of ouder zijn: €|1196,46;
d. gehuwden waarvan één echtgenoot 65 jaar of ouder is en de andere echtgenoot 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar: €|1206,31.

 

Art. 31. [Bijstandsnormen voor personen in een inrichting]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 1995, 200Stcrt. 1996, 43Stcrt. 1996, 121Stcrt. 1996, 247Stcrt. 1997, 119Stcrt. 1997, 244Stcrt. 1998, 60Stcrt. 1998, 119Stcrt. 1998, 242Stcrt. 1999, 122Stcrt. 1999, 243Stcrt. 2000, 123Stcrt. 2000, 245Stcrt. 2001, 122Stb. 2001, 426Stcrt. 2001, 198Stcrt. 2001, 244Stcrt. 2002, 125Stcrt. 2002, 241Stcrt. 2003, 57Stcrt. 2003, 119Stb. 2003, 376]
-1. Bij een verblijf in een inrichting is de bijstandsnorm per kalendermaand, indien het betreft:
a. een alleenstaande of een alleenstaande ouder: €|246,77;
b. gehuwden: €|383,86.
-2. Indien één van de gehuwden in een inrichting verblijft, is de bijstandsnorm de som van de bijstandsnormen die voor ieder van hen als alleenstaande of alleenstaande ouder zouden gelden.

 

Art. 32. [Bijstandsnormen voor gehuwden indien één echtgenoot geen recht op bijstand heeft]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 2003, 376]      [JurisprudentieLJN AB0596AE1887AE8232]
Indien één van de gehuwden geen recht op algemene bijstand heeft, is voor de rechthebbende echtgenoot de bijstandsnorm gelijk aan de bijstandsnorm die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.

 

 

§ 3.  Verhoging en verlaging van de bijstandsnorm

 

Art. 33. [Toeslag op de bijstandsnorm]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 1995, 200Stcrt. 1996, 43Stcrt. 1996, 121Stcrt. 1996, 247Stcrt. 1997, 119Stcrt. 1997, 244Stb. 1997, 791Stcrt. 1998, 60Stb. 1998, 205Stcrt. 1998, 119Stcrt. 1998, 242Stcrt. 1999, 122Stcrt. 1999, 243Stcrt. 2000, 123Stcrt. 2000, 245Stcrt. 2001, 122Stcrt. 2001, 244Stcrt. 2002, 125Stcrt. 2002, 241Stcrt. 2003, 57Stcrt. 2003, 119Stb. 2003, 376]      [JurisprudentieLJN AA6936AB3333AE3712AE8643]
-1. Burgemeester en wethouders verhogen voor een belanghebbende van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die een alleenstaande of een alleenstaande ouder is, de bijstandsnorm met een toeslag voor zover de belanghebbende hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander.
-2. De toeslag bedraagt ten hoogste €|227,93 per kalendermaand.

 

Art. 34. [Verlagen bijstandsnorm gehuwden indien bepaalde kosten kunnen worden gedeeld]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 1995, 691Stb. 1997, 791Stb. 2003, 376   [JurisprudentieLJN AA8683AD4723]
Burgemeester en wethouders kunnen voor gehuwden, waarvan beide echtgenoten jonger zijn dan 65 jaar, de bijstandsnorm verlagen voor zover de belanghebbenden lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander.

 

Art. 35. [Verlagen bijstandsnorm of toeslag indien geen woonkosten]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 1997, 791Stb. 2003, 376]      [JurisprudentieAA3501AA4623AB3333AD3412AD4723]
-1. Burgemeester en wethouders kunnen de bijstandsnorm, bedoeld in de artikelen 29 en 30, eerste lid, of de toeslag, bedoeld in artikel 33, lager vaststellen voor zover de belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm of de toeslag voorziet, als gevolg van de bewoning van een woning waaraan geen woonkosten zijn verbonden.
-2. De in het eerste lid bedoelde verlaging vindt bij voorrang plaats op de toeslag.

 

Art. 36. [Verlagen bijstandsnorm of toeslag i.v.m. beëindiging opleiding]  [Geschiedenisversie 12 april 1995Stb. 1995, 676Stb. 1995, 691Stb. 1997, 760Stb. 1998, 742Stb. 2000, 286Stb. 2001, 225Stb. 2003, 376]
-1. Burgemeester en wethouders kunnen de bijstandsnorm of de toeslag, bedoeld in artikel 33, lager vaststellen voor de belanghebbende die recent de deelname heeft beëindigd aan onderwijs of een beroepsopleiding:
a. indien voor het onderwijs of de beroepsopleiding aanspraak bestond op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000, op een tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten; dan wel
b. indien de belanghebbende op de eerste dag van het kalenderkwartaal waarin de beëindiging plaatsvond jonger was dan 25 jaar en de voor werkzaamheden beschikbare tijd voor ten minste 19 uur per week in beslag werd genomen door het onderwijs of de beroepsopleiding, tenzij het betreft een scholing of opleiding als bedoeld in artikel 113, eerste lid, onderdeel e, dan wel een scholing of opleiding als voorziening op grond van de Wet inschakeling werkzoekenden.
-2. Van een recente beëindiging van de deelname aan onderwijs of beroepsopleiding als bedoeld in het eerste lid is sprake zolang nog geen periode van een halfjaar is verstreken, gerekend vanaf het tijdstip van die beëindiging.
-3. De in het eerste lid bedoelde verlaging vindt bij voorrang plaats op de toeslag.

 

Art. 37. [Afwijking toeslag voor alleenstaanden 21 en 22 jaar | Definitie minimumjeugdloon]  [Geschiedenisversie 12 april 1995Stb. 2003, 376]
-1. Burgemeester en wethouders kunnen voor een alleenstaande van 21 of 22 jaar de toeslag, bedoeld in artikel 33, afwijkend vaststellen voor zover zij van oordeel zijn dat, gezien de hoogte van het minimumjeugdloon, de hoogte van deze toeslag een belemmering kan vormen voor de aanvaarding van arbeid.
-2. Onder het minimumjeugdloon, bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan het voor de betreffende leeftijd geldende minimumloon, bedoeld in artikel 8, derde lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.

 

Art. 38.¹ [Verordening verhoging of verlaging bijstandsnormen]  [Geschiedenisversie 12 april 1995Stb. 1995, 691Stb. 1997, 791Stb. 2003, 376Stb. 2008, 586]      [JurisprudentieLJN AA3501AA4623AA8683AD4723AE3712AE8643]
-1. Het gemeentebestuur stelt bij verordening vast voor welke categorieën de bijstandsnorm wordt verhoogd of verlaagd en op grond van welke criteria de hoogte van die verhoging of verlaging wordt bepaald.
-2. In de verordening, bedoeld in het eerste lid, stelt het gemeentebestuur in elk geval vast dat:
a. onverminderd artikel 35, 36 en 37, de toeslag, bedoeld in artikel 33, voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt bepaald op het in dat artikel genoemde maximumbedrag;
b. jegens een belanghebbende niet gelijktijdig gebruik gemaakt wordt van de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid.
-3. In de verordening worden uitsluitend verhogingen of verlagingen vastgesteld als bedoeld in de artikelen 33 tot en met 37.
-4. Verhoging of verlaging van de bijstandsnorm of afwijkende vaststelling van de toeslag vindt plaats onverminderd artikel 13, eerste lid.

1. Ingevolge artikel 78a van de Wet werk en bijstand geldt de verordening als de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel c, van Wet werk en bijstand, red.

 

 

AFDELING  2

Bijzondere bijstand

 

Art. 39. [Algemene bepalingen voor recht op bijzondere bijstand | Verhoging met loonbelasting en premies]  [GeschiedenisMvT + bisversie 12 april 1995Stb. 1997, 193;  Stb. 2001, 426Stb. 2003, 376]      [JurisprudentieLJN AA3611AA3716AA4022AA4131AA4888AA5390AA5397AA6778AA6934AA7188AA8508AA8962AB0577AB1792AB6634AD3427AD3656AD3836AD7103AD7123AD7718AD8232AE0174AE2489AE3712AE3723AE3724AE3732AE3799AE3803AE4069AE4212AE4370AE4985AE6365AE6409AE8232AE8636AE8637AE9790AF0905AF1186AF1409AT0123AT0173AT0309]
-1. Onverminderd hoofdstuk II heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3, en de aanwezige draagkracht.
-2. In afwijking van artikel 6, onderdeel b, kan bijzondere bijstand ook aan een persoon behorend tot een bepaalde categorie worden verleend, zonder dat behoeft te worden nagegaan of ten aanzien van die persoon de hierna bedoelde kosten ook daadwerkelijk noodzakelijk zijn of gemaakt zijn, indien ten aanzien van de categorie waartoe hij behoort aannemelijk is dat die zich in bijzondere omstandigheden bevindt die leiden tot bepaalde noodzakelijke kosten van bestaan waarin de algemene bijstand niet voorziet en die de aanwezige draagkracht te boven gaan.
-3. Voor zover de gemeente krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is, wordt de bijstand verhoogd met de loonbelasting en premies volksverzekeringen, alsmede met de over die bijstand verschuldigde ziekenfondspremie.

 

Art. 40. [Vaststelling draagkracht]  [GeschiedenisMvT + bisversie 12 april 1995Stb. 2003, 376]      [JurisprudentieLJN AA4888AA5397AA8962AD3427AD7103]
-1. Voor de vaststelling van de draagkracht nemen burgemeester en wethouders geheel of gedeeltelijk in beschouwing:
a. het in aanmerking te nemen vermogen;
b. het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3.
-2. Burgemeester en wethouders bepalen de duur van de periode waarover de draagkracht in aanmerking wordt genomen alsmede het tijdstip waarop deze periode begint.

 

Art. 41. [Drempelbedrag]  [GeschiedenisMvT + bisversie 12 april 1995Stb. 1995, 200Stcrt. 1996, 121Stcrt. 1996, 247Stcrt. 1997, 119Stcrt. 1997, 244Stcrt. 1998, 119Stcrt. 1998, 242Stcrt. 1999, 122Stcrt. 1999, 243Stcrt. 2000, 123Stcrt. 2000, 245Stcrt. 2001, 122Stcrt. 2001, 244Stcrt. 2002, 125Stcrt. 2002, 241Stcrt. 2003, 119Stb. 2003, 376]
Burgemeester en wethouders zijn bij de toepassing van artikel 39, eerste lid, bevoegd om voor de daar bedoelde kosten geheel of gedeeltelijk geen bijstand te verlenen voor zover deze kosten over een periode van twaalf maanden een bedrag van €|109,00 niet te boven gaan.

 

 

AFDELING  3

De middelen

 

§ 1.  Algemeen

 

Art. 42. [Definitie middelen]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 2000, 571Stb. 2003, 376]      [JurisprudentieLJN AA3468AA3503AA4624AA8961AA9587AB2256AB2260AD8171AE2699AE3952AE6820AE7159]
Tot de middelen worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Tot de middelen, bedoeld in de eerste zin, behoort in elk geval de ten aanzien van de alleenstaande of het gezin toepasselijke heffingskorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

 

Art. 43. [Mede tot/niet tot middelen gerekend | Premies | Verordening vrijlating inkomsten | Ministeriële regeling m.b.t. lid 2j en n | Regeling vrijlating immateriële schadevergoeding Algemene bijstandswet]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 1995, 200Stb. 1995, 691Stcrt. 1996, 43Stcrt. 1996, 121Stcrt. 1996, 247Stb. 1997, 197Stb. 1997, 193;  Stcrt. 1997, 119Stcrt. 1997, 175Stcrt. 1997, 244Stb. 1997, 728Stcrt. 1998, 60Stb. 1998, 289Stcrt. 1998, 119Stcrt. 1998, 242Stb. 1998, 742 + bisStcrt. 1999, 122Stcrt. 1999, 243Stcrt. 2000, 15Stcrt. 2000, 123Stb. 2000, 575Stcrt. 2000, 245Stb. 2000, 571Stb. 2001, 109Stcrt. 2001, 122Stb. 2001, 426Stcrt. 2001, 198Stcrt. 2001, 244Stcrt. 2002, 125Stcrt. 2002, 241Stcrt. 2003, 57Stcrt. 2003, 119Stb. 2003, 376]      [JurisprudentieLJN AA3468AA4021AA6725AA8962AB2483AE2699AE3262AE3952]
-1. Tot de middelen van de belanghebbende worden mede de middelen gerekend die ten behoeve van zijn levensonderhoud door een niet in de bijstand begrepen persoon worden ontvangen.
-2. Niet tot de middelen van de belanghebbende worden gerekend:
a. de middelen die deze ontvangt ten behoeve van het levensonderhoud van een niet in de bijstand begrepen persoon;
b. kinderbijslag ontvangen ten behoeve van zijn in of buiten Nederland woonachtige kinderen;
c. de kinderkorting en de aanvullende kinderkorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001;
d. huursubsidie ontvangen op grond van de Huursubsidiewet, of een bijzondere bijdrage in de huurlasten ontvangen op grond van artikel 26b van die wet;
e. vergoedingen en tegemoetkomingen voor, alsmede de vermindering of teruggave van, loonbelasting of inkomstenbelasting en van premies volksverzekeringen op grond van kosten die niet tot de algemeen noodzakelijke bestaanskosten behoren, tenzij voor deze kosten bijstand wordt verleend;
f. vrije vergoedingen en vrije verstrekkingen als bedoeld in hoofdstuk IIa van de Wet op de loonbelasting 1964, tenzij voor deze vergoedingen en verstrekkingen bijstand wordt verleend;
g. inkomsten uit arbeid van de tot zijn last komende kinderen, alsmede door hen ontvangen werkloosheids- en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, tenzij het de verlening van bijzondere bijstand betreft voor bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan van die kinderen;
h. rente ontvangen over op grond van artikel 52, eerste lid, onderdeel b, c en d, niet in aanmerking genomen vermogen en spaargelden;
i. een eenmalige premie voor het voltooien van een scholing of opleiding als bedoeld in artikel 114, voor zover een bedrag van €|1316,00 niet wordt overschreden;
j. premies die al dan niet eenmalig boven het rechtens geldende loon worden verstrekt voor het aanvaarden of behouden van arbeid, voor zover deze premies binnen een tijdvak van één jaar tezamen minder bedragen dan €|1952,00;
k. een uitkering in verband met geleden immateriële schade voor zover dit, gelet op de aard en de hoogte van de uitkering, uit een oogpunt van bijstandverlening verantwoord is;
l. de eenmalige uitkering toegekend aan oud-mijnwerkers in verband met silicose;
m. inkomsten uit arbeid tot €|89,00 per maand, alsmede de helft van het meerdere tot een maximum van in totaal €|163,00 per maand, beide voor zover hij algemene bijstand ontvangt en behoort tot een categorie van personen voor wie één of meer van de verplichtingen, bedoeld in artikel 113, eerste lid, niet gelden op grond van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 107, tweede lid, of 113, vierde lid;
n. inkomsten uit arbeid tot €|89,00 per maand, alsmede de helft van het meerdere tot een maximum van in totaal €|163,00 per maand, beide voor zover hij algemene bijstand ontvangt en hij behoort tot een categorie van personen die overeenkomstig een verordening van het gemeentebestuur om redenen van medische of sociale aard is aangewezen op het verrichten van arbeid in deeltijd;
o. de eenmalige uitkering ingevolge de Uitkeringswet tegemoetkoming twee- tot vijfjarige diensttijd veteranen;
p. subsidies die op grond van artikel 3 van de Wet inschakeling werkzoekenden worden verstrekt voor het onverplicht, in georganiseerd verband, verrichten van onbetaalde maatschappelijk nuttige activiteiten, voor zover deze subsidies:
1º. binnen een tijdvak van één kalendermaand minder bedragen dan €|81,00; en
2º. worden verstrekt aan een langdurig werkloze als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inschakeling werkzoekenden, dan wel aan een belanghebbende die behoort tot een categorie van personen voor wie één of meer van de verplichtingen, bedoeld in artikel 113, eerste lid, niet gelden op grond van de artikelen 107, eerste en tweede lid, 113, vierde lid, of 114a;
q. eigenwoningbijdrage of een bijzondere bijdrage ontvangen op grond van de Wet bevordering eigenwoningbezit;
r. individuele uitkeringen in het kader van tegoeden Tweede Wereldoorlog aan leden van de Joodse, Sinti-, Roma- en Indische gemeenschappen.
-3. Een uitkering tot levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek die de belanghebbende jonger dan 21 jaar van zijn ouder of ouders ontvangt, wordt niet tot de middelen van de belanghebbende gerekend voor zover deze uitkering op grond van artikel 10 reeds in aanmerking is genomen bij de vaststelling van het recht op bijzondere bijstand.
-4. Onze Minister kan regels stellen omtrent de gevallen waarin:
a. het tweede lid, onderdeel j of n, niet van toepassing is;
b. een uitkering als bedoeld in het tweede lid, onderdeel k, niet tot de middelen van de belanghebbende gerekend wordt. [RvisA]

 

Art. 44. [Giften]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 1998, 742Stb. 2003, 376]
Bij de vaststelling van de middelen worden giften van instellingen en personen niet in aanmerking genomen voor zover dit, gezien de bestemming en de hoogte van de giften, uit een oogpunt van bijstandverlening verantwoord is.

 

Art. 45. [Netto in aanmerking te nemen middelen]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 1995, 200Stcrt. 1996, 247Stcrt. 1997, 244Stb. 1997, 789Stcrt. 1998, 60Stcrt. 1998, 242Stcrt. 1999, 243Stcrt. 2000, 245Stcrt. 2001, 244Stb. 2003, 376]      [JurisprudentieLJN AA3468AE2699]
-1. De middelen worden in aanmerking genomen tot het bedrag dat resteert na aftrek van:
a. de daarover door de belanghebbende verschuldigde loonbelasting of inkomstenbelasting;
b. de daarover door de belanghebbende verschuldigde premies volksverzekeringen, premies werknemersverzekeringen en ziekenfondspremie dan wel een inhouding die met één of meer van deze premies overeenkomt;
c. ten laste van de belanghebbende komende verplichte bijdragen ingevolge een pensioenregeling en daarmee vergelijkbare regelingen; en
d. andere ten laste van de belanghebbende komende verplichte inhoudingen.
-2. Bij de bijstandverlening aan een zelfstandige worden de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen over inkomen waarover geen loonbelasting is geheven, gesteld op 20 procent van dat inkomen.

 

Art. 46. [Bijstandsregeling vakantietoeslag 2001]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 2003, 376]
Onze Minister stelt regels voor het in aanmerking nemen van de aanspraak op vakantietoeslag over een inkomen. [Bv] [Bv96] [Bv01]

 

 

§ 2.  Het inkomen

 

Art. 47. [Definitie inkomen]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 1995, 200Stcrt. 1996, 247Stcrt. 1997, 244Stb. 1997, 789Stcrt. 1998, 60Stcrt. 1998, 242Stcrt. 1999, 243Stcrt. 2000, 245Stcrt. 2001, 244Stb. 2003, 376]      [JurisprudentieLJN AA3468AE2699AE6815]
-1. Onder inkomen wordt verstaan de op grond van paragraaf 1 in aanmerking genomen middelen voor zover deze:
a. betreffen inkomsten uit of in verband met arbeid, inkomsten uit vermogen, een premie voor het voltooien van een scholing of opleiding of voor het aanvaarden of behouden van betaalde arbeid of een subsidie voor het onverplicht, in georganiseerd verband, verrichten van onbetaalde maatschappelijk nuttige activiteiten, inkomsten uit verhuur, onderverhuur of uit het hebben van één of meer kostgangers, socialezekerheidsuitkeringen, uitkeringen tot levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, voorlopige teruggave of teruggave van inkomstenbelasting, loonbelasting en premies volksverzekeringen, dan wel naar hun aard met deze inkomsten en uitkeringen overeenkomen; en
b. betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.
-2. Middelen die het karakter hebben van uitgesteld inkomen worden in aanmerking genomen naar de periode waarin deze zijn verworven. Middelen die het karakter hebben van doorbetaling van inkomen over een periode worden in aanmerking genomen naar de periode waarin deze te gelde kunnen worden gemaakt.
-3. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, wordt bij de bijstandverlening aan een zelfstandige rekening gehouden met het inkomen over een boekjaar, zoals dat aan de hand van zijn administratie wordt vastgesteld. Een teruggave van inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen wordt bij een zelfstandige niet als inkomen aangemerkt.

 

Art. 48. [Inkomen in natura en i.v.m. onderhuurder of kostganger | Waardering studiefinanciering]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 1995, 200Stb. 1995, 676Stb. 1995, 691Stcrt. 1996, 247Stcrt. 1997, 244Stcrt. 1998, 242Stcrt. 1999, 243Stb. 2000, 286 + bisStcrt. 2000, 245Stb. 2001, 225Stcrt. 2001, 244Stcrt. 2002, 241Stb. 2003, 376]      [JurisprudentieLJN AA3508AE3719]
-1. Indien inkomen in natura in aanmerking wordt genomen, wordt de waarde daarvan vastgesteld op de daaruit voortvloeiende lagere bestaanskosten.
-2. Het inkomen uit studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 wordt in aanmerking genomen naar het normbedrag voor levensonderhoud waarnaar deze is berekend, met dien verstande dat het normbedrag voor levensonderhoud als bedoeld in artikel 3.2 van die wet wordt gesteld op:
a. voor een thuisinwonende studerende: €|271,06 per kalendermaand;
b. voor een uitwonende studerende: €|486,94 per kalendermaand.
-3. De tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten wordt in aanmerking genomen naar het normbedrag voor de basistoelage, bedoeld in artikel 4.3 van die wet.
-4. Indien de belanghebbende de woning bewoont met één of meer huurders, onderhuurders of kostgangers, worden de daaruit voortvloeiende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan als inkomen in aanmerking genomen voor zover burgemeester en wethouders daarmee nog geen rekening hebben gehouden bij de vaststelling van de verhoging of verlaging van de bijstandsnorm als bedoeld in afdeling 1, paragraaf 3.

 

Art. 49. [Buiten beschouwing te laten particuliere oudedagsvoorziening]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 1995, 200Stcrt. 1996, 247Stcrt. 1997, 244Stcrt. 1998, 242Stcrt. 1999, 243Stcrt. 2000, 245Stcrt. 2001, 244Stcrt. 2002, 241Stb. 2003, 376]
Indien de alleenstaande, de alleenstaande ouder of één van de echtgenoten 65 jaar of ouder is, wordt voor de vaststelling van de hoogte van de bijstand een in de vorm van een periodieke uitkering ontvangen particuliere oudedagsvoorziening buiten beschouwing gelaten tot een bedrag van:
a. voor een alleenstaande en een alleenstaande ouder: €|16,45 per kalendermaand;
b. voor de gehuwden tezamen: €|32,90 per kalendermaand.

 

Art. 50. [Inkomen niet-rechthebbende echtgenoot]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 1995, 676Stb. 1995, 691Stb. 1999, 564Stb. 2000, 286Stb. 2001, 225Stb. 2003, 376]
-1. Indien één van de gehuwden geen recht op algemene bijstand heeft, wordt zijn inkomen slechts in aanmerking genomen voor zover het inkomen van de gehuwden tezamen, met inbegrip van de bijstand die zou worden verleend indien zijn inkomen niet in aanmerking wordt genomen, meer zou bedragen dan de op grond van afdeling 1 vast te stellen bijstandsnorm voor gehuwden.
-2. In afwijking van het eerste lid wordt, indien de gehuwden gescheiden leven, doch niet duurzaam gescheiden, het inkomen van de niet-rechthebbende echtgenoot slechts in aanmerking genomen voor zover het de bijstandsnorm, bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3, te boven gaat.
-3. Voor de vaststelling van de bijstandsnorm, bedoeld in het eerste lid, is artikel 36 van overeenkomstige toepassing, indien de niet-rechthebbende echtgenoot:
a. onderwijs of een beroepsopleiding volgt op grond waarvan aanspraak bestaat op studiefinanciering op grond de Wet studiefinanciering 2000, op een tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten ingevolge hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten; dan wel
b. jonger is dan 25 jaar en de voor werkzaamheden beschikbare tijd voor ten minste 19 uur per week in beslag wordt genomen door het onderwijs of de beroepsopleiding, tenzij het betreft een scholing of opleiding als bedoeld in artikel 113, eerste lid, onderdeel e, dan wel een scholing of opleiding als voorziening op grond van de Wet inschakeling werkzoekenden.
-4. Voor de vaststelling van het inkomen van de niet-rechthebbende echtgenoot is deze afdeling van overeenkomstige toepassing.

 

 

§ 3.  Het vermogen

 

Art. 51. [Definitie vermogen]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 1995, 691Stb. 1998, 742Stb. 2003, 376]      [JurisprudentieLJN AA3503AA7064AB2256AB2260AD3427AE1353AE2641AE3952AE7159AE9538]
-1. Onder vermogen wordt verstaan:
a. de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin bij de aanvang van de bijstandverlening beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de op dat tijdstip aanwezige schulden;
b. de op grond van paragraaf 1 in aanmerking genomen middelen die worden ontvangen tijdens de periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan, voor zover deze geen inkomen zijn als bedoeld in artikel 47.
-2. Bij de verlening van bijstand aan een zelfstandige die het bedrijf of zelfstandig beroep tezamen met één of meer anderen uitoefent, wordt onder vermogen mede verstaan het vermogen van die anderen.

 

Art. 52. [Niet als vermogen aangemerkt]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 1995, 691Stb. 1998, 742bisStb. 2003, 376]      [JurisprudentieLJN AA3503AA6725AB2256AB2260AB3075AE2699AE3952AE7159]
-1. Niet als vermogen wordt in aanmerking genomen:
a. bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn dan wel, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk zijn;
b. het bij de aanvang van de bijstand aanwezige vermogen voor zover dit minder bedraagt dan de toepasselijke vermogensgrens, genoemd in artikel 54;
c. vermogen ontvangen tijdens de periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan, tot het bedrag dat het bij de aanvang van de bijstandverlening aanwezige vermogen minder bedroeg dan de toepasselijke vermogensgrens, genoemd in artikel 54;
d. spaargelden opgebouwd tijdens de periode waarin bijstand wordt ontvangen;
e. een uitkering in verband met geleden immateriële schade voor zover dit, gelet op de aard en de hoogte van de uitkering, vanuit een oogpunt van bijstandverlening verantwoord is.
-2. Voor de zelfstandige wordt niet als vermogen in aanmerking genomen:
a. bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn dan wel, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk zijn;
b. het voor de uitoefening van het bedrijf of zelfstandig beroep noodzakelijke vermogen, waaronder mede begrepen het vermogen gebonden in de door de zelfstandige of zijn gezin in eigendom bewoonde woning met bijbehorend erf.

 

Art. 53. [Waardering vermogen | Besluit krediethypotheek bijstand | Besluit bijstandverlening zelfstandigen]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 2003, 376]      [JurisprudentieLJN AE2641]
-1. De waarde van de bezittingen wordt vastgesteld op de waarde in het economisch verkeer.
-2. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld voor de vaststelling van het vermogen gebonden in de door de belanghebbende of zijn gezin in eigendom bewoonde woning met bijbehorend erf. [Bkb]
-3. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld voor de vaststelling van het voor de uitoefening van het bedrijf of zelfstandig beroep noodzakelijke vermogen van de zelfstandige. [Bbz]

 

Art. 54. [Vrij te laten vermogen]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 1995, 200Stcrt. 1996, 247Stcrt. 1997, 244Stb. 1997, 791Stcrt. 1998, 242Stcrt. 1999, 243Stcrt. 2000, 245Stcrt. 2001, 244Stcrt. 2002, 241Stb. 2003, 376]      [JurisprudentieAA3503AB0237AB2260AB2280AB3075AD9473AE1353AE3713AT0206AE3952AE7159AE9538]
De in artikel 52, eerste lid, onderdeel b en c, bedoelde vermogensgrens is:
a. voor een alleenstaande: €|4975,00;
b. voor een alleenstaande ouder: €|9950,00;
c. voor de gehuwden tezamen: €|9950,00.

 

 

AFDELING  4

Aanpassing van bedragen

 

Art. 55. [Definitie nettominimumloon en prijsindexcijfer | Berekening loonbelasting en premies | Besluit vaststelling rekenpremie wachtgeldfondsen]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 1999, 564Stb. 2000, 571Stb. 2003, 376]
-1. In deze afdeling wordt onder nettominimumloon verstaan het minimumloon per maand, genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, verhoogd met de aanspraak op vakantiebijslag waarop een werknemer op grond van artikel 15 van die wet over dat minimumloon ten minste aanspraak kan maken, na aftrek van de daarvan in te houden loonbelasting, premies volksverzekeringen, premies werknemersverzekeringen en het werknemersaandeel in de ziekenfondspremie.
-2. De in het eerste lid bedoelde loonbelasting en premies volksverzekeringen worden berekend voor een werknemer jonger dan 65 jaar, rekening houdend met uitsluitend tweemaal de algemene heffingskorting, bedoeld in artikel 22 van de Wet op de loonbelasting 1964, over het minimumloon en de aanspraak op vakantiebijslag daarover, vermeerderd met het werkgeversaandeel in de ziekenfondspremie en verminderd met de premies werknemersverzekeringen. De loonbelasting en de premies volksverzekeringen, in te houden van de aanspraak op vakantiebijslag over het minimumloon, worden berekend met toepassing van de tabel voor bijzondere beloningen waarin de arbeidskorting, bedoeld in artikel 22a van de Wet op de loonbelasting 1964, niet is verwerkt.
-3. Indien ingevolge één van de socialeverzekeringswetten een premie wordt ingehouden waarvan het percentage per bedrijfstak verschilt, wordt met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels bij ministeriële regeling voor de toepassing van het eerste lid een gemiddeld percentage vastgesteld. [Bvrw] [RvgpWw] [RvrZw]
-4. Onder prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie wordt in deze afdeling verstaan hetgeen daaronder in artikel 13, zesde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet wordt verstaan.

 

Art. 56. [Aanpassing bedragen artt. 26, 29, 30, 33 en 43]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 1995, 691Stb. 1997, 193;  Stb. 1997, 791Stb. 1998, 742Stb. 2001, 426Stb. 2003, 376]
-1. Onze Minister herziet, met ingang van de dag waarop het nettominimumloon wijzigt:
a. met het percentage van deze wijziging, de bijstandsnormen, genoemd in artikel 29 en artikel 30, eerste lid, en het bedrag, genoemd in artikel 33, tweede lid;
b. het percentage, genoemd in artikel 26, derde lid, zodanig dat dit gelijk is aan de procentuele verhouding tussen de nettoaanspraak op minimumvakantietoeslag over het minimumloon en de som van het nettominimumloon en de nettoaanspraak op minimumvakantietoeslag daarover.
-2. Onze Minister herziet, met ingang van de dag waarop het nettominimumloon zonder de daarin begrepen aanspraak op vakantietoeslag wijzigt, met het percentage van deze wijziging, de bedragen, genoemd in artikel 43, tweede lid, onderdeel i, j, m, n en p.

 

Art. 57. [Aanpassing bedragen art. 30]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 1995, 691Stb. 1997, 791Stb. 2003, 376]
Onze Minister herziet de bedragen, genoemd in artikel 30, tweede lid, met ingang van de dag waarop het netto-ouderdomspensioen en de daarbij behorende vakantie-uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet wijzigen, met het percentage van die wijziging.

 

Art. 58. [Aanpassing bedrag art. 41 | Definitie brutominimumloon]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 2003, 376]
-1. Onze Minister herziet, met ingang van de dag waarop het brutominimumloon wijzigt, met het percentage van deze wijziging, het in artikel 41 genoemde bedrag.
-2. Onder brutominimumloon, bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan het in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag genoemde bedrag.

 

Art. 59. [Aanpassing bedragen art. 31 | Definitie nettominimumloon]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 2003, 376]
-1. Onze Minister herziet, met ingang van de dag waarop het nettominimumloon en de daarop aan te brengen correctie, bedoeld in het derde lid, of de gemiddelde nominale premies op grond van de Ziekenfondswet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten wijzigen, met het percentage van deze wijziging, de bijstandsnormen, genoemd in artikel 31, eerste lid, nadat daarop de gemiddelde nominale premie in mindering is gebracht die de alleenstaande of de gehuwden op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten verschuldigd zijn. Het aldus gewijzigde bedrag wordt vervolgens verhoogd met de gemiddelde nominale premie die de alleenstaande of de gehuwden op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten verschuldigd zijn.
-2. Onder het nettominimumloon, bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan het nettominimumloon, bedoeld in artikel 55, eerste lid, met dien verstande dat daarop in mindering worden gebracht de gemiddelde nominale premies die gehuwden op grond van de Ziekenfondswet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten verschuldigd zijn.
-3. De in het eerste lid bedoelde correctie is het procentuele verschil van de wijziging van het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie en het prijsindexcijfer van het onderdeel energie daarvan.

 

Art. 60. [Aanpassing bedragen art. 48]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 1995, 691Stb. 2000, 286Stb. 2003, 376]
Onze Minister herziet met ingang van de dag waarop de som van de budgetten voor levensonderhoud, genoemd in artikel 3.2, eerste lid, onderdeel a, van de Wet studiefinanciering 2000, en het bedrag dat op grond van artikel 3.29, eerste lid, van die wet wordt verstrekt aan een studerende die ten onrechte over een kalendermaand geen reisvoorziening ontvangt, de in artikel 48, tweede lid, genoemde bedragen zodanig dat deze gelijk zijn aan deze som.

 

Art. 61. [Aanpassing bedragen artt. 49 en 54]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 1998, 205Stb. 2003, 376]
Onze Minister herziet, met ingang van 1 januari van elk kalenderjaar, met de procentuele stijging van het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie, de in artikel 49 en artikel 54 genoemde bedragen.

 

Art. 62. [Aanpassing bedragen art. 45]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995]
Onze Minister stelt het in artikel 45, tweede lid, genoemde percentage zodanig vast dat dit gelijk is aan het bedrag dat voor personen jonger dan 65 jaar over de algemene bijstand verschuldigd is aan loonbelasting en premies volksverzekeringen, uitgedrukt als een percentage van de algemene bijstand verhoogd met deze loonbelasting en premies.